E.J. POTGIETER (1808 – 1875)

HANNA

(EEN STUDIE-BEELD UIT HET VOLKSLEVEN.)

Het was zaturdagavond vr Kerstijd, en in eene kleine woning op Katten-, Oosten- of Wittenburg, te Amsterdam, lag, in een spaarzaam verlicht slaapvertrek, het woord Gods opgeslagen op de tafel. Eene jonge vrouw, die er in hare eenzaamheid opbeuring, troost, licht in zocht, staakte onwillekeurig de lezing, toen haar blik op de woorden rustte:

„Als sy nu de sterre sagen, verheugden sy haar met seer groote vreugde.”

Waarom schemerde het der peinzende?

Zie, het was niet, dewijl eene door smaak noch studie bestierde verbeelding wieken aanschoot, en zich de Oostersche Monarchen voorstelde, in al de pracht, waarmede de Italiaansche schilderschool hen heeft uitgedost, verbaasd, dat het schitterend luchtverschijnsel stille bleef staan boven eene nederige woning. En echter, verre, zeer verre van haar, n de zin voor het gemoedelijke, waarmede Bendemann ons met de Wijzen uit het Oosten in vast vertrouwen voort doet trekken, n de zin voor het verhevene, waarmede Vondel deze, in zijn bekend meesterstuk, het goddelijk Kind laat aanbidden. We zijn noodeloos hoog gesteigerd. Het was iets eenvoudigers, iets vrouwelijks, iets kinderlijks schier, dat haar schreijen deed; iets, dat u en mij, – laat ons het bekennen – ook is wervaren, wanneer wij, in verslagenheid des harten, der Heilige Schrift het oor leenden, en een zweem van gelijkenis, eene flaauwe analogie tusschen beide toestanden, de voorstelling vergeten deed, dewijl indruk of schok ons onwillekeurig in het tegenwoordige overbragt. We zagen op, of wij zuchtten, – een oogenblikkelijk gevoel, dat vele woorden zou hebben vereischt, indien wij het aan een’ derde hadden willen verklaren, – een wensch, dien God verhoorde of vergaf. Om tot onze lezeres terug te keeren, de verrassing der vreugde, in de aangehaalde woorden zoo aandoenlijk uitgedrukt, trof haar diep: eensklaps werd zij te moede, als zag zij, tegen de graauwe winterlucht van den oostelijken hemel des IJstrooms, een wit zeil opdoemen, en eene diepe ademhaling vertolkte de bede:

„O, hoe blijde zou ik zijn!”

Moge mijn aanhef u niet allen lust tot verdere kennismaking hebben benomen! Immers, ik voorzie, dat ik zoo voorhoofdfronsing als schouderophaling te tarten heb, wanneer ik u die jonge vrouw, wanneer ik u Hanna vr twaalf of vijftien jaren voorstelle, Aalmoezeniersweeze als zij was, – vondelinge, die in haar kleed het bewijs omdroeg, dat hare moeder haar van zich had gestooten, zoodra zij het licht zag; dat haar vader er zich welligt nooit over had bekreund, of zij bestond. Waarom zou ik het uwer kieschheid euvel duiden, dat zij zich aan de figuur ergert, schoon mij de proefneming aanlacht, u te overtuigen, hoe weinig wat gij het gemeenate leven heet, het goede, het schoone zelfs buiten sluit? Slechts nog n trek, welke der afzigtelijke wereld toebehoort, die mij niet minder walgt dan u; slechts nog n trek, en ik zal uwer verfijnde zenuwen geen geweld meer aandoen: Hanna was in het huis gelukkig, schier bij uitzondering gelukkig te prijzen, daar de onnoozele ten minste in geen ziekelijk ligchaam de onverdiende straffe droeg der uitspattingen, der losbandigheid van hen, wier lust, niet wier liefde, haar in het leven riep. Schoonheid was haar deel. Stellig hebt gij in dichterlijke droomen dikwijls van de onwederstaanbare heerschappij gelezen, welke deze uitoefent, maar er in de werkelijke wereld schaars treffender blijk van gezien dan dat, waardoor hare lieve heldere kijkers, haar golijk-mooi gezigtje soms voorbijgangers of toeschouwers verraste. Dr stoven zij aan, op gracht of plein, de knapen uit het Diaconie-huis, de knapen, onwillekeurig nog vermetel op hunne betrekking tot de weleer heerschende kerk; – dr ontmoetten zij haar, de burgerweezen, de jongens, die zich thans op hunne broederschap met van Speyk te goed doen, en wl mogen zij het; – dr omringden beiden haar, de eersten in hunne geestelijke, de laatsten in hunne stedelijke liverei, en deze als gene, verwaten op dien dos, zoo als alle onderscheidene kleederdragt het maakt dr, zagen de wilden de gesmade Aalmoezeniersweeze vr zich. Een gejoel ging op, het schimpwoord kwam op de lip pen – maar wat was hen? Hoerenkind! Hoerenkind! – waarom bestierf het, eer het werd geuit? Geene bedenking” hoe leelijk het hun zou staan, vaderen moederloozen als zij waren, eene nog ongelukkiger, verlatener weeze dan zij, te smalen, geene bedenking van dien aard, welke hen werhield. Wat zich ook in onze weeshuizen ontwikkelt, de kweekelingen uit dezen blijven meestal vreemd aan die teederheid des harten, den kinderen in de nieuwjaarsversjes onzer poten toegedicht – ook valt zij naauwelijks te vergen, waar het lot in de prilste jeugd zelfstandigheid tot voorwaarde van bestaan maakt. Het was dat echt-hollandsch-mooije, die blanke wangen, waaraan de roos hare schoonste tinten schijnt te hebben geleend, die liefelijke oogjes, wier blaauwe helderheid vrede ‘ en vreugde verkondigt, het was de schoonheid, die overwon.

„Eene knappe meid!” zei de oudste.

„Het arme kind!” zei de jongste.

En zij gingen verder, – want ge treft naauwelijks n’ schalk aan onder tien schreeuwers.

En echter, niet minder dan of zij haar wreed hadden uitgescholden en ruw hadden bejegend, met minder betrok bij zulke tooneelen dat gezigtje, ‘t welk slechts behoefde te zijn gezien om te worden gespaard: die kinders hadden hunne ouders gekend, zij wisten ten minste wie zij geweest waren, – zij konden hunner in liefde gedenken. Zij, daarentegen!... En waarom ook zij niet? – Voortreffelijke Hanna! – eer de jaren der huwbaarheid aanbraken, waren de geheimen der kunnen haar ontsluijerd; maar niet door overprikkelde nieuwsgierigheid, niet door dartelen lust, niet door wulpschen zin. Smartende distels en weedoende doorns hadden haar die kennis ingescherpt. Onder de schepselen welke onze beschaving, onze zedelijkheid, ons christendom op de hoeken onzer straten en stegen duldt, ouder die schepselen kon hare moeder schuilen, – en wie weet, welk voorbijganger haar vader was? – Voortreffelijke Hanna! herhaal ik. Vraag mij niet, hoe zij tot die waarlijk menschelijke, tot die echt kinderlijke, tot die vrome beschouwing van haren toestand en dien harer moeder gekomen was; maar in het Huis werd de bijbel gelezen, en het woord van Hem, wiens uitspraken licht en liefde zijn. Het woord: „Wie van u zonder zonde is, werpe den eersten steen op haar!” was balsem geweest voor haar gekrenkt gemoed; het bragt verzoening te weeg. En, zonderlinge zegen in strafheid, in miskenning, in onregtvaardigheid bedeeld! – de verwijten, bij welke zij de onschuld harer gedachten had ingeboet, maar door wie zij tevens in de kennis met wapenen was toegerust – zij behielden haar in de ure der verzoeking, toen zij dienstbare geworden was in eene aanzienlijke woning, en de verleiding haar aanlokte, niet slechts in den glans van goud, maar ook in den bloei der jeugd. Hare moeder stond haar voor den geest; – hare moeder, die eens onbevlekt was geweest als zij; hare moeder, die misschien viel, dewijl ze niet gewaarschuwd was, – hare moeder, die mogelijk op dat oogenblik een leven van zonde op een leger van smarte boette. Herinnerde deze zich harer, wenschte zij haar bij zich? O, de tranen, welke er langs Hanna’s wangen vloten, dewijl ze haar in dien jammer niet bij konde staan, dewijl zij het kussen van de stervende niet zacht mogt schudden, dewijl ze haar niet zeggen mogt, hoe van harte zij vergaf, dat, wieg en kreb, en bete en dronk, haar zoo hard, haar zoo karig gegund, haar zoo bitter waren geweest, dewijl ze haar niet goeden nacht mogt kussen en vergeving afsmeeken van Hem, wiens vergeving wij allen behoeven – die tranen, dat haar vader ze hadde gezien! Handwerksman – winkelier – ambtenaar – beursganger – weledelgeborene – of wat hij zij of was – God slechts kent hem – God slechts weet het – hij had zich voor zijne onechte dochter geschaamd, en hare knien aangegrepen, zoo als de schuldige het die des monarch doet, wiens woord genade verleent. Of ik zou wenschen, dat er voor den onmensch geen leven n dit leven ware!

Ziedaar, wat er soms onder een kornetje schuilt.

Willen wij Hanna voort laten mijmeren, voort laten lezen? Harer is eene smarte, welke het toch niet in onze magt staat te verzachten. Ook heb ik haar u als jonge vrouw voorgesteld; ook ben ik u nog de vertelling harer vrijerij schuldig.

Welaan dan!

Dikwijls ben ik er getuige van geweest, dat menschen van hoogeren stand er zich over verbaasden, hoe geringe lieden zoo spoedig kennis maken, en in eenige oogenblikken onder elkander niet slechts gemeenzaam, maar zelfs vertrouwelijk worden. Ei lieve, wat vreemds steekt er in? Verre van mij ditmaal uit te varen tegen het weinig toeschietelijke der zeden van onzen fatsoenlijken kring. Het is de schaduwzijde onzer huiselijkheid, wier zachte glans minder zou uitkomen zonder deze, al gaat het ons soms bij haar als bij Rembrandt’s schilderijen: jammer, dat die groep niet even mooi zou zijn, zonder dat donker. Stil, geene heiligschennis! En ten einde wij niet afdwalen, wat wagen dienstbaren met hunne openhartigheid? armoede is aller lot. Verblijdt er u over, zoo dikwijls u een trek uit het volksleven verrast, met een blijk, dat wederzijdsche, belangelooze welwillendheid, onder onze mindere standen, ondanks hunne behoeften, groot, zeer groot is, – zoo dikwijls hunne onderlinge hulpvaardigheid mij en u beschaamt – ik heb er de Hollandsche, de Amsterdamsche gemeente te liever om.

Geen half jaar had Hanna nog op een der grachten van de hoofdstad gediend, of niet alleen haar groet werd beantwoord, maar hare toespraak uitgelokt; maar hare geschiedenis, droevig en kort als die was, melijdend aangehoord door eene oudere dienstmaagd, wier portret gij zelve teekenen moogt.

„Kind,” zei Machteld, „als je wilt, ik zal de hand aan je houden, of ik je moeder was.”

Dat was een hartelijk woord in haren toestand; Hanna sprongen de tranen in de oogen. Zoo was er dan iemand, die haar lief had, haar, de verlatene! Want al was zij de sombere vlagen te boven, in welke zij al hare godsdienst behoefde, om het lot, haar door den Hemelschen Vader beschikt, niet hard te vinden, er kwamen oogenblikken, waarin zij slechts al te zeer gevoelde, wat zij er in miste, „niet van eerlijk volk” te zijn. Geene jeugd, geen vrouwelijk gemoed, geene edele ziel, of zij voorgevoelt het geluk bemind te worden, de weelde lief te hebben!

„Als er geene smet op die meid rustte,” zei Jan, de koetsier, „dan zou zij al lang een flinken vrijer hebben gehad.”

„Ik zal krijgen wat mij opgelegd is,” antwoordde Hanna, die de opmerking hoorde. Maar de predestinatie was kranke troost.

Het is waar, oude Machteld beweerde: „Hanna, ik ben nooit gehijlikt geweest, en ik heb er nooit over gekniesd; met Mei zal ik op het hotje een kippetjes leven leiden, kind! wie wl doet, wl ontmoet;” maar onze kennis, zij werlegde, noch zij beaamde die woorden. Zij beloofde slechts hare moederlijke vriendin trouw te zullen bezoeken, als deze op hare muiltjes zoude gaan.

En woord hield zij, toen de tijd gekomen was, woord, iederen uitgaansdag. Het was lief te zien, hoe langzaam zij met de vrouw, die krukte, toen zij uit de drukte was, de binnenplaats van het gesticht om, en nog eens omwandelde, en stoel en stoof buiten in het zonnetje zette, den rug naar het licht, en het kussen haalde, en de steken in het breiwerk opnam, en de luimen vierde, welke de best zoo goed had, als wij allen die met hare jaren en kwalen hebben zouden. – Hoe wist Hanna zich, uren lang, in de stille wereld te voegen, die wereld te onzent voor den ouden dag geschapen: eene lieve, zindelijke woning, een bleekveld en een tuintje, geenerlei onbevredigde behoeften, en het genot dier weldaden verhoogd door storelooze rust – of zoo deze wordt afgewisseld, dan slechts door die soort van gezelligheid, welke den grijze het liefste is, een praatje over het verledene, een praatje met eene dankbare betuiging besloten.

Het was avond in den vrwinter, acht of negen jaren geleden; de kat bakerde zich bij den kleinen haard, en het bestje mogt zoo zeggen, Hanna was bij haar:

„Kom, kind, lees mij eens wat goeds voor. Of het aan de letters, of aan mijn’ bril, of aan mijne oogen schort, ik weet het niet, maar als ik het zelve doe, het gaat niet meer.”

En Hanna knipte de zilveren krappen open, en las.....

Maar wie trok daar zoo hevig de klink van de voordeur des: gestichts op? – maar wie stapte daar zoo driftig over de gele klinkers van den binnenhof? – maar wie.... ja, hij moest aan het huisje van oude Machteld zijn, zij zelve hoorde het duidelijk, ‘t was als kende zij die stem!

„Moesje! Moesje!” riep de borst, die al binnen was eer Machteld haar vermoeden aan Hanna had medegedeeld, en de armen van zijn kabaaitje om de smalle schouders der oude sloeg. Poes, die verschrikt onder de bedstede vlugtte, Poes, die hij zwaaijende langs was gestoven, Poes werd vergeten: er schoten waterlanders van onder Machteld’s grijze wimpers, bij de tehuiskomst van den zoon eener veel jongere, vroeg verscheidene zuster. Het bestje – ik zeide het reeds vroeger – het bestje was nooit getrouwd geweest; zij had, zoo als zij Hanna diets wou maken, zelfs nooit gevrijd; maar des ondanks had Machteld, zoo als Beets fraai heeft gezegd, „de melk toch in het bloed,” en haar gevoel had hare groene jeugd overleefd.

„Dag, mooije meid?” voer de pikbroek voort, want dat was hij, en hield Hanna om haar middel gevat, en gaf haar een’ kus, die klonk als eene klok, eer zij het hoofdje kon afwenden. De Hollandsche jongen had zoo lang zwarte nikkertjes gezien, dat hij gaarne ieder blank meisje zou hebben gekust.

„Bart! Bart!” riep Machteld. Het werd eene predicatie, als had zij geen’ zeerob maar een’ wever tot neef gehad. Janmaat zou er zich geene zier om hebben bekreund, was Hanna niet zoo spoedig opgestapt,. had Hanna maar van tehuisbrengen willen hooren!

„Toch niet,” ze ze, vrij streng; en toen hij alevel opsprong, oef! toen had dat mooije gezichtje eene waardigheid – die Bart overtuigde, dat de gelegenheid voor dolle grappen met de zwarte nikkers vervlogen was.

En echter, lief meisje, dat zulke manieren onbeschaamd vindt, al ergert gij er u aan tot kleurens toe, echter ging Bart – geen ligt matroos, maar iemand, die na nog eene reize uitkijk had derde stuurman te worden – echter ging Bart niet weder naar het zeeregt ter monstering, of, zonder dat Hanna er een woord van gerept had tegen oude Machteld, werd zij op een’ Zondag avond te huis gebracht door iemand, wiens gang verkondigde, dat het dek zijn vloer was geweest, wiens hoed op n haartje stond, wiens halsdoek fladderde.

„Schel nog niet aan!” bad hij; maar het handje was aan den knop, en de schreeuwleelijkert ging over.

„God zij met je!” snikte Hanna.

Daar deed de kameraad haar open.

„Wel, meid, wat is je muts verfomfaaid en wat zien je oogen rood – waait het zoo?” vroeg de schalke deern, als had zij niemand gehoord, niemand gezien, als wendde Hanna niet nog eens het hoofd naar die donkere gestalte aan de waterzij, als knikte zij niet.

En toch, lief meisje, dat mij leest, toch zoudt gij Hanna ik zeg niet de zwakheid jegens Bart, maar de onopregtheid tegenover Machteld hebben vergeven, als ge veertien dagen later haar door de oude de les hadt hooren lezen over hare geheimhouding. „Waar het hart vol van is, loopt de mond van over, kind!” zei Machteld; „het was Bart niet mogelijk te zwijgen, dat je beloofd hebt je vr zijne terugkomst niet te zullen verzeggen.” En misschien hadt gij Machteld lief gekregen, toen zij Hanna dochter noemde, bij de verontschuldiging van deze:

„Wist ik dan of gij er niets tegen zoudt hebben? Machteld, moederlief! Bart, zeidet gij altoos, Bart had geen matroos behoeven te worden, als een mensch zijn zin niet een mensch zijn leven was; en ik ben maar –”

Inderdaad, ik had mijn opstel wel het lezende vrouwtje mogen betitelen, zoo weinig gang is er in – nog altijd brandt de lamp, nog altijd staart zij voort – maar wees gerust, wij naderen het sombere heden toch. Een woord slechts over den jongsten Sint Nicolaas, en we zijn er.

O mijne broeders van den gilde, die, op den avond van dat feest, welligt naar iets piquants, iets nieuws, iets schoons hoop ik gezocht hebt, hetzij in het gewoel van de Kalverstraat, waar het weder, veroorlooft mij de uitdrukking, pure perte een grijnend gezigt zette, – hetzij in de woning eens vriends, wiens aanvallige kinderen door Ter Haar verdienden te worden geschetst, – gij die luisterdet en toezaagt, maar geen treffend onderwerp vondt, neen, alle toestanden behandeld, versleten, afgezaagd scholdt, – het is mij dikwijls als u gegaan. Dat gij Hanna hadt ontmoet, dat gij in hare ziel hadt kunnen lezen! Welligt zijt gij haar roer langs het lijf gesneld, welligt merktet gij haar niet eens op, – bovendien, wien onzer is de gave bedeeld, onder zoo armelijke plunje den schat van waarachtig gevoel te zien, welken zij dikwijls verheelt? Het vrouwtje – gij vermoedt reeds dat zij met Bart trouwde, cela va sans dire, – het vrouwtje zocht haren weg door den mist, terwijl hare verbeelding de weergalooze helderheid vao. eene keerkringsnacht om zich zag. De tegenstelling luidt sterk; maar, wat mooijer is, zij is waar ook.

Hoe had Bart haar den luister dier gezegende luchtstreek beschreven, toen hij, van een’ derden togt naar Indi teruggekeerd, haar verraste, een kind, een knaap aan de borst!

Zie, ik mag haar in dien toestand niet voorbij zien, al ben ik u de verklaring schuldig, wat hem bewoog van een’ nacht onder dien schitterenden hemel op te halen; waarom zij juist toen dat tooneel gedacht. – Hoe beminnelijk zag zij er uit, Hanna met lot en leven verzoend, Hanna de vrouw, Hanna de moeder, Hanna, die nu niet langer geloofde, dat de hare heur wichtje, haar zelve van zich had gestooten! Het te vondeling leggen was een gruwel der baker geweest, die de moeder zeker had diets gemaakt, dat haar kind dood geboren was. En nu Bart, die schreide, zoo als een man schreijen mag, van weelde, van verrukking, van zaligheid, bij liet zien van zijn evenbeeld, van zijn kind, dat Niet bang scheen voor zijne ruwe handen, dat niet wegkroop voor zijn’ harigen kus, dat hem de armpjes toestak!

Hanna’s gemoed, zeide ik, was vol van den keerkringsnacht. Of had Bart haar dien, in zijne kunstelooze, maar waarachtige pozij des harten, niet beschreven, zoo als lucht en zee er uitzagen, toen hij met een’ braven ouden matroos aan den steven stond te praten? Deze had afgezien naar de stille zee, en opgezien naar den stillen hemel, „die zoo wl bij elkander pasten,” zei Bart, in zijnen eenvoud, „licht beneden, licht boven, licht rondom ons.”

„Stuurman,” had Jaap, de oude matroos, gezegd, sis het geene afschaduwing des hemels? Ik zou niet vreemd opzien, als mijn Guurtje mij in de eeuwigheid in zulk een licht te gemoet kwam.” –

Guurtje was ‘s mans mooije dochter, aan de tering gestorven. En Bart’ – woeste, wilde natuur als hij was, had den oude willen afschepen met een: „Wat schort je, paai?” maar zijne stem was in zijne keel blijven steken. Dien ganschen dag, had hij Hanna verzekerd, was hij reeds angstig te moede geweest, al wist hij niet waarom; immers het schip liep als een pijl uit een’ boog, en aan zijn werk haperde geen zier. Maar bij die woorden van den oude was hem het hart week in het lijf geworden; hij had Hanna voor zich meenen te zien, stervende....

En het eene woord van den ouden matroos had het andere uitgelokt; maar laat ons Bart zelven laten spreken”

„En ik vertelde hem hoe goed wij het hadden – hoe lief ik jou heb; dat behoefde ik hem niet te zeggen, hij had het wel gehoord, toen ik zoo angstig uitriep: „Jaap, als haar uurtje eens geslagen is!” – want ik maakte er voor hem geen geheim van, dat je mij, vr ik heenging, zei, dat je geloofde....

Weet je nog, Hanna, dat de tranen jou in de oogen kwamen, toen ik bij jou haperen een’ voet van den grond sprong, en hoe je mij zei, dat ik altijd zou mogen denken, dat ik je gelukkig had gemaakt, als ik je eena niet weer zag? Toen wou ik er niet van hooren, dat je sterven zoudt; toen beloofde ik jou, dat ik je hoornen en schelpen mee zou brengen voor den kleinen Bart, – den kleinen Bart! daar is hij waarachtig? – o wat een jongen! hij grijnt niet, als zijn vader hem zoent! Hier, Hanna! ik moet jou ook eens kussen: het was „man!” toen ik weg ging, nu ia ket: „vartje!” – Maar in den nacht, waarvan ik sprak, toen was die man een kind; zie, de datum heugt mij nog, het was de vierentwintigste September. –”

„Toen ben ik bevallen, Bart!”

„Dacht ik het niet al,” zei oude Jaap, „dat het bijgeloof was?” „Stuurman,” zei hij, „ik ben geen fijmelaar; maar was ik jou, ik ging naar mijne kooi, en ik deed een gebed, dat zal je lucht geven.” En, Hanna – gelooven moet jij het, want je weet, ik geef me niet beter dan ik ben – al kon ik in de kerk den domin meestal in het bidden niet volgen, ook al jookten mij geene wilde haren onder den neus, wijl die mannen zulk een’ schat van mooije woorden hebben, in dat gebed liepen mijne gedachten mijnen woorden vooruit. „Onze Lieve Heer zal er wel wijs uit worden”, zei ik, toen ik snikkende „Amen!” sprak, „en er voor haar wel bij zorgen,” want ik had Machteld-moei in mijn gebed vergeten, de sloof, die mij bidden heeft geleerd – ik vergat haar om jou.”

Stel u eens voor, hoe Hanna Bart bij die woorden aanzag! „En de Heer heeft mijn gebed verhoord; dat doet Hij altijd, als wij maar vurig bidden,” voegde de gelukkige echtgenoot en vader er bij; doch hier ook braken Hanna’s herinneringen op dien Sint-Nicolaasavond af. De woorden van ouden Jaap, welke Bart er, in den overmoed zijns geluks, zoo achteloos op had laten volgen: „Tenzij het beter voor ons is, dat Hij ons de bede weigere, – zoo als Hij mij het sterfbed van mijn Guurtje deed, die ik niet weer zal zien, vr in de eeuwigheid –” die woorden gingen te loor in een’ zucht.

En waarom?

Helaas! door den mist heen zag zij in het dok hier en daar licht op de schepen, – maar zijn schip, waar was het? Had zij dan niet vurig gebeden?

Foei, dier verbijsterende gedachten mogt zij niet toegeven. Hare kindertjes, – hun was sedert ook een dochtertje geboren, – hare kindertjes verbeidden haar te huis; de bloeden moesten toch eene kleinigheid hebben, al was haar hart meer voor rouw dan voor pret gestemd. Voort dan, voort! Daar was zij aan het winkeltje, waarin die weew Sint Nicolaasgoed verkocht. Bij wie anders zou zij het halen dan bij die vrouw, welke zoo sober rondkwam, die weew!....

Het schip was al twee maanden over den tijd uitgebleven! En van Sint Nicolaas-avond tot den avond vr Kerstijd zijn negentien dagen, negentien nachten, wier legte slechts zij kent, die wacht.

Lees voort, Hanna, lees voort!Wat zoudt gij beter doen?

Een Oost-Indievaarder op de kust is een belangrijk nieuws; want aan honderd derzulken hangt het lot van duizenden en tienduizenden, hangt schier het lot van ons volk. Als hij Texel is binnengeloodsd, dan stort hij zijn’ hoorn des overvloeds in den schoot van het dankbare vaderland leeg. Welligt brengt hij de laatste vurig verbeide tijdingen uit het gewest, waarin schier elk tegenwoordig betrekkingen of bloedverwanten heeft, en zijne lading onderhoudt onze gemeenschap met alle deelen der wereld. Wees geprezen, eiland der eilanden, dat rijken beschaamt! Of verdringt niet de Java-koffij alle andere? – de tallooze soorten der West-Indin in Europa, – de Mocka bij Tartaar en Turk? – Of kruiden, van het eene schiereiland tot het andere, kruiden, beide Spanje en Zweden, hunne geregten niet met onzen nageloogst? Of is er negus voor den Yankee zonder den geur onzer Molukken! – Laat Duitschland stoffen op zijne bietekroten, n Oost-Zee n Zwarte Zee begroeten om strijd koffen en brikken met de gelouterde suiker van Java beladen. Willen wij voortvaren op dien toon? Het tin onzer bezittingen ziedt in al de smeltkroezen van het vaste land, en de Java-indigo leent zoowel het gewaad der blanke dochteren van het Noorden als dat der bruine schoonen van het Zuiden zijne frissche kleur. Doch voltooi zelf de aangelegde schets: voorzeker, een Oost Indievaarder, die te huis komt, is een verheugend, een verheffend schouwspel, door den voorspoed des lands, de welvaart des volks er aan verknocht!

Helaas, dat ik u de keerzijde van den penning moet laten zien: een schip van Java verbeid, doch dat uitblijft, – langer dan andere, te gelijk afgezeilde, – – weken, maanden langer dan eenige later vertrokkene en toch reeds aangekomene bodems, – welke geheel verschillende gewaarwordingen wekt het op, – welk leed berokkent het! Het onthoudt, – zie eens, hoe aller belangen zaamgeschakeld zijn in ons burgerlijk landje! – het onthoudt zoo vele handen der smalle gemeente dagen lang werk, aan zoo vele monden dagen lang brood! Het schijnt eene streep te zullen maken door de rekening van de werf, waarop het zou zijn gekalefaterd, – het dreigt eene winstderving te worden voor makelaars en kooplieden, die de carga reeds opsomden, ieder voor zich een zooveelste. Het jaagt de vreeze voor een aanzienlijk verlies in het hart der verzekeraars, onder welke er zijn, wier evenaar wankel genoeg staat zonder dit gewigt in de kwade schaal, – en het is een doorn in het vleesch der directeuren van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, wier raming er door gestoord, wier schikking er door belemmerd wordt. We zijn er nog niet! Het ontrust tot de ministers van kolonin en van financin, tot de hoogste ambtenaren der kroon toe; want wie hunner mag onverschillig zijn voor iets dat op de kaai, in het dok, aan de beurs, schrik en angst verspreidt? Den koning der Nederlanden, zou ik schier durven zeggen; gaat het lot van zulk een’ bodem ter harte! Want de wortels der eeuwenheugende eiken, waaruit hij is opgebouwd, schaduwden, door hun omgrijpen en uitschieten, in de wouden en op het gebergte, slechts flaauwelijk de duizende slagaderen des maatschappelijken levens af, waarme het in aanraking kwam, waarin het greep, toen het op het Y vlagge en wimpels zwierde, – luister onzer handelsvloot, als het was! – die het zal kwetsen en stremmen, wanneer het nooit uit den schoot der wateren wer opdaagt, beladen als het werd met de weelde van het Oost!

En sla nu dat blad vol onheilspellende cijfers eens digt, en waag een’ blik op het lot van hen, die, droomende van vaderland, vrienden, vrouw welligt, op dien bodem, onder stormenzwangeren hemel, in stik donkeren nacht, misschien eensklaps den dood voor oogen zien; – of uren, dagen lang, beurtelings door hoop en vrees gefolterd, op eenen oceaan ronddrijven, slechts verlicht, ten einde ze zijne onmetelijkheid zouden erkennen, en het wanhopig makende ijdele gevoelen der hersenschim van redding, waarmede een enkele hunner zich nog vleit. O, de rust in den schoot der wateren is verkieslijk boven de verlenging van zulken angst! – en „de barmhartigheden des Heeren gaan over alle Zijne werken!” op het vuur en in den vloed, voor tijd en eeuwigheid, – dat staat tot onze vertroosting geschreven. Vertroosting? Ach, hunne betrekkingen, – ach, mijne Hanna!

Hooger lof heb ik voor onzen volksaard, voor de ontwikkeling der weeze, voor hare vroomheid niet, dan de betrekkelijke kalmte waarin ik u haar schilderen mogt. Hoe verheven schijnt ze mij! Een beeld uit den vreemde zou de diepte des gevoels aanduiden, door den waanzin, waarin het onderging, – en echter, hoe hoog Hanna boven die hartstogtelijkheid sta, het ware der waarheid geweld aandoen, zoo ik het menschelijke verzweeg. Opgerezen uit haren stoel, heeft zij den Bijbel digtgeslagen, en ging zij naar het wiegje in gindschen hoek, en ligtte het kleed behoedzaam ter zijde, – haar dochtertje sliep gerust. „God zal deernis hebben met hare onsehuld!” zeide zij.

En nu, daar leunt zij tegen de kribbe van haren eerstgeborene van haren Bart, – wat aarzelt gij? – Eer zij het hoofd op haar slapeloos kussen ner kan vlijen, moet zij hem toch even zien, hem, zijn vaders evenbeeld. Verduisterd door tranen, als ze zijn, laat zij hare oogen lang op hem rusten. Wraak het, zoo gij durft, dat de wensch haar op de lippen komt: „Och, dat hij klopte!”

Hoe zij luistert!

Vergeefs!

„Ik zal morgen opgaan, – of God mijn geduld, mijn geloof versterken wil!”

Doe het, Hanna! Martelaresse als gij waart in uwe geboorte, martelaresse als gij dreigt te worden in den echt, doe het! En welke hoofden er zich buigen mogen, – aanzienlijken en armen, gevierden en geringen – allen, die u kennen, zullen bidden, dat op het uwe het eerst het licht dale, dat van boven is. Want wien onzer zal het zoo zwaar vallen, zich zelven te verloochenen, als gij het u zult doen in het berustende:

„Uw wille geschiede!”

1843.