E. J. POTGIETER (1808-1875)

LANDVERHUIZING NAAR DE VEREENIGDE STATEN.

V.

Hoofdstuk IV

 

Göthe ontwierp, toen hij in 1798 den veldtogt der Coalitie, ten behoeve der geëmigreerden, tegen Frankrijk, in het gevolg van den Hertog van Saksen-Weimar medemaakte en meesterlijk beschreef, het plan eener vertelling, waarin de reizen van zeven broeders van onderscheiden aard gelegenheid zouden hebben gegeven al het verwarde, al het avontuurlijke, al het planlooze van dien tijd in beeld te brengen. Hoe dikwijls wenschten wij, dat onze romanciers, die zoo gaarne het gebied van den godsdienst tot terrein hunner novellen kiezen, den greep hadden nagevolgd, – liever nog uitgevoerd. Stel u een gezin voor, welks zonen, deels naar Noord-Amerika, deels naar de Kaap gaan; laat een vriend, een geestverwant van deze zich in Suriname vestigen, een ander op Java fortuin maken; en zegt ons, of ge niet gelooft, dat, als die draden goed dooreen werden geweven, het geheel een afwisselender en verrassender aanblik zou hebben opgeleverd, dan wij in staat waren te genieten in het bekende en door dames bewonderde boek, ’t geen ons zou willen diets maken, dat wij geen voet binnen of buitenshuis kunnen zetten, zonder den weg versperd te zien door geincarneerde geloofsgesehillen, ons dwingende ten strijd. Wij waren vaak in verzoeking de uitvoering een onzer vrienden aan te bevelen. Voor Noord-Amerika is er aan eerste bouwstoffen ter decoratie overvloed; verhalen van de vroegste vestiging, welk tijdschrift deelde er, even als dat waarin wij schrijven, in vorige jaargangen niet vele mede? – „a settler’s history” en „tales of a backwoodsman,” men kent ze van buiten. Wanneer iemand zich de lezing van een vervelend saai, maar aan feiten overrijk boek, de Geschiedenis en Toestanden der Duitschers in Amerika door Frans Löher, had willen getroosten, hem zou over de staten Wisconsin, Michigan en Iowa, zoo als zij er hedendaags uitzien, velerlei licht zijn opgegaan; voor Suriname, de kaap de Goede Hoop, Java inzonderheid, kon het hem aan geene bronnen ontbreken. Maar wa neer wij een oogenblik doordachten over het antwoord, wij op de vragen zou:len geven, welke de vriend, dien wij d taak toedachten, naar aanleiding van het gemelde werk ons rigten kon, dan begonnen wij er al de zwarigheden van te zien. Hoe zij elkander van zijne lippen zouden opvolgen: als overgeblevene Franschen in Michigan naauwelijks eenig begrip meer hebben van hun vroeger vaderland, hoe gaat het den Hollanders in dat opzigt? – als de Duitsche Katholijke priesters in die staten zich door hun ijver onder de Indianen voorbeeldig onderscheiden, welke is de verhouding onzer landgenooten tot deze ? – als het staatsleven zich in Iowa het vrijst ontwikkelt, welk deel nemen onze bekenden er aan ? – en zoo bleef, bij gebrek aan later bescheiden, het verlangde werk, de novelle naar het ontwerp van Göthe, maar een wensch, die niet eens werd geuit.

Maar neen, wij doen ons zelven onregt aan, wanneer wij het vermoeden opwekken, als hadden wij slechts in het belang der kunst over het uitblijven van stemmen uit Ottowa en Pella geklaagd. Hoe weinig sympathie de overdrijvingen der separatisten ons mogten inboezemen, het waren onze landgenooten, twijgen van denzelfden stam. Het viel ons zwaar de vreeze, dat zij te wreedaardig waren afgesneden, dat zij te haastig waren overgeënt, ten allen tijde ongegrond te achten. Er bleken, in de eerste brieven der emigranten sporen ga te slaan van een zich ontwikkelenden wedijver tusschen de twee hoofdstichtingen; was er sedert twist gerezen? Ds. van der Meulen schreef uit Zeeland, de klagte te keer gaande, „als zoude het in Michigan niet anders zijn dan pijn- en denneboomen: alles draagt het kenmerk van ijverzucht, vleeschelijkheid en ongeloovig werken;” – Ds. van Raalte uit Holland: „Inlichting aan belangstellende en verontruste vrienden te geven is mij aangenaam. Echter den schijn zelfs van baatzuchtig getrek en gepluk haat ik. Van ganscher harte gun ik aan de verschillende Hollandsche neerzettingen bloei, dien ik niet betwijfele, zoo men God vreest. God zal van ons maken wat Hem behaagt: een iegelijk brengt Hij op zijne door Hem bepaalde woonstede, en ik ben blij dat ik vrede heb met zijn doen. Ik beschouw het gewurm van ons nietige menschjes, o! zoo nietig en gering. Het planten en uitrukken, het bouwen en afbreken van volken is Gods werk. Wij hebben er niet bij. Wij weten de gevolgen van eene enkele daad nog niet te berekenen. De glorie, dat wij iets doen, is eene leugenachtige, winderige buikvulling.” Er rezen bij het lezen dier woorden andere gedachten bij ons op dan louter de vraag, van welke ook gij u niet weerhouden kunt, of er over dezen brief aan Ds. de Moen een minder fijne schaaf is gegaan, dan over den vorigen van dezelfde hand, door Ds. Brummelkamp in het licht gegeven. Wij vergeleken haar met menige plaats in de Tweede Stem uit Pella, waarin, ze zijn te uitvoerig om die aan te halen, maar men geloove ons op ons woord, – waarin Michigan door Ds. Scholte min gunstig beoordeeld, waarin Iowa hoog geprezen wordt, en wij zagen met belangstelling, maar ook met bekommering, naar verscher berigten uit.

Bekommering... acht haar niet beleedigend, bidden wij, – de mensch blijft maar krom hout, aan gene als aan deze zijde des oceaans; ook onder broeders brengt verschillend belang verdeeldheid te weeg. Verre behoeven wij niet te gaan om er het bewijs voor bij te brengen. Er heerschte vrede, er heerschte liefde tusschen eene talrijke schare ten onzent, die zich in haar gemeenschappelijk geloof, in de regten des gewetens geweld zag aandoen. In de dagen van smart en verdrukking waren zij mannenbroeders. Maar er rees verscheidenheid. van meening over de middelen tot verzet. De eene helft der schare, het stof van hare voeten schuddende, ging eener gemeente uit, die zij van de waarheid vervreemd geloofde, zij tartte het vuur der vervolging, zij at het brood der ballingschap. De andere helft bleef hare gevoelens belijden in het midden van hen, die zij verdwaald achtten, een drom aanzienlijken viel haar toe, onder de begaafdsten in den lande verwierf zij kampvechters, in de weegschaal onzer wetten werpen hare stemmen thans het beslissend gewigt. Waarom, – het is de vraag, waarmede wij den omtrek wilden voltooijen, – waarom misten wij sinds lang in haar archief de mededeelingen, die wij verlangend te gemoet zagen!

Welk eene verrassing, toen zij ons van eene andere zijde gewierden, toen zij onze vreeze in de hoofdzaak beschaamden! Wij maken er dankbaar gebruik van, haar u in de volgende bladen aanbiedende. Het zijn onbevangen opvattingen van hunnen toestand, door geen kerkijver gekleurd, maar daarom niet minder waar. Wie zich echter vleijen mogt er het tintelend vernuft van Dickens, of de veelzijdige studie van Ampère in te zullen aantreffen, wij zeggen hem vooruit, dat hij zich zal zien teleurgesteld. Het gaat den schrijver des briefs als den steller dezer bladen; wanneer, zoo als onze weidsche akademiën zouden doen vermoeden, wij in wetenschap en kunst een drom veldheeren hadden aan te wijzen, die hunne jaren bij hunne veroveringen en hunne zegepralen telden, ge hadt nooit van een van beide gehoord, – maar in den guerilla-oorlog, op die velden ten onzent gevoerd, kan ook de ongeordende dienst doen, dewijl zijn schot toch bijwijle treft.

Hoofdstuk VI