E. J. POTGIETER (1808-1875)

EENE AVONDSCHEMERING OP ISCHIA.

I.

1501.

Eenige oorden van ItaliŽ zijn zoo dikwijls in de zangerigste taal van ons werelddeel geprezen; zoo vaak door vreemdelingen uit het verre Noorden beschreven en geschilderd; zoo zeer gemeenplaats onzer middelmatigste dichters geworden, dat fantasie van den koelste er zich eene voorstelling van vormde, er een’ zweem van zag. Eischt ge voorbeelden? VenetiŽ met zijne paleizen en zijne gondels, – de boorden van den Arno waaraan Fiorenza la bella ligt, – Rome eindelijk, het Rome der keizers en het Rome der pausen, wie droomde er niet van? Voor mij, ik zou prentenboek noch reisbeschrijving te hulp roepen, als ik u in eere van die steden of streken verplaatsen moest. Gerust liet ik de stoffaadje uwer eigene verbeelding over, waarschijnlijk, dat zij die der mijne overtrof. Hoe zou het mij dan invallen een uur tijds te verkwisten, om hier een palet, en daar eenige penseelen, en elders de verwen te zoeken, ten einde eene flaauwe schets te leveren van de Golf va Napels, die, door het azuur, dat er zich over welft, door het azuur, dat er zich in weerkaatst, wereldvermaard is?

Weinige woorden zullen dus voldoende zijn, om u mijn tooneel voor den geest te brengen: – een scheepje, dat den zeearm klieft, tusschen Napels en Ischia, dat de hoofdstad geeft verlaten, dat den steven naar het, eiland houdt gewend; – schilder zelf de spiegelende oppervlakte der wateren er om heen, en gij aanschouwt alles, wat ik wensch, dat ge zien zult. Maar het tijdstip, wanneer het geviel, eischt uitvoeriger bepaling. Als ik geene andere inlichting gaf dan een’ ten avond hellenden Augustusdag van het jaar 1501, zou het historische belang der ure menigen lezer duister blijven. Houd mij daarom de uitweiding ten goede. De Arragoneesche Vorstenstam, welke ongeveer tachtig jaren over Napels had geregeerd, was zijn paleis in de Poggia Reale, bij het naderen des vijands ontvloden – de kleinzoon van Alfonsus den Wijze had op Ischia eene schuilplaats gezocht voor de wapenen van hetzelfde Frankrijk, ’t geen zijn grootvader zwichten deed. Helaas! de val van Capua, door de bloem der Napolitaansche jeugd verdedigd, was slechts het voorspel geweest van den opstand van Nola en Aversa; luttel dagen later had de hoofdstad zich den vreemdeling overgegeven; door den losprijs van zestig duizend dukaten bleef zij voor eene plundering bewaard! En de golven, welke in de stralen eener zuidelijke zon even dartel door de zeeŽngte voortstuwden, als zij het sinds eenwen langs beide bloemrijke oevers pleegden te doen, die golven scheidden dus op dat oogenblik den overwinnend veldheer van den gevlugten monarch, al toonde de natuur geenerlei meegevoel voor de droevige gebeurtenissen des tijds, al leende de zee, in hare vrolijke vaart, het oor aan zegekreet noch weegeklag. Daverend toch ging het triomfgeschal binnen de muren van Parthenope op; de dappere d’Aubigny had de lelievaan geplant aan den voet van den Vesuvius; de overige steden des Rijks zouden zich bukken, zoo als Napels. Hoe de oude burg van Ischia daarentegen weÍrgalmde van gejammer: Frederik I was op zijnen drempel door eene schaar van vrouwelijke verwanten ontvangen, zij vertegenwoordigden al de rampen van zijn geslacht! Echter mogt hij de ongelukkigste dier ongelukkigen heeten. Immers, hij was niet enkel aangevallen: overwonnen door den erfelijken vijand van zijn Huis, door Frankrijk, door Zijne Allerchristelijkste Majesteit, Lodewijk XII, hij had zich door zijnen natuurlijken beschermer, door zijnen bloedverwant, door Zijne Allerkatholijkste Majesteit, Ferdinand VII, zien verlaten en verraden: en of het niet genoeg was geweest, dat Arragon dus tegen Arragon zamenzwoer, Cesar Borgia bevond zich in het heir van d’Aubigny; – Zijne Heiligheid, Alexander VI, had Frederik I van den troon van Napels vervallen verklaard!

Laat ons terugkeeren naar het scheepje, dat nog altijd over den waterspiegel voortdrijft; ik zou u gaarne eenig belang inboezemen voor eenen man van middelbaren leeftijd, die vůůr op vaartuig heeft plaats genomen. Hij schijnt in gepeinzen verdiept – hij zucht zwaar. Gewaad en houding verraden beide den edelman – hij is het. Iets fiers in zijnen blik, iets vrijs in zijne bewegingen – weinige als die zijn – doen gissen, dat loopbaan der wapenen de zijne is – wie er geweest had bijgevoegd, zou zich juister hebben uitgedrukt. Eenige dunne, vroeg vergrijsde haren, zonderling afstekende bij den voor het overige kloeken bouw zijner leden, wekken de gedachte aan velerlei verborgen verdriet op, – en dat teeken bedriegt niet. Hij, die het weten wil, kan dat alles, kan meer vernemen van den grijskop, wiens eeltige hand het roer van het scheepje stuurt, een’ grijskop dien men voor een beeld des tijds zou hebben gegroet, ware hij voor den man, dien hij de zeeŽngte overvoert, niet in eenen dienstbaren geest der Faam verkeerd.

„Nooit weÍrvoer zijner boot,” – hij beweert het met al de geestdrift, den telgen van het land der zon eigen – „grooter eere dan op dien dag.”

En de knaap, die aan zijne knieŽn staat, een Amor, neen, een jeugdige Faun, strijkt het zwarte haar uit het gezigt, om naar den passagier op te zien. Het geslacht van dien edelman, zoo heeft fluks zijn grootvader gezegd, moge voor ťťuwen in Spanje hebben gebloeid, deze heeft het in ItaliŽ eenen nieuwen, eenen onvergankelijken luister gewaarborgd. Welken? Geene krijgstrofeeŽn. Er zijn meer dan twintig jaren verloopen, sedert de de arm, welke thans moedeloos langs het zijden wambuis neÍrhangt, bij Siena tegen de Florentijners, bij Otranto tegen de Turken, de kling zwaaide.

„Daar was ik ook!” riep de oude, terwijl al de haat, welken hij tegen de ongeloovigen koesterde, zijne gespierde borst doortrilt.

Maar het jonkske vraagt voort; het vraagt: of de mijmeraar rijk, of hij Genuees’ of Venetiaan is? Het denkt misschien – want de jeugd is in het Zuiden scherpzinnig, en armoede luistert alom gaarne naar de middelen, door welke men vermogen verwerft – het denkt misschien aan eene erfenis uit Genua toen aan het ondergaan, – aan een Handelshuis in VenetiŽ toen ten top van bloei gestegen. –

„De glans van zijn’ naam schuilt niet in zijn goud,” herneemt, de grijskop, „en hij is Napolitaan tot in zijne nieren.

En de jeugdige Faun – half naakt schijnt hij het waarlijk springt op de knie van zijnen grootvader, en vraagt ten derdemale:

„Wie is hij dan toch?”

» il Sincero!

Het jonkske wil naar den steven springen; het wil, bij het hooren van dien naam, zich door den passagier laten zegenen, als ware hij een kerkvoogd of een heilige. Doch de grijskop weerhoudt hem; hij duldt niet, dat ’s mans overpeinzing zal worden gestoord. Toevallig echter verschuift deze zijne baret, dewijl hare wuivende pluim hem het uitzigt belemmerde, en ziet om.

Welke oogen! Of men heeft weinig in de spiegels der ziel gestaard, ůf uit deze licht iets hoogers dan wat den edelman onderscheidt, dan hetgeen den dappere aankondigt, dan wat den mijmeraar over vervlogen geluk verraadt. Bij tusschenpoozen zoo ontvankelijk voor het licht – zoo de uitwendige wereld in zich opnemende – bij tusschenpoozen zoo geloken voor alles, wat hen omringt – zoo verlustigd door de schepping hunner eigene verbeelding – dat zijn, dat doen slechts de oogen des kunstenaars – eens beeldhouwers – eens schilders – eens zangers! Het jonkske blijft eerbiedig bij het roer – de flinke maat, die het zeil ietwat ophijscht, doet zijn werk stiller – de grijskop schijnt verrukt. Het is een verrassend bewijs der ItaliŽ ingeschapene liefde voor de kunst; – waar hare glorie er schittert, daar buigen alle hoofden zich; de raafzwarte pracht van de jeugd en de zilveren schedel van den grijze, als de wuivende lokken der schoonheid, als de kroon der Koningen, als de tiara van den Paus!

En echter, met welke gave, de zielen te beheerschen, die man van middelbaren leeftijd moge bedeeld zijn, op dit oogenblik wordt zijn zin voor het schoone der natuur door andere gedachten onderdrukt. Vergeefs, – wij ontleenen gaarne die uitdrukking aan eenen dichterlijken reiziger, – vergeefs dat de golven om hem heen verliefde paren gelijken, in de omarming zamengeschakeld, weÍrstand biedende om te zwichten, hij heeft geene oogen voor het weelderige spel. Vergeefs, – om evenzeer de la Vigne als de Lamartine regt te doen, – vergeefs dat de westwaarts neigende zonne zich in stroomen gouds baadt, het weergalooze schouwspel overstelpt zijn hart zoomin met weemoed, als het zijne ziel in verrukking brengt. Somber, straf zelfs, blijft hij op den bodem van het vaartuig „en, terwijl zijne linkerhand zich krampachtig om den degenknop sluit. Napels, „zijn vaderland, zijn vorst,” vervullen zijnen geest. Hij heeft den val van het eerste beleefd, hij zal den laatste in zijne vernedering aanschouwen. Hoe hij zich zelven verwijt, het zwaard niet uit de scheede te hebben getrokken, niet, voor beide te zijn gesneuveld! Eene herinnering aan de dagen zijner jeugd, aan die van den roem zijns lands, foltert hem.

„– Waarom heeft hij de kling van zich geworpen; waarom „der Muzen het oor geleend? –”

Alsof een enlrele arm in staat zou zijn geweest, Napels te behouden. Alsof de ontrouw der belijders van het Kruis jegens de volgelingen der Halve Maan, alsof de moord der achtergeblevene Janitsaren, toen de Turken het verraste Otranto bij verdrag aan Alfonsus van Arragon hadden overgegeven, een gemoed als het zijne geen’ weerzin heeft moeten inboezemen van den onmenschelijken krijg zijner dagen. Alsof hij zijne geboortestad sedert niet grootscher heeft verheerlijkt, dan ooit een held het de zijne deed. Doch de laatste gedachte komt bij den bescheiden’ man niet op. –

„Helaas! ItaliŽ schijnt bestemd tot twistappel, tot prooi van allerlei barbaren!” –

En wel mag hij zuchten over de onderlinge verdeeldheden der vorsten en volken van het schiereiland, waarvan zijn tijd getuige is geweest, over de tallooze gruwelen, door de Visconti, de Sforza, de Medici, de Doges en de Pausen gepleegd, over het lot van zijnen monarch! –

Il buon Federigo!

Alles is voor dezen verloren! Of heeft onze mijmeraar zich niet verpligt gezien, de straten der hoofdstad door te sluipen, als ware hij een misdadiger geweest, ten einde der uitgezette wachten des vijands te ontgaan – op de markten, aan de poorten, in de haven, overal Franschen! En welk eene verslagenheid heerschte er in de gesprekken des volks! De Spanjaarden, zoo lang als beschermers verwacht, zijn in aanvallers verkeerd, de Spanjaarden onder Gonzalvo van Cordova. –

El gran Capitan!

O hoe hij den Hemel dankt geen krijgsman te zijn gebleven, als iemand van die vermaardheid zijne lauweren bevlekken moet, op last zijns meesters; als hij heden niet weigeren mag den troon te doen waggelen, omver te storten, dien hij gisteren heeft geschoord, – een werktuig, – een slaaf! Hoe onafhankelijk is, in vergelijking, die grijskop daar aan het roer. Deze heeft ten minste niet geaarzeld zijner bede gehoor te verleenen, toen hij, schuchter het scheepje ingesprongen, den man fluisterende toeriep: „Om aller Heiligen wille, breng mij naar Ischia!” De oude waagt er zijn vaartuig, zijne vrijheid aan, als de trawanten van d’Aubigny het hem morgen euvel zullen duiden, dat hij een gunsteling des verdreven Konings aan de magt van dezen heeft ontvoerd! „Voor il Sincero,” was het woord des mans, „voor il Sincero heb ik mijn’ grijzen kop veil!” dat is meer dan ijdele vermaardheid, dat is waarachtige roem!

Het mag eene droeve, eene lange mijmering heeten, doch die als alles een einde heeft. Het bloed, door den dampkring van den Vesuvius geblaakt, herneemt ook in den man van middelbaren leeftijd zijne regten. Opgesprongen, rigt hij zijnen blik naar Ischia; op de steilste rots van het eiland verheft zich het getorend kasteel, zwaar van muren en boog van vensters: aan een der laatste tracht bij eene gestalte te onderscheiden – vergeefs, de afstand is nog te groot.

„Voort, voort!” roept hij ongeduldig der manschap van het scheepje toe; „voort!” voegt hij er bij, met den telkens sterkeren nadruk, het Zuiden zoowel als het Oosten, bij herhalingen van dien aard, eigen; goud zou slechts de helft hebben uitgewerkt van den ijver, dien zijn verzoek opwekt; – doch tenzij ge bij het jongske wilt blijven, dat thans om zijnen zegen vraagt en dien ontvangt, zullen wij Il Sincero vooruitsnellen, het oude gebouw binnen – de trappen op – de zaal in. 


II.

Maar de kleene wacht aan de poort van den burg van Ischia slaat aan – twee vrouwen treden den hoogen gang uit – twee koninginnen van de vier, welke er Frederik I van Napels ontvingen.

En waarlijk, als ik het mostapeet aanzie, dat zich in de tuinen van het slot voor hare voeten uitbreidt; als ik de kronkelende loten van den wijngaard, of de breede blaÍren van, den wilden vijg gadesla, die haar in hun lommer nooden; als ik het koeltje riek, dat de geuren der oranjebloesems rondwuift, dan verbeelde ik mij, dat ge haar, even als ik, gaarne eene wijle vergezelt, al breek ik er mijn woord door, u fluks het kasteel binnen te leiden.

Immers, die vrouwen leveren eene aardige studie op. Het eerste gezigt volstaat, om hare onderlinge scherpe tegenstelling in het oog te doen vallen. Inderdaad, de afgezant eens jeugdigen troonopvolgers, die vůůr twintig, vůůr vijf en twintig jaren misschien, de onderscheidene hoven van ItaliŽ bezocht, om voor zijnen meester eene vorstelijke bruid te kiezen, schetste, juist, toen hij de eene de Lelie des Dals, toen hij de andere de Roos der Abruzzi noemde. Maar de man ging verder, hij oordeelde uit enkele trekken over het geheel; hij voorspelde uit hare jeugd, haren middelbaren leeftijd; laat ons, zien, of de uitkomst hem regtvaardigde.

Hoe aanvallig was de blondine, welke wij thans aan de hoogere hand harer schoonzuster zien voortwandelen, – in die betrekking staan beide vrouwen tot elkaer – hoe aanvallig was zij, toen hij haar op het kasteel van Chambťry gadesloeg, haar, de schoonste parel aan de Hertogskroon van Savoije! Anne, zoo heette zij, Anne, de oudste dochter des huizes, overtrof hare beide zusteren in die gedweeheid van aard, zoo dikwijls aan hemelsblaauw oogen en bleekgouden lokken verknocht. Yolande van Frankrijk, hare fiere moeder, die de teugels des gezags voor haren zwakken echtgenoot, Amadeus IX, voerde, Yolande verbaasde zich soms over het stille, het buigzame, het onderworpene, harer eigene inborst zoo vreemd, en des ondanks haar kind in zoo groote mate bedeeld. Hoe weinig begreep zij Anne, wanneer het meisje, bij het eene uitstapje, zich uren lang kon verlustigen in het aanstaren der vlakte van Turin, om eindelijk hare drijvende oogen van het landschap ten hemel op te slaan; wanneer ze, op eenen anderen togt, zich niet verzadigen kon van het blikken op het meir van GenŤve, de handen in haren schoot vouwde en bad! Er waren dringender zorgen, welke den tijd van Yolande eischten, dan de studie van het gemoed haars kinds. Slechts had zij opgemerkt, dat Anne nooit zin aan den dag legde voor de spelen, waarmede hare broeders en zusters zich vermaakten; slechts wist zij, dat er een wenk van haar werd vereischt, zoo Anne zich tooijen zoude voor een der feesten van het Hof. Was het wonder, dat onze afgezant een’ diepen blik in het hart der prinses meende te slaan, toen hij bij den lof, waarop hare schoonheil regt had, de aanteekening voegde: „Koel als de sneeuw harer bergen”, en verder toog?

Ik weet niet, welken indruk de toenmalige vorstendochteren van Milaan en Florence op hem maakten; ik verplaats den bruidszoeker eensklaps uit den noordelijksten uithoek van ItaliŽ in den zuidelijksten; aan den voet van den troon van Napels trof hij onze brunette aan.

Beatrix van Arragon, welke ik u in haar voorstel, als de dochter van Ferdinand I, Beatrix, wier wangen gloeiden van het vurigst inkarnaat, wier oogen vonken schoten van onder hare raafzwarte wimpers, wier dans de ligt ontvlambare hoofden der Napolitaansche jeugd duizelen deed, Beatrix speelde met den hartstogt, dien zij inboezemde, Beatrix was te fier om zich dien prijs te geven. Als zij verscheen aan het venster, waaronder de verliefde paadje zijne minneklagt kweelde, wat wierp zij hem toe dan de bloem, die hij met gevaar zijns levens voor haar op de rotshelling had geplukt? Vergeefs dat de gevierdste hoveling zich vleide, heden, morgen, overmorgen, stellig, de weelderige lippen te zullen kussen, welke hem zoo zoet: „Buona notte!” hadden toegefluisterd, – een klank, die hem deed opspringen in zijn’ droom – bij het eerste ligtzinnige woord, bij de eerste gemeenzaamheid, roes dat donker gelokte hoofd op, of het den afstand vergrooten wilde, die worm en majesteit scheidde. O als ge haar gezien hadt, de zeldzame weelde van eene stormvlaag op de golf van Napels genietende, of haar hadt bespied, wanneer zij vermetel van den muilezel wipte, waar de rapheid der geit werd vereischt, om de gapende afgrondsklove langs te ijlen; ge hadt haren vader zijn’ trots op zulk eene dochter ten goede gehouden, – een’ trots, te natuurlijker, dewijl Ferdinand al de waarde had leeren schatten van den moed, die hem zelven ontbrak. Hij haatte dien in den, waarschijnlijken troonopvolger, in zijnen zoon Alfonsus; maar in Beatrix had deze niets onrustwekkends, – wat hij vermetelheid schold in den jongeling, lachte hem in het meisje aan! En onze afgezant? De schitterendste bloem uit Europa’s lusthof, meende hij, was waardig door den grootsten monarch te worden gekozen; „streven naar den zonneschijn, dat zou zij; zich den minzieken wind prijs geven? nooit!”

Luttel tijds verliep, en er werd over het lot der beide vorstinnen beschikt. Anne van Savoije schonk hare blanke hand aan Frederik van Arragon, den broeder van Alfonsus en Beatrix, toen slechts Prins van den bloede van het Napolitaansche vorstenhuis; wij ontmoeten haar als de moeder van vijf of zes kinderen, die, met de jongste van deze, haren gemaal, thans koning Frederik I, op het kasteel van Ischia heeft ontvangen, er in veiligheid gebragt, eer ook hij tot de vlugt besloot. Beatrix van Arragon is uitgehuwelijkt geworden aan Matthias Corvinus, Koning van Hongarije, en heeft veertien jaren lang, – zoo de meermalen vermelde afgezant niet voor een’ jeugdigen troonopvolger, maar voor een’ koninklijken weduwenaar eene bruid zocht, – de voorspelling van dezen gerechtvaardigd; aan de zijde des dapperen monarchs blonk zij uit door hare fierheid en trouw. Helaas! dat zij – zoo als we zien zullen – eindigde, met zijne profeetcy te beschamen, en wel op onwaardiger wijze dan Anne van Savoije zijne uitspraak over hare koelheid in onze oogen heeft gelogenstraft!

Waar ginder het lommer van dien ouden eik de stralen der ondergaande zonne afkeert; waar dat boschje van jasmijn de lucht balsemt, daar zetten beide vrouwen zich op eene zodenbank neder; daar neemt Beatrix het woord. – luisteren wij:

„Anne!” vraagt zij driftig, „Anne! weet gij eindelijk, welk besluit uw gemaal genomen heeft ?”

„Neen, zuster!” is het bedaarde antwoord; behoef ik er bij te voegen, dat zij, ongelijk aan hare moeder, zich nooit in staatszaken mengde?

„ „Neen, zuster!” ge zijt niet van ons bloed, cara mia! als gij het waart, ongeduld zou u verteren, Anne! Den ganschen dag heeft Frederik niemand, heeft hij zelfs Isabella niet bij zich toegelaten! – en ge toont geenerlei belangstelling! Gelooft gij wel, dat ik, in ieder’ der zeven nachten, welke wij op het eiland vertoefden, naauwelijks de oogen look, of ik zag mijnen broeder Alfonsus voor mij? niet in den glans zijner overwinningen, zoo als hij me heugt uit de dagen mijner jonkheid, neen! ter prooi aan de zielskrankte, die hem folterde, eer hij afstand, deed van de kroon, eer hij bij Mazzara in het klooster ging! Telken nacht is het mij, of ik hem worstelen zie met onzichtbare vijanden; afgemat van zijne vergeefscbe pogingen om der wrekende furiŽn te ontgaan, boor ik hem kermende uitroepen: „Wee, Arragon! wee!” ”

Libera nos a malo!” bidt Anne.

„En als ik ontwake, zuster! ontwake van den schrik, en bij het flaauwe schijnsel der lamp van mijn eenzaam leger rondstare, het leger der verstootene bruid –”

Snikken breken hare laatste woorden af; tranen stroomen langs hare wangen; opzettelijk verzweeg ik u tot nog toe, dat zij weduwe is van Matthias Corvinus; dat de liefde wrake nam op de veertigjarige vrouw, over de harteloosheid der schoone van zestien of achttien lentes! O de onzalige blik, welken zij uit het, paleis te Buda op den weidschen optogt des nieuwverkozenen Konings van Hongarije sloeg, toen de rijksdag Vladislaus Jagellonicus, Koning van Bohemen, tot opvolger van haren Matthias had benoemd! Al wogen de weduwlijke wijlen haar nog zwaar op de schouders, toch onderscheidde zij onder al de grooten des rijks den bloeijenden jongeling, wiens hooge moed van geene dubbele kroon terugdeinsde, die de gepluimde muts van het lokkige hoofd hief, toen hij haar aan de vensterboog gewaar werd. Een blos van schaamte verwde hare wangen rood, en echter, al de beloften, door haar aan den stervenden Matthias gedaan, – de hulp, welke zij, – ’s mans kinderlooze gemalin, – aan zijnen onwettigen zoon Johannes in die veege ure toezeide, – de glimlach des stervenden, die haar de hand gedrukt had voor dat laatste bewijs harer liefde, alles was vergeten; Beatrix beminde, beminde voor de eerste maal haars levens! Hoe de noodlottige hartstogt haar had verblind, toen Vladislaus, om door haren invloed dier. zijner tegenstanders op te wegen, zich aan hare voeten wierp, en zij in de gehuichelde vleijerij de taal des waarachtigen gevoels meende te hooren! Eene liefde, het aanhooren van wier verklaring zij in iedere andere vrouw van haren leeftijd bespottelijk zou hebben geacht, – die haar uit elken anderen mond, dan uit dien van den in dit opzigt verachtelijken Pool, verdacht geweest zou zijn! Haar hart dreef den spot met haar hoofd, het verledene was vergeten, vergat zij zelfs hare jaren niet? En echter, spoedig haalde de straf de schuldige in, tuchtigde de beschimping haar, zoo gij het liever wilt, voor de dwaasheid! Vladislaus verschoof de voltrekking van den echt; Vladislaus loochende hunne verloving; Vladislaus stiet haar van zich; – Beatrix, de vroeger zoo fiere Beatrix, vervolgde hem met hare liefde, vervolgde hem bij de grooten zijns rijks, vervolgde hem tot voor den regterstoel van den Paus – het was alles vergeefs. Bewonder de scherpzinnigheid des afgezants, die voorspeld had, dat zij slechts naar den zonneschijn streven, dat zij zich nooit den minzieken wind prijs geven zou. Tien jaren, tien lange, tien smartelijke jaren had zij na de korte vlaag van weelde gehoopt en gevreesd, zich zelve in sluimer gewiegd, zich zelve op vertwijfeling betrapt – eindelijk, het scheen eene weldaad! eindelijk had de onzekerheid. opgehouden! Eene andere, eene jeugdiger schoone deelde de huwelijkskoets van Vladislaus! Helaas! hoe minnenijd en wraakzucht de vurige Italiaansche teisterden, als haar blik in de dreven van Ischia, als hij hier op de mirtes en oranjes rustte, als zij zich de kroon voorstelde, voor andere slapen dan de hare, voor die der Navarreesche medeminnares gestrengeld! Verguisd, beschimpt, verlaagd! – ergst van al in eigene oogen! – was zij naar Napels teruggekeerd, om er getuige te zijn van den val haars Huizes; wie vergeeft haar de hartstogtelijke tranen niet, in welke zij uitbarst!

Anne doet dit het eerste van alle; doch of haar troost balsem in die wonden giet, beoordeel het zelf; zij spreekt slechts van vasten, van boete, van den weg der kastijdingen, die leid tot rust.

„Rust!” herneemt Beatrix, „waant ge, dat ik u die benijde versteend als ge zijt in uwe vroomheid!”

Hard, gruwzaam verwijt, – een trek van weemoed, die om Anne’s lippen speelt, bewijst hoe het haar grieft. En echter zwijgt zij; misschien zijt ge geneigd den afgezant, ten minste in zijn oordeel over hare koelheid, gelijk te geven?

„Onze Lieve Vrouwe en alle Heiligen heb ik op mijne bloot knieŽn gebeden, Frederik’s besluit te zegenen; haar en hun heb ik mij en de mijnen opgedragen; wat moet, wat mag wat kan ik meer, Beatrix?”

Een blik in haar gemoed, en gij zult met haar verzoend zijn, eene herinnering aan haren tijd, en ge zult haar begrijpen, straf als ze schijnt. Er was een smartelijk gevoel van onbevredigden godsdienstzin in den toon, waarop zij de laatste woorden uitsprak: het was het geheim van haar leven. Vroege mijmerzucht, welke hare kindsheid door lust in afzondering, welke hare jeugd door den schijn van koelheid onderscheidde; vroege mijmerzucht, die zich verlustigde in de beschouwing van de wonderen der natuur, en met het aardsche des ondanks onbevredigd, vergun mij de uitdrukking, op de wieken van het verlangen ten hemel rees, had haar, zoo zij waande, op den rand des verderfs gebragt. Hare ontwikkeling viel in het tijdvak, dat tusschen Huss en Luther ligt; was het vreemd, dat de innige godsdienst, waaraan zij weldra verried behoefte te hebben, haren eenvoudigen biechtvader verdacht voorkwam? dat hij haar waarschuwde voor de twijfelzucht, welke de kerk,! die haar omringde, de geestelijkheid, aan wier hoofd een Sixtus IV stond, in een’ geest als den haren wekken moest? Hoe de gemoedelijke maagd huiverde voor den gruwel, aan welken zij gedreigd. had zich te bezondigen! Hoe den eischen van haar verstand het stilzwijgen werd opgelegd, hoe de aanspraak op bevrediging van deze onbeschaamd werd geloochend! Het was slechts de helft harer droevige herschepping! Al het innige, al het teedere van hare godsdienst ging onder in den vloed van ziellooze plegtigheden, aan welke zij weldra de zaligheid verknocht waande. Een menschelijk God! de uitdrukking is niet te sterk voor den toenmaligen toestand der Kerk in ItaliŽ, een menschelijk God met gebeden te paaijen, met offeranden overtehalen, verving de Eeuwige Liefde, naar welke zij in de schoonste oogenblikken haars levens had gesmacht, den Vader in Christus, door haar in deze welligt voorgevoeld! Eene vreugdelooze, vormelijke vroomheid spiegelde naar buiten slechts flaauwelijk den jammer af, waaronder zij, onbegrepen en onbeklaagd, gebukt ging, Want hoe vaak zij de knie voor het altaar boog; want hoe lang zij bad, er kwamen oogenblikken, waarin de twijfeling terugkeerde, het was soms, of zij er krankzinnig onder worden zou! Er werd strenger gevast en harder geboet – de duivel week; maar wie schetst haar martelaarschap, als zij zich zelve verweet, te zeer aan hare kinderen gehecht te zijn; als zij zelfs die natuurlijkste aller aandoeningen, die zaligste aller vrouwelijke gewaarwordingen, te keer ging, meende te moeten te keer gaan, dewijl het hemelsche hooger gelden moest dan het aardsche? Eer mijn katholieke landgenoot deze historische voorstelling van partijdigheid verdenke – waardere hij den invloed., door de Hervorming op zijne geestelijkheid, op zijne Kerk uitgeoefend. Het was de zwartste tijd van het Christelijk Rome, en echter zij het verre van mij, te ontkennen, dat ook in dien smeltkroes, met zoo vele onreinheden bezwangerd, niet soms het echte goud schitterend uitblonk. Ik ga er een bewijs van bijbrengen; Anne heeft van hare schoonzuster geen antwoord op hare jongste vraag ontvangen; deze lokt slechts eene wedervraag uit:

„Maar, Anne!” herneemt Beatrix huiverende, „maar, Anne! als mijn droomgezigt inderdaad vervuld wordt; als mijn lot slechts het voorspel is van den ondergang van ons Huis...?”

Dominus dedit!” antwoordt de Moerler met de Vulgata „Dominus...” maar zij gaat niet voort; hare blanke hand strijkt langs hare oogleden.

En Beatrix?

„Eene boot! eene boot!” roept zij, met hare zuster opgestaan, om een uitzigt over de zee te genieten, en allerlei gissingen, wat dat vaartuig brengen zal, rijzen in den geest van Beatrix op – het is het u reeds vroeger geschetste scheepje; willen wij, terwijl de lijderessen voortstaren, eindelijk het kasteel binnengaan?


III.

Allengs verzwaart zich de schemering in de oostelijke vertrekken van den burgt, schoon de zonneschijf, in de Middellandsche Zee, de lijn nog niet heeft aangewezen, die watervlak en hemelruim scheidt; gelukkige luchtstreek, in welke de duisternis van den avond doorzigtig blijft, in welke zelfs de nacht niets sombers heeft, daar de vensterboog nog altijd licht binnenlaat! Aan een van deze, welker byzantijnsche vormen ik u uitvoerig beschrijven zoude, als ik er naar streefde, meer dan eene karakterschets te leveren, aan een van deze zit een’ kranke – alleen – een opgeruimde kranke, naar het schijnt verloren in die ruime zaal, heeft hij alles bij zich wat hij verlangt – een boek. Het ligt uitgeslagen op den linkerarm des leuningstoels, waaraan hij geboeid is, – onder zijnen regtervoet aanschouwt gij het kussen, dat den martelaar der jicht verraadt. Als de pijn nooit heviger was, als hij altijd zulk gezelschap had, hoe gelukkig zou hij wezen! Helder staren zijne oogen op van de lievelingsplaats, welke hij overlas; het is Cicero’s bekende lofspraak op de studiŽn. Wie slechts voor deze leven mogt!

Een zucht!

Het is niet de oude plaaggeest in zijnen voet, welke hem dezen ontlokt, de jicht slaapt; maar op-, om-, rond ziende, deinst Rome’s redenaar voor hem op den achtergrond, verdwijnen de wetenschappen en de kunsten in de schemering, volgen allerlei gedachten elkander op in het brein des vijftigjarigen, die schier een’ grijsaard gelijkt. En de fronsing zijner wenkbraauwen, en den koortsigen blos op zijne wangen, en de bevende vingeren, aan welke het boek ontglipt, gij zult dat alles natuurlijk vinden, als ik u zeg, dat de kranke de Monarch is, over wiens besluit wij straks Beatrix Anne zoo hartstogtelijk hoorden ondervragen. Het is Frederik, die gelukkig was als Prins van Tarente, die, – maar laat mij u eerst zeggen, hoe men gelukkig wezen kan, als jonger zoon van Koninklijken Huize. De toestand is dikwijls met sombere kleuren geschilderd; de toestand, vorstentelg te zijn, en echter geene hoop te mogen voeden, eens, hoe laat dan ook, te zullen regeren, dewijl eene onregtvaardige wet den eerstgeborene begunstigt.

De toestand, slechts de derde te wezen in de belangstelling, in de liefde des volks, zoolang de vaderlijke hand den schepter zwaait, laat deze den staf glippen, minder dan derde te worden, onderdaan eens broeders verkeerd, op wiens kroost de gemeente vast hare hoop vestigt, om welks wille het den uitgeslotene vergeet. De toestand, dit te zijn met eenen geest, voor wien geene vermoeijenissen te zwaar, voor wien geene beraadslagingen te diep, voor wien geene ontwerpen te koen zouden wezen, zie, ik beken, er is iets in de foltering, hetwelk menige donkere bladzijde van vorstelijke broedertwisten en vorstelijke voogdijschappen begrijpelijk maakt. En echter, als wij niet zoo diep drinken uit den zwijmelbeker, door welks bedwelming Lucifer steigerde en viel; als wij niet enkel der aanblazingen des hoogmoeds het oor leenen, hoe vertoont zich alles in een ander, in een streelend licht! Vorst van den bloede te zijn, dat heet ontheven te wezen aan alle banden van behoefte en beroep, – doch er zijn duizende grooten, van welke hetzelfde geldt! – dat is, zich vrij gevoelen van de lastige kluisters, waarin lot en leven ook die aanzienlijken slaan, – de hoogte, welke deze gaarne zouden opklauteren, opkruipen, des noods, werd hem door zijne geboorte aangewezen, – wat heeft hij te doen, dan neer te zien om gelukkig te zijn? Wie schetst de duizende paden, openliggende voor zijnen blik, die hij slechts heeft in te slaan, om gevierd te worden als de edelste zijner eeuw: de wetenschappen en de kunsten aanmoedigende en beschermende, meester, als hij heeten mag, van zijnen tijd! – om zich gezegend te zien, waar hij verschijnt, mensch, in den hoogsten zin des woords! lijden lenigende, waar hij het opmerkt, het zoetste voorregt, aan het bezit van schatten verknocht! Er zijn weinig diademen, wier luister halen mag bij deze dubbele glorie – doch waartoe zou ik voortvaren de aangelegde schilderij te voltooijen? staat Frederik ons niet voor den geest, Frederik, als Prins van Tarente, niet de waarschijnlijke erfgenaam des schepters van zijnen vader Ferdinand I, maar meer dan de troonopvolger Alfonsus met den geest van beider grootvader bedeeld, den grootvader, die den naam van den Wijze verwierf.

Hoe Frederik reeds als kind blijken gaf, dat hij den voortreffelijken man begreep, die tot zinnebeeld een opengeslagen boek voerde, en dus de letteren boven den degen verhief! Hoe weinig verbazends stak er voor hem als opschietende knaap in, dat de koortse der vermoeijenis, welke Alfonsus in het leger overvallen had, geweken was voor de verrassing, zich het leven van Alexander te hooren voorlezen, eene stem uit het verledene, eeuwen lang tot zwijgen gedoemd, een handschrift, eerst toen weder aan het licht gekomen! Hoe juichte hij als jongeling de nagedachtenis diens grootvaders toe, in de weigering van dezen, het beleg van GaŽta voort te zetten, door middel van steenen, uit de puinhoopen der hoeve van Cicero aangebragt; eene hulde aan de letteren, te grooter, omdat ’s mans heldenaard anders noode de verijdeling zijner ontwerpen leed! Hoe had Frederik, in zijnen stilleren kring, er naar gestreefd, dit doorluchtig voorbeeld van verre te volgen, nu eens de Zanggodinnen der Oudheid vierende, dan weder de hand reikende aan de ontluikende dichtkunst zijns lands! Hoe – maar hoort gij hem dan in zijne eenzaamheid niet uitroepen, terwijl zijne oogen in de ruimte om hem henen vergeefs eene bekende, eene geliefde gestalte zoeken; hoort gij hem niet weeklagen:

„Sannazaro! Sannazaro!” Het boek, waarop hij straks den blik gevestigd hield, gleed hem – we zagen het – uit de vingers; allerlei gedachten, zeiden we, gingen hem door het hoofd. En echter, gij hoordet het, echter betroffen deze iets anders dan zijn komst tot den troon, dan zijne vlugt uit de hoofdstad, twee onzalige gebeurtenissen, ieder van deze het gevolg van eenen inval der Franschen in ItaliŽ. Vůůr zeven jaren greep de eerste plaats; Karel VIII kwam Lodewijk Sforza, den Moor, regent van Milaan, ter hulpe, en Ferdinand – de vader van Frederik – bestierf de mare zijner aanvankelijke zegepralen; en Alfonsus de broeder van Frederik – deed, na eene regering van luttel maanden, afstand van troon en rijk, ten behoeve zijns zoons, of hij daardoor den opgestoken’ storm van verwinnende vijanden en misnoegde onderdanen bezweren mogt; en Ferdinand – de neef van Frederik – was er naauwelijks in geslaagd, met de hulp zijner Castiliaansche en Venetiaanscbe bondgenooten, en na voorbeeldelooze lotwisselingen van allerlei aard, den erfgrond te herwinnen, of hij stierf in den bloei der jeugd! Het was eene herhaalde les, het waren telkens verzwaarde slagen, waarin de oude tragici voorzeker de hand des Noodlots hadden gezien, – van ons wordt niets anders geeischt, dan de beschouwing des ommekeers, dien zij in Frederik’s toestand maakten. Eene kroon, in twee jaren tijds door drie zijner verwanten gedragen: eene kroon, welke, als zij niet te zwaar zou vallen, op een jeugdig hoofd prijken moest; want van den zilveren schedel zijns vaders was zij ter aarde gestort; want de graauwende lokken zijns broeders hadden haar afgeschud; die kroon, wat kon zij begeerlijks hebben voor iemand, als Frederik! Slechts onwillig had hij zich haar getroost; – vier, vijf jaren dragens hadden hem bewezen, dat niet enkel het hoofdsieraad der Lombardische koningen, dat de Napelsche, als schier iedere Italiaansche diadeem, Ť di ferro! Lodewijk en Ferdinand, Orleans en Arragon hadden zich verbonden tot zijnen ondergang; er restte hem uitweg noch hoop, en daarom riep hij, in zijne mijmering, zich de hoofdgebeurtenissen van zijn leven herinnerende, niet uit:

„Mijn rijk! – mijn rijk!”

Neen, de dagen zijner jeugd waren voor zijnen geest teruggekeerd; de dagen zijns mannelijken leeftijds, waarin hij onder de menigte aan zijne voeten allen opzocht, die hem geleken in zin voor wetenschap en kunst, waarin hij een dichter aantrof, onderscheidde, begunstigde, zoo als Napels er geen’ tweeden heeft opgeleverd, den zanger van Arcadia! Sannazarius! Arcadia! ik zie een’ glimlach om de lippen mijner lezers spelen, erger nog, het geeuwen der verveling is in aantogt; wat ik u bidden mag, wreek op den meester de zonden zijner navolgers niet! Of hebt gij ooit onbevangen het dichtstuk gelezen, hetwelk beroemde kunstregters onzer dagen den lof waardig keuren, eene eerste proeve te heeten op het gebied des romans; waarin zij de verdienste eener subjectiviteit huldigen, welke zich sterker gelden deed dan Boccaccio het in zijnen Ninfale d’ Ameto wagen dorst? Of hebt gij het, laat mij liever vragen, ooit genoten, als tooneelen, aan het leven des velds ontleend, als schetsen der minne in het woud, als droomen, naar wier verwezenlijking uw hart haakte? Indien gij het gedaan hadt, ge zoudt iets van Frederik’s geestdrift voor dat vernuft gevoelen, ofschoon het moeijelijk blijft, zich voor te stellen, welk een’ indruk het werk maken moest, toen zich bij al de verdiensten de bekoring der nieuwheid voegde. Sla het nog eens op, eer gij het hoofd schudt – na drie eeuwen lange ontwikkeling van allerlei genres, weerhouden wij ons noode, het penseel te benijden, dat een bergachtig landschap zoo aanschouwelijk wist voor te stellen, niet alleen met al zijnen rijkdom van geboomte en gewassen, maar ook met al de afwisselende tinten en toonen van zonneschijn en lommerluwte. Of haalt iets in bevalligheid van gedachten bij de verlieving eens herders, – des dichters, zoo men wil. – er kunstig ingevlochten, als hij een schoon meisje de voeten in eenen stroom ziet zetten? Ik had moeten zeggen in frischheid, in oorspronkelijkheid van uitdrukking; want mij op nieuw in de beschrijving verlustigende, merk ik op, dat hij haar een licht in het midden der baren noemt, en vooronderstellende, dat gij de schittering aanschouwt, als hij u afschetst hoe de beide blonde tressen hem aantrokken, en zich een gelaat in zijne ziel prentte, welks kleur – vul het in naar ge wilt, mits ge verliefd zijt – liefde is immers van alle tijden? O wie ooit jonge meisjes bloemen zag lezen, en onder deze haar, welke hij lang in stilte beminde; – wie verrassenderwijze dan den lieven naam uitsprak, op eenen toon, welke haar het geheim zijns harten verried, – en de bloemen uit hare handen, uit haren schoot vallen zag, „het aardrijk met honderde kleuren bezaaijende,” – o wie haar dan blozen en bukken zag in schijn om een’ nieuwen krans te lezen, inderdaad om hare schaamte te verbergen, wat zag hij anders, dan hetgeen in de Arcadia schooner geschilderd wordt dan mijne navolging vermogt: eenvoud der natuur, waarheid van liefde? Wie, – doch waar zou ik eindigen, ook als ik slechts aan de schoonste plaatsen regt wilde doen; slechts van de uitvoerig beschrevene vogeljagt; slechts van de wedspelen, ter viering van de nagedachtenis zijner moeder; slechts van het bezoek in het woud van Pan, en den blik dŠŠr in de geheimenissen der natuur geslagen, wilde spreken?

Pan, – de wasem des Heidendoms over het gedicht verpreid – het gebrek aan harmonie tusschen de op vele plaatsen beproefde navolging der Ouden, en de op andere gewaagde voorstellingen van toestanden zijns tijds, – zietdaar zoo vele vlekken, doch waarover wij weinig regt hebben Sannazarius hard te vallen, zoolang het Christendom onder ons niet zoo~zeer heerschend beginsel, niet dus leven van ons leven is geworden, dat onze wereld, dat onze beschouwing der natuur, dat onze kunst het onwillekeuzig afspiegelt! Wij zijn slechts eene schrede op het gebied van den smaak gevorderd, door alle Heidensche goden en godinnen den toegang tot onzen Paranassus te ontzeggen, – foei! welk een woord ontglipt daar, – door der Muzen onzer poŽten – alweder die Grieksche zuurdeesem – door onzer dichtkunst het uitheemsche kleed te doen afleggen, al slaagden wij er nog niet in haar een schooner te weven, dan waarin Hellas de hare hulde. Ik wil mij niet beroepen op Schiller’s bekende klagt over den ondergang der dichterlijkste aller werelden, – ik geloof aan de langzame, maar zekere ontwikkeling eener poŽzij, een menschengeslacht waardig, dat in den hemel zijn vaderland te gemoet gaat, – ik eisch slechts billijkheid voor den man en zijnen tijd. Frederik, de Italiaansche Frederik, die tusschen de bouwvallen der Romeinsch-Grieksche maatschappij leefde; Frederik, de katholieke Frederik, wiens toekomstige wereld bevolkt is met eenen drom van heiligen, opgevaren beschermgeesten, maar nog altijd. aan deze aard verknocht; Frederik ergert er zich niet aan. –

Luister, – welluidend, liefelijk, zangerig, doet klokgeklep zich van den burgtoren van Ischia hooren, verbreidt zich door de schemerige stilte der avondlucht, kaatst weder van de effen wateren – eene plegtige melodie – een heilige groet!

Trots zijne jicht, rijst de monarch op, en in de vensternis buigt zich zijn naakte schedel; – de pijnlijke voet vergunt hem niet dit der knieŽn te doen. Hij kruist zich – de bede rolt over zijne lippen:

„Ave Maria! ora pro nobis!”

O! dat, Ischia, Napels, ItaliŽ, de wereld, welke, eer zij insluimeren, zich in dit gebed aan de hoede der Koninginne des hemels aanbevelen, inderdaad in eene stemming verkeerden, der aandoenlijke plegtigheid. waardig! Frederik doet het – gemalin en kroost, en die sleep van koninginnen, welke met hem op den burg verwijlt, Beatrix, en beider grijze moeder, de weduwe van Ferdinand I, en zijne nichten Johanna en Isabella, hij draagt allen op!

Doch hoe zonderling het u klinke, nu hij zijn volk in de bede besloten heeft, en aan zijne vrienden denkt, nu kome er hem weinige voor den geest, maar het eerst van alle Sannazaro – en echter hij aarzelt – hij bidt niet voort – wat mag de reden zijn? Zie, zoo als hij daar zit, weder in zijnen leuningstoel neergezonken, is zijn geest nog van dezen vervuld, – hij herinnert zich de plaatsen uit de Arcadia, in welke de dichter bewees, hoe zeer liefde voor zijne vaderstad hem blaakte. Het is eene der verdiensten van het werk, welke wij, vreemdelingen, gewoon zijn voorbij te zien, eene zeg ik, want er zijn er meer, welke wij schaars opmerken; wie onzer, zonen, des Noordens, als wij zijn, wie onzer, bij voorbeeld, heeft zin voor de smart over den dood eener moeder, welke zich in herderszangen lucht geeft? En echter, hoe Frederik zich de verzen herinnert, die thans in zijne eenzaamheid opzeggende, en grooten, nadruk gevende aan elken regel, welke het voortreffelijk gemoed verraadt, dat die dacht en zong! Vruchteloos zou ik beproeven u die weder te geven; ofschoon ook wij het betreuren, dat de Italiaansche muze, welke aan de hand van Dante zoo verheven optrad, zoo oorspronkelijk de gebeurtenissen haars tijds beschouwde, allengs het zoetvloeijende boven het diep gedachte, allengs het sierlijke boven het degelijke begon te waarderen, ik heb te veel oor voor melodie, om mij aan deze verzen te vergrijpen.

Maar hoe zal ik u, zonder deze, de zege der poŽzij aanschouwelijk maken, welke zich op Frederik’s gelaatstrekken vertoont, waarvan zijne houding getuigt, die zijn glimlach verkondt? Liefelijke verschijningen, beelden van vreugde en vrede, het is of zij hem omzweven; hij heeft den tooverstaf des meesters ter hand genomen, en hij is gelukkig, hij droomt van Arcadia! Vrijheid, natuur, minne, hoe lagchen zij den man aan, die het hofleven, die de werkelijke wereld moede is! Welk eene aanlokkelijke tegenstelling levert zij op van de zeden der vijftiende eeuw in ItaliŽ, die ieder kent, al ware het slechts uit de romans, wier schrijvers naar knal-effect jagen, door het schroot der horreurs! Wat verbaast gij u over eene mijmering van dien aard? deze gezegende luchtstreek weet niets van de klove, welke ten onzent het werkelijke herdersleven van het denkbeeldige gapend scheiden blijft. Wilt ge bewijzen? Verplaats die maaijers en die visschers idealen van schoonheid en levenslust als ze zijn, verplaats hen een oogenblik op onze barre stranden, en de fluit valt hun uit de vingeren, en de bloemenkransen verdorren om hunne slapen, en als zij in staat zullen zijn onzen herfst te trotseren, onzen winter te overleven, roep hun dan toe: „werkt! zwoegt! slaaft!” met andere woorden; „doet afstand van den zin voor levensgenot en kunstweelde, welke in uw land zelfs den herdersknaap de eenzaamheid op het gebergte vergeten doet, starende op de natuur, spelende op zijne luit!” – Als het eerste u niet voldoet, hier hebt gij een tweede. – De liefde is in alle luchtstreken als in alle tijdperken te huis; maar er zijn dampkringen, waarin zij dartelt, en dampkringen, waarin zij mijmert; streken der aarde, waarin een lach hare zaligheid verkondigt; streken der aarde, waarin een zucht van hare hoogste verrukking getuigt, – elders is zij schoonst, als zij feest viert, hier welligt, als zij schreit! – Gij ziet, ik ben er verre van den invloed van het locale te loochenen; maar als ik op dien toon voortvoer, ik zou vreezen het algemeen menschelijke te kort te doen – wij allen hebben in ons leven oogenblikken gekend, waarin wij ter prooi waren aan de tooverkracht der natuur! Onze lucht is drievierde des jaars bewolkt; onze zon dikwijls kwijnende, ons landschap vlak; maar zoo phlegmatisch zijn wij niet, of ieder onzer heeft naar de verwezenlijking dier dichterlijke droomen gehaakt, in de Arcadia veraanschouwelijkt; ieder onzer heeft bijwijlen verlangd in die wereld te worden verplaatst voor welke elk hart zich geschapen voelt, eene wereld van onschuld, van liefde, van vree! Wat is het anders dan eene heugenis van het paradijs? De eerzuchtige, van welken aard ook; de staatsman, die de gunst des vorsten of des volks verloor – ik weet niet, wat in onze dagen gevaarlijkst is – de geleerde, die zijn leven den roem wijdde, en wien deze onbevredigd laat, – ik meen den geleerde, die tevens wijze is; de handelaar, – ik zeg niet den schipbreukeling, wien de fortuin den rug keerde, ik gun hem u – een’ vorst gelijk in schatten, wat wenschen zij, welke is hunne hoop vůůr den avond huns levens? eene huizing, eene hoeve, eene heerlijkheid op het land, Arcadia! De dichter, de kunstenaar, schilder of muzikus, beeldhouwer of bouwmeester, waarvan droomen zij, wat is hun uitzigt voor hun sterven? het land, Arcadia! De liefde, de gelukkige als de bedrogene, de mildstbedeelde en de wreedst teleurgestelde liefde, waar leeft zij zaligst, waar lijdt zij minst, waar is haar te huis? op het land, in Arcadia!” Wij hebben goed steden bouwen en paleizen optrekken, onze.” eerbied, onze bewondering, onze liefde voor Gods schepping: wordt niet uitgebluscht, Arcadia! Arcadia!

Frederik’s gemijmer eindigt niet als onze bespiegeling, – terwijl wij den vorst in het algemeene van dien wensch uit; het gezigt verloren, heeft het meesterstuk hem tot den meester afgeleid. Hoe grooter bewondering hem vervult voor den schilder eens tafereels, dat hoofd en hart van dezen evenzeer tot eer verstrekt; – het geheim misschien van den opgang, door Sannazarius gemaakt – hoe bitterder twijfel in zijne ziel oprijst, andermaal klaagt hij:

„Sincero! Sincero!”

Het is de naam des herders, in wien de dichter zich zelven schilderde; de naam, onder welken wij hem het eerst opvoerden; de naam, dien hij aannam, toen hij lid der Napolitaansche Academie werd, Actius Sincerus, Azzio Sincero. „Waar blijft gij?” is de zin van dien uitroep des monarchs. Hoe, Sannazarius, dien hij onderscheiden had van het oogenblik af, dat het gerucht hem den mildbegaafden jongeling aanwees, dien hij toegang tot zijne vorstelijke woning verleende, die hem het geheim zijner eerste, zijner eenige liefde voor de schoone Carmosina zoo openhartig toevertrouwde, had hij hem verlaten, verlaten in zijnen jammer? Zeldzame teederheid des gemoeds in eenen vorst, die zich het verlies eener kroon getroosten kon, maar over de ontrouw eens vriends weeklaagde! Alles was hem in de jongste dagen ijdel gebleken; de verwachting, welke hij van zijn volk had opgevat, – de hulpe, die hij van zijnen bloedverwant te gemoet zag, – de verknochtheid, waarop zijne gunstelingen hadden gestoft; – maar de eenige, dien hij liefhad, was ook deze niet, wat hij scheen? Eer de goedhartige koning het zich zelven bekende, herinnerde hij zich, dat hij Sannazarius bij zijne komst tot den troon had gekrenkt; om de eischen van drie of vier gunstelingen te bevredigen, had hij steden weggeschonken, d’Oria, Cydonia, Monte Scaglioso; onze Sincero had niets gevraagd en luttel gekregen: eene landhoeve, een jaargeld. Als hij het den hovelingen vergaf, dat zij der ondergaande zonne van Arragon bereids den rug hadden gekeerd, dat zij het rijzende gestarnte van Gonsalvo van Cordova aanbaden, welk regt had hij trouwe, voorbeeldelooze trouwe te eischen van Sannazarius? – Welk regt? – Aandoenlijk blijk zijner vriendschap, die naar een voorwendsel zocht, om een onverklaarbaar, onvergeeflijk gedrag eenen glimp van vergoÍlijking te geven. Echter kon Frederik er zich zelven niet lang mede misleiden. Sincero was teleurgesteld geweest, maar Sincero had zich gewroken, – en hoe?

Door een epigram!

Het mogt een speldeprik en geen dolksteek heeten, en den dichter het weinig scherpe verwijt door Frederik van ganscher harte werd kwijtgescholden, hoe dankbaar had Sannazarius zich sedert voor de hoeve van Mergoglino getoond. O de uren, in die bekoorlijke plaats met zijnen vriend, met de edelste vernuften zijns tijds, Pontanus, Francicello, Pudericus, ge sleten, hoe komen zij Frederik weer voor den geest! Allen prezen om strijd dat oord op de helling van den Posilippo, der, Muzen geheiligd, terwijl de oogen van Sincero getuigden, op welk een’ prijs hij het geschenk had leeren stellen. Hoe dikwijls verraste de monarch er hem, bij het aanbreken des dage, of in de stilte des nachts, als de opkomende zon de hooge kruinen der pijnboomen verguldde, of het maanlicht op het heestergewas der hoeve sliep; hoe dikwijls verraste hij er hem, zijne onsterfelijke Visscherzangen dichtende! Dan drong de in kunstregter verkeerde koning er vriendelijk op aan, dat hij de Italiaansche zangster niet om den wil der Latijnsche Muze vergeten zou; dan verhief hij zijne Arcadia boven zijne de partu Virginis; dan, – en er schieten bij die heugenis tranen in de oogen van Frederik, – dan wenschte hij, het stoute landschap gadeslaande, dat de schepter nooit zijn deel ware geworden, dat zijn lot voortdurend geleken had op den waterspiegel aan den voet des lommerrijken bergs, eenen inham der zee, welke wederschijn blijft van de rust der hemelen, schoon de storm de golf van Napels zweept!

Het werd hem niet vergund – de orkaan is boven zijn hoofd losgebarsten, een afgrond gaapt aan zijnen voet. Ongeduldig als Beatrix, verbaast gij er u over, even als zij zoude doen, wanneer zij wist, dat haar broeder zich met alles bezig houdt, uitgezonderd, met de middelen ter wederoprigting van zijnen wankelenden, van zijnen schier omgestorten troon! Hij, van wien zij eischen zoude, dat hij den doolhof der staatkunde zijns tijds insloeg, om eenen bondgenoot te winnen, of eenen aanvaller te bevredigen, of zijne beide vijanden door list tegen elkander in het harnas te jagen; hij mijmert er over, of hij nog eenen enkelen vriend behouden heeft, of dat hij met den Psalmist hebbe uit te roepen: „Er is bij menschen trouwe noch waarheid meer!” En echter, ge hadt reeds kunnen vermoeden, daar hij den ganschen dag in afzondering sleet, dat hij zijn besluit nam lang vůůr het oogenblik, waarin wij hem zagen! En hebt ge dan nooit ondervonden, dat ondanks alle vermoeijenis des hoofds door uren lange gepeinzen, het hart in de schemering zijne regten herneemt? Doch te veel reeds; zijne hand grijpt naar het fluitje, dat op eene kleine tafel aan zijne regter- ligt; waarom aarzelt hij? Als hij zijn besluit slechts zijner gemalinne had mede te deelen, zou hij het doen? Welk dit zijn moge, een middel ter wederopheffing van zijn geslacht, of een uitweg, die hem ruste waarborgt, zij zal het goedkeuren, – heeft zij, in het voorgevoel der hemelsche zaligheden, de aarde niet reeds lang uit het gezigt verloren? – En Beatrix? Neen, gij gelooft niet, dat haar oordeel over zijne keuze hem een oogenblik angstvallig maakt. Dat Arragon in Napels opbloeije of verwelke, harer blijft eene smarte, die slechts in schaamte kan ondergaan! Welk een’ weg hij zich en den zijnen versperre, voor haar staan altijd de deuren eens kloosters open, – weet gij betere toevlugt voor zulk een gemoed? – Wat mart hij dan? Huivert hij de door jaren en rampen gebogene weduwe zijns vaders te ontmoeten, – de grijsheid heeft immers eenen voet in het graf? – Of is het zijne jeugdige nicht, de gemalin van wijlen den tweeden Ferdinand, Johanna, de schoone, de rampzalige Johanna, wier toekomst hem met deernis vervult?

Geene van allen – maar er is nog eene vlugtelinge in den burg, wier oordeel hij op hoogeren prijs stelt dan dat van de beide weduwen, dan dat van Beatrix of Anne: het is Isabella van Arragon, de dochter van zijnen Broeder Alfonsus, de weduwe van Jan Galeaz Sforza, wijlen hertog van Milaan; het is eene vrouw, wier lot, volgens de uitdrukking harer historieschrijvers, zelfs de steenen tot deernis bewoog. Schoon zonder wederga, vlekkeloos, ondanks haren bedorven’ tijd, – fier van aard en hoog van moed, trots al hare aanvalligheden, trots hare tederheid van hart, – deert het hem, dat hij haar bedroeven zal, haar, die hem in de weinige jaren zijner regering waardig ter zijde stond, als zijne kwaal hem teisterde; haar die in de laatste gevaarvolle dagen eene heldenziel aan den dag legde.

Hij fluit.

En een der weinige dienaren, hem in zijnen val trouw gebleven, en op dat geluid verscheen, heeft naauwelijks op zijne bede een paar armblaakers, waarop de wapenen van zijn geslacht prijken, met ontstoken lichten binnengebragt, of het tweede bevel volgt: „Verzoek de Hertoginne-weduwe, dat ze bij ons kome!” En de dienaar is heengegaan, en Frederik, weder alleen achtergebleven, vergeet de Arcadia, vergeet Sannazarius zelfs, om zich nog eenmaal al de kansen van het genomen besluit voor den geest te roepen, om naar de breede deuren te zien, door welke Isabella zal binnentreden, – hij legt den Cicero terzijde – hij wendt zijnen stoel van het vensteraf – hij rigt zich op – „dat zij kwame!”


IV.

De hooge deuren kraken – een aardig meisje huppelt binnen, door hare moeder gevolgd: het is Isabella! die nog eene bloeijende schoonheid heeten mag, al heeft zij volle dertig zomers beleefd.

Streelend schouwspel! de vrolijke kleine kort hare sprongen in, op weinig schreden afstands het onheilspellend kussen genaderd; slechts op de teenen en maar zoetjes, sluipt ze tot bij den leuningstoel; de grijsaard kust haar. Maar ach! welke droeve gedachten gaan er in den geest van dien kranke om, nu hij de weelderige lokken van het kind glad strijkt, en in zich zelven mompelt: „Lieve Bona! hoe vrij beweegt uw hoofdje zich nog, slechts met een krans van bloemen getooid!”

„Schoone nicht!” bidt de Vorst, het woord tot de moeder rigtende, „schoone nicht! zet u, – de weÍrspoed heeft ons geen’ anderen kamerdienaar gelaten dan onzen geneesheer – en Ferrari is een oogenblik afwezig.”

Isabella heeft reeds eenen stoel bij zijnen zetel geschoven.

Pazienza, Zio mio!” – zegt zij, – „ons lot kan slechts verkeren ten goede!”

„God en Zijne Heiligen mogen u dien beteren tijd doen beleven, schoone nicht!” herneemt Frederik, en er is waardigheid in den toon zijner stem, al laat hij voortaan het koninklijke Wij weg; „voor mij, ik heb mijn besluit genomen, ik verlang rust! Weinige dagen hier in de eenzaamheid doorgebragt – in de laatste van welke ik mij zelfs uw gezelschap ontzegde – zij volstonden om eene onzekerheid te doen ophouden, welke mij meer folterde dan al mijne kwalen.” – De Hertogin slaat, ondanks hare verbazing, een’ blik op zijnen regtervoet; was het van aandoening over zijn besluit, dat deze zich zoo onrustig bewoog? – „Welk een stoet verzelde mij, toen ik uit Napels herwaarts de wijk nam – en waar is die nu? Iedere avond zag het aantal zeilen krimpen aan den voet dezer rots – vergeefs dat Ferrari mij verhelen wilde, hoe zij geminderd waren, als ik hem die des morgens tellen liet. „Waar is Bonifacio?” vroeg ik Dingsdag; „waar is Grisone?” vroeg ik Woensdag; „waar is PappaÁado? ” vroeg ik gisteren; „waar zijn zij alle, mijne gunstelingen, mijne vrienden?” Isabella haalde smadelijk de schouders op; Frederik wenkt haar hem te late voortgaan. – „Als ik hun gedurende mijne regering nog een zweem van het wigt des schepters had doen gevoelen; maar, ik overlaadde hen met weldaden, die ondankbaren! En echter, wat klage ik over wormen, die slechts tieren in het licht des voorspoeds; andere, alle magten zijn tegen mij zaamgezworen, een koning – een keizer – een paus – zelfs onze bloedverwant!” – „De verrader!” mompelt Isabella, en Ferdinad van Arragon en CastiliŽ zou gehuiverd hebben, als hij haar dus voor zich had gezien, eene wraakgodin, wier oogen vonkelden. – „Ik zou er de straf des hemels in eerbiedigen,” hervat Frederik, „als ik mij bewust was mijn volk te hebben verdrukt. Doch thans! Gij stondt mij ter zijde – gij weet hoe vurig ik verlangde Napels gelukkig te maken – welnu, het mogt niet zijn, – om mijnentwille worde er geen bloed meer gestort!”

En het gelaat des zwakken Konings heeft in dit oogenblik van zelfverloochening iets verhevens, al schudt de Hertoginne driftig het hoofd, al herneemt zij:

„Welk eene vlaag van zwaarmoedigheid beheerscht u, Zio mio? waarlijk, Ferrari zal er mij rekenschap van geven.” Doch de ernst op het gelaat des grijzen overtuigt haar, dat die toon de ware niet is. „Gelooft gij dan inderdaad,” voegt zij er bij, „dat Napels gelukkig zal zijn, als gij den twistappel aan Frankrijk en CastiliŽ overlaat? Vereenigd tot uwen val, zullen zij verdeeld wezen, zoodra ge gevallen zijt, – den storm getrotseerd, en ge komt dien te boven! O dat de ure gekomen is, waarin ik, zwakke vrouw! u herinneren moet, hoe anders mijn broeder zich in deze zelfde muren droeg, in omstandigherlen, aan de uwe gelijk! Vlugteling als gij, op dit eiland, ging voor hem de poort van dezen burg niet open als voor u, vond hij verraad in de laatste wijk, welke hem in zijn gebied restte. Ik zelve was aan boord, toen de slotvoogd weigerde zijnen knechten op te doen; ik zelve bezwoer Ferdinand zich niet in het vossenhol te wagen; „Uw hoofd is op prijs gesteld!” riep ik, „de kastelein levert het den vijanden;” de ellendige verklaarde, hem niet te willen ontvangen dan van slechts eenen dienaar verzeld. „Gij gaat uwen dood te moet,” sprak ik Ferdinand toe, en blikte naar de zee, waarin ik mij met mijne kinderen zou hebben gestort, liever dan hen in boeijen te zien zuchten. Dat was wanhoop, Zio mio! de wanhoop, eener vrouw te vergeven, en die ik echter mij schaam! – Immers Ferdinand, die zich noch aan mijne tranen, noch aan mijne voorspelling bekreunde, Ferdinand, door maar ťťn’ getrouwe vergezeld, Ferdinand stapte aan land, ging het rotspad op, de valbrug over, den burg in... het was mij of mijne oogen zich sloten, of mijn hart ophield te slaan, toen de zware deuren achter hem digtvielen. IJdele vrees! gij weet het, een oogenblik later, daar kwam de bezetting ons te moet, daar werden zij den burg ingehaald., daar waren wij veilig; de slotvoogd zieltoogde op het plein, getroffen door het staal mijns broeders – zijne trawanten hadden vergiffenis afgesmeekt! Dat was mannenmoed, Zio mio! moed, waaraan de zege verknocht is – al keerde de kans sedert nog menigmaal, Ferdinand herwon zijne kroon, Ferdinand werd de afgod zijns volks...”

De Hertogin houdt op – den linkerarm van den leuningstoel des Konings ontsprongen, grijpt Bona de hand harer moeder, – waarom weent zij zoo bitter?

„Gave God, dat uw broeder langer geleefd hadde, Isabella!” zegt Frederik, „voor mij, ik ben oud, ik ben zwak, een afstand – –”

„Een afstand!” valt zijne nicht in, eensklaps van de lieflijkste voorstelling der smart, welke ooit voor de verbeelding eens dichters zweefde, in de stoutste verpersoonlijking van lust in heerschappij verkeerd; „een afstand!” valt zij smadelijk in, „een afstand, zoo als mijn vader deed, om het verloren gezag fluks terug te wenschen!”

„Schoone nicht! hebt ge zoo lang met mij het gezag gedeeld en kent ge mij nog zoo weinig? Alfonsus en Frederik, heeft de wereld ooit broeders van onderscheidener aard gezien? Voor uwen vader als kind de wilde spelen en de wapenen, voor hem als jongeling de lauweren des krijgs, voor hem als man de glans van den troon, – terwijl ik hem in geene enkele levensvraag zijne verdiensten of zijne vreugde benijdde! Als de koene knaap er in slaagde een ros te temmen, dat ruiter bij ruiter had afgeworpen, steigerende, trots sporen en stang – als Napels den troonopvolger te gemoet stroomde, het rloor hem geŽerbiedigde, het door hem zegevierende Napels mijner jeugd, dan had ik hem te liever, Isabella! Viel ooit heerschzucht in zulk een gemoed? Eene andere liefde dan die voor gezag blaakte mij; ik was gelukkig met de vernuften mijns tijds, met – ” Hij aarzelt, hij houdt den naam in, hij vaart voort. „En meent, dat mijne hand, weÍr naar den schepter grijpen zou even als die uws vaders deed, toen afzondering en rozenkrans en kruisifiks hem verdroten, toen de kloostercel hem te eng viel, toen hij uitriep: „Mijne kroon! mijne kroon!” Schoone nicht! gij bedriegt u, een ander verschiet lacht mij aan!...”

Isabella vraagt niet welk; ter nood heeft zij de laatste woorden des Konings verstaan; haar staatkundige, ondernemingszieke geest verdiept zich in gepeinzen, welke kansen den gevlugten Monarch overschieten. Helaas! luttele, helaas! geene – heeft zij het straks niet onwillekeurig bekend, toen zij hare toevlugt zocht in – herinneringen – doet zij het thans niet, andermaal, zich op het gemoed des vaders beroepende?

„Maar gij hebt kinderen!” zegt zij, „maar uw oudste, uw Ferdinand –.”

„Mijn zoon! mijn zoon!” jammert de vader, – hij heeft aan dezen de verdediging van Tarente toevertrouwd, en Gonsalvo van Cordova belegert die vesting; – „zal ik u ooit wederzien?” En hij poost een oogenblik in onbeschrijfelijke smart. „Maar begrijpt gij dan niet, Isabella!” herneemt hij, „dat ik grootere kans heb hem te redden, door een’ vrijwilligen dan door een’ gedwongen’ afstand? Ik wende mij aan d’Aubigny en niet aan Gonsalvo! –”

„Afhankelijk van CastiliŽ of van Frankrijk; wat blijft het anders dan afhankelijk!” vraagt Isabella, en haar kleine voet stampt op den vloer. „Ik heb de hulp eens bloedverwants ingeroepen, en hij heeft mij verraden, mij en mijn kroost! Het zij zoo! – eer verdorre deze hand, eer zij zich weder met hem verzoent, eer zij zich verlaagt hem eene gunst af te smeeken! – Den erfvijand van ons Huis geve ik mij over; Orleans zal mij borg blijven voor Arragon! Wat Napels betreft, God zegene het arme volk! – zoo het mij in de ure des gevaars ontviel, ik billijk de verontschuldiging, welke het zal inbrengen: ons Huis heeft het luttel heils aangebragt!”

Hij fluistert de laatste woorden, of hij een vreesselijk geheim uitspreekt, of hij eene misdaad bekent.

Isabella, de bleek gewordene Isabella, herneemt:

„Herroep dat woord, Zio mio! herroep dien laster uws vaders en grootvaders! Slechts ik ben de schuldige; slechts heb den ondergang van Arragon berokkend!”

Schuilt er waarheid in de aanklagte? Isabella, wij zeiden het vroeger, Isabella was vroeger gehuwd geweest met Jan Galeaz Sforza van Milaan – er zouden welligt nooit gelukkiger echtelingen hebben geleefd, indien de hertogskroone niet hare morgengave had behoord. Lodewijk Sforza, de Moor, was voogd geweest haars jeugdigen echtgenoots, en draalde dezen de teugels van het bewind over te geven, toen de bekoorlijke bruid hare intrede in Milaan deed, toen Isabella, de geliefde gemalin van haren Galeazzo, moeder was geworden, moeder van eenen zoon! O de tranen, welke uit hare oogen rolden op het wiegekleed, met de zinnebeelden der heerschappij geborduurd; de tranen, welke langs hare wangen gleden, als de dag ten avond was geneigd, en de afzigtelijke, de gewetenlooze oom andermaal de pogingen haars echtgenoots inderdaad, en niet enkel in naam, hertog van Milaan te zijn, heden als gisteren had verijdeld; hoe gloeiden die tranen op het satijn, hoe deden zij der koontjes des zuigelings, dien zij optilde, wee! Maar het wichtje stak haar des ondanks de armpjes toe; het stoeide, het lachte, het kuste haar, en de wolk week van het voorhoofd der moeder voor de stralen uit zijne zonnige oogjes „Pazienza,” zeide Isabella, „pazienza! er is vuurs genoeg in dien blik, om den Moor te verschrikken! als knaap zult ge man, als jongeling hertog zijn!” Helaas! alleen de geboorte van dat wicht had volstaan, om den onwettigen heerscher naar nieuwe middelen, ter bevestiging van zijn gezag, te doen omzien; Isabella moest aan haar hof, onder hare oogen, de verachtelijke vrouw dulden, met welke haar oom lang in ontucht had geleefd, die hij thans, om ook vader te zijn, om ook erfgenamen na te laten, schaamteloos had gehuwd! Vergeefs, dat de dochter van Arragon de feestzalen ontweek; het werd haar in het oor gefluisterd, hoe de Ferrarische zich door het ligtzinnige hofgezin zag gevierd, hoe zij voor hare bastaardtelgen naar vorstelijke echtverbindtenissen reikhalsde – wraak het, zoo gij durft, dst Isabella hare stemme ophief, dat zij den toen regerenden koning van Napels, haren grijzen grootvader, te voet viel om bescherming en om wrake, wrake voor den hoon haar aangedaan, bescherming voor haar kind! Gezantschap op gezantschap werd door den monarch naar Lodewijk Sforza afgevaardigd; hoe hoffelijker deze zich zagen bejegenen, hoe duldeloozer het lot der jeugdige echtelingen wierd; Isabella en de haren stonden aan beschimping ten doel; Isabella en de haren leden gebrek, terwijl de boden beloften overbragten, dat Galeazzo heerschen zoude. Dat leed Alfonsns niet langer! Als vader het dralen moede, dreigde hij met oorlog, en vervulde aanvankelijk den duur gezworen’ eed. Lodewijk Sforza riep Karel VIII ter hulpe, en de Franschen waren niet van de Alpen gedaald, of Ferdinand stierf van schrik, of Alfonsus – maar waartoe hier nog eenmaal de rampzaligheden van den Huize van Arragon verhaald!

Dat gij Frederik’s stemme hoordet, dat gij al de deernis gevoeldet, die in den toon ligt, waarop hij: „Isabella! Isabella!” roept, en zijnen zetel digter tot haren stoel schuift, spijt zijner jicht! –

„O mijn oom!” barst zij uit, „het leed was ondragelijk geworden; vrouwe, aangebedene vrouwe te zijn, en mij te zien verguizen in het rijk mijns goeden gemaals, – moeder te wezen en mijn kroost verstoken te aanschouwen van alles waarop zijne geboorte het regt gaf! – Honderdmaal heb ik sedert mij zelve afgevraagd, of ik anders had moeten handelen; doch hoe zwaar God ons bezocht hebbe, mijn antwoord was: neen! neen, als het zijn zal ten uitersten dage. Engel in geduld als hij was, heeft zelfs mijn Galeazzo het mij niet verweten, toen hij stierf!”

„Isabella! deed ik het?” vraagt Frederik.

Maar de weduwe, harer smartelijke herinneringen ter prooi, antwoordt hem niet; – de hand, op het hoofd van haar dochtertje leggende, aan hare voeten geknield, vaart zij voort:

„Lief wicht! van welken jammer uwer moeder zijt gij al getuige geweest! Ge wist niet waarom ik schreide, toen uw vader te Pavia zieltoogde; ge hadt nog nooit een’ doode gezien, hij zou de eerste zijn! Hoe hij zich oprigtte van zijn leger, toen Karel hem bezocht, pijnlijk oprigtte, om tot den verwinnaar, te zeggen: „Ik ben vergeven, Carlo! heb deernis met mijn kroost!” – De Koning beloofde mij zijne bescherming, mij, die nog altijd hoop had gevoed op de beterschap mijns echtgenoots, die toen eerst het schrikkelijke geheim vernam. En echter, Bona! echter vonden wij slechts eene schuilplaats in Napels – echter...”

Verg niet van Isabella, dat zij zegge, welke vreeze haar martelt, hoe luttel hope haar overblijft ooit haren zoon, ooit haren eersteling weder in hare armen te drukken. Snikkende stort Bona zich aan haar hart.

„Doch,” vaart de moeder voort, de kleine hartstogtelijk kussende, „doch van dezen dag zult gij heugenis hebben, Bona! hij voltooit ons ongeluk. Er bleef mij een uitzigt over, het uitzigt u gelukkig, groot te zien; van heden af is ook dat vernietigd; de ondergang van ons Huis zal de jeugdige hoofden het zwaarste treffen, schuldelooze, als ge zijt!”

Het is eene vlaag van verteedering, welke hare verklaring vindt in het onverwachte van Frederik’s besluit, in het vruchteloos overpeinzen van middelen te zijner redding, en daaruit gevolgde wanhoop. Echter duurt zij reeds te lang voor Isabella’s karakter.

Zio mio!” herneemt zij eensklaps; „heb ik u ooit, toen ge rustig regeerdet, met beden voor mij of de mijnen gekweld?”

„Isabella! wie verweet het u? Als Anne mijne schatkist plunderde voor hare Heiligen, – als Beatrix mijne jicht verzwaarde door hare klagten – als Johanna, als mijne moeder door beider somberheid een’ nevel wierpen over het zonnigst uur – dan stondt gij me ter zijde, opbeurende en schragende – in de laatste dagen gedroegt gij u heldhaftig zonder voorbeeld...”

„Als de dochter van Alfonsus, hoop ik,” valt zij in, „welnu, sta mij, om den wille onzer vriendschap, eene bede toe –

„Welke, schoone nicht?”

„Geene overijling, Zio mio!

„Overijling!” herneemt Frederik, „al waarvan ik mij zelven beschuldige is van uitstel, uitstel eene kroon neder te leggen, welke mijn hoofd niet past. O dat ik minder lang gemard hadde het te doen, ik zou het geloof behouden hebben aan eenen enkelen vriend. –”

„Een’ vriend?” vraagt Isabella verrast.

„Aan de trouw van Sannazaro,” antwoordt de Koning.

„Draal langer een besluit te nemen,” hervat de hertogin, „en de tijd zal dezen terugbrengen met den voorspoed!” voegt zij er schier schamper bij, een de tijd zal middelen aanbieden,” laat zij er ernstiger op volgen, „ter uwer redding. Zoo waar als Lodewijk de Moor reeds in de boeijen der Franschen voor zijne gruwelen boet, zoo waarlijk als God regtvaardig is, zal uwe geregte zaak –”

„Stil, Isabella! stil,” zegt de Koning, „de Heere slechts weet waarom al de rampen onzen Huize overkomen; ons past het dragen, – Hem het oordeel! – En wat Sannazaro betreft – – ”

 „Bewaar uwen schepter,” zegt zij, „herwin uw rijk, en ge zult verzenmakers te over hebben.”

„Verzenmakers, schoone nicht! Verzenmakers, die iedere magt afgoderen, heden Frederik, morgen d’Aubigny, overmorgen Gonsalvo; zij zijn talrijk als de bloesem onzer jasmijn, maar zij verstuiven ook als deze. Een vernuft als dat van Sannazaro volstaat voor eene eeuw! Zie mij zoo vreemd niet aan; ik zeg u, de dag komt, waarin de wereld naauw heugenis hebben zal van onze heerschappij over Napels, de eeuw, in welke van heinde en verre bedevaartgangers den Posilppo zullen opgaan, om de hoeve van Mergoglino te bezoeken; waarin Frederik slechts zal worden gedacht als de vriend van Sincero! Was ik het inderdaad!

Isabella zwijgt, de Koning strijkt met de hand langs de grijze wimpers, en gedurende de pooze blikt Bona beurtelings moeder en haren oudoom verbaasd aan.


V.

Er wordt twee, er wordt driemaal aan de deur getikt; eindelijk heft Frederik het gebogen hoofd op, eindelijk roept bij: „binnen!” en nu, mag hij zijne oogen vertrouwen? Uit de schemering treedt eene bekende, eene geliefde gestalte allengs nader, – het schijnt de reiziger, die in het bootje zat, – hetwelk wij zoo lang uit het gezigt verloren, – de man van middelbaren leeftijd buigt de knie voor de voeten des monarchs, – het is Sannazaro, die zijne hand grijpt, snikkende:

„O mijn Koning!”

„Sincero!” roept Frederik in hartstogtelijke vervoering uit; maar welk schrikbeeld rijst eensklaps voor zijnen geest op? Met sombere, schier straffe stem, vaart hij voort: „ Wat komt ge mij vragen? Weet ge dan niet, dat ik niets meer te geven heb? Of eischt ge, dat ik u van uwen eed van trouwe aan mijnen persoon ontsla? Sannazaro! het is eene ijdele pligtpleging!”

„O, mijn Koning!” valt deze in, „vanwaar dit wantrouwen?”

„Wantrouwen?”hervat de monarch, „alsof het niet vreemd zoude, zijn, zoo ik nog van menschelijke deugd geloofde; alsof ik, toen ook gij verdwenen waart, niet het regt had te vreezen: – morgen verlaat mij ook Ferrari, morgen verlaten zij mij allen – o God! blijf mij bij!”

„Den Meester!” zegt Sannazaro, „mijnen rampzaligen Meester houde ik die twijfeling ten goede; maar den vriend. –”

Rijs op, mio Sincero!”

„Niet eerder, mijn Koning!” en zijne regterhand haalt eene beurs te voorschijn, met dukaten gevuld, en de Hertogin, die achteloos heeft toegeluisterd, ziet verwonderd op, „niet eerder voordat ge dit weinige hebt aangenomen, de reden, de verontschuldiging van mijn vertrek. Toen ik u uit Napels overhaast volgde, vergunde de verwarring mij niet iets mede te nemen; een enkele dag verwijls hier was genoeg, om mij te overtuigen, dat uwe middelen spoedig zouden zijn uitgeput, dat ik u tot last wezen zou. Gelukkig ben ik er in geslaagd, den tol van Gaudiello en een paar oude kasteelen te verkoopen, – versmaad het weinige niet! Zoo spoedig ik kon, keerde ik terug, niet spoedig genoeg om van verdenking vrij te blijven – voortaan verlaat ik u niet meer!”

Er straalt goedkeuring, er straalt bewondering uit de oogen der Hertogin.

„Vergeef mij, mio Sincero! vergeef mij,” roept Frederik, met dezelfde openheid van aard, waardoor hij hem straks verwijtende ontving; „maar gij doet het, gij gevoelt, wat ik in die twijfeling aan uwe trouw heb geleden!”

En de goede monarch ontsluit hem zijne armen; Sannazaro ligt aan zijne borst.

„God zij gedankt!” snikt de Koning, „God zij gedankt voor deze genade; voortaan verlaat ge mij niet meer! Noch Lodewijk, noch Ferdinand bezitten een’ vriend als ik; voor al hunne magt, voor al hunne schatten, ruilde ik u niet! Voortaan verlaat ge mij niet meer; voortaan vergezelt ge mij in den vreemde, mio Sincero! want ik doe afstand van mijnen troon; want ik: wil rust!”

Hoe Isabella’s oogen de uitdrukkingen bespieden, welke het gelaat van Sannazaro bij deze woorden aanneemt! – Zij heeft eenen bondgenoot gevonden in de afkeuring van het ontwerp; – andermaal bestormt zij den Vorst met hare bede om uitstel; de dichter voegt er de zijne bij.

Vergeefs, schoone nicht! vergeefs, Sincero!” herneemt de Koning, en zijne oogen hebben op dit oogenblik iets van den glans, die den dweeper verraadt; „vergeefs wilt ge mij doen wankelen. Toen het lot mij den last des bestuurs oplegde, heb ik gepoogd dien te torschen, voor zooverre mijne kracht het toeliet. – Gij weet het – ik streefde er naar regtvaardig te zijn, en ik werd miskend. – ik was goed, en men schold mij zwak! – Wat schudt gij het hoofd? Het ware luttel geweest, dat de adel mij nooit den dood van Antonello vergaf, indien slechts het volk in mijn vonnis het bewijs had gewaardeerd, dat ik, als regter, hoog noch laag kende, dat ik de schuld strafte, tot in den laatsten telg van ouden Huize toe, al had deze slechts de dochter eens landmans onteerd. Isabella! denk niet, dat ik u verwijt, dat gij het mij aanriedt, – de schare zou mij als hervormer der zeden hebben gegroet, ware Costanza niet met haren verleider op het schavot gestegen, had zij den geest niet gegeven, toen de beul zijn hoofd ophief. Deernis verving afgrijzen – het offer beklagende, zag men de misdaad voorbij! – Hervormer der zeden, en ik regeerde over Napels, over Napels, dat vergat, hoe Costanza’s vader ons smeekte, de schande zijner dochter te wreken; over Napels, dat zich slechts de uitspattingen van ons eigen geslacht herinnerde! Hoe deze gewroken worden tot in het derde, tot in het vierde lid! Waar vertoonde zich geestdrift voor ons Huis, toen de Franschen aanvielen en verwonnen, waar, dan ter plaatse, waar gij de jeugd des lands aanvuurdet en voorgingt, Isabella! jong en schoon als ge zijt! Hetzelfde vuur zal overal ontgloeijen, waar gij u vertoont; doch voor mij, afgeleefden kranke! voor Arragon is de dag der vergelding gekomen! Wat klage ik, – Sincero, gij gaat mede!”

„Tot in den dood!” antwoordt Sannazaro, op den vragenden ik van zijnen Vorst, „schoon ik u bezweer –”

„Vrees niet, dat ik veel verliezen zal; wat ducht ge, dat de heerschzucht mijns geslachts mij blaakt? Als ooit het bloed driftig door mijne aderen stroomde, ik leerde het vroeg beheerschen, Caro mio! – zoo ik weleer ongelukkig was aan de zijde mijner koele Anne, ik bleef voor de hartstogtelijkheid van Beatrix bewaard, ik gruw er van! Welligt erfde ik van mijne voorzaten slechts een Deel van den geest mijns grootvaders, – Sincero! voortaan zullen alle uren de onze wezen! Verdenk mij daarop niet van alleen mij zelven te zoeken; slechts door den afstand valt Ferdinand te redden, ik wil geen schuldeloos bloed meer op mijne ziel! Zie, mijne vrienden! de tijd, die het geslacht der Borgia in het gestoelte der eere plaatste, Cesar vorstelijken rang bedeelt, die Alexander paus maakt, is de mijne niet. Sincero! wij zullen vergeten gelukkig zijn?”

Sannazaro zucht, maar herneemt:

„O mijn Koning! ik wil niet herhalen, wat gij uw goedaardig, maar ontmoedigd volk, wat gij uw geslacht schuldig zijt; doch weet gij, wat het is in den vreemde om te dolen, weet gij wat ballingschap zegt? Herinner u de woorden des grooten meesters, hoe zwaar het valt vreemde trappen op te klimmen, hoe bitter het brood smaakt, ons elders voorgezet – hoe wrang de beker – doch gij kent Dante als ik, – ik bid u, ziehier!”

En de dichter troont zijnen vorst naar het venster, met kussen en stoel, en Isabella en Bona, die zich ter wederzijde van den kranke groepten, allen staren beurtelings op naar den wolkenloozen hemel, allen zien beurtelings af op het rimpellooze water.

„Liefelijke luchtstreek!” spreekt Sannazaro, terwijl al de pracht eens zuidelijken starrenhemels de zee aan hunne voeten verzilvert; „liefelijke luchtstreek! of wie uit u scheidt, ook de heugenis dierf van uwen luister, of hij de heugenis dierf uwer zon. Morgen, mijn Koning! morgen zal zij voor u als voor den minste uwer onderdanen weder aanlichten, – eerst een verheelde gloed den Vesuvius in vlam zettende, of zijne gramschap blaakt – dan eene zee van licht, die den sluijer scheurt, welke om de helling van den Posilippo zwiert, – weldra de god des dags, die, door het weefsel van lommer en kastanjes henen, een’ welgevalligen blik op het graf zijns lievelings werpt, die de assche van Virgilius zegent! – En gij zult het weergalooze schouwspel bewonderen en genieten, en de minste uwer onderdanen, zeide ik, zal zich verlustigen als gij, wanneer de ]pijnboomen huiveren en de aloŽ’s geuren; wanneer het geitenlam in den milden schijn van rotsklove op rotsklove wipt; wanneer de oranje- en mirteboschjes van mijn Mergoglino hun balsemen wademen... ” Sannazaro, onwillekeurig aangedaan, houdt een oogenblik op. „Doch wee uwer, mijn Koning! wee uwer; in vergelijking met den minste uwer onderdanen, zult ge beklagenswaardig zijn, als gij u slechts in de duisternis van den vreemde den glans herinneren zult, die, den hemel afgezegen, de spitsen van Napels’ heiligdommen kust, en voortstuwt over het weergaloos blaauw van deze golf! Wee uwer, als alleen de verbeelding u in het graauwe verschiet dier onherbergzame streken den purperen gloor schilderen zal, waarin de eilanden onzer zee, waarin Ischia en Procita, drijven. Wee uwer, als gij naar den luister van dit landschap smachten zult, te midden eener natuur, tot trage ontwikkeling gedoemd, die wegkwijnt in mist, die krimpt van koude! Hoe heugt mij dat leed!”

Frederik staart voor zich, – Isabella hoopt, – alleen Bona blikt naar de starren – Sannazaro neemt nog eenmaal het woord:

„Heimwee, mijn Koning! gij hebt het nimmer gekend, heimwee verkeert den dag in zuchten en den nacht in tranen; helaas! dat de foltering ophield, als de voet weder den vaderlandschen bodem drukt, dat dan geen der beminde voorwerpen, welker beeld wij in den vreemde met ons droegen, vergeefs werd gezocht! Ook dat leed bedreigt u, ook de wroeging, die aan mijn leven knaagt, de wroeging, dat ik den laatsten zucht van de lippen mijner Carmosina niet opving; gij weet, zij verscheidde, toen ik in Frankrijk was, mijn Koning! gij hebt gemalinne en kinderen, lacht de ballingschap u nog aan?”

„Ik red er mijn zoon door,” herneemt Frederik, diep getroffen, maar onwrikbaar; „gij gaat mede, Sannazaro! in uwe Arcadia zal ik de nimfen van den Sebethus aanschouwen, beluisteren, om mij zien! – en als ik sterf, zult gij mijne assche naar Napels overbrengen – God sterke mij en zij met mij in den vreemde!”

Mijne avondschemering op Ischia is voorbij – de nacht was alreeds ingevallen; waartoe zoude ik u langer vermoeijen met eene mededeeling der honderde ontwerpen, welke Isabella haar leger beraamde en ontwierp; waartoe zelfs met het eenige, dat zij Frederik den volgenden morgen voordroeg? Hij hoorde het aan, hij volvoerde des ondanks zijn besluit. Een bootje verliet de haven van Ischia – de vertrouweling, die het naar Napels overbragt, droeg eenen brief voor d’Aubigny bij zich, – de Veldheer kwam tot den Vorst. En den weÍrzin opvolgende, dien de trouweloosheid zijns bloedverwants, Ferdinand, hem inboezemde, gaf Frederik zich aan Frankrijk over – de poging, zijnen zoon te redden, slaagde kwalijk; jongeling sleet jaren in Spaansche gevangenis; Karel V droeg zorg, dat hij geen wettig oir naliet!

En Frederik?

Ware ik schilder, zijn scheepgaan van Ischia zoude stoffe op leveren voor een treffend tafereel; het hertogdom van Anjou was hem door Lodewijk XII tot apanage geschonken; hem was eene eerewacht toegezegd, een inkomen, wie weet wat meer? Slechts twee vrienden vergezelden hem: Sannazaro en Ferrari beide overbewust, dat hunner trouw geene dienst van lange jaren zou worden gevergd. Anne van Savoije scheidde van hem, zoo als zij van alles had leeren scheiden, om den wille des onverbiddelijken hemels, – er vloten tranen van onder de grijze wimpers zijner moeder; haar harte brak! – Schuif Beatrix in de schaduw, ik weet geene betere plaatse voor haar; maar licht, veel licht op de belangwekkende schoonheid van Johanna, de verweduwlijkte gemalin van zijnen voorganger op den Napolitaanschen koningstroon; – licht, veel licht, het hoogste licht op Isabella, die ’s mans toekomst voorziet! Luttel jaren in den vreemde doorgebragt, en verre van zijn geboorteplaats, – hem door Sannazaro vergeefs in zijne krankte voorgespiegeld, – overleed hij in den jare 1504, te Tours, zonder vermetele, vruchtelooze pogingen te hebben aangewend, het verloren gezag te herwinnen; in dit opzigt zoo verre boven de meeste afgetredene koningen verheven, als hij het in geestbeschaving boven het gros zijner tijdgenooten heeten mogt!

Indien mijne proeve, een letterkundig verschijnsel, in verband met zijnen tijd te beschouwen, u eenig belang in de Arcadia doet stellen, dan deert het mij, dat ik u zeggen moet, dat het werk van Sannazaro in het oorspronkelijke ten onzent zeldzaam is – de heuschheid eens geŽerden vriends verpligtte mij, door de leening van eene Venetiaansche uitgave des jaars 1531, uit de Koninklijke Bibliotheek, te ’s Hage, geloof ik. Wij hebben echter eene getrouwe, verdienstelijke vertaling van Pieter Vlaming, voor zooverre het proza betreft; wat de verzen aangaat, het is halsbrekenswerk de Italianen na te volgen, ook waar de zoetvloeijendheid minder in klankenspel ontaardt dan bij Sannazaro. Doch ik schrijve voort, of ik u niet had verveeld – deed ik het, wees gul genoeg het te bekennen; gij zult er door voorkomen misschien later geplaagd te worden met eene andere, met de eenige Arcadia, waarvoor ik buiten de u aanbevolene sympathie hebbe, met die van Sir Philip Sidney!