AANTEKENINGEN

Bij Potgieters verhaal Jan, Jannetje en hun jongste kind

De ondertekening W.D-s is een pseudoniem gebruikt door Potgieter.

De tekst is afkomstig uit de serie Klassiek Letterkundig Pantheon, deel 167. Uitgegeven Zutphen door W.J. Thieme & Cie. De uitgave is verzorgd door Dr. Jacob Smit. Uit zijn voorbericht het volgende:

”De tekst is een herdruk van die in de Gids van januari 1842. De kleine veranderingen die deels wel op voorstel van Cd. Busken Huet werden aangebracht in de herdruk van 1864 (in de bundel ”Proza 1837-1845”) zijn aangegeven aan de voet van de bladzijden.”

Deze ’veranderingen’ heb ik genegeerd: het zijn er slechts weinig, en het gaat meestal om een andere vervoeging van een gebruikt woord, zoals ’paradoxale klagt’ in plaats van ’paradoxe klagt’.

In het nawoord gaat Dr. Smit diep in op de tekst, en zoekt paralellen met vergelijkbare verhalen in de buitenlandse literatuur. Hij legt ook verbanden tussen de jeugd van Potgieter en het geschrift. Aan het slot volgt een alinea over de stijl en de grammatica die het vermelden wel waard is:

”Zijn grammatica is die van Siegenbeek en Weiland. De geslachtsonderscheiding van de naamwoorden, de oude naamvalsleer wordt in acht genomen... [nu volgen enkele voorbeelden] ... Ook zijn woordenkeus is nogal ouderwets-deftig.

Men moet toch niet over het hoofd zien dat hij probeerde een populaire toon aan te slaan. Hij gebruikte studentikoze termen als weergaas; verduiveld veel; waratje... [en nog meer voorbeelden] ... Een zekere volksaardigheid bereikt hij vooral door een frequent gebruik van spreekwoorden en spreekwoordelijke uitdrukkingen, terwijl het liberaal-historische karakter van het stuk vooral ook versterkt wordt door talrijke citaten, [...] speciaal ook uit de nadrukkelijk burgerlijke Roemer Visscher. Hij verzamelde aantekeningen over spreekwoorden en noteerde citaten, maar dikwijls citeerde hij ook uit het hoofd.

Wat de opbouw van het verhaal betreft, daarin valt een sterke neiging tot parallellisme en het gebruik van tweetallen op. Men leze aandachtig van ”Jan is zo dikwijls opgehemeld” en het volgende stuk. De ene helft handelt over de lofzangers, de andere helft over de uitschelders. Ze komen systematisch aan de beurt, en Jan besluit de lof met een pijp tabak, en de buitenlandse kritiek met een glas jenever. [...] Ook voor krasse alliteraties heeft hij een voorkeur. Zo werkt ook de stijl mee aan de algemene indruk van gebondenheid en vaste karakterkracht die het stuk maakt. Het is een stoer, compromis-loos manifest uit de dagen toen ons volk zo’n stevige stoot vooruit bitter nodig had.”

De indeling van de tekst die ik heb gebruikt volgt het origineel exact. Er zijn twee verschillen: wat in mijn tekst vet is gemaakt, is oorspronkelijk gedrukt in ’kleine hoofdletters’ met een iets ruimer gespatieerde letter. Verder zijn alle persoonsnamen in het boek geschreven in ’kleine hoofdletters’, waarbij, in het geval dat een naam als eerste woord in een zin voorkomt, de eerste letter een ’echte’ hoofdletter is. Ik heb echter alle namen volledig met ’echte’ hoofdletter getypt.

De cursiveringen zijn wel origineel, evenals de witregels.

Piet Bron