E. J. POTGIETER (1808-1875)

LANDVERHUIZING NAAR DE VEREENIGDE STATEN.

VII.

Hoofdstuk VI

„De roos, die in Amerika zal bloeijen, moet eerst in de zwarte aarde ontkiemen,” lazen wij onlangs in een der vijf brieven, door R.J. Smit uit dat werelddeel aan zijne achtergebleven vrienden in ons Vaderland. geschreven; – waarom zouden wij er niet bijvoegen: maar haar stengel schiet voor den landverhuizer toch spoedig uit den grond op; waarom niet wenschen, dat hij dit ook weldra voor dien degelijke moge doen?

Het is aan de jongste bijdrage ter kennis der landverhuizing uit ons midden, dat wij die woorden ontleenden; het is het vertrek der Oud-Doopsgezinden uit Balk in Friesland, dat wij hier te vermelden hebben. Twee leeraren dier gemeente, de bovengenoemde R. J. Smit en R. J. Symensma, gevoelden zich, met nog twee andere gezinnen, te zamen 17 zielen, tot de Doopsgezinden behoorende, gedrongen hier huis en hof vaarwel te zeggen, en naar Amerika te vertrekken, dewijl naar onze landswetten hun geen vrijheid van krijgsdienst mogt worden verleend, en hun geweten hen echter geene onchristelijke deelneming aan den oorlog veroorloofde. Hoe zouden wij ons verlustigen in de poging, een beeld te ontwerpen van de in deze brieven verspreide trekken van eenvoudigen ernst, beminnelijke bekrompenheid, gemoedelijk geloof, wanneer dat merkwaardig fragment eener auto-biographie niet binnen het bereik onzer lezers zelven lag. Opgenomen in de Godsdienstige Lectuur voor Doopsgezinden, verzameld door Ds. Gorter, bevelen wij, om den wille dier stukjes vooral, het boekske gaarne aan. We zouden ons zeer bedriegen, zoo men aan het einde der lectuur ons niet dank wist voor het half smartelijk genoegen, dat zij ons verschaft. Immers, aan het slot der brieven gekomen, werden wij wel aangenaam verrast door het berigt, dat de gelukkig gevestigde zwervers, die zich hadden voorgesteld eene ligte schadeloosstelling te moeten geven voor de verlangde en vergunde vrijheid van krijgsdienst, – b. v. een of twee dagen in het jaar aan de Staatswegen te werken, – gelijk dit vroeger plaats had, zich thans vleijen mogten ook in dat opzigt geheel vrij te zullen zijn, – maar onwederstaanbaar gevoelden wij tevens den pijnlijken indruk, dat, zoo al Neerlands staat aan menschen als weerbare manschappen weinig verloor, het vaderland in hen eenige zijner beste, braafste zonen dierf!

Ieder offer van dien aard gaat hem, die het wel met zijn land meent, ter harte; ieder berigt, dat zich uit het een of ander onzer gewesten weÍr eene schare ten afscheid opmaakt, lokt een vraag op zijne lippen; eene vraag die in wensch verkeert, naar de omstandigheden gewijzigd. Als het ontbering is, die tot vertrek verpligt, dan zien wij zoekende om ons,, of nergens een nieuwe bron van welvaart meer ontspringen, wil, en zouden zoo gaarne hem toejuichen, die in dat opzigt gelukkiger mogt zijn dan wij! Als onzen landbouw niet alleen de noeste armen en vlugge vingeren worden onttogen, die hier de spade in de hei hadden moeten drijven, door welke het vlas hier had moeten heenglijden bij het snorrende wiel; als ook vermogen, door voorvaderlijke vlijt ten onzent verworven, mede in den vreemde gaat, hoe lief zou het ons dan zijn, zoo in eigen koloniŽn ten minste de band, die ons aan hen verbindt, wel losser wierd, maar niet voor altijd brak. Doch zoo lang het eene als het andere tot de vruchtelooze verzuchtingen behoort, gaat uit naar de Vereenigde Staten, vrienden! die,” wij ongaarne verliezen, nergens hebt ge grooter kans te slagen; naar het Westen wijst de Starre den weg!

Amerika, dat niemand van uwe stranden weert, dat uit menschelijkheid, daar men u in den laatsten tijd tot de misdaad toe overzond, en met deze eene haveloosheid inscheepte, de, den voet op uwen gastvrijen grond zettende, slechts de keuze had tusschen stelen of sterven, Amerika, dat voor elken anderen vlugteling veiligheid, voor elk ander leed lafenis, voor elke andere behoefte bevrediging hebt, en niet slechts op uwe vanen schrijft: „e pluribus unum”, maar ook inderdaad de veelzijdigste krachten tot een groot wit, de vrije, volkomene ontwikkeling van alles wat menschelijk is vereenigt, welk een heerlijk schouwspel biedt gij aan; wat verwacht de wereld niet nog meer van u! Als de eerste der Engelsche geschiedschrijvers ons de Kerk van Rome schildert, de schare harer geloovigen ziende aanwassen, trots de hervorming, omdat zij zich noch aan geestdrijverij onderwerpt, noch geestdrijverij verbiedt, neen, die gebruikt; – omdat zij voor alle dweepers een werkkring heeft in de wereld of in de wildernis omdat zij van ieder partij trekt, – dan verrijst gij voor ons uit den schoot der wateren, aanminniger en verhevener dan zij; haar gelijk in de gelukkige gave, om al wat hier, overvloeijende, verwoesting zou aanrigten, daar, getemperd, weldadig te doen werken, – haar overtreffende in uw gezegend doel, niet de bevordering van geestelijk gezag, maar het geluk van geheel ons geslacht! En wanneer wij dan het boek van Macaulay sluiten, om dat, van Gervinus open te slaan, wij vinden onzen droom verwezenlijkt; onze blik rust welgevallig op u, de „spoedig opluikende, gelukkige, vrije staat zonder koning, adel of geestelijken stand, die de volken als met tooverkracht boeit, – die een even weinig opgemerkten, als veel vermogenden, onweerstaanbaren en onmiddelbaren invloed op hen uitoefent, – wiens voorspoed allen, die in Europa de oude toestanden moede zijn, niet bij enkelen, maar bij scharen tot u trekt, tot u stroomen ziet, – en van welken onder het levendigste verkeer de berigten en begrippen, niet der verongelukte, maar der geslaagde landverhuizers uitgaan, om tot in de diepste lagen der maatschappelijke groeve door te dringen,” – een prikkel voor het heden, een profeetsy van de verre toekomst. Slanke, schitterende, stoute Schoone, op uw schild de zinnebeelden beurt van den arbeid en der vrijheid, waarom kleven er aan uw wit gewaad die smet der Slavernij, – dat bloed van den Afrikaaaschen broeder?

de Gids 1855.

DE SALMAGUNDIST.

Inhoud