E.J. POTGIETER (1808-1875)

DE HOEVE.

NAAR AANLEIDING VAN EENE SCHILDERIJ VAN

ARY SCHEFFER.

Er is veel getwist, aan welke der beide groote schilderscholen de eerepalm moet worden toegekend: aan haar, die slechts het oog wil bevredigen, of aan haar, die ook den geest wil bezig houden; – aan haar, die zieh met eene getrouwe afbeelding der natuur vergenoegt, die het dagelijksche, ja zelfs het gemeene leven niet beneden haar penseel acht, of aan haar, die louter schoone, liever nog gedealiseerde toestanden op het doek brengt: aan de Italiaansche of san, de Ne derlandsche schilderschool. Wij scheppen weinig behagen in dergelijke spelingen des vernufts, die schaars tot eene bevredigende uitkomst leiden, dewijl de regters, hoe ge de vierschaar spannen moogt, meestal vonnis wijzen naar de hemelstreek, waaronder zij het daglicht sagen. En toch: zijn wij het niet met hen eens, die beweren, dat deze vraag even dwaas mag heeten, als honderd andere, over verscheiden schoon, bij voorbeeld, wie beminnelijker is, eene blondine of eene brunette, – wat schooner is, een geurig oranjeboschje, of een huivrend dennenwoud? Het gevoelen over de eerste hangt af van elks bijzonderen zin voor kleur; de uitspraak over de tweede zal onderscheiden zijn, naarmate men tot genieten of tot denkend gestemd is, en weelde of stilte zoekt; – wie echter, die begrip van het wezen der kunst heeft, durft twijfelen aan de nheid hsrer wetten voor het Zuiden en het Noorden, voor Nederland en voor Itali?

Eene schilderij van onzen beroemden landgenoot Scheffer, te Parijs, – om zijn talent thans de gunsteling van Z. M. Lodewijk Philips, zooals hij het weleer van den Hertog van Orleans was, – scheen ons zoo gelukkig eene zamensmelting van het uitstekendste van beide scholen aan te bieden, dat wij besloten onze lezers opmerkaam te maken, hoe een waar genie weet te vereenigen, wat de bekrompenheid over het algemeen onvereenigbaar acht. Wij zagen zeldzaam afbeelding en verbeelding elkander zoo zusterlijk de hand reiken; zeldzaam een treffend, maar niet verheven onderwerp soo verdienstelijk behandeld, als de brandende Hoeve: de phat beslisse of wij juist zagen!

„Brand verarmt niet,” was een spreekwoord onzer vaderen, dat van eene voortrelfelijke hoedanigheid van hun karakter getuigde. Immers, indien de uitkomst gewoonlijk dat gezegde bevestigde, waaraan anders viel dit toe te schrijven, dan aan hun medelijden met het, slagtoffer van zulk een ramp, en de gelegenheid, die zij den ongelukkige gaven, om zijn verlies te herstellen; de deernis, die hij opwekte, het voordeel, dat hem werd toegevoegd? „Brand verarmt niet!” zeggen wij smalend en verwijtend sedert de oprigting van zekere maatschappijen! Zoo wij niet vaak uit achterdocht, boosaardigheid of ijverzucht. – weinig liefderijk als onze tijd is! – den last der verdetdenking ,onregtvaardig en ligtzinnig bij dien van het leed voegen, stelt het gezegde onze zeden in een zeer ongunstig licht. „Brand verarmt niet!” zoude een bedriegelijk volkswoord zijn, in de streek, waar Scheffer zijne brandende hoeve plaatste; sla een’ blik op de teekening: geen zweem van hulpvaardigheid, gene hoop op schadeloosstelling. Het vuur heeft hun geluk verteerd het valt uit de assche niet weder op te delve!

Zoo ik er voor vreesde, dat gij het verdienstelijke van de getrouwe navolging der natuur in deze schilderij niet zoudt opmerken, ik wees u noch de uitmuntende verdeling van licht en bruin, noch het ongekunsteld-ware der groepeering aan; – zij vallen bij het eerste gezigt in het oog: ik zoude u vragen of gij ooit iets scherper zaagt uitkomen, dan die twee mansbeelden het op den achtergrond tegen het vuur en den rook doen? Ik zoude met u onder de dorpelingen werkelooze verbazing en gebaarzieke verhaalzucht opzoeken, en deernis, die geene handen uit de mouw steekt, en nieuwsgierigheid, die koel voortbabbelt, asntreffen: vier groote trekken, welke overal de menigte teekenen. Thans echter laat ik zoowel deze als de eenvoudige stoffaadje van den voorgrond, – het weinige, dat er te redden viel! – aan u zelven over; het gezin, de hoofdgroep, de pozij van het tafereel boeijen mij meest. Hoe vurig een bewonderaar onzer oude schilders ge ook zijn moogt, ik tart u, mij in n hunner stukken z veel hartstogt zonder overdrijving, z veel voorstelling van het algemeene in het bijzondere, z veel wijsgeerigs in de natuur aan t wijzen.

Een meisje staat op den voorgrond; de zuigeling slaapt, als ware er niets gebeurd; de zilverharige grijze, naast het wichtje geplaatst, buigt het hoofd in smartelijke onderwerping. „Wat is het leven”, vraagt gij er u zelven onwillekeurig bij, „wat is het leven, van dat wij niet gaan kunnen dan aan de hand onzer moeder, totdat wij het niet meer kunnen zonder de hulp van een’ staf?” En het antwoord is, zoo gij den man aanziet: „teleurstelling!” Ik wil niet verwijlen bij het dochtertje dat haar speelgoed gered heeft – nog zalige onwetendheid! – of bij den knaap, die reeds beseft wat zij verloren hebben, – vroege, droeve kennis! – de echtgenoot is het toonbeeld der smart. Welk eene verslagenheid, welk eene vertwijfeling in die wanhopig digtgeknepen vuisten! welk een blik, waarmede bij de puinhoopen ven zijn geluk beschouwt! Gisteren en heden – rijkdom en armoede – hij is dezelfde niet meer. Hoe gelukkig was hij! hij mogt niet vermogend zijn, de Heer des Oogstes had zijne hoop nog nooit, beschaamd, zijne wonig geene gepachte, maar zijne eigene, – was zijn kasteel! En welk een te huis! Eene lieve vrouw, aanvallige kinderen! ze zijn in iederen stand de benijdbaarste gave; maar wie hunne waarde, als hij, die op het land woont? Het is een aartsasderlijke zegen, mits men een aartsvaderlijk leven leide! Doch nu! De vlammen verzwolgen niet alleen het weinige, dat hij verlegde voor den bruidsschat zijner dochter, den spaarpenning voor de opvoeding van zijn kroost, wat den oude stok voeden, den winter tot een feest zou maken Dat alles is nog verre af! daar liggen nog jaren, maanden, dagen tusschen; maar de slaapstede, waarin hij geboren, het dak waaronder hij vader werd, het huis, dat hen voor zonnebrand en regenvlaag schutte, is verbrand! Hij heeft geene binnenkamer meer, waarin zijne vrouw meesteresse is; niet morgen, maar heden reeds moet hij bij vreemden hulp smeken en vragen voor hem, zijne gade en zijne kinderen! Vergeef hem zijne wanhoop! Hoe anders was het, toen hij zijne jonge vrouw over dien dorpel voerde: zij, die niets had dan haar schoonheid en hare deugd; zij, die hij koos boven honderd rijkere, hem veil geboden en aangeprezen! Zoo hij iederen avond, sedert hunnen echt, die keuze gezegend heeft, hunne welvaart nam toe met hun gezin, – wat zal het zijn, nu wederspoed tot ontbering dwingt?

Doch reeds beschuldigt ge mij, dat ik u slechts ten halve het antwoord mededeelde; zoo de houding van den man sombere teleurstelling teekent, die der vrouw schijnt van nederig vertrouwen te getuigen: – heb haar lief!

Wie zou er hem van terughouden God te lasteren, zoo zij het niet deed? Hij voelt hare hand op zijnen schouder, hij hoort hare door snikken afgebroken woorden: Scheffer deed wl, ons haar gelaat te verbergen, – zoude het penseel hare gemengde aandoeningen kunnen uitdrukken? Al ziet de huishoudelijke in het verschiet de nijpende hand der armoele dreigende naar haar uitgestrekt, zij is moeder, gelukkige moeder! welke arbeid, welke inspanning, welk gemis zal haar hard veallen om harer kinderen wil? Zij heeft het zwaarste wat haar treffen konde in den verstreken’ nacht geleden! „Ons – huis – is – in – brand!” fluisterde haar echtgenoot, en zij vloog naar het wiegje, en bragt hare telgen buiten, en dankte God schreijende, dat zij dezen had mogen redden. Zoo zij thans, te midden dier overstelpende vreugde, soms siddert, het is van angst, dat hare gade de hand des Heeren tarten zal. Neen, zij eischt niet, dat hij zorgeloos zij als de slapende zuigeling, dat hij zich lijdelijk bukke als de versufte grijsaard: zij wenschte, dat hij met haar in het leed konde danken. Beschermde Hij haar, de arme weese, niet in hare verlatenheid? zoude Zijne liefde nu in wraakzucht zijn verkeerd!’ har hart kent zulke wisselingen niet, en de Heer... Die vreese zelve is zondig! De vrome – goede, de goede – vrome! Wie als zij gelooven, dien valt de weg des levens ligt, hoe oneffen hij zijn moge; want geene wolken verduisteren voor hen het zonnelicht der Voorzienigheid. Er zijn geene toevallige rampen in hunne schatting, hun vertrouwen wint het in sterkte van iedere teleurstelling!

Ik weet niet of ik Scheffer begrepen heb; ik wensch, dat het mij gelukt moge zijn, u hem te doen bewonderen. Hoe dan ook uw oordeel zijn moge over de verdiensten van beide scholen, ik ben zeker, dat gij van onze jeugdige schilders meer gedachten in uwe kabinetstukjes zult eischen, dat onze redenaars en zangers niet langer eene bijtende satyre lereren in hunne lofredenen op het zusterschap van Pozij en Schilderkunst, in hunne verzekering, dat de laatste zoo goed als de eerste scheppingsgeest heeten mag.

De Gids, 1838.