E. J. POTGIETER (1808-1875)

HET CHRISTEN-LEGER.

 

Te Dockinghen Daar quamen hem aen
Die onbekende wilde Vriesen,
Die, ghelike verwoede riesen,
Hem versloegen en sine ghesellen
Dus, als ghi hier hoert vertellen,

MELIS STOKE.

De dageraad teekende op den 5den Junij 755, in de omstreken van Dockinghen, de kruinen van het statig eikenwoud allengs duidelijker tegen den benevelden hemel af. Eene frissche koelte ruischte door het loover, en blies de verdorde bladeren, welke den grond van het dal bedekten, ritselend voor zich heen; de donkere bekleedsels der rondom nedergeelagen tenten klapperden, en van tijd tot tijd verhoogde eene zeemeeuw, door haar onheilspellend geschreeuw, de somberheid, eenen Westerschen morgen eigen. Maar noch die adem des winds, noch dat gekrijsch, van den roofvogel, welke bijwijlen de diepe stilte van dat uur afbraken, schenen de aandacht van een jeugdig mensch tot zich te trekken, die, het gelaat naar de streek gekeerd, waar de Zon des Heils voor de bedorven wereld opging, biddende den morgen wachtte.

Die jongeling – in het wit gewaad, dat zijne leden omgaf, met de blonde lokken die zijn voorhoofd overschaduwden, naar een hooger wezen zweemende – was een heiden, door den Koorbisschop Eobanus luttel tijds te voren bekeerd, en die de uit handen van dezen op het, onlangs gevierde paaschfeest het zegel des doops ontvangen had. Wel mogt zijne verzinking in het gebed, op de aangewezen plek, de gepaste voorbereiding heeten tot de plegtigheid, welke dien morgen zou worden gevierd; de Apostel onzes vaderlands, de grijze aartsbisschop Bonifacius, was met zijne getrouwe volgelingen in de nabijheid van Dockingh verschenen, om de nieuw gedoopten door handoplegging te wijden.

De talrijke tenten, welke men in het dal aanschouwde, en die uit purperkleurig linnen en dierenvachten waren zaamgesteld, strekten zijnen vromen gezellen ten verblijf; alles, wat de zijne, die op eene lommerrijke hoogte was nedergeslagen, van deze onderscheidde, bestond in een koperen kruis, aan iedere zijde van den ingang opgerigt. Een flaauwe glans straalde van het blinkend metaal af, en deed, ondanks den eerst aanbrekenden dag, deze door Rome’s kerkleer geheiligde teekenen op den top des heuvels scherp uitkomen tusschen het donker gebladert, dat de natuur er ten reusachtige nis over welfde. Voor die woning des aartsbisschops zat een Frankisch krijgsman op een omgehouwen eikentronk; hij behoorde tot de wacht van koning Pepijn, den magtigen beschermer van Bonifacius. In de dienst van den kerkvoogd, scheen de krijgsman echter der tucht vreemd geworden; want met het hoofd op knop van het breede zwaard rustende, was de wachter ingesluimerd.

De stilte duurde voort; de schemering wandelde nog, zoo als de dichter zegt, op donzen vlerken door de lucht om. Gedurig bleef de jeugdige bekeerde zijne knielende houding bewaren, geheel in vurige gebeden of diepe gedachten verzonken; want hij hoorde niet, dat het dorre eikenloof achter hem van de voetstappen eens naderenden kraakte, ten minste hij sloeg geen acht op dat gedruisch. Veelligt dacht hij, dat het de wachter was, die zorgvuldig op zijne hoede moest zijn tegen een verraderlijken aanval; immers zulk eene onderneming had men te ieder uur van de vijandige Friezen te duchten. Maar indien het al de wachter niet was, het kon ook een van Bonifacius’ reisgezellen zijn, die bij het kruis voor de tent van den bisschop zijne morgengebeden wilde opzenden; – genoeg, de jongman stelde er geen belang in.

Het was de wachter niet; evenmin was het een der priesters, of diakenen, of monniken. Het was een Friesch krijgsman, in een zwaren mantel gewikkeld. Zijne door de zon verbruinde gelaatstrekken waren door gramschap verduisterd; lange goudgele lokken kronkelden woest langs hals en schouders; in het blaauwe oog vonkelde verkropte woede, terwijl hij achter den biddende trad en dien gadesloeg, terwijl zijne zaamgedrukte lippen den breeden snorbaard met het haar van de ruige kin deden samensmelten, Langzaam liet hij zijnen blik over de legerplaats weiden. Toen balde hij zijne vuist, hief die, als in tweestrijd met zichzelven, boven het hoofd van den biddende op; als de gespierde vuist nederkwam, zou de schedel des jeugdigen Christens verpletterd, zijn. De Fries was besluiteloos; zijne zware wenkbrauwen drongen digter tot elkander; een grimmige lach verbreedde voor een oogenblik zijne grove kaken; toen liet hij de vuist in den mantel zinken, en verwijderde zich met trage schreden, maar wierp eerst iets blinkends niet verre van den jongeling op het krakend eikenloof neder. De jeugdige bekeerde bemerkte ook dit niet; een korte poos later fluisterde hij zachtkens: „Amen!” hief het hoofd op, en blikte naar den zachtgraauwen hemel. Onheilspellend, liet zich weder het raauw gekrijsch eener zeemeeuw hooren. De Frankische krijgsman ontwaakte, huiverde, ging ongeduldig op en neder, en sloeg met zijn zwaard eenige stukken van het geboomte af.

De voorhangsels van eene der tenten werden geopend, en twee monniken in lange witte kleederen, over welke zwarte scapulieren en kappen hingen, begaven zich zwijgend naar de tent des aartsbisschops. De voet van den jongsten van beiden stiet tegen het voorwerp, door den Fries neergeworpen; hij boog zich, nam het op, en verborg het in zijn gewaad.

„Zie, daar is Gondebold reeds,” sprak de andere, die naar den jongeling zag, en den vond van zijnen geestelijken broeder niet had opgemerkt.

„Ik zie hem, Gundicar!”

„Niet ijdel, Baterolfus! zegt de schrift; zij zullen gelijk zijn aan Gods Engelen.”

„De Heidenen vergelijken hem bij Balder, Gundicar!”

De beide monniken knielden voor de kruisen. bij Bonifacius’ verblijf, en baden. Toen Gundicar zijn gebed geŽindigd, opende hij de gordijnen van de bisschoppelijke tent, en verdween er in. Baterolfus rees later op, en trad eene poos ter zijde, om den gevonden armring – want dit was het – te beschouwen. Uit zuiver goud vervaardigd, vertoonde dat heidensch sieraad de wonderen des hemels, de twaalf woningen der zon, kunstiglijk gesneden. Indien Baterolfus geweten had, dat het de armring was, dien Gondebold plagt te dragen, dien hij zijner Ohilde ter gedachtenis had geschonken met de woorden: „Een getrouw hart is het streelendst wonder;” hij zoude den duivel der begeerlijkheid weÍrstaan hebben, en – maar hij trad de tent des aartsbisschops binnen.

Met den rug tegen den forschen stam van een esschenboom leunende, zag de jeugdige Christen allengs de medgezellen van den vromen Apostel uit hunne tenten treden. De aanbrekende dag verspreidde een liefelijk en verheugend licht in het donker woud; vriendelijk schemer den de witte kleederen der geloofshelden tusschen de donkerkleurige tentbehangsels; de verhelderde hemel deed het van ochtenddauw vochtige loover als zilver blinken. Overal zag men biddenden; het kruis boven de tent van Bonifacius blonk met schitterenden gloed.

Een geestelijke, nog in de kracht des levens, die in donker purperen stof gekleed was, en over wiens schouders de witte wollen bisschopsmantel hing, met tallooze kruisen doorweven, naderde nu den jeugdigen bekeerde.

„De Heer zij met u!” sprak de statelijke man, en een vriendelijke glimlach vergezelde den christelijken groet.

„ Amen, heilige vader Eobanus!” zeide de jongeling, zich ootmoedig buigende.

„Gij zijt hier de eerste, mijn zoon!”

„Mogt ik het ook door den marteldood in het rijk der hemelen zijn!”

„Gezegend is hij, die naar zulk eene overwinningskroon streeft!” antwoordde de koorbisschop; want Eobanus was, om zijne getrouwe hulp, door Bonifacius tot die waardigheid aangesteld.

„En toch vrees ik den dood!” zeide de jeugdige bekeerde.

„Vrees niet voor hen, die het ligchaam dooden, maar de ziel niet kunnen dooden.”

„En toch vrees ik den dood!” herhaalde de jongeling.

„Ongelukkige!”

„De heilige Eobanus heeft het gezegd,” sprak de Christen: „de hand mijns vaders zal het bloed zijns zoons vergieten. De magtige Radboud is Gondebolds vader; hij heeft mij verstooten, verjaagd, vervloekt, en mijnen dood. met vreeselijke woorden bezworen. Niemands zwaard zal mij vellen, niemand waagt het de hand aan Gondebold te slaan, dan Radboud, zijn vader! Moge de Heer het licht mijner oogen verduisteren in de ure, waarin zijne gramscbap op de punt van zijn slagzwaard schitteren zal.”

„Verlaat deze streken, Gondebold! Begeef u met ons naar den zetel van onzen vromen voorganger, den gezegenden Bonifacius. Trajectum is schoon, en de godsdienst bloeit er.”

„Neen, neen!” antwoordde de vorstelijke jongeling, „in Friesland moet ik een graf vinden, Mijn laatste ademtogt vervliege in dezelfde lubt, die de borst mijner dappere vaderen verkwikt heeft. Als het zwaard des konings het hart van Godebold zal doorboren, moge mijne, ziel gruwen, maar de laatste oogenblikken zullen den engel der verzoening tot ons brengen; want ik zal bidden: „Heere! vergeef het hem, hij weet wat hij doet.” Dan zal men voor Gondebold een eerlijk graf delven, en ik zal op Frieschen bodem slapen, en Amarra wier schoot mij gebaard heeft, zal op het zwarte zand nederzitten en weenen. Moge dan geen bardenlied weÍrgalmen om den lijkheuvel van den koningszoon, de meeuwen van de zee mijner vaderen zullen een treurzang krijschen om mijne groeve. Zie Gondebold zoo donker giet aan, heilige Vader Eobanus! of is die wensch zondig? Neen, zegt gij. Ach! ik vrees het uur des stervens meer dan den jammer van het leven, en toch heb ik God den Vader gebeden, dat uur te doen aanbreken.”

„De Heer ontferme zich over het hart des verstokten konings, of straffe hem, gelijk Hij het den eersten Radboud…”

„Vloek hem niet!” viel de Friesche vorstentelg in: „ik ben zijn zoon!”

„Mogen God en zijne Heiligen u zegenen, Gondebold! Wij zien elkander op de vlakte bij het Burdine weder.”

De jongeling sloeg het teeken des kruises, en bleef eerbiedig het prachtig schouwspel aanstaren, dat zich thans aan zijne blikken vertoonde. Gedurende den tijd, dat Eobanus zich met hem onderhield, waren de geestelijken op de hoogte van het verblijf des bisschops bijeengekomen. In twee rijen stonden zij thans geschaard, de priesters, de kerkverzorgers en de monniken; weldra werden de tentgordijnen opengeschoven, en twee Benedictijners traden naar buiten; elk hunner droeg een gouden koffertje. Daarop verscheen een knaap – een engel had men hem mogen noemen, om de onschuld, die op het aanvallig wezen blonk; – zijne uitgestrekte armpjes torschten een purperen kussen, waarop een kostbaar getijdeboek lag opengeslagen. Eindelijk naderde met wankelende schreden een afgeleefd grijsaard, in het aartsbisschoppelijk praalgewaad. Met de linkerhand leunde hij op den schouder van eenen jeugdigen monnik; de ivoren staf, waarom hij zijne regterhand klemde, scheen in zijne vermagerde vingeren eer een steun des ouderdoms dan het herdersteeken, dat hij als geestelijk opperhoofd zwaaijen mogt. De hoogbejaarde ging gebukt onder het gewigt van zijnen tooi; zijn hoofd knikte voorover door den zwaren met edelgesteenten versierden mijter, die op zijne sneeuwwitte haren gedrukt was; de purperen mantel, oogverblindend door zijn schitterend borduursel, sleepte over den grond. Te vergeefs zocht de grijsaard de kuch des ouderdoms te versmoren, terwijl de eerbiedigste stilte rondom hem heerschte, allen zich bogen, zich kruisten en zijnen zegen verbeidden.

Bonifacius sprak dien meer treffend dan krachtig uit, en ging toen de rijen der geestelijken door, beurtelings aan deze en gene zijde eenige zijner volgelingen met dien welwillenden glimlach aanstarende, welke, wanneer hij om de lippen eens hoogbedaagden speelt, zoo vele weemoedige aandoeningen bij ons opwekt, Achter hem volgden Eobanus en twee priesters; een der laatsten droeg den vormstaf, de andere een groot kruisbeeld van rood goud.

Zooda de Apostel van ons vaderland langzaam den heuvel afdaalde, hieven de reijen den psalm aan: „Gezegend is hij, die komt in den naam des Heeren!” en stelden zich in beweging.

Weldra bereikte de optogt eene aan deze legerplaats grenzende vlakte, gelegen ter zijde van het meer, dat toen Burdine heette, en thans het Borndiep genoemd wordt, en in dien tijd Ooster- en Westergo van elkander scheidde. Hoog opgeschoten gras bedekte er den maagdelijken grond, die aan de andere zijde door een somber dennenwoud, werd afgesloten. In het midden der treurige ruimte zag men een houten kerk, die door de vlijtige monniken met luttel kunst voor de plegtigheid, gebouwd was. De spoed, waarmede hunne onvermoeide handen den Heere dien tempel hadden opgerigt, bleek uit de ruwe pijlers en nog ruwer wanden van het heiligdom, dat den vorm eener halve maan vertoonde, en van voren opzettelijk was opengelaten.

Demoedig trad de schare het godshuis binnen. Terwijl de diakenen de kerksieraden in gereedheid bragten, ontstak eender akolyten eene metalen lamp, die, boven het met een purperen kleed overdekt altaar, van den zolder afhing. Zonderling verflaauwde dat licht, hoe meer de ochtend het treurige landschap door zijnen rozengloed verlevendigde, hoe meer de aangestoken wierookvaten wolkjes deden oprijzen.

Gondebold was op eenigen afstand den vromen stoet gevolgd. Toen hij die vlakte betrad, overschaduwden ernst en smart zijn gelaat. Hij dacht er aan, hoe Karel Martel, de sterk treffende hamer, op dezelfde plek, voor negentien jaren, koning Poppo had overwonnen, verslagen en met eigene hand nedergeveld,. De golven van het Borndiep, die, door het lies en de biezen spoelende, de bloeijende riethalmen deden schudden, waren het rusteloze graf, dat de Friesche manden ontvangen had. Peinzende stond hij aan den uithoek van het dennenwoud stil; het gevoel des dapperen koningszoons was in strijd met dat van den jeugdigen Christen. Maar hij sloeg den blik naar het kerkgebouw – hoe verrukte hem dat tooneel! Daar zat Bonifacius op een verheven gestoelte. Hij had den zwaren mijter afgezet; zijn aangezigt scheen dat van een verklaarden Heilige. Hoe flaauw was de glans van het robijnen slot, dat zijnen mantel vasthechtte, schoon het in de stralen der morgenzon vonkelde, – hoe arm de blinkende pracht van het gouden crucifix, dat aan eene keten van hetzelfde metaal op het sneeuwwitte linnen van het stoelkleed schitterde, – bij den ijver, in de oogen des grijsaards te lezen, bij den rijkdom van christelijke liefde, welke zij verkondigden! Vermoeijenis en vervolging, – jaren en reizen, – wreede onrust over het lot zijner getrouwen, – wreeder smart, door hen veroorzaakt, die, naauwelijks bekeerd, weder afvielen, – arbeid, waarvan onze laautste eeuw geen denkbeeld heeft, – verdriet, dat het begrip van ons onverschillig geslacht te boven gaat, – zij hadden die handen verstramd, dat hoofd gebogen, die knieŽn verstijfd; maar, wat van tijd noch lot afhankelijk was, de liefde voor God en de zijnen bezielde den aartsbisschop Bonifacius niet minder, dan toen hij, als monnik Winfrid, de rest van het kloosterleven voor de gevaren van het zendelingschap prijsgaf. Zij stond den grijsaard, nog schooner dan zij den jongeling deed; of is de ouderdom niet het tijdperk van zelfzoekende rust en langzame verkoeling?

Zonder dat hij er zich, als wij, reden van gaf, boeide de Apostel den jongen Gondebold meer dan het schouwspel, dat hem omringde, hoe fraai ook de blinkende wapenrusting der Frankische krijgslieden bij de vlekkelooze kleeding der Benedictijner monniken afstak, hoe zeldzaam een tooneel in dat oord die gouden altaarvaten, dat kwijnend lamplicht, die wemelenle wierookwalmen, van verre door den dunnen morgennevel als door blinkend gaas gezien, ook opleverden. Eensklaps hief de schare het afgebroken psalmgezang weder aan; het Latijnsche kerklied ruischte welluidend over de vlakte. Het geheel had iets onbeschrijflijk plegtstatigs en verhevens. Het hart van den jongen Fries gloeide van verrukking. Plotseling klonk achter hem:

„Gondebold! Ohilde leeft!”

Was dat eene bovenaardsche of eene onderaardsche stem? De jongeling zag vergeefs naar eenig menschelijk wezen om. Toen dacht hij, dat het eene verzoeking van Loke was, sloeg een kruis, en luisterde naar de toonen van het lied, die door het windje eerbiedig werden voortgedragen. Een oogenblik later vleide hij zich – maar neen! zijnen overgrootvader was het anders geleerd.; – en toch kon hij niet nalaten zich te streelen met de hoop, dat de Heer aan zijn geliefde genade had geschonken, schoon zij Zijnen naam niet bekende; dat een engel...

„Gondebold!” herhaalde de stem: „Ohilde leeft! zij is ginder.” Dat was geene stem eens engels! Zie! daar vonkelden twee oogen als kolen vuurs; daar flikkerde eene speer door het dennenwoud.

„Gondebold is slaaf geworden van de slaven zijne vaders; want hij zwaait geen zwaard, meer,” vervolgde de stem: „wanneer hij als eene laffe hinde voor den jager vlugt, de boog is gespannen.”

Verontwaardigd. trad de vorstelijke jongeling – verre van, zoo als zijn belager vermoedde, in het kerkgebouw eene schuilplaats te zoeken – naar de plek, van waar het geluid scheen te komen.

„Geene schrede nader, of Ohilde sneeft!”

Gondebolds voeten schenen verlamd; nog was de minnaar in den Christen niet gestorven. Eene zachtere stem dan de vorige deed, zich hooren:

„Ik kwijnde weg, als de roos in de schaduw; mijne wangen zijn bleek, als de muren van den witten Christus, die mij omsloten: maar Freya herbloeide, toen zij Odin hervond. Had de valk mij, even als haar, zijne vleugelen geleend, ik zoude gerust hebben in het Westen noch in het Oosten, voor dat ik u had wedergevonden, Gondebold!”

De toon, waarop deze laatste woorden werden uitgesproken, liet geen twijfel over, dat het waarlijk Ohilde was, wier stem hij hoorde.

„Geene schrede nader, of Ohilde sneeft!” herhaalde de eerste spreker. De waarschuwing was overtollig: de jeugdige Christen streed den bittersten strijd, doch bewoog zich niet.

Het psalmgezang had intusschen opgehouden. „Zullen de bekeerden niet weldra komen?” zeide Bonifacius tot Eobanus.

„Zij werden door onze boden hier een uur na den opgang der zon bescheiden,” antwoordde deze: „spoedig zullen zij hier zijn. Zie! vrolijk als een held, die ter overwinning gaat, schittert zij reeds aan het uitspansel. Schooner dag, dan dien van heden, hebben mijne oogen nimmer aanschouwd, heeft den Frieschen bodem nooit beschenen. Liefelijker dan de stralen der zon zal de oplegging uwer handen de zielen der geloovigen verkwikken. Het zaad der Kerke, hier uitgestrooid, is door God, gezegend, en brengt vruchten voort.”

„Het zaad der Kerke is het bloed der martelaren,” hernam Bonifacius veelbeteekenend, vouwde de handen, en zweeg.

„Wrake riepen de schimmen dezen nacht, Poppo aan het hoofd, zijner scharen,” sprak de stem in het dennenwoud, en Gondebold sidderde, niet voor zichzelven, maar voor de zijnen: „deze vlakte heeft het bloed der Friezen gedronken; zij zullen juichen in Valhalla, als zij het bloed. van Franken en Christenen drinkt.”

„De Alvader is ťťn, hoe vele zijne zendelingen zijn.”

„De dood is de eenige verzoener op aarde, Gondebold!”

De jongeling trad drie schreden terug; geene speer werd gedrild; geen pijl snorde; geene legerbijl flikkerde. „Heere! wees hunne zielen genadig!” bad, hij: „wij zijn in hunne magt.”

De voorwerpen zijner deernis waren ver van hunnen toestand te vermoeden.

„Dat Gregorius bij ons ware!” zeide Eobanus: „hij zoude zich met ons verblijden.”

„Elken dag wacht ik hem uit Rome terug,” hernam Bonifacius, terwijl hij het boek digtsloot, waarin hij gelezen had; het was een door de abdis Edburg kunstig vervaardigd en met gouden letteren versierd afschrift der Brieven van Paulus. „Hij zal tijdingen brengen van den Allerheiligsten Vader,” vervolgde de grijsaard: „met blijmoedig verlangen zie ik dat te gemoet. Moge de gezegende Koning, met de hulp der Heilige Maagd, de vreeselijke Longobarden gestraft hebben!”

„Is de Heer niet de Heer der legerscharen?” juichte Eobanus. Zou het geloof van den koorbisschop het uur der vreeselijke beproeving, dat met rassche schreden naderde, zegevierend doorstaan?”

„Wanneer de stralen der zon op het pantser dier krijgslieden zullen flikkeren, zal eene hagelbui van pijlen haar licht verduisteren; Gondebold kieze tusschen de kroon en den dood,” sprak de Fries in het dennenwoud.

„Ik zal de hand zegenen, die mijne oogen luikt, al zou het de hand mijns vaders wezen.”

Men hoorde het steken eener enkele trompet; het was het afgesproken sein van de komst der bekeerde Friezen. Waarom verkondigde slechts ťťn der talrijke uitgezette wachters die? Eer de vraag over de lippen van Eobanus was gekomen, deed Bonifacius, van heiligen ijver blakende, zich den mijter opzetten, en gaf daarmede het teeken om de plegtige godsdienstoefening te beginnen. Op den bisschoppelijken vormstaf rustende, hield hij het gouden kruis omhooggeheven; de koorbisschop plaatste zich naast hem; de priesters schaarden zich aan weerszijden; de diakenen spoeden zich om de ingangen te gaan bewaken; de monniken knielden; de wierookvaten werden met verdubbelde vaart rondgezwaaid. En de Apostel onzes vaderlands trad. naar den gouden kelk en het gewijde misgeheim, die op het altaar schitterden; doch eer hij dit bereikt had, snelde Gondebold met verhaaste schreden uit het dennenwoud de trappen wan het heiligdom op. Ademloos zonk hij aan de voeten van Bonifacius neder, en stamelde:

„Uw zegen, Heiligste Vader! De vijanden omsingelen ons; – de ure des doods heeft geslagen!”

Naauwelijks waren deze woorden gesproken, of de grond daverde en de lucht weergalmde van het vervaarlijk krijgsgeschreeuw eener schaar Heidensche Friezen; een flikkerende kring van bijlen, speren en bogen sloot de vlakte op weinig schreden afstands van het houten kerkgebouw af; de bloedige hoofden der uitgezette en vermoorde wachters rolden aan den voet der trappen neder.

„De martelkroon!” juichte Bonifacius, zijn lot gewis.„Kinderen, heft aan!”

En het rinkinken der ijzeren zwaarden van de Frankische krijgsknechten, door deze onwillekeurig dreigend omhooggeheven, hield, op; en de monniken, die in allerijl alles hadden bijeengezocht, wat tot wapen strekken kon, hernamen hunne eerbiedige houding, en met inniger gevoel dan hen zou hebben bezield, ware dat veld ledig geweest, zoo als het vůůr eenige oogenblikken was, riepen de Christenen in het kyrie de barmhartigheid Gods in. Vuriger kwam nooit het gloria over hunne lippen; in het credo sprak het onwrikbaar vertrouwen, dat zelfs door den aanblik des doods niet wankelde. zonderling genoeg, schenen de Heidenen hen in die laatste plegtigheid niet te willen storen. In het midden van den halven cirkel, dien zij om den ingang der kerk vormden, stond, een grijsaard, van majestueuze gestalte. Zoo lang deze zijne forsche vingeren op de harp, die hij droeg, rusten liet, maakte geen der strijders zich ten aanval gereed, schoon bloeddorst en wraakzucht, uit hunne oogen vonkelden. De Skald – wie anders dan een dichter bedwingt zulk eene schaar? – de Skald had welligt, meer winters beleefd, dan Bonifacius, maar was in kracht van spieren en kloekheid van houding volkomen het tegenbeeld van dezen. De morgenwind speelde met de lange en witte haren van zijnen glanzigen baard, die over zijne breede, half naakte borst tot op zijnen gordel nederhing. Dit was het eenige, hetwelk verried, dat hij geen standbeeld was; want roerloos staarden zijne groote blaauwe oogen ten hemel, als had hij daar eenen regenboog aanschouwd, en de schimmen van Radboud, Poppo en Adegild, met hunne helden, over die brug het rijk van Odin zien binnenrijden. Noch het sanctus, noch het benedictus – hoe aandoenlijk het ook zijn mogt, de Christenen hun hoofd geloovig voor den zegen te zien buigen, zij, wier hoofd zich dra voor het zwaard buigen zou, – noch het sanctus, noch het benedictus deed, hem den blik van het luchtgewelf afwenden, dat thans van al den gloed der zomerzon schitterde. Maar toen de schare in het agnus en het dona den Middelaar gesmeekt had, haar Zijnen zegen te schenken, en een oogenblik stilte de wijding voorafging, toen gleed zijne hand langs de snaren, en klonk het over de vlakte:

„Berdulef hoort de stemmen uit Valhalla, de stemmen van de vaderen zijner vaderen, die Friesland beheerschten in de dagen zijner jeugd! Dat hij de harp konde slaan gelijk hij, aan wiens voeten hij toen nederzat, dien hij als knaap den beker des konings en het zwaard van den held bragt, het loon zijner zangen! Hoe schoon was Friesland in die langvervlogene dagen! De wind schudde den eikentop, waarin Berdulef geklommen was; hooger dan de heuvelen, die hem omringden, rees de onstuimige zee ten hemel; Thor reed op zijnen donderwagen over de graauwe wolken; van verre zag deze het zeil der Friesche mannen op de schuimende wateren, en de lucht werd klaar, en de snebbe stiet tegen het zand, en het zegelied. schaterde. Dat leerde Berdulef zingen; want hij zag de mannen van het Zuiden in het stof kruipen voor de zonen van het Noorden, en de bruinoogige maagden dienden als slavinnen de blondlokkige dochteren, uit welke hij zich eene bruid koos.”

Luide juichten de Heidenen die herinnering aan het rooversleven hunner voorouders toe; een enkele – het was de Friesche krijgsman, die den eigen ochtend de legerplaats der Christenen bezocht had – fluisterde: „Spoed u, Berdulef!” Op somberder toon hernam de dichter:

„Maar in duisternis verkeerde die zonneglans! Het was nacht, en Berdulef zag de vlammen opstijgen uit het heilige woud; krakende stortten de reusachtige stammen neder. „De oude Goden gaan naar het Noorden!” kreet de schare, versteend van schrik, Daar kwamen de zwarte monnikskappen ongezengd uit de boschspelonk te voorschijn; de vreemdelingen prevelden een gebed en sloegen een kruis; toen de morgen aanlichtte, doopten zij het volk in den stroom, door het hloed zijner vaderen rood geverwd. Wee den adelaar, die oud wordt! hij laat zich vangen. Werp weg het staal, dat verroest is; het doodt niet meer. Wee Koning Radboud, den ouden adelaar, het verroeste staal! Maar hij roept uit Valhalla Berdulef tot zich. Gondebold! Gondebold! wat wilt ge, dat ik hem zegge?”

Een oogenblik gemompel onder de Friezen verried, hoe ongepast hun dit gedenken van het verledene toescheen; doch de laatste woorden deden elk in gespannen verwachting naar den vorstelijken jongeling omzien. De jeugdige bekeerde, die zich gedurende de misviering ootmoedig in de rij der monniken geplaatst had, beantwoordde zwijgend, maar welsprekend, de toespraak van Berdulef. Hij wierp zich voor de voeten Bonifacius neder, en hief de handen, om zijnen zegen smeekende, biddend tot hem op.

Krampachtig bewoog zich de vuist van den Frieschen krijgsman, in den zwaren mantel gewikkeld, onder dat opperkleed; toornig stampte zijn voet op den grond.

En weder zweefden de vingeren van den Skald over de snaren zijner harp; maar geene smart bewolkte thans zijn hoog voorhoofd; hartstogtelijke verrukking sprak uit hare wilde toonen:

„Odin! eeuwig heerscht gij boven de wolken; niemand op aarde, die u kon overwinnen. Toen de dood u aanviel, trokt gij uw zwaard, en opendet zelf de bronnen des levens, opdat uwe ziel trotsch en blijde met het stroomende bloed ten hemel stijgen mogt. De witte Christus is te zwak om met u te strijden. Vol zijn uwe gouden zalen, Valfader! van blijde gasten, duizende dapperen, die gij van het rookende slagveld riept! Elken morgen kleeden zij zich in bliksemend staal, en doen uwen hof weÍrgalmen van het gekletter hunner zwaarden; dan rijden zij huiswaarts naar den overladen disch, en de schildmaagden schenken hun den beker vol bruisende meÍ, de Skald zingt hunne oorlogsdaden. Berdulef zal er die van Gondebold zingen, eer hij de knieŽn leerde buigen als eene vrouw. Valfader! neem gij Gondebold tot u!”

Als waren deze woorden het sein tot den aanval geweest ging er een vervaarlijk gehuil uit de schare der Heidenen op; de lammeren zouden den Wolven worden prijgegeven. Maar eensklaps verscheen Ohilde, op een wit ros gezeten, in den kring der vijanden. Half Freya, half Rota, maar schooner dan beide, geleek zij – zoo als de dichter segt – eene ster, die boven een lentewolkje schittert. Toen Gondebold haar zag, werd hij bleek als de dood, en stamelde: „Heere! leid ons niet in verzoeking!”

Lang, peinzend, droef, staarde de Deensche maagd haren vorstelijlken verloofde aan. Hij naderde haar niet; toen sprak zij: „Een getrouw hart is het streelendst wonder, Gondebold! Ik heb u den armring terug doen brengen. Dag aan dag getuigt van de wonderen des hemels; maar het streelendst wonder, een getrouw hart, mogt ik niet vinden, Wel trad de zon met dezelfde blijdschap de twaalf burgen der onsterfelijken in, welke zij sinds onze scheiding beurtelings bezocht; maar toen ik, uit de banden des kloosters ontslagen, den drempel van de woning uws vaders overschreed, kwam weegeklag mij tegen, en, zoo als Nanna Balder, zocht Ohilde Gondebold. Zij zond u haren ring – gij kwaamt niet – zij komt zelve – en –”

Ohilde zweeg, en Christenen en Heidenen deden als zij; want het besluit van Gondebold sou over zijn lot beslissen. Elks blik rustte op zijn gelaat. Een akelig geluid brak onverwacht die stilte af: het was de klagt van een der monniken, „Ik heb als Judas mijnen meester verraden!” riep Baterolfus, den gevonden armring uit zijne borst te voorschijn halende, en, gelijk het bekende slagtoffer der geldgierigheid de dertig zilverlingen, aldus het gouden sieraad verre van zich werpende. De Christenen begrepen, dat zij de strikken der Heidenen misschien hadden kunnen ontgaan, zoo Baterolfus dien vond niet verheeld had.

Gondebold, antwoordde met luider stemme: „ „Wie mij belijden zal voor de menschen, dien zal ik ook belijden voor mijnen Vader, die in de hemelen is,” dus sprak de Christus, de Zoon des levenden Gods. Eisch niet, Ohilde, dat ik hem verloochene, den Verlosser der wereld, om wiens naam gij allen mij haat, maar die zalig maakt, wie Hem getrouw blijven tot in den dood. Zie, ik vrees uwe pijlen noch uwe speren,” vervolgde hij tot de schare: „want een andere hemel dan uw bloedig Valhalla verbeidt mij, – de hemel der liefde Gods. Wijs mij de kroon van Friesland niet, die op het altaar afgoden ligt; ik verlang naar de martelkroon der Heiligen, naar de vlijmende spits van uw zwaard,”

Hetzij door ontzetting over deze heiligschennis, hetzij door bewondering dezer kloekmoedigheid, de wapenen der Heidenen schenen aan den grond. genageld. Ohilde streek met de vlakke hand langs haar gelaat, schoon hare gouden lokken het niet overschaduwden.

„…ťne bede heeft de stervende zoon uws Konings,” ging Gondebold voort: „doodt hem, want hij is de afvallige; maar laat deze schapen gaan. Het was Gods geest, die mij verlichtte; geene kunstgrepen van tooverij haalden mij over tot hun geloof; maar de Koning der Franken zoude den dood zijner vrienden bloedig op Friesland, wreken; Friezen! daartoe heb ik u te lief!”

De laatste woorden deden den kreet van verachting voor Pepijn, die reeds uit de schare opging, op de lippen der krijgers sterven. De vorstelijke jongeling wendde zich toen tot Ohilde:

„Ik heb Gode gebeden, Ohilde, – en nooit bad ik vuriger dan voor u, – dat mijn dood u bekeere! Tot wederziens bij Hem!”

En zijne blikken gloeiden van de zalige verrukking, waarin die hoop hem bragt, Ohilde echter antwoordde: „Biij de kroon van Friesland – maar gij werpt haar van u; bij de Asagoden – maar gij gelooft aan hen niet meer; bij onze liefde – doch gij verloochent Freya’s invloed; bij alle drie, Gondebold! want er is niets heiligers voor Ohilde – gij zijt bedrogen en misleid. Het waren vermomde aanhangelingen van Gregorius den gehaten vreemdeling, die het gerucht van mijnen dood verspreidden, – het waren vermomde aanhangelingen van Gregorius, die mij opligtten, in een klooster staken...”

„De slang sprak tot de vrouwe, en uit de vrouwe spreekt de slang, tenzij de vrouw bekeerd zij,” viel Eobanus in.

„Ohilde!” riep de Skald, vatte met al het vuur eens jongelings haar ros bij de teugels, en deed den kring openen, opdat zij zich weder mogt verwijderen: „Ohilde! ge zoudt de gade van een Fries zijn geworden; gij zijt te rein om de smaadredenen eens Christens aan te hooren.”

De krijgsman, in den mantel gewikkeld, volgde haar weinige schreden; Berdulef ging voort:

„Alles, wat wij nog te verliezen hebben, sedert Pepijn, de verrnetele, er op stoffen durft, Friesland de vrijheid te hebben ontroofd, is de kuischheid onzer vrouwen, telgen uit Frieschen schoot gebaard, zij is dier vreemdelingen wit. Berdulef heeft niet te vergeefs de heuvelen van hun Rome betreden, niet te vergeefs in de zalen van hun monarch zijnen vloek uitgesproken; ik ken hen; ik ken hen. Weelde en dronkenschap, ontucht en moord, heerschen waar zij zegevieren... ”

„Laat af, Heiden!” borst Eobanus in verontwaardiging uit: „laat af de Heiligen Gods te lasteren!”

„Ik had den pelgrimstaf, waarmede ik uittoog, niet aan stukken gebroken, en het kruis, dat ik op mijne borst droeg, niet den vlammen geofferd, toen ik weder voet op Frieslands bodem zette, zoo ik u in heerschappij gevonden had, wat gij in verdrukking schijnt. Ik had mij de doode natuur, die gij het leven neemt, getroost, om den hoogeren God, dien verkondigt; maar gij pleegt gruwelen, die het Noorden niet kende...”

„Stil, Berdulef!” zeide de Friesche krijgsman, die Ohilde had weggeleid en thans met waardigheid. op den voorgrond trad: „het is te lang gemard. Gondebold!” vervolgde hij, en kon het den jongeling aanzien, dat hem bij die stem huivering door de leden liep: „Gondebold! uw vader eischt onderwerping; aarzelt gij nog?”

„ „Die vader en moeder lief heeft boven mij, is mijns niet waardig,” zegt de Heer; „in Zijne handen beveel ik mijnen geest.”

Met bliksemssnelheid haalde de Friesche krijgsman een vreeselijk flikkerend zvraard van onder zijnen mantel te schijn, en snelde met vonkelende oogen op den vorstelijken jongeling toe. Eer de verbaasde Christenen hem konden weÍrhouden, bespatte het bloed, dat uit Gondebolds borst vloeide, het linnen van den aartsbisschop; de grijsaard had hem in zijne armen genomen, bij zijne laatste bekentenis.

Valkyrier! voert hem naar Odin!” sprak de Friesche krijgsman; het was Koning Radboud.

„Ik dank u, vader!” stamelde Gondebold: „God vergeve het u!”

„Zoon in den Heere geteeld!” juichte Bonifacius: „we zien wij elkander in den hemel weder!”

„Slagt de lafaards, mijne Friezen!” schreeuwde Radboud, schoon zijn eigen leven in het oogenschijnlijkst gevaar verkeerde. Naauwelijks hadden de wachters van Pepijn zijn zwaard zien blinken, of zij grepen, ondanks het vroeger verbod van aartsbisschop, naar de hunnen, en vergeefs zouden twee zijner onderdanen het hoofd, van den Frieschen monarch door het prijsgeven van het hunne hebben willen vrijwaren, zoo niet de Apostel onzes vaderlands zich en de zijnen den marteldood. had gewijd.

„Strijdt niet, mijne kinderen! – vergeldt kwaad met goed, en bidt voor hen; – de dag der verlossing is aangebroken. Looft met mij de genade des Heeren. Hij verwaardigt ons, van Hem te getuigen met ons bloed.”

De stilte der natuur was in scherpe tegenspraak met het gehuil der Friezen; maar statelijker dan het door geen windje bewogen dennenloover, kalmer dan de spiegelgladde oppervlakte des meere, glansrijker dan de wolkenlooze hemel zelf, waren de gebaren, de houding en het gelaat van Bonifacius, onder het uitspreken dezer woorden. Eene meer dan aardsche blijdschap straalde uit zijne oogen. Hij had, om de martelkroon gebeden; thans verschrikten hare doornen hem niet. Het was hem, als hoorde hij den welkomstgroet der engelen, en niet de woeste kreten zijner moorddadige vijanden; de harptoonen der zaligen, en niet het bloeddorstige lied van den Skald. Allen, monnniken, diakenen en priesteren, hielden het oog op hem gevestigd; de wankelmoedigste durfde den dood in het aangezigt zien, en sidderde niet meer. Wat vermag de zwakke menschheid niet, op de wieken van het geloof ten hemel gedragen?

Er waren weinig kleingeloovigen onder zijne volgelingen; wie in die dagen het kruis van Christus beleed, droeg het Hem in waarheid, na. De getrouwen van den aartsbisschop schaarden zich om hem heen, doch de grijsaard weigerde die bescherming; hij wilde aan het hoofd, hij wilde het eerste van allen sterven. Eobanus echter laakte dien ijver; was het niet van de lippen huns voorgangers, dat zij in de veege ure hunne laatste vertroosting verbeidden?

„Ik dank u, broeder!” sprak de Apostel: „de Heer vergeve mij die drift!” Terwijl eene hagelbui van pijlen door de lucht snorde, hief hij den triomfzang des geloofs aan:

„Looft den Heer der Heeren! want Zijne goedertierenheid duurt tot in eeuwigheid,”

Er was iets verheven-aandoenlijks in den vasten toon, op welken de schare der mannen, die Bonifacius omringden, deze woorden herbaalde, schoon hunne broederen om hen heen nedervielen; iets verheven-aandoenlijks in de herhaling dier woorden van den grijzen Godsgezant door den beminnelijken altaarknaap, het jongske aan zijne zijde, dat het getijdeboel op zijne armpjes getorscht had. Dezelfde adem des levens, die de bladerkroon van den honderdjarigen eik deed ruischen woei over den zwakken riethalm, en deze lispelde.

Bonifacius voer voort: „Waat alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat wie in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe!”

Hartverscheurend klonk het gekerm der stervenden boven den lofzang der martelaren; de Frankische krijgsknechten, gewoon geweld met geweld te keeren en de Heidenen in hun bloed hunne hardnekkigheid. te doen boeten, vermogten niet langer werkelooze getuigen van dit schouwspel te blijven. Met leeuwenmoed vielen zij op de tienmaal sterkere Friezen in; de stem van den aartsbissehop trachtte hen terug te roepen.

„Strijdt niet, mijne kinderen! ik zegge u, het lijden tegenwoordigen tijds is niet te waarderen tege n de heerlijkheid die ons zal worden geopenbaard.”

Rusting noch wapen, geoefendheid, in den krijg noch hardheid in gevaren, konden hen beveiligen of vrijwaren, de Friezen gevoelden, dat zij, in de tegenwoordigheid der schimmen hunner vaderen, op de plek, waar deze door Karel Mortel waren overwonnen, tegen Franken streden; weldra flikkerden de zonnestralen op de met bloed overdekte pantsers der gevallen krijgsknechten. Den lofzang aan Thor overstemde dien der Christenen; al dunner en dunner werd de muur van getrouwen rondom Bonifacius; een pijl velde het onschuldige jongske; Eobanus stortte, door eene lans getroffen, zieltogend, neder. Het eerste slagtoffer vouwde de vlekkelooze handjes biddend, zamen; het tweede drukte stervend een kruisbeeld aan zijne lippen.

„Jongeling en man, broeders in Christus! zalig zijn de dooden, die in den Heere sterven, van nu aan; want zij rusten van hunnen arbeid, en hunne werken volgen met hen. Gij hebt het kwaad niet gekend, jongeling! gij hebt den goeden strijd gestreden, man! broeders in Christus, weldra volg ik u !”

Wolken rooks vervulden eensklaps het heiligdom; – de kerk was in brand gestoken! Als slangen kronkelden de laaije vlammen om de pijlers heen; eenige oogenblikken nog, en de weerlooze kudde zoude uit het vuur tot God gaan. Hoe blonk bij dien rooden gloed het aangezigt van Bonifacius van hemelschen vrede, terwijl hij vervolgde:

„Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almagtige, die was, die is, die komen zal!”

Maar het „Amen” rolde niet over de lippen van den aartsbisschop; een zwaard suizelde boven hem; het was het zwaard van Berdulef, die het speeltuig met het wapen had verwisseld.

„Eerst mij!” klonk het; „vergiffenis, vader!” En het breede moordtuig kwam neder, niet op het eerbiedwaardig hoofd van den grijsaard, maar op de kruin des monniks, die zich ijlings voor hem geplaatst had: het was Baterolfus, wien berouw een schooner dood deed sterven, dan zijne begeerlijkheid voorspelde.

„Terug, worm!” riep de Skald, terwijl hij het zwaard uit den gekloofden schedel optilde, en het lijk met eenen schop uit den weg deed, rollen: „niet om u greep Berdulef het wapen, dat, zoo lang in de halle rusten mogt. Wij zijn beide grijs, oude! maar Odin is de God der kracht,”

Bonifacius zag den Heiden aan; hij diende een meer verhevene godheid dan het gevreesde hoofd der Asas; de Skald deinsde terug voor den blik des ongewapenden. Doch de vlammen dartelden reeds langs de lijst van het dak; met de stramme handen hief de aartsbisschop het gewijde misgeheim, dat hij al dien tijd in zijne borst had, verborgen, plegtig omhoog, en zegende de stervenden.

„Mogen de oude Goden aldus over de nieuwe zegevieren!” riep de Skald, het zwaard met dubbele kracht in het hart van zijn offer stootende.

En de Apostel onzes vaderlands bezegelde de leer, door hem verkondigd, met zijnen dood, en het bloed des martelaars was het zaad der kerke; want aan den avond van denzelfden dag weende eene maagd, bij het lijk van Gondebold: – het was Ohilde. De jeugdige bekeerde had haar gesproken van wederzien!

Tesselschade, 1838.