E. J. POTGIETER (1808-1875)

UITSPANNINGEN VAN CHRISTOPHER NORTH.


II.

De Gouden Adelaar is het legerhoofd onzer roofvogelen – en ginds zien wij zijne gemalin zitten, in niet onwaardige rust. Haar honger en haar dorst zijn gestild geworden – statelijk vouwde zij hare wieken zaam – hare klaauwen, om een’ dorren tak geslagen, gaan bijna schuil achter de vederen harer borst – schoon geen sluimer hare oogen luikt, heeft de uitdrukking van deze thans niets wreedaardigs – de vorstelijke vogel schijnt schier verheven, eenzaam en ernstig, als zij daatr zit op de rots. Onbezorgd doet thans de haan zijn gekraai over de hoeve weÍrklinken; in de lommer der berken fluit de meerle van lust; – en het konijntje steekt zijne ooren op aan den uitgang des hols, en huppelt vrolijk over velden en hei.

Er is niets, dat ons hier het uur des dags aankondigt – noch licht, noch schaduw – geen wolkje zelfs. Maar uit het rustig voorkomen des vogels maken wij op, dat de stilte van den avond aanvangt, na eenen dag, waarin zij op strooptogt bij strooptogt is geslaagd, De jongen in het nest zijn verzadigd, en eerst met den dageraad zal hun hongerkreet weÍr opgaan. Waakzaam tot in hare rust toe, verbeidt de moeder daar de duisternis, die haar vergunnen zal naar haar broedsel op te vliegen – haar gemaal heeft, binnen den kreits harer blikken, elders op de klip post gevat – een schildwacht, op wiens oogen, ooren en neus zij vertrouwen mag, wiens zintuigen haar in zijn hoede veilig doen zijn. – Of is er iets, dat in scherpte bij deze haalt; of gelukt het herder en jager, anders: dan bij uitzondering en als door een wonderwerk, hem steelswijze te verrassen, en met buks of roer wrake te nemen voor de geroofde lammeren en het meÍgevoerde wild?

En echter, het gebeurt bijwijlen, dat de gele luister harer, koene, wilde, vurige oogen, zelfs op vollen dag, omsluijerd wordt door het vlies des slaaps. Welligt heeft krankte aan het hart des verslagen’ vogels geknaagd, of koortse hare wieken verteerd. De zonnegloed kan haar hebben gezengd, of de storm haar tegen eene rots hebben gezweept. Hoe het zij – honger en dorst – wier eischen zij in volle vederpracht versmaadde, of die haar slechts tot grootere wreedheid spoorden, als zij op den zoom van het voorraadlooze nest haren bek op den vuursteen wette, of de heitwijgen in hare klaauwen neep, als voorgevoelde zij hare prooi – dorst en honger temmen haren moed, en verteerd van gebrek, wordt zij aan hare voeten de vogelen gewaar, die zij niet langer in staat is te vervolgen, die zij met een’ enkelen slag niet meer ter aarde kan slaan. Dag aan dag wordt hare vlugt trager; – zij waagt het niet langer de breede dalen, waarin meer bij meer den hemel weÍrkaatst, over te steken – schier maar fladderende, zoekt zij haren weg van rots tot rots, en daalt langzaam, langs dezelfde zijde van het gebergte, neÍr – tot zij eindelijk, door hare zwakte in gevaarlijke laagte verlokt, met het aanbreken des dags, ver beneden het gebied der sneeuw wordt bespeurd, aangevallen en uitgejouwd door het uitvaagsel van het roofgebroed. Een schot weÍrklinkt, en neÍr zijgt ze, met het lood in het harte – eenige slagen weÍrgalmen dof, en de kolf van het geweÍr des herders heeft haar afgemaakt, – zie, zij, welker vlugt door de hemelen eenmaal zijne oogen verblindde, beslaat, uitgespreid aan de voeten haars vijands, maar acht voeten oppervlakte, van vleugelspits tot vleugelspits; zij, die hij in het zwerk heeft nageoogd, tot het schemerde voor zijnen blik.

Maar sla de gouden adelaar gade, op het oogenblik dat zij hare prooi gegrepen heeft, dat zij zich verheugt in den roof. Den kop achterovergeslagen, tusschen de halve maan harer uitgespreide wiekenpracht, die zij niet weder zal zamenslaan, eer de vangst is verslonden, de oogen gloeijende van wreede vreugd, de halsvederen opgestoken, den staart uitgespreid als een waaijer, de klaauwen in ingewand en harte van haar slagtoffer gegroefd, streek zij straks op den rand van dien afgrond neÍr; en het is ons, als vangen wij den wedergalm van haar krijschen. Haar leven lang heeft er bloed gekleefd aan haren bek en aan hare klaauwen, want de moordenaresse houdt geenen sabbath, en wascht die zelden in meer of zee, tenzij ze van haren wachttoren in de hemelen nederstrijkt als het weÍrlicht onder het verschrikte watergevogelte. Voor een oogenblik is het jong der hinde, nog geene acht dagen oud, de oogen zijner moeder, langs den zoom van het kreupelboschje huppelende, ontgaan, – daar suizelt iets, daar verbreidt zich eene schaduw – en het offer is meÍgevoerd op de rotskruinen van Bennevis. Een omzien, en het diertje is dood; een omzien, en na de viering der zege wordt het verscheurd, wordt het verslonden door adelaars en door adelaarsgebroed; er blijft niets van over dan de onverslondene of onverteerde beenderen, in het nest met die van honderd andere slagtoffers dooreengestrooid, of verspreid op zijn’ bloedigen rand, tot welken de jonge nikkers opkruipen, om zich te bakeren in den zonneschijn.

Het Leven eens adelaars door hem zelven beschreven dat, zoude een boek zijn! Ik wed, dat het grooter’ opgang maken zou, dan zelfs de Bekentenissen van den Engelschen opium-eter deden. Hoe trotsch zou hij of zij van geboorte en afkomst mogen spreken! Op eeuwenheugende rots zag hij voor het eerst de zon, en in edel instinkt tartte, beschaamde hij dat licht. Sinds hoeveel duizend jaren is het groote dal van Schotland reeds het erfgoed zijner voorvaderen geweest! Uit onverbasterden bloede gesproten, wordt zijne geslachtslijst door geenerlei onteerend huwelijk bevlekt; geen mariage de raison, de convenance, of d’argent met wouw, of havik, of valk, verpligt hem te blozen om zijn voorgeslacht. Neen, de gouden arenden van Glenn-Falloch, bijgenaamd de Zonne-staarders, hebben verbindtenissen gesloten met de gouden adelaars van Cruachan, Benlawers, Shehallion en Lochnagair – de WeÍrlicht-schichten, de Stroom-verrassers, de Storm-verzellers, de Wolken-klievers, van de dagen des zondvloeds af. Waan niet, dat de opvoeding van den autobiograaph aan eenen huisgouverneur werd toevertrouwd. Ouderen-oogen en bekken en klaauwen verzorgden zijne jeugd van voedsel, en in dat reuzig-ruime nest, jaar uit jaar in herbouwd en hersteld, met takken uit de woestijn, werd hem ouderenraad ingekrijscht, geschikt ter ontwikkeling van zijn instinkt, dat even veelomvattend, even verbazingwekkend is als de rede van den op aarde kruipenden mensch. Welk een uitstekend naturalist werd hij, na een jaar verkeers aan de hoogeschool op de rots! De gewoonten en gebruiken aller lagere schepselen – de menschen ingesloten – hadden weldra voor hem geene geheimen meer; – spoedig werd bij meester in deze – werd hij het ook van het onze en van ons. Wel verre dat zijne kennis zich tot ijdele theorie bepaalde, bragt hij haar dagelijks in praktijk. Opvoeding en oefening waren voor hem synoniem – voor het ontbijt verlustigde hij zich in eene vlugt van een paar honderd mijlen – des voormiddags legde hij een bezoek af op het verste der Hebriden-eilanden, en keerde ten middagmaal naar Glenco terug. Op eenen dag is hij naar Noorwegen gevlogen, ten einde eene uitnoodiging over te brengen aan zijn’ oom van moederszijde, en den volgenden keerde hij terug, om zijn moei van vaderskant eens aan te spreken, die krank lag op de klippen van Dee. Hij leerde het zich weldra schamen, eens om voedsel te hebben gekreten, waar geen voedsel te krijgen was, en hij zoude zich zelven verachten, als hij nu niet, hoe hongerig, hoe dorstig hij zijn mogt, op de rotsen zitten, of door de lucht drijven kon, lijdende, ja, maar stom. De deugden, te dulden, te verdragen en getroost te zijn, werden hem, in volkomene overeenstemming met de zedelijke wijsbegeerte van Aristoteles – hebbelijkheden. Een peripatetisch filozoof konde men hem niet wel noemen – juister uitgedrukt, behoorde hij tot de zonneschool – eene lucht-sekte, die onloochenbaar op een hoog standpunt staat, zich in stoute vlugt verlustigt, en dikwijls zoo hoog de wolken inzweeft, dat geen oog haar volgen kan. Ter afwisseling zou hij een vermakelijk hoofdstuk kunnen inlasschen, hoe hij, en de jongeluÓ van zijne jaren, tornooi plachten te houden in de lucht; en zich vermeiden in de schildering, hoe de kampvechters op elkander instoven, de eene opgezweefd van de bergen van Perthshire, de andere die van Argyle ontschoten; hoe hun wapengekletter het azuren gewelf daveren deed, zes duizend voeten boven de oppervlakte der zee. Maar de koorts der liefde blaakt zijn bloed, en naar de bergen van een ander werelddeel gesneld, ten gevolge eener overoude mondelinge overlevering of bekkige overkrijsching, zoo ge liever wilt, vrijde en verwierf hij er zijne maagdelijke bruid eene grouwelijke schoonheid, door breedere vleugelvlugt dan waarop hij bogen mogt, in staat om dood te slaan of te streelen, en het blijk harer adellijke geboorte met zich dragende, in den stralen schietenden regenboog in de oogen, slechts in volmaakte wreedheid aan de Zonne-staarsters bedeeld, en die in deze, ook onder het beneveldste wolkengraauw ter wereld, gevonden wordt. Bruidegom en bruid sliepen gedurende de wittebroodsweken op de naakte rots, tot zij hun nest op de spits van het gebergte, onder den klippigen ledekantshemel, hadden gebouwd. En toen zij in den toestand verkeerden, naar welken ook adelaarsgades, die haren gemaal liefhebben, haken, toen was hij haar genegen, hij haar gewijd, even als de doffer het der broedende duive is, in het pijnboschje in het harte des wouds. Hoe zachtkens liet hij, digt bij haren bek, het malsche lentelam uit zijne klaauwen glijden, of het te vroeg geboren haasje, de vrucht van het overijldt en onvoorzigtig huwelijk zijner ouderen, vůůr de maand van Maart gesloten, het haasje op den laatsten April begraven in een levend graf. Eene klagte ging op uit uwe dalen, Albin! en wel mogt zij wedergalm vinden op uwe heuvelen, want alom heerschten rouwe, sedert het breken dier eijerschalen, welke de vogelvorstinne onder haren boezem koesterde. Hoog in de hemelen zwierde en gierde het koninklijk paar, van opgaande tot ondergaande zonne. Op het vrolijk bloeijend heidekruid werden zij den herder in zijnen tartan, werden zij den jager gewaar, kruipend als eene hagedis; maar vergeefs scholen beide met hunne buksen in de schaduw van rots of woud, ter verblindende vlugt mogten ze opstaren, hun deren konden zij niet. De kudden werden getiend – en het geblaat van menige beroofde moeder, onder het wollige volk, klonk van heuvelhelling tot heuvelhelling. Om het roofpaar te vernielen, werd er vergif in de dalen uitgestrooid; maar de adelaar aast zoomin als de leeuw op krengen, en slechts de herdershonden huilden stervende over de prooije, waarin zij den dood verslonden. Ha! was dat geen overwinningsdag voor de Zonnestaarders van Cruachan, toen zij, paar aan paar in den hemel ter jagt getogen, diep beneden hen, op het grasperk voor den vervallen’ ingangboog van het kasteel van Kilchurn, in den zonneschijn alleen gelaten, den jeugdigen erfgenaam van Campbell of Breadalbane ontdekten, het kind van den Lord van Glenarchy en al zijne stroomen? Vier klaauwen waren oogenblikkelijk in het hart van het wicht geslagen! Kreet bij kreet mogt waarschuwen van toren bij toren, – zij klonken te laat, want eer de poorten des kasteels werden geopend, baadde het gulden hoofd van het jongske in zijn bloed, in het adelaarsnest, op de ijzeren muren van Ben Slarive – waren zijne blaauwe oogen uitgepikt – zijne blozende wangen opgescheurd, en spatten zijne hersens in het rond, van bekken, wier zegegekrijsch opging, onder het wroeten in den schedel... Ziedaar een’ wenk twee, drie voor: „Eenige tooneelen uit het leven eens Gouden Adelaars, door hem zelven beschreven, – in een deel, – roijaal-octavo, bij Blackwood, Edinburgh en Londen.”

O hemel en aarde! – o boschjes en boerenhoeven! – welk een onderscheid is er tusschen een’ Gouden Adelaar en eene tamme Gans! – Zie, een’ schralen hals op het logge lijf, de pooten; binnenwaarts gezet, als had geen dansmeester haar ooit gedrild, lispelende in armzalige našping eener slang, van deze naar gene en van gene naar deze zijde waggelende, sukkelt het donzig gansje door dik en dun, en zich verbeeldende, dat de halve wereld tegen haar is zaamgezworen, kwaakt zij grimmig, onder het neÍrploffen in den vijver. Geene zwaan, – die dubbel op het meer drijft, door het spiegelende vocht weÍrkaatst, – mag in hoogmoed bij haar halen. Zij doet er zich te goed op, eene gans te zijn, en vergeet nooit de les, haar door hare ouders ingesnaterd, zoodra zij in de netels uit den dop kwam, dat het gekwaak van haar voorgeslacht het Kapitool heeft, gered. Zij groeit op, en verkeert op den grooten weg gemeenzaam met de zwijnen, en snatert den Heidens, die in het bosch hun kamp hebben opgeslagen, van verre hare domheid toe. Wee haar! de tijd nadert vast, waarin zij geplukt wordt – de pen, waarmede ik het vermelde, getuigt van de folteringen, waartoe zij bestemd is! Uitgedreven wordt zij, uitgedreven, ook in het ongenadigste winterweÍr – en zoo zij de kans tot een’ klomp vets dood te vriezen ontgaat, opgepropt moet zij, tot hare lever in een’ vierponder verkeert – haar cerebellum wordt opengesneden door het onbarmhartige mes van een’ phrenologischen kok, en haar overschot, gebalsemd in appelsaus, begraven in de magen van Aldermen, die zich op een burgerfeest een beroerte op het lijf eten. Ziedaar een’ wenk twee, drie, voor: „Eenige tooneelen uit het leven van eene tamme gans, door haar zelve beschreven – in ťťn deel – knoei-octavo, bij Quack & Co., Ludgate Lane, en verder alom, bij alle solide boekhandelaren des rijks.”

Wij hebben in een ander opstel betuigd, dat we noch den adelaar, noch eenigen anderen vogel, zijne vleugels benijdden, en de reden, waarom wij onzen voeten de voorkeur geven, bijgebragt. En echter, toen wij onlangs Shakspeare nog eens opsloegen en lazen, hoe Puck tot Oberon zegt, dat hij in veertig minuten een’ gordel om de aarde kan slaan, toen vroegen wij ons zelven, of Puck wieken had, en zoo ja, dan bekenden wij, dat we, ook met deze gaarne voor een uur of wat Puck zouden wezen. Veertig minuten, toereikende om een’ gordel om de aarde te slaan, zie, zulke vleugelen zijn toch dichterlijker dan de laarzen van zeven mijlen. We verklaren, met de hand op het hart, dat wij het geschenk van een paar der laatste niet. zouden aannemen, al wierde het ons morgen gedaan – of dat we het, louter uit beleefdheid voor den genius, die ze ons opdrong, slechts zouden doen, om ze fluks in de eerste lade de beste, buiten het bereik der dienstboden, weg te sluiten. Onderstel eens, dat we er mede uit wandelen gingen – lieve hemel! met 1aarzen van zeven mijlen aan, zou een stap twee, drie ons verder kunnen brengen, dan wij den ganschen dag wenschten te komen. Het zou nietmetal aardig zijn. Al deden wij nog zou kleine schreden, om heel Schotland niet in een’ zomerachtermiddag om te vliegen, eene enkele wesp zou volstaan, om ons zuid- of noordwaarts naar de grenzen te jagen, met den eenen voet op het drooge, met den anderen in stroom of zee! Foei van laarzen van zeven mijlen! – dan zijn vleugelen een ander genot. Op wieken kunt ge zweven – en glijden – en dalen – en stijgen; – nu eens als een bijtje om de bloemen – dan weÍr als eene zwaan, half roeijende, half zeilende, half vliegende over de rivier – fluks eindelijk, als de adelaar, u verlustigen in den blaauwen oceaan des hemels, of zonnewaarts steigeren, onzigtbaar in eene zee van licht – de aarde en hare schaduwen uit het gezigt verliezende. „O dat ik de vleugelen eener duive hadde, dat ik mogt wegvliegen en op ruste zijn!” Wie is er, die niet, in een donker uur, uit het binnenste zijner ziel, hartstogtelijk – schier hopeloos – met vromen zin – den wensch heeft geslaakt, te kunnen wegvliegen over de grenzen van ellende en van zonde, zonder daarom in het rijk van den droomloozen dood aan te landen! Op ruste zijn, – maar tevens bewustheid hebben van die rust; – want moede, als de onsterfelijke bedevaartganger zijn mogt, hij wenschte geene vernietiging, hoe ongestoord dan ook, hij wilde daarom niet ophouden te bestaan. Hij bad om de vleugelen der duive, dewijl hij dat schoone schepsel, voor zijne blikken uit onze woelige wereld verdwijnende, in zijne verbeelding de eenzaamheid, der ongerepte wouden zag inglijden, de vleugelen zaamvouwen, en sluimeren naar lust. In dagen van onrust en vervolging, als de geest der menschen zijne verwantschap met de lagere schepping levendigst gevoelt, als hij gaarne met deze van vermogens en hoedanigheden ruilen zou, zijn we geneigd tot van ons verstand, onze rede, ja, van ons geweten zelf, afstand te doen, om daarentegen bedeeld te worden met de begaafdheid, aan al de folteringen te mogen ontvliÍn, welke verstand, rede en geweten alleen kunnen kennen, – om buiten het bereik van den gezichtseinder dezer wereld weg te vliegen en op rust te zijn!

Puck zegt, dat hij een’ gordel om de aarde kan slaan, in veertig minuten. Hoevele mijlen legt hij dan per seconde af, den omtrek der aarde op ongeveer 27,000 aangenomen! Een vraagstuk voor de liefhebbers, misschien even moeijelijk op te lossen, als Lord Brougham’s beroemd voorstel over het Smokkelschip en het Toljagt – tot welks solutie hij de studie der algebra aanbeval. Het gaat echter niet zoo overvlug, als gij u verbeelden zoudt. Wij vergaten, welk een’ spoed men een’ kanonkogel toekent, als hij in zijne eerste vaart is – en deze nog niet vertraagt. Zoo vergaten wij ook, het spijt ons, dat wij het zeggen moeten, welk een aantal eeuwen er vereischt zouden worden, om een’ flinken, kloeken, van zessen klaren kanonskogel een reisje van onze planeet naar eene der vaste sterren te doen afleggen. De grootste zwarigheid, wij bekennen het, steekt daarin, er hem veilig heen te brengen. Als dat te doen viel, dan zouden wij geene vrees voeden, dat hij den weg weÍrom niet vinden zou, zoo niet in onzen tijd, dan in dien van het nageslacht. Hoe gloeijend heet hij bij de afreize zijn mogt, er is geen twijfel aan, dat hij kilkoud zou wezen bij zijne aankomst – en toch zouden wij het op zijne hand houden, als er sprake was van eene weddingschap, of hij er wel in tijds komen zou. In tijds! schijnt de tijd dan geen oud mannetje geworden, die zich beet laat hebben door den eersten den besten hardlooper of harddraver, almachtig als ze zijn! Het is waar, op den duur wint hij het van beide – en, – in ernst, wie houdt vol in voort te gaan als hij?

O geliefde Hooglandsche parochie, in welker statelijke dalen ons kloppend hart voor het eerst de huivering der eenzaamheid gevoelde, en met het oproer zijner eigene gewaarwordingen, helaas! waartoe? leerde verkeeren! de kreits uwer hemelen was inderrlaad. eene heerlijke kampplaats, boven de bergtoppen den strijden en slagen der groote roofvogelen geopend! Of de eene of de andere wilde kreet ging gedurig op – die des haviks – die van den wouw – die der rave – die des adelaars – of wanneer deze duivelen sliepen, die van den vreedzamen reiger, of van de blanke zeemeeuw, door schooljongens in hunne vlugt vervolgd, tot de sneeuwwitte telg des oceaans, verre landwaarts in, afzwierf, als joeg zij een duurzaam geluk na, der rustelooze golven onbekend. Zelden verwaardigde de adelaar zich de uitdaging van het mindere gevogelte aan te nemen; maar als hij het deed, dan geleek hij een geharnast ridder, die tal van onbekende wapenknechten in den slag verslaat en vertreedt. De haviken, de wouwen, de raven, de kraaijen, de eksters, en geheel de overige krijgsmagt der lucht, kwamen soms, hunne onderlinge veeten vergetende, van alle zijden opdagen, om den monarch ten strijd uit te tarten, die naauwelijks een spiegelgevecht heeten mogt. Onder die menigte van wieken, den wind wekkende, hoorde men het zingen en kleppen, hoorde men den storm der forsche schachten, als de koninklijke vogel, alleen een heir, majestueus omzwaaide, met al het rustig zelfvertrouwen eens meesters in de kunst van oorlogen in de lucht, nu een half duizend voeten loodregt opschietende, en dan plotseling neÍrvallende, in de achterhoede der kraaijende, kaauwende, kallende legerdrommen, wier terugtogt naar de aarde er door afgesneden werd. Vlugt en verwarring heerschten eensklaps alom, schoon het getal dor verstovenen dat der verslagenen verre plagt te boven te gaan. Meester van het slagveld, hing de adelaar dan eene wijle roerloos in den hemel – tot hij met eenen wilden zegekreet ter zonne scheen te stijgen, en als eene vlek in den glans verdween, – in eenen blik half Schotland overziende, en een duizendtal zijner eilanden.

Sommige lieden seheppen er behagen in, het een of ander voorval te beschrijven, als onder hunne oogen geschied, terwijl zij op de ure, waarin deze gevielen, te bed lngen, ja, misschien den overigen bewoners des huizes verdroten door het gesnurk, dat van hun slaapvertrek uitging. Helaas! het is de aard van menigen zoogenaamden ooggetuige des tegenwoordigen tijds! Voor ons daarentegen, wij willen geen persoonlijke kennis voorwenden met iemand of iets ter wereld, dien of dat wij niet gezien hebben; wij zouden het niet doen, al wilde men er ons honderd guinjes per blad voor geven: – en daarom waarschuwen wij den lezer, de volgende kleine vertelling van een’ adelaar en een kind (de geliefkoosde figuren voor een herbergsuithangbord, in het noorden van Engeland) niet te gelooven op ons gezag, Ik deel haar merle, zoo als ze mij verhaald werd door den schoolmeester van Naemenslaws, in de graafschap Ayr; en indien het voorval er nimmer plaats greep, dan moet hij een der grootste leugenaars zijn geweest, die ooit deze gave bij de jeugd ontwikkelden. Wat ons betreft, we zijn van nataur lichtgeloovig. Er grijpt in dit leven veel buitengewoons plaats, en schoon „zien, gelooven” is, ieder, die deze uitspanningen gelezen heeft, geeft ons ook toe, dat „gelooven zien” heeten mag.

Schier alle handen in de parochie waren bezig met het binnenbrengen van het hooi, al was het Sint-Jansdag, want wind en zonne droogden het om het zeerst, – en karren, die zoo zwaar en zoo hoog beladen waren, dat men de paarden, die ze voorttrokken, schier niet opmerkte, bewogen zich in allerlei rigtingen naar schuur bij schuur. Nooit te voren had de parochie zoo bevolkt geschenen; de zoele zomerlucht weÍrgalmde van gelach, gefluit en gezang. Maar de boomstijlers wierpen de schaduw van „een ure” over de groene wijzerplaat der aarde – de paarden werden uitgespnnnen, en begonnen fluks te grazen – groepen mannen, vrouwen, knapen, meisjes en kinderen schoolden zaam in de lommer van boschjes, struiken en hagen; – er werden gebeden gedaan, eenige zelfs te lang, in tegenwoordigheid der schuimende melkkannen, goudgele boterharten en knappende gerstebroodskoeken, en de Eeuwige, die hun dien dag hun dagelijksch brood gaf, zag met welgevallen van zijnen troon op de vroomheid zijner dankbare schepselen neder.

De groote Gouden Adelaar, de trots en de schrik der parochie, schoot naar de aardc en steeg weÍr op, met eene prooi in zijne klaauwen. Een enkele plotselinge vrouwengil – en toen kreten en schreeuwen, als ware een kerktoren, gedurende eene avondmaalsviering, op eene gemeente neÍrgestort: „Hannah Lamond’s kind! Hannah Lamond’s kind!” klonk het vast verbreide geschrei. „De arend heeft Hannah Lamond’s kind geroofd!” en honderde voeten spoedden zich in het volgende oogenblik naar den berg. Twee mijlen afwisselende heuvelen en dalen, en kreupelhout en sparreboschjes, lagen tusschen het dorpje en zijnen voet; maar binnen ongeloofelijk korten tijd wemelde het aan dezen van volk. Het adelaarsnest was wel bekend, en beide de oude vogelen op den rotsrand zigtbaar. Maar wie zal de duizelingwekkende klip bestijgen, die klip, tot welke Mark Steuart, de matroos, die menige vesting stormenderhand had helpen innemen, eens – maar te vergeefs, – op te klimmen zacht? Allen bleven starende, of schreijende, of handen wringende, aan den grond genageld staan, of liepen heen en weÍr, als verjaagde, dooreen krioelende mieren. „Wat kan ’t helpen! – ’t is niet in menschenmagt! – al wat wij doen kunnen, is er voor bidden!” En velen knielden neer – vaders en moeders, aan hunne eigene kinderen denkende – als wilden zij de doove hemelen dwingen, hen te hooren.

Hannah Lamond was al dien tijd op een’ steen blijven zitten, met doodsbleek aangezigt, en oogen als die van een’ krankzinnige op het adelaarsnest gerigt. Niemand sloeg haar gade; want innig als aller deernis met haar was geweest, bij de opvaart des adelaars, thans viel deze slechts het schouwspel in de lucht ten deel. „Eerst verleden’ zondag werd mijn lief kindje gedoopt in den naam van den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest!” en die woorden uitende, vloog zij voort door de braambosschen en over de ruwe steenen, op – op – op – rapper dan ooit jager den dood tegenijlde – onverschrokken als de geit, die over afgronden heenhuppelt. Niemand twijfelde er aan, niemand kon er aan twijfelen, dat zij ijlings verpletterd neervallen zou. Maar hebben slaapwandelaars, door den geheimzinnigen geest eens drooms voortgeleid, de muren van oude bouwvallen niet bestegen; hebben zij niet vasten grond voor hunne voeten gevonden in vervallen huizingen, langs den rand van gesloopte borstweringen en op vermolmde trappen, van welke iedere afglijding hen met wissen dood bedreigde, en zijn zij, des ondanks, niet met opene, starende, nietsziende oogen, ongedeerd, om middernacht, naar hunne legerstede teruggekeerd? Het is alles het werk der ziel, wier slaaf het ligchaam is; en zou de doodsangst van den hartstogt eener moeder – die haar kind, welks warme mond straks aan hare borst zoog, door een’ duivel naar een gapend graf ziet weggezweept – hare leden niet voortdragen, zooverre de grond gaat, dien hare voeten drukken kunnen, tot zij dat vernielingshol bereikt? – Zou de liefde haar niet ten gidils zijn, om, woester en wilder dan eenig roofvogel, wiens bek ooit in bloed baadde, de duivel!en te wurgen, wier wiekenslag haar gaarne van de klippen drijven zon, – en haar kind, haar bevrijd kind, op te heffen!

Geene aarzeling – geene pooze – zij wist niet, dat zij adem haalde; maar onder hare voeten legde de Voorzienigheid iederen lossen steen vast; voor hare handen versterkte Zij elken uitstekenden wortel. Hoe zou zij weÍr afdalen? Die vreeze overviel – overviel haar harte maar eens, terwijl zij op – op – opsteeg, naar haar kind – naar haar eigen vleesch en bloed. „God, die mij nu beschermt, zal mij ook behoÍn, als ik mijn kind weÍr aan mijne borst heb!” dacht ze, en daar omruischten haar de wieken des adelaars – het paar sloeg met de schachten naar haar hoofd; de wilde beesten waren zoo digt bij haar, dat zij het geel hunner grimmige oogen zag. Opeens – zij schenen geteugeld – zij werden bloŰ! – krijschend stoven zij weg naar de tronk van een’ esch, uit eene klip te voorschijn springende, duizend voeten boven den waterval; en de christenmoeder dwars over het nest vallende, midden in beenderen en bloed!, sloot haar kind, haar dood, zeker dood kind, maar dat niet verscheurd, niet vaneengeretecn, dat nog in zijne luren gestoken was, als toen zij het te slapen vlijde in liet versche hooi op het veld, die moeder sloot haar kind aan haar harte. O welk eene volmaaking vreugde overstelpte de arme, bij zijn’ zwakken, zoeten kreet! „Het leeft! het leeft! het leeft!” en haren boezem luid lagchende ontblootende, en met oogen droog als steenen, voelde zij de lippen van den onbewusten onnoozele weÍr murmelen aan de bron van leven en liefde. – „O groote, geduchte God! werwaarts hebt ge mij gebragt – mij, eene der grootste zondaressen? Och, behoed mij voor vergaan, om uws naams wille! O gij, die voor zondaren stierft! wees mij genadig!” Zij wierp een’ blik om haar heen, en wat zag ze? klippen en kloven, hoopen steens en tronken van boomen, die ze af, die ze door, die ze over moest – en verre, zeer verre beneden haar, eenige, naauwclijks zigtbare stippen, een duizendtal harer natuurgenooten, stilstaande van verbazing, of angstig her- en derwaarts loopende. Wat was dat? Het gedruisch van den waterval, of de flaauwe galm van menschenstemmen? Is dat het dorpje, waarin zij geboren werd? – en schuilt in die groep boomen de hut, in welke het wiegje van haar kind staat! Nooit – ach! nooit zal zij die weÍr een duwtje geven! Hier moet zij sterven – en als hare borst is uitgeput – haar wichtje ook. En die vreeselijke bekken, en oogen, en klaauwen, en vleugelen zullen wederkeeren, en haar kind zal ten leste verslonden worden in die kille armen zelve, welke niet langer in staat zijn het te beschermen.

Waar bleef al dien tijd Mark Steuart, de matroos! Halverwege den rotstop. Het was zijnen oogen gaan schemeren, zijn hoofd duizelde, het werd zijn harte wee – en hij, die zoo dikwijls het bramstengzeil gereefd had, wanneer zich om middernacht de naderende stormvlaag hooren deed, hij bedekte zijn gezigt met zijne handen, en durfde niet langer naar de drijvende hoogten opzien. „En wie zal mijne arme bedlegerige moeder verzorgen? dacht Hannah, die, uitgeput door zoo velerlei hartstogt, de hoop, die zij in hare vertwijfeling hand aangegrepen, thans moedeloos varen liet. Echter was het haar, als antwoordde eene stem op hare vraag: „God!” – Zij zag om zich, in de verwachting een’ geest te zullen zien; maar er ruischtc niets om haar henen, uitgezonderd een verdorde boomtak, die, ten gevolge zijner zwaarte, van den brokkelenden bergwand afbrak. Onwillekeurig sloegen hare oogen het vallende voorwerp gade; het scheen, niet ver beneden haar, op een vlak rotsbrok te blijven liggen. Haar kind was op hare schouders gebonden – zij wist niet hoe of wanneer – maar het was veilig – en naauwelijks hare oogen durvende openen, gleed zij de hellende rotsen af, en bevond zich op eene kleine plek wortelvasten gronds – onder haar werd zij de toppen van heesters gewaar. Daar slingerde zij met vingers, die eensklaps ijzersterk schenen geworden, langs doornstruik en heigewas en berkenrijs naar beneden. Een losgeschoten brok steen gleed over den rotsrand; ze hoorde het, in het nederkomen, geen gedruisch maken, zoo diep viel het! Een dennenappel ratelde langs de twijgen neer; – zij aarzelde geen oogenblik dien te volgen. Hare voeten stieten op den harden steen, die ze stuitte; maar zij wist van geene pijn. Haar gansche ligchaam scheen gehard, scheen gevoelloos geworden als de rots zelve. Steil als de muren van een huis, werd nu de bergrug. Maar zij was met eeuwenheugend klimop bekleed; – boomen, die lang dood waren geweest, en aan welke geene enkele twijg meer groende – doch wier duizende armdikke twijgen in de rots waren versteend, en om deze eene soort van latwerk vlochten. Een oogenblik voelens, of het wichtje nog veilig om haren hals hing, – en met handen en voeten klemde zij zich aan die vreeselijke ladder. Haar hoofd omdraaijende en neÍrziende, werd zij de gansche bevolking der parochie gewaar, – op de knieŽn gebogen. Zij hoorde psalmzingen – eene hymne, waarnit de geest des gebeds ademde. De melodie was plegtig, maar had daarom toch niets van een’ lijkzang – zij sprak niet van den dood – ze smeekte om verlossing! Dikwijls had zij die wijze gezongen, misschien dezelfde woorden wel (doch die verstond zij niet) in hare hut, zij en hare moeder – of in de kerk, met de gansche gemeente. Eene ongeziene magt scheen hare vingers te verstalen; bij iedere aangreep der klimoptakken scheen die hoogere veÍrkracht te bedeelen, met elke wending naar lagere twijg, – en als was het haar plotseling ingegeven, dat haar leven zou worden gered, werd zij koen, werd ze onbevreesd, als had zij vleugelen tot haren wil gehad. Weder raakten hare voeten steenen en aarde aan – de psalmzang zweeg; – maar zij hoorde een zoet stemmetje digt bij haar, en eene geit met twee lammeren sprongen om haar heen. „Deze dieren,” dacht zij, „beklimmen steile hoogten – maar de oude zal voor hare jongen het effenste pad vinden, want ook bij de beesten is moederliefde groot!” en haar hoofd omkeerende, kuste zij haar slapend kind en weende voor het eerst.

Hoog boven haar grijnsde de uithoek der rots, nooit te voren door menschenhand of voet aangeraakt. Niemand had er ooit aan gedacht dien te beklimmen, en de Gouden Adelaars wisten dit, dank zij hun instinkt, wel, toen zij dien, eer zij hun nest bouwden, met hunne wieken afstoften. Maar het onderste gedeelte der berghelling, schoon gespleten, gescheurd en gekloofd, was toegankelijk, en meer dan een man uit de parochie was opgestegen tot de laagste kruin van Gleail’s Cliff. Vele dorpelingen beproefden het thans op nieuw – en eer de moeder hare stomme gidsen, een honderd roeden verre, behoedznam gevolgd was, – te midden van gevaren, voor welke het onvervaardste mannenhart zou hebben gehuiverd, maar die zij thans naauwelijks zag, – kwam een mannenhoofd, en nog weer een, en een derde aan hare voeten de hoogte op, en was zij overtuigd, dat God haar en haar kind had verlost, dat zij onder de menschen was wedergekeerd. Er werd geen woord gesproken – met de handen riep zij haren vrienden stilte toe – en wees hen met omhoog geheven’ blik op de gidsen, haar door den hemel gezonden. Kleine, groene vlakten, op welke die dieren het wild gebloemte van de struiken knabbelen, wisselden al geduriger den naakten rotsgrond af – betredene strepen, bijna zoo effen als de paden voor de schaapskudden op onze bergen gebaand, bewezen, dat de geit hare jongen niet in gevaar had gebragt – en nu ging het rijsbosch in heesterstruiken te loor, en de schare stond op een heuveltje, door den dalstroom omkronkeld, en dat behoorde tot den weg des bergs.

Onder de menigte had angst, had doodschrik geheerscht, en luid gesnik, en luider geschrei was opgegaan, toen de moeder de rotsen besteed – er was iets verhevens geweest in den kreet, die heinde en verre het oogenblik verkondde, dat zij het adelaarsnest had bereikt – daarop was eene stilte gevolgd, als die des doods – eene wijle later rees de biddend hymne, door zwijgend snikken gevolgd – ook der overstelping van dankbare, gelukwenschende vreugde was botgevierd – en thans, nu hare redding zeker was, maakte de menigte een gedruisch als dat van, een woud, door den wind gezweept. En om wier wille had zij dier afwisseling van allerlei aandoeningen ten doel gestaan? – Om een arm, vergeten schepsel, velen zelfs niet eens bij naam bekend – dat weinig vrienden had, en er ook niet meer verlangde – dat den ganschen dag tevreden uit werken ging – bij dezen – bij genen – bij iedereen – zoo zij maar in staat was hare oude moeder en haar kind te onderhouden – en dat des zondags in de kerk op de armenbank in het hoekje zat.

„Ruimte, ruimte, de frissche lucht zal haar goed doen zeide de oude leeraar der parochie, en de kring van gezigten werd wijd om haar, die neÍrgezonken was als een doode. „Geef hier dat engeltje van een kind!” riep eerst eene moeder, en toen nog eene, en het wichtje werd, teederlijk, den kring van kussen rondgebeurd; en het gezigt van menig meisje baadde het in tranen. „Geen schrampje heeft de onnoozele gekregen de adelaar sloeg wis zijne klaauwen in het pak – o, zij moeten wel blind wezen, die hierin Gods vinger niet zien!”

Hannah schrikte uit hare bezwijming op – wild om zich ziende, riep zij: „De vogel! – de vogel! – de Adelaar! – de Adelaar! – De Adelaar heeft mijn kind, heeft mijn’ Walter geroofd! – is er niemand die hem nazet?” De moeder, die het digtst bij haar stond, vlijde het kind aan hare borst, en hare oogen sluitende en de hand aan het voorhoofd brengende, vroeg het in hare smarte half verwilderde schepsel, half fluisterend: „Ben ik bij mijne zinnen? – och!” zeg mij of ik bij mijne zinnen ben! – of is dit alles maar het werk van de koorts? Hannah L amond was nog geene twintig jaren oud – en ofschoon zij moeder was – en gij moogt, gissen welk eene moeder – toch – lieve lezeres! laat uw gezigtje er niet om rimpelen, zie er niet smadelijk om op haar neÍr, rein en vlekkeloos, als ge zijn moogt – de heilige naam van vrouwe kwam haar niet toe – en dat wicht was een kind van zonde en schande – ja, „een kind der ellende, in tranen gedoopt!” Zij had bemind – vertrouwd – was bedrogen geworden – en verlaten. In smarte – in eenzaamheid, ongetroost en veracht – droeg zij haren 1ast. Schrikkelijk had zij geleden in liet uur der geboorte; – maar zij vreesde slechts, dat het hart harer moeder breken zoude, vreesde het slechts, toen haar eigen in tweeŽn was gekloofd. Doch hoe heelende is vergevensgezindheid – hoe doch zij het evenzeer de wonden der vergevende als der vergevene! En Hannah wist, dat zij, hoezeer schuldig voor God, echter niet zoo gezonken was als de menschen geloofden; – – want er waren geheimen, vreeselijke geheimen, die zij tegen den vader van haar kind nooit aan het licht brengen zou! Daarom boog zij haar jeugdig hoofd neer, en bedekte het met de assche des berouws; de oogen naar den grond slaande, toen zij weder in de kerk kwam – en toch niet schromende, die gedurende het gebed ten hemel op te heffen. Hare verslagenheid wekte algemeen medelijden – in geen huis, dat zij het harte had te bezoeken, werd haar de toegang geweigerd; – niemand waagde het haar wichtje tot voorwerp zijner grove grappen, zijner schaamtelooze scherts te kiezen; – geen boersche losbol sloeg aan de gevallene deerne dartel de hand, – want het bleeke, zwaarmoedige gezigt der zogende moeder, die al schreijende het wiegelied zong, verbood al zulke aanrandingen – en de algemeene verontwaanliging deed haren gevoel- en gewetenloozen verleider de parochie ontvliÍn. Als geheel zijn gedrag bekend ware geweest, strenger straffe zou hem gectroffen hebben, die Hannah dus in smarte en schande achterliet; schande, welke veel erger was dan de smarte, voor haar, die, eer zij viel, door iedere moeder uit de buurt harer dochters ten voorbeeld werd gesteld.

Nooit had zij er naar gestreefd op te houden haren verleider lief te hebben; – maar zij had gepoogd – pijnlijk gepoogd, het is waar, schoon een goed geweten er haar in hielp niet langer aan hem te denken, nu hij haar voor altijd verlaten had. Soms verrees nog zijne beeltenis – zoowel in oogenblikken van liefde als van gramschap – voor de oogen haars harten; – maar zij look die in bloedige tranen digt, het spooksel verdween. Al de liefde, die zij hem had toegedragen, die zij hem nog toedroeg – want ofschoon de hartstogt sluimerde, uitgedoofd was hij niet – al hare liefde wijdde zich vuriger, en heiliger tevens, haar jongske toe. Op zijn hoofd rustte al hare hoop, op vertroosting, – op vrede, op de belooning voor haar berouw. Een enkel zijner lachjes was genoeg, om de duisternis van een’ ganschen dag op te luisteren. Aan haren boezem – op hare knie – in zijn wiegje ! – alom en altijd was haar harte voor het wichtje in gedurig gebed. En het was dit gevoel; het was overstelping van genegenheid; het was bezieling van hartstogt, die haar, onder Gods hoede, dien vreeselijken rotsrand op en af hadden gedragen en haar in het uur der bevrijding op het gras deed neÍrvallen als een lijk.

Het gerucht van het wonder verspreidde zich ijlings, in allerlei rigtingen, en een reiziger had er den zwerver in het bosch van Cairn een vreemd verhaal van gedaan, schoon de man den naam der moeder niet juist had onthouden. Verlangende te weten, wat er waarlijk was gebeurd, legde de laatste in aller ijl den weg naar het dorpje over den heuvel af, en ging, zich een’ weg door de norsche menigte banende, op naar de hoogte, en aanschouwde er haar, die hij zoo meÍdoogenloos ten val had gebragt, die hij zoo lafhartig had verlaten! Uitjouwingen en scheldwoorden, en grinimige blikken en gebalde vuisten, ontvingen en bedreigden hem van alle zijden.

Zijn harte begaf hem, niet van vreeze, maar door berouw. Welk een’ ellendeling achtte hij zich zelven! O dat de grond zich voor hem geopend hadde, om der algemeene verachting, die hij gevoelde verdiend te hebben, te ontgaan. Maar Hannah’s goÍlijke oogen ontmoetten de zijne vergevend – de tranen, die er in opwelden, waren niet verwijtende; – een flaauw lachje van liefde speelde om haren mond. Zijn betere aard kwam boven, al zijne booze togten schenen getemd. „Ja, goÍ liÍn!” sprak hij, „te regt toont ge mij, hoezeer ge mij veracht. Maar wat is uw smaad, in vergelijking met den toorn van God? Dikwijls is de duivel in de bosschen bij mij geweest; eens heeft hij mij ingefluisterd, dat ik haar vermoorden moest, maar hier ben ik – niet om vergoÍlijking, niet om schadeloosstelling aan te biÍn – want dat mag niet – kan niet moet –niet gebeuren – boosheid en onschuld kunnen niet zamengaan. Maar hier ben ik, om ten minste van die onschuld getuigenis te geven. Ik heb den dood verdiend, en ik ben bereid, om mij in de handen der geregtigheid over te leveren. „Allan Calder! zet mij gevangen.”

Als het zedelijk gevoel des volks berust op kennis, en door godsdienst wordt bestierd, wat is het, anders dan de stemme Gods? De gramschap der menigte bedaarde, en ging over in een straf stilzwijgen; – schoon de schuldbekentenis haar voldeed, getuigde hare stemming echter nog niet van verzoening, maar ook daartoe kwam zij, ziende op haar, die, alleen gekrenkt, zich alleen vergevensgezind betoonde. Er heerschte eensklaps medelijden met den man, die, hoe wreed en hoe boos hij mogt geweest zijn, in zijne gedwongene eenzaamheid allerlei folteringen ter prooi was geweest, en bijna voor de verzoeking van den vorst der duisternis bezweken. De oude leeraar, voor wien allen den hoogsten eerbied koesterden, legde de hand des verslagenen mans in die der zwaar beproefde, wie hij beloofde al zijne dagen trouw te zullen zijn en lief te hebben. En eer de zomer verstreken was, zat Hannah, als vrouw des huizes, in eene woning, die voor geene heerenhoeve onderdeed. Eene andere – eene hoogere vreugd was haar bewaard. Toen hare moeder haar in eere zag hersteld; toen haar eenig kind niet langer van smart en van schaamte verteerde, scheen de jeugd der oude vrouw vernieuwd te worden. En ofschoon de waardige schoolmeester, die ons het verhaal veel treftfender deed, dan wij het hier navertelden, bekende, dat de boschzwerver nooit een heilig boontje werd – schoon de man den mond nooit in de kerkplooi leerde zetten, noch het wit zijner oogen naar boven draaijen, wat ben je me, – echter verzekerde hij ons, dat hij Later nooit iets te zijnen nadeele vernomen had – dat hij te zijner tijd als ouderling op de leer had gepast; – dat hij zijnen kinderen eene godsdienstige opvoeding had gegeven, – en slechts een zwak had gevierd, namelijk, al te gek te zijn met zijn’ eerstgeborene, dien hij, zelfs toen deze man was geworden, nooit anders noemde dan het Arendje.

1845.


Hoofdstuk I