E. J. POTGIETER (1808-1875)

LANDVERHUIZING NAAR DE VEREENIGDE STATEN.

EEN BRIEF UIT PELLA.

VI.

Hoofdstuk V

 

„Pella, Oct. en Nov. 1854.

„Er is niets aan verbeurd, ’t is maar een landschapje,” heb ik op menige tentoonstelling gehoord, lieve vriend! als een stuk zoo hoog of zoo laag hing, dat men het niet kon zien; „’t is maar een stadsgezigtje,” heb ik zelf wel eens gezegd, – alsof die den schilder daarom geene moeite hadden gekost. Ik weet nu beter. Gij vraagt mij eene naauwkeurige, getrouwe beschrijving van Pella, – ’t is ook maar een landschapje, ook maar een stadsgezigt, – en der vriendschap weiger ik ongaarne. Ik zie beide dag aan dag – en echter het vlot niet; maar gij neemt de poging voor lief; zou men zoowel schilder als dichter moeten zijn geboren?

„Iowa, de staat Iowa, waarin ons Pella liet, levert bijna overal de verrassende verschieten op, een glooijenden grond eigen; en dit is ook hier het geval, met die uitzondering evenwel, dat het gebied der stad zelve uit eene vlakte bestaat, en eene aanzienlijke uitgebreidheid lands, haar ten westen begrenzende, effen is als die. Ten noorden ligt Pella digt aan een bosch, dat zich ongeveer drie mijlen westwaarts uitstrekt, en ruim twee mijlen diepte heeft. Aan gene zijde van dat geboomte weidt het oog over een open prairie, tot waar het verschiet, op vier mijlen afstands, door de wouden, die het riviertje de Skunk [Susquehanna] omzoomen, wordt bepaald, Zoowel ten oosten als ten westen der stad is de verte louter prairie, door geene boomen afgewisseld; ten zuiden eindelijk, – ik wenschte om den wille der verscheidenheid, dat het anders ware, maar de waarheid voor alles, – ook daar herhaalt zich hetzelfde verschijnsel, alweder prairie, tot zich drie mijlen verder langs de rivier des Moines een zoom van lommer verbreedt. Prairie en bosschen! ze roepen u de heerlijke beschrijvingen van Willis en Cooper voor den geest; ik herinner mij, dat gij niet wist aan wie der twee gij den palm voor eene beschrijving van beider brand zoudt toekennen, – maar, wat ik u bidden mag, laat uwe verbeelding zoo hooge vlugt niet nemen, ik heb hier tot nog toe slechts alledaagsch leven gezien. Een groot gedeelte van de prairie, welke Pella omringt, is ontgonnen; maar eene veel aanzienlijker uitgestrektheid dan die welke den ploeg voelde, ligt nog woest, en de prairie in natura is op verre na de potische prairie der romanschrijvers niet. In het voorjaar, ook in den zomer zelfs, verkwikt haar frisch, levendig groen, en geeft zij, vooral des avonds, bij ondergaande zon, door het golven van het terrein een aangenaam vergezigt. Maar thans, nu het gras verdord is, weet ik haar niet beter te vergelijken dan bij onze Geldersche heidevelden, „een vilten hoed,” maar hier nog niet overal „met gouden rand geborduurd.” Eenige analogie, schoon juist niet de aangenaamste, heeft zij er ten minste mede, als deze of gene moedwillige er een brok van in brand steekt; – gij betaalt, zoo als de dichter van Gelderland zingt, „wat koekebak met dien rook te duur;” wij winnen, daar de lange sprieten van zelf wel zouden verdorren, er des nachts slechts eene gratis-illuminatie van de kimmen bij. En wat nu de bosschen betreft, gij weet hoe gaarne ik in den lommer van het woud wijle en droome: maar het geboomte om Pella heeft twee groote gebreken, waarvan het eene misschien der natuur te wijten valt, terwijl het andere zonder twijfel der menschen hand is toe te schrijven. Vooreerst zijn de bosschen niet digt genoeg en is daardoor de hitte des zomers in de zoogenaamde luwte ondragelijker dan op de vlakke prairie omdat men der stralen is blootgesteld, zonder door den am van den wind te worden verfrischt; en ten andere vinde ik ze ontsierd door eene menigte naakte stompen, het gevolg der hier heerschende gewoonte om de boomen noch uit te roeijen, noch tot den grond af te hakken, neen, dit laatste twee of drie voet daarboven te doen. Stel u voor hoe slordig dit moet staan. Maar het industriele en het pittoreske hebben zelfs in het oude Europa nog niet geleerd zusterlijk hand aan hand te gaan; hoe zouden wij er ons mede mogen vleijen, hier, waar de eerste behoeften des levens zoo noode worden bevredigd, reeds den zin aan te treffen om er de natuur in behulpzaam te zijn, zich schilderig, zich schoon voor te doen? „Zij heeft het zoo zelden noodig,” hoor ik u zeggen, „maar als bosschen noch prairin u bevredigen, Iowa heeft rivieren....” En gelijk hebt ge, mijn waardste! ik repte nog geen woord van de des Moines, die Mississippi in het klein, van weerszijde door weelderig geboomte omzoomd, waar langs zich allerlei struiken slingeren, de des Moines, die kronkelt als een zilveren lint, zeggen de poten, en zeg ik hun na, want landschapschildering, vriend! ze lijkt mij niet, en in dit nuttigheidsland is de groote vraag, in hoeverre de rivier bevaarbaar is. Op dat punt ten minste kan ik uwe weetlust bevredigen. Hare breedte bedraagt gemiddeld twee honderd vijftig voeten, naar mijne schatting ongeveer gelijk aan die van den Gelderschen IJssel, maar zij is er verre van even zoo diep te zijn. Het blijke u uit de mededeeling, dat stoombooten, welke slechts twee voet diepgang hebben, haar alleen in het voorjaar, en mits het hoog water zij, kunnen bevaren. Voor ons, die uit het trekschuitenland komen, en ons alles in de niet langer nieuwe Wereld. (Australi heeft Amerika dien naam doen verliezen) als op reusachtige schaal ingerigt voorstellen, voor ons Hollanders leveren de stoombootjes, die hier de kleine rivier bevaren, een vreemd gezigt op. Slechts van n rad; en dat wel van achter, voorzien, drijven de notendopjes in het land van den vooruitgang traagjes verder. Immers heeft zulk een bootje van Keokuk naar Pella, een afstand van honderd twintig mijlen over land, maar langs de kronkelingen der rivier denk ik wel twee malen zoo groot, dikwijls zes acht dag werk. Ook hier is dus niet alles vliegen! En nu de andere rivier, van welke ik gewaagde, de Skunk, niet waar? beau menter qui vient de loin, maar liever kom ik er gul voor uit, dat ik haar nog niet heb gezien, en dat ondanks de getuigen van vele kennissen: hare oevers en omstreken zijn saaijer dan die der des Moines. Gij zet groote oogen op, lieve vriend! maar hier hebt gij den sleutel van het geheim: Pella mag; bogen op menig landschap een beter penseel dan het mijne waard, maar ten onzent aan orde gewoon, misschien tot afmetens toe met behulp van passer en liniaal, maakt de onbebouwde, haast had ik geschreven onbeschaafde, natuur om Pella heen, tot nog toe op mij een minder gunstigen indruk. Het is er verre van, dat zij forsch, stout, grootsch genoeg zoude zijn, om door een dier eigenschappen, vaak aan ruwheid verknocht, op te wegen, wat zij, woest en wild als ze daar ligt, in aanvalligheid mist. En nu nog na dien grooten sleutel een sleuteltje: de wandelaar heeft zich hier over twee lastige bezwaren heen te zetten, die voor mij onoverkomelijke struikelblokken zijn: gebrek aan lommer en een glooijenden grond, berg op, berg af, in het zweet uws aanschijns, capito, mio caro?!

„Een stadsgezigtje,” beste vriend! zal het beter gaan dan het landschap? Een woord over onze ligging, en ik neem er de proef van. Pella, tusschen drie steden in gelegen, Oskaloosa, ten ZO., op een afstand. van ongeveer 18 mijlen, met 1500 inwoners; Newton, ten NW. met 3 400 zielen, 25 mijlen verre; en Knoxville, dat er ongeveer 500 telt, ten ZW., 12 mijlen van ons verwijderd, Pella ligt zoo hoog, dat het stadje, als men van Oskaloosa nadert, reeds op eenen afstand van negen tien mijlen in het oog valt. Stel er u niet te veel van voor! Doe kerken noch molens tegen de lucht opdoemen, wisch weg zelfs de torenspits in den zonnegloed, boven het geboomte onzer dorpjes uitflikkerende; al wat gij gewaar wordt, is eene digte massa huizen, allen nagenoeg even hoog, met geen boom of struik er tusschen. Verwondert het u nog, dat de eerste indruk, dien het stadje op een Nederlander maakt, verre van gunstig is! Vast naderende valt Pella nog niet toe, maar op haar grondgebied gekomen, ontmoet men langs den straatweg, na eenige blokhuisjes, eindelijk eene nette, houten woning, toebehoorende aan eenen landmeter. Hier begint eigenlijk het gebouwde gedeelte der stad, die op menige andere plek nog in embryo schuilt, – men volgt een tijd lang eene straat, die N. en Z. loopt, en naar de westzijde blokhuizen en houten woningen heeft, – men draait eensklaps een hoek om, en men staat in Franklin-street, O. en W. loopende, tot heden het neusje van den zalm. Uit deze rondkijkende, ziet men dat de rigting der straten lijnregt is, dat zij elkander regthoekig snijden; iets zeer regelmatigs, maar tevens iets zeer eentoonigs en waarvan ge reeds genoeg hebt, als gij u op de vakjes der kaart van de Vereenigde Staten eenige oogenblikken blind hebt gestaard. Het is noch de kronkeling der rivieren, noch de kromming der bosschen, die de grenzen dezer gewesten heeft afgebakend, het is de lijn, de loodlijn! – Er valt echter in Pella nog iets meer te zien, dan die overdreven haakschbeid: de straten zijn geweldig breed, honderd voeten naar mijne schatting, even breed als menige markt ten onzent, of moet ik ten uwent schrijven? Langs de huizen loopt aan weerszijden een smal pad, ’t welk met eene soort van kalksteen is geplaveid; „er werd voor den voetganger gezorgd,” zegt gij in u zelven, aan Mirabeau gedenkende, die te Londen op de knien viel, om den hemel te danken, dat de wegen er niet enkel voor de weelde waren gebaand; maar zoo haastig niet, zeg ik u. Het overige gedeelte der straat, de ruimte tusschen beide paden, bevindt zich nog in haren natuurlijken staat, en dit moge weinig onaangenaams hebben, zoolang het droog wer is, daar de wegen hier dan zoo hard en zoo effen zijn als de beste grindweg in Nederland, er komt een hinkend „maar” in dat rozenbed trappelen, zoodra het geregend heeft. Het is dan zoo goed als onmogelijk, anders dan met een paar moddermanslaarzen aan, dwars over de straat te waden. Gelukkig duurt die toestand echter zelden lang; des zomers droogt het hier zoo sterk, dat de straat, als het maar ophoudt te regenen, hoe smerig ze zijn moge, naauwelijks een halven dag noodig heeft om wer hard te worden. Hildebrand, onze opmerker, bij uitnemendheid, zou zich in Franklin-street nog aan iets anders ergeren; of is het u ontgaan, hoe ieder voor zijn huis een gedeelte der straat in beslag neemt, om er zijn brandhout ner te werpen, zijn wagens te zetten, enz.? Het zou u nog onvoegzamer voorkomen, als de avond gevallen was, en gij er de varkens naar lust zaagt rondwroeten en de huiswaarts keerende koeijen zammelen zaagt, bij maneschijn namelijk; want zoo gij in den duister naar de natuur uw tafereeltje stoffeerdet, mijn waardste! ge zoudt gevaar loopen op een hoop mutsaarden, of op de horens van een os teregt te komen. Een zoom van onkruid, veel naar kamille zwemende, tiert ter wederzijde van de straat welig, maar dat is eene kleinigheid die met honderd andere amerikaansche vrijheden, welke me nu hier nog neemt, verdwijnen zal, als Pella zich hooger in den rang der steden zal hebben gebeurd. Voor een aanstal burger van het go-ahead people, heb ik intusschen al veel te lang stil gestaan. Welk een wonderbaar mengelmoes van waarlijk nette gebouwen en leelijke houten kasten is het hier om ons heen, een enkele steenen woning er onder, die grooter stad eere aan zou doen, mits zij gevoegd en geschilderd ware. Wat zou zelfs Karssen van zulke onvoltooide huizingen, trots de luifels, die aan oud-Holland berinneren, op het doek kunnen brengen? schuilt zijne kracht niet in de oneindige verscheidenheid van kleur onzer klinkers? – tot onze dakpannen toe, ze zijn het penseel dankbaarder dan de houten spanen, die hier als elders de huizen dekken. Groote borden met opschriften, alle in het Engelsch – het hooge woord moet er uit, Pella heeft, van buiten bezien, weinig hollandsch – verwittigen u dat de meeste dezer huizen winkels en woningen van handwerkslieden zijn. Staar een eindwegs de straat in, en aan uwe linkerhand zult gij een paal gewaar worden, die een rood bord schraagt, waarop in sierlijke letters „American House” geschreven staat. Het wil zeggen, dat in gindsch laag, lang, smal planken gebouw, bij dien paal staande, den vermoeiden reiziger gelegenheid geboden wordt rust te nemen. Indien hij dorstig is, kan hij een glas water, misschien ook bier krijgen; maar gelooft de matte wandelaar, als menig huisman bij u, dat een schiedammertje den bezweette niet schaadt, hij mag het wenschen, vriend! maar het te vragen of te verwachten zou even vergeefs zijn. Geestrijk vocht mag in Iowa niet bij het glas, maar alleen in het groot, maar slechts als medicijn worden verkocht, het blijft er zelfs niet bij, de verkooper mag u een pint, of de groote maat die gij eischt, in zijn huis toemeten, maar u te vergunnen het in zijn huis op te drinken, de man geeft er de maan van. Echter is, het zij u toegefluisterd, de Amerikaan, die van whiskey houdt, daarme niet gebruid; een teug op den wagen smaakt even goed als een teug onder slijtersdak. We zijn onder deze uitweiding voortgewandeld, en aan uwe regterhand ziet gij op een hoek, tusschen twee hooge posten, een ander uithangbord naar den wind heen en weer gieren – de groote gouden letters doen het, kennen als „Franklin’s Hotel;” het is een ruim houten huis, twee verdiepingen hoog dat tot logement dient, – maar gij hebt geene ooren meer voor mijne mededeeling, want we zijn op een der drie pleinen van Pella gekomen, op dat waar u een zweem van groen verkwikt. Vierhonderd voeten lang en breed, zou het eene aangename rustplaats aanbieden, zoo geen hek de ruimte omsloot; vergeet het toch niet, we zijn in het nuttigheidsland, amice! een Amerikaan bewoont dat plein, Garden Square gedoopt; hij kweekt er boomen in aan en verbouwt; er tuinvruchten op. Werwaarts wilt ge nu, dat wij ons wenden zullen? Wanneer wij den staatsweg verder willen volgen, dan verlaten wij hier Franklin-street, die ons in het verschiet toch ook maar eene herhaling van ’t geen wij, reeds zagen zoude aanbieden; dan draaijen wij den hoek bij het Logement om, en worden aan de andere zijde een groot steenen gebouw gewaar, dat half tot kruidenierswinkel dient, en voor de andere helft tot zadelmakerswerkplaats strekt, de tijd, waarin een van beide beroepen het alleen zal gebruiken, is nog niet gekomen. Hier denkt onze reisgenoot eerstdaags zelf eene affaire op te zetten; dr hield een mijner kennissen dezen zomer zijne school. Ginder, want op mijne beurt moet ik thans aanstappen om u bij te houden; ginder, wer west omslaande, valt ons de ruime en nette plankenwoning, van den Heer H. P. Scholte, Notary Public and Attorney at Law, in het oog; gij leest het in blinkende letters op een bordje, voor de kantoordeur. „En deze is ook de bedienaar des Goddelijken Woords?” Voorzeker! – maar wij hebben, als er orde in mijn stadsgezigtje blijven zal, hier enkel met ’s mans woning te doen. Helaas! waarom is hij de eenige in Pella, die om zijn huis boomen geplant en voor de versiering van zijne negen acres grooten tuin zorg gedragen heeft? Het doet het harte goed, dat ten minste dezen hollander in dat opzigt zijn vroeger te huis heugt. Waarschijnlijk in zijne soort in geheel Iowa eenig, maken beide, huis en hof, een alleraangenaamsten indruk. Schuins tegenover Scholte’s woning, ziet gij aan uwe slinke eene onbehagelijke houten kast, overigens ruim genoeg, maar met boom noch struik er om heen, waarin gij gedurende de laatste vijf maanden meer dan vijftig malen gedacht zijt; maar het is mijn dak geweest, en al ware het dat nu nog, ik zou u toch thans niet binnen brengen; wij moeten eerst nog meer zien. We gaan daarom met rasse schreden voort, wij gaan een groot steenen gebouw voorbij, waarin medicijnen, droogerijen en verwstoffen te koop zijn, en in een omzien verrast u van verre een plank, waarop „Books” staat. „Ei! men leest dan tot in Pella toe!” Spotter! Emerson noch Hawthorne moge tot ons doorgedrongen zijn, de periodieke pers voorziet ons hier van lectuur, even goed, zoo niet beter, als de uwe. Harper’s Magazine, een tijdschrift dat hier veel gelezen wordt, munt boven de meeste der uwe uit, doet voor geen der uwe onder, al zoudt gij deze bijdrage in „de Gids” plaatsen. Amerikaansche en Hollandsche bladen houden ons behoorlijk op de hoogte van het binnen- en buitenlandsch nieuws; – wat Pella zij, een Patmos is het niet. Ten bewijze: hier aan het einde van Washington-street verrijst het groote steenen gebouw door het Bestuur der Universiteit tegen dertien dollars ’s maands gehuurd. en sedert het laatst van September voor de lessen geopend, – eene Universiteit, wat dunkt u? Ge zult er straks meer van hooren; maar wij, die nu zamen ongeveer een mijl hebben afgelegd, wij, die langs de twee genoemde straten de meeste huizen van Pella hebben gezien, wij laten de overige, die nog in aanbouw zijn, liggen, en rusten eene wijle, – ik stelde er prijs op, lieve vriend! mijn stadsgezigt als mijn landschapje te besluiten.

– „Er ontbreekt luttel aan, maar van den hemel, die er zich over welft, zie ik niets.”

„Plaaggeest! slik er deze taaije portie voor. Pella ligt maar een graad noordelijker dan Madrid, het kan hier dus zomers zeer warm zijn. Digt aan zee te wonen geeft alom meerder afwisseling van warmte en koude, dan zijne tente op te slaan diep in het binnenland; Amerika heeft ten Noorden en Noord-westen noch hooge bergketens, noch zware bosschen; oordeel dus hoe koud het hier zijn kan. Maar ik ben veel te genadig in mijne kortheid; gij deedt in den laatsten tijd nog al aan statistiek, hier hebt gij een uittreksel uit Muller’s Leherbuch der Physik. Hij deelt de middelbare temperatuur in verschillende jaargetijden te Leiden, te Haalm en te Council-Buff’s mede – ik zet Pella voor het laatste in de plaats, er is wel erger bok geschoten dan deze, het ligt maar ongeveer 150 mijlen westwaarts van ons, en niet meer dan 18 zuidelijker. Ook de hoogte boven de oppervlakte der zee kan niet veel verschillen; Pella zal een weinig lager dan Council-Blufl’s gelegen zijn; de afloop der rivieren toont aan, dat de grond naar het westen rijst.

„Hier hebt gij de vergelijkende schaal, – de temperaturen zijn uitgedrukt door graden van den honderddeeligen thermometer.

  Hoogte boven de opper-vlakte der zee Des geheelen jaars Des winters Der lente Des zomers Van den herfst Van de koudste maand Van de warmste maand
Leiden 9o7 +2o4o 8o4 17o2 10o5 1o2    Jan. 17 o 2   Julij
Pella 244 N.E. 9o7 -5 o 2 10o6 23o2 10o3 6o9       „ 23o9         „
Haarlem 10o0 +2o8 9o2 17o0 11o0 1o0       „ 17o7         „

„De middelbare temperatuur van Pella is dus der uwe gelijk; ook onze lente en onze herfst zwemen in dat opzigt naar uw voorjaar en uw najaar, maar voor winter en zomer, welk een verschil! Het kan hier zoo koud zijn als te Upsala en zoo warm als te Napels; slechts in afwisseling overtreffen wij die beide hemelstreken; Cooper heeft het immers reeds aan Europa verkondigd. Vooral de winter is wisselziek; waait de wind uit het zuiden, ge zoudt buiten kunnen zitten; blaast hij west of noordwest, ge verstijft. Wij hebben hier een zomer beleefd, brr! drie, vier, vijf en negentig graden Fahrenheit was aan de orde van den dag, de kwik steeg tot 1020!! Welk een weelde waren de nachten, in de open lucht doorleefd, echtspaansch schoon, boven alle beschrijving verfrisschend en verkwikkend, voor een amechtige als ik. Onze herfst wint het ver van de uwe in droogte; tegen het einde van September moge de noordwestenwind gure dagen brengen, als hij heeft uitgeraasd, dan komt de Indiaansche zomer (die in Canada later invalt en daar Allerheiligen heet); het is de aangenaamste tijd des jaars. En dan hebben wij nog bij u vooruit, dat droog weder hier de regel, vochtig de uitzondering is; wat het hier doet, doet het sterk, krachtig, forsch de regen draalt niet, hij plast en gudst neer, en onweders zijn nergens dichterlijker dan aan onzen hemel.

„Voltooi nu zelf mijne schilderijtjes.

„Ik ben het penseelen mo; al waartoe ik nog lust gevoel is, u eene beschrijving te geven van ons leven; over de ontginning, waarmede hier allen moesten beginnen, hebt gij genoeg gelezen; hoe het ons Hollanders thans gaat, is niet zoo algemeen bekend.

„Pella leeft van den landbouw, een Pellasche boer is dus het eerst aan de beurt, maar Kees en Trijn zijn nergens dichterlijk; neem dus het drooge voor lief, – van iets niets, van distelen bloemen te maken, dat kon slechts Huygens. Het erf van een Pellaschen boer bestaat veelal uit drie of vier honderd acres (2 acres = 1 morgen) bosch en prairie, waar van hij er middelbaar zeventig onder den ploeg heeft, Op verreweg het grootste gedeelte van deze wordt mas geteeld die, in het laatst van Mei den grond toevertrouwd, in drie maanden volwassen is. Het overige van den akker dient voo tarwe, die omstreeks half April gezaaid, in het laatst van Julij rijp is; voor haver en voor aardappels, die, in Junij gepoot, nog zeer goed groot worden; – winterkoren verbouwt men hier niet; de tarwe is tegen het wisselzieke winterweer niet bestand. Is deze de schaduwzijde onzer temperatuur, het snelle en welige, dat den plantengroei onderscheidt, heeft zijn eigenaardig schoon. Jammer genoeg, dat onze akkers het gemis van boekweit en rogge door een eentooniger voorkomen dan de uwe boeten; ook halen onze heiningen, uit houten rails gebouwd, bij uwe doornhagen niet. Maar ik keer tot mijnen boer terug, die zijn mas hoofdzakelijk tot voeder voor zijn vee gebruikt; om weiden aan te leggen heeft hij het nog te druk gehad. Des zomers loopt de kudde op de ruime onbebouwde prairie rond en vindt er voedsel in overvloed; des winters wordt het niet op stal gezet, het blijft maar in de bosschen; slechts komt het van tijd tot tijd bij huis, om zijn rantsoen mas te halen. Een landbouwer, die zijne zaken goed in orde heeft, houdt in den regel acht paarden, twee stuks trekossen, veertig stuks hoornvee en ruim honderd varkens. Het is niets zeldzaams, dat een boer er van deze laatsten jaarlijks veertig of vijftig slagt; het spek verkoopt hij aan voorbijtrekkende reizigers, of brengt het naar de winkels in stad, waar hij er andere waren voor neemt. Hij zou ons ongezocht wer in Pella brengen, maar wij moeten hem eerst nog den lof geven, die hem toekomt: van het lanterfanten eeniger Hollandsche landlieden, die niet anders doen, dan hunne knechts nakijken, en voor het overige op sloffen loopen, weet hij niets. Elk (het is de Amerikaansche wet), elk moet hier zijn eigen werk doen, hulp is schaars te krijgen, hulp is vreeselijk duur. Een boerenknecht eischt hier buiten kost en inwoning twaalf dertien dollars in de maand; een daglooner doet het niet onder een dollar. Geen boerderij, al is de grond. hier gemakkelijk te bewerken, al zou Kees u fluks vertellen, dat hij die zwarte klei al zeven jaren bebouwd heeft, zonder er ooit mest op te brengen, geen boerderij werpt zoo groote winst af, dat haar eigenaar er een, en veel minder nog twee knechts op zou kunnen nahouden; slechts in het drukst van den tijd wordt, tot ergernis van Trijn, hier niet minder op den penning dan bij u, voor een paar maanden hulp aangenomen, en voor het overige: leve de maai-, leve de dorschmachine, die handen ontbeerlijk maakt, – de laatste zijn hier te veel waard, om louter werktuigen te wezen. „Wij gaan de stad in, die vijftien zestien winkels telt, welke alle een voldoend middel van bestaan opleveren; hun getal zou grooter zijn, indien er digter in de buurt van Pella andere steden lagen, indien de streek als in ons bevolkt Vaderland van dorpjes wemelde. Daar is het echter nog verre van; blijkens de laatste volkstelling, welke in dit voorjaar heeft plaats gehad, boogt de stad (met de twee townships, ieder vijf mijlen lang en breed, die tot haar grondgebied behooren) op nog maar 1478 inwoners. Van deze behoorden er 660 tot Pella, en al zijn er nu in dezen zomer uit Nederland ruim 100 emigranten bijgekomen, en al gaat het geheel dus de 1600 te boven, het moge nering geven, handel drijven is het nog niet. Stel u daarom van die winkels niet te veel voor, en denk vooral aan geen voorwerpen van weelde. Al leveren de bosschen vijf verschillende soorten van eiken en twee of drie verscheidenheden van notenboomen, het hout heeft nog maar waarde om te bouwen, het is nog geen middel om zaken te doen; men verzendt het niet. De wolven en wilde kat zijn uit de wouden verdwenen; de slangen in de prairin in de bosschen, waaronder de ratelslang en de adder tot gevaarlijkste behooren, nemen af, maar de herten aan boorden der Susquehanna en de konijnen in den omtrek Pella vullen den buidel van geen poelier. Onze winkeliers verkoopen slechts de onontbeerlijkste waren; maar daarentegen weten zij op hun duimpje wat een bushel mas en een bushel tarwe waard is, de eerste (22/3 bushel = 1 Ned. mud) geldt gewoonlijk 20 cents, de laatste 75. Vraag hun wat een acre oplevert en gij hoort het: 70 bushels mas en 20 bushels tarwe, het mas bij beide opgaven nog in de air. Boven alles zijn zij; bekend met de prijzen van het vee; een goed paard geldt 100 doll., een juk gedresseerde trekossen, mits zij regts of, links zwenken op het gegeven woord, 70 doll., een os om te slagten 80 doll., een goede melkkoe 85 doll. Als bij allen handel in den dop is hier de ruil nog aan de orde van den dag.

„Eer gij echter te laag op ons mogt nerzien en ons van alle fabrijken en trafijken misdeeld acht, wil ik u opmerkzaam maken op de steengroeven en steenkolenmijnen in onze buurt, op hare steenbakkerijen en haren houtzaagmolen. De eersten leveren eene steensoort op, die zeer hard is, en met den algemeenen naam van „rock” bestempeld wordt. Ongeveer twee mijlen ten noorden der stad is een oven, in welken van die steenen kalk gebrand wordt. Of mijn vermoeden juist is, dat er in de buurt ook ijzermijnen schuilen, dewijl de steenkolen een aanzienlijk gehalte van dit metaal bevatten, zal de toekomst beslissen. De beide steenbakkerijen, de eene digt bij Pella, de andere te Amsterdam, tot dus verre eene denkbeeldige stad, leveren haren eigenaar goede winsten op. Wie is het? vraagt ge... Eer ik u den naam noem, antwoord ik: dezelfde.; ondernemende man, die ten zuiden van het bebouwde gedeelte stad den stoomhoutzaagnolen oprigtte. Het is maar een lange, lage houten schuur, alleen van boven overdekt, overigens aan elke zijde open, boven welke een hooge schoorsteen van geslagen ijzer uitsteekt. Die molen is eerst dezen zomer gezet; de ketel en de stoomwerktuigen werden aanvankelijk maar zoo op de prairie in de open lucht geplaatst; boven de machinerie sloeg men later een klein afdak op; weken lang zaagde men met den ketel onder den blooten hemel, en terwijl de zaak dienst deed, bouwde men vervolgens langzamerhand de schuur af. Practisch, he! Thans werkt die molen dag en nacht, en kan nog geen hout genoeg leveren, al heeft de ne, cirkelvormige zaag, die door het werktuig in beweging wordt gebragt, 3000 3500 voet planken, iederen dag; er zal met het voorjaar een tweede worden bijgezet. Ook hebben wij, ten gerieve der boeren, die nu hun graan zes mijlen van hier moeten laten malen, een korenmolen te wachten, en er zou zeker meer nog worden gedaan, was het hier niet het Eldorado van den handwerksman, die 11/4 l 1/2 dollar per dag verdient, en aan welke des ondanks nog gebrek is.

„ „Maar die ondernemende man, die eigenaar der steenbakkerijen en van den houtzaagmolen, wie is hij?”

„De Heer H. P. Scholte, dien ik de eer bad u reeds voor te stellen als de Weleerwaarde en tevens Notary Public and Attorney at Law.”

„Ons leven wilde ik u schetsen, en liet u nog altijd buitenshuis, maar waarlijk, ook met de spreuk op de lippen: ’s lands wijs ’s lands eer, het eischt zelfverloochening, u over den drempel toe te laten. Gij treedt binnen, gij ziet onwillekeurig rond, en hier, als in heel Iowa, treft u het gebrek aan huisraad, het onaanzienlijk voorkomen van die weinige meubelen, waarmee wij ons behelpen. Zie, Staring heeft het teregt gezegd, dat niet weelde en pracht zorgen komen, dat genoegzaamheid ruste baart; maar een leege wand en een leege vloer maken toch maar een leelijken indruk. Ik geloof niet, dat ge in Pella ergens eene ordentelijke secretaire of chiffoniere zult vinden; ter naauwernood heeft men een overeeuwd ladetaiel; velen maken, tot bergplaats voor hunne kleeren nog gebruik van de kisten, waarin die uit Europa zijn overgebragt. „Dat heet toch den eenvoud overdrijven!” De stoelen zijn geheel van hout, en ge vindt geen gemakkelijk zitje, amice! – ik geloof niet, dat in de gansche stad en in geheel har omstreek eenig heer des huizes wordt gevonden, Scholte misschien uitgezonderd, die aan een dozijn gasten een stoel zou kunnen aanbieden; als lord Chesterfield hier was gestorven hij zou zijne wellevendheid niet met zijn laatste woorden: „Geef Dayrolles een stoel,” hebben kunnen staven; hij had hem, moeten laten staan! – zeker is er niemand in ons gezegend stadje, en nu kan ik Scholte ook wel insluiten, die een dozijn bij elkander passende stoelen bezit. „Vaarwel,” roept gij uit, „met die geriefelijkheden des levens, ook aan zijn gezelligheid!” Er is iets waars in, maar het is niet geheel waarheid; – doch in dat diep schuilt nog een dieper. Bij velen vindt men het ledekant in de huis- of woonkamer; bij de Amerikanen, en; ook bij sommige Hollanders, zonder eenig gordijn, et a passe les bornes. Verbeeld u de verrassingen, waartoe het aanleiding geeft... Sterniaansch! Het is moeijelijk van Keokuk naar Pella eenig meubel ongeschonden over te brengen, en dit verontschuldigt ten deele het gebrek aan huisraad, waaraan men zich overigens eer gewent dan gij gelooft, dewijl het overal even shabby, overal even weinig shabby-genteel is; maar een behangsel voor een bed zou te koopen zijn, en slaapen woonkamer behoefden hier, waar wij ruimte in overvloed hebben, niet een zelfde vertrek te wezen. Ontken nu nog, dat ik gelijk had, toen ik aarzelde u binnen te brengen; of dat naakte voorkomen voor u ten minste toch dit nut had, dat het u van het overige niet veel verwachten deed! Eenmaal over den drempel, zijt ge voor dezen middag onze gast; wat ons ook ontbreke, een kookhaard hebben wij, die tevens een oven is, want als iedereen bakken wij zelf ons brood! Gij hebt het aan het koude jaargetijde, waarin gij ons bezoekt, dank te weten, dat ge rundvleesch krijgt; in elk ander saizoen is gerookt varkensvleesch le plat oblig. Groenten, lieve vriend! ze zijn schaarsch bij ons ook in den zomer, want wij hebben allen wel wat anders te doen dan het hier zoo welig tierende onkruid te weren; en daarvoor handen te huren, dat belet ons onze beurs. Er zijn voor u een paar prairie-kippen gevangen, ge hebt nooit grooter patrijzen gezien; een andermaal moogt ge beslissen, of gij de kleineren, die hier bij honderden voorkomen, keuriger vindt dan deze; van de eene als de ande zeg ik: „voi mes d’lices!” alleen om wild te hebben zou ik vroeg opstaan, weet ge. Wat zijn die aardappelen groot! ja, en dan bovendien buitengemeen duur, daar de oogst in de Oostelijke Staten geheel mislukte. Ge moogt het onzen goeden buren dank weten, dat er wat appelmoes op den disch is, – tuin- boomvruchten worden hier anders niet gevonden, – maar zij hebben voor jaren eenige jonge stekken geplant, en of die welig groeijen, dat ziet ge! Ge houdt u goed groot, ik beken het, gij doet of gij het niet opmerkt, dat onze meiden met ons aanzitten; gij weet reeds, dat ge in het land der gelijkheid zijt, waar zij hulpen heeten – als de onze geene uitzondering op den regel maakte, ze zoude als bij zeven achtste onzer buren het huiskruis der huismoeder zijn. Om een zuur gezigt zeggen zij de dienst op, om een haverklap trouwen zij; zes dollars loon in de maand is de gewone huur, wie er eene voor vier huurt, heeft een koopje. „Help u zelven,” werd hier niet alleen tot den man, het werd ook tot zijne wederhelft gezegd; Mevrouw Scholte ondervond het dit voorjaar, toen zij twee maanden zonder meiden zat; ik las haar van Zeggelen’s vers voor, Maar als ge dan noch van dat spek, noch van die eijeren nuttigen wilt, schenk u dan ten minste eens van dien kersendrank in; wijn, mijn waardste! hebben wij in Pella niet; de druiven die hier in het wild groeijen, zijn zoo wrang. Gij geeft het water de voorkeur, het onze is helder als kristal en de put dezen zomer op de proef gesteld; hoe droog het mogt zijn, weigerde niet. Er was toen op den weg van Pella naar Keokuk aan dit onontbeerlijk levensmiddel groot gebrek, en de voerlieden waren eerst verpligt het te betalen, dat hier iets zegt, later moesten zij een omweg maken, ten einde de lastdieren aartsvaderlijk aan den vloed te drenken, dat nog meer zegt, het kostte tijd! – En nu een gebakje en een stukje gelei, tot besluit; in dit opzigt tarten wij den keurigsten disch van het oude Europa; onze huisvrouwen hebben van de inheemsche bakken geleerd, bakken tot het bereiden van taarten, tot het maken van banket toe, en de wilde appelen en pruimen met suiker gezult, zou Hooft zeggen, smaken zelfs u. Waarom kwaamt gij zoo laat tot ons over? Waart gij in den zomer hier geweest, ge hadt in het laatst, van Augustus en in het begin van September meloenen kunnen eten, op den kouden grond geteeld, maar met die uwer broeibakken wedijverende; de watermeloen, de moschmeloen en de kanteloep; de eerste de lekkerste, de tweede de fijnste en de derde het meest naar die zwemende, welke men ten uwent eet. Wij hebben een watermeloen gesmuld, die tien nededandsche ponden woog, – liefhebber! waarom kwaamt gij zoo laat? – Alweder moet er eene armoede van Pella aan het licht – ik zou u een Havanna of eene Manilla sigaar willen aanbieden; maar we hebben hier noch eentjes, noch tweetjes, noch drietjes, we hebben regalias noch trabucos; wat wij hebben is slecht en duur, tien tegen n Amsterdammertjes, uit de Isralitische fabriek naar New-York verscheept en vandaar het Westen ingezonden. Ook de tabak laat in deze streek van het tabaksland te wenschen over; we kunnen u geen Gouwenaar aanbieden; neemt ge het met dien aarden kop en een roer van riet voor lief?

„Al genoeg van „de lust, de lieve lust naar ’t eten,” maar die toch, als ge weet, stof en ziel „aaneenhoudt en verbindt;” op onze middelen van bestaan, op onze middelen van voeding volgt ons leven naar den geest. We zijn hier maar een gemengd volkje, lieve vriend! half Nederlandsch, half Amerikaansch, – de beleefdheid had geischt, dat wij het laatste element het eerst hadden genoemd, het was er eer wij aankwamen, het vergunt het onze er mee zaam te smelten; maar de drommel moge jegens die woelwaters beleefd blijven, zij bekreunen zich zoo weinig om de eerste aller beleefdheden: niet onbescheiden te zijn. Wetende dat ik wat kortaf val, bleven wij straks op straat van hunne vele vragen verschoond, ontgaan is het mij echter niet, hoe het u verbaasde, dat ge meer engelsch dan hollandsch hoordet; wilt gij gelooven, dat ik het in den beginne naauw waagde, zelfs hier iemand in onze moedertaal aan te spreken? To give even the devil his due, onze Amerikanen onderscheiden zich over het algemeen door eene rijzige, slanke gestalte en door vlugge manieren, maar hunne bonte kleeding mag ik niet; ze zijn schrander, doch het wispelturige in hun aard staat mij tegen. Geen hunner is zoo goed gezeten, dat hij niet naar verandering haakt, elk oogenblik is hij bereid de schoonste boerderij, waarop hij jaren gewerkt heeft, te verkoopen; hij pakt huisgezin en have op den wagen en gaat verder west. Wetenschappelijke beschaving, wie zou ze bij hen hier zoeken? maar talent om in het publiek te spreken, dat hebben ze zonder weerga. Hunne belangstelling in de politiek, hun gedurig grijpen naar de courant moge er veel toe bijdragen; doch als het volstond om het te verklaren, wat moesten wij in de beide Nederlandsche Kamers dan andere taal hooren, mijn waardste! Verwonderd bij wijle verbaasd, heb ik dezen zomer naar de speeches van vele ingezetenen van Iowa geluisterd, die zich op hunne rondreize voor onderscheidene staatsbetrekkingen kwamen aanbevelen; het waren slechts eenige min of meer aanzienlijke landbouwers; maar uren lang ging het even vlug als vlot en vrij. Vrij zonder voorbeeld, het is waar. Een hunner opende zijne rede door, niet als uw populaire philantroop, eerst op den catheder den hoed af te nemen, neen, door met zijne vingers zijn neus te snuiten. Een ander, in vuur gerakende, trok onder het spreken eerst zijn jas en toen zijn vest uit, ja deed eindelijk, het was zeer warm, ook zijn halsdoek af. Alle permitteren zich, zoo als de Camera zegt, onder het betoogen eene niet onaardige tijdpassering, alle spuwen om zich heen, al sterker hoe meer de zaak hun ter harte gaat; alle lesschen hun dorst, – daarin den toehoorders gelijk, – uit een blikken watervat, broederlijk hetzelfde bekertje, ook van blik, elkar toereikende, maar wat van zoo weinige redenaars elders te zeggen valt, all came to the point. Om tot ons Hollanders terug te keeren, wat dunkt u: heb ik vele woorden noodig om u te zeggen wat er van ons wordt, wij die hier dag aan dag in dubbele school gaan, de verpligting tot den arbeid, de regten van den staatsburger? Langs meer of minder moeijelijke wegen herwaarts gekomen, hangt onze toestand natuurlijk nog af van de geschiktheid die wij in onze vermogens medebragten, in onze krachten, of in onze kapitaaltjes; maar allen hebben hun brood, de meesten zijn tevreden, en tot zelfs bij de fatsoenlijkste, die hier in menig opzigt als een visch op het drooge zijn, heerscht er vergenoegdheid met het tegenwoordige, schoon men nog meer van de toekomst verwacht. Ge zijt genoemaam bekend met de godsdienstige begrippen van het grootste getal der Nederlanders in Pella; – maar waaraan het toe te schrijven zij, of de zeelucht de begrippen verruimt of de ontginning den blik meer bij de aarde bepaalt, ik weet het niet, doch ik heb er velen leeren kennen, die anderen met hunne gevoelens niet lastig vallen; den regel van Vondel, dat: „wie met dezen grijns niet speelt, kommerlijk te boven raakt,” blijf ik hier betwijfelen; in den dagelijkschen omgang zijn deze menschen even bruikbaar als de liberaalste protestanten in Nederland. Hetzelfde verschijnsel, dat wij vroeger bij de fijntjes wel eens opmerkten, „’t beurt dat een var die heilig leeft” – het is Huygens geloof ik, die een Spaansch spreekwoord aldus vertaalt, „een duivel tot een zoontje heeft, –” openbaart zich ook hier; maar door het Amerikaansche beginsel niemand in zijn gevoelens te dwingen, wordt de wrijving minder hevig en vat de twist geen vuur. Wij leeren belang stellen in wat onze hand hier het eerste vindt om te doen: de akkerbouw, de veefokkerij, de winkelnering; het is of het woord des Apostels: die zijn huis niet verzorgt is erger dan een ongeloovige, ons dagelijks wordt toegeroepen. En komen wij bijeen, – de gezelligheid is hier overigens gering, – dan hebben wij in de toekomst van Pella eene onuitputtelijke stof. Gij kunt u voor al die kleinigheden niet interesseren, maar over de Universiteit, over de eere waar Pella naar dingt, een woordje. Al reeds in 1846 was er hier sprake van het oprigten der eerste door en ten behoeve der Baptisten-Gemeente, in Iowa, die ook in dit stadje een predikant heeft voor jaarlijks twee honderd dollars, en welke weleerwaarde, soit dit en passant, dus wel verpligt is, ten einde in zijn onderhoud te voorzien, ook landbouwer te wezen, die met zijne geloofsgenooten kerk houdt in het gebouw, dat ik u aanwees als de plaats waarin voorloopig door de Universiteit – nous retournons moutons – les werd gegeven. Het bleef echter met het grootsche plan tot in 1851 bij louter praten; toen eerst kwam men bijeen en – verschilde over de plaats waar zij zou worden gevestigd. Eenigen gaven de voorkeur aan Burlington, eene stad ten noorden van Keokuk aan de Missisippi, – ander wilden deze of gene plaats meer in het midden van den Staat en hier waren het Fort des Moines, Pella en Oskaloosa die naar den voorrang dongen. Eindelijk werd men in 1853 te rade de bedoelde inrigting hier te vestigen; en in Pella werd the Board of Trustees gevormd, waarvan de Heer H. P. Scholte president en de heer E. O. Towne (de baptistische predikant) secretaris is. In het voorjaar is op de uiterste zuidelijke grens van het grondgebied der stad, het fondament voor het gebouw dier Universiteit gelegd, – 66 voeten lang, 44 voeten breed. – en op het oogenblik is het tot eene hoogte van zes zeven voeten boven den beganen grond. gerezen. Massaas van rotssteen liggen er rondom heen en zullen tot den verderen opbouw dienen; maar wanneer het voltooid zal zijn, dat blijft de vraag. De huizinge zal drie verdiepingen hebben, waaronder een kelder zal worden ingerigt; doch daar er van tijd tot tijd slechts een steenhouwer de hand aan slaat, gaat de zaak met nog minder dan slakkenspoed voorwaarts. Bouwt men misschien naarmate men fondsen krijgt? dan deed men wel intusschen maar met het onderwijs te beginnen. Het behoort tot het plan, daaraan zoowel vrouwelijke als mannelijke studenten te laten deelnemen: Pella is ook in dit opzigt geheel Amerikaansch! De bezoldiging der professoren moet gevonden worden uit de interessen van een kapitaal van 50,000, doll. 10 pCt. uitgezet – wij hebben hier een hoogen rentestandaard; waarom wipt ge niet wat geldzakken over? – ’t welk men thans bezig is bijeen te brengen. De inschrijving, zoowel buiten als binnen den Staat daartoe geopend, bedraagt tot dus verre ongeveer een derde der vereischte som. Hoe lang zal het duren eer zij vol is? Wie weet, misschien wilt gij er ten uwent voor werven en daardoor de professoren verrassen, die men reeds aangenomen heeft? Honneur aux dames, deze bestaan uit eene onderwijzeres of professorin, die, reeds vroeg in den zomer aangekomen, een tijd lang alleen een gedeelte der Pellasche jonkheid tot kennis en deugd opleidd – uit een professor, Bachelor of Arts, die reeds hier was toen wij aankwamen en bezig geweest is met het aankoopen van lan voor zijne failie, die ook herwaarts trekken zal, – en uit een professor Master of Arts, die aan het hoofd der inrigting zal staan en in het midden van September gearriveerd is. Nadat men alom had aangekondigd, dat er met de voorloopige lessen van de Central University of Iowa een begin zou worden gemaakt, hebben deze drie in het laatst van September hun cursus geopend. „We shall be obliged to make a humble beginning,” zeide de secretaris eenige maanden geleden tot mij, en dat gezegde werd in den volsten zin bewaarheid. „Wij bootsen ’t groote Rome na in ’t kleen,” lieve vriend! maar het houdt ons bezig, het wekt onze belangstelling wat Pella worden kan. Zoodra de stad zelve vijftien honderd zielen tellen zal, heeft zij regt zich tot eene „City” te constitueren; en het tijdstip, waarop dit het geval zal zijn, ligt niet verre meer in het verschiet, daar de predikant der Baptisten uitgebreide betrekkingen in Ohio heeft, vanwaar op zijn aanraden menig welgezetene tot ons komt. „En als gij nu city zijt geworden?” Het zal ons de bevoegdheid geven een welgeordend bestuur te benoemen, waaraan wij in menig opzigt nog behoefte hebben. Onze lots (eigenlijk erven, waarop men huizen bouwen kan) stijgen in waarde, we doen ons best onze rivieren bevaarbaar te maken, – wij hebben hoop op spoorwegen! Iowa-City, ongeveer vijf en tachtig mijlen ten westen van ons gelegen, moge nu nog de hoofdstad van den staat zijn, en bereids eene universiteit hebben; er is sprake van den zetel der regering meer in het midden van het gewest te plaatsen, en Pella dingt naar die eere mede, het noemde daarom zijne inrigting voor onderwijs Central one. Wat zegt het, of de tegenwoordige hoofdplaats eenige honderden inwoners meer telt dan ons stadje? wij gaan vooruit; geen dag verloopt, waarop wij niet eenige wagens met landverhuizers zien doortrekken; geen avond in het gunstige jaargetijde, of de wachtvuren van een reisgezelschap lichten op de prairie, om ons heen, aan, Gelijk Iowa de naburige staten Illinois, Indiana en Ohio in ontwikkeling voorbijstreeft, zoo zullen wij... eer gij Pella uitlacht, bedenk, dat gij op het, gebied zijt, waar Perrette hare melkkan viermalen van de vijf, veilig te huis brengt.

„Eer ge mij beschuldigt dat ik al zeer Amerikaansch geworden ben, dat ook bij mij het hoofd boven het harte schijnt te gaan, moet ge weten, beste vriend! dat wij hier aan niets zoo groot gebrek hebben, als – aan „heele lieven” was Willem Leevend’s woord. Ik ben nog zoo vrij als een vogel in de lucht, – bij gebrek aan keuze. Het is waar, eenige Amerikaansche meisjes hebben mij de eer aangedaan, mij om den wille van mijn piano te komen bezoeken; – uit dien drom had ik kunnen kiezen; of ik geslaagd zou zijn is iets anders; – maar zij vonden niets mooi dan haar eigen smakelooze deuntjes, en bovendien, die vogeltjes waren zoo bont van veren! Het is bekend, dat de dames van NewYork, Boston, enz., veel van pracht houden; alles ruischt er van zijde, – maar in opschik, die uit een blokhuis komt, heb ik driedubbelen werzin. „En de Nederlandsche schoonen dan?” Gij meent dat zij Mozes in haar hoofd hebben, en David opgegeten, dat haar brein den Profeten tot klooster dient, dat zij de Apostelen – mis, mis, mis, zeg ik u; al hou ik meer van een mooi meisje, dat de Minnedichtjes van Hooft leest, dan van een goelijk kind, dat gestadig in Cats bladert; er valt geen appel uit te deelen: – de heele lieven hebben niet op mij gewacht; noodig gij vier of vijf dozijn Machteltjes en Dieuwertjes uit tot ons over te komen, elles n’auront que l’embarras du choix.

„Zooveel over den wereldschen toestand en nog geene sylbe over den kerkelijken,” zoude ieder ander zeggen dan gij, mijn waardste! die weet welk een gruwel godsdienstgeschillen mij zijn. Al wisselde ik van wereld, in de nieuwe als in de oude blijve ik gelooven, dat wij den boom aan zijne vruchten moeten kennen; waren deze hier beneden goed, er zal boven voor de vele tekortkomingen genade zijn, hope ik. Het verschil in gevoelen, waardoor wij bij onze aankomst hier de Hollandsche gemeente, – van welke, als ge weet, niemand lid kan worden tenzij hij bekeerd zij, – in twee partijen verdeeld vonden, boezemde mij dan ook weinig belang in; al wat ik er van merkte was, dat zij in afzonderlijke gebouwen hunne godsdienstige bijeenkomsten hielden. Gebouwen? vraagt ge misschien, en ik antwoorde: van kerken is nog geen sprake. Echter is er met het houten huis (in Garden-Square gelegen, het u beschreven best bebouwde gedeelte der stad.), dat tot nog toe der vrome vereeniging ten tempel strekte, iets vreemds gebeurd. Ds. Scholte had de plaats, waarop liet staat, der gemeente ten geschenke gegeven, om daar, zoodra hare middelen het zouden veroorloven, een hechter en sierlijker, eene eigenlijk gezegde kerk op te rigten. Daar krijgt een Amerikaan het in het hoofd voor een gedeelte van die plaats 500 doll. te bieden. Ds. Scholte, van meening, dat de kerk ook even goed ergens elders zou kunnen staan, verkoopt dat gedeelte, met het voornemen der vereeniging een paar andere lots voor het huis des gebeds aan te wijzen. Zoo dacht echter de kerkeraad niet. Hoogst verbolgen over ’t geen haar eene willekeurige handelwijze van haren voorganger scheen, is zij terstond naar Zijn Weleerwaarde toegestapt, en heeft hem ten eerste het prediken verboden, en ten tweede te kennen gegeven, dat zij hem gerechtelijk zoude vervolgen. Het proces is nog hangende. Ds. Scholte heeft intusschen besloten, zich aan de besluiten van den kerkeraad niet te storen en voortaan op eene andere plaats de verkondiging van het Evangelie voort te zetten. Zoo heeft hij dan ook den eersten daarop volgenden zondag in eene schuur, en daarna, tot nu toe, in eene verwerswerkplaats gepredikt, verzekerd als hij zich mogt houden, dat hij dezelfde gave, om het gemoed te treffen, alom mede zou nemen, alom medebragt. Het is deze, die hem vroeger boven de overige drie „voorgangers der gemeente” – eigengemaakte predikanten, als men hier zegt, maar die ook geen van allen een cent, tractement ontvangen – welke op zon- en feestdagen des voormiddags predikten, terwijl hem de namiddagbeurten werden overgelaten – onderscheidde; – het is deze, die hem een groot gehoor waarborgt, ook al heeft hij thans den vroegeren predikstoel, – een vrij breed, niet zeer verheven afgesloten vak, – voor een boerenwagen verruild. He is a man, take him for all in all, wiens gelijke ge zelden ziet, en zoo als hij daar staat zonder eenig kerkelijk gewaad, bij wijlen met witten hoed en ligt vest, betoogende, overredende, meslepende, verdient hij zeker onder de oorspronkelijkste types te worden geteld, der Stichters eener Kolonie.

„Wie weet wanneer ik zal mogen schrijven: tot weerziens! – voorshands en van harte vaarwel!”

Hoofdstuk VII