E. J. POTGIETER (1808-1875)

LANDVERHUIZING NAAR DE VEREENIGDE STATEN.

II.

Hoofdstuk I

Eene vlugtige, den vreemde ontleende schets, welke der volken van ons werelddeel het meest tot de landverhuizing naar de Vereenigde Staten bijdroegen, vinde hier hare plaats; zij zal ons gelegenheid bieden enkele opmerkingen in te lasschen over het deel, door het onze aan het weÍrgalooze feit genomen. Moge die toets van het geduld onzer lezers hen niet afschrikken, daarna met ons een blik te werpen op wie uit ons midden emigreerden; het zal de noodzakelijke inleiding zijn tot den brief, dien een verdienstelijk medearbeider ons gaarne met eenige wijziging ter plaatsing heeft afgestaan.

Aan het hoofd der groote beweging, als aan de spits van zoo menig andere, zien wij het Groot-BrittanniŽ onzer dagen; „de maatschappelijke toestand van Ierland, het pauperismus dat Engeland teistert, de ondernemingsgeest eigen aan wie van de Anglo-Saxen afstamt,” ziedaar de prikkels, waardoor het werd voortgezweept. Erin, het groene Erin, dat, na zeven eeuwem vergeefsche worsteling, de ballingschap in den vreemde verkoos boven het prijs geven van zijnen volksaard, dat beheerscht konde worden zonder buigzaam te blijken, Erin leverde negen tiende der honderdduizenden, die sedert 184d van de zustereilanden den Atlantischen Oceaan werden overgevoerd. Schaduwzijde van Engelands grootheid, hetzij men, naar het verschil van staatkundige en godsdienstige overtuiging, Ierland zijn verdiende plage of zijn slaanden engel achtte, was hare duisternis omstreeks de eerste helft dezer eeuw tot tastbaar wordens toe verzwaard. Eenige mislukte oogsten, en meer dan deze de aardappelenziekte, bedreigde voor nog geen tiental jaren de arme inwoners met letterlijken hongerdood; en het bewind zag zich ten langen leste verpligt maatregelen te nemen, aan welke, hoezeer niet enkel straf in schijn, toch in den uitslag geene weldadige werking te ontzeggen valt. De nood was te hoog gestegen om zich met de leniging van dezen door bijzondere liefdadigheid te mogen vleijen; welk middel mogt afdoende worden geacht om te voorkomen, dat hij ooit weder die hoogte bereiken zou? Eene vermindering der bevolking, eene verpligte volksverhuizing, was het antwoord. En iedere gemeente werd met het onderhoud harer eigene behoeftigen belast, en het leed luttel tijds, toen overschreed de armentax de opbrengst van den grond; – de gedwongen onteigening was het voorspel van den verkoop aller bezittingen met schulden bezwaard, De doortastende maatregel bereikte zijn doel, maar ten koste van bitterer tranen dan ooit het gebrek had geschreid. Landschap bij landschap bood in wreede werkelijkheid het schouwspel aan, zeventig jaren vroeger in dichterlijken droom geschilderd door den man, dien heel Engeland. liefheeft, dien GŲthe bewonderde. Mogt er iemand onder onze lezers zijn, die nog nooi „het verlaten Dorpje” genoten heeft, hij wete het vlugtig inzien dezer bladen ten minste die weelde dank; voor wie Goldsmith kent, hij heeft onze herinnering aan „Sweet Auburn” niet noodig. Tusschen de eene volkstelling en de andere, – er zijn cijfers, die meer zeggen dan woorden – verminderde Ierlands bevolking twee millioenen en Engeland, vreest niet langer zijne kapitalen te beleggen in eenen bodem, voortaan van bedelvolk bevrijd, dat alles behalve in hunne nijverheid den mieren gelijk mogt heeten. Poor Paddy! het woord was hard, wij haasten ons u regt te doen waar wij het mogen. Naauwelijks in de Vereenigde Staten aangekomen, droegen de Ieren, die het eerste gedwongen verhuisd waren, hun penning bij tot de offers van hen, die er zich vroeger vrijwillig gevestigd hadden, opdat de achtergeblevene nog armeren zouden kunnen volgen. Gedurende vijf jaren, van 1848 tot 1852 werden meer dan vijftig millioenen guldens tot dat einde overgemaakt, en het woord, van Adam Smith, dat niets moeijelijker te verplaatsen valt dan de mensch, werd gelogenstraft, dewijl de liefde tot zijn volk de liefde tot zijn land overwoog en de vreeze voor den vreemde als de vreeze voor den togt buitensloot.

Bij den omvang dezer gedwongen volksverhuizing, treedt alle overige uit Groot-BrittanniŽ in de schaduw. Hoe vele slagtoffers ook de goudkoorts, die beurtelings naar CaliforniŽ of AustraliŽ voerde, maken mogt, hoe gaarne wij ook in gedachten de bloem van Albions krachtvolle jongelingschap naar zijne over den ganschen aardbol verspreide koloniŽn zouden vergezellen, nieuwe wegen voor de nijverheid openende: het ligt buiten de grenzen ons aangewezen, daarover uit te weiden. Wij mogen echter den wensch niet weÍrhouden, begaafder veder dan de onze zich eerlang vermeije in eene schets van het herdersleven in dat werelddeel, welks vroegere naam aan Hollands vorige grootheid herinnert; een herdersleven, voor eene wijle door de gouddelving gestoord, echter op den duur zekerder zegen dan deze. De voorstelling zou iets nieuws en iets nuttigs tevens kunnen worden, wanneer de hand, die er zoo wŤl in slagen zou om ons al het verrassend-vreemde dier oorden te schilderen, zich te gelijk digen wilde regt te doen aan de zorg, in Groot-BrittanniŽ door het bewind Ťn door bijzondere maatschappijen aan de bevordering dier kolonisatie besteed.

Wij keeren tot ons onderwerp weder, in de beschouwing der volksverhuizing uit Duitschland, de belangrijkste van geheel het Vaste Land. Gelijk menige stroom in het oude GermaniŽ uit onbeduidende bron zijnen oorsprong neemt, was zij in den aanvang van luttel gewigt: krijgsman bij krijgsman, voor wie de bevrijdingsoorlog in teleurstelling was geŽindigd, beproefde zijn geluk aan de overzijde des oceaans, en vond in de Amerikaansche staten, tegen het moederland opgestaan, een vergeten graf. Slechts die weinigen, welke niet enkel het zwaard wisten te hanteren, schier allen die inzagen dat het tijd was geworden het staal des oorlogs om te smeden tot het kouter des vredes, en daarom den steven rigtten naar het land, welks verre westen om ontginning zijner woestenijen riep, slechts zij vonden in het nieuwe vaderland een beter te huis. Het leed lang eer de mare, hoe wŤl het hun ging, de achtergeblevene magen en vrienden verraste; maar zoodra brief op brief van later vertrokkenen het berigt der eersten bevestigde, leende half het dorp in schaduw van den wingert en onder den lommer der linden, op den dorschvloer en in het kerkportaal, bij het spinrokken en bij het kroesgeklep, dier tijding een luisterend oor; en tien-, twintig-, honderdtallen maakten zich met het voorjaar op om de verre vrienden te volgen. Uit het hart van Beijeren, van de Zwitsersche gebergten, langs de wederzijdache oevers van den Rhijn, daagde de drom, die thans telken jare wederkeert, en van Havre tot Hamburg uit haven bij haven de zeilen rijzen doet, zoodra de wind uit het Oosten waait. Eerst eene heilzame afleiding voor menig overbevolkt arm land, verkeerde de duitsche landverhuizing allengs in eene chronische ziekte, die thans het staatsligchaam met het verlies zijner beste sappen bedreigt; want het is niet louter de behoeftige meer, die elders werk zoekt voor de handen, welke hij ten zijnent slechts tot bedelen gebruiken kan, ook de vermogende gaat mede, hetzij deze het luchtgeven aan zijne staatkundige overtuiging door een vonnis zijner overheid boete, hetzij hij, haar smorende in zijn binnenste, in vrede scheÓ, toch evenzeer door de behoefte aan vrijer dampkring voortgejaagd. Vergeefs de wedijver der regeringen in het uitdenken van dammen om dien stroom te stuiten – vergeefs de eisch des bewinds in Wurtemberg, Baden en Hessen, dat de landverhuizer voor zijn vertrek van alle burgerregten, ja, zelfs van zijne nationaliteit afstand doe, vergeefs de pogingen van Pruisen, om in het Groot-Hertogdom Posen koloniŽn aan te, leggen, – vergeefs eindelijk de maatregelen van het Beijersche bestuur, te dien opzigte alle andere in strafheid overtreffende: „jaar uit jaar in schijnen tweemaal honderdduizend Germaansche landverhuizers hun vaderland te vergeten, zoodra zij den voet op het dek van een schip hebben gezet!”

Slechts wie den schoen draagt, weet waar hij wringt, en we zijn er verre van, met den schrijver, aan wien wij de jongste aanhaling ontleenden, in te stemmen, wanneer hij om dit feit de vaderlandsliefde onzer Duitsche naburen, door hunne dichters volgens hem zoo hoog opgevijzeld, spotziek in twijfel trekt. Het schijnt ons billijker te vragen, of vaderlandsliefde, in den waren zin des woords, bij den Duitscher te verwachten, te vergen valt? Gehechtheid aan den grond zijner geboorte, aan de plek waarop ons wiegje en waarop wij, om den wille van het rijm, ons graf staan, wie is er die ze hem ontzeggen durft? Maar vaderlandsliefde iets meer beduidt dan partijdige ingenomenheid met het oord, waarin wij als kind speelden; maar als wij, om haar te mogen koesteren, met regt het land waarin wij leven, moeten kunnen waarderen, om de gelegenheid die het ons geeft, ons niet enkel als mensch, maar ook als burger te ontwikkelen; maar als wij, zoo zij tot al wat goed en groot is prikkelen zal, als volk een verleden moeten hebben, dat een toekomst waarborgt, die verdient er voor te leven, wijst ons dan onder al die verbrokkelde staten het rijk, waarvoor gij de gaven van uw geest en gemoed veil hebben zoudt! Er wordt geene diepe studie der duitsche letterkunde eischt, om tot de overtuiging te komen, dat bij de grootste geniŽn, die zij opleverde, wereldburgerschap boven vaderlandsliefde ging. Doch eer iemand den staf over Lessing breke, dewijl hij aan Gleim schreef, dat het laatste, waarnaar hij haken zoude, de lof van een Patriot zou wezen, die hem vergeten leerde dat hij Wereldburger moest zijn; hij herinnere zich het woord van Gervinus, die zoowel in het gevoel van den jongeling, als in de zienswijze van den grijsaard bij GŲthe blijken meende te vinden, dat het dezen aan zin noch begrip voor eene nationale poŽzij zou hebben gefaald, indien zijn volk hem slechts een nationaal leven had aangeboden. Onze voorganger had zijne opmerking in de pen gehouden, wanneer hem als ons het meesterstukje voor den geest had gestaan, tot welks schildering een groep landverhuizers Ferdinand Freiligrath verlokte. „Met bedrijvige handen,” heet het,” reikt gij den schipper uw luttele gave toe, gij mannen! met de manden op den rug vol van brood, dat gij, uit duitsch graan gekneed, aan duitschen haard hebt gebakken; gij, bruine en slanke deernen uit het Schwartzwald, met lange tressen getooid, die zoo zorgvuldig kruiken en kannen op de groene plank der sloep nederzet;– hoe zou ik den blik van u kunnen wenden, hoe moede worden u ga te slaan. Het zijn dezelfde kannen en kruiken, die gij zoo dikwijls aan de bekende bron hebt gevuld; en wanneer niets in den vreemde u aan uw vroeger te huis herinnerde, zij zouden het u weÍr voor de oogen brengen, het dorpje, waarin gij opwiest, den steenen put, waarover gij buktet, den haard, waaraan ge plagt neÍr te zitten, het huisraad, dat u aan dezen tegenglom. Weldra zullen zij in het verre westen de houten wanden sieren van het blokhuis dat u wacht, weldra zult gij er die den moeden bruingeroosten gasten ter lafenis vullen en aanreiken, er den armen van de jagt bestoven wilde meÍ verkwikken, maar ze nooit met groen bekranst, van duitsche druivenlezing vol, weÍr huiswaarts dragen. Och! zegt mij, waarom toogt ge van daar? het Neckardal heeft immers nog wijn en graan; het Schwarzwald staat vol van donkere dennen, en de Spessart weÍrgalmt nog van des Alpenherders hoorn. Hoe zult gij in die wilde wouden naar het frissche groen van het gebergte van uw geboortegrond, naar het golvend goud van Duitschlands graanvelden, naar zijNa wingertheuvelen verlangen! Hoe zal het beeld der dagen van van ouds u in uwe droomen aanlagchen, tot het als een lieve vrome sage in uwe zielen staat geprent. Maar de bootsman wenkt; trekt henen in vrede. God behoede u, man en vrouw en grijze, en geve Hij uw gemoed vreugde en rust, en uwen akkers maÔs en rijst!”

Stil leven in den schoot der natuur en huiselijke herinneringen, daar hebt ge den maatstaf, dien ge Duitsche vaderlandsliefde aanleggen moogt; is het de schuld van het arme volk, zoo een hooger zijn begrip te boven gaat?

Er was een tijd, waarin de Hollandsche vlag de beheerscheresse van den Oceaan mogt heeten, – de jongste beraadslagingen over het budget onzer Marine hebben den volke verkondigd, hoe diep zij gevallen is; – er was een tijd, waarin onze reederij zich verhovaardigde de vrachtvaarster van geheel Europa te zijn, – hoe groot blijkt haar aandeel in het overvoeren dier menschenmassa, welke nu al veertig jaren lang, telkens aanwassende, uit de oude naar de nieuwe wereld gaat?

„Om te lossen in eene der havens tusschen Havre en Hamburg,” luiden de chartepartijen van den handel, als hare schepen met de voortbrengselen van andere hemelstreken huiswaarts belaÍn keeren, en onze koopsteden worden voor menig artikel als markten nog medegeteld; – tusschen Havre en Hamburg vloeit de stroom naar zee, dien Borger in eene Russische bui den grootvorst der Europesche noemde, die schier de Duitsche landverhuizing op zijne wateren draagt, als moest zij ten laatst vaarwel den somberen indruk medenemen, welk een heerlijk oord de Voorzienigheid dien volken tot bakermat had bestemd! Holland, zoo verbeeldt gij u, Amsterdam, Rotterdam vooral, zal de reede zijn, van welke zij afscheid nemen uit een werelddeel, dat zoo weinigen hunner zullen wederzien; als onze duinen in het blaauw diep voor hen wegzinken, zullen zij het Vaste Land voor het lest hebben gegroet. En echter bedriegt gij u, ons aandeel in het vervoer dier zwervers is tot onbeduidend wordens toe weggekrompen. Wij hebben, met schaamte zij het neergeschreven, wij hebben slechts in den beginne gedeeld in de schande der gruwelen, door de winzucht alom aan dat gebrek gepleegd; sedert meenden wij onze handen rein te wasschen door onverachillig te blijven toezien, hoe onze naburen verbeterden en vooruitgingen! Wat is het gevolg geweest? Een tak van bedrijf, waarop wij voornaam nederzagen, een steun der scheepvaart, dien wij smadelijk minachtten, is door Havre en Bremen in bescherming genomen, in milde bron verkeerd, die beider handel met de Vereenigde Staten bloeijen doet.

Wie is er, die Havre niet kent als de stapelplaats voor Frankrijk en Zwitserland van dat voortbrengsel van Noord-Amerika, ’t welk de grondstof der nieuwere nijverheid uitmaakt en John Bull broeder Jonathan meer naar de oogen doet zien, dan hij weten wil; – wie is er, die Havre niet kent als de eerste katoenmarkt van het Vaste Land? Hoe zou het mogelijk geweest zijn, dat het den scherpen blikt harer handelaren lang konde ontgaan, welk een middel ter vermindering der kosten van den aanvoer van dat artikel er in dien uitvoer van menschen school? Als dezse de 1edige ruimte aanvulden en betaalden, welke in de schepen bij hunne heenreize overbleef, dan behoefde bij hunne terugkomst die andere wolle, welke niet slechts even goed dekt en kleedt en tooit, maar zich gedweeŽr dan eenige andere vacht herscheppen laat, maar de helft der vroegere vracht te dragen, en het getal harer verbruikers zou toenemen, naarmate iedere daling haar meer binnen het bereik van minder vermogenden bragt. Handelshuis bij handelshuis legde er zich dan ook weldra op toe, betrekkingen in het hart van Duitschland aan te knoopen, om Havre tot plaats des vertreks te doen verkiezen, en „wide awake,” waar het geldt de middelen aan te grijpen, die de bereiking van het doel verzekeren, gaf de Yankee eensklaps den schoonen vorm zijner slanke, schelpgelijke schepen prijs voor die gevaarten, wier breede lendenen een ongeloofelijk getal balen katoen kunnen bergen en voor heel eene schare landverhuizers ruimte over hebben. Er verliep luttel tijds na den aanvang van dien nieuwen Exodus, en Havre zag jaarlijks twintig duizend vreemdelingen zich van zijne kaden inschepen; wat was het er verre van, dat het getal nog zijn toppunt zou hebben bereikt! Het wies en bleef wassende; maar de overdreven wedijver der maatschappijen, om zich een telkens grooter getal landverhuizers te verzekeren, maar de mededinging, die, buiten mate gedreven, misdadig wordt, lokte letterlijk onvermogenden, lokte zelfs bedelaars tot den overtogt uit, en de Fransche regering zag zich verpligt tusschen beide te komen, wilde zij hare groote wegen niet met gespuis bedreigd, wilde zij hare gasthuizen niet overladen vinden. Er werden waarborgen geŽischt ter betaling van den overtogt niet alleen, de landverhuizer moest bovendien bewijzen ten minste vier honderd gulden per hoofd ter betaling en of dit nog niet genoeg ware geweest, zijn paspoort moest door den Franschen gezant te Frankfurt a/M. zijn geviseerd was het wonder, dat de middelen het doel voorbij schoten, en Rotterdam, Antwerpen, Hamburg, Bremen vooral partij trokken van dat oogenblik van overbezorgdheid? Immers, eene wijle slechts verlamden die te straffe maatregelen de bewegingen der handelshuizen van Havre, die zich dezen tak van uitvoer ter taak stelden. Het bestuur zelf behoefde geene jaren om te leeren inzien, dat die menschenmassa zich zoo min als een mierenhoop door eenigen omweg in de bereiking van zijn doel laat belemmeren, – het moge meer moeite kosten, zij treft het wit toch! Het visa van den Ambassadeur werd weldra overtollig beschouwd; allengs geraakte het in onbruik den emigrant het bewijs te vergen, dat hij gelds genoeg bezat om zijne passage te betalen; weldra werd de doortogt geheel vrij gegeven. Het getal landverhuizers, dat in 1852 uit Havre naar NewYork scheep ging, beliep ruim vijftig duizend, terwijl er uit dezelfde haven twintig duizend naar New-Orleans vertrokken.

 Horace Say schildert ons deze met de volgenhe trekken:

„Wie onzer is, niet ten prooi geweest aan eene pijnlijke gewaarwording, aan een oogenblikkelijk maar waarachtig hartzeer, zoo dikwijls hij op onze groote wegen, aan de stations van welke een spoortrein vertrekken zou, in de straten onzer steden, of op de kaden onzer havens, dien langen stoet van emigranten van beiderlei kunne en allerlei leeftijd, ontmoette? vrijwillige ballingen, die een beter te huis onder een anderen hemel zoeken. De eene karavaan volgt de andere, en op al die verweerde aangezigten is dezelfde indruk geprent. De jongelieden, aan het hoofd van den optogt, treden met vasten schred vooruit, Zich luttel over het heden bekommerende, hebben zij naauwelijks een zucht over voor wat zij achterlaten en leven geheel in de toekomst, hen doordringt het besef, dat zij in eene groote onderneming eene belangrijke taak hebben te vervullen. Op deze pleegt de huisvader te volgen, ernstig en peinzend, nog vervuld van den strijd der gedachten, die hij beurtelings het oor leende, eer hij het thans uitgevoerde besluit nam. Misschien denkt hij, dat hij nog zou kunnen terugkeeren, maar de teerling is geworpen, voor de verantwoordelijkheid deinst hij niet terug, hij heeft met zijne oude gewoontes gebroken, hij heeft zijn geboortegrond voor altijd vaarwel gezegd. De vrouw, achteraan geraakt door de zorgen, voor de kinheren vereischt, ziet er afgemat uit, hare oogen staan droevig, maar zij berust. Intusschen gaan allen voort, zich langzaam naar hunne bestemmingsplaats rigtende. Het is of het oord, dat zij doortrekken, hen niet aangaat; naauwel„jks is het hun de moeite waard het hoofd om te wenden, om met onverschilligen blik de wonderen eener groote stad ga te slaan. Het is of zij, in gedachte, de ruimte klievende, tusschen hoop en vrees geslingerd, reeds het onbekende land begroeten, waarin hun een beter lot verbeidt.”

 Er is meer kracht in die groep, dan wij aan eene dergelijke ten onzent durven toekennen; maar het wordt tijd, dat wij den blik naar die stad wenden, welke in ijver om zich de landverhuizing te verzekeren, dien van alle mededingende havens overtrof.

Van de drie oude hanzesteden was Bremen de eerste die het belang dezer vrachtvaart begreep, en, den weldra ontwaakten wedijver van Lubeck en Hamburg het hoofd biedende, beide spoedig en verre achter zich liet. Er vormden zich philanthropische maatschappijen ter uitoefening van een patronaat over de emigranten; geen voorgeslagen middel ter bevordering van het vervoer, dat niet bedachtzaam door deze getoetst, dat niet zorgvuldig door haar geregeld werd, en weldra knoopten zij eene briefwisseling aan met Duitsche genootschappen te New-York,’ te Philadelphia, te New-Orleans en zelfs te Saint-Louis op den Mississippi gevestigd. Was het wonder, dat de vertrekkenden uit oostelijk en noordelijk Duitschland, ’t geen wel meer menschen in de woestenij uitstiet dan de Rhijnstrek en en het zuiden van GermaniŽ, bij voorkeur den weg insloegen waar de overtogt hen zoo gemakkelijk werd gemaakt? De Kamer van Koophandel en de Senaat der stad zetten om het zeerst door hun gezag der welwillende pogingen der maatschappijen kracht bij. Geene inlichting, die den zwervers niet kosteloos werd verleend, geen bedrog, aan hen gepleegd, dat ongestraft bleef; en wijzer nog, de vinding putte zich uit in middelen om dit te voorkomen. Iedere wet, door het Engelsche Bewind uitgevaardigd ter bescherming der weerlooze schare gedurende haar verwijl aan wal, ter bevordering harer gezondheid, zoo lang de overtogt duren mogt, werd geraadpleegd, en waar het pas gaf nagevolgd. Draagbare bruggen werden uitgedacht, om de inscheping gemakkelijker te maken, en den reeders de verpligting opgelegd, eene genoegzame som te doen verzekeren, om in geval van schipbreuk aan den emigrant het middel tot vervoer te waarborgen van de plaats des ongeluks tot die zijner bestemming. Als ware dit alles nog niet genoeg geweest, er verrees in 1850 in Bremerhaven ten behoeve der landverhuizers een gebouw, groot genoeg om twee duizend passagiers te kunnen herbergen. „De voorgevel is zestig Nederlandsche ellen breed; galerijen, dertig ellen lang, voeren naar de groote zalen; het heeft overvloed van slaapvertrekken, en biedt vrije kamers aan, voor wie geld genoeg heeft die te betalen. De benedenverdiepingen bestaan uit keukens, bergplaatsen voor de bagage, en stookhokken ter verwarming van het gansche gebouw door stoom. Er zijn vertrekken tot kapellen voor de katholijke en de protestantsche eeredienst ingerigt. Een ziekenaaal geeft gelegenheid ter verpleging van vijf en dertig kranken. De kosten van verblijf zijn ongeloofelijk laag gesteld; voor dertig centen daags vindt men er huisvesting en voedsel.”

Vraagt iemand, of Bremen zijne zorg voor de landverhuizers beloond zag? Wij geven andermaal het antwoord in cijfers – in het verleden jaar vervoerde het er vijf en zeventig duizend naar de verschillende havens der Vereenigde Staten, en kon van Baltimore zijn tabak in den regel tot zes gulden minder vracht per vat huiswaarts brengen, dan dit voor Holland het geval was.

Hoe deinzen Hamburg, Antwerpen, Rotterdam hierbij op den achtergrond; terwijl de getallen der vertrokkenen uit de beide eerste havens elkaÍr in 1852 opwegen, iets minder en iets meer dan veertien duizend beloopende, zag Rotterdam er in het jongst verloopen jaar uit de Boompjes nog geen vier duizend, scheep gaan. Het cijfer is alleronbeduidendst, – dat ten minste de klasse het vergoedde! Maar wie durft er zich mede vleijen, dat de gezetenen onder onze naburen, dat zij, die zich door de verbrokkeling der vaderlijke nalatenschap genoopt zien elders met dat kleine kapitaal beterkoopen grond te bebouwen, den weg langs de Maas zullen kiezen? Een blik op de groepen onder het geboomte harer kaden volstond dikwijls om ons aan Bilderdijk’s navolgingen van Tyrteus te doen gedenken; inderdaad het zijn dezulken, die „voor afgesmeekte hulp eens haters wreed versmaden” ter prooi zijn geweest, en hun gebrek „wordt nog ter afkeer” verzwaard. Zoo ergens, bij hen grijpt het wee der grijsheid het gemoed aan, en het geheel zou de troostelooze veraanschouwelijking des jammers mogen heeten, zoo er niet aan de knieŽn dier misdeelden een hoop kinderen speelde, die ten minste nog tijds genoeg voor zich hebben, om niet enkel van beter toekomst te droomen!

Wie ingelicht wil worden, waarom onze reederijen slechts zoo weinige landverhuizers en dan nog maar diegenen verschepen, welke onvermogend zijn de kosten goed te maken van eenen omweg, dien zij gaarne zouden kiezen, hij leze het Verzoekschrift, in Februarij 1.1. door de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Rotterdam aan Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken te ’s Gravenhage, ingediend; liever nog, hij hoore:

„De Kamer ontving en zendt hierbij onder dankbetuiging aan Uwe Excellentie terug eene lijst der in de maand September j.l. van Bremen naar de Vereenigde Staten geŽxpedieerde schepen met pasasgiers.

„Uit dat stuk blijkt, dat bereids van Januarij tot September 1854 62,746 landverhuizers in 299 schepen den weg naar Amerika over Bremen gekozen hadden. Over het geheele jaar bedraagt het aantal, zoo als dat in de dagbladen wordt opgegeven, niet winder dan 75,424 in 361 schepen. – Het getal der te Rotterdam naar dezelfde bestemming ingescheepte passagiers beliep in ’t afgeloopen jaar slecbts 3880, en de Kamer meent op dit zoo in ’t oog springend verschil de aandacht van Uwe Excellentie te moeten vestigen, ten einde nogmaals aan te dringen op de hooge noodzakelijkheid eener Policie-Wet, op het vervoer der landverhuizers te maken. Het is toch geen gebrek aan schepen ons die lieden over zee te vervoeren, geen gebrek aan goede en goedkoope middelen van vervoer om herwaarts te komen – onze Rijnbooten zijn goed ingerigt en goedkoop genoeg, – het is de meer of min gegronde vrees om bloot te staan aan de knevelarij van allerlei tusschenpersonen en ondernemers in dit vak, waartegen elders de regering bescherming verleent, doch wier handelingen men hier geheel ongestraft laat. Het ligt in den aard der zaak, dat het gerucht en het eigenbelang de vele verkeerdheden, die hier onder zulk een stelsel moeten voorkomen, nog oneindig vergrooten, en het is thans overal in Duitschland bekend, dat men de Nederlandsche havens niet moet kiezen; zelfs wordt in vele streken openlijk van overheidswege en overal in de dagbladen daartegen ernstig gewaarschuwd. – Het ware daarom hoogst wenschelijk, dat onze Regering zich eindelijk eenmaal om deze aangelegenheid bekommerde en bij eene behoorlijke Wet deze zaak regelde, ten einde van den afkeer, tegen onze havens in Duitschland bestaande, zoo mogelijk een einde te maken, dat alleen langs dezen weg kan geschieden, – zoo het thans niet reeds te laat is om de landverhuizing nog hier heen te leiden.

„Het is niet alleen om de voordeelen, welke het vervoer der landverhuizers op zich zelf oplevert, hoe belangrijk dit ook voor de reederijen en voor vele neringen in de zeesteden zijn moge, dat de Kamer zoo herhaaldelijk op eene behoorlijke regeling dezer aangelegenheid bij de Wet aandringt, maar ook om het enge verband, waarin dat vervoer tot den algemeenen handel staat. – De goede uitvracht toch, door het transport van passagiers naar Amerika verkregen, maakt eene lage terugvracht mogelijk, en deze is het wederom, welke belangrijke hoeveelheden goederen hier zou kunnen doen aanvoeren. Het voorbeeld van Bremen is daar, om dit aan te toonen. De groote hoeveelheden tabak, daar aangevoerd, zijn onder anderen voor een goed deel te danken aan deze om omstandigheid: in 1854 bedroegen die niet minder dan 41,400 vaten tegen slechts 9600 voor onze stad.”

Het adres is practisch; wie wenscht niet met ons, dat die stem der waarheid nog in tijds gehoor vinde? Boven enkele maatregelen van politie, zouden wij echter de voorkeur geven aan eene volledige wet, bij welke de Landverhuizing naar de behoefte onzes tijds werd geregeld. De Koninklijke Besluiten toch van 28 Dec. 1837 en 13 April 1839, met hun bortogt van honderd vijftig gulden per hoofd voor iederen landverhuizer, en hunne scheepsruimte van vier personen per elke vijf lasten, maken de mededinging met den vreemde tot een vromen wensch.

De Directie der Nederlandsche Handel-Maatschappij, gevestigd te Amsterdam, overtuigd naar het schijnt, dat het vervallen verkeer dier stad met de Vereenigde Staten haar in menig opzigt buiten den belangrijksten kring der wereldbeweging doet blijven, beproeft sinds een tweetal jaren telkens ijveriger pogingen om dŠŠr betrekkingen aan te knoopen. Het blijkt haar doel te zijn in de wedijverende steden aan IJ en Maas, kon het zijn, katoenmarkten te vestigen, die, ja, nog tientallen jaren zullen behoeven, eer er sprake van mededinging van het Vaste Land met Liverpool of Havre wezen kan, maar bij het slagen harer onderneming toch allengs in de behoeften dier streken zouden kunnen voorzien, welke digter aan de Nederlanden palen dan aan Frankrijk of Groot-Brittanje. Het overwegend gewigt, dat het voor heel ons werelddeel onontbeerlijk geworden artikel in de schaal van den handel werpt, regtvaardigt hare keuze; het groote kapitaal, waarover zij beschikt, de goede naam, dien zij zich verwierf, waarborgen hare bevoegdheid tot de taak; maar zal zij kunnen slagen, zonder dat de landverhuizing haar in staat stelle katoen even laag aan te voeren als Havre of Liverpool, zonder dat onze reederijen door het derwaarts zenden harer schepen die van het zuiden der Vereenigde Staten eerst van den weerzin tegen onze havens genezen, om ze daarna tot wedijver met deze geprikkeld te zien? Het zijn vragen, die wij wenschten met meer vertrouwen op een gunstig antwoord te mogen doen; hoeveel liever zou ons de beschaming dan de bevestiging onzer vreeze zijn! De Kamer van Koophandel en Fabrieken aan het IJ doet in belangstelling voor de welvaart harer haven voor de Kamer der Maas, we houden er ons van overtuigd, niet onder; maar het is niet genoeg, als de hoofdstad, bij dit onderwerp niet na te volgen, niet in te halen heeft, zij moet meer doen, daar zij de nadeelen eener min gunstige ligging heeft op te wegen. Amsterdam wordt tot nog toe onder de havens, uit welke de emigratie zee kiest, naauwelijks genoemd; Amsterdam, dat in zoo menig ander opzigt middelen te over heeft de stad aan de Rotte op zij te streven, neen, haar vooruit te gaan! Een gevoel van verontwaardiging doortrilde Amsterdam merg en been, toen het meer welsprekend-aanschouwelijk dan staatkundig-voozigtig van haar werd getuigd, dat, zoo de hoofdstad des rijks zijn hartader heeten mogt, die hartader flaauw klopte; maar waarom toch liet zich na die huivering de logenstraffing zoo lang wachten; waarom voedde men slechts wrok, waar zoo grootsch wraak te nemen viel? „De financiŽn,” – „onvermogen,” – „verval,” – weergalmt bij de beraadslagingen, fluistert de een den ander toe, wijst men u aan; doch wie gelooft aan gebrek aan geld, waar hij, ja, velerlei zin voor wat werkzaamheid, inspanning, studie eischt het openen van nieuwe handelswegen, de deelneming aan het staatsleven, lust tot bouwen voor wetenschap en kunst – dommelig vindt, maar juist dien voor de weldadigheid onovertroffen, ongeŽvenaard alle anderen ziet overleven?

Goedgeefsch zijn is eene edelaardige eigenschap; zij getuigt van vroegeren voorspoed en van voortdurende vroomheid; maar zal men het ons ten goede houden, dat wij haar het hoogs waarderen, waar zij de kroon zet op een wedijverend streven aller krachten naar wat ook in andere opzigten goed en groot is? We zijn voor velerlei werk te traag geworden, bedwelmd door de walmen, opgaande uit de wierookvaten, die wij elkaÍr voor onze voortreffelijkheden tot stikkens toe te gemoet slingeren; zou de laatste overgeblevene deugd eene gemakkelijkste zijn? Eer gij de vraag onbescheiden scheldt, wat is uw antwoord, als een vreemdeling tot u zegt: in uwe stad is wel geen arme meer die niet school kan gaan? of ge hebt mij veel laten zien, uwe nieuwe gasthuizen bewaarde ge zeker voor het lest? of... Erger u niet te zeer, zoo wij sluiten met het woord, dat ons op het harte ligt: het is door energie en niet door collecte, dat de Vereenigde Staten vooruitgaan.

Op onze vlugtige beschouwing der Engelsche en Duitsche landverhuizing volge de derde, die uit de overige Europesche rijken, luttel in getal als die heeten mag. Wij volgen denzelfden leiddraad, dien we bij de vorige ter hand namen, maar schoon we grooter gebied hebben te doorloopen, de weg zal veel rasser afgelegd zijn.

Laat ons met het Noorden beginnen, om al dadelijk in Rusland een staat aan te treffen, die in onze opvatting van het woord geene laadverhuizers kent. De Rus, tenzij zijn meester hem meÍvoere, kan zijn land niet uitgaan; hij heeft geene beschikking over zijn persoon, hij behoort den grond toe, – het is zijne bestemming eene soort van onroerend goed te zijn. Als iemand den lust botvierde, in het Russische rijk door te dringen, om er arbeidsliÍn te werven, en die te verschepen, hij zou vervolg-, hij zou strafbaar zijn, niet dewijl hij zich aan personen zou hebben vergrepen, neen, omdat hij het gewaagd zou hebben den eigendom aan te taeten.

Het Scandinavische’ schiereiland is verder in beschaving gevorderd; de Zweed, de Noor, ze zijn vrij, zij kunnen zich naar lust vestigen waar zij willen, en niets staat hen in den weg om hunne krachten daar te besteden, waar zij gelooven van deze het meeste partij te kunnen trekken; maar juist dewijl ze vrij zijn, gevoelen zij te levendiger den band, die hen aan hunnen geboortegroad, bindt. Wilt gij den Odalboer van het Noorden leeren kennen, sla Erik Gusaf Geyer’s dichtbundel op, en ge zult hem voor u zien: „Op eene bergvlakte, hoog boven bosch en meir,” zingt hij, „dŠŠr staat mijn huis, daar heb ik het eerste daglicht gezien en daar wil ik ook sterven. Laat wie er lust in heeft de wereld omdolen, en zij wie dat kan heer of knecht, ik sta liefst op mijn eigen grond, ik ben het liefst mijn eigen meester. Om een naam te maken is het mij niet te doen, maar mijn woord is mijn zegel, en wie ook van een oogst van glorie relle, iederen herfst breng ik den mijnen rustig in de schuur. Die de aarde beheerscht, die heeft duizende beenen en duizende armen op den koop toe, maar het valt hem zwaar dat heir voort te krijgen; mijn arm is nooit traag om uit te voeren wat ik wil. Ik hou van geen ophef, ik mag geen rumoer: wat er groots wordt gedaan dat geschiedt stil; als de storm weg is gedreven, laat hij schier geen spoor achter, en als ge den bliksem gezien hebt, is het voorbij; maar zonder een woord te zeggen, voegt de tijd oogenblik bij oogenblik, en toch kunt ge zijne dagen niet tellen, en de golf stuwt zachtkens voort naar den bodem der zee, schoon de beek, die van wat regen zwol, raast en tiert. Eveneens ga ook ik in stilte mijn weg, er valt niets groots aan mij te zien, en al mijne broeders doen als ik, ieder op zijn erf. En toch zijn wij het, die heel het land voeden, onzer is het brood; – wij zijn het, die het gezondheid, die het kracht geven, en moet er bloed gestort worden, boerenbloed vloeit het eerst en het langst. Iedere plage heeft haren eigenen kreet, maar de gezondheid doet den mond niet op; daarom spreekt men ook niet van mij, daarom is het even of ik er niet was. Het zijn de groote, de geweldige heeren, die met gedruisch en gedonder stad en rijk overhoop werpen; maar in stilte bouwen de boer en zijn zoon die weÍr op, zij zaaijen op het van bloed nog drasse veld maar weÍr korrel bij korrel uit. Van veel wetens heb ik geen last, maar ik weet wŤl wat het mijne is; God en den Koning geef ik wat hun toekomt, het overige smaak ik vrij. Geleerden en rijken breken zich het hoofd, om uit te maken wiens aanspraak den meesten grond heeft, maar ik ben van de leer, dat mij toekomt, wat ik met mijn zweet heb verdiend en met mijn bloed heb verweerd. Ik hou er niet van altijd heen en weer te draven, na gedaan werk is het goed. rusten; doch als er Svea-Ting gehouden wordt, dan ga ik op, het schild aan den arm. Vele woorden verkwist, in algemeene zaken, onze spreker bij den Koning niet, maar onder het gekletter der wapens ontbreekt het der boeren ja of neen nooit aan kracht. En roept hij ons op tot den strijd, er is geen erf, welks huisman achterblijft, en daar de Koning zijn banier plant, daar is de strijd het heetst. Immers, wij vechten voor het lieve kroost in moeders arm, voor onze voorzaten, voor ons te huis, voor ons land, – al weet het gerucht niet eens, dat wij in de wereld zijn, Svea’s Koningen kennen ons wŤl!” Van zulk hout snijdt, is zoo vast met den grond zaamgewassen, van zulk hout men geene landverhuizers; ter nood hoorde men in de laatste jaren van eenige emigranten spreken, die naar Canada togen, als zochten zij ook in den vreemde, ten minste in, het klimaat, nog bij voorkeur de wedergade van het geliefd verblijf hunner kindschheid op.

Arm Zwitserland, wat zullen wij van u zeggen, dat nog altijd, tot in de negentiende eeuw toe, uwe kinderen hun bloed voor de belangen van vreemden vergieten laat, dat misschien van alle landen uit midden-Europa het meeste ter emigratie bijdraagt? „Er is in Zwitserland,” getuigt onze voorganger, „beide vrijheid en welvaart, maar er is nog meer verdeeldheid, zoowel in het godsdienstige als in het staatkundige. Nationale eenheid ontbreekt, de Zwiters zweemen naar hunne naburen, beurtelings Duitsch, Fransch of Italiaansch; – in elk dier streken gaan zij schier voor landgenooten door, en genieten er ten minste de voordeelen van. Zoo zij er als vreemdelingen willen beschouwd zijn, zoo zij zich als Zwitsers doen gelden, het is te dikwerf slechts dan, wanneer zij daardoor eenige der lasten kunnen ontgaan den inboorlingen opgelegd.” In ťťn opzigt echter onderscheiden zij zich kennelijk van de emigranten aller overige natiŽn; wij bedoelen de hoop om later, rijker, neen, zij het ook even arm, toch in het vaderland te rug te keeren; de hoop, die hun bijblijft, al kunt gij, bij het blosje der tering op hunne kaken, u niet weerhouden aan het geopend graf te denken. Geen hunner, die als de Duitscher vůůr zijn vertrek afstand doet van zijne burgerrechten; geen hunner, die miet met Rudolph Wysz, den oudere, in zijn bekend Schweizer-Heimweh, inden vreemde uitroept, als hij zijn harte gevraagd heeft, waarom het bij de heerlijkste natuurtooneelen zoo droef, zoo verslagen blijft, waarom het ach en wee roept, wat het nog meer verlangt: „Wat me ontbreekt, mij mangelt alles, ’k ben zoo gansch verlaten hier; – ” geen hunner eindelijk, dien de gedachte aan vader en moeder, aan berg en dal en woud, niet ijlings de gletschers en de gemsen de koereiŽn en het dorpje en de lieve kinders, die hem toelachten als geen kind elders doet, weÍr voor den geest roepen, tot hij met den in vollen zin des woords volksdichter dat hijgende, hakende hart het zwijgen oplegt met de woorden: „’t is uw lot, schik er u in; zoo God wil, Hij kan helpen; dat wij spoedig weÍr te huis zijn!”

Italianen en Spanjaarden emigreren eigenlijk gezegd niet, en zouden dit het allerminst naar de Vereenigde Staten doen. Het zijn de oevers van de Plata, Montevideo vooral, die 1851 jaarlijks eenige honderden dezer natiŽn tot zich trekken; de beweging was voor twintig jaren door Piemontezen en Spanjaarden en Franschen uit beider Baskische gewesten begonnen, – het beleg van Montevideo belemmerde haar sedert acht jaren lang. Ook bij hen echter is het doel meer zich in den vreemde eenig vermogen te verwerven, en daarna huiswaarts te keeren; dan eene eigenlijke vestiging.

Frankrijk, – wij keeren naar het Noorden terug, de bewoner van de kusten der Middellandsche zee, zoo hij al als kolonist een uitstapje naar Algiers maakt, zich niet als emigrant beschouwt, – Frankrijk neemt aan de beweging geen deel, alles bepaalt zich tot eenige, tot nog toe kwalijk gelukte, pogingen, om AlgeriŽ te bevolken. Ofschoon zich weinige landverhuizers uit de armste Cantons der oostelijke departementen van tijd tot tijd bij de voorttrekkende schare vreemdelingen uit het Rhijndal voegen; – wie merkt die zigtbare schalmen op in eene keten, die van werelddeel tot werelddeel reikt?

Niemand bijna, – tenzij het hart die enkelen lief hebbe, tenzij hem, dewijl het zijne landgenooten waren, hen wel of wee voortdurend belang inboezeme; en wel verre daarom van in die woorden eene veroordeeling van ons opstel te zien, wenschen wij ze tot overgang te bezigen ter beschouwing der zoo weinig talrijke landverhuizing uit ons midden. BelgiŽ toch, dat na Frankrijk had moeten worden vermeld, werpt te luttel gewigts in die schaal, om er bij stil te staan, – tenzij de opmerking, dat ook dŠŠr de wetgeving ten behoeve der emigranten, in 1843 begonnen, in 1850 voltooid, het doel voorbijschoot en het vervoer uit Antwerpen eer belemmerde dan begunstigde, hier haar nut hebben kon.

 

Hoofdstuk III