E. J. POTGIETER (1808-1875)

LANDVERHUIZING NAAR DE VEREENIGDE STATEN.

 

EEN BRIEF UIT PELLA.

Westward the star of empire takes its way.
Bishop BERKLEY.

I.

 

George Bancroft besluit zijne Geschiedenis van de Kolonisatie der Vereenigde Staten, na het vermelden der onderhandelingen voor den vrede te Aken, l748, met de volgende opmerking:

„Aldus verbonden, na lange jaren twistens, en ruste, en weder opgevatten twist, Engeland en Frankrijk zich plegtig, voortaan vrede te houden. De Akensche Verdragen waren beraamd, gewijzigd, bemiddeld en gesloten, door de bekwaamste staatsmannen van Europa, met inachtneming van al de vormen, waarop de monarchale diplomatie boogt. Zij geloofden dat zij de scheidsregters, schier de lotbeschikkers der menschheid waren; zij gaven der wereld den vrede, – het koloniale stelsel was herbouwd op eenen grondslag, die eeuwen verduren zou, – en Europa’s ruste door het volkomen evenwigt van stoffelijke krachten gewaarborgd. Juist terzelfder tijd dat Aken het Congres vergaderen zag, strekten de bosschen van VirginiŽ ten verblijf aan den jeugdigen George Washington, den zoon eener weduwe. Aan den oever van den Potomac geboren en opgevoed onder het dak van een landbouwer in Westmoreland, was zijn lot, schier van kindsbeen af, geen ander geweest, dan het droevig deel van een wees. Verre er van dat eenige hoogeschool den knaap verpoozing zijner studiŽn zou hebben aangeboden in den lommer harer lanen, verre er van dat de lauwer der wetenschap ook voor hem oplook in het verschiet, hadden al zijne vorderingen in kennis zich tot het leeren van lezen en schrijven en rekenen bepaald. En nu, zestien jaren oud, er op uit om een eerlijk stuk broods te verdienen, slechts voor ondragelijken arbeid veil; – maar toch opgeruimd vergenoegd, dewijl hij aan een zijner schoolmakkers schrijven kon: „Beste Richard! Ik verdien iederen dag zeker een dollar en soms wel zes pistolen;” – op den noen zijn eigen kok, die voor spit maar een gevorkten stok en voor schotel slechts een breeden spaander had;” – ronddolende over de rotsbrokken der Alleghanies en langs de oevers der Shenandoah; „open oog voor de natuur en bij wijlen het beste van den dag verkwistende aan het bewonderen van het geboomte en den rijkdom des lands;” – verkeerende onder wilden in vellen gedost en van scalps en rinkels voorzien, of omgaande met wonderlijke uitgewekenen, „die geen goed woord Engelsch spraken” – zoo zelden op een bed slapende, dat een beerenvel hem een heerlijke legersteÍ scheen, ja, dat hij soms blijde was voor den nacht een rustplaats te vinden op een handvol hooi, stroo of voeder, en menigmaal de moede leÍn in het woud op den naakten grond nedervlijde, dankbaar voor de weelde, als de plek het digtst bij het vuur hem ten deel viel; – was voorzeker die jonge landmeter in de bosschen, zonder anderen makker dan zijne ongeletterde gezellen, en van geen andere werktuigen zijner wetenschap voorzien, dan zijn kompas en zijn keten, wel de scherpste tegenstelling der vorstelijke pracht van het Akensche Congres. En toch had God noch Kaunitz, noch New-Castle, en zoo min een monarch uit het huis van Habsburg, als uit dat van Hanover, en toch had God dien Virginischen jonkman verkozen om een levenwekkenden adem over den sluimerenden stroom der menschelijke zaken te doen gaan, en toch had God, voor zooverre gebeurtenissen van een enkele onzer kunnen afhangen, de regten en de lotsbestemming van ontelbare millioenen onder de hoede gesteld van der weduwe zoon.”

Ons komen die woorden voor den geest, zoo dikwerf een artikel in een onzer dagbladen, – een opstel in een tijdschrift uit den vreemde, – een te vaak meer sombere dan schilderachtige groep van doortrekkende naburen, op de kaden of in de dokken van Maas en IJ; – een gesprek eindelijk met dezen of genen braven, maar bekrompenen man uit onze burgerklasse, allengs gelukkig niet meer met de verbittering van vroeger gevoerd, – zoo dikwerf een van deze ons aan een der belangrijkste verschijnselen onzer eeuw herinnert, de landverhuizing naar het Westen der nieuwe wereld, de landverhuizers, die van het vaste land voor zeven achtste naar de Vereenigde Staten gaan. Of zouden wij er geene beschikking der Voorzienigheid in mogen waarderen, dat, zoo het oude Europa nog altoos rijken telt, waarin de aarde niet meer voedsel voor allen geeft, die uitgehongerde schare niet langer als een zwerm sprinkhanen gezegender oorden in woestenijen verkeert, neen, vreedzaam voorttrekkende in het verre verschiet uit den schoot der wateren een strand ziet opdoemen, waar, wat het overigens te wenschen overlate, werk is voor ieder, die de hand, aan den ploeg wil slaan, zonder dat de bouwvallen van het verledene de beweging van het heden belemmeren? Voorwaar er is vooruitgang in den grooten togt der menschheid van het Oosten naar het Westen, – geene overweldigers meer met het zwaard en met de toortse, – zonder ballast te geven beste schat in noeste vlijt mede aan boord, dewijl zich overzijde des Oceaans eene maatschappij heeft ontwikkeld van de meeste onzer verjaarde vooroordeelen vrij, waarin de mensch, onverschillig wat zijne voorvaderen waren, in zin slechts geldt voor wat hij is!

„Ontelbare millioenen,” het woord van Bancroft moge grootsprakig klinken, op den dag der onafhankelijkheids-verklaring telde de bevolking der Vereenigde Staten slechts drie millioenen: thans is zij reeds tot boven de vijfentwintig gestegen, en over twintig jaren, beweert men, zal zij er vijftig tellen; maar wie durft een maatstaf voor hare toeneming aangeven, die de cijfers der landverhuizing van de eerste helft dezer eeuw overziet? Het zoude eene andere, gewaagde, profeetsy der toekomst van Europa zijn. De mare eener omwenteling in ons werelddeel vindt in het andere niet alleen weÍrgalm, wanneer zij op de wieken van den stoom de handelsteden der kust bereikt, om hare beurzen met schrik te slaan; – een, twee, drie jaren later nog draagt het woud die, weeklagende, dag aan dag al verder westwaarts, – dezelfde handen, welke daar die boomen vellen, stapelden hier de straatsteenen tot borstwering op, – er zou toch iets wakkers te loor zijn gegaan, als het geschut dat graauw had gedund. Warden begrootte in het begin dezer eeuw het aantal immigrerenden in de Vereenigde Staten op jaarlijks vierduizend menschen; – maar Napoleon viel en de zee ging open; – van 1820 tot 1846, zegt Jesse Chickering; hebben meer dan twee millioenen vreemdelingen op hunnen grond voet aan wal gezet, gemiddeld. vijf en zeventigduizend per jaar. Het wereldschokkend 1848 vierde zijne orkanen bot, en Horace Say geeft het cijfer der in 1851 in Noord-Amerika geimmigreerden met niet minder dan driemaal honderd vijftienduizend aan, en van de zesmaal honderdduiaend menschen, welke in 1853 uit Europa naar verschillende hemelstreken scheep gingen, zal het deel der Unie niet gering zijn geweest; uit Groot-BrittanniŽ ten minste ontving zij er in 1854 nog bijna tweemaal honderdduizend. Sedert een paar jaren, het is waar, heeft de landverhuizing uit Ierland afgenomen; sedert wordt de schoot van AustraliŽ blootgewroet waar goudaders schuilen; sedert eischt de oorlog in het Oosten leger bij leger, maar wie waagt het des ondanks te beweren, dat, bij den terugkeer van den vrede, „de onbeperkte vrijheid van godsdienst, de groote persoonlijke regten, de geringe belastingen,” en boven alles het brood in de Vereenigde Staten den arbeid gewaarborgd, niet weder hunne tooverkracht zullen uitoefenen op al wat in de oude wereld de middelen ter bevrediging dier eischen van lager en hooger leven ontbeert? „Argonauten der ellende of der nijverheid” zal Europa altijd opleveren!

Hoofdstuk II