E.J. POTGIETER (1808-1875)

FRANS HALS EN ZIJNE DOCHTER.

1629.

I.

Ik leg gaarne een bezoek af bij een schilder, mits hij mij, met het palet in de hand, achter zijn’ ezel ontvange, en door het verdrietig ter zijde leggen van zijn penseel, noch door het driftig opstaan van zijn stoeltje, blijken doe, dat mijne komst zijne schilderkamer in eene gezelschapzaal verkeert, dat ik hem zijn gulden tehuis bederve. Het ongedwongene, ongeregelde, ordelooze zelfs, heeft bij hem iets bekoorlijks, de bevalligheden verlaten hem nooit, zoo lang hij niet ophoudt kunstenaar te zijn. Wat hebben deze echter met de statelijke deftigheid, gemeen, die in het studievertrek van een’ geleerde voorzit? Doe mij het onregt niet aan, te gelooven, dat ik de orde, waarop de laatste zich verhoovaardigt, niet op prijs stelle; dat ik zijne boekenkas niet bewonder, wanneer zij in naauwkeurigheid van grensbepaling elker wetenschap naar eene landkaart zweemt; dat ik geen’ eerbied gevoel voor denleuningstoel des denkers, een’ spiegel van het gewigtige zijner overpeinzingen; dat ik niet gaarne op mijne toonen treed, om den man niet te storen, die stiller is dan zijn zandlooper en geregelder dan zijne klok; slechts bij den schilder wensch ik niets van dat alles aan te treffen: bij hem verlang ik bet vrije en vrolijke der kunst, niet het statige en stroeve der kennis. Wilt gij het in een beeld uitgedrukt? de dartele luchtigheid van een’ vlinder en niet den nijveren ernst eener bij.

Tien tegen n, dat gij, na deze inleiding, op een uitvoerig pleidooi rekent, minder ten bewijze, dat er een onloochenbaar verband is tusschen het uiterlijke en het innerlijke van den mensch, dan ter verontschuldiging van het zinnelijk karakter des kunstenaars, ter verdediging van het oppervlakkige zijner deugden... en echter zult gij u bedrogen hebben. Ik ken geene grootere onbeleefdheid van een’ schrijver, dan dat hij, aan het hoofd van zijn verhaal, u in een kort bestek mededeelt, wat er uit te leeren valt, want hij loochent daardoor de vatbaarheid des lezers, dit zelf op te merken. Liever dan er mij in deze vlugtige schets aan schuldig te maken, verbeeld ik mij, dat gij in mijnen smaak deelt, en mij heden wel in eene burgerlijke woning aan de Groote Markt te Haarlem op een’ zo morgen van het jaar 1629 volgen wilt, Het is het huis eens schilders – het huis van Frans Hals.

Stoot u bij het binnentreden der opkamer, tot eene werkplaats voor den kunstenaar ingerigt, niet aan die potscherven, welke op onze genre-schilderijtjes zulk eene goede figuur maken noch kreun u aan dien jankenden hond, uit liefde tot de kunst in de ongemakkelijkste houding vastgebonden. Maar waarlijk, waar ik ooit aanleg toe had, niet om notaris te worden; verschoon mij dus van eene inventarisatie van den inboedel, laat mij slechts naar lust een’ oogenblik bij die voorwerpen vertoeven, welke mij het belangrijkste schijnen. Eerst bij den des meesters dan; zijn stoeltje is ledig, hij zelf afwezig; zie, het is slechts een aanleg, dat half op het doek gebragte hoofd, en toch herkent gij er reeds een dier aangezigten in, welke ik de echt Hollandsche zou willen noemen, de mannelijke bij uitstekendheid. Ik ben zeker, dat gij, als ik, geene lofspraak herhaalder malen door de vleierij hoordet verkwisten dan de uitdrukking: „er is iets geniaals in dien aanleg!” Maar, eilieve! Paste zij ooit zoo juist als bij deze afbeelding eens Hopmans? Zie, de omtrekken van wambuis, handen en beker zijn nog naauwelijks te onderscheiden, het gelaat zelf schijnt eer met de vingeren geklad, dan met een’ kwast gepenseeld, en toch, de man leeft, hij lacht u toe, al bleef dit stuk een fragment, het nageslacht zou Ripperda kennen. Maar reeds hebt gij uwe oogen elders gewend en bewondert het schitterende dier Spaansche wapenrusting, of verwondert u over het reusachtige van dien beker, welke tot uithangbord onzer Doelens had mogen strekken. Een mijner vrienden verzekert, dat de keurige wijnproevers zijn uitgestorven, met het verval van deze; wat weten wij van den geur van het druivenvocht, klaagt de epicurist, sedert ons deze niet meer uit zoo onbekrompen schalen tegenwasemt? De beantwoording dezer vraag aan de fijnheid van uw gehemelte overlatende, vergunt ge mij uwe opmerkzaamheid te vestigen op die twee schilderijtjes in gindschen hoek, hemelsbreed in doel van elkander verschillende, welke eene eigenaardige verklaring geven van de zeden van dien tijd. Het eerste doet blozen, het tweede doet bidden; dit stelt eene weenende Magdalena voor, de schoone boeteling is bijna een heilige; dt eene dansende nimf; hoe wellustig bespiedt haar die Satyr! Dezelfde hand bragt beiden op het doek, hetzelfde hoofd dacht beiden waar en fraai; en wij eischen van die hand, dat zij nooit naar verboden vruchten zal grijpen en willen dat de rede altijd het overwigt in dat hoofd behouden zal? Doch in plaats van een protocol, loop, ik gevaar eene verhandeling te schrijven; beschouw liever met mij die statelijke kleedij eener abdisse, uit het midden der zestiende eeuw. Indien zij geweten had, dat eens de schalksche kinderen der nakomelingschap den draak zouden steken met haren tooi, zij had dien met zich laten begraven. Hoe jammer zou het geweest zijn; thans diende hij ten dos van Jal, Siserah doodende; getrouwheid van kostuum moet ge bij onze schilders dier dagen niet zoeken.

De jongste der beide leerlingen, die zich in deze kamer bevonden, – en voor welke gij met mij de plaats wel zult willen ruimen, nadat zij ons zoo heusch toestonden hun vertrek te bezigtigen – de jongste die het genoemde feit uit de Bijbelsche geschiedenis schilderde, stond van achter zijnen ezel op, en sprak, terwijl hij het gelaat en den arbeid van zijn kunstbroeder gade sloeg:

„Bij gord! Adriaen! dat is eene tronij voor een’ man, die drie dagen in Jaffa lag; – vlast ge niet op de melkbaarsjes en den vogel, die Hana hiet, onae geregten van dezen noen?

„Luttel zou het mij bruijen, Dirk!” hervatte de aangesprokene, die volkomen begreep, dat de opmerking hem, en niet de boerenheks gold, die hij op het doek bragt; „luttel zou het mij bruijen, dat bij Mr. Hals schraalhans keukenmeester is, zoo zijn Klaertje...”

„Al weer den ouden deun der amoureusheid,” viel de spotter in, zijn palet weder opnemende; „dan nog liever den mijnen;” en met eene welluidende stem zong hij:

O Rinsche wijn!
Gy maekt geen flerecyn:
Ik moet, sey dat oud manneken,
Nog drinken eens een kanneken;
Ik moet, sey dat oud manneken,
Nog eensjes vrolijk zijn.”

„Likkebrors verstaan kwalijk, Dirk!” hernam de andere; „ik wilde zeggen, dat Klaertje mij huiden zoo vriendelijk aanzag, dat ik hoop voedde –”

„Zeg eens, Adriaen!” brak de andere zijne verklaring af, „gelooft ge, dat Jal Siserah vriendelijk heeft aangezien? –”

„Zie dat in de Schrift na,” viel, op zijne beurt, de verliefde in; „maar ik heb bewijzen...”

De deur der werkplaats ging open eer de zin voltooid was, eer Dirk het treffende der bewijzen had, kun’en beoordeelen; een jongen, omstreeks tien jaren oud, kwam druiloorig binnen.

„Zijn er geene nestjes meer in den Hout, Herman! of hebt gij op de Baen uwen pijlkoker blus geschoten?” riep hem de plaagzieke leerling toe, die Dirk van Daalen heette.

„Ik mogt heden niet uit trantelen gaan,” antwoordde de jongen norsch, „en nu ik mijne les ken, zendt Klaertje mij hier! de linnenwever is er.”

„Mr. Huibert?” vroeg Adriaen driftig.

„Dezelfde,” henam de jongen; „Klaertje heeft zeker iets heimelijks met hem te bespreken.”

„Bewijzen, Adriaenl” riep Dirk, en neuriede:

„Fytje Floris, mijn speulmeisje,
Wilje me na buiten gaen?”

Adriaen wenkte hem te zwijgen, en nam hem ter zijde. „Lest badt gij een’ inval als een koning, Dirk! laat er tusschen zeggen en doen geene hooge bergen liggen; de gelegenheid is te kostelijk; voor een’ zak halletjes zwijgt Herman als een mof, ik zal de wacht houden.”

„En den verspieder spelen,” fluisterde de schalk, terwijl hij, het verzoek van zijnen makker vervullende, Herman de Haarlemsche versnapering beloofde, mits deze hem eene boor bezorgde, en met den jongen de werkplaats verliet.

Oogenblikkelijk trad Adriaen Brouwer – want deze was de andere leerling – behoedzaam naar een venster, dat van opkamer in het zijvertrekje der woning uitzag, en sneed, met zijn tempermes, eene reet in het donkergroen gordijn, voor het raam opgehangen, Folterende zekerheid! daar zaten Mr. Huibert Aelbertsz, de ridder van de spoel, zoo als Adriaen hem in zijnen minnenijd doopte, en Klaertje, de achttienjarige dochter van Frans Hals, zijn meester. De kloeke jongeling, zelfs Adriaen kon zijner gestalte dien lof niet onthouden, de kloeke jongeling droeg het zware rouwgewaad van dien tijd: zijn hagelwitte halsboord stak helder af op zijnen zwarten mantel; aan de fijnheid van het linnen zoude eene huismoeder den lijwaat-damastwever herkend hebben. Dit zoude anders ook den schilder in het oog zijn gevallen; maar de jaloerschheid zegevierde over het talent: hoe ergerde het hem, dat Klaertje zich met den rug naar hem geplaatst had! Al wat hij van haar gewaar werd, waren de bruine haren, die aan het eenvoudig, maar keurig opgezet mutsje ontsnapten, en de stijfgeplooide kraag die het albast van den nek verborg. Nijdige stoel, die hen hare slanke leest onthield; wreed toeval, dat hem belette op het madonnagelaat den indruk te lezen, welken des jongelings bede op haar maakte. Want dat deze haar dringend smeekte, dat hij, ondanks al de beschroomdheid, waarmede zijne handen den breedgeranden luiphoed in duizend bogten frommelden, haar ten huwelijk gevraagd had, daarvan hield Adriaen Brouwer zich overtuigd: was hij geen schilder?

Er is een schat van levenswijsheid, in de rijmpjes onzer voorvaderen; maar wat onze jeugdige kunstenaar in zijn geheugen geprent had, niet dat, hetwelk ongeoorloofde nieuwsgierigheid met de grievendste teleurstellingen bedreigt; het raam was losgehaakt, Adriaen luisterde: „En hebt ge in al dien tijd nooit mijner gedacht, Klaertje?” vroeg Mr. Huibert.

Zijn medeminnaar neigde het oor, vergeefs; hij vernam geene sylbe: bloosde zij?

„Zie, Klaertje!” voer de jongeling voort, „schoon mijn huis overvloeide van troosters, toen mijne moeder verscheiden was, geene toespraak vermogt mij van hare kist te doen opstaan; maar vaart gij gekomen en hadt gezegd: „Huibert! ik wil uwe vrouw zijn!” ik had de doode goeden nacht gekust, ik had geweten voor wie ik verder leven zou. De breinlooze dolheid der minnaren is mij vreemd, en mijn mond weet geen laffe oorsmeekerijen voort te brengen; maar sedert ik de vrome vrouw mis, weet ik eerst hoe dier ge mij zijt. Ik had nooit eene andere lief; hoe zou ik gedacht hebben, u tegen Jannetje Gaelen of Brechtje Cornelders in de schaal te brengen? Maar toen lustige Symen-oom mij influisterde, dat Jannetje om mijnent wil de moueen zoo ondieft fraai met floerslint bestrikt had., en gulzige Gerrit-neef op het doodmaal vol bier en repje uitgalmde: dat Brechtje wel wist op wie ik de muts had, toen ging mij een licht op en zeide ik in mijn hart: „Klaertje Hals of geene!” Zeg dan nu: ja, mijne liefste! of schroomt gij het met uwe lippen te bekennen...”

Gelukkig, dat het gedruisch, veroorzaakt door het opstaan van Mr. Huibert en de afwendende beweging van het schoone Klaertje, beiden beletten de verwensching te hooren, welke Adriaea zijns ondanks uitte. Aangedaan hervatte bet meisje:

„Niet aldus, Mr. Huibert! niet aldus, ik mag uwe vrouw niet worden.”

„Hebt gij Adriaen Brouwer liever dan mij, Klaertje?”

Fij, Mr. Huibert! Fij! den loshoofd, die alle meisjes met zijne geschenken wil besteken; neen, – maar mijn vader…”

„Onze konst is ouder dan de zijne,” viel Mr. Huibert, met al de drift eens minnaars, die geene hinderpalen meer zien wil, zoodra het voorwerp zijner liefde, schoon slechts voorwaardelijk, het jawoord geeift; „onze konst is ouder dan de zijne: zoo als het rijmpje in de groote kerk zegt, floreerde de wererij al in Mozes’ tijden, en Bezaleal en Ahaliab, getrouwe dienaren door Gods geest gedreven, waren abele geesten...”

„Dat is het ook niet, Mr. Huibert!” brak Klaertje den linnenwever af, die op de eere van zijn gild zoo naijverig was, en Adriaen verbeeldde zich, dat zij het lagchend, deed; „maar vader...”

Waarom hield het meisje op!’ Adriaen begreep het niet, Mr. Huibert verstond haar. „De beurzen aller schilders,” zeide hij „zijn rijk aan vouwen en arm aan penningen, en lang, plagt mijne zalige moeder te zeggen, lang zou de boelhuistafel voor de deur van Mr. Hals gestaan hebben, zoo zijne dochter niet te zuiniger spaarde, hoe meer hij verkwist; maar zie, Klaertje! de Heere heeft mij gezegend, uw vader zal mijn vader zijn!

„Neen, Mr. Huibert! ik mag niet, – wat zou er van mijne drie broeders, – wat zou er van die arme schapen worden, zoo ik hen begaf? Ik mag niet trouwen, zoo lang deze jong...”

„En vader zoo oud. is, – dus nooit, simpele duif!” dacht Adriaen Brouwer, en lachte zijnen medeminnaar uit. Maar Mr. Huibert stelde die bedenking beter op prijs: hij bood haar aan, allen ten zijnent in te nemen, mits zonder leerling, zonder Adriaen Brouwer.

Weende Klaertje? „De nikker hale hem!” zei de schilder in zich zelven.

Zoo het meisje niet weende, staarde zij zeker vr zich op haren zilveren sleutelring, want Huibert greep hare hand – Adriaen gloeide van spijt, dat zij die niet terugtrok; een oogenblik nog, en hij zoude... daar werd, luide aan de voordeur geklopt, het verraste paar sprong op, en onze luisteraar plaatste zich weder achter zijnen ezel. Maar het penseel beefde in zijne vingeren, beide van minnenijd en van wraakzucht. Was hij; die zich beroemde alle meisjes te slim te zijn, door het golijke Klaertje bedrogen? Hij dacht aan Jal, – hij wilde, hij moest vertrekken; maar hij zoude, hij zwoer zich te wreken: waar was Dirk van Daalen?

II.

„Is Mr. Hals te huis?” vroeg, met eenigszins vreemden tongval, de bevallige man, die Klaertje voor zich zag, toen zij, nog schaamrood over het voorstel van Mr. Huibert, op het herhaald kloppen de deur opende; „is Mr. Hals te huis?”

„Zoo uwe edelheid.,” antwoordde het meisje, want met den eersten blik had zij de prachtige kleedij en het meer nog dan deze onderscheidende gelaat van den reiziger opgemerkt; „zoo uwe edelheid een oogenblik toeven wil...?

„Wie zou het niet gaarne bij u?” hernam de vreemdeling, terwijl bij den lederen handschoen uittrok en met zijne lange, blanke vingeren Klaertje op de blozende wangen tikte; „ik dacht niet dat Mr. Hals zulk eene jonge, mooije vrouw had.”

„Ik ben zijne dochter, uwe edelheid” hernam Klaertje.

„Wees zoo goed uwen vader te doen roepen,” antwoordde haar gast, en zoo er een lachje om zijne zwarte, naar Spaansche wijze omgebogen knevels had gezweefd, toen de bekoorlijke maagd hem verraste, er was waardigheid in den toon, waarop hij die woorden uitsprak. De weder aangetrokken handschoen verdween onder de plooijen van den fluweelen mantel, dien de vreemdeling, trotsch als een vorst, om zijne schouderen sloeg. „Ik wensch gekonterfeit te worden door Mr. Hals,” voegde hij er bij; „een paar uren is al de tijd, die mij overschiet.”

Half bedremmeld wilde Klaertje hem in het zijvertrek een’ stoel aanbieden. „Zie ik ginder de werkplaats niet?” – vraagde de vreemde; „laat mij dr, ik ben een liefhebber der kunst.”

Adriaen en Dirk – de lezer vermoedt het – waren nergens te vinden; Klaertje moest zoowel den reiziger als Mr. Huibert alleen laten, om Herman te roepen. Ware dit haar minste bezwaar geweest! In welken toestand zoude haar te huis komen? Hadrianus Junius klaagde in zijnen tijd, volgens de Beschrijvinge en de Lof der Stad Haerlem, dat de groote kerk aldaar door menigvuldige tavernen omringd werd of, zoo als het in de vertaling van zijn vers luidt:

De Ariadnes-kroon die Bacchus heeft verheven
Ten teyken in de locht met lichten een en seven,
    Heeft so veel sterren niet, als in het ronde perk
    Herbergen by ons syn aen onze Groote Kerk,
Herbergen, daer de luy met spyze zich versaden,
Herbergen, daer de luy met dranck sich overladen.
    Haen, Treck-net, Meremin, Vlies, Tempe, Engelsman,
    De Wereld, menig Leeu, ’t komt hier op een niet an;

 

en voegt er, zonderling genoeg voor iemand, die in den avond zijns levens slechts te gaarne een glaasje raapte, bij:

Siet vom de vrese Gods zoo veele hinderstaken,
Om in des Heerna kerk niet wel te konnen raken:
    So word de snip de vloeg, so word den visch het net,
    So word het arme wild het loose strick gezet.

 

Het zoude een belangijk onderzoek voor een’ oudheidkenner zijn, in hoe ver Hadrianus Junius nooit in de buurt kerk over zijn bier raakte; het is onze taak te getuigen, dat het er in Klaertjes dagen aan de groote markt te Haarlem niet beter uitzag; Samuel Ampzing verhaalt ons:

Nu syn ’t de Gulde Druyf, het Vliee, de Pellikaen,
De Reyger, ’t Spijkervat, de Rijnstroom en de Haen.

Onder deze was de Gulden Druyf de lievelingswijk van Frans Hals, een der grootste kunstenaars van zijnen tijd, wiens gebreken... Doch waartoe over zijn karakter uit te weiden, daar wij hem zelven voor den lezer moeten opvoeren?

Klaertje! Klaertje!” gromde hij, terwijl hij met onwissen stap de trappen naar zijne werkplaats opstrompelde; zondt ge Herman niet met een haastigheid, of de bare duivel in huis was gekomen, om u weg te pakken? Weet ge dan niet, kind!t dat er twee dingen zijn, die voor alle gaan, het uitspelen van het tiktak en bet legen van den kroes?

De schijf verdwaelt
En de wijn verschraelt!”

zegt het rijmpje.”

Het meisje zuchtte; haars vaders rijmlust was een onfeilbaar teeken zijner beschonkenheid.

Maer de schout en de zorgen,
Laat wachten tot morgen.”

voer Hals voort; al was zijne Exeellentie zelf uit den Hage gekomen!

Leeg moet de fluit
En ’t spelletje uit.”

Doch de Prins wil alleen door van Dijck worden gekonterfeit; als waren wij niet abel genoeg!”

Met deze woorden was de meester op de werkplaats gekomen. De droes! – waar zijn de vogels?” riep hij; maar, den vreemdeling gewaar wordende, ligtte hij zijn mutsje en het op dronkemans wijze tegen den zolder.

Wat wenscht gij, Mijnheer!” vroeg hij met koddige bedaardheid, daar de reiziger, zijn’ hoed met pluimen afnemende hem door zijnen ernst onwillekeurig eerbied inboezende. Deze uitte eene pligtpleging; hij verlangde zijn afbeeldsel van, zoo vermaard meester; hij kon slechts twee uren vertoeven.

Voor een Heer van ’t Hof
Naar de nieuwste snof
Is Hals te grof;”

neuriede de meester, terwijl hij de kwasten gadesloeg, die van de knien des jonkers – want dit scheen de vreemdeling – affladderden. Maar een wenk van Klaertje deed hem een schoon doek op den ezel plaatsen, en op een’ anderen toon voer voort, den omtrek van het gelaat met krijt schetsende:

„Vermaard! zegt uwe edelheid. Maar vermaardheid, wat baat ze? Zoo de kunst voor het minst rijk maakte! Al wat ik haar dank weet, is: niet van gebrek om te komen. Wellligt het zoo best voor mij, want de beker zou niet van mijne pen en het verkeerbord niet uit mijne hand zijn, wanneer zoo rijk was als Rubens.

„Jong trouwen.
Lang rouwen;”

daar hebt ge den sleutel mijner armoede; – nu houden mijne kinderen mij de noppen van het lijf.”

En een ruwe lach schaterde door de werkplaats. Maar de vreemdeling sloeg minder acht op den vader, dan op de dochter, – het arme Klaertje wischte zich met haar voorschoot een’ traan uit hare oogen.

„Want uwe oogen van mijn Klaertje,
Zij gelijkt mij op een haertje;”

voer Frans Hals voort. „Een lief ding; h? de ele meid, verdient een baas van een’ vrijer. Ge zult er een’ hebben, kind! te avond, of morgen komt er wel een wakkere lansk... Maar neen, Mijnheer! als ge zoo norsch blijft zien, staak ik den arbeid. Zoo is het beter, bij St. Rombout, mijn patroon van het ouwe geloof! Ge wilt gekonterfeit worden van een’ vermaard meester, en op het minste onvertogen woord fronst ge uw voorhoofd in rimpels als waart gij een haan van het nieuwe, op een’ preekstoel geklommen, om de luchtige kunstbroeders door te halen.”

Klaertje had zich bescheiden verwijderd. „Zeker zou de kunst nog hooger worden geacht, Mr. Hals!” merkte de vreemdeling aan, „indien de meesters meer eerbiedenis hadden voor zich zelven.”

„Eerbiedenis voor een’ schilder, h! h! uwe edelheid komt uit verre landen, als ik aan hare zonderlinge uitspraak bemerke. Eerbiedenis voor een’ schilder, wie heeft ze hier? De jolyselijke gezellen uit de Gulden Druyf, misschien ja, de waardinne, die mij den kerfstaf schonk, omdat ik haar zulk een verweend fraai uithangbord, schilderde; zij weten, dat de kunst van Mr. Hals meer kan, dan trocenten en passedijsen. Maar de liefhebbers der kunst, zoo als zij heeten, botte zuurmuilen, op wier aangezigt men eene schepenkennis van den dood leest, die hunne pokdalige tronie op het doek laten brengen, opdat hunne kindskinderen zouden kunnen zien, welk een bijtebaauw hunne grootvader was, zij eerbiedenis voor een schilder? Eerbiedenis voor hun geld, Mijnheer! ja, dt heeft de gansche wereld. – Hier te lande heet het niet: wat kan de man? – maar: wat weegt de man? Hij staat voor geen ton op, en alle hoeden vliegen af; zoo ik mijnen kinderen er elk een kon geven, ik zat reeds op het kusseN! Waarom zou ik het wenschen? Hetzij ik peuselaer drink of malvezij, mijn leven is een leven van jolijt, en ik zegge met den poet van de Quicken:

„Als ghy van de doodt zult zijn verbeten,
Dan sal men u lichaem niet meer toemeten,
Dan alleen een plaetse van seven voeten;
Dus als ghy by u vrienden...”

 

„Liefken! zeit de poet, maar er zijn graauwe haren in mijn’ baard, en dat vrijt niet wel; ook was ik nooit een muscadijn voor de meisjes.

„Dus als ghy by u vrieuden zijt gheseten,
Wilt maken goedt chier met drincken en eten,
Met dansen, met boerten, met spelen en toeten.
Waerom wilt ghy so neerstig wroeten,
Om wijsheyt te leeren, of rijckdom te verwerven?
Solon en Cresus zijn doodt, en ghy moet sterven.”

 

„Lacy! ja,” hernam de vreemdeling; „maar de vermaardheid, die gij u bij alle volgende geslachten verwerven kunt .”

Frans Hals grimlachte en staarde den spreker aan; – de vijfenveertigjarige meester, wiens gelaat in schoonheid oorspronkelijk naar dat van Bacchus gezweemd had, die nu op Silenus begon te gelijken, – wien gij eer overvloed van gezondheid, gebrek aan levensgeesten hadt toegeschreven, beschouwde aandachtig de trekken van den man, die hem op de onsterflijkheid wees. En wel mogt hij dit. Het hooge voorhoofd van den vreemdeling was nog ongerimpeld, maar geene raafzwarte lokken overschaduwden zijne slapen meer; er tintelde nog vuur uit de donkere oogen, maar de blos was van zijne wangen geweken, en de mond, tot kussen gevormd,, scheen hoekig geworden van gepeins. Zijner fraaie gestalte bad iets kwijnends door hare tengerheid; boette hij wellust of eerzucht: waarom had de adem van den herfst zoo vroeg de kroon van den jeugdigen eik doen verdorren? Frans Hals dacht aan het hof, en antwoordde al schilderende:

„Ik weet niet wie ge zijt, Mijnheer!, maar gij hebt er luttel voor over onsterfelijk te worden, want ge kondt mij slechts twee uren gunnen, om u te konterfeiten.”

„Zoo uw penseel mij leven doet, het is slechts eene geschonkene en geene verworvene onsterfelijkheid, Mr. Hals!”

„Ik verwed er mijn beste schilderij onder, dat gij er van uw leven meer voor gedaan hebt dan pluimstrijken en kniebuigen, hoe hoofsch gij er uitziet;” hernam Frans trouwhartig; „en toch hebt gij niets van de wolvenwreedheid eens krijgers of de vossenlist van een’ staatsman.”

De vreemdeling lachte: „Voor het minst ben ik vrij van het ongeduld. van den eene.”

„En van het knipoogen van den andere,” hernam de schilder. „Maar ik ben fluks gereed; nu moet er het kennelijke van den meester nog in.”

Eenige toetsen, welker geheim niet geleerd wordt, en Frans Hals sprong van zijn stoeltje op, en verzocht den vreemdeling te komen zien, of hij hem getroffen had.

„Bravo, Meester!” riep de hoofsche gast; „de waardinne uit de Gulden Druyf heeft te regt geoordeeld, dat eene schilderij van uwe hand alle kerfstokken ter wereld opwoog; wanneer ik de kunst verstond als gij, ik zoude in een jaar rijk zijn.”

„Leer het,” zeide de meester, „trek die mooije plunje uit, werp die kanten lubben weg...”

„En waarom?”’ viel de vreemdeling in, „wie weet wat ik geleerd heb van het u te zien doen? – Uwe beurt, bid ik, ga zitten.”

„Zou het een koddige broeder van den gilde zijn? of een liefhebber, die, trots zijn zuur gezigt, van potsen houdt?” dacht Hals, terwijl hij met den vreemdeling van plaats wisselde, en deze palet en penseelen greep, Maar neen, het was geen brekebeen in de kunst: die verbazende vlugheid, waarbij de zijne niet halen mogt, die stand, welke den meester verried, die blos op de kaken teruggeroepen, dat kunstenaarsgevoel uit zijne groote oogen sprekende! Frans Hals zag het naauwelijks, of bij waardeerde het ook, hij wilde opstaan

„Fij! doe voor mijn geduld, niet onder,” riep de vreemdling; „ik laat nooit mijn werk zien eer het voltooid, dat wil zeggen, werk van anderen aard.”

Een vierde uurs arbeid, en Frans Hals werd op zijne beurt verzocht achter den ezel te komen, Maar zoo de hoofsche gast zijn stuk had bewonderd, verrassing en verbazing deden thans den meester aan woorden ontbreken. Zeide hij toen: „Welk eene edelheid in de omtrekken, welk eene waarheid van koloriet?” – Neen, Lezer! hij staarde den gewaanden jonker aan, verbleekte en gilde in hartstogtelijke vervoering uit:

„Gij zijt van Dijck, Mijnheer! ge zijt van Dijck; niemand ter wereld kan u dat nadoen, laat staan verbeteren!”

Overstelpt van verrukking sloot Frans Hals zijne grove armen om den hals van zijnen gast, en kuste hem, dat het klapte. Er was hartelijke gemeenzaamheid, ja, maar ook eerbiedige bewondering in dien kus; en Anthonie van Dijck, de gunsteling van Karel I, de vriend van den even trotschen als hoofschen Buckingham, van Dijck, die reeds aan het statelijk en prachtig Engelsche hof de wereld gevonden had, welke zijn genie verlangde, wees hem niet af. In Italie was vergetelheid zijn lot geweest; in Vlaanderen had men hem, ondanks zijne vriendschap voor Rubbens, om den wil van dezen miskend, de sombere Stuart had hem jagthonden, dwergen en rijpaarden geschonken, en overlaadde hem met ridderordes; deze zegepraal vergoedde vergetelheid en miskenning, en was streelender dan lofspraak van een’ monarch, of de vleijerijen zijner hofdames; een der oorspronkelijkste genin van zijnen tijd huldigde hem als zijn’ meester!

„Adriaen! Adriaen! Dirk en Julfus! komt hier, om van Dijck te zien!” riep Frans Hals, en de leerlingen stoven binnen, gevolgd door Klaertje, schreijende en ontdaan:

„Vader! Elze-moei heeft eene beroerte gebegen, zij verlangt mij te spreken...”

„De Hemel geve haar eene bedaring, kind! Heden is van Dijck hier, ik doe vandaag niets dan op zijne behouden reize drinken.”

III.

Wanneer onze voorvaderen uit de zeventiende eeuw den lof van den Haarlemmer Hout vermelden, hoe geheel anders stoffeeren zij dien, als de Amsterdamsche groote wereld het thans elken Zondagmorgen, als er muzijk in het bosch is, zijn statelijk geboomte pleegt te doen. Muzijk in het bosch! Welk eene aanmatiging der kunst, welk eene dwaasheid! In onze dagen beklaagt men u, wanneer gij geen oor hebt voor vedelgekras of hoorngeschetter; met welk een’ medelijdenden blik zoude het voorgeslacht den man hebben aangestaard, voor wien de wildzang van het gevogelte, het loflied van den morgen, de minneklagt van den avond, al het bekoorlijke hadden verloren; wij genieten het schoon der natuur zoo kunstmatig mogelijk. Eene wolk van stof gaat; voor ons uit, en eene wolk van stof zweeft ons na, wanneer wij op vollen middag in den Hout aankomen. Ziet gij onze weelderige rossen niet? gij duizelt, zoo gij op het rollen onzer wielen staart. – Er zijn liefelijker plekken in het bosch dan die baan aan den grooten weg. Maar zoude iemand dr onze darnes zien? – zoo wij ons daar nederzetten,wie zou weten, dat wij buiten zijn geweest? O, zucht te worden opgemerkt, vroeger den bedachtzamen Hollander zoo vreemd, hoe is ons karakter verkeerd., sedert gij algemeener werdt dan de zucht tot opmerking, weleer een onderscheidende trek van onzen volksgeest!

Veelligt zult ge mij van grilligheid beschuldigen, zoo ik u heden in den Hout van dien tijd. verplaatse, en u echter in haar, die gij er volgen zult, geene proeve aanbiede van dien lust tot opmerken. Maar beslis zelf, of Klaertje Hals in haren toestand er zich in vermeiden kon, hier een jeugdig paar gade te slaan in het liefelijke avonduur, onder de hooge lommer ronddolende, dr een gezin te verrassen, dat zich ter zijde van die wiegelende elzentakken op eene bemoste plek had nedergevlijd! Er sprak dichterlijke aanleg uit den blik, waarmede de oudste knaap, op het gras uitgestrekt, de flikkering der laatste, roode zonnestralen bespiedde, door het groene gordijn heenschitterende; er was levenslust in het meisje, op de knie van haren vader dartelende; er blonk stille, huisselijke zaligheid op het gelaat der moeder, die het avondmaal uit de mand te voorschijn haalde, en den kroes voor haren gade vulde; – maar het arme Klaertje had er geene oogen voor: dacht slechts aan Elze-moei en aan – aan Mr. Huibert.

De vreugde over van Dijck’s onverwacht en verrassend bezoek, – het bezit der guinjes door hem met kwistige hand onder de knapen van Hals uitgedeeld, en van deze tegen geschenken en lekkernijen door Mr. Frans ingewisseld; de voorkomende beleefdheid der waardin uit de Gulden Druyf, – de hartelijke vrolijkheid der lustige gezellen, dit alles had haren vader het berigt van de krankte doen vergeten; hij was inderdaad bezig op de behouden reize zijns kunstbroeders te drinken. Vergeefs had Klaertje hem verzocht eenige dier goudstukgen te bewaren, vergeefs hem gebeden, haar bij het ziekbed van de nige zuster zijner vrouw te vergezellen – het konde haar doodbed zijn! Voor een oogenblik, ja! hadden hare woorden eenigen indruk gemaakt; maar hoe snel was deze uitgewischt door een’ veelbeteekenenden glimlach van Dirk van Daalen. „Ge zoudt mij onder weg met Huibert Aelbertz. aan boord komen,” had haar vader geantwoord, „kies een lid van onze bent, kind, en ik zal ja zeggen.” En Klaertje bloosde – wie had haar geheim verraden? En Klaertje weende – wat zoude zij te avond Mr. Huibert antwoorden? – en Klaertje ging – Elze-moei was haar eene andere moeder geweest.

Wanneer er tranen in onze oogen drijven en het leed ons hart beklemt, is er iets vertroostends in den aanblik der schoone natuur; de plegtige stilte van den avond vooral stemt ons tot kalme berusting; het bitter gemor lost zich in somberen weemoed op. Maar Klaertje had veel gebeden en nooit gemord, zij was het kind des tegenspoeds, en nimmer had zij der geluksgodin ongeduldig toegeroepen: „Wordt het nooit mijne beurt, wat toefdet gij lang!” En echter was deze haar dien morgen verschenen; Mr. Huibert wilde haar gelukkig maken – zij zou het hem kunnen doen – hoe stak de rust van het landschap bij den strijd, in haar binnenste af! Voor het eerst stonden pligt en neiging in het argeloos gemoed, der achttienjarige tegen elkander over. „Ware ik niet zonder toestemming mijner ouders gehijlikt!” had Klaertjes moeder in hare slepende ziekte haar zoo dikwijls gewaarschuwd; en zij, zoude zij de haren van haren vader voor den tijd doen vergrijzen? Half onderworpen, half biddende, vervolgde zij met gebukten hoofde haren weg; toen zij het droevig gelaat uit den tweestrijd opligtte, was er een jongeling aan hare zijde: „Adriaen!” riep zij met onwillekeurigen schrik.

„Adriaen Brouwer! het jonge loshoofd, dat het vrome Klaetje te leep was,” antwoordde de jeugdige schilder, terwijl hij haren arm onder den zijnen nam en de verbaasde een zijpad deed inslaan.

„Wat wilt gij, Adriaen?” kreet de onnoozele.

„O, er zijn meer middelen,” hernam de jongeling, „een kus van een preutschen mon’d te winnen, dan de maagd met geschenken te besteken. Ik zeg niet: volg mij, zoo ge mij lief hebt, want dan gingt gij naar Mr. Huibert toe; maar, volg mij en ge zult mij lief hebben, – de min doet wonderen, Klaertje!”
„Laat mij los!’ riep het meisje, „ik moet naar Elze-moei!

„Zij is beter, Klaertje! ik was er fluks – zij is wel,” hervatte de jongeling, en voer voort, dewijl zij hem ongeloovig aanzag; „hare krankte was een verdichtsel, opdat ik gelegenheid hebben mogt...”

Adriaen hield op; hij voelde, hoe Klaertje in zijne armen sidderde; medelijdend zette hij haar op eene bank neder, en plaatste zich naast haar:

„Wees niet toornig, Klaertje-lief! dat mijne min die list baat nam; indien n van ons beiden regt heeft toornig te zijn, heb ik het. Was het niet om den wil uwer schoone oogen, dat ik mij zoo lang de luimen van Mr. Hals getroostte? Zaagt ge niet, dat alleen uw glimlach mij het sobere maal in vaders huis boven den disch van een’ Schepen deed achten? Ontgaan kon het u niet, dat mijne tronie ophelderde, als op de werkplaats kwaamt, en echter – zult gij zeggen – trokt gij steeds uwe hand terug als ik die grijpen wilde, en weigerdet gij uit het Boertig Liedeboeck te zingen, wen ik u de luite gaf. Zie, daarom verliet ik onlangs uwe woning, uwe stuurschheid had mij tot wanhoop gebragt; ik raasde drie dagen en drie nachten. Toen ik uitgeraasd had., minde ik u meer dan ooit te voren. Vonkelende oogen en veile kussen, wat waren zij bij den golijken opslag uwer kijkers, bij het liefelijk rood uwer ongerepte lippen; hoe arm scheen mij het wulpsch genot bij den glans uwer onschuld! Moedeloos was ik, aan den avond van den derden dag, de kerk ingeslenterd; tegen een’ pilaar neergevlijd, leende ik het orgelmuzijk, dat gc burgers vermaakte, een achteloos oor; maar allengs was het of de toonen mij tot boete en berouw stemden. Zoo Klaertje het mij vergeven kon! dacht ik. En geen half uur verliep, of Dirk van Daalen stond voor mij; hij zeide mij, dat ge om mij treurdet; sprak hij waarheid?”

Even bedroefd als verschrikt had Klaertje die zonderlinge verklaring aangehoord. Ernstig hernam zij: „En waart gij den breeden weg niet opgesneld., die ten verderve leidt?”

„Wel stroef, maar niet teeder,” voer Adriaen voort, „is die weerklank op mijne bekentenis; gij moest er u op verhoovaardigen, dat gij den knaap boeijen kondt, wien vrouw noch meisje, uwe stugheid uitgezonderd, ooit stuursch aanzag. Ik vleide mij, dat gij er trotsch op waart, toen ik op nieuw vlijtig voor Mr. Hals arbeidde, en gij allengs weder het vriendelijke Klaertje werdt, die mij het goud deed minachten, dat uw vader van mijn penseel trok. O, ik kan niet gelooven, dat ik mij in die hoop bedrogen heb, want nog heden voer ik u met mij –”

„Adriaen!” riep Klaertje, schichtig opspringende; „wat ik niemand nog bekend. heb, verheel ik u niet, ik heb Huibert lief!”

„Olie in het vuur!” hervatte de jongeling. „Als ik u te Amsterdam heb, zult gij hem vergeten –”

„Nooit,” zeide Klaertje, met afgrijzen den kus, dien hij haar geven wilde, ontwijkende.

„Hoe blooder hoe zoeter,” vervolgde Adriaen, „gij zult eene getrouwe vrouw wezen.”

„Uw vrouw noch uw boeltje...”

„Foei, Klaertje! ik heb mij gebeterd –”

„Er wassen wrange vruchten aan den boom uwer bekeering,” viel het meisje in, zijne poging, haar mede te voeren werstrevende; „maar dezen gruwel zult gij niet plegen – een Magtiger dan ik zal het verhoeden!” den blik vol vertrouwen ten hemel slaande. Was het ernst, waarmede zij die woorden uitsprak, was het eene betere gedachte, die in Adriaen Brouwer rees, welke hem aan de plek scheen te boeijen? „O mijn God!” voer Klaertje op den toon der innigste overtuiging voort: o mijn God! nu dank ik u in het leed te zijn opgewassen, en het brood der smarte te hebben gegeten, dat mij u openbaarde. Gij hebt mijne krachten geschraagd, als mijne zwakheid te kort schoot; gij hebt redding aangebragt, als de nood geene hoop overliet: waarom zou ik wanhopen in dezen vreeslijken toestand? Gij zijt mij nabij!”

En de handen vouwende vlood. zij niet weg, maar bad in stilte, schoon Adriaens arm haar losliet.

„Vergeef mij, Klaertje!” borst hij geroerd uit, „ik wil uw ongeluk niet!”

„Uwe driften zullen uw eigen ongeluk berokkenen, Adriaen! Reeds zijt gij een slaaf uwer kwade begeerten –”

„Maar ik kan geen’ afstand van u doen, Klaertje!”

„Gij zult het?” sprak de stem van een’ derde; „een schilder moet de wereld zien, de kunst eischt vrijheid.”

Verschrikt zagen beiden, Adriaen en Klaertje, om; de man die hen naderde, was niemand anders dan Anthonie van Dijck.

„Vergeef mij,” zeide hij, „bekoord, door de schoonheid dit bosch, doolde ik onder het hoog geboomte rond, en werd onwillig getuige van een tooneel, dat mij te sterk aan een voorval uit mijne jeugd herinnerde om terug te treden, toen uw angstkreet, lief Klaertje! mij uit mijne mijmering wekte. En waarom zou ik dit voor u verzwijgen, Adriaen!”’ voer de beroemde meester voort; „gij hebt grooten aanleg voor het pepseeel, mogt mijn raad u nuttig wezen! Ik heb u niet genoeg beluisterd, om te weten of de omstandighehen dezelfde zijn; maar op uwe jaren had ik lief als gij; Magdalena beminde mij weder! Rubbens scheidde ons – Magdalena’s onschuld werd gered, mij wilde hij voor de kunst behouden; hij bedroog zich, toen hij waande mijn geluk te hebben verzekerd.”

„Ge zijt de eerste schilder van het Britsche Rijk!” viel Adriaen Brouwer in, terwijl Klaertje met deelneming den peinzenden meester aanstaarde.

„Rubbens is de eerste schilder der wereld!” hernam van Dijck, zonder eenigen naijver. „Maar het was niet dat, wat ik bedoelde, – toen ik Magdalena onlangs weder zag, bloosde ik voor haar; uit de oogen der gelukkige moeder straalde mij de reinheid. toe, die Raphals vrouwen ook zonder gloriekrans verengelt. Wat was er van mij geworden? De herfst van den meester beschaamde de lente des leerlings. Zoo Rubbens strenger tuchtroede gebezigd had! Grij, Adriaen! zijt eerst aan den ingang uwer loopbaan, ik spoed de mijne ten einde; overwin uwe ligtzinnigheid.”

Bijlo!” viel Adriaen Brouwer in; „als het berouw zoo zuur ziet, zal ik het tot St. Jutmus uitstellen.”

Van Dijck zuchtte.

„Klaertje heeft het op hare rekening,” voer de leerling van Frans Hals voort, „dat ik een wildzang worde als zij een’ ander neemt.”

„Maar gij zult er voor boeten,” sprak Van Dijck, op den toon der sombere ervaring, „en het slechts u zelven wijten, wanneer ge later te vergeefs uwe verkwiste jeugd voor al uwe schatten zoudt willen herroepen. Doch wat raad ik u? Sloeg ik zelf, minder luchtig van aard, dan gij, niet Rubbens’ waarschuwingen in den wind? Ons lot staat in de starren geschreven en het is ligter den steen der wijzen te vinden, of het geheim der alchymie te ontdetken, dan...”

„God te bidden en ijverig te streven naar beterschap!” dacht Klaertje luide, en was verlegen toen zij het gezegd had.

„Hoezeer ge mijne lieve Magdalena gelijkt!” zeide Van Dijck, getroffen hare hand nemend „Kom mede, kind! heeft de eene zoon der kunst u heden bitter bedroefd, de andere zal u eene bruidschat geven.”

„In het schilderen doe ik voor u onder, in grootmoedigheid niet,” voerde Adriaen Brouwer Van Dijck toe; „Klaertje! uw vader zal dezen avond nog in uw huwelijk met Huibert stemmen, de grap zal onbetaalbaar wezen.”

„En morgen reist gij naar Antwerpen, jonge vriend!” voegde van Dijck er bij, „met eene aanbeveling aan Rubbens. Mogt gij van hem leeren, hoe men braaf en beroemd, goed en groot tevens kan zijn!”

„En hoe men, als weeuwenaar van twee en vijftig jaren, een meisje van nog geen zestien vrijt,” schertste Brouwer.

„Schalk!” zeide van Dijck, het hoofd, schuddende.

„Die schilders! die schilders!” dacht Klaertje in zich zelve; „met al zijne gebreken is mijn vader nog de ergste niet!”

IV.

„Ruimte, jongens! Ruimte!” beval Mr. Frans Hals zijnen leerlingen, toen hij, in den avond van denzelfden dag, uit de Gulden Druyf te huis kwam. „Waarom maakt ge geen ruim baan voor den generaal der W. I. compagnie?”

„Hij verbeeldt zich weder Piet Hein te wezen,” beet Dirk van Daalen zijn’ jongsten makker in het oor.

„Ik heb het bed in de kajuit gespreid,” verzekerde deze.

„Wentlende baren schuur zachter den steven
Van mijn besuckte zilveren vloot,”

hernam de meester, heen en weder slingerende als een schip in volle zee.

„Ik heb er de fluweelen deken van den grande van Spanje opgelegd, en het ruikt naar ambra en musceliaat...”

Doch eer Julfus Dorrevelt, zoo heette de jongeling, de beschrijving dier slaapkoets geindigd had, greep Frans Hals hem bij den kraag en rijmde in zijnen waan voort:

Heisa, trompetterken! waarom en blaasje niet
Als jy het puik van ons lands Admiralen ziet?”

„Leg den wijsvinger aan zijn’ neus en hij zal toeten,” fluisterde Dirk van Daalen.

„Trompetgeschal zou den Hollandschen Jason in zijne ruste storen...” begon Adriaen Brouwer een deftige redevoeriog.

Grammercy voor den titel!” viel Frans Hals in; „mijn vader was eeri haringreeder te Delfshaven, – of een dienaar van de sacristy te Mechelen – wie weet regt wie zijn vader is? – maar hij droomde nooit, dat zijn zoon zulk een sinjeur zou worden. En hoe ijdel, jongens! is echter alle grootheid – na mijne victorie speelt de wijn zoo goed de baas over mij als vroeger. Stuurman, ik verlang naat kooi!”

Dirk van Daalen nam hem onder den arm, en leidde hem zijn slaapvertrek binnen, terwijl hij uit zijn lievelingsliedje neuriede:

„De Rinsche wijn is veel te goed,
Waerom zou zy bederven ’t bloed?
Trararum, trararum,
Een glas gelijk een olyphant...”

 

Met luider stem eindigden meester en leerling het couplet; wij laten het den vindingrijken geest onzer lezers over, laatsten regel te raden. Indien Dirk er door bedoeld had Frans Hals op nieuw dorst te doen krijgen, bereikte hij zijn doel volkomen; want toen de vrolijke schilder zich half op zijn ledikant had nedergevlijd, eischte hij met de woorden van Roemer Visscher:

Laet wijntgen halen, doet eijeren pellen,
Met suyker en caneel om candeel te brouwen.

Adriaen Brouwer beloofde, dat hij, als zijn schenker, er voor zorgen zou, en verwijderde zich. Toen ligtten de overige drie leerlingen – n’ van hen Jaep Proper, lieten wij, om zijne onbeduidendheid, tot nog toe in de schaduw, – den hoed van de donkere lokken van Frans Hals af.

Meer eerbiedenis,”, riep hij, „voor het hoofddeksel, dat Francisco de Buena Vida zelfs bij zijne Catholijke Majesteit op zijne kale kruin liet zitten.”

„Als het dezelfde hoed is., Admiraal!” merkte Julfus Dorrevelt aan, „dan is hij nu in zijne nadagen; want de uitdraagster Maleyeren geeft er geen’ halven daalder voor.”

„Wie waagt het mijne schoenen uit te trekken! ik moet nog dansen,” viel de meester met al de grilligheid van een dronkaard in:

Het dansen scherpt de memory van binnen,
’t Maakt voorzichtich verstant en snelle sinnen.”

„Dan hebt ge zeker een ganscben avond gedanst,” zeide Dirk van Daalen. „Maar waar is uw gouden halsketting?’

„My heeft zy vergeten,
Al hield zy mijn keten,”

antwoordde de meester.

„Wie?” vroeg de leerling.

„Honderd gulden voor haer bouwen,
Zestien, voor satynen mouwen,
En een keurs van root scharlaken,
Zou dat ook geen honderd maken?

 

„Uw liefje moet overdadig kostelijk gekleed zijn geweest,” hernam Dirk van Daalen, „en waar vondt gij het zoetertje?”

„Donna Francesca, een voorbeeld van gracy,
Donna Francesca, een voorbeed van stacy,
Donna Francesca, waar ’k lieflijk voor lij’ –”

Frans Hals hield op. – „Ga voort,” bad de leerling, terwijl hij hem zijn wambuis uittrok.

„Schenk my nog eens van dijn malvezy!”

„Dacht ik het uiet?” zei Dirk, „de oude likkebror zou weer boven komen.”

Maar het was of Frans Hals, door zijne herinneringen overmeesterd, de aanemerking niet gehoord, had; onwillekeurig voer hij voort:

„Ouderdom maekt trage stappen,
Maer Don Roque is op de trappen.”

„En wat sou hij?”

Donna Francesca, waer zijn mijn schoenen? –
Donna Francesca, waer is mijn zwaard?”

En hij maakte eene onrustige beweging met, handen en voeten, als had hij het laatste willen grijpen en de eerste willen aantrekken.

„Noodt gy dus gasten op mijn venezoenen?
Noodt gy ze op wijn voor mijn lippen gespaard?”

 

En als ware hij eensklaps overgegaan de rol van Don Roque te spelen, greep hij Julfus Dorrevelt in zijn krullend haar; de jongen schreeuwde en lachte te gelijk. – Jammer van de klucht, kwam Adriaen Brouwer op hetzelfde oogenblik binnen en bood hem de verzochte kandeel aan.

„Admiraal?” zeide hij, „proef, of ik waard ben uw schenker te wezen.”

Frans Hals glimlachte, maar Dirk van Daalen fluisterde hem eenige woorden in het oor; zij schenen een’ diepen indruk, op zijn verward hoofd te maken; hij nam den beker aan, – dronk dien niet uit:

„Honderd gulden voor uw bouwen,
En ik kon u niet vertrouwen,
Zou ik zonder arg te denken,
Drinken wat gy my woudt schenken!”

en naauwelijks was het rijmpje gesproken, of de kandeel vloog Adriaen Brouwer in het gezicht.

Julfus en Dirk schaterden van lagchen; maar Jaep Proper begon eene ernstige rede tegen den meester, terwijl Brouwer zijn gezigt afwaschte. Ik zou hem in dien zonderlingen toestand uitvoerig teekenen, indien ik het talent van Godfried Schalken bezat, om struif te schilderen.

Het was er verre van, dat het proper manneken, Cicero welsprekendheid evenaarde, en echter hebben alle Temperance-Societies ter wereld reden, om het verlies van Jaep’s aanspraak te betreuren; want binnen tien minuten deed hij zijn’ meester allengs bedaard – weemoedig – ja nog iets meer dan dit worden; – wat, moge den Lezer blijken uit het gegrom Frans Hals, vroom durf ik het niet noemen.

„Wel ben ik een groot zondaar, Jaep! maar uwe hand, zal nooit rotten. – Klinkende oorvijgen en scherpe redenen op een pas – St. Lucas vergeve het u! – en bezoeke u in uw’ ouden dag met een’ leerling als gij zijt, – maar ik heb het verdiend – ik ben een groot zondaar!”

Er werd luide aan de voordeur geklopt; Adriaen Brouwer en Dirk van Daalen spoedden zich die te openen; Jaep en Julfus werden naar boven gezonden.

Het was Mr. Huibert, die naar Klaertje Hals vroeg; de jonge lieden verzekerden, dat zij weldra te huis zoude, komen.

Toen zij met hem in het zijvertrek hadden plaats genomen, sprak Adriaen Brouwer:

„De aloudheid, roemt de grootmoedigheid van Scipio, Mr. Huibert! den Romeinschen veldheer, die, toen hij Numantia veroverd had, eene bekoorlijke maagd, die zijn hart had ingenomen, ongerept aan haren bruidegom afstond.”

De eerlijke wever zette groote oogen op.

„Maar heden,” voer de jeugdige schilder voort, „zult gij getuige zijn van nog sterker grootmoedigheid; want Adriaen Brouwer zal u de toestemming van Mr. Hals bezorgen voor uw huwelijk met Klaertje, onder ne voorwaarde...”

„Dat ik u in huis neme ?”
Dirk van Daalen glimlachte; maar de schilder hervatte:

„Ik reis morgen naar Antwerpen, en dus hebt gij misgeraden; maar al gaf ik u tijd tot morgen, ge zoudt gissen en missen zonder ophouden,– dat gij heden avond voor engel Gabril speelt.”

„Twee tegen n is oneven!” hervatte de wever; „maar ik heb ongelijker kans gewaagd, zoo gij den draak met mij wilt steken...”

„Dit briefje van Klaertje overtuige u.”

Mr. Huibert las het. „Weet zij, welke klucht ge spelen wilt?” vroeg hij.

„Zoo zij in zulke streken behagen schepte en de grap overlegd, had,” antwoordde Dirk van Dalen, „zoude zij vrolijken den Adriaen en niet den eerzamen Huibert gekozen hebben!”

„Waar zijn de vleugelen, waar is het zwaard, Dirk?” riep Brouwer, terwijl hij Mr. Huibert voorbeeldeloos snel in een wit laken wikkelde.

„Hier,” antwoordde zijn makker, en paste den verbaasde wever de wassen wieken aan, en gaf hem het blinkende lemmer.

„Zoodra ik u binnen leide hebt gij slechts na te zeggen wat ik u zal influisteren,” zeide Adriaen, en beide leerlingen spoedden zich naar de achterkamer, op eenigen afstand door Mr. Huibert gevolgd.

Het was doodstil in het ruime vertrek, dat zoo even het gesnap van den meester en het gelach der jonge lieden weergalmd had; de gordijnen waren voor het ledekant digtgeschoven; was Frans Hals reeds in slaap gevallen. Neen, geen geronk deed zich hooren. Maar, luister, sprak daar niet iemand? Ja, het was de weerklank der redevoering van Jaep Proper; – de meester bad in koddige vroombeid:

„Lieve Heer, haal mij vroeg in uwen hoogen Hemel!” – Het zware ledekant kraakte – wat beduidde dat? het bewoog zich ongetwijfeld – het rees naar boven.

„Zoo haastig niet, Lieve Heer! zoo haastig niet!” riep Hals met luider stem; hoe had hij zich zoo kunnen overijlen!

Maar het rees al hooger en hooger, – de kunstenaar leek den man in de fabel, die den Dood riep – doch er niemand, van wien hij zeggen kon: „daar ligt hij achter, de gordijnen, die u, geroopen heeft.”

„Zoo haastig niet!” bad hij vuriger. Het gebed was vergeefs; doch eensklaps schitterde de kamer van licht.

„Wie is daar ?” fluisterck Frans Hals, sidderende als een espenblad.

Geen antwoord.

„Wie is daar?” riep hij zich vermannende en staarde door eene reet der gordijnen; hij zag, de hemel zij geloofd! het was geen geraamte, hij zag eene witte gestalte met vlammende vleugelen; Dirk van Daalen had de laatste niet vergeefs met terpentijn bestreken.

„Ik ben de engel Gabril.”

„Voer mij nog niet naar boven, lieve engel Gabril! De glans uwer stralen verblindt mij; ik ben een groot zondaar.”

De engel bewaarde een diep stilzwijgen.

„Ik zal Rijnschen noch Franschen wijn meer drinken, en, als men mij Malvezij aanbiedt, om Peuselaer vragen; laat mij tijd, om mij te verbeteren!”

„Het is niet genoeg, Hals!”

„En wat moet ik meer doen, lieve engel Gabril? Spreek! Spreek!”

Het ledikant rees al hooger.

„Gij moet uwe dochter geven...”

„Aan Adriaen Brouwer?”

„Aan Mr. Huibert, den ridder van de spoel!”

„Ik zal het, ik zweer het, bij St. Rombout en St. Lucas! Maar ik zou, niet meer zweren noch drinken!”

„Houdt woord,, Hals!”

„Ik zal het, lieve engel Gabril! Maar laat mij dalen, laat mij dalen!”

Een zware slag – een dof gesis – een onaangename reuk, en het ledekant stond weder op den grond, en de engel Gabril was verdwenen, en de schaterende leerlingen vlogen naar de werkplaats, waar Mr. Huibert Klaertje aantrof. Onder weg had, Dirk van Daalen hem van zijn zwaard., zijne wieken, en het doornat geworden opperkleed ontdaan.

„Wat was dat?” riep het beangste Klaertje, toen zij binnrntraden; „Mr. Huibert! wat is er met mijn’ vader gebeurd? Adriaen had mij opgesloten...”

„Uw vader heeft zijne toestemming tot uw huwelijk gegeven antwoordde Brouwer haar. „Mr. Huibert zal het mij niet euvel duiden,” voegde hij er bij, „dat ik te avond nog deze woning verlaat; de engel Gabril mogt ook mij verschijnen.”

En eer Huibert het verhinderen kon, kuste hij Klaertje vaarwel, en snelde met Dirk en Julfus naar de Gulden Druyf – het afscheidsmaal was er besteld. Maar de minnenden begaven zich naar de kamer van Mr. Hals, die naauwelijks zijnen schrik bekomen was. „Geef mij eenig drinken, kind!” vroeg hij zijne dochter; „doch geen Peuzelaer! de engel hoort het immers niet?”

De linnenwever kon zich niet werhouden te lagchen; Jaep Proper, die hen op de teenen gevolgd was, mompelde: „Ongeneeslijk!”

Zes weken later, toen Huibert en Klaertje bruiloft hield, herhaalde hij nog eenmaal die woorden, terwijl hij, met Julfus Dorrevelt, Frans Hals naar bed droeg. „Ongeneeslijk, als van Dijck en Brouwer, Jaep!” hernam zijn makker; „maar die nog leven zullen, als wij vergeten zijn! – wij zijn in alles middelmatig.”

de Gids, 1837.