E.J. POTGIETER (1808 – 1875)

DE FOLIO-BIJBEL

EEN LETTERKUNDIGE BIJZONDERHEID.

Walter Scott heeft ergens gezegd, dat de uitgevers van boeken de eenige handelaars ter wereld zijn, die eene kat in den zak koopen.

Arnold Willis, „wonende in de Hooftsteeg, over den Rijstuin,” te Rotterdam, leverde in den jare 1716 een aardig staaltje van dat slag op. Voor de werken, door hem in het licht gezonden, had hij ook geen’ anderen toetssteen dan „den aftrek.” We zouden beproeven, den man door louter tegenstellingen te schetsen – hij was meer verwaand dan verstandig, hij was minder wèllevend dan wèlgedaan, enz. – we zouden dat doen, als de toestand, waarin wij hem aantreffen, als vooral de rol, welke hij spelen zal, het niet overbodig maakte. Het was een zoele zomerachtermiddag: wie duidt het hem euvel, dat hij, den ruimen huisjapon om de leden, en gedoken in zijn’ leuningstoel, een uiltje knapte, al lag er eene drukproeve verzen vóór hem? Gij, zoo min als wij, hopen we. Welligt hadden wij beiden, lezer! hem laten voortslapen, – als geen derde zijn dutje had bedreigd.

De knop der deur, die winkel en woonkamer scheidde, bewoog zich. Een jonkman trad binnen; liever, wilde binnentreden. Waarom aarzelde hij? Raad eens! Hij was niet in ondergeschikte betrekking bij Willis geplaatst. Men zag bij den eersten oogopslag zijner kleeding, en meer nog zijner gestalte, den landbouwer aan: zóó bruine kleur, zóó frisschen blos, zóó kloeke leden geeft de stadslucht niet, al blaast de wind van de Maas Rotterdam in tal van havens rond. Ook was het geene boersche beschroomdheid, die hem deed weifelen; want zoodra hij de boekverkoopersjongens achter zijn’ rug hoorde ginnegappen over de houding, waarin hij den meester verraste, zag hij om, en zij zwegen en scholen weg onder de toonbank. Er sprak ernst uit de licht bruine oogen, wier bestraffende blik op hen viel. „Hm!” kuchte hij, en sloot de deur achter zich toe; maar naar het oude privilegie vaa romaneehrijvers, blijven wij door het sleutelgat voortgluren. Arnold Willis dommelde nog. Was de proef, waarop hij getuurd had, dan zoo slaapwekkende geweest? Het scheen, dat de jonkman, die zachtkens de tafel naderde, er zich, eer hij andermaal hemde, van overtuigen woû. Gist ge bij die belangstelling nog niet, dat hij auteur was, poëet misschien, en dan stellig een minnedichter? Want hij zelf mogt voor een model van mannelijke schoonheid gelden; want zijne zwarte haren krulden weelderig; want uit zijne kijkers tintelde vernuft.

Hij naderde – hij boog zich – en hij zuchtte. Helaas, het waren zijne gedichten! Hoe gelukkig was het voor de eigenliefde van Huibert Corneliszoon Poot – immers geen ander trad de kamer binnen dat er op een guéridon, waartegen de gebroken Goudenaar van Arnold Willis had geleund, twee voorwerpen stonden: eene ledige wijnflesch en een ledig glas.

„Hm, Sinjeur Willis!” begon Poot.... Doch laat ons het gegeeuw en gerek van den ontwakende en de verontschuldigingen des bezoekers overspringen. Schoon de stoornis den eerste allerongelegenst kwam, het viel den laatste, die van Abtswoude naar Rotterdam was gereden, op een ploegpaard zijns vaders, het viel hem niet te vergen onverrigter zake weêr heen te gaan. En echter, welk een oogenblik, om met een’ uitgever te spreken over een honorarium – een honorarium voor een’ eersteling!

Poot haperde driewerf eer hij het onderwerp op het tapijt durfde brengen. Al achtte hij Willis niet in staat zijne verzen te waardeeren, eene weigering zou hem zeer doen. De botste heeft het in zijne magt het genie te grieven.

Eindelijk was het hooge woord er uit. Ik wil zeggen, de dichter had opgemerkt, „dat zij er zamen – toch eens over – moesten spreken.”

„Spreken, man! wat valt er over te spreken?” antwoordde Willis. „Ge weet, dat ik bij een paar verzen, die ik voor u uitgaf, mijne rekening niet al te wél vond; op de lijst der Nederlandsche dichteren staat uw naam nog niet!”

Al hoopte Poot er een eervolle plaats op te beslaan, al bedriegt eene hoop als de zijne nooit, kon hij het zeggen?

„Ik,” ving hij aan, en slikte het woordeke „eisch” in; want eischen, dat mogt hij voor zijn’ oogst en voor zijn’ stal, voor zijne granen en zijn vee; maar voor zijne verzen! Handenarbeid heeft altijd meer gegolden, dan arbeid des hoofds. „Ik verlang,” hernam hij, „ik verlang ook niet veel!”

„ Vriend, ik ben niet gewoon eenig geld voor kopijen te geven,” antwoordde Willis, stroef weg, – en het nageslacht herneemt er op: „Daarom gaaft ge meest prullen uit!” Maar Poot. was beseheidener.

„Sinjeur Willis, al wat ik wensch, dat ge er mij voor zult toestaan, is....”

„Eenige exemplaren,” sprak de man in den huisjapon, „die zijn tot uwe dienst, een half dozijn b. v., ja, als ge er meer noodig hebt, tot vijf en twintig toe. Ge ziet, dat ik weinig verwachting heb van uw werk.”

Dat was grievende gunst!

„Ik heb aan een enkel genoeg,” hernam Poot. „Wie mijne verzen lezen wil, koope ze,” voegde hij er met een passend zelfgevoel bij; „maar wat ik gaarne van u ontving, is een folio-bijbel, van de grootste soort. De oogen van mijn’ vader worden zwak; een kleine druk vermoeit hem, – toe – Sinjeur Willis – zeg ja! –”

„Ik heb zoo’n winkeldochter niet,” hernam de uitgever hardvochtig, terwijl hij de stukken van zijn pijp opraapte. En het trof goed voor Poot, dat de bullebak hem, dus doende, niet in het gezigt zag; want ik vrees, dat dan aan dezen de moed had gefaald, om te hernemen, zoo als hij nu deed:

„Maar ik weet een mooi exemplaar te koop voor vier dukaten Geef mij die......”

De guéridon waggelde op zijnen voet.

„Vier dukaten!” borst Sinjeur Willis uit, „een – twee – drie – vier dukaten!” vervolgde hij, eene rust tusschen iedere lettergreep, of hij de gouden stukken met duim en wijsvinger telde, of hij die in de palm van zijne hand om en nog eens omkeerde, of hij ze glinsterend zag. „Vier dukaten! – vier mooije gerande geeltjes – Huibert baas! hoe komt gij er aan? –”

„Al uw gout is root van schaamte
Mits het zulke meesters heeft!”

mompelde Poot zijne eigen verzen over, maar zag vóór zich.

En beiden zwegen eene wijle. Wat ging er in hun gemoed om?

Men vergunne ons, het eerst een’ blik te werpen in dat des jonkmans. Daar lagen zij vóór Poot op tafel, zijne verzen, die hem meer waren geweest dan uitspanningen; die hem vergezeld hadden, des daags op den akker en des nachts op de sponde; om welker wil hij zich gespeend had aan de vermaken der jeugd. Een Duitsch dichter heeft meesterlijk gezongen, hoe geen der goden hem ooit alleen bezocht, hoe Bacchus hem de schaal niet reikte, of Amor stoeide ook om hem heen, of Phoebus daalde reeds. Poot was als jongsken te waarachtig poëet, dan dat ook , toonen teekenkunst hem niet zouden hebben aangelokt. Maar noch de veêl, noch het stift, mogten lang de mededinging uithouden met de lier. De lier, welk een woord voor een’ boerenknaap zijner eeuw! Het gerucht gewaagde van rederijkers in de buurt van Abtswou, die al de grepen kenden, tot de kunst vereischt: hoe had hij zijner natuurlijke beschroomdheid van geest geweld aangedaan, om hunne opmerkzaamheid tot zich te trekken, om met hen in aanraking te komen, om lid te worden hunner bent! Pijnlijke vorming! Een, twee, drie koning, werd hij naauwelijks door de broeders van den gilde toegejuicht, of zijn eigen werk verdroot hem. Die gezwollen stijl, die gekunstelde voordragt, hoe weinig strookten zij met zijn’ open’ zin voor de natuur, met wat hij op het veld aanschouwde, opmerkte, gevoelde,. met wat hij droomde en dacht! Antonides, de éénige dichter, wiens werken hem ter hand warm gekomen; Antonides was zulk een gevaarlijk voorbeeld – Antonides, zoo rijk aan allerlei kennis, vooral in de oogen van hem, die slechts lezen en schrijven had geleerd. „Boeken, boeken!” vroeg de ontwaakte weetlust van den zeventien of achttienjarige. Maar Lier noch Dorp, maar Schipluiden noch Zouteveen leverden er op; zelfs in Ketel zocht hij die te vergeefs. Welke pen beschrijft den tweestrijd, waarin de dorst naar kennis hoofd en hart bij hem bragt! Het is mij, als zie ik hem te Delft in een’ kashouderswinkel een’ ring van zijne vingers trekken, eene lieve gedachtenis; – als hoor ik den goudsmid, die onzen jonkman verdenkt, om de beteuterde houding, welke hij bij het waardeeren aanneemt, hem uitvragen, hoe hij er aan kwam; – als spring ik met hem, het geld in den zak, de eene gracht af, de andere gracht op, om boeken te koopen: de vruchtbare schat, waarin de nuttelooze ring fluks verkeert; als genieten wij zamen – ondanks dat de blik soms weemoedig op den jokenden vinger staart – als genieten wij zamen, niet den loggen foliant, waaruit hij leert, waar „Kolchis” en waar „Lethe” lag, – en waar „Memnon” en „Krezus” leefden, – en wat men van „Erato” en wat men van „Aurore” vertelt; maar dat gulden boeksken, de Minnedichten. van Pieter Corneliszoon Hooft! Pijnlijke vorming! herhaal ik, en zal u fluks zeggen waarom; want, schoon dit alles Poot door het hoofd was gegaan, sneller dan wij kwam hij tot de sombere klagte:

„En voor al die inspanning zal ik mijn’ vader met geen’ folio-bijbel mogen verrassen! O, dat ik nooit gedichten had geschreven! –”

De wensch was naauw geuit, of hij voelde dat deze hem geen meenens was. Daar lagen zij vóór Poot op tafel, zijne verzen, die, ja, roemzucht hem had aangespoord uit te geven, maar van welke hij zich iets meer beloofde, dan ijdele vermaardheid: kennissen, zijnen geest verwaut, vrienden, in wier kring van denkbeelden hij zich te huis zoude gevoelen. Een Fransch lierzanger heeft heerlijk uitgedrukt, welk een genot er in steekt, door ons genie een’ lichtglans over ons leven te werpen; hetzij de kracht van onzen arm ons eene koninklijke kroon doe veroveren, hetzij we op de wieken van onzen geest steigeren tot in den kring der goden; – en onze Abtwoudsche landman had, in een oogenblik van verrukking, dat vermogen vóórgevoeld. Maar, helaas, tot nog toe was het genot der herschepping, welke de kunst bij hem te weeg bragt, luttel geweest; neen, had hij die integendeel duur geboet. Wat al droomen van onafhankelijkheid, van huwelijksheil, van studie, hadden den nu reeds zeven en twintigjarige voor den geest gespeeld! weelderige droomen met bittere teleurstelling betaald. Er heerschte welvaart in de woning van zijnen grijzen vader; maar het was de welvaart eens landbouwers, in het zweet zijns aanschijns zaâmgegaard en telken jare door noeste vlijt weêr aangevoed, – niet de rijkdom des koopmans, door onderneming op onderneming, met den tooverstaf des handels verhonderd of verduizendvoud. O zijn heimelijke wensch! Zie, het was geen verlangen, de stad te ruilen voor het veld, – verre van zijn’ zestigjarigen vader, van zijne drie zusters, eene weelde te leeren kennen, hunnen eenvoud ontzegd. De folio-bijbel getuigt. welk een zoon hij was, en zijn gedicht op zijne vroeg verscheidene moeder staat ons borg voor zijne trouw aan hare dochteren, al begreep slechts ééne van deze, wat er in hem school. Maar hij had Antonides gelezen en bestudeerd; hij had met al de liefde eens leerlings naar de bijzonderheden zijns levens onderzocht – arme Poot! Een beschermer had dezen de Utrechtsche Hoogeschool ontsloten, de onafhankelijkheid scheen hem gewaarborgd door zijne kunst. „En echter stierf hij eer hij haar genoot;” onze landman was te zeer dichter, om het niet mijmerende te zeggen, toen er jaar aan jaar zijner gulden twintig verliep, vóór hij het wagen durfde uit te geven. – Sinds weinige maanden echter verlangde hij vuriger dan ooit, dat er een flink vrijer voor eene zijner zusters mogt opdagen, dat een braaf schoonzoon zijnen vader zijn vertrek vergoeden mogt; dat hij – wist hij zelf wat hij wenschte? – minnedichter als hij was, had hij menig boersche deerne de wangen gestreeld, menig lieven mond gekust, eer Machteld van Elzen – die op zijne knie plagt paard te rijden, terwijl hij naar de vermaningen van haren vromen vader luisterde – die onder zijne oogen ontwikkeld was, veel belovende knop en heerlijk bloeijende roos – eer zij, de zeventien of achttienjarige weeze des leeraars van een naburig dorpje, hem een gevoel inboezemde, dat niet tot schalk gekoos uitlokte – dat iets van eerbied had – dat ware liefde was ! O, zijn heimelijke wensch! zeg ik andermaal, en zou er u meer van vertellen, als ge niet, reeds genoeg wist, om te begrijpen, dat zijne lange mijmering eindigde met het besluit:

„En al weigert hij den folio-bijbel, uitgeven moet ik toch! Geen boerenslungel zou zij hare hand reiken!” –

Wat deed Arnold Willis al dien tijd?

„Vier dukaten!” – peinsde hij, – „welk een onredelijke eisch! Al wat ik hem geef is een lekker nietmetalletje! –”

Eene pauze in ’s mans gedachten.

„Maar er loopen verscheiden verzen onder,” – hernam hij in zich zelven – „die niet „onsmakelijk” zijn; wie weet wat vette melkkoe ik van stal jage.”

Weêr eene pauze.

„Het werkje was juist van „geen groot beslag” en ik had de titelplaat van Burg voor een avondje vrij gelag in het zwijnshoofd, te geef.”

De derde rust.

„Maar vier dukaten; neen, dat zijn leven niet! Deze of gene mijner schuldenaars heeft zeker wel –” Weg was de man. Hij hoorde, dat er volk in den winkel was; – Poot zat nog voort te mijmeren, toen hij terugkeerde, maar niet alleen, maar met twee heeren, voor welke beleefdelijk stoelen werden gezet, en die Arnold Willis naauwelijks gezeten. zag, of hij begon hun, na eene herhaalde verzekering, dat hun oordeel hem ten hoogste zou verpligten, voor te lezen – uit de proef, die vóór hem op tafel lag, – het eerste stukje het beste: – . „De Maen bij Endymon.”

Het ging rapper toe, dan ik het vertellen kon; maar verbaasder hadt zeker nooit een dichter opgezien dan Poot het deed. Wie waren de beide mannen, welke eensklaps geroepen schenen een oordeel over zijn werk uit te brengen? Hunne kleeding liet geen’ twijfel over aan hunnen aanzienlijken stand. De eene was in den bloei des mannelijken levens, de andere vertegenwoordigde een’ krachtvollen ouderdom. Het waren twee opmerkelijke figuren, niet alleen door de golvende krullen hunner paruiken, in die dagen zoo zeldzaam niet; – maar hoe de jongste in gelaat en gebaren naar een wassenbeeld zweemde, – hoe vervaarlijk ernstig zag de oudste er uit! Aanvankelijk trok de laatste schier alleen de opmerkzaamheid van onzen dichter; want hij had bij een’ zeventig-, bij een’ tachtigjarige misschien – ’s mans breede wenkbraauwen waren wit als sneeuw – nooit zoo heldere oogen aangetroffen, en wat nog zeldzamer was dan deze, de handen van den grijsaard hadden iets bewegelijks, iets lenigs, iets vlugs behouden, dat op zijnen leeftijd zeldzaam heeten mogt.

Doch daar zwierf Poot’s blik af naar de breedgeschouderde gestalte des jongeren mans, die met een rotting speelde, op welks knop niets minder prijkte dan een gekroond hoofd van massief goud, – die eene ridderlijke keten droeg, – die aandachtig luisterde naar het eerste couplet van zijn vers, hoezeer de voordragt van Willis het ook mishandelen mogt

Poot huiverde voor het vonnis.

„Fraai!” riepen beide, – de tegenstelling in de drie laatste regels had hen getroffen. De dichter greep moed.

„Als hier gelezen moet worden, sinjeur Willis,” vroeg hij heuschelijk, „zoo sta mij toe....”

De vrienden zagen elkander aan.
„O zoo!” zei Arnold Willis en gaf hem het blad over.

Het beefde in de handen van Poot.

Arme eerzucht!

Maar de beurt der verbazing was ditmaal aan de beide heeren. Want de landman, dien zij, bij hun binnentreden in een’ hoek gedoken, naauwelijks hadden opgemerkt, nam de vrijheid zijn eigen werk regt te doen. Hoe de fraaije handen van den deftigen oude de maat sloegen bij de zangerige voordragt. Al de stroefheid van zijn gezigt smolt weg. Verrast zag hij zijnen medegast aan – was deze te hoofsch om zich te verwonderen? De grijsaard wendde zich met een’ vragenden blik tot Willis; maar eer de man in den huisjapon hem had ingelicht, hoorden zij reeds de weêrgaloos-meesterlijke beschrijving der stilte op Latmos. Weêrgaloosmeesterlijke? Wij, het nageslacht, mogen die epithetons, vleijend als ze zijn, der regelen toekennen; Poot was onder de lectuur niet te moede, of zij deze verdienden. Hoe hemelsbreed verschilde de indruk, dien zij op zijne beide toehoorders maakte – vergeef hem, dat hij Willis niet mede telde! De eerwaardige grijsaard knikte verrukt – de voorname man fronste het voorhoofd! – En, zonderling genoeg, vertoonde zich dit opmerkelijk onderscheid andermaal bij het derde en vierde couplet, – de nederdaling van Diane, de boogscheut van Cupido vermaakten den laatste, terwijl zij den eerste koel lieten. Doch, daar kwam de beurt aan de vijfde strophe – wij willen niemand beleedigen door haar hier af te schrijven; wie kent ze niet van buiten, de regelen, die het alvermogen der Liefde, die de door haar bezielde Natuur schilderen? – Poot zegepraalde; de beide gasten twijfelden niet langer, zoowel de blikken van de getabbaarde grijsheid als die van het ridderlijk wassenbeeld huldigden den Dichter in hem, – wat zeide de weigering van Arnold Willis nu? En echter, hij dacht aan zijnen vader, die toch geen folio-bijbel hebben zoude – hij dacht aan Machteld. Dat mogten bittere droppelen heeten in den eersten beker des lofs! Maar was hunne bewondering dan geen voorsmaak van die des algemeens, welke hem beidde? Het waren gedachten, die hem door het hoofd gingen met de vaart van weêrlichtstralen; zijne eigene schepping sleepte hem mede, Voort las hij: „Hier slaept mijn zaligheidt!” Hoe men hem bij dien uitroep aan kon hooren, dat hij verliefd was! Doch, alweder hetzelfde verschijnsel: de grijsaard, wiens arendsneus, wiens stijf op elkander gedrukte lippen hem eerst schrik hadden ingeboezemd, juichte den laatsten regel van het zevende vers toe, terwijl de kieskeurige gast – Poot hield hem er vast voor – terwijl deze zich ergerde aan den eenvoud van het boersch-zinnelijke der gedachte. Er volgden weder twee coupletten vol waarheid, immers zoo als de Abtwoudsche landman zich de liefde dacht; maar ik ben het moede altoos hetzelfde verschil van gevoelen aan te wijzen, Al wat ik er van zeggen wil, is u opmerkzaam maken op den open’ zin, waarmede de ouderdom zich verkneukelde aan de aardige bekommering, of een zoentje den slaper wekken zou; aan de mildheid, waarmede Diane belooft hem voor het gestolene schadeloos te stellen. Het was of de satyrs, die in de laatste strophes uitruigte en wildernis te voorschijn springen, het was of zij genade vonden in de oogen van den man van middelbaren leeftijd. Hij knikte Willis eens toe; – maar hoe genoot de andere gast, wiens gevoel al zijne frischheid scheen te hebben behouden – eene zeldzame bloem in den winter – hoe genoot hij bij het traag opvaren der godin, bij de drie éénige regelen, welke het meesterstukje besluiten!

„Geluk er meê, jonkman!” riep de flinke grijsaard, van zijn’ stoel opgesprongen en Poot de hand drukkende. „Mijn groene tijd is lang voorbij, maar gij hebt er de heugenis van vernieuwd!” – En de andere? O dat hij, in plaats van vóór zich te zien, en met zijn gouden ketting te spelen, en onzen dichter onbarmhartig op de pijnbank te houden, dat hij hem gul en goed had aangewezen, waar de Abtwoudsche landman uit den toon der Grieksche godenwereld was gevallen, waar Endymion zijn karakter verloor, waar Diane niet langer Diane bleef. Er leefden in die dagen weinigen te onzent, welke er meer toe bevoegd waren dan hij! En wie zou hem die handhaving van de regten der kunst euvel hebben geduid, mits hij na die gisping ook grootmoedig regt had gedaan aan het streven. naar objectiviteit in het stukje zigtbaar, – zoo iemand, zijn talent begreep die. Eenmaal aan het eischen, gaan wij voort: dat hij zich volkomen kunstenaar hadde getoond door in Poot te waardeeren, wat Poot verdienstelijkst had: zijn’ open’ zin voor Hollandsche natuur, Hollandsch veldschoon, Hollandsche liefde. O zoo het hem ingevallen ware den jonkman aan te raden, al zijne bestoven boeken te laten rusten, om slechts in dat te lezen, ’t welk zich, iederen morgen nieuw, voor zijne gretige blikken van zelf ontsloot; – zoo hij Poot verzekerd had: „er zijn grepen in uw stukje, Hooft waardig, en Vondel zelf is nergens grooter dichter dan gij het bleekt in de verjeugdiging; der natuur, in de herboren lente van Latmos, als de twee gelieven elkander omarmen, – maar laat rusten en Vondel en Hooft, – pijnig u niet om hen in te halen, waar de eerste den Latijnen nastreeft, de laatste de Italianen op zijde dringt; ontwikkel u zelven!” O zoo hij dit gedaan had, welk een andere oogst golfde ons thans van den Abtwoudschen akker tegen? Laat ons billijk zijn; wij vergen vast meer van den man, dan van zijne eeuw was. Riekt het in de onze nog niet naar den mutsaard, zoo gij al de kleingeestige bewonderaars van Grieken en Romeinen op den Bloksberg wenscht, – met meer eerbied voor de Ouden uitgedrukt, en overeenkomstiger met onze liefde voor de kunst, – zoo gij de verknutseling van het inheemsche naar uitheemsche vormen afkeurt, – zoo gij nationaliteit, individualiteit eischt in het Minnedieht? Een voorbeeld wekt op, een leiband belemmert! Wat geeft den meesterstukken der Oudheid hunne waarde, wat anders dan dat zij de volkomen uitdrukking waren van hare eigene begrippen, van hare eigene gewaarwordingen, dan dat zij ons den toestand veraanschouwelijken in het schoonste en daarom treffendste licht? O liefde onzes Volks, onzes Tijds, waar zijn uwe zangers? – Doch terug tot den man, van wien wij zoo veel vergden, en die echter zoo volslagen doordrongen was van de gladde gemanierdheid zijner eeuw te onzent, dat al zijn waarachtig talent ons nooit met hem verzoenen kon, – tot den gevierden, geadelden, geprezenen kunstschilder Adriaen van der Werf: eene karakteristieke verschijning, als gij hem in de Nederlanden ontmoet als den vertegenwoordiger eener kunst, die er, nog geene honderd jaren vroeger, bogen mogt op Rubbens en Rembrandt.

„Welk eene aangename verrassing hebt gij ons bezorgd, Willis!” – begon eindelijk de ridder, aan den hove van Dusseldorp de onberispelijke vormen gewoon, en na zijne terugkomst te Rotterdam, steeds zoo statelijk, als ware hij altijd in de tegenwoordigheid geweest van dien Johan Wilhelm, keurvorst van de Paltz, welke hem de waardigheid verleende tot vervelens toe is onze catalogussen vermeld. „Het lijdt wel geen’ twijfel. dat mijnheer de maker is....”

Poot boog zich uit aangeborene beleefdheid.

„Ik heb zelden fraaijer minnedichtje gehoord,” hervatte de schilder-hoveling, en liet er genadig op volgen: „als u lust heeft mijn kabinet eens te zien –”

Huivert ge niet bij dit aanbod? Ik wil u. niet herinneren aan ’s mans beeldtenissen van keurvorsten en keurvorstinnen, door engeltjes opgehangen en door de godsvrucht gekroond, noch van zijne vijftien verborgenheden der Roomsche kerke gewagen. Maar, wat dunkt u, de peerlemoeren Madonna (van het Rijks-Museum te Amsterdam) met het Kindeken, dat naar bezien grijpt, de aanstaande studie van een’ jonkman, die zijne verzen veil had voor een’ folio-bijbel ter dienst zijns vaders! O gekunsteldheid. welk eenen oorspronkelijken aanleg zult gij hier doen te loor gaan!

„Mag ik weten,” vroeg Poot, „wien ik de eer heb vóor mij te zien?”

De goelijke grijsaard, wiens hooge gestalte onder den last der jaren nog niet gebogen ging, lichtte den jongeling heuschelijk in, wie hem met die gunst verwaardigde; en zoo’ hij bij de voorstelling van Van der Werf te kort schoot in vleijende bewoordingen, Poot’s verrassing, Poot’s vraag waren een’ minder ijdel man de zoetste hulde geweest.

„Zoo ge u de moeite getroosten wildet,” smeekte de boersche dichter, „mij opmerkzaam te maken op mijne feilen, welk een goed werk zoudt gij doen! Ik heb u bij het voordragen van mijn stukje soms, dikwijls, het voorhoofd zien fronsen; er ontbreekt stellig veel aan: die Grieksche wereld is mij zoo vremd! –”

„Een andermaal – in mijn kabinet – u faalt studie – doch onvermoeide arbeid komt alles te boven. Als ge bij mij komt, zal ik u herders en herderinnen en goden en godessen laten zien, een beetje meer antiek, en vooral niet zoo Abtwoudsch ale de uwe –”

„Ge zult er vreemd van opkijken, jonkman!” viel de degelijke grijsaard in; „maar wilt gij van mij een’ raad: pas op, dat gij uw fiksch oog voor de natuur niet verliest. Een bril is altoos maar een behulp. Van der Werf, het ontviel mij zonder erg! – En als gij te Amsterdam mogt komen, jonkman, en ook mijn kabinet willen zien – lang zoo mooije dingen niet als die van mijnheer – vraag dan den eersten flinken bol den besten maar, waar professor Ruysch woont, Frederik Ruysch, hoort gij, hij zal u teregt helpen.”

„Te uwent zal hij gelegenheid hebben tweeerlei wonderen te zien, de kunst van den vader en de kunst van de dochter,” hernam Van der Werf.

„O, hij schildert met breeder trekken dan mijne Rachel, doch haar vak is ook eene vrouwelijke liefhebberij. Maar vriend Wilds, of Willens, of hoe gij heeten moogt, de jongen zal nu het pamflet toch wel gevonden hebben. De Maen bij Endymon had het mij haast doen vergeten.”

En de groote ontleedkundige, – een geschenk van de zeventiende eeuw aan hare opvolgster, – de groote ontleedkundige, die partij had getrokken van de vorderingen zijner voorgangers, maar zelf een eigen pad was opgegaan, om verder te komen, hij wenschte Poot naar oud landsgebruik „wel te varen,” – en nam in den winkel een dier schotschriften op zijne uitvindingen aan, welke hij zelden anders beantwoordde dan met: „Kom en zie!” Van der Werf volgde hem. „Tot weêrziens!” sprak hij. Het was Dusseldorpsch, het was hoofsch!

„Wijf! wijf!” schreeuwde Arnold Willis, zoodra de heeren de hielen hadden geligt, „wijn en pijpen –”

„Ik dank u,” zei Poot, „mijn paard is gezadeld op stal blijven staan.”

„Wijf, hoor toch!” herhaalde de man in den huisjapon, toen nijne egade uit de keuken opstommelde, „de ridder Van der Werf heeft Poot’s minnedichten mooi gevonden; ja, een van de dingen, die mij zoo weinig aanstonden, geprezen!”

„Ik heb altijd gezegd, dat er vuur in stak,” hernam jufvrouw Willis met een’ schalken blik. „Maar de folio-bijbel,” brak Poot de dringende uitnoodigingen van het paar „toch iets te gebruiken” af.

„Een’ folio heb ik waarachtig niet, maar een grootmediaan zult gij hebben.”

Afhaler, tot den einde toe!

„Het zij zoo!” hernam Huibert Corneliszoon, en luisterde niet naar den aandrang van Arnold Willis, om voortaan al wat hij schrijven zou slechts bij hem uit te geven enz. enz. Of de man het verdiende, bewijze der liefhebbers van twisten van dien aard de aantijging van Willis en de verdediging van Poot, in alle oude bibliotheken te vinden. Voor ons, wij slaan den dichter onder het naar huis rijden nog een oogenblik gade.

„De roozen van de werelt groeijen
Aan dorens van verdriet!”

peinsde hij in zich zelven, en glimlachte over de omgekeerde toepassing van zijn eigen vers, en bepaalde den dag al, waarop hij zijn eerste bezoek bij Van der Werf zou afleggen. Wat al vragen had hij te doen, welk een licht zou hem opgaan! Maar zijn paard was uit den draf in den stap gekomen, en eer hij het wist, vergat hij Willis en zijne gasten, starende op het landschap, dat, beurtelings boomrijk en bebouwd, alleraangenaamst afwisselde, ’t geen hij honderdmalen had gezien, en hem echter bij dien onverwachten ommekeer van licht in schaduw nieuw scheen. Hij zag op, welk eene lucht! Aan twee hemelstreken broeide een onweder – langzaam, statelijk trokken de wolkenlegers tegen elkander op. Hoe kon het anders, of hij moest zich de woorden van Ruysch herinneren, toen hij, uit de beschouwing weder tot zich zelven gekomen, verbaasd opmerkte, dat zijne trouwe merrie stil stond, roerloos stil. – Gij hebt zijne werken slechts op te slaan, als gij u overtuigen wilt, hoe juist hem de grijsaard in dit opzigt had beoordeeld. Wie onzer oude of nieuwere dichters, die in waarheid van natuurschildering halen mag bij Poot?

Helaas! dat zij u tevens overtuigen, welk een’ invloed de kunsttheoriën van Van der Werf, van zijne eeuw op hem uitoefenden! Wat al nymphen en satyrs, – welk een vervelend herdersleven, – in plaats van inheemsche natuur! Wat zou het mij baten, zoo ik u vertelde, dat hij, al regende het reeds groote droppels, Machteld’s vensterken slechts stapvoets langs reed, en op hare bede afsteeg, om de bui over te laten drijven, en onder kozen en kussen haar vertelde, welk eene toekomst hen beidde, hem, den bewonderden dichter, haar, de bezongen bruid? Ge bewijst mij uit zijne verzen, dat hij met Neeltje ’t Hart in den echt trad! En ik leg den vinger op den mond, nadat gij mij vergund hebt aan te merken, dat het niet geviel voor zestien jaren na het tijdstip, waarvan ik gewaagde. Arme Poot! Hij was toen al drie en veertig jaar!

Toch leverde de achttiende eeuw, in Europa, en bij een volk, het onze in geen opzigt vooruit, een’ dichter op, die met landleven en liefde dweepte, zoo als ik het van Huibert Corneliszoon Poot had verlangd, eigenaardig eo oorspronkelijk. Robert Burns bedoel ik.

    1842.