E. J. POTGIETER (1808-1875)

LANDVERHUIZING NAAR DE VEREENIGDE STATEN.

III.

Hoofdstuk II

Landverhuizing uit Nederland naar de Vereenigde Staten! Om er groote gedachten van te koesteren, zou men moeten voorbijzien, dat de schare vreemdelingen, ons jaarlijks uit GermaniŽ toegevoerd – hetzij die uit arbeidsliÍn besta, welke zich, als trekvogels, eene wijle bij ons voeden, om in den herfst weÍr te verdwijnen; hetzij die een bundel jonge, frissche loten uit den burgerstand moge heeten, bestemd om op onze handelstakken te worden ingeŽnt, – de beslissing der vrage, of wij wel aan overbevolking lijden, hagchelijk maakt. – Landverhuizing uit Nederland naar de Vereenigde Staten! Om er zich veel van voor te stellen, zou men moeten vergeten, dat wij door hechter banden aan andere werelddeelen zijn verknocht. Amerika is het terrein, waarop wij het minst gelukkig zijn geweest; zoowel in het noorden als in het zuiden bleken de verwachtingen van het voorgeslacht ijdel. Al leeft de heugenis van eenige hollandsche geslachten in de omstreken van New-York voort in de namen, aan een bekoorlijk eiland of lief landgoed gegeven; gij weet het, de pogingen onzer vaderen ter kolonisatie van Nieuw-Nederland slaagden niet! – „Verzuimd Brasil!” zong Onno Zwier van Haren, en velen onzer lezers, zich het couplet des dichters herinnerende, zijn ons vooruit in de opmerking, dat aan de eene zijde der linie als aan de anlere ťťn zelfde ongenade des lots de hollandsche steden herdoopte. Nieuw-Amsterdam is aan de oevers van den Hudson een vreemde klank geworden, en welk nabuur, die van Fernambucq hoort, gedenkt er aan, dat zij Mauritsstad heette? – Waar de oceanen, die naar deze en naar gene der beide havens vloeijen, hunne wateren zaam zien stroomen, waar de zon zengende stralen schiet, daar ligt Suriname... de bloedgetuige tegen onze menschelijkheid, de logenstraffing van ons Christendom, – zoo lang reeds – en hoe lang nog?!

Afrika moge regt hebben ons van zijn westkust met vervloekingen te achtervolgen, het zegent ons tevens; want aan zijn zuidelijksten uithoek ovedeeft de geest en het gemoed van ons volk de dagen zijner heerschappij. Wees gegroet, opbloeijend Gemeenebest! den schoonsten tijd van het ondergegane waardig. Of gij er in alles haar zweemen moest, hadt ge in uwe bangste worsteling ook geenen bondgenoot, – dan Hem, die nooit beschaamt, en u als ons uitredde! Luttel in tal mogen de moedige mannen uit ons midden zijn, die over bergen en zeeŽn tot u komen, gij wenscht er geene dan die deelen in u geloof, dat God tot dien arbeid roept, dat God voor dien sterkt, dat God die zelfverloochening zegent – wat wonder dat zij schaars zijn? Even weinig voorzeker, als dat het hart van duizenden onzer die met bewondering naoogt, die met belangstelling volgt; dat de landverhuizer naar de Kaap gedacht wordt in den gebede!

En toch zijn het nog deze snaren niet, die het gansche speeltuig trillen doen: er is ťťn brievenmaal, waaraan heel de natie hangt, die over het lot der natie beslist! Ongedurig verbeid, – reikhalzend te gemoet gezien, – door een enkel etmaal vertragens duizenden aan angst en vrees ten prooi gevende, strekt bij hare aankomst ieder onzer op zijne beurt begeerig de hand uit naar dat zoo verlangend verwachte blaadje papiers, – ’t geen over oceanen voortgedragen en door woestijnen heengevoerd, geheimzinnigste en getrouwste aller, boden, eindelijk voor ons zijn sluijer afwerpt en zijn mond opdoet, – om den blos der vreugde op ons gelaat te roepen of onze lippen te doen besterven! – Het is de Overlandmail, het zijn tijdingen uit de Oost! Zoodra deze het vorstelijk kabinet zijn binnengebragt, werpt de Koning de veder ter zijde om haar in te zien, – de gezant van deze of gene europesche mogendheid vracht eenige minuten langer op het gewenschte gehoor, onze Aziatische hebben den voorrang, – zijn de Molukken niet de flonkerbaggen, is Java niet het keurgesteente zijner kroon? – Indien het treft, dat die berigten in onze koopsteden ter beurze worden uitgedeeld, houdt de handel des dags een oogenblik op; – de pols stokt van aandoening; want zoo wij nog eene vloot hebben, het is der bezittingen in den Indischen Archipel dank te weten, zoo wij nog markt maken, het is in de voortbrengselen van zijn gezegenden grond. „Alles wel!” gaat van mond tot mond, de aderen kloppen weÍr, gedruiseh, geschreeuw, gejoel vervangt het omziens stilte, – verbaast gij er u over dat de fondsen rijzen? is dan de kans op verligting onzer lasten niet vergroot? – Al grooter blijkt de kring geworden, zich van de hofstad tot de koopsteden uitbreidende; maar zie, het oog bereikt zijne grenzen niet – ligt er wel in een van onze gewesten zoo afgelegen een dorpje, waarin geene mare van verwanten of vrienden uit die oorden wordt te gemoet gezien? Stout moge de verbeelding eens dichters hare wieken uitslaan, om ons eene voorstelling te geven van den schat van lief en leed, die over het gansche land in die brieven wordt uitgestort, beschaamd zou ze blijken, als enkele van de honderd voor u openlag. Maar wenscht gij des ondanks niet, dat zij u de blijdschap schilderde dier gade, zoo gereed, zoo gelukkig haar man te mogen volgen, nu zij las, hoe de fortuin hem ginder toelacht! – zij bleef hier zoo noode met hare kleinen op dat kamertje achter, verlaten en vergeten door wie haar in vroegeren voorspoed heeft gevleid! – Maar zoudt gij dien dichter, hoe droef het u maken mogt, niet dnk weten, zoo hij, dwars door de wiegelende winden, voor het hooge venster van dat buiten heen, het beven dier stramme vingeren bespiedde, een traan van het bijbelblad wisschende, helaas! de eenige van die grijze weduwe stierf onder dien verren hemel den heldendood, waarvan de heugenis weldra haar in het graf gaat! – Maar zoudt ge niet met diezelfde verbeelding over den schouder van dat bleeke meisje willen gluren, secondante op eene kostschool, in haar lessenaar, steelsgewijze, terwijl de jeugd speelt, den brief overlezende, den brief, die haar een blos op de wangen jaagt; den brief die haar zegt: „ik kom rijk weÍr, en gij bleeft voor mij dezelfde!”

Voorwaar, Java draagt de toekomst van ons volk in zijnen schoot; – welke Landverhuizing zou, hoe bekrompen deze door belemmerde kolonisatie blijve, voor ons hoofd of ons harte bij die naar de Oost mogen halen?

Hoofdstuk IV