E.J. POTGIETER (1808 – 1875)

DE EZELINNEN

(EENE SCHETS UIT MIJN VENSTER)

Een korenveld, eene weide, een bosch leveren zeker streelender verschiet op, dan eene straat of eene gracht in de stad; maar hoeveel afwisselender en veelzijdiger pozy schuilt er in de menigte, welke ik binnen de muren dagelijks mijn venster langs zie gaan, dan in het het gelaat van hemel en aarde, buiten!

Het was in den nazomer van het verleden jaar, dat mijne opmerkzaamheid, uit het venster de straat op- en afdolende, vr het invallen der schemering, geboeid werd door een schouwspel, dat mij dikwijls somber stemde. En echter leverde de groep een vrolijk tooneel op, dat bij wijlen zelfs dartel werd – het waren vijf, zes, zeven ezelinnen met haren drijver.

Vrees niet voor alweder eene beschrijving eener tering; inder de studie, welke de krankte eischt, zou ik welligt verbeelden haar ter prooi te zijn. – Integendeel, toen ik de graauwtjes vr de deur van mijnen overbuurman zag stilhouden, – overburen, die ik wat meer kende, dan men het gewoonlijk zijne nste doen – toen kwam de gedachte: „Wie zou er krank zijn hij of zij?” naauwelijks in mij op, of ik zeide in mij zelven:

„Geen van beide.”

Oordeel, of gij een’ dier jeugdige echtelingen zoo erg zoudt hebben geacht dat zij reeds tot de ezelinnenmelk hunne toevlugt moesten nemen; beslis dit, zeg ik, als ge de volgende bijzonderheden zult hebben gelezen.

Hij? hm! – Wie, als ik, de drie kruizen achter den rug heeft, smaakt de twijfelachtige vreugde, allengs de kennissen zijner jeugd gevestigd te zien. Twijfelachtige vreugde, voorwaar? Want bij die herschepping verkeeren velen, helaas, van vrienden, dat men hen waande, in kennissen, als ik ze noemde. Een andere familiekring – hoe vervreemdt die! – Een vertrek naar elders hoe kwijnt weldra de briefwissel, welke na verloop van het eerste jaar geheel ophoudt! – En toch behooren deze nog tot de minst smartelijke wijzen, waarop men de begoochelingen zijner jonkheid ziet vervliegen. Sommige banden worden niet langzaam door den tijd los gestrikt, gebrek aan sympathie in de beschouwing van het werkelijk leven breekt die wel eens plotseling en voor altijd af, schoon men elkander blijft zien, schoon men de kennis aanhoudt. Welk eene andere toekomst achtte ik mijn’ overbuurman, achtte ik Pieter beschoren, toen ik, verscheidene jaren geleden, met hem de duinen opwandelde, en wij, op den top van dezen of genen blinkert, het dubbele lied hoorden, dat nog wedergalm vindt in mijn hart, – welk eene andere toekomst, dan zich voor hem verwezenlijkte? Toen luisterden wij, opgewonden jongelui als we waren, beurtelings naar het landschap aan onze slinke, dat ons ijver toesuisde, en naar de zee naar onze regte, die glorie zong – toen spraken wij van het verleden, van degelijkheid, – toen beloofden wij, – ja, wat niet al!

Vr drie, drie en een half jaar misschien, kwam Pieter mijne woning binnen, stoof zou het woord zijn geweest, als hij mij geruimen tijd vroeger iets dergelijks had mogen mededeelen, als hij mij op dat oogenblik wilde aankondigen. Lot en leven hadden hem, voor een half lustrum, het is waar, op eene zware proef gesteld. Hij had hopeloos, hij had vergeefs bemind. Maar de jongeling, die, na eene teleurstelling van dien aard, niet strenger vasthoudt aan al wat hij vroeger hoog en heilig achtte, heeft hij waarachtig lief gehad?

„Ik wou je toch eens komen vertellen, dat ik gengageerd ben,” zei hij, dood bedaard.

En wij waren elkar reeds z vreemd geworden, dat ik verpligt was te vragen:

„En met – ?”

„De dochter van –” en eenige kwaliteiten volgden.

Ik was niet genoeg vriend meer, – vergun mij te zeggen: ik heb te strenge begrippen van vriendschap, om in te houden, wat mij uit het hart op de tong kwam:

„Dat is anders dan met Elise –”

„Och – wat – ja!” hernam hij, eene phraseologie, waartoe hij reeds dikwijls zijne toevlugt had genomen, als ik hem sedert zijn blaauwtje, zijn wankelen, zijn hinken op twee gedachten verweet. Hij was nog niet z ver gekomen, om te beweren: „dat men transigeren moet, om in het practische leven nuttig te zijn;” enz., enz. Hij begreep, dat hij toch iets ter gunste van zijn meisje zeggen moest, en liet er zich verstandiger over uit, dan hij gedaan zou hebben, – ware hij verliefd geweest.

En voor Pieter, die, een half jaar na zijn engagement getrouwd, mijn overbuurman was geworden; voor hem zou de drijver daar het balsturigst paar ezelinnen uit den hoop, ongezeggelijk en zamgekoppeld als het was, aan die ijzeren leuning vastbinden? Hij zou krank zijn, hij, wien de aanstaande schoonpapa eene geschikte partij had gevonden, al dreef hij een beetje oppositie, „oppositie was immers tegenwoordig de weg om er te komen?” Pieter, wiens grieven tegen onzen tijd de valkenblik van den oude teregt niet zoo zwaar had geacht, dat een lucrative betrekking die niet zou kunnen genezen; Pieter de tering? bah!

Was zij dan welligt lijdende? wie het geloofde, niet ik. Het toeval, – waarom het verheeld? – het toeval, dat door mijne nieuwsgierigheid niet zoo heel toevallig was, had mij spoedig zijne Louise leeren kennen. Alles wat zijne vroegere en latere geliefde gemeens hadden, was de uitgang van den naam en ise. Twee meer verscheiden meisjes zijn naauwelijks denkbaar. Of het onderscheid louter drin had bestaan, dat de eerste eene brunette, de laatste eene blondine was! Maar Elise, levenslust, plaagzieke dartelheid, – liefde – innige, vurige liefde; maar Louise, onberispelijke vormen bij volslagen vrijheid van hart, om niet te zeggen afwezigheid van gevoel! Ik zag haar bij het, stilstaan der grauwtjes vr mij, zoo als ik haar had gezien den dag, waarop hun huwelijk werd voltrokken; – den dag, sedert welken ik weinig meer van haar hield. Pieter had mij verzocht zijn getuige te willen zijn, – z iets weigert men niet.

Er was echter veel, dat haar verontschuldigde, bij de plechtigheid niet overaangedaan te zijn geweest. – Het ware onbillijk van mij, zoo ik het verzweeg.

Vr alles, zij was moederloos: de weeze had de zoetste betrekking weinig of niet gekend. Op een paar vermaarde pensionnats was zij door haar koel temperament beveiligd voor – het woord besmetting is wat hard; en toch geve God, dat wij nooit een zachter leeren gebruiken voor die ontreiniging der gedachten, welke het gevolg is van overprikkelde, onmaagdelijke nieuwsgierigheid. Arm kind, dat zij voor die strenge kuischheid van zin, welke haar van de geheimen harer gespelen afkeerig maakte, niet in een ander opzigt, niet door de verzuimde ontwikkeling van haar hart had geboet! Wien konde zij liefhebben, wien leerde zij beminnen? Een’ vader, dien zij zelden zag; die haar, toen zij de school had verlaten, verzocht bij zijne gastmalen als vrouw des huizes te ontvangen, en die haar uithuwelijkte – om zelf wer te trouwen?

En de ceremonie!

Het was eene dubbele, zoo als er bij alle fatsoenlijke huwelijksvoltrekkingen te onzent plaats grijpen, sedert de invoering van den burgerlijken stand, – die eene voortreffelijke inrigting zoude zijn, als wij haar niet zoo mir nichts, dir nichts met huid en haar hadden geslikt; als wij haar gewijzigd hadden naar onze zeden. Een huwelijk is in Holland nog niet louter un contrat civil, de hemel zij er voor geloofd! „Dan sukkele de kerk den staat achterna!” schijnt het stelsel; maar hoe die verdeeling den indruk verzwakt: God, in Christus onze Vader, volgende op dat heidensche opperwezen, ’t welk eigenlijk niemands God is!

Het formulier naar de wet had echter op Louise, op ons eenigen indruk kunnen maken, ware het voorgelezen, zoo als onze moedertaal bij hoogtijden spreekt, kernig, met nadruk, uit het gemoed. Maar al had een afstammeling van oud-hollandsehen huize de voordragt op zich genomen, het was geen Hollandsch wat wij hoorden. Spreek mij niet van gallicismen; de gallomanie deed, de toppen der vingers tintelen van ergernis; het was of zij ons trok bij de haren.

En de griffier raffelde de acte over – als wenschte hij dat niemand meer trouwen mogt, – om hem de moeite te besparen. De inzegening had in de Wale-kerk plaats; – daar bruidegom noch bruid nazaten van rfugis waren, vergoedden geene familieherinneringen het onhartelijke der vreemde taal. Noem dit niet bekrompen, bid ik u. De mindere innigheid van het Fransch komt doorslaande uit, als gij de huwelijksformulieren der hervormde gemeenten in beide talen vergelijkt.

Zie, ik vergaf het Louise, dat er ook dr geene tranen in hare oogen kwamen. Maar dat zij, na den afloop van het feest, z hartstogteloos, z kalm, in het reisrijtuig stapte, als ware zij nogmaals naar het pensionnat gereden, hadt gij het haar ten goede gehouden? Ik wil uwe beslissing niet vooruitloopen; maar ik vermoed, dat gij het er met mij voor hadt gehouden, dat niet ten haren behoeve het graauwtje haren uijer aan de vingers des drijvers prijs gaf; het graauwtje, welks veulen intusschen zijn’ ruigharigen kop achteloos op haren schouder nervlijde.

En toch bleef ik met ongeveinsde belangstelling voortataren; en toch wenschte ik het glas melk, dat de dienstbode weldra naar binnen bragt, al de heilzame, al de genezende kracht toe, welke het bleeke vocht der ezelinnen ooit op een’ kranke uitoefende. Want, nog altijd uit het venster ziende, greep mij een vrees aan, welke mij huiveren deed.

Ik had Pieter en Louise, sedert zij mijne buren waren geworden, tweemaal bezocht. Hoe anders had ik hen de eerste dan de laatste maal aangetroffen!

Luttel weken na hunne tehuiskomst van hun speelreisje was ik het paar gaan zien. De indruk, dien het bezoek bij mij achterliet, was verwant aan dien, welken de schilderijen van eer negentiende-eeuwschen ter Burg zouden maken. Het behangsel der kamer, waarin ze mij ontvingen, wedijverde in helderheid van kleur met de rosetten van het plafond; – het lichtbruin mahonyhout der huisraden schitterde mij tegen; – de fijngeslepen kelken kaatsten den vonkelenden morgenwijn in het kris tallen blad weder; – Louise droeg een zijden kleed. Maar de glans der vreugde, die mij uit hare oogen had moeten toeblinken; maar de blijdschap, welke Pieter had moeten gevoelen dus gevestigd, z gelukkig te zijn; maar de geestigheid, die kruiderij des gespreks; maar de lach, dat zout der zamenleving ik zag er te hunnen huize even vergeefs naar om, ik hoorde er die even weinig, ik smaakte ze er zoo min, als gij het op de stukken van onzen eersten satijnschilder doet. De overeenkomst ging verder; Louise was niet minder statelijk dan zijne slanke jonkvrouwen; maar gij hadt dat deftige evenzeer bewonderd, zoo gij slechts haren rug, en niet haar gelaat, hadt gezien Pieter staarde in den wijnkelk, met denzelfden ernst, dien zijn gemusqueerde allongeparuiken onderscheidt, en van welkeu ge toch, hoe lang gij naar de meening gist achter zulke oogen verscholen, niet meer begrijpt, niet wijzer wordt, dan dat zij de: wijn bekijken.

„De mehsch en sal by broodt alleen niet leven,” zegt de Schrift. Hoe mij die woorden invielen bij de legte van al de pracht, voor welker verzoeking Pieter was bezweken!

Er waren maanden verloopen, zes, acht maandeu welligt daar verraste mij eene heugelijke tijding, daar volgde eene uit noodiging, – ik trad andermaal de woning van het paar in. Hoe was alles verkeerd! Louise zat in eene weelderige chaise longue; een Dou onzer dagen zou zich vermeid hebben in de schildering der niet al te breede kant, welke haar bleek kopje en hare bleeker handen, welke haar mutsje en haar kleed omgolfde hij zou regt hebben gedaan aan de stille weelde, waarin hare oogen dreven, zwommen, zoo gij wilt. Voor het eerst was zij bezield; behoef ik te zeggen, dat zij voor het eerst schoon was? En ook Pieter leverde eene figuur op, het penseel van den schilder der Kraamkamer waardig. Er was niets uitgelatens in zijne verrukking; de zon der vreugde had meer gedooid dan gezengd – ook de groote Gerard hield van eene waardigheid, die de grenzen van het stijve naderde. Onder het roeren van den kandeelstok werd de eerstgeborene binnengebragt; het mogt mij niet van het hart er voor uit te komen, hoe dikwijls ik den dollen wensch voedde, dat kinderen z ontwikkeld geboren werden, of zij drie jaren oud waren. Hoe gelukkig was Louise met haren zoon – hoe hechtte zijne hulpeloosheid haar aan het wicht! Wijze natuur! Ik zag beide trots en schroom in de zijdelingsche ontblooting haare boezems, toen zij het kind de borst gaf; hare oogen gingen heen en weder tusschen Pieter en den kleine – en haar gade knikte haar toe – zij hadden nog kans op geluk.

Ik weet niet, of het u als mij in het scheppingsverhaal van Mozes heeft getroffen; maar ik las nooit zonder aandoening, hoe de oudervreugde de uitdrijving uit het paradijs verzoette. Ik dacht er dat uur aan!

Helaas, was het voor hun kind, dat de graauwtjes aan de overzijde stil stonden?

Den volgenden morgen was ik er zeker van; – het jongsken scheen, sedert zijne spening, geloof ik, in eene kwijning te vervallen, tegen welke de arts het gebruik van ezelinnemelk had aanbevolen.

Maar, zoo mijn blik den volgenden avond, en dagen daarna en weken lang op ongeveer hetzelfde uur getrouw het venster uitzwierf, om den drijver met zijn’ zes of zevental langs te zien komen, getrouwer nog ligtte Louise in hare zijkamer het gordijntje op, de graauwtjes nu eens ongeduldig te gemoet starende, dan weder door hunne niet zoo vroeg gehoopte komst verrast. Hoe wettigde, helaas, de voortdurende onzekerheid over den toestand haars kinds dien augst en die hoop!

En zie hier de gedachten, door de komst dier ezelinnen opgewekt; de mijmering, waartoe zij uitlokten:

Een kind! – is er iets ter wereld, waarin meer pozy schuilt, dan in het van allerlei zorg afhankelijke schepseltje in die wieg, – dat welligt bestemd is de luister van ons geslacht te worden? Het weet naauwelijks zijn handjes te gebruiken, – handen, die later misschien het zwaard des krijgs of de veder des vredes zullen zwaaijen of stieren, met tijdgenoot en nakomeling verbazende kracht. – Het invallend zonnelicht doet zijne oogjes zeer; – oogen, die ontwikkeld den afgrond zullen peilen of den starrenhemel meten; oogen, die de duisternis noch de schittering van de wonderen der natuur zal verbijsteren of verblinden. – Het eenvoudigst begrip schijnt te hoog voor die trage hersenen, het instinkt des diers leidt sneller en wisser dan de zoo hoog geroemde rede; maar wacht, en de wetenschap zal haren stralenkrans werpen en de kunst haren lauwer vlechten om dien nu nog naakten, schier nog weeken schedel. Een kind! – het begin van een leven, door vreugde en smarte bont geschakeerd, – dat beurtelings zoo groot en zoo klein schijnt, – dat der laagste togten en der edelste driften om strijd ter prooi zal wezen, – maar dat niet eindigt in het graf, waaraan de onsterfelijkheid is gewaarborgd, liever nog het eeuwige leven; opdat onze zwakheid door de negatieve uitdrukking niet heen schemere waar het onze zoetste hope geldt. Een kind! – laat ons dalen, of rijzen misschien, want de moeder buigt zich over het wiegje heen, en er is niets verheveners in de gedachten, welke ons de toekomst van den jeugdigen mensch straks inboezemde, dan wat wij in deze groep aanschouwen: liefde, liefde, het uitgedrukte beeld Gods! Zie, er was zelfzucht in de bekommering, waarmede Louise dat schrale aangezigtje gadesloeg, de kleine handjes drukte, haar trager dan vroeger te gemoet gestoken; – de lipjes kuste, bleeker dan weleer; – zij gevoelde, dat met dien band, – als hij scheuren moest, – de nige, die haar innig aan Pieter hechtte, zou losspringen. Zij had hem nooit bemind, zoo als dat vleesch van haar vleesch, zoo als dat leven van haar leven. Maar – wordt de opmerking voor eene mijner lezeressen wel vereischt? – hoe die zelfzucht vergoed werd en opgewogen door de toewijding van den dag en den nacht, van de vreugde der openbare vermaken en der gezellige geneugten; door de volslagen ontzegging van rust, zelfs na weken lange oppassing! Hoe verloochende zij die zelfzucht geheel door de verzuchting; eindelijk aan haren boezem ontglipt:
„Heere, neem mijn leven in plaats van het zijne!”

Op eenen schoonen herfstmiddag – het heugt mij nog of ik ’t straks had gezien – was het gordijntje ter zijde geschoven – de kleine lijder zat in zijn’ stoel vr het raam. Daar kwamen de graauwtjes – hoe hij gierde en sprong, of hij hen te gemoet wou! Eene der ezelinnen, die er met hare bleekzilverige huid en fijne ooren, – zij stak die op, – waarlijk niet uitzag of wij regt hadden den naam der diereesoort tot een schimpwoord te verlagen, – eene der ezelinnen werd een zonnig plekje op de straat gewaar, wierp er zich neder, rolde er zich om en nog eene om, – het plaveisel was pas gemaakt, en het zand nog droog. Het jongsken zag van achter de spiegelruit de speelsche groep, want een veulen had zich bij het moederdier gevoegd; de kleine werd rusteloos; naar buiten reikten zijne armpjes, en Louise gaf dien wensch gehoor. Op de stoep verschenen, daalde zij met haar kind de weinige trappen af, en liet hem zijn’ wil in het streelen der vaalbruine haren van het beest, dat voor hem gemolken werd, en plaatste hem voor een oogenblik op den rug des diers. O, dat ik de weelde schilderen kon, waarmede zij hem aan haar harte sloot, toen hij, een omzien aan zichzelven overgelaten, weder in de beschermende armen wipte, die boven en beneden hem hadden gewaakt; de weelde, zeide ik, de huivering had ik moeten zeggen, die haar rank lijf trillen deed! Of waren hare oogen niet afgedwaald naar de schalke vreugde van ezelinne en veulen, die zich nog altijd omkantelden in het warme zand; die, aan hunne weide, aan hun distelveld ontrukt, dien zweem van natuur smaakten in de steedsche ballingschap, gezond als zij waren?

De moeder benijdde, in den schoot der weelde, het graauwtje, dat eene wolk van stof deed opgaan. Toen deze was weggewaaid, zag ik vergeefs naar de overzijde: Louise en haar kind waren verdwenen. Zij was met hare smarte haar prachtig huis weder ingetreden.

De ezelinnen kwamen den volgenden, kwamen nog menigen avond terug; maar eer de winter inviel, hadden de plagerijen tusschen den drijver en het dienstmeisje uit, – want de gordijnen der zijkamer waren opgehaald, de luiken gesloten. Pieter en Louise beweenden hun nig kind.

Verg mij niet, dat ik u schetse, hoe het paar me bij het rouwbeklag ontving – Louise, die luttel maanden het leven des harten had gekend, scheen versteend; slechts van tijd tot tijd gaf zij teeken van bewustzijn – door op te zien!

En Pieter? Het geviel dit voorjaar, dat hij mij van eene reize naar Zwitserland sprak; de toestand zijner gade, verzekerde hij mij, eischte die.

„Ook ik zelf, jongen.” zeide hij, „ben niet gelukkig, – de hemel heeft mij gestraft in mijn kind!”

Ik zou hier uitweiden in alles, wat zich tot zulk een’ verslagene zeggen laat, – hoe het mij heugde uit den mond eener waardige oude vrouw te hebben gehoord: „ Toen ik mijn’ man nam, had ik hem niet lief, maar dat kwam later door zijn gedrag,” – met andere woorden, dat Pieter de liefde van Louise, welke hij had leeren achten, die hij thans schier beminde, nog verdienen kon; – ik zou er bijvoegen, dat het voor niemand te laat is zijn levensgeluk te zoeken en te vinden in de betrachting van zijnen pligt; dat ieder, die wil, een degelijk mensch kan worden, degelijk als de vaderen het waren in onzen roemrijksten tijd, – ik zou dit alles doen, als mij plotseling geene vreeze bekroop, welke mij letterlijk doet aarzelen voort te gaan.

Welke?

Dat gij mij een’ onheusch vriend zult noemen, die vroegere, innige betrekking, – later aangehouden kennis, – eindelijk weder toegehaalde banden prijs geeft, die.... Vaar niet voort, met uwe beschuldiging, bid ik. Ge zoudt gelijk hebben, ware het zoo, Doch als ik u gul uit bekenne, dat ezelinnen, Pieter, Louise, het kind, nergens z bestonden als ik die schetste, dat ik zelfs geene overburen heb: o, beweer dan toch op uw beurt niet, dat de gebreken in onzen maatschappelijken en huiselijken toestand door mij gegispt, dat de verspreide trekken, welke ik zocht te vereenigen, dat deze niets anders zijn dan boosheden in de lucht, waarvan niemand te onzent hinder heeft!

        1842.