E. J. POTGIETER (1808-1875)

EEN DAG TE KLEEF.

Wandelingen naar, in en om de stad Cleef, over Montferland en Eltenberg, met een platten grond van Cleef en omstreken. Amsterdam, H. W. Weytingh. 1859,


In eene lucht, vol geurs van kruit en bloemen

Vondel’s lierdicht „op de marmeren Pallas
van Joan Mauritius.”

Een goedhartig maar medelijdend glimlachje, ziedaar wat u wacht, wanneer gij er voor uitkomt, dat ge de weinige zomerdagen, welke ter uwer beschikking stonden, met genoegen te Kleef hebt doorgebragt; dat gij uwen viertijd in de omstreken van het stadje waarlijk genoot. „Kleef,” klinkt het; – maar van welk tal van teekens de drukkerij voorzien moge zijn, dat ondeugend middending tusschen vraag en verbazing, ’t welk ieder uwer bekenden zich veroorlooft er achter te zetten, ontbreekt haar, – „Kleef,” en de toon, waarop het woord wordt uitgesproken, heeft beurtelings iets van een verwijt of van beklag, „Kleef.” Hagchelijk oogenblik, waarin het aan het licht komt, of en hoe ge u hebt vermaakt, – wie van beiden aanvaller of verweerder, niet den zuiversten zin voor het schoon der natuur blijkt begaafd. Het geldt hier minder den toets van hen, bij wie het met deze ook niet breed staat geschapen, zij die aan de villeggiatura maar mededoen, omdat zij tot de mode du grand monde behoort, die op den schoonsten zomeravond eene operazaal in de buurt eene alleraardigste ressource heeten, helaas! zoo zijn er, maar die gaan niet naar „Kleef.” Het geldt hier, ach! zoo zijn er ook, zijn er velen, hen, die eenige sporten lager geplaatst op den ladder der beschaving, beweert men, op dien der fortuin zouden wij er willen bijvoegen, zich verbeelden door zulk een stappen over de grenzen in Duitschland, te zijn geweest, die bij Maywald niet louter het onvergelijkelijk uitzigt van het terras, die er ook den toon, en wel niet alleen: dien der eeuwige muzijk prijzen, die dweepen met het Schtzen-Bal, – hola! Wat ter wereld zou ons echter het regt verleenen om u onder die schare te schikken, welke, zegt zij, voor iederen gulden, dien zij daar uitgeeft, er voor drie pret heeft; het is er pret naar! wat zou ons de bevoegdheid geven u bij hen te tellen, die afdeinzen, die inkrimpen, die Kleef verloochenen als hun voorname vriend van zijne verre togten ophaalt, zelfs den moed missende hem te vragen, of hij zich op deze wijzer gedroeg dan zij op den hunnen. Liever stellen wij u ons voor, ondanks het verkeer in het gewoel van velerlei wereld zoo eenvoudig van harte gebleven, als vereischt wordt om in vollen zin het leven op het land te smaken, maar tevens schalk genoeg om met het geduldigste gezigt dat goedhartig glimlachje te verdragen, tot de overmoed ten val voert. „Tien dage in Kleef,” hoort gij en laat gij in nen adem zeggen: „maar amice! in tien dagen hadt ge Belgie, hadt ge den Rhijn, hadt ge Ems, Wiesbaden, hadt gij de Saxische Schweitz kunnen zien,” en lacht op uwe beurt en herneemt: „Af-, op- en overvliegen, meent ge; minus het genot van den vogel, de vrije lucht!” inderdaad, gij hadt regt, maar naar Kleef te gaan.

Wij hebben door dit woordje tot inleiding duidelijk genoeg aangegeven van welken geest we zijn, en zullen er ons dus ook niet over beklagen als zoo verre gekomen ons gehoor wegkrimpt tot telbaar wordens toe.

Wandelingen naar, in en om Cleef,” heet het dunne octavo dingske, dat ons bij een herhaald bezoek van die streek vergezelde, dat ons tot dit opstel uitlokte: het is goed, het kon beter zijn. Wanneer het een tweeden druk mogt beleven, – en waarom zou het dat niet? – make de onbekende schrijver zich onzen wenk ten nutte: het heeft te veel van den Hollander onzer dagen, potisch laat hij te wenschen over, en practisch is hij ook niet wat hij wezen moest. Baedeker geeft aan het slot van zijn Rheinlande in een paar bladzijden de voornaamste topografische en historische bijzonderheden, door onzen auteur wat uitvoeriger geboekt, maar hij voegt er over de middelen van vervoer en verblijf kleinigheden bij, die hare waarde hebben. Het is blijkbaar het doel van den hollandschen schrijver wat hooger vlugt te nemen, doch heeft hij zich wijselijk gewacht voor het lamzalig langwijlige onzer oude Arcadia’s, wij doen zijn vlugger wandelingen niet mede; hij beschrijft waar hij schilderen moest. Zelfs de schikking zijner hoofdstukken, het historisch overzigt achteraan, bewijst dat hij zijne stoffe niet volkomen meester was, iets zoo min diep gaands als dit, had op de wandelingen zelve moeten worden verteld. Onderzoek en Phantasie is niet maar de titel van een mooi hollandsch boekske, het verband, waarin beide tot elkander moeten staan, is daarin zoo helder aangewezen, dat louter die woorden eene diepe les zijn geworden. Hier reikt, het onderzoek waarlijk niet verre. Wie vier en twintig bladzijden over Kleef schrijft, had er drie aan eene monographie van dien vermaarden Rijksvorst mogen en moeten wijden, aan wien het zoo vele zijner schoonheden is verschuldigd. Er viel eene fraaije bladzijde te leveren over dien natuurvorscher in de ongerepte wouden van Brazili, den avond zijns levens op Berg en Daal doorbrengende, al bouwende en al plantende in dubbelen zin Lafontaine’s bekende fabel bevestigend: het geboomte overleeft er het gesticht. Wij hooren, ja, van Joan Maurits spreken, maar zonder eenig blijk van studie; en, mogen wij al geneigd zijn het den ongenoemde, ten goede te houden, zoo hij er bij zijne vlugtige behandeling niet van rept, dat het Napoleon was, die in 1811 des grooten stadhouders vervallen grafste deed herstellen, – hoe karakteristiek intusschen die hulde van de eene genie aan de andere, heeten mogt, – vergeven kunnen wij het hem niet, dat hij van Vondel naauwelijks meer dan in het voorbijgaan (blz. 19) gewag maakt. Het is de ware twijfelaarsuitdrukking voor zulken twijfelaarslof als hij geeft. Gaat, wie ge wezen moogt, die deze bladzijden inziet, gaat niet uwe vroegste herinneringen te rade, en getuigt met ons, we vreezen geen werspraak, dat het Vondel viel dank te weten, zoo Joan Maurits allen Hollanders lief bleef; dat gij hem meer uit de pozij dan uit onze onvolkomene historin leerdet kennen. Wat ons betreft, wij doolden nooit in de Diergaarde om, of wij waanden, in een der bassins de statue van Minerva begroetende, door de stad Amsterdam aan den stedehouder van Kleef geschonken, de verzen dier lier te hooren, welke vleide, toen zij den beeldhouwer Fidias-Quellijn prees, maar schilderde naar de natuur, schilderde zoo, dat het gestreelde landschap het eeuw uit eeuw in herhaalt, als zij de bestemming van het geschenk dus aangeeft:

Om tot cieraet van ’s Vorsten bron te strekken:
Daer buiten Kleef hy zooveel levende aderen
Ten bergh uit lokt, het eeuwigh leven teelt,
En onder aan de voeten van het beelt
De sprongen in een’ boezem rijk vergaderen.
Narcis zal op zich zelven hier verlieven,
Bespiegelen den schoonen wederschijn,
Verscheenen in het spiegelkristalijn.

Voor ons geen uitstapje in die streken en dat niet de heerlijke regelen in ons geheugen herriep:

Nu stoft het Kleefsche bosch op zijn doorluchte treden,
Daer d’oude Hertogen, begruyst van zweet en stof,
Te paerde met de zon des avonts, afgereden,
Gelan met verschen roof, zich wenden naer hun Hof.
Nu groeit de Rijnstroom, als de Rijxvorst langs zijn kanten
Komt draven, of hem neemt met blyschap op den rugh,
En op- en nedervoer, langs ’t wyt befaemde Santen,
Daer Cesar reedt te paerde, op d’oude legerbrugh:
Daer Burgerhart, na hem, de Roomsehe Keurebenden
Vernestelde in haer nest, en Rijn, en Maes en Wael
Durf schuimen van dien aert, totdat ze in ’t einde kenden
Den aert des Bataviers, gespitst op uitheemsch stael.
De Rijnstroom daer de Lip hem tol geeft met haar eicken,
Slaept veiligh en gerus op ’s Helts getrouwe wacht,
Wiens armen wy er dan de nieuwe weerelt reicken,
Zoo hy ten schutsheer dient voor ’t menschelijck geslacht.
Zijn plantlust wandelt stil in schaduw van zijn boomen,
Om Wezels hoogen wal, en kroont de schoone stadt.
Zy levert schaduwen aen bergh, en dal, en stroomen
En koelte in zomerzon, geschut op loof en bladt.
Dat tuight de vreughdenbergh, daer Klevenaers vergaren
En zingen haut aen hant rondom hem, aen den rey:
De rycke hemel wil den Stedehouder sparen
En zegenen, gelyck den bloezem in den May.

Vertrouw u de wieken eener Muze als die van Vondel toe, en eer gij het vermoedt zweeft gij het gebied der historie uit, de wolken der traditie op; – maar hoe hoog zij u stijgen doe, toch brengt zij u, zonder schok of slingering, toch brengt zij u op vasten grond weer, zonder dat ge zelfs een zweem van vermoeijenis gevoelt. Wat is die koenheid der jeugd anders maar eene uiting harer kracht?

We zijn van onderzoek tot phantasie verdwaald, het wordt tijd u die van onzen schrijver te doen kennen. Hij heeft er regt op dat wij u die zoowel in kalmte als in verrukking voorstellen; als had hij ons doel geraden, geven de drie eerste bladzijden van het boekske van den eenen als van den anderen toestand een treffend blijk.

Hier hebt gij haar „in rust”, zouden wij willen zeggen; de afdeeling draagt het opschrift: „Montferland en Eltenberg” en opent het geschrift.

„Wanneer men met den spoortrein van Arnhem tot het oude stadje Zevenaar genaderd is, en men daar den trein verlaat, noodigt het Montferland den liefhebber van schoone vergezigt,en uit tot een togt naar zijn plateau. – Het stadje aan de tegenovergestelde zijde verlaten hebbende, vervolge men den straatweg tot aan den molen, welke aan de linkerzijde van den weg zich bevindt. Men sla het pad over de heide op, even voor men aan den molen komt, en bevindt zich weldra in het uitgestrekte bosch. Als van zelve voert de weg over eene rij heuvels naar een vrij hoog plateau, waarop eene boerenwoning en moestuin. De eigenaar van nagenoeg geheel Zevenaar en ook van dit lieve oord, de Pruissische generaal Vorst von Hohenzollern-Sigmaringen, heeft die zeer doelmatig tot een uitspanningsoord doen inrigten. – Men heeft hier een heerlijk vergezigt en beklaagt zich het half uurtje loopens van Zevenaar niet. – Het eerste wat de aandacht trekt, is de nagenoeg even hoog gelegene Eltenberg, met het kerkje op den top. Eene wandeling over den zwaar begroeiden bergrug voert den wandelaar in l1/2 uur derwaarts.

„Lieve Eltenberg! met uwe eeuwenheugende, ontzettend diepe put met uw heerlijk zwaar geboomte en welig kreupelhout, met uw „zur schnsten Aussicht,” gij zijt de wandeling wel waard!

„Aan den voet van den berg ligt het vrij groot dorp Laag-Elten, en de vriendelijke jufvrouw Beenen, in het Oude Posthuis aan de markt, geeft voor matig geld eene lekkere hartsterking en eene zindelijke legerstede, om de van het klimmen vermoeide leden rust te verschaffen. „Van daar voert u een aangename weg, in l1/2 uur, of een spoortrein in eenige minuten, naar de oude stad Emmerich, aan den Rijn gelegen, vanwaar de koninklijk pruissische postwagen u viermalen daags de gelegenheid biedt, om voor 10 grosschen (60 cent) naar het bevallige Cleef te rijden.

Hier hebt gij haar, als gij het woord duldt „in werking”; de tweede afdeeling heet: „Cleef.”:

„Midden in een park, in romaneske afwisseling van dal en heuvel, woud en golvende korenvelden, ligt, van het stille water Kermesdal besproeid, de lieve heuvelstad. Als had de natuur over haren lieveling den Rijn, alvorens hij den duitschen bodem verlaat, nog eenmaal den hoorn des overvloeds willen ledigen, zoo heeft hij” (zij?) „Cleef met hare rijkste schatten overladen; het is de laatste doch zeker niet de minste parel, die zij met milde hand aan den oever van den majestueuzen stroom gestrooid heeft, en zij heeft er alles vereenigd, wat anders slechts gedeeltelijk wordt aangetroffen, om een rustig en vreedzaam landschapsbeeld betooverend op te sieren. Wel zien wij geen kale rotswanden de toppen hemelhoog verheffen, noch hooren wij het donderende geluid van den bergstroom, die zijne golven schuimend door vaneengeretene openingen dringt; de natuur treedt ons niet tegen in zijne” (hare?) „ verschrikkelijk schoone gedaante, met reuzenkracht scheppende of vernietigende, maar daarentegen heeft zij van den omtrek van Cleef een feentuin gemaakt.”

Overnuchter „in rust”, zoekt die phantasie, „in werking”, haar heil in tegenstellingen eigenlijk haar onderwerp vreemd; zou de schrijver, zoo ge niet scepticus genoeg zijt om er twee te vermoeden, niet iets beters, iets belangrijkers hebben geleverd, als hij zich zelven had durven geven zoo als hij is? Er zijn, die het der algemeene, der veelzijdige beschaving onzer dagen ten laste leggen, dat wij geene Comdie de Caractre meer hebben, die beweren, dat al het hoekige en kantige af werd geslepen, eer wij in de wereld onzes tijds optraden, louter gladde munten tot verdwijnens van beeld en randschrift toe. Wij wagen bij den treurigen toestand van ons tooneel in dat opzigt geen oordeel, al teekenen wij, uit naam der natuur, protest aan tegen het mogelijke, tegen het waarschijnlijke zelfs van dat polijsten, met zoo volslagen, met zoo volkomen gevolg; maar wat den stijl van vele onzer boeken betreft, helaas! hoe wij dien kennen, dien kleur-, dien karakterloozen, welke zijnen eentoonigen dreun niet afwisselt, dan om tusschen de onbeduidende woorden wat groote te strooijen, die dan voor een blijk van geestdrift worden aangezien. Als het dagelijksch leven zoo vervelend was als onze dagelijksche auteurs, wie die het uithield? vreemd, genoeg echter heeft ieder van deze in den omgang zijne eigenaardigheden, zijne indruk ken, levendige maar vlugtige, of schaarsche maar diepe, welke hij op zijne wijze weergeeft, met een zweem van oorspronkelijkheid, waardoor ze de zijne blijken en blijven, en niet die van u of van mij, niet die des algemeens, als zijne gedrukte; – dat onze wandelaar ons die hadde gegeven!

Prcher d’exemple is de eenige wijze van preeken, welke nog indruk maakt, en schoon wij er ons niet mede vleijen bij de les het voorbeeld te kunnen voegen, de ongenoemde schrijver is in zijn regt, als hij wenscht, dat wij ten minste de poging wagen, die wij zoo gaarne hadden gezien dat door hem ware beproefd. Eer wij er toe overgaan en daarmede van hem afscheid nemen, zij hem dank gezegd voor zijn „platten grond van Cleef en omstreken”, volkomen voldnende om den zwerfzieksten afdwaler ieder oogenblik weer op het regte spoor te brengen, en dus elken wandelaar te bewaren voor die vreeselijkste plage op iedere wandeling, een u alles aanwijzenden, een u niets sparenden wegwijzer, die niet zelden trage beenen pleegt te paren aan een bijzonder soort van rooden neus.


Kleef zou geen emporstrebendes duitsch landstadje zijn, als het op Bade-Anstalt noch Mineral-Brunnen boogde, maar hoe sierlijk beide het badhuis en de drinkzaal er in de Diergaarde mogen uitzien, wij zijn in den vroegen morgen bereids het een en het ander langs gewandeld, om ons aan de overzijde des wegs in den Forst-Garten te verlustigen. Welk eene weelde het fraaiste geboomte ter wereld door de frissche stralen der ochtendzon te zien getint! Onder den hoogen lommer trekt een soort van chalet uwen blik; als ge nader komt, wordt gij onder het afdak een hupsch meisje gewaar; of gij een Jupiter moogt heeten, blijft de vraag; maar zij is de duitsche Hebe, die u hier tien of twaalfderlei soort van kunst-mineraal water heeft, aan te bin. Leunende over de bank, die zich voor haar uitbreidt en een halven ellips vormt, leest gij de woorden: Aachen, Carlsbad, Ems, Marienbad, en waar die heilbronnen meer ontspringen, boven kraantje bij kraantje achter het meisje: wilt ge proeven? Wij geven een glas Selters de voorkeur, en het bruischende, paarlende vocht verlustigt en verkwikt niet slechts het aanziende, de frissche toog geeft dubbelen lust ter wandeling in het frissche landschap. Waart ge langer hier geweest, of dacht ge langer te blijven, gij wisseldet meer dan den heuschen ochtendgroet met menige lieve lijderes, die ge gister op hetzelfde uur hier aantroft, die ge morgen vroegte hier wer zoudt vinden, iederen ochtend een glas van dat medicinale vocht leppende, of het den geweken blos op die wangen berroepen mogt. Wie, die het haar niet toewenscht? wie, die er zich vast niet mede vleit, getuige der wonderen, door het water in onze dagen gewrocht: het water, waarvoor Holland voor vijf en twintig jaren vreesachtig weghuiverde waardoor het thans eindelijk, eindelijk zijne gewenschte geboorte misschien te gemoet gaat! Of acht gij de hoop ijdel, dat een ander, een krachtiger, kerniger geslacht, dan dat waaronder wij opwiessen, ontluiken zal, nu de geneeskunst allengs grooter en genegener gehoor vindt, wanneer zij dat eindeloos slikken en slurpen van flaauwe koffij en flaauwe thee afkeurt en verbiedt, nu een koele teug niet langer de vrage aan welke krankte ge lijdt op de lippen roept? Water, bier, wijn, kiest wat ge wilt van de drie, – laaf uwen dorst aan het eerste, zoek sterkte bij het tweede, beur den beker met het laatste vocht gevuld, als ge feest viert, wij zullen u gaarne bescheid doen, – maar laat staan dat spieren verslappend, dat zenuwen verzwakkend laauwe vocht, ’t geen Jan Salies gaf bij de vleet, tot een letterkunde van Jan Salie toe, verhandelingen en vertogen zonder tal, en verzen wie men het aanhoort, dat zij uit geenerlei kracht zijn opgeweld. Water, verklaar het zoo ge kunt anders dan door ons velerlei verval, hoe het ons, Hollanders, die er alles aan hebben dank te weten, ooit vreemd heeft kunnen worden? water, dat wij, in karakteristieke karikatuur, thans onze woningen dulden, stilstaande en stinkende, of geen stoomgemaal stroom scheppen kon! Het is Chinesche traagheid die uit thee haren oorsprong neemt; het is Turksche onverschilligheid, den ondergang gevoelloos te gemoet ziende onder het slurpen van een kop koffij; en echter, zoo in enig land ter wereld, in ons kleine wordt wijn gedronken; waar het aan haperen mag, dat zijn invloed zich ten onzent nog maar ten halve gelden doet? Wijn, in het Oosten als in het Westen, waar de wingert tiert, daar ruischen harp en lier het betooverendst, er schuilt iets bezielends in het vocht der druiven, verscheiden als hunne verwe naar lucht en naar land, maar alom en altijd stemmende tot mijmeren of tot minne! „En waar blijft het bier!” hooren we roepen, „ge zijt immers ook van duitschen bloede!” Lieve lezer, van wien wij reeds zooveel vergden, vertrouwende dat gij de grillige vlugt onzer gedachten me zoudt willen maken: duldt op de vraag, hoe onbescheiden het zij, eene wedervraag: lachte u ooit het Walhalla aan, waarin gij, uit den schedel des vijands dien ge versloegt, het bruiscbend gerstenvocht zult mogen zwelgen naar lust? U die hemel, zoo gij wilt, maar ons noch „brabandsch”, noch „beijersch”; wij waarderen de kracht, die het eene als het andere geeft, maar wilt gij ons gevoelen geheel kennen, de weelderige phantasie onzer oude kunst, zij welde in iedere harer uitingen noch uit hoppe, noch uit mout op, zij welde uit de Rhijnsche druif; „wijntje en trijntje” heet het, tot in de volkstaal toe; van den dikbuik is geen sprake! Statelijk geboomte, dat ons omringt, wraakt gij het welligt, dat, terwijl onze oogen zich in uwe schoonheid verlustigden, en dat spel van licht en schauw gasloegen, ’t geen door geen penseel te betrappen is, omdat het geen omzien van ruste weet, wraakt gij het, dat terwijl onze geest ons vaderland gedacht, ons gemoed zich niet geheel onder uwen indruk gevangen gaf? Vorsten des wouds uit alle hemelstreken hier zaamgegroept, of het een wedstrijd gold, wie uwer het regt toekomt boven alle gebladerte de kroon te dragen , wat weten wij weinig van uw leven! Wij staren u aan, u, die wij onze oude vrienden mogen heeten, daar het uws gelijken waren, die onze wieg omlommerden, die onze eerste schreden voor den zonnegloed beveiligden; wij staren u aan, omgeven als ge zijt van den drom uwer trawanten, slanke beuken en breede esschen, gij, liefelijke linde! gij, heilige eik! de boom der minn en de boom der trouw, als de duitsche dichtkunst u doopte! Lange dagen, langer weken, maanden, hebben wij het genot: uwer frischheid ontbeerd, hoe wel is het ons in deze te moede! Zie, wat er om ons, wat er in ons veranderd zij, gij bleeft dezelfde voor ons; even gastvrij, even gul als vroeger wuift gij ons onder uwe breede takken en twijgen verkwikking toe; slechts is onder uwe schaduw de stoet onzer heugenissen wat digter geworden; slechts krimpt door den drom van herinneringen ons voorbijzwevende, ons verschiet wat meer zaam! Onwillekeurig sluiten zich onze oogen een omzien, zonder dat het de zonnestralen zijn, die er ons toe nopen, – hoe is het ons, linden en eiken! zoudt ge ons somber stemmen, omdat uw geurige bloesem reeds tot gele bolletjes is gerijpt, omdat uw forsch blad vast de voedzame vrucht draagt! Ook in dat tijdperk is het leven u lust; dag aan dag leert de natuur het wie oogen heeft om te zien, elk van deze, welk het zij, dankbaar te genieten! Al stijgt geen vogelenchoor meer uit uwe toppen, het koeltje suizelt door uwe kroonen om; laat de dagen der liefde voor ons als voor u voorbij zijn, nog is het leven schoon in de wespiegeling van dien luister, in het zachte rood, waarvan de kimmen blozen! Statelijk geboomte! linde en eik, koningspaar in de wouden van Wodan! hoe wij de dichtkunst onzer buren huldigen, die het volk niet enkel in uwe schaduw verkeeren, die u zijn lief en leed me smaken doet, als waart ge, geschapen door denzelfden grooten geest die menschen boetseerde, bestemd dat geslacht te beveiligen en te behon; allen, ja wat meer of wat min ontwikkelde, allen toch kinderen der zelfde gezegende, groote moeder! Het is maar de helft der hulde, die Duitschland toekomt; want leeft, het geboomte in zijn lied, waar legt de wetenschap, als ten zijnent, al wat wij van natuurverschijnselen kunnen gissen, vermoeden, weten, – de ijle schalmen zijn in dien schakel nog zoo vele, – den volke in voor elk verstaanbare en genietbare opstellen bloot. Wij hebben wat boomslag op onze schilderijen, die, volgens Schasler’s geestige woordspeling, maar te dikwijls een slagboom voor studie is! Onze houtsneeschool grijpt naar onderwerpen om, als had zij stam, twijgen, loover, bloesem van het hout des vaderlandschen gronds reeds aanschouwelijk gemaakt; onze natuurkundigen klagen over onze achterlijkheid, hoe wij hun alle regt tot het verwijt zouden toekennen, als zij ons in hunnen cursus tot hen zochten op te heffen. Het hollandsch landschap zal een schoonen krans vlechten zoo er een teekenaar opstaat, die voor onze dreven doet wat Calame voor de Zwitsersche zoo gelukkig volbragt; er zouden lezers te over zijn, als de natuurkunde ten onzent maar een Schleiden had. Verleen ons eene vonk van het zoo verscheiden en toch zoo verwante vuur, dat die beide talenten blaakt, en naast den eik en de linde, van welke wij den indruk, op onze onwetendheid gemaakt, trachtten weer te geven, zullen zij voor u oprijzen, die zonen van het Noorden, hier mede ter koningskeuze verschenen, die vorsten uit Oude en Nieuwe wereld, welke hier om strijd hunne aanspraken gelden doen. Dennen en pijnen, en hoe ge meer heeten moogt, rouwe des zomers en tooi des winters, die in de vijvers dezer dreef vergeefs de werga zoekt der blaauwe waterspiegels uwer meiren, welke niet gewoon zijn maar een groep boomen, welke er zich verlustigen, een geheel gebergte met zijn woudental te werkaatsen; cederen van het oost, en tulpenboomen van het west, eene morgenwandeling verkeerende in een overzigt der geschiedenis van het menschelijk geslacht, hier de wieg onzer eerste voorouders en daar het graf van het roode ras; eene tijdsruimte tusschen beide, welke in de reeks der eeuwen maar eene handspanne blijken zal bij de toekomst die het nog beidt! – tulpenboomen en ceders, pijnen en dennen! onze gedachten grijpt eene duizeling aan, welke wijkt, zoodra wij ons gezigt tot het park om ons heen bepalen, ons vergenoegende met, ons verlustigende in zijne wergalooze pracht. En toch, hebt gij eenmaal der verbeelding den teugel gevierd, bedwingen moogt gij het vurige ros, geduldig, gedwee wordt het nooit! – daar herroept ze Heine’s liedje van den den en den palm voor onzen geest; dat wij wisten wat die boomen elkander al zwatelend mededeelen; wisten, niet zoo als wij menschen wanen zooveel te weten, alles menschelijk droomend, alles menschelijk denkend, neen, zooals de natuur niet schijnt, maar is, – alsof die Isis ooit voor ons, hare kinderen, den sluijer afleggen zou!

Ons is, onder het omdoolen in dezen lommer, dezelfde lieve gestalte driemalen langs gegleden; en, hebben wij de lijderes telkenmale heuschelijk gegroet, het is ons tevens niet ontgaan, dat een zweem van blos bij de laatste wisseling van beleefdheid de aanvallige trekken tintte, – de sluijer, eerst strak voor het gelaat gehouden, was half ter zijde gegleden, – waren wij twintig jaren jonger, de kennis zou spoedig zijn gemaakt. Het is het voorregt van het buitenleven, dat schier elk voorwendsel volstaat, om een gesprek aan te knoopen; of het meer dan den weg en het weder gelden zal, hangt af van duizenderlei kleinigheden, dat geene kleinigheden zijn. Gelaat, houding, stem, toon van deze zelfs, verraden meer dan wij gelooven, beslissen eer wij het weten; – doch waartoe de opmerking? wij zijn den Fortgarten al uitgegaan, – wees niet ondeugend genoeg te beweren, dat de lieve gestalte het voor ons deed, dat haar lichtgrijze mantel ginder op den weg al verdwijnt. Wij gaan de lindenlaan in, die van achter het vervallende Htel Stirum de vaart zoU hebben overschaduwd, ware het ontwerp van Joan Maurits verwezenlijkt, niet den Rijn tot Kleef, maar Kleef wat digter aan den Rijn te brengen; we zijn haar ten einde en slaan ter slinke om, en gaan de bouwlanden door. Er is wat haver, er is wat boekweit overgebleven, en hier en daar schakeert de klaver beider akkers, en die waarop nog schoven staan, en die welke reeds weder zijn omgeploegd, alleraardigst; maar wat ons op deze wandeling boeit, dat is niet het ruime vergezig aan onze regte in de schemering door de torens van Emmerich bepaald, dat aan onze slinke, de heuvelhellingen der Diergaarde, dat digte gordijn van donker groen, door de morgenzon met gouden luister beschenen. Op kleine schaal is ook hier weder het woord van Oken waar: „eiken en beuken vormen den krans der heuvelen – het naaldenhout is het dak van het gebergte”. Welk ene verscheidenbeid, zelfs dus van verre gezien, in die tinten en toonen van den lommer, opgaande van den voet des wegs, tot in de wolkenlooze lucht toe. Opziende, waar de adelaar mag gebleven zijn, Pruissens zinnebeeld op den top der naald geplaatst, die straks vlak tegen ons over lag; omziende waar de vriendelijke woning van Robbers schuil ging, wier wit ons voor een omzien van ver nog toewenkte staan wij een oogenblik stil, en – zoo gij er ons in onze eenzaamheid hadt verrast, ge zoudt er getuige van zijn geweest – zien wij zuur, als in zulk een landschap slechts een rooker mag doen, wiens sigaar uitging, en die in zijn vestzak frommelend bemerkt dat hij zijne lucifers vergat. Lacht om de zwakheid, ons ergerde het genoeg, dat er heinde noch veer een schepsel te ontdekken viel – stilte en legte zijn eigenaardigheden der Kleefsche landschappen, tot overdrijvens toe, – dan aan de andere zijde van den akker, een boerenknaap, die paard langs de helling des wegs grazen liet. Arme rosinante, ze zag er naar uit, z haar voeder te moeten zoeken; want dat wij eene drooge sloot waren overgewipt, en het veld doorgerend dat begrijpt ge, als gij ooit in de vrije lucht het genot van een havana hebt gesmaakt. Sancta Simplicitas! de borst proefde tusschen de eeltige handen de vonk vlam te doen worden beproefde het tot drie malen toe; Sancta Simplicitas! uw onder danige dienaar werd vast ongeduldig, want de vliegen, die de rosinante vergezelden, schenen bij beurte lust te gevoelen eea uitstapje te maken; Sancta Simplicitas! toen het eindelijk was gelukt, weigerde de knaap een sigaar, dien wij hem aanboden, en beantwoordde onzen drang met het eenvoudig, maar toch beschamend:

„Deed ik ’t er dan om?”

Waarheid is bijwijle toch onwaarschijnlijker dan verdichting.

Wij hadden, het open veld weldra moede, eene heerlijke schuilplaats gevonden in het eikenboschje, ter hoogte van het Gnadenthal van den Baron van Hovell; wij sleten er een heerlijk half uur, op het frissche gras uitgestrekt; we zagen beurtelings Rigault en Wordsworth in, – zonder boek geen ochtendwandeling, – en toch geen van beide, noch de dichter, zoo geheel in harmonie met de natuur om ons heen, noch de feuilletonist, dien wij u noemen opdat ge zijn kennis maken moogt, konden ons boeijen; die blonde slungel met zijne vraag; trad telkens tusschen de letters en ons gezigt:

„Deed ik ’t er dan om?”

Goede jongen! moogt ge gelukkig zijn, ondanks uwe bescheidenheid; de kans, dat men misbruik van haar maken zal, staat zoo hagchelijk, vreezen we.

Het lezen ging niet; het plukken van een ruiker veldbloemen des te beter; we hebben toch iets met Wordsworth gemeens in dien zin voor de veronachtzaamde kinderen van den grooten weg en van de weide.


Voor wie het tuiltje bestemd was, gij zoudt het gezien hebben, zoo gij met ons het terras bij Robbers waart opgewandeld, dat onze reisgenooten ten ontbijt allengs zag bijeenkomen; wij waren niet de eenige vroege wandelaars geweest. O invloed der buitenlucht, die de traagste dommelaars in zoo vele vlugge bijen herschept! deze hadden op de heuvelen omgedoold, gene ter zijde des huizes een lief, een nieuw zitje gevonden; de vrolijke toon van het goede morgen verkondigde eer gij het vroegt, hoe gerust de slaap was geweest. „Onder de catalpas,” klonk het, en wij schikten ons om den langen disch; welk een drom! zegt ge. Plus on est de fous et plus on rit, luidt het fransche spreekwoord uit de dagen toen Frankrijk er nog prijs op stelde te lagchen; hoe meer zielen hoe meer vreugd, heet het in ons hollandsch wat stemmiger weergegeven; doch in welke taal gij haar uitdrukt, waar blijft de gedachte; als de tijd voorbij is, waarin twee elkander genoeg zijn, kies dan... „Stil,” zegt ge, of liever nog zeidet gij, niet langer luisterende; de deurramen van een der vensters op dat balcon gingen open, en als zou de gedachte, welke wij het laatste uitdrukten, in beeld worden gebragt, daar komt de gelukkige goede bekende te voorschijn, dien wij papillon et des plus volages gezien hebben, en die nu, pre de famille, hier in stilte het echtheil geniet, zijn lieven eersteling op zijne knin. Als de tijd voorbij is, zeiden wij, waarin twee elkander genoeg zijn, kies dan uwen gezelligen kring niet te klein, en moet gij ten uwent maat houden om honderderlei redenen, buiten kan hij noode te bont zijn; de eerste voorwaarde van gesprekken van een dag, van een week is verscheidenheid, niet slechts van stoffe, ook van sprekers. Voor die van onzen kring was gezorgd, wat de dames betreft, in zoo groote mate zelfs, – en wie d deze geven in gezelschap den toon aan? – dat ons veldtuiltje zevenderlei lot zou hebben getroffen, zoo het niet der eenige ware aangeboden, die wist wat het zeggen wilde. Bij de overige? Deze, ja, zou het golijk hebben aangenomen, om het straks stillekens ter zijde te leggen; gene er geestig me he ben gespeeld, tot er geen bloempje ongedeerd was overgebleven; hier zou het, „die leelijke dingen” hebben geklonken, daar „och, hoe aardig!”, – eene enkele slechts verschikte ze en stelde ze in het licht, tot het ruikertje waard zou zijn geweest door hare vingeren op het doek te worden gebragt, eene onsterfelijkheid, helaas! onzer vreedzame verovering niet beschoren. Het is maar een kleine trek, doch schuilt niet een groot deel der geneugten van het gezellig verkeer in de opmerking, hoe juist in kleinigheden, karakter, kennis, kunstzin aan het licht komen? – Hoe woelig wordt het op het terras – voor het huis, ter zijde in den lommer, onder de catalpas zelve; het is de lieve jeugd der gasten, die haar glas melk en haar stuk, broods heeft genuttigd, die in de verte muzijk heeft gehoord, en met en zonder bonnes, brortje niet bij allen hachje de voorste, ook wel de zusjes vooruit, den oprijweg afvliegt; het het zijn de Schtzen, die voorbijtrekken, om naar den prijs te gaan schieten, – hoe die kleine kinderen zich vermaken, als zij de groote zien, den hoed met den hanenveder op – of zou het misschien die van een reiger zijn? Weg sterven de toonen en wer stuiven de knapen het heuveltje op, den grooten, golijken lobbes van een huishond in hun midden, die met zich sollen laat, een oogenblik den last op den rug duldt, en dan zijn ruiter in het zand werpt, tot ge wenscht dat te Gempt hier ware! hoe menig geestig groepje gaat zonder hem te loor. Intusschen is het eenvoudig ontbijt in het groen smakelijk genuttigd; de Martha’s – „er moeten zoo goed Martha’s als Maria’s zijn,” zou de grijze geesteiijke hebben gezegd, wiens leeftijd wij hier gister eenigen gasten te raden gaven, ieder van welke den rustigen man een tiental jaren te min toeschreef, – de Martha’s hebben eindelijk genoeg genoodigd; „dank u, dank u,” klinkt het op het leste: „een enkel nog ” en op rijst de stoet, op om zich voor den togt van den dag toe te rusten, om dat weinigje toilet te voltooijen, ’t welk geene vrouw, zelfs in een woestijn, zou willen, zou kunnen verzuimen.

Geen half uur verloopt, of, wonder! we zijn gereed.

Er is een kort, kernig lied van onzen vriend Heije, wiens vaardige veder er zoo vele voor de jeugd schreef, als liet hij zich aan de volwassenen minder gelegen liggen, als rust al zijne hoop op een volgend geslacht: er is een verheffend lied van zijne hand, dat begint: „te voet, te voet is goed, te paard is beter,” maar hoe waar dit zij in zijne voorstelling, als ge de natuur wilt gaslaan, wilt genieten, blijf waar de natuur wilde dat ge haar zien zoudt, blijf op den grond, wandel! Er stond voor spoedig vermoeiden en bedaagden een gemakkelijk rijtuig op het terras gereed; er waren voor de kleinen een paar ezels ter hand, – voor rijpaarden is het Kleefsche landleven nog niet weelderig genoeg, – de afspraken waar men elkander wer zou aantreffen, waren gemaakt en voort rolde het rijtuig, maar op ging de drom, de talrijkste, om ook weldra in groepen van elkar af te dwalen, en de een den ar wer te vinden op een plekje in het bosch, in de diepste schemering van een schaduwrijk laantje. O liefelijk slingerpad naar de hoogten zachtkens bestegen tot poozen uitlokkend zoodra het geboomte, zich straks boven onze hoofden uitbreidende, aan onze voeten in een wuivend looftapijt schijnt verkeerd, terwijl een andere drom van stammen aan onze zijden oprijst, en hooger nog een wiegelend hout den hemel onderschept, wiens vurige middagstralen vruchteloos deze geurende frischheid trachten door te dringen. Een oogenblik moge de borst hijgen, met volle teugen drinken de longen de zuivere lucht in; en de verrukking in stilte genietende of haar luid uitende, zijn voor elk onzer de zorgen des dagelijkschen levens niet meer; als had eene andere wereld ons in haren kring opgenomen, blijken wij andere menschen; cijfers en fondsen, uw rijk heeft uit, de natuur spreekt tot het harte en slechte voor haar hebben wij oog en oor. Een vogel wipt voor ons uit, een eekhorentje gluurt langs dien twijg, weg zijn beide, – als gij de stilte hooren wilt, er is geen dieper dan die des wouds, in het zomermiddaguur; sta stil en luister! Plegtiger dan zoo veel dat plegtig heet, verzadigt gij er u niet van; en toch hoe liefelijk wordt zij afgebroken door vrolijke kinderstemmen; het zijn kennisjes uit het hotel, die braambezin zamelen, de lieve handjes blaauw en de lipjes ook. Snoepstertjes! die thans niemand om een kus plaagt; die, of gij het wist, u waagt tot binnen het bereik van den schalksten onzer jongelui; maar, als zaagt gij het hem aan, dat hij het des ondanks beproeven zoude, eensklaps en te regt wegstuift, wegschuilt in het digst van de struiken. „Wij treffen u wel weer,” zegt de guit, en is de vlugsten onzer voor, den steilsten bergrug op en roept ons van den top toe, „de dames zijn er al!” Plaaggeest! het rijtuig is nog zoek; maar van die hoogte valt Kleef te zien, of het ter wederzijde in eene lijst van frisch gebladerte was gevat, en er was een onder ons, die allen uitnoodigde, die plek den volgenden avond wer op te zoeken, dan zou hij er bij maanlicht de Legende van den Zwanentoren zingen.

„En wat dan bij dag?”

Het rijtuig hield aan den voet des bergs stil; op stegen ook zij voor wie stijgen langer weinig uitlokkends had, en de minnezanger bij maanlicht gaf den lof ten beste van:

Mauritius, noit vast aen ’t juk der vrouwen.

„Die akelige oudvrijer!” klonk het.

„Die veroveraar van Brazili!”

„De veroveraar van geen enkel vrouwelijk harte, meer dan heel Brazili waard.”

„Heeft de goede man gedenkschriften nagelaten?” vroeg de spotvogel.

„Laat rusten dien jager,” hernam een ander onzer reisgenooten; „mijne heeren! wie uwer kent de „Kleefsche Hofzwaen” van buiten?”

„Vondels bruiloftsdicht?”

„Ten minste iets dat daarnaar zweemt, het dichtstukje, ter „gelegenheid van het huwelijk van den grooten Keurvorst van „Brandenburg, aan Louise van Oranje zijne gemalin gewijd.”

„Om ’s hemelswil, neen, die bruiloftstukken van Vondel zijn z, z....”

„Niet half zoo als menig nieuwerwetsch romannetje, niet half z – ziekelijk als menig zoogenaamd opbouwend. boek; er steekt een gezonde geest in zijn gezond lichaam. Ook was het een aardig paartje, die flinke dochter van Frederik Hendrik en Amelia van Solms; en de Groote Keurvorst, och! als een gewoon mensch, was hij tot over de ooren verliefd. Vondel schildert hem ons in ’s Hage, hoe hij begint

„Te quynen in den gloet van ’t schoone minnevier.
„Haer wezen, haer gelaet, haer opzicht, spraek en zwier
„Gaen waeren door zijn ziel. Nu denckt hij om geen Heeren,
„Noch wildezwijnejaght, noch renstrijt, noch regeeren.
„Hy acht op lant noch lin: al zijn gemoedt en zin
„Blijf staeren op Louise, om hare wedermin
„’t Ontvoncken.”

Gelukkig dat het lieve kind, ’t welk zich aan de opzegging dier regels ergeren wilde en toch niet ergeren kon, op hare beurt den volgenden niet van buiten kende; wat zou zij het vers pruikerig hebben gescholden!

„Steekt daar nu iets ondeugends in?” voer de gehuwde reisgenoot voort, dien het behaalde voordeel nog niet scheen te voldoen. „Frederik Hendrik polst Louise of Friedrich Wilhelm haar lijkt, een flinke borst van haren leeftijd, die hoofd en hart op de regte plaats had; – en het meiske, och

                                                                          „beschreit
„En bang voor ’t juk des echts, te no van Hollant scheit,
„En wisselt ’s Vaders hof om al ’t gewas der zomeren
„Van ’t graenryck Pruissen, en den korenoegst van Pomeren.

„Beste meid! wat wilt ge kiescher wat keuriger dan dit tafereeltje eener jeugdige prinses; immers zij

                                                    „verlaet haer ouders no,
„De teederheit, en schaemte, en jonckheit maecktze blo.”

Zoudt gij u werhouden hebben met ons „Bravissimo!” te roepen?

„En de bruigorn belooft haar, o zoo bedaard, van Kleef ophalende, waar luttel tijds later de chevalier sans peur et sans reproche Joan Mauritius zijn stedehouder zal zijn:

                     „Ick sal uws Vaders plaets vervullen
„Wanneer hy u ontvalle. Ick wil u laten hullen
„Te Kleef op mijnen stoel, uws Vaders nagebuur,
„En schenk dien Bruitschat u.”

„Zie, er is niets hartstogtelijks, niets zoo in, maar wat mooijer is dan menig romannetje, dat is het huiselijk leven dier luidjes, een huwelijk volgens het formulier, maar dat ook volkomen beleefd.” Hoe wij wenschten u bij die woorden het gelaat van den spreker te kunnen doen zien, – het was ernstig geworden, maar van eenen ernst, die niets ergerlijks had, waarom de lieve niet eens zuur zag. „Louise Henriette werd de bedrijvige huismoeder, die het bekende Oraninburg stichtte, waar haar naam nog wordt gezegend, die me het groote huis van Pruissen hielp bouwen, waarvoor Friedrich Wilhelm van tijd tot tijd dapper de wapens aangordde, en kloekhartig streed. Het is waar, het bleef niet altijd rozengeur en maneschijn, Louise had bijwijle haar eigen hoofdje, en dat van Friedrich zat even vast op zijn schouders; soms bulderde hij het uit, zijn gepluimden hoed op den grond werpende: „Welnu, Mevrouw! regeer gij dan, en in plaats van mijn keurvorstenhoed, zal ik een muts moeten opzetten,” maar als bij alle bulderaars was het voorbijgaande; – en Louise Henritte toonde zich, wat wilt ge, dames! te verstandig of te vroom? ik zeg beide, om Friedrich Wilhelm niet te vieren, als zij de hand wat te driest of te driftig aan de teugels had geslagen; zij bleek van haren vader een uitstekend oordeel te hebben gerfd. Vondel, lieve!” en hij wendde zich nog eenmaal tot haar, die voor het bruiloftsdicht had gehuiverd; „Vondel wenscht haar toe:

„Dat goedertierenheit in alle uw daden blijck’,
„De goetheit maekt Vorstin en Vorst een’ Godt gelijck.

„En goed moet ze geweest zijn, want toen Friedrich Wilhelm, na meer dan twintigjarigen echt, aan hare stervenssponde stond, en zij te zwak was om te spreken, maar hem driemalen zachtkens de hand drukte, toen meende de wel wat ruwe man in dat herhaald afscheidsteeken een, twee, driemalen: „Vaarwel!” te hooren, waarbij hij schreide als een kind, dat hij in deze wereld nooit vergat.”

„Al huwde hij wer,” viel een onverbiddelijk historicus in.

„Die leelijkert!” zei de romaneske lieve.

„Carlyle gelezen?” vroegen wij den verteller.

„En beter begrepen dan menigeen,” was het antwoord; het verwijt ons of den historicus?

Verder ging de togt, verder, na het korte intermezzo; het gedruisch der wielen van het rijtuig verloor zich in het verschiet; eene wijle nog zagen wij de roode schabrakken der ezels van de jeugd tegen het groen afsteken, en toen werd het weder woudschemering om ons heen, beuken- en eikengroen door dennen en berken en hier en daar eene acacia geschakeerd, – de Forster van den Thiergarten beschouwt zijne betrekking alles behalve als eene sinecure, – toen wandelden wij in eenen woudgeur als we zelden genoten. Den middag, te voren had ons, naauwelijks van den disch opgestaan, een onweder verrast; een onweder moeijelijk ergens elders volkomener te zien dan bij Robbers; het halve uitspansel vrij voor u; achter u de heuvelen, of het gebergte, zoo ge wilt, waarin de donder rommelend werkaatst. Het was schier ondragelijk warm geweest; koelte plaste, gudste, ruischte, stroomde de groene hellingen af; het landschap herademde. Victor Hugo spreekt in een zijner scheppingen van luchtreuzen, die plotseling in het zwerk hun zwaard trekken; wat hebben wij er dien avond in dat donkere wolkenrijk zien flikkeren, boven den stoet van strijders, boven de scharen; langs de kimmen voortstuivende, nu her-, dan derwaarts waar het gevecht het hevigst werd; – och! geef ons een beter beeld voor de snelheid waarme het werlicht zich verflikkert. Wat is het jammer, dat tegenstellingen zoo versleten zijn, en de natuur er toch zoo vol van is; – alle verdichting is ons vreemd, we geven slechts de waarheid wer getuigende, dat die onrustige schermutselingen aan den horizont dubbel treffend werden door de kalmte waarmede de maan aan het hoogere, heldere hemelvak opging: de maan... maar gij hebt duitsche gedichten genoeg gelezen, en wij wagen ons aan den hopeloozen wedstrijd niet. Ook is het middag; ook blijft ons op het geurige naaldenleger nergevlijd, slechts eene flaauwe heugenis van dat natuurtooneel over; want, zoo als wij hier opstaren naar den reusachtigen maar roerloozen waaijer van dennetwijgen, hoog, hoog boven ons, statig of het een palm ware, en dwars door die breede, donkergroene stralen heen slechts het diepe, haast gouden blaauw des hemels gewaar worden, beheerscht ons de bewondering van het oogenblik, die van geen verleden weten wil. Louter de weldadige invloed des onweders – verkwikt loover en versterkende dampkring – was overgebleven; en, hoe verkrachtig wij opsprongen, toen de hoorn ons uit de verte seinde, de stille, lieve plek staat nog voor onzen geest, of wij er weder nederlagen, nederlagen in louter stil natuurgenot!

De Kleefsche Berg was de plek ter bijeenkomst van het gezelschap bepaald, en het leed niet lang of het wemelde om zijne kruin van gelach en getier; – er waren wier joklust in het zware zand, dat naar zijn top voert, niet bezweek; er waren, die zich ergerden, dat ook vandaar de bedeldeun der arme knapen uit de buurt opging. Eenige weinige pfenningen en de jongens verdwenen in het kreupelhout, – een paar regenschermen voor de knorrigen in zonnewerders verkeerd, en zij waren boven, – hoe welkom bleken die banken rondom de weinige boomen op den berg. Of er eene wel van eau de cologne aan den voet van dien heuvel ontsprongen ware, geurde het vocht der dames tegen; onder de heeren ging de veldflesch rond, of zij op de hertenjagt waren geweest; – maar wat zijn verfrisschingen en ververschingen, bij de verrukking waarmede weldra het verschiet gadegeslagen, het woord is te zwak, ingedronken werd? Het was bladstil; de nog naauwelijks neigende middagzon duldde tot in de verste verte geene nevelen; er was stoffe voor honderd schilderijen om ons henen, – en juist daarom geeft de pen het voor het penseel op. Er zijn ook haar grenzen gezet, die ze niet straffeloos tracht te overschrijden; ga zelf henen en zie, is alles wat ze bij natuurtooneelen als dit vermag. Voortbrengselen der menschenhanden, tot de stoutste toe, ze laten zich beschrijven, even als zij zich lieten bouwen; eerlang zal u, hopen wij, een tafereel der overoude kerk te Emmerich worden aangeboden, onder welks lezing ge wanen zult, zelf in de kille krypt af te dalen, zelf de reliquin-kas van den heiligen Willebrordus daar bewaard te zien; de begaafdheid. van hem, die er ons beide verklaarde, is er borg voor. Een ziertje van het geschapene, een bewijs hoe hooger bouwmeester ook daarin eene wereld leggen kan, het laat zich gslaan en ontleden; er was onder onze reisgenooten een, die, op het naaldenleger nergevlijd, een mierengevecht om eene doode spin bijwoonde en wer wist te geven, of hem de gave van Dickens bedeeld ware, niet slechts geduldig en geheel, maar ook half microscopisch, half fantastisch te zien; – dat hij het niet enkel bij mondelinge mededeeling late! Maar die uitzigten, den ganschen gezigtscirkel rond, even betooverend, die oneindige verscheidenheden van landschappen, door welke zich Waal en Rhijn slingeren, en dorpen en steden zonder tal oprijzen langs hunne zoomen, beproeve het wie wil, beschrijven doet hij ze niet.

’t Is de afstand die ’t verschiet bekooring leent.

En nu, draai uit uwen kijker, schuif de kappen voor de glazen, om de zonnestralen af te sluiten; tuur en tuur nogmaals! O het is alleraardigst, dat ge op gindschen kerktoren zien kunt hoe de wijzer staat; alleraardigst, dat ge in dat stipje op dien bruinen akker drie ploegpaarden gewaar wordt, door een flinken knaap voortgedreven; alleraardigst, dat er zich in dat iets blinkends vr u een zeil ontrolt, op den verren vloed naauwelijks voortgestuwd; maar wij zijn dat pijnlijk hulpmiddel moe. Ons dat landschap, zoo als God het voor ongewapende oogen schiep, schooner geschakeerd dan op de schoonste schilderij, door de stoutheid waarme zijne verwen afwisselen, – beemden en bosschaadjen op den voorgrond helderder uitkomende, dan het op eenig doek wordt gewaagd, – verder ietwat dommeling, maar niet naar de voorschriften eener kunst, die aan rustpunten en wijkmiddelen behoefte heeft, – allengs, ja, voor onzen blik in de schemerende verte schuil gaande, doch eerst na dat er verrassing bij verrassing uit opdoemde en aanlichtte, – eindelijk met den hemel, met den majestueuzen hemel, waaraan slechts spaarzaam een wit wolkje drijft, zaamsmeltend, – boven en beneden schier een, zoo er geen torenspitsen waren, die heinde en veer verkondigen, dat ook daar dankbare harten kloppen, ook daar stemmen zich bij de onzen zouden voegen, als wij met Hlty uitroepen:

O wunderschon ist Gottes Erde
Und werth darauf vergngt zu sein!
Drum will ich, bis ich Asche werde,
Mich dieser schnen Erde freun!

De bel bij Robbers luidde ten disch, en van het eerste bordes klonken stemmen tot het tweede, allen waren gereed; de weelde van een half uur vrijheids, ieder in zijn vertrek, was dankbaar genoten. En den trappen af ging het de zaal in; hoe talrijk ons gezelschap wezen mogt, het werd klein onder een honderdtal dischgenooten: als gij ze telt zijn er welligt twintig meer. Vrije, vrolijke, allerlei leeftijden, velerlei standen verbroederende tble d’hte, wie u invoerde, wie het eerst aan u voorzat, uw naam duidt het aan, het was de eenig gezellig geborene onder alle zonen van Europa, die zelfs geen schotel geniete kan zonder dien door kout te kruiden. Vergeten-verdienstelijke, wie ge moogt geweest zijn, dien wij liever Monsieur Courtois dan Monsieur Civil doopen, al is u geen gedenkteeken opgerigt, ge wordt honderdmalen in gedachten gezegend, ook waar men den moed mist u geheel na te volgen, waar de waard niet mede aanzit, waar hij, niet zoo als gij plagt te doen, zijne gasten met eene hoffelijke buiging welkom heet, noch op het dessert het sein geeft tot het opheffen der fluit: Messsiers! la sante du Roi!” Sla den Navorscher in voce op, zoo gij aan de waarheid. onzer schets twijfelt, fluisteren wij u toe, terwijl wij ons naar onze plaats spoeden, heden zoo weinig die van gister als de plek, ons morgen bestemd, die van heden zijn zal: diversit! c’est ma devise, – en het geldt in deze zaal nog meer van het publiek dan van de plaatsen. Eindelijk, daar staan ze de stoelen ons beschikt; of ieders keuze in buurtjes en vis--vis is bevredigd! Maar, lieve vrienden! eischt toch van niets ter wereld meer dan het geven kan; een weinig fransche philosophie, en gij zoudt u herinneren, l’impossible nul n’est tenu, zelfs de tble d’hte niet. „In vollen ernst,” wat belieft u! Hollander van hoofd en van harte, wijken we voor niemand in zin voor het huiselijke, hopen we; overdrijven we welligt met de stemmigsten en stijfsten onzer, wanneer het wintert, in het hoekje van den haard, met een boek en een beker, de liefde voor het onder ons, in onbarmhartigheid ontaardende als zij niet thuis geeft ook als het stormt of sneeuwt. Maar verre van honk, in den zomer, buiten, naar wat begeerlijks tracht hij toch, die zich afzondert, die, uit wie weet welke grilligheid, de geneugten des gezelligen verkeers verzaakt, waaraan geen volk ter wereld, na de Britten altoos, meer dan wij tce ronding van velerlei ruws behoefte heeft?

Wat al kennissen om ons heen, waarmede een woord over de togten van den ochtend wordt gewisseld; – wat al vreempjes wat lager aan den disch, trekvogels nergestreken terwijl wij uit waren gevlogen, tusschen het eene geregt en het andere stof gevende tot gissen en tot missen.

„Wij hebben Kleefsch Zwitserland bezocht,” – zegt een nufje, dat over ons plaats nam, tot de schalkste onzer reisgenootjes aan onze regte, – „het heeft zulke mooije partijen,” – en we zijn een oogenblik dupe, waarin onze ondeugd zoo en amiti wordt genomen, – „o ijselijk lief!” – nous y voil, de blaauwe ooges dwalen af naar den jonkman, wiens stoel aan de hooger zijde van onze buurjonkvrouw staat, – „dat moest u ook eens doen!”

Et les yeux de languir!

„Ik zou Zwitsersch Zwitserland wel eens willen zien.”

Hoe de blonde jongen lacht, tot de blaauwe oogjes wel zouden willen overloopen, – tusschn de ondeugd en het nufje heeft alle vriendschap uit!

„Ga niet naar het Reichswald, mijnheer!” knort een grijskop tot den bedaagdste uit onzen kring, „als ge geen lust hebt op uwen ouden dag voor melkboer te spelen. Verbeeld u, wij komen aan in dat ding, ’t geen hier te lande een dorp heet, Frosch noemden zij het; het zijn allemaal Frsche, die er wonen, al valt er een uur in den omtrek geen handbreed water te zien. Slooten? o zoo veel je wilt, maar geen droppel vochts er in: was het wonder, dat mijn dames dorst hadden!”

„Gracieus!” hoorden we lagchen.

„Rijke lu,” zei de koetsier, toen wij stil hielden, en ik zoo vragen mogt, of die lieden daar nog al wat te doen badden, „twee en twintig koeijen op stal.” Heerlijk, denk ik, en uit de kast gekropen, – de rijtuigen konden hier wel wat breeder zijn, de sporen zijn het genoeg, vindt u niet ? – ze ik tot de waardin: „Geef een glas of wat melk.” „Ik heb geen melk,” gromde het zure wijf. „Twee en twintig koeijen,” ze ik, „’t Is zaturdag,” kreeg ik tot bescheid.”

„Geven dan de koeijen geen melk?” vroeg onze oudste.

„ „Dan maken we kaas!” – „Geen druppel over?” Zij schudde het hoofd, en regtsomkeert liep ik den weg op, het eerste dragelijke huis het beste te gemoet. Er ging een geginnegap op aan de pomp, am Brunnen, zeggen ze hier; maar ik stoorde mij aan die kwajongens niet; ze hadden al lang genoeg voor mijn voeten geloopen. Een aardig ding van een huishoudster kwam op mijn kloppen de deur uit; „de heer pastoor is niet thuis,” ze ze. Ik schaamde mij, dat ik mij zoo vergist had, daar melk te zoeken: „um Verzeihung.”

Frulein!” bleef wel achter.”

„En ik ging de eene woning in, de andere woning uit; alle, kikkers hadden kaas gemaakt; eindelijk, daar zaten er eenige aan hun middagmaal, rare kost, maar het is ook bij ons te lande dikwijls maar koes koes! „Vrienden! heb je ook wat melk voor dorstigen!” ”

„En een aardig melkmeisje knikte ja?” schertste de aangesprokene.

„Och, aardige melkmeisjes, dat weet je wel beter, die treft men alleen op de planken aan; maar het kloeke wijf stond ten minste op en ging naar achter. Ik wachtte met meer geduld dan ooit eenig makelaar bij mij aantrof, ik wachtte, en met een kruik wat ben je me, toog ik den landweg op, „wer brengen, hoor!” ze ze, en ik beloofde het, Reischswald, – Frsche, – melkboer!”

„ „Un verre d’eau donn un altr pour l’amour de Dieu peut tre le prix de salut,” zeide eene zoete stem naast mij; „wat, zou die melkkruik wel wezen?”

We zijn gourmand noch gourmet, hopen we, maar wij deden den eenvoudigen doch smakelijken disch regt, of wij hier gister niet even goed hadden aangezeten, dank onze duchtige wandeling. Hoe zoet is na de beweging de rust, en, na het stille landschap, de levendige gezelligheid. Was het straks weelde zonder werga, het eene verschiet voor het andere na in te staren, binnen den betrekkelijk kleinen kring der zaal vermeidde onze blik zich in eene galerij van studiehoofden, verscheidener dan ooit een schilder op het doek bragt, en – Robbers heeft keurigen wijn in zijn koelen kelder – bezielder tevens.

„Landgenooten,” wees ons een aardige Maasman teregt – Rotterdam heeft een passie voor Kleef – een Maasman, die ons gezelschap Verscheidenheid en Overeenstemming heette, – „het zijn landgenooten;” een onzer had lager aan den disch Engelschen vermoed, en dat niet om hunne hoffelijkheid!

Rehbraten Herr?” vroeg Wilhelm, de Kellner die voor drie toereikte, daar bij ieders zwak wist te raden.

E naauwelijks hadden wij ons bediend, – verklaar de verwantschap zoo ge kunt, – daar ontmoette onze blik een paar oogen, zoo als er slechts eenen jager kunnen toebehooren, een hartstogtelijk jager; oogen, die misschien minder opmerkzaamheid verdienen door hun bijzonder bruin, dan door de eigenaardige flikkering van het licht in zulke kijkers.

Sie waren verreist?” vroegen wij; we hadden hem ongaarne een paar dagen gemist.

Was gleicht wohl auf Euden,” neuriede hij, en de herten daagden op.

„Met den graaf van Chambord!”

Nicht mit so hohen Herrschaften!” lachte hij, en we wenschten u het verhaal dat volgde wer te kunnen geven, dat verhaal van den vruchteloozen togt door het woud, van het aanbreken van den dag af tot op den vollen middag toe, telkens teleurgesteld, tot de dorst allen martelde, maar er eindelijk op de heide eene wel werd gevonden, una fonte, als mevrouw Ristori wist te zeggen, tot ge het water meendet te zien glinsteren. Helaas! die arme jagers, hun hand schepte, hunne lippen zwolgen, brak was de wel, brak bij walgens af. En voort was het gegaan, voort, vermoeijenis, uitputting, versmachting, het onlijdelijkst van al, ellende als gij uwen vijand niet toewenschen zoudt, maar die vergeten bleek, maar die opgewogen, vergoed, beloond werd, die niet te duur was kocht voor het genot, dat met niets ter wereld te vergelijt viel, toen het ten langen leste ruischte door het kreupelhout toen aller harte hoorbaar sloeg, toen aller adem werd ingehouden: dr daagde het op, dr knalde het, een koninklijk hert, maar ook een koninklijk schot:

Wond, val en dood in ’t eigen oogenblik!

Heil dem Sieger!” en wij beurden ons glas Olichsberger, – „Moselwein, der Sorgenbrecher,” weet ge, „schafft gesundes Blut” hoog op.

Nicht ich war der Glcklichte,” hernam de Nimrod, ons bescheid doende, „aber darum nicht desto weniger: Heil dem Sieger!” en hij meende het; leg was niet alleen het glas, maar wij hoorden hoe zijn harte voor de jagt en den jager sloeg, in den lof dien hij den jongeren mededinger in het edele weispel toebragt, die zoo gelukkig was geweest zoo goed te treffen; in den half weemoedigen toon, waarop hij verklaarde, dat het hem verheugde, dat er grooter jagers opstonden dan hij ooit was geweest.

Op ons woord, ge zoudt ons onregt doen, zoo gij aan grillig gezocht effect dacht, wanneer wij, die in deze schets zoo spaarzaam de bloemen der verdichting door de bladen der waarheid vlechten, ons verpligt zien, onmiddellijk op dit blijk, welke togten het arme menschelijke hart al blaken doen, een ander te laten volgen, van hooger, heiliger inspraak getuigend; who can help it if Truth will it so? Een onzer reisgenooten, die zich dien ochtend van ons had afgezonderd, vertelde aan het lager einde van onze groep, in welke andere wereld hij dien morgen was verplaatst geweest; hij had in zijn eentje het Dominicaner-klooster te Materborn bezocht.

„Een broeder der orde,” leenden wij hem het oor, „gaf mij op mijne vraag, of ik het kleine gesticht mogt zien, ten antwoord, dat hij den pater mijn verzoek zou voordragen. Daar stond. ik alleen, onder het smalle afdak van het achtereinde des huizes, in het galerijtje, dat uitzigt gaf op den aardigen moeshof, dien de broeder, ik moet het zeggen, zorgvuldig onderhield., – ik vergaf er hem zijne zwarte handen om. Er was allerlei kruid in, maar al bragt ge den heelen hoop zaam in die kleine keuken, waarin nooit vleesch mag komen, veel zoudt ge er met dien schralen toestel niet van toebereiden. Onverpligte ontbouding, niemand gelukkig makende verloochening, een leeg te huis, en geen lommer om de woning, oef!”

En toen de hervormde een oogenblik zweeg, klonk het gek genoeg:

„O, als u mij een patroon van die sprei zoudt willen geven, wat zou ik u dankbaar zijn,” in haagschen tongval, niemendal hoofsch. „Ik heb er al drie voor mijn nichtje gebreen allemaal diverse patronen, ze kunnen te pas komen, weet u.”

Nichtje wenschte nicht op honderd mijlen afstands, en haar zelve onder de tafel, zoo kleurde ze.

Onze reisgenoot bragt ons in het klooster wer, niet zonder dat hij zelf mee had geglimlacht. „Treten Sie herein!” sprak de broeder, en met de handen op de borst gekruist ontving mij, met eene ligte hoofdbuiging, de, gis ik, vijf-enveertigsrige pater in het witte wollen gewaad zeer heusch; men kan barrevoets zijn en de geschoren kruin bukken, en toch waardigheid bewaren. Het spreekvertrekje, de kapelle, het altaar, ze waren spoedig gezien; de man beklaagde het dat bij mij geenerlei merkwaardigheden had aan te wijzen. „Geenerlei kunst!” zeide hij, toen hij zag, dat ik naar de prentjes keek, hier en daar in zwarte lijstjes opgehangen, voorstellingen uit de lijdensgeschiedenis en uit het leven van heiligen, zonder eenige artistieke waarde, louter bestemd om het geloovig gemoed te treffen maar, en dit intrigueerde mij, van opschriften en verklaringen in het Fransch, het Italiaansch en het Spaansch voorzien.”

Giebt es keine Deutsche Bilder der Art?

„ „O, viele,” was het vriendelijk antwoord; maar onze orde heeft haren zetel in Frankrijk.”

Und Sie sind” – want dat Duitsch had niets locaals, viel geen dialect uit te hooren.

Je suis Franais de naissance; Monsieur est Hollandais, je prsume; tout le monde y parle le Franais.

„Er was veel in dien vijfenveertigarige verstorven, – maar het vaderland toch nog niet! Wannee had hij dit het laatste gezien? Ik waagde het te vragen. „Voor vijftien jaren,” en er volgde geen zucht. Van zending bij zending had hij zich gekweten; voor drie jaren is hij hier gekomen, om in het Duitsch te preken, onder volslagen vreemden, die te laag staan om ooit zijne vrienden te worden. „Quel sacrfice!” ze ik, „quelle resignation!

„Lieve jongen! het was onbeleefd!”

„Och, wat onbeleefd, het welde mij uit het harte op, en het breede voorhoofd rimpelde er zich niet om. „Du tout, Monsieur!” ze hij, mij met de doordringende oogen peilende; hij mogt het doen, hij zou niets ergerlijks in mijne gedachten opduiken; en liet mij toen eene reeks van voorstellingen voorbij de oogen gaan, zoo als slechts een zoon van het zuiden, van nature welsprekend, die te allen tijde tot zijne dienst heeft. „Hoe velen dolen er niet in den vreemde om,” luidde het ongeveer, „jongelieden, die uit de oude naar de nieuwe wereld gaan om fortuin te maten; diplomaten, die van het eene einde van Europa naar het andere zwerven, om voor het heil van hun vaderland werkzaam te zijn; krijgslieden, die onder verre hemelstreken zich van hunnen pligt kwijten. Vous voyez, Monsieur!

„Uw monnik had tact,” juichten wij den verteller toe.

„Of hij wist wat climax is,” hernam onze reisgenoot. „Eerst eigen welvaart, dan genoeglijk leven om traktaten te sluiten, ten leste pligt, tucht, vaderlandsliefde, te vaak slechts met vergetelheid beloond. „Et vtre motif vaut bien tous ceux l, Monsieur!” dat was immers niet onbeleefd, amice! on peut diffrer d’opinion et respecter nanmions!” De dominicaan boog zich; er waren dagen, waarin geen lid zijner orde dat bij die ketterij zou hebben gedaan; in dat opzigt is er zelfs in hunne stilstaande wereld vooruitgang!”

Ons diner liep ten einde, het nageregt had luttel om het lijf; ga niet naar Kleef, als het u om overvloed van zeldzame bloemen of keurige vruchten te doen is; ons moerassig Holland levert beide beter dan menige in ieder ander opzigt milder gezegende hemelstreek. Open gingen de deuren naar het terras, waar de sigaar aangestoken, waar de koffij gebragt werd, en onder ons heeren, die een eind wegs de dreef opwandelden, passeerden drie dames de revue. Het waren eene Grieksche prinses, ons door onzen goeden bekende aangewezen, maar die voor geen anderen brand van Troje duchten deed, die niets van eene Helena had; zij was niet in staat zelfs een wolkje van bekommering op het voorhoofd zijner beminnelijke gade te roepen, – een Zeeuwsch lelietje als wij haar heetten, met een blaauwe cephalide getooid; vier of vijf neven wedijverden om de gunst van haren parasol te dragen; in het stille Zeeland sluimeren nog groote fortuinen, – en eene Duitsche schoonheid uit Esen, romantisch van kapsel, romantisch van kleedij, maar stellig nog romantischer von Geist und Gemth, er viel eene gansche historie in die oogen te lezen.

„Wat doen de heeren toch? vroeg onze schalke reisgenoote, onze afzondering opmerkende.

„Drie novelles ontwerpen; wilt ge beoordeelen, welke deze de meeste kans heeft u te behagen?”

„Recensente, – en nog wel van handschriften,” ze „dankje, Aartsbisschop!”

„Gil-Blas! we gaan me!”

Een paar open rijtuigen, – groot genoeg, al mogten zij in omvang niet halen bij dat gevaarte, ’t welk gij te Arnhem voor de deur van de Zon kunt zien stilhouden, als de Waterstaat uit toeren gaat, twintig heeren in n wagen, – een open rijtuigen droeg ons gezelschap een half uur later, regts van de Diergaarde, de vlakte in. Wandel des avonds als gij het des morgens niet deedt, of omgekeerd, maar wacht u, als voor iedere overdrijving, ook voor die, buiten rusteloos op de been te zijn, ge zoudt het dra boeten. Scherper contrast van het bosch waarin wij des ochtends omdoolden, dan de beemd opleverde, dien wij thans inrolden, laat zich niet denken, – de neigende zonne bescheen eene afwisseling van akkers zonder tal, waarover slechts bij wijle de popels van den grooten weg een zweem van schaduw wierpen. Arne voetganger! die zich in het middaguur met hun lommer vergenoegen moet.

„Daar ligt Moyland.”

Een slot, in den Elisabeth’s-stijl, heet hij zoo niet? herbouwd, met vier vooruitstekende torens, waartoe een steenen brug over eene drooge gracht toegang verleent, belooft het van buiten weinig, maar houdt het van binnen te meer. Het lijdt geen twijfel dat het, ondanks het zware metselwerk, waarvan de muren getuigen, met verval moet zijn bedreigd, anders zou de smaakvolle eigenaar der oude burgt geen betrekkelijk nieuwerwetscher mantel, dan dien waarmede zij tal van eeuwen trotseerde, om de schouders hebben geworpen. Er rijzen geen wachttorens ter zijde van de brug, ter bescherming van den binnenhof; menig minder overoud kasteel ziet er van buiten, de tourelles uit den lommer zich opheffende, de pont-levis half overschaduwd, van verre schilderachtiger uit; maar grom niet te gaauw, ga dat voorplein over, en de eerste schrede door de poort overtuigt u, dat de verdeeling van binnen dezelfde als voor eeuwen gebleven is. Hier mogen u geriefelijkheden verrassen als vroeger en later voorgeslacht niet kende: geen moker heeft hier den baas gespeeld, er is vervangen, niet vernield. Treedt die vorstelijke zaal binnen, wier wanden schatten dragen tien sloten als dit waard, en wer uit uw harte, zoo gij kunt, den wensch dat het Huis te Muyden eenen afstammeling der prinselijke poorters van Amsterdam ten deel viel, zoo als Moyland het den Baron van Steengracht van Duivenvoorde te ’s Hage deed; niet ieder bezoek zou u een nieuwen, hoogeren blos van schaamte op het aangezigt jagen!

Er waren onder ons, die beurtelings dan aan dit, dan aan dat schilderij uit de schoone verzameling de voorkeur gaven en weder van plaats wisselden, en aarzelden welk den eerepalm toe te kennen, en nog eenmaal voor het straks verlatene stilstonden; maar, als alle slotbezigtiging onder opzigt, had de beschouwing weldra een einde; het geestig meiske, dat de rol van major-domo vervulde, ging naar de andere vertrekken voor. En echter, wie volgde, een onzer deed het niet; – hij zou ongaarne getuigen, dat een enkel doek uit den drom hem heugt, maar een wit marmeren tafelblad door Pruissens gulden adelaar gedragen, maar een paar leuningstoelen, ter zijde van dien kleinen koutdisch geplaatst, zij prentten zich in zijne gedachtenis, en mijmerend stond hij, maar slechts op een afstand, er voor, toen zijne reisgenooten reeds de zaal hadden verlaten. Eene tafel en twee stoelen uit het midden der achtiende eeuw, wat school er voor aantrekkelijks in? Luttel, zoo ge louter schoone vormen lief hebt; in ons beider woningen, lezer! staat waarschijnlijk huisraad, dat het van beide in bevalligheid wint; maar stel u voor wie op deze stoelen en aan dat tafeltje, meer dan eene eeuw geleden, plaats namen, en waarover zij koutten, – och! we zullen het niet kinderachtig heeten, zoo ge als onze mijmeraar mogt aarzelen u op een van beide zetels neder te vlijen.

Het geviel in den herfst van het jaar zeventien honderd veertig, dat, waarschijnlijk niet in deze zelfde zaal, neen, in eene der kleinere kamers van dit kasteel twee mannen elkander ontmoetten, elkander het eerst van aangezigt tot aangezigt kennen leerden, die bestemd waren om het zeerst een onmetelijken invloed op hunne eeuw uit te oefenen; de een was reeds door geheel Europa beroemd, de ander werd Europa eerst aangekondigd; de een een koning op het gebied der kunst zijner dagen, de ander een koning in den waren zin des woords, Voltaire, de gast van Frederik den IIden. Eene halve eeuw sluimerens in het stille graf pleegt zelfs voor genin te volstaan om, door het nageslacht uit het vagevuur verlost, op te varen of ner te dalen in den schitterglans des roems of den schoot der vergetelheid; maar de groeve moge over deze twee langer, veel langer reeds gesloten zijn, nog is het eindoordeel over beide niet gewezen, nog duurt het pleit voort, hartstogtelijker dan ooit gevoerd; de fransche en duitsche letterkunde vloeit, er van over; Groot-Brittanje wergalmt er van. Twee titans van hunnen tijd droomden beide hier van eene herschepping des menschelijken geslachts door hun genie; droomden, zeiden wij, want was de korte wijle zamenzijns niet genoeg om den een als den ander te doen gevoelen, dat zij niet eens in staat zouden zijn het elkander in hunne gebreken te doen?

Voltaire, de naauwelijks zes en veertigjarige Voltaire, die nog niets van dat grijnzende had, ’t welk zijne afbeeldingen als grijsaard kenschetst; Voltaire, slechts zoo schraal als wie weet welk vooroordeel zich gaarne de geestigheid denkt; Voltaire, een oogenblik gezond omdat hij zich gelukkig gevoelde, dewijl hij gevierd werd, gevierd boven mate; Voltaire scheen, was inderdaad, in ieder opzigt, zoo als hij daar zat, in het bruinroode gewaad, sierlijk met de kanten lubben speelde en een vloed van vonkelend vernuft ten beste gaf, de meerdere van den achtentwintigarigen koningszoon, pas zelf tot de kroon geroepen, die bibberde van de koortse, maar luisterend de koorts vergat. Voltaire had honderd overwinningen op het gebied des geestes behaald, Frederik moest zijne sporen op het slagveld. nog verdienen. „Welsprekend als Cicero, innemend als Plinius, wijs als Agrippa,” het is maar een fragment van den lof den eerste door zijn toen zoo geestdriftigen bewonderaar in een vertrouwelijken brief aan een derde gewijd; een lof dien „de gekroonde Apollo”, – de dichter was min keurig dan kwistig met zijn wierook, – meende, – meende uit heel de volheid van zijn in honderderlei opzigt reeds teleurgesteld, maar nog aan de genie geloovend gemoed. „Hij vereenigt in zich alle deugden en alle talenten der drie grootste mannen der Oudheid;” Frederik! ziet ge dan niet, hoe dat uittartend voorhoofd zich een omzien rimpelt, hoe die breede, maar twijfelzieke mond grijnst, als de wolk der verontwaardiging zich binnen de waarlijk vorstelijke ruimte tusschen uwe slapen verzwaart, als uwe hooge wenkbraauwen zich fronsen, als uwe duitsche oogen vonkelen van edeler gloed dan die der koortse, als de gedachte u ernst is, en er geen puntdicht, maar een woord, dat zoowel van hoofd als van harte getuigt, over uw fijne lippen komt. Voltaire vermoedt en verwenscht in u den koning; – voor karakter heeft hij geen zin; luttel dagen en gij zult hem geheel kennen, en elkander beurtelings afstooten en wer aantrekken en toch wer afstooten, Salomo en Plato, als gij de een den ander heet, de begaafdste mannen uwer eeuw, doch daarom niet minder maar menschen! beide even zwak, beide even ziekelijk, als die hoop herten in het park eens grooten heers waarvoor gij weldra heel ons geslacht houden zult!

„Waar schuilt ge toch? denkt gij hier te overnachten?” klonk het onzen mijmeraar toe.

„Voorwaar niet, het mogt er spoken,” lachte hij.

En echter, al leende hij straks het oor aan alles wat zijne reisgenooten van de overige vertrekken des kasteels vertelden, aan den lof der allergeriefelijkste billardkamer gewijd, aan de beschrijving dier torenzitjes, waarin nieuwerwetsche weelde, zoo aangenaam verraste bij witte muren tot wanden en witte gewelfbogen tot zoldering, hij zag maar de beide genin om den kleinen disch gezeten, – dat hebt ge er van, als ge Pelletan en Bungener, Venedey en Schlzer kris kruis door elkander leest, en eindelijk nog Carlyle op den koop toe slikt. Als zocht hij afleiding voor die gedachten, waagde hij het over een der bekendste stukken uit de verzameling van schilderijen een gesprek aan te knoopen, een doek dat hij dacht vroeger in het kabinet van Koning Willem II te hebben gezien, maar was de eerste om in een hartelijk lagcben uit te barsten, toen het bleek, dat er van een geheel ander sprake was dan hij bedoelde. „Beweging,” riep hij, en was de vlugsten voor in de aardige warande der herberg van Moyland, die op een harer hoeksteenen geen S. v. D, behoefde te dragen om in menig opzigt als hollandsche te worden gewaardeerd, en gaf er Jan bij Jan handen vol werks ter ontvangst zijner reisgenooten.

Langzaam naderden dezen, voet voor voet, zoo als men gelijk heeft het op stillen zomeravond in een liefelijk landschap te doen, de laatste zonnestralen, die de lieve lange schemering voorafgaan, volop genietende.

Eindelijk zaten zij, en koutten; waarom sprong de in woelwater verkeerde droomer weder op?

„Hoort!” roept hij, en waarlijk, allen werden oor, van de overzijde des wegs droeg de lucht eenige liefelijke maar statelijke toonen voort, – luistert!” en men stond op, en men was den weg over, het breede pad op, en hoorde zachtkens aanheffen:

„Wer nur den lieben Gott lsst walten,
„Und hoffet auf ihn allezeit,”

het lied klonk het kleine kerkje uit, maar melodischer dan het ooit opsteeg, wanneer eene schare het vulde:

„Der wird ihn wunderlich erhalten
„In aller Noth und Traurigkeit.”

De reisgenooten stonden in het voorportaaltje van het kleine huis des Heeren, en wie het rijkst aan levenservaring waren, zongen het getroffenst Luther’s betuiging mede:

„Wer Gott, dem Allerhchsten, traut,
„Der hat auf keinen Sand gebaut.”

Een oogenblik rust – men wilde binnengaan, de deur was gesloten; maar de pastorij kon niet verre afliggen. Inderdaad, hare met wingert en klimop omrankte vensters stonden open, een jonkvrouw verscheen bij ons naderen door den bloemhof aan een van deze, en we droegen ons verzoek voor:

Ich bedaure recht sehr, mein Bruder, der Pfarrer giebt seinem Sonhe Unterricht, er wird ungern...

Gestrt? Aber vielliecht dass Er es erlaubte, wenn der Kster ihm unsre Bitte vortrug.

Wollen Sier es versuchen?” en de blik der vriendelijke wees van verre de woning des kosters aan, en weldra verheugde ons het heusche antwoord: dat de pastor zich vleide dat het hem niet euvel zouden duiden, zoo hij zich weinig met ons bemoeide, maar ons overigens gaarne vergunde binnen te komen.

Er leeft een gelukkig paar ten onzent, nog benijdenswaardiger misschien om het stille genot van zijn zoet tehuis, dan om den schitterenden glans die op het gebied der kunst beider gevierde namen omstraalt. Hoe gij er bij zoudt hebben gewonnen, zoo zij met ons waren geweest toen het kleine kerkje ons werd ontsloten. Welk eene stoffe, zoo voor de pen als voor het penseel! Hem zou de tegenstelling hebben getroffen, aangeboden door zijnen bekenden, ascetischen, psalmzingenden monnik, met dezen vader in de kracht des levens, zijn beminnelijken knaap op het serafijnen orgel onderwijzende; hem dat dralende zonnelicht hebben geboeid, marrende in het hooge gewelf van dat godshuis, overigens naakter van wanden dan de muren van eenig klooster, allen sieraden vreemd, slechts van tal van banken en een predikstoel voorzien, niets hebbende dan, alles hebbende in licht, dat in de hoogte wijlde! Zijne lieve echtgenoote daarentegen, haar zou het te moede zijn geweest, verbeelden wij ons, als werden beide eerediensten in elks hoogste wit nooit treffender veraanschouwelijkt: op het, meesterstukje van haren Bosboom, de vrome, afgevaste kloosterling, de wereld in het verschiet voor de zich openende wolken des hemels vergetende; hier, alle gaven den Heere gewijd! een vader zijnen lieveling de wegen des levens leerende, zoowel in het tooverrijk der toonen, als op het gebied der gedachte.

„Sing, bet’ und geh’ auf Gottes Wegen,
„Verricht’ das Deine nur getreu,
„Und trau des Himmels reichem Segen,
„So wird es bei dir werden neu,”

klonk het toen wij binnentraden, en de kennis was gemaakt, als eenigen onzer in koor aanhieven:

„Denn welcher seine Zuversicht
„Auf Gott setzt, den verlsst er nicht.”

Gezonde en toch zoo gemoedelijke, zoo geloovige Luther!

„Onze organist maakt een uitstapje; daarom zal mijn jongske morgen spelen. Het zal gaan...

„Hoop ik,” ze de elfjarige borst, de flinke kijkers zoo natuurlijk zedig nerslaande.

„Laat ons u niet storen.”

„Toch niet,” hernam de pastor, – eis er misschien eenig lied dat ge bij voorkeur zoudt zingen?”

„Cramer’s: der Herr ist Gott!” vroeg een onzer.

O, ick kenne es,” hernam de vader, „aber in unserm Gesangbuch ist es nicht aufgenommen, mein Sohn kann es nicht spielen, wollen Sie vielleicht…

Het jongske wipte van zijn stoeltje op en zag verbaasd toe, hoe uit ons midden, behoedzaam voortgaande, en toch zonder aarzelen, aan de hand van een onzer de weinige trappen opstijgende, eene blinde jonkvrouw zich voor het orgel zette en de melodie speelde:

„Der Herr ist Gott und keiner mehr!
„Frohlockt ihm, alle Frommen!
„Wer ist ihm gleich? wer ist, wie er
„Der Herr ist gross, sein Nam’ ist, gross;
„So herrlich, so vollkommen?
„Er ist unendlich, grenzenlos
„In seinem ganzen Wesen.”

Het lied miste zijne gewone uitdrukking te minder, daar zich het schoone diepe basgeluid van den pastor heerlijk hooren deed, bij beurten door liefelijke sopraan- en altstemmen vervangen. Intusschen wij liepen gevaar onbescheiden te worden; op ons voorbeeld was een ander gezelsr.hap, ook bij Robbers logerende, en aan een van welks dames wij nog een verontschuldiging hebben te rigten, die hier geene plaatse vinden kan, het kerkje binnengetreden, – de studie van het jongske kon er bij inschieten.

De gemoedelijke vader! Wel verre van onze betuiging, dat wij vreesden hem lastig te zijn gevallen, te laten gelden, verzekerde hij ons, dat het tot de aangenaamste herinneringen van zijn kind zou behooren, hoe zijn eerste orgelspel voor de armen zijner gemeente goed was geweest. Wij wilden afscheid nemen.

Uw gezangboek?” vroeg onze mijmeraar, heeft toch zeker Klopstock’s: „der Tod” niet uitgesloten?”

Gewiss nicht.”

„Och, laat ons daarmede scheiden,” klonk de bede.

Het was hem, verzekerde hij ons, in dat kleine kerkje, bij invallende schemering, toen eensklaps die deur wer openging, wonderlijk te moe geweest; in eenen hoek weggedoken, had de mijmeraar, al luisterende naar die liederen, de heerschappij niet kunnen werstaan, welke de beide groote figuren uit de geschiedenis dien ganschen middag op hem hadden uitgeoefend. Voltaire had hem voor den geest gezweefd, niet langer in de kracht des levens, vier en tachtig jaren ond, maar nog treurspelen dichtende, bij de opvoering zijner Irene het afgoderend Parijs toeroepend: „gij verstikt mij onder rozen!” het spotzieke vernuft ter ruste gegaan als de verlichter des menschelijken geslachts, luttel tijds voor de omwenteling uitborst! En tegenover dezen had hij Frederik gezien, den grijzen held, die den zevenjarigen oorlog, die schier zich zelven had overleefd, de, wijsgeeren moede, de wereld mo, uit den leuningstoel van den grooten Keurvorst op Sans-Souci een somberen blik slaande op de fluit, die hij nooit wer bespelen zou, niet meer bespelen kon, de dorre hand uitstrekkende, om zijne eenig overgebleven vrienden te liefkozen, zijne honden, hij Europa’s laatste koning!

Daar rees het verlangde lied:

„Wie wird mir dann, o, dann mir seyn,
„Wenn ich, mich ganz des Herrn zu freun,
„In ihm entschlafen werde,
„Von keiner Snde mehr enteweiht,
„Entladen von der Sterblichkeit
„Nicht mehr der Mensch von Erde!
„Freu dich,
„Seele!
„Strke, trste
„Dich, Erloste,
„Mit dem Leben,
„Das dir dann dein Gott wird geben!”

Er was allerlei leeftijd, allerlei stand onder de kleene schare die het zong, waarvan een groot gedeelte de een den ander eenige oogenblikken te voren vreemd was geweest, volslagen vreemd schier, – het uitzigt in het lied geopend maakte allen broeders, allen een! Geestdriftig rigtten zich de blikken des mijmeraars op de kleine deur; men zag het hem aan, hoe hij wenschte dat zij open ware gegaan, dat de beide genin waren binnengestrompeld; „zij zouden gezien, zij zouden getuigd hebben,” fluisterde hij, „dat de Nazarener toch heeft overwonnen!”

„Niet zoo bitter,” hernamen wij, het kerkgebouw uitgaande; „beoordeel ook die mannen naar de dagen welke zij beleefden. Gthe heeft in zijn schoonsten tijd, in de dagen zijner frischheid, de groote waarheid, die u verbijstert, voor alle eeuw welsprekendst en waardigst, dichterlijkst en diepst uitgedrukt:

„Christ ist erstanden,
„Aus der Verwesung Schooss,
„Reisset von Banden
„Freudig euch los!
„Thtig ihn preisenden,
„Liebe beweisenden,
„Brderlich speisenden,
„Predigend reisenden,
„Wonne verheissenden,
„Euch ist der Meister nah’
„Euch ist er da!”

De Gids; 1859.