E.J. POTGIETER (1808-1875)

HET TOGTJE NAAR TER LEDESTEIN.

„Spreuken der kwakers. Eerste hoofdstuk. Eerste spreuk: Een spreker, die een zwijger overtreft, is eene zeldzaamheid.” Dus schertste, op eenen fraaijen zomerochtend, van het jaar 182*, een jongeling, dien wij Floris Lans zullen heeten (in de hoop, dat niemand er zich aan ergeren zal), terwijl hij het drietal zwijgenden aanzag, welke hem in de boot vergezelden, die over eene der breedste rivieren van ons vaderland voortspoedde.

Weldra was hij overtuigd, die aardigheid aan zijne togtgenooten te hebben verspild.: geen hunner antwoordde hem. Vermaakte hen het geluid der riemspanen, door de gespierde armen der roeijers met forsche kracht in den stroom geslagen? of boeide hen het heerlijke landschap der wederzijsche oevers, dat in waarheid even Geldersch als bekoorlijk was? De houding der oudste van het gezelschap – eene vrouw van dien leeftijd, welken men ten onzent een zekeren pleegt te noemen, gaf aanleiding het laatste te vermoeden; bij tusschenpoozen las men in de drijvende oogen van mevrouw van Eyl, dat zij deze natuurtooneelen genoot en gevoelde. Over het geheel echter had haar gelaat eene ernstiger uitdrukking dan die der bewondering. Zij was moeder; haar eenig overgebleven kind, zat bij haar, en woud, heuvel en weide verdwenen somwijlen uit hare oogen, voor de gedachte aan de mogelijkheid der spoedige bruiloft van haar lief Hansje met den rijken gast, die zich nog niet verklaard, had, – die morgen vertrekken zou, die met haar in het vaartuig had plaats genomen. En Willem Hofstee – dus heette de vierde mijner hoofdpersonen – boezemde haar meer belang in dan de statige eiken, wier hooge kruinen hier het verschiet begrenden – dan de weêrhaan der dorpskerk, die daar vonkelend het blaauw der heuvelen uitkwam. Wat is natuurlijker?

Niets misschien, dan dat Willem Hofstee en Hansje van Eyl zoo weinig naar het geplas der riemen luisterden, als naar het gezang der vogelen; niets misschien, dan dat ik u het negentienjarige Hansje kennen doe. Zij was eene volmaakt schoonheid...op het land; in de residentie zoude men den blos harer wangen bleeker, den omvang harer vormen schraler hebben gewenscht; een hofjonker had, welligt iets boersch in haar voorkomen gelaakt, doch tevens bij den eersten blik erkend dat hare handen, hare voetjes veeal, die eener welgeborene waren. Alle regters van vrouwelijk schoon – en wie onzer, mijneheeren! matigt zich de bevoegdheid niet aan om daarover te oordeelen? – zouden zich echter in de uitspraak hebben vereenigd, dat Hansjes blaauwe oogen de betooverendste ter wereld mogten heeten, Ik heb veel van de eenvoudigheid der Geldereche zeden hooren spreken, en toch wist Hansje, dat zij die bezat; ik ben er ver af van te gelooven, dat zij die kennis aan hare moeder verschuldigd was. Verschoonbare trots op zulk eene dochter, mogt in het gemoed van mevrouw van Eyl het bittere temperen, dat er voor elke vrouw van jaren, bij het zien van jeugdige schoonheid, in de gedachte ligt: „Zoo ben ik geweest!” zij had evenmin de zaden gestrooid van hetgeen van zelve wast, als hare dochter die kunstenarijen geleerd., welke in eene moeder vergeeflijk mogen zijn, maar die zeker doen mislukken, wat zij vurig wenscht – het huwelijk van haar kind.

Laat ons naar Floris Lans terugkeeren. Nog dreef het bootje op de golven; nog duurde het stilzwijgen voort; onrustig sloeg hij met zijne vingeren de maat van een liedje, en betreurde bij zichzelven, dat gewigtige bezigheden den echtgenoot van mevrouw van Eyl – die burgemeester van het stadje en sedert veertien dagen zijn gastheer en die van Hofstee was – belet hadden hen op dit uitstapje te vergezellen. Het zou hun laatste zijn. Was het om te kunnen zwijgen, dat Willem zich den eigen morgen over die verhindering had verheugd, dan mogt het billijk heeten, dat hij er voor boette. Luide neuriede Floris:

„Roei zachtkens hier, mijn gondelier! klief hier den stroom zoo zacht,
„Dat ons geen oor ter wereld hoor, dan ’t oor van die ons wacht!

„Dus zong ik in Venetië, Willem! – Ik zou er een jaar langer adelborst voor willen blijven, te weten wat gij zingen zoudt, indien het maneschijn was!”

Onthutst wendde Willem zijnen blik van het bekoorlijke Hansje af, en trok een knorrig gezigt, maar antwoordde niet. Mevrouw van Eyl wenkte hare dochter:

„Kind! laat uw sluijer toch vallen; zoo ergens, hij moet in eene opene boot van dienst zijn.”

„Ik wilde zien, of de koetskar van den heer Ter Ledstein ons reeds van de overzijde wacht, moederlief!” hernam Hansje, en trok, blozende omdat zij slechts half de waarheid zeide, het groene gaas over den wiegelenden rand van den strooijen hoed.

„Ik zie waarlijk niets,” viel Willem Hofstee in, met eenigzins minderen ernst, dan waarmede hij zoo even in de schoone oogen van Haasje gestaard had, op den lommerrijken oever turende.

„Niets dan boomen,” schertste Mevrouw van Eyl,

„Er zijn weinig menschen, die de zon in het water kunnen zien schijnen,” merkte Floris Lans dubbelzinnig aan, terwijl zijn gelaat eene onnoozelheid uitdrukte, die slechts door den schelmschen blik, waarmede hij naar Willem omzag, weêrsproken werd.

„Zijn er niet nog minder zee-officieren, jongeheer!” hervatte Mevrouw van Eyl, „die de bedachtzaamheid, over hunne lippen de wacht doen houden? Één kruistogt schijnt niet voldoende, om hun dit te leeren.”

„Ik bid u, Mevrouw! ge zoudt toch niet wenschen, dat ik een grijzen baard kreeg? Maar buitendien ziet ge meer in mijne woorden, dan ik er mede bedoelde. Mij hindert waarlijk die schittering der zonnestralen niet; ik kon uit de haven van Rhodus de piramiden aan den Nijl onderscheiden.”

„Onmogelijk!” riep Willem Hofstee.

„Onmogelijk?” herhaalde Floris, en het was kluchtig te zien hoe hij in gemaakte drift de hand aan het gevest van zijnen ponjaard sloeg: „maar gij zijt een landmeter, Mijnheer! – vergeef mij, zoo ik u niet juist doop; ik ken uwen waren titel niet – hoe zoudt gij weten, hoe ver wij op zee leeren zien? „Onderscheiden,” zeide ik, en zeide te weinig; want toen ik den tooneelkijker te hulp nam, dien ik te Florence gekocht had, kon ik, op den top van de grootste naald, den eenen vogel Isis den anderen de oogen zien uitpikken, en maakte ik uit het waaijen der vederen op, hoe de wind in Egypte was.”

In stomme verbazing gaapten de roeijers hem aan.

„En wat in dit oogenblik alles afdoet,” voegde Floris er bij, „ik zie de koetskar.” „Ik was er zeker van, dat mijn oude vriend haar op mijn verzoek zenden zou,” viel Mevrouvr van Eyl in. „Trouw moet blijken, is de spreuk van het geslacht ter Ledestein.”

„En ik heb haar zoo duidelijk gezien, dat ik liever in eenen notendop op dit water zou drijven, dan in zulk eene kast te kruipen.”

Mevrouw van Eyl gaf hare hoop te kennen, dat de Heer Hofstee de dames wel gezelschap zou willen houden. Willem nam het met eene buiging aan. „Doch het weder is zoo schoon,” liet hij er op volgen; „indien Jufvrouw Hansje liever wandelde...”

„Het is te warm,” zeide Mevrouw van Eyl. Willem zag somber voor zich; Floris kon naauwelijks zijne vreugde verbergen.

Er is weinig edelers dan de eerbiedige schroom, welken het voorwerp zijner eerste liefde eenen onbedorven jongeling inboezemt; maar er komen in het gezellige leven weinig lachwekkender tooneelen voor dan die, welke deze hagtstogt oplevert, wanneer die schroom in blooheid onaardt. Niets is echter meer gewoon bij lieden, die hunnen tijd in afgetrokkene studiën doorbrengen, of zich der beoefening van stellige wetenschappen wijden. Het ontbreekt hun aan woorden voor de poëzij des levens; de wereld, waarin hen hart hen onwillekeurig verplaatst, is zoo vreemd aan hun hoofd., dat zij hen in verwarring brengt, en hen aan de spotzucht prijs geeft van dezulken, die in kennis en kunde verre beneden hen staan. Floris Lans had, zijnen vriend Willem het schoone Hansje eenige dagen lang zien aanstaren, hem telkenmale, wanner hij hem in eenzaamheid, overviel, met de hand onder het hoofd gevonden, en twijfelde er weldra niet meer aan, dat het geene ingewikkelde vraagstukken van grondverdeeling of waterweegkunde waren, die hem bezig hielden. Vergeefs had hij hem, zoo als hij zeide, driemaal gelegenheid gegeven om zich te verklaren: Willem was niet verder gekomen, dan blik en zucht, en zucht en blik. Floris besloot aan die dwaasheden een einde te maken, of er zich mede te verlustigen. Hij had zich met het laatste moeten vergenoegen, dewijl hij òf te onervaren, òf te edeldenkend geweest was, om het eenige middel te bezigen, dat Willem tot eene bekentenis zou hebben gebragt. Met, al de onbezonnene vrolijkheid en spotzieke overdrijving, den adelborst eigen, had den ingenieur (of wilt gij liever het Hooftiaansch-Hollansch „vernufteling”) dien morgen verzekerd, dat deze Z. M. een verzoekschrift moest indienen, om Gelderlands bosschen en wegen onveilig te mogen maken, of eene stoeterij van Ukrainsche rossen te mogen aanleggen, ten einde eene rooverbende of eene schooholpartij blooden minnaars gelegenheid geven mogt, hunne schoonen te beschermen, en zich in de opgewondenheid, van zulk een oogenblik te verklaren. Het had Willem Hofstee waarlijk moeite gekost, zijn gelaat in eene ernstige plooi te houden, toen Floris zich daarop over de natuur beklaagde, die hen in dertien dagen door geen enkel onweder had doen overvallen. „Op weg schuilend, of vlugtende,” zeide hij tot Willem, „zoudt gij den arm om Hanjes leest geslagen hebben, en het hooge woord ware er uit geweest.”

Eenige slagen nog, en de roeijers hadden hunne taak volbragt. Floris deed het bootje schommelen, als ware de lust hem opgerezen om het te ,oen omslaan; veelligt weêrhield hem de opmerking, dat hij slechts Mevrouw van Eyl zou hebben te visschen. Het vaartuig stiet tegen het gulle zandt een jongeling, in rijkleeding uitgedost, verbeidde hen aan den oever Het was Frits, de eenige zoon van Diederyk Aelbrecht ter Ledestein, wiens titels en orde ik u verzwijgen moet, – even als ik het u straks de eerste letter van den naam der stad deed, waarin de familie van Eyl woonde, – omdat gij te meer gissingen zoudt maken, hoe ernstiger ik u verzekeren m dat zij vergeefs zullen zijn. Terwijl de adelborst de gade van den Burgemeester uit het bootje hielp, reikte Frits het bekoorlijke Hansje de vingertoppen, met een: „Charmate comme toujours, chère amie!” – dit was Haagsche beleefdheid; en drukte eenen kus op hare lippen; – dit was Geldersche hartelijkheid. Eer Willem Hofstee zich herstellen kon van de onaangename verbazing, waarin die gemeenzaamheid hem bracht, verhaalde Frits, dat zijn vader het gezelschap à l’ombre de bocage verwachtte, verontschuldigde het weinig gesoigneerde van zijn voorkomen, dewijl hij plan gemaakt had om zijne zuster met eenn cavalcade te verrassen; de Amazonenkleeding en de aschgraauwe klepper van Louize warEn voor Annette (wie heet Hansje?) gereed; alles zoo, charmant, divine et unique zijn.

Onze ingenieur maakte gebruik van eenige oogenblikkeg, waarin Frits zich der bonnes grâces van Mevrouw van Eyl aanbeval, om aan Hansje op verstoorden toon te vragen:

„Zult gij te paard gaan rijden, Mejufvrouw?”

„Hoe zoo bits, Mijnheer? – Eilieve! waarom niet?”

„Met dien dwaas?” hernam hij op denzelfden toon.

„En met u, Mijnheer?”

„Indien gij wist, Mejufvrouw...”

„Wat, Mijnheer?”

„Hoe verschrikkelijk gij mij kwelt!”

„Lieve Hemel!” zeide Hansje; „ik weet waarlijk niet, wat ik van u denken moet.”

„Nog eens: zult gij te paard rijden, Mejufvrouw? zoo ik u zeg, dat...”

Willem was verpligt de fraaije rede af te breken; onder een hoogen olmboom, die het veerhuis overschaduwde, verbeidde hen Diederyk Aelbrecht ter Ledestein, de deftige man, met met gepoederd hoofd, en zwarte zijden beenen, in de houding, die hij in de antichambre van Prins Willem V pleegde aan te nemen. Met eene buiging vol waardigheid, trad hij Mevrouw van Eyl te gemoet.

„Op deze zelfde plek,” zeide hij, „had ik voor eenige jaren de eer Prinses Wilhelmina te ontvangen; het was de schoonste dag mijns levens – zie niet zoo zuur, oude patriotsche, dat ik mij dit herinner!”

Mevrouw van Eyl glimlachte.

„Die lang vergeten twisten zijn mijns vaders stokpaardje,” fluisterde Frits ter Ledestein Floris Lans in: „laat ik u aan hem mogen voorstellen,”

„Gij zijt welkom, Mijnheer!” sprak de oude Heer Floris toe, nadat Frits dezen en Willem geïntroduceerd had; „schoon u in eene dienst hebt begeven, die den huize van Oranje meer leeds dan heil baarde.”

„Zijn wij als Maurits in den strijd,
„Als Ruiter op do zee,”

antwoordde Floris; „zoo luidt immers ons volksgezang, Mijnheer?”

„De Ruiter, altijd, de Ruiter, den vriend der Staten,” hernam de oude Heer, „en nooit Tromp, den vriend van den Prins. ik heb Feith zoo dikwijls verzocht ook dien te bezingen.”

„Zoo gij zijn lof wilt hooren,” hernam Floris, „moet ge naar Engeland. gaan; van elken jongen, die moed heeft, zeggen de Britten dat hij een Tromp is.”

„Ik geloof dat men best doet,” merkte Hofstee aan, „in het voorbeeld van onzen geeerbiedigden Koning, al het gebeurde te vergeten en te vergeven.”

Het voorhoofd van Diederyk Aelbrecht ter Ledestein rimpelde zich, en van onder zijne grijze wenkbraauwen vonkelden de donkerbruine oogen, gelijk zij het voor dertig jaren dit deden. „Het komt er op aan, wien men vergeeft, en wat men vergeeft jonge Heer! – doch reeds hebt gij mij te vergeven; want ik vergeet dat gij mijne’ gasten zijt. Mevrouw van Eyl! wilt gij met mij in de koetskar plaats nemen? Het is uw lievelinrijtuig. Prinses Wilhelmina had de goedheid het te bewonderen De jeugd. vergezelt ons te viervoet.”

Inderdaad, Hansje had de toestemming harer moeder verworven, en verscheen aan den arm van Frits uit het veerhuis, het enge gewaad om den weelderigen boezem digtgegespt, dartel met de kleine rijzweep de lucht klievende, de witte veder, door Louize op den hoed gestoken, als waaijer langs hare wangen wapperende, De rijknecht leidde eenen schimmel voor, terwijl Diederyk Aelbrecht ter Ledestein Mevrouw van Eyl in het ouderwetsche rijtuig volgde. Zij reden langzaam vooruit, den stap eener koetskar, den stap des ouderdoms, den stap van het voorgeslacht, dat stoombooten noch spoorwegen kende, en toch... maar de jonge lieden stegen te paard. Ik wenschte dat gij Frits het bekoorlijke Hansje de teugels hadt zien reiken, – dat gij haren vluggen voet op zijne vlak uitgestrekte hand hadt zien wippen, – dat gij den glimlach gezien hadt, waarmede zij, in den zadel gezeten, die hoffelijke dienst beloonde, – ik zoude niet vergeefs beproeven te schilderen, hoe heerlijk hare gestalte uitkwam, toen het dier steigerde, neen, stilstond, gelijk een goed gedresseerd manegepaard, dat niet gewoon is in een prik met de sporen het sein tot het maken van kromme sprongen te ontvangen: Isabelle had nooit de eer gehad door een huzaren-officier te worden bereden. En wanneer gij dan uwen bewonderenden blik van Hansje hadt afgewend, zoude u de kluchtige bevreesdheid in het oog zijn gevallen, op het gelaat van Hofstee te lezen, toen hij voor hem en Lans twee hoogbeenige rossen zag brengen, jonker Frits zich vogelvlug op een vurig zwart paard wierp, en Hansje van Eyl op zijde reed. Het zoude u niet ontgaan zijn, hoe Willem slechts in den zadel steeg, omdat hij Hansje den jonker niet wilde overlaten, en hoe hem, nu hij aan die inblazing van minnenijd gehoor had, gegeven, de angst bekroop, dat hij, ongeoefend ruiter, den huize ter Ledestein niet bereiken zou.

„Hoe ver, Mijnheer,” vroeg hij, zich tot Frits wendende, „hoe ver is uw landhuis van hier?” En het speet hem, dat hij het gevraagd had, toen hij den spotzieken glimlach gewaar werd, die om de bleeke lippen des jonkers speelde. Beide, deze en Floris, hadden de hoogte van zijn talent genomen, toen de rijknecht hem in den zadel hielp. Zij hadden eenige woorden gewisseld.; dit bleek uit het antwoord, van Frits.

„Een kwartieruurs, Mijnheer! Doch wij zullen un détour maken – eerst giadschen heuvel au petit pas oprijden...”

„Dan zal ik wel boven komen,” dacht Willem bij zichzelven.

„Verder aan gene zijde au grand trot afdalen; het uitzigt is er zeer pittoresk, dewijl een arm der rivier om den voet des heuvels kronkelt...”

„Verwenschte rivier!” zuchtte Willem.

„Daarop in galop een eind straatwegs... ”

„Om mijn hoofd tegen de klinkers te bersten te stooten,”

„En eindelijk ventre à terre door de hooge beukenlaan; Louize ziet zoo gaarne Victor Hugo’s versje verwezenlijkt:

Vois-tu pas un cheval qui fume,
Et revenir mon bien-aimé?

Zij wacht ons reeds. Allons, Isabelle!”

„Indien ik niet in de rivier verdronken of op den straatweg neergevallen ben,” dacht de ijverzuchtige Willem, terwijl zij afreden, „zal ik er mij niet aan wagen, op een beukentronk armen en beenen te breken, maar haar liever te voet volgen.”

Ventre à terre!” riep Floris: „dat is het ware, zoo als de rid van Napoleon door Spanje, zoo als de mijne van Mola di Gaëta naar Napels.”

Pardonnez-moi,” viel Frits in: „maar de uwe is minder bekend; ik heb er in den Haag noch te Brussel van hooren spreken; gij weet, dat, schoon de Prins van Oranje geen meester duldt in al wat ridderlijk is, Z. K. H. echter belang stelt…”

„Het verwondert mij niet,” hernam Floris, „dat de faam vergat mijn feit rond te trompetten: de Keizer had eene kroon gestolen, en ik schaakte slechts...”

„Wie?” vroeg Hansje, en schaamde zich dat zij zich zoo nieuwsgierig had getoond.

„Een adelborst, Mejufvrouw! Indien gij geduld hebt, zal ik u vertellen hoe; het fraaiste is, dat ik het op een muilezel deed, in het kostuum van den duivel.”

„Doe uw paard een weinig regts gaan, Mijnheer Hofstee!” verzocht Hansje, die Frits aan hare linker- en den ongeoefenden ruiter aan hare regterzijde had, terwijl Floris aan de lagerhand van allen reed.

„Volgaarne, Mejufvrouw!” verzekerde Willem, en trok zoo heftig aan den teugel, dat het dier tien schreden op zijde sprong.

„Mijn goede vriend, de adelborst... dan gij schenkt mij zijnen naam,” vervolgde Floris, „werd het slagtoffer der ijverzucht van den Marchese di Forlipopoli.” En Willem naderde allengs Hansje weder, hetzij omdat zijn ros of hij zelf het wilde. „Hij was een fraaije blonde jongen, zoo als onze vriend Hofstee, eene zeldzaamheid, in Italie. Op het eerste bal, dat wij te Napels bijwoonden, werden alle dames op hem verliefd; den volgenden dag was hij cavaliere servente van de schoone Marchesa di Forlipopoli,”

Charmant pays!” zeide Frits

„Ten deele,” hernam Floris: „drie dagen later was de adelborst nergens te vinden; de tweede luitenant was ongerust als de eerste, en de kapitein als de eerste en de tweede luitenant; de gezant deed onderzoek; ik dacht aan de schoone Marchesa di Forlipopoli, en was ongeruster dan de overigen. Daar werd mij, terwijl ik op het balkon van mijn logement eene cigaar lag te rooken, en de liehtblaauwe wolkjes van deze met den donkeren damp vergeleek, die uit de Vesuvius oprees (ik heb er in een vers gebruik van gemaakt), door een allerliefst meisje eene roos toegeworpen; ik ontbladerde haar, vond er een brief in, en mijn besluit was genomen.”

„Zoo had ik haar immers reeds lang mijne liefde kunnen verklaren,” dacht Willem; „maar nu zal zij zeggen, dat Floris het mij heeft ingestoken.”

„Het overige van den dag bragt ik met den muilezel door,” vervolgde Floris, wiens vertelling wij afbraken; „en mijne hand doet mij nog zeer, wanneer ik aan de slagen denk, die ik het arme dier toedeelde. Eindelijk kon het de kunstjes uitvoeren, die ik het wilde leeren, en den volgenden nacht stond ik voor de poort des kasteels van den Marchese di Forlipopoli, in omstreken van Mola di Gaëta.”

„In waarheid, Mijnheer Hofstee! gij dwingt mij onzen gastheer lastig te vallen,” riep Hansje: „het is onmogelijk voort te rijden, zoo gij mij dus uit den weg dringt.”

„Er is slechts één middel op,” verzekerde jonker Frits: „Mijnheer bezit al de talenten d’un parfait cavalier, maar de vossen zijn gewoon naast elkander te gaan; indien gij aan mijne lagerhand wildet rijden, – excusez l’impolitesse!

„In ’s Hemels naam!” zuchtte Willem, en volbragt, meer door het instinct van het dier dan door zijne wending, de vereischte verplaatsing.

„Willem! indien gij mij nog eens stoort, word ik uw medeminnaar,” schertste Floris, en vervolgde zijn verhaal: „Ik stond voor het kasteel, in het kostuum van Zijne Helsche Majesteit met bokspooten, staart en horens,” er ontbrak niets aan. „Satan is punctueel,” dacht ik, wachtte totdat de klok der digtbijgelegene kapel één ure sloeg, en maakte toen zulk een vervaarlijk gedruisch, dat de oude dienaar van den Marchese di Forlipopoli, ondanks al zijn schrik, de hooge poort opende. „Den ketter!” beval ik: „breng den ketter!” De man aarzelde; wip vloog mijn ezel over zijn hoofd heen; de arme drommel viel op de knieën; wip vloog ik nog eenmaal over zijne grijze kruin. „Tot uwe dienst! tot uwe dienst!” kreet hij. – „Spoedig!” bulderde ik, en hij ging. Toen blies ik de lantaren, door hem achtergelaten, uit, stak, om het tooneel waardiger te verlichten, tot tijdverdrijf mijne horens aan, rammelde met de keten, dat het poortgewelf daverde, en stond weder als eene paaschkaars in den zadel, toen mijn goede vriend met den ouden dienaar verscheen. „Hendrik!” riep ik. De arme jongen beefde als een riet, verzwakt als hij was door drie dagen vastens.”

Ah, le charmant trait du Marquis!” viel Frits in.

„Ik strekte mijne klaauwen naar hem uit; de jongen begreep mij, en kroop achter op mijn ezel. De rid zal het dier heugen; want het was lam, eer wij een vierde van den weg naar Napels hadden afgelegd,”

Au grand trot, Isabelle! Volgt ons, Mijneheeren!”

„Een weinig zachter!” bad Hansje, met een blik op Willem; hare bede was vergeefs, en Floris ging voort:

„Gelukkig kwam ons een der officieren van ons schip met een paar fiksche paarden te gemoet. Wij behoefden die. De oude dienaar had den pastoor gewekt; de gansche gemeente was opgestaan, om den duivel te vangen, Ventre à terre ging het voort, oranjeboschjes door, rotsen over, hier langs den oever der zee, daar over een ouden aquaduct, eindelijk aan den rand eens afgronds, een rid als die van Napoleon, nooit te vergeten en waardig te worden geboekt.”

„Bravo, bravo!” riep Frits.

„En de Marchesa di Forlipopoli?” vroeg Hansje.

„Had de volgende week een anderen cavaliere servente; in Italië is het: „uit het oog uit het hart.” ”

Comme partout,” schertste Frits. „In galop, Isabelle! Doe als wij, Mijneheeren!”

Zoo als mijne lezers bemerken, hadden zij onder deze verrtelling den top des heuvels bereikt, en waren de met alledei heesters bewassen helling afgedraafd, weinig acht slaande op de rivier, die aan hunne voeten in kronkelenden loop het landschap doorsneed, en die, indien één hunner dichterlijke verbeelding had bezeten, bij de reusachtige slang zou zijn verge leken, welke, volgens de Noordsche Godenleer, den aardbol als een ring omsluit. Geen schilder zou de schubben van deze veelkleuriger hebben kunnen malen, dan de golven des strooms het waren, naarmate de zonnestralen er op terugkaatsten, het geboomte er zijne breede slagschaduw op wierp, of de wolken des hemels hier en ginder zijn vlak tot haren spiegel kozen Niemand hunner dacht er aan; Willem Hofstee het minst van allen. Zij waren op den straatweg gekomen, en uit den draf in den galop overgegaan. Het uur zijner pijniging begon.

Allerbevalligst zweefde Hansje op den rappen schimmel, na de maat, die de jonker op het zwarte paard aangaf, de beide vossen vooruit; de ijverzuchtige had geene oogen meer voor hunne sierlijke bewegingen, voor het vertrouwelijk hoofdknikken, waarmede zij Frits betuigde hoe zeer het zeldzaam genot haar streelde. Met den doodsangst op het gelaat, zonder hoed op het hoofd, de handen krampachtig aan de manen geslagen, den eenen voet uit den stijgbeugel, slingerde hij op het ros heen en weder, als een vaartuig, dat aan de ongenade van winden en golven is prijsgegeven; het duizelde hem voor oogen; hij gevoelde niet, dat zij het eind straatwegs hadden afgelegd; hij zag zelfs niet, dat zij reeds de hooge beukenlaan waren ingereden. Hoe zoude het hem zijn ingevallen, dat Frits te beleefd mogt achten om van een meisje sneller rid dan een galop te vergen? Zij waren uit zijne oogen – de schuld lag aan eene kronkeling der laan; hij schreef het aan hun vaart toe. Ventre à terre was zijne eenige gedachte; het schrikbeeld deed groote droppelen zweets aan elk zijner haren hangen, „Hansje!” stamelde hij: „Hansje!” En zie, als gaf het meisje zijner bede gehoor! Hij zeeg zachtkens van den klepper af; de buikriem was gebroken; Hofstee was verre van dit te vermoeden. Hij hoorde een luid gelach, en verloor toen zijn bewustzijn. Zoodra hij de oogen weder opsloeg, lag hij op een mollig rustbed van zand en mos. Floris rijknecht en het ros, allen waren verdwenen.

Het was een zalig oogenblik. De vogels kweelden boven in de wiegelende beukentakken, een kwijnend minnelied. Op de lommerrijke plek had de hitte van het middaguur niets ondragelijks, en – waar hij allereerst aan dacht – hij voelde naar zijn hoofd. Het was ongedeerd op de regte plaats gebleven, armen noch beenen waren gebroken. Hij wilde opstaan en voort wandelen – o wee! – kermende van pijn zonk hij op het groene leger terug. De Hemel zij geloofd! niemand had hem in dien toestand gezien; hij zou anders het voorwerp van ieders bespotting zijn geweest. Maar, zoo het gezelschap reeds op ter Ledestein was aangekomen, wat zoude men van zijn uitblijven denken? Vergat Hansje hem om den wille van Frits? „Oei! Oei!” – „koek, koek!” – „oei!” – „koek, koek!” – „oei!” Ziedaar zijne klagt en haar accompagnement, toen hij eene tweede poging waagde. Zij gelukte; maar de slak, die aan zijne voeten kroop, zette hare voelhorens niet voorzigtiger uit, dan hij het eene been voor het andere. En toch deed de liefde nooit grooter wonder, dan dat zij Willem Hofstee binnen een vierdeuurs onder het zuilendak bragt, door hem in al die pijnlijke oogenblikken aangestaard, als ware het de ingang tot het land van belofte geweest.

Een der bedienden van den huize ter Ledestein verwachtte er hem met zijnen hoed, die door den rijknecht was opgeraapt, vroeg hem trouwhartig, of hij zich beter bevond, en ging hem voor in een vertrek, dat alles aanbood, wat Willem in zijnen havenloozen toestand behoefde.

„Wij wilden u naar huis dragen; maar de zeeoficcier verbood, het. Zulke zenuwtoevallen moeten zeer lastig zijn.”

„Zenuwtoevallen?” mompelde Willem.

„De jonge heer liet Jan de wacht bij u houden; de freules hebben spiritus en hofman doen gereed zetten. Zal ik u, een glas water inschenken? Of verlangt UED om het zenuwtoeval...”

„Niets!” zeide Willem: „het is over.” En hij beet zich op de lippen van boosheid. „Wijs mij den weg naar het gezelschap.”

Arme Hofstee! Het was in de spreekkamer noch in de groote zaal. De knecht geleidde hem den breelen gang uit, het frissche grasperk langs, gindsche dreef in, dat boschje door, dien heuvel op, en eindelijk (wees er zeker van, dat onze held het tienmaal gevraagd had, eer de vraag bij u opkwam; hij verlangde vol ongeduld. Hansje weder te zien), eindelijk kwame zij, niet aan een koepel, zoo als men er in Holland hij honderden vindt, weinig schreden van de heerenhuizing af, op den straatweg uitziende, zoo veelzijdig verlicht, dat ge er nergens vrij zijt,– (sprekende bewijzen, hoe weinig zin velen, die buitens hebben, voor het buitenleven bezitten) – eindelijk kwamen zij aan eene schilderachtige hermitage. Willem trad binnen.

Hansje was er niet; de minnaar zag het bij den eersten blik. Mevrouw van Eyl bespaarde hem eene inleiding.

„Onze gast, freules!” zeide zij, zich tot twee dames wendende. De jonge meisjes konden naauwelijks een glimlach weêrhouden, bij de pijnlijke buiging van onzen held. „Doctor de West,” ging Hansjes moeder voort, eenen man aansprekend, die met Diederyk Aelbrecht ter Ledestein in een levendig onderhoud gewikkeld was.

Deze scheen haar niet te verstaan; zij wilde hare poging herhalen. „Ik behoef geen arts,” fluisterde Willem. „Waar is Hansje, en waar zijn...”

„Zij wandelden naar de bron,” hernam Mevrouw van Eyl, terwijl zij bij de heeren plaats nam. Willem rigtte eenige woorden tot de freules; zij hielden echter zijne aandacht niet zoo onverdeeld bezig, dat hem het gesprek van den vriend van Willem V ontging.

„Neen, doctor, neen!” riep deze met vuur uit: „niet om te weten wie carmageoles om den vrijheidsboom dansten;”

„Zoo als ik,” viel de moeder van Hansje in.

„Met een regtsgeleerde of met een predikant?” vroeg doctor de West.

„Met een geneesheer,” hernam Mevrouw van Eyl: „hij beweerde, dat dansen het beste middel tegen de koorts dier dagen was.”

„Noch,” voer Diederyk Aelbrecht ter Ledestein voort, „noch om den naam van dien dwaas te vereeuwigen, ’die in de Amstelstad doperwtjes op den Dam wilde pooten, maar om te voorkomen dat het nageslacht ooit weder de prooi worde...”

„Beste heer ter Ledestein! mo lang er wind is, zullen er weêrhanen wezen.”

„Die draaijen, wilt gij zeggen, doctor? Doch ik eisch geene bekentenis van deze; zij zouden den vrind van heden wijzen. Maar er waren aristocraten, die het wel met den huize van Oranje meenden, – lieden, in wier kleederkast niet, als in die van vele volksmenners, rokken van zevendelei kleuren hangen,”

„Geef ons uwe gedenkschriften.,”

Merci du compliment! De lust er toe wordt soms regt levendig bij mij, wanneer ik zie, welke lessen er voor de jeugd te loor gaan; hoe onvolledig onze geschiedenis van dien tijd zijn zal; dat men zich om strijd. beijvert Napoleon te vloeken. Overbodige moeite voor het minst! In de eerste eeuw hebben wij geen tweeden Napoleon te vreezen. 1) Het zou beter zijn, de nakomelingschap te waarschuwen voor het inroepen van vreemde tusschenkomst... ”

„De Pruisen met schorseneeltjes in den nek... ”

De Franschen zonder inexpressibles... ”

„Mijneheeren! mijneheeren!” riep mevrouw van Eyl: „zijn op Waterloo niet alle dwalingen geboet? niet alle twistenden verzoend? Ook mijn eenige zoon ging vrijwillig ten strijde., Beste Joan! Ik beleefde sedert geen achttienden Junij, die mij; niet schreijende zag bidden.”

„Brave vrouw!” zeide Diederyk Aelbrecht ter Ledestein bewogen en het gesprek eene andere wending gevende, – de pastor fido bood er hem gelegenheid toe. – „Prinses Wilhelmina, mijnheer Hofstee!” voer hij voort, „deed mij de eer, in deze hermitage te rusten; Hare Hoogheid heeft gindsche bron bezocht.”

„Gindsche bron? Zij is dus niet ver van hier? Hoe gaar zou ik die zien!”

En de freules, die een oogenblik te voren over zijn air rêveur hadden geschertst, wisten niet welk belang hem eensklaps die bron inboezemde. „Het is geene liefde voor natuurschoon, dacht freule Louize in stilte. Zij, die voortreffelijk landschap teekende, had zich geërgerd over zijne onverschilligheid voor het waarlijk schoone, dat zich aan hunnen voet uitbreidde, Geen oogenblik trok het betooverend spel van licht en schaduw op de veelkleurige bosschaadjes afwisselende, naardat een wolkje den glans der zon onderschepte, of een stervend koeltje de takken buigen deed, zijne aandacht. „Het is geen verlangen om koud water te drinken, dat hem derwaarts drijft,” dacht freule Sophie bij zichzelve. Zij had driemaal te vergeefs getracht een gesprek met hem aan te knoopen, maar hem niet te vergeefs driemaal Kaapschen wijn ingeschonken. Mevrouw van Eyl alleen vermoedde de oorzaak; het scheen dat doctor de West hare gedachten ried. Hij bood aan, den gast naar de bron te brengen.

Zij gingen – gingen – gingen – zoo als Italianen zeggen. Wie vlogen daar, verre voor hen uit, het gindsche steile heuvelpad. af, door het lommer aan het oog van hen, die in de hermitage zaten, onttrokken? Het was Hansje; er viel niet aan te twijfelen. Maar het was ook Frits; ach, dat daaraan niet te twijfelen viel! Willem beproefde zich voort te spoeden; zijne vermoeidheid belette het hem; van een zijpad kwamen Fanny ter Ledestein en Floris Lans hem te gemoet.

„Eens nog, freule!” zeide de jongeling.

„Neen, mijnheer!” hernam het meisje: „ik ben te moede. Eerst de legende van de bron van ter Ledestein, de historie van den page en de pinksterbloem, zoo als gij zeidet.”

„Voor een ander gehoor eene andere vertelling,” was het antwoord van Floris: „nu het verhaal van den hertog en het hert. Willem, zie zoo norsch niet; gij kunt er partij van trekken.”

Willem bleef zwart zien.

„ Jufvrouw Hansje was ongeruat over u,” zeide de freule.

„Doch jonker Frits vertroost haar,” hernam de plaaggeest.

Souvent femme varie, bien fol est qu s’y fie,” neuriede doctor de West. „Uwe legende, mijnbeer Lans!”

„Wat zal mijn loon zijn?”

C’est selon” zeide Fanny.

„Een zenuwtoeval,” merkte Willem aan.

A discrétion” begon Floris. „Maar het is zonderling; het gaat met de legenden, als met de wonderen van den prins van Hohenlohe; daar, waar men zegt dat zij gebeurd zijn, weet niemand er van. Van alle lezingen kies ik dus...”

„Geen inleidingen; ze zijn zoo vermoeijend.”

„Zelfs bij Walter Scott, freule? Luister dan! In de dagen, toen dit oord een beter verblijf was voor een hert dan voor een hertog, leefden hier een hertog en een hert. Zij waren: goede kennissen, maar die elkander slechts op zekeren afstand zagen. De schuld hiervan lag meer aan het hert, dat niet zeer gezellig was, dan aan den hertog, die reeds menig gezantschap, ik wil zeggen menig pijl, verspild had. Doch de hertog was jong, en het hert was oud; bij gevolg werd de her tog verliefd, en bemerkte het hert dit. Immers, toen het win ter was geworden, en de sneeuw manshoogte op den grond lag, aarzelde het hert niet, op tien schreden afstands van de hertog zijn voeder te zoeken, schoon de hertog aan het raam van zijn burgt stond, en hij het hert met de groote horens van kindsbeen kende.”

„Do hertog keek naar de starren,” viel doctor de West in.

„Naar de maan,” verbeterde Fanny.

„Hij had, een zenuwtoeval,” zeide Willem norsch.

„Zoo als ge wilt,” voer Floris voort: „het oude hert sleet rustige dagen, en de jonge hertog genoegelijke. Hij gaf feest op feest; elken avond weerklonk de hal van harpgezang, en toen het voorjaar werd, gingen ’s hertogs dienaren uit, om kruid. en loover te plukken, dat men voor den bisschop strooijen zou. Daar werden woud en dal vervuld van eenen geur van wierook en mastik; zijn Hoogwaardige was gekomen; de kapel straalde van waslicht, schoon op vollen middag. De stoet trok door het dal; van gindschen heuveltop zag het oude hert den jongen hertog voorbijrijden, met zijne schoone bruid aan zijne zijde, op een hagelwitten klepper gezeten; het gansche gevolg juichte van vreugde. Slechts één man uit de schaar zong niet mede, – maar het was de minnezanger; hij had, zeven avonden lang in de hal gezongen. De jonge hertog wees zijne schoone bruid het oude hert aan, en wilde den boog spannen, om het neêr te schieten. Zij weerhield zijne hand; eer hij de pees weder spannen kon, was het hert verdwenen.”

„Zijn wij nog niet aan de bron?” vroeg Willem Hofstee.

„Het oude hert,” heraam Floris, „graasde dien middag in de omstreken van de burgt; men hoorde niets in het gansche landschap, dan den bekerklank van de lustige gezellen, des hertogs. Doch luister! was dat geen hondgeblaf, geen paardengehinnik, geen hoorngeschal? Dat was het; – de schoone bruid was eensklaps verdwenen. Daar naderden zij, de hertog aan hun hoofd, ziedende van woede. „Hij is de roover!” riep hij, op het oude hert toeschietende. Het dier vlugtte in tijds, sneller dan hij, die door den wijn bevangen was, die aan de trouw zijner schoone bruid twijfelde! Echter won de hertog het van al zijne hovelingen in vaart; hij alleen kon het hert van verre nasnellen. Hun loop was een loop op leven en dood.; want zijn paard kon zwemmen, springen en rennen, zoo goed als het hert rennen, springen en zwemmen kon. De jonge hertog werd versterkt in zijn geloof, dat een booze geest in het oude hert gevaren was, want het voerde hem, eensklaps terugkeerende, weder naar de burgt. Daar waren zij op de plek, waar wij nu zijn; eensklaps ging het oude hert op zijne achterpooten staan, en schreeuwde den jongen hertog toe: „Gier – hilde!”

„Maar ik versta geene hertentaal,” viel Fanny in.

„De jonge hertog verstond, haar. Zijne schoone bruid, droeg dien naam; het oude hert sprong hem voor in dit hoschje; daar zag de jonge hertog een blaauwen mantel liggen, met hermelijn omboord, en ginds lag de harp van een minnezanger, wier gouden snaren waren stukgetrapt. Hij sloeg, even als wij, den hoek om; daar zat...”

„Daar zit zij niet,” borst Willem uit.

„Maar hier ligt eene rijzweep van jonker Frits,” zeide doctor de West, „en een handschoen van...”

„Jufvrouw Hansje,” hernam Floris. „Zie, mijnheer Hofstee !”

Maar reeds was Willem verdwenen, en ondanks zijne onbeleefdheid. moeten wij hem volgen. Hij hoorde Hansjes stem,” een minnaar hoort zoo scherp! Daar werd hij – door het geluid naar een bloemperk geleid, waarbij eenige bijenkorven stonden – Frits gewaar, die zich voorover boog, om voor Hansje eene roos te plukken. De verzoeking was te groot; Floris vertelling ontrustte hem; de inwoners van drie bijenkorven, door Willem omvergeworpen, vlogen gramstorig op den jonker en de schoone toe; maar Willem sloeg zijne armen om Hansjes leest, droeg haar van de plek, en stamelde: „Hansje! hebt gij mij lief zoo als ik u?”

Het meisje bloosde; de jongeling wilde eenen kus op haar lippen drukken; daar sprong een man te voorschijn uit het kamperfoelieprieel, naar welks ingang Willem Hansje gedragen had, dien hij noch zij hadden bemerkt, verwonderd, als hij was, over zijn eigene stoutheid, verbaasd, als zij wezen mocht over dat vreemde tooneel.

„Hansje!” sprak hij, en zij zagen den ernstigen blik haars vaders, die haar had willen verrassen, en zelf zoo zonderling verrast werd: „wat beduidt dit?”

En nu eene liefdesverklaring te schrijven, zoo als men bij zulke gelegenheden doet, – wie eischt dit van mij? Hansjes blos had haar verraden. De oude heer van Eyl... maar zie! ik, die de rede des minnaars verzweeg, zoude die des schoonvaders mededeelen?

Met verdubbeld gebom riep de klok van het kasteel ten middagmaaltijd; reeds had Diederyk Aelbrecht ter Ledestein mevrouw van Eyl den hoogen zetel doen bewonderen, waarop prinses Wilhelmina, bij gelegenheid des bezoeks van H. H. ten zijnent, gezeten had; hij stond nog op dezelfde plek en aan hetzelfde venster. Hij liet haar daarna het glas zien, waaruit die vorstin had gedronken, en dat sedert door geene lippen was aangeraakt. Thans werd hij wezenlijk ongeluldig over het uitblijven zijner gasten; hij had zijne geliefkoosde onderwerpen uitgeput.

Je ne suis point blessé, Louize!” riep Frits de verschrikte freule toe, toen hij het eerst van allen de hooge zaal intrad, drie vierde van zijn gelaat met een zijden doek omwonden. Het scheen dat de bijen hadden vermoed, dat haar slagtoffer slechts een beuzelaar was.

Op den jonker volgden Fanny en Floris; nog hing het meisje aan zijne lippen; hij was begonnen eene andere lezing der legende voor te dragen; gij hebt welligt aan de eerste genoeg. Eindelijk verschenen de heer van Eyl, Hansje en Willem; de laatste scheen trotsch op de door hem behaalde zege, Hansje bloosde hooger dan eene der herderinnen van het in gouden lijsten gevat behangsel. Vader, moeder en dochter vormden eene schilderachtige groep; toen mevrouw van Eyl hare toestemming had gegeven, kondigde de eerste in deftige bewoordingen het huwelijk aan, Willem verontschuldigde zich bij Frits over de bijensteken.

„Zijne overdrevene courtoisie is er alleen schuld. aan,” viel Floris in.

Je vous prie,” bad Frits, „beschuldig mij van wat ge wilt, maar zeg niet dat ik uw rival was, Freule Louize van en tot Braambeeck, mijne geëngageerde, die ik de eer heb u voor te stellen, heeft altijd une oreille en champagne.

„Welk eene vergissing!”

„De ijverzucht eens minnaars waardig,” zeide Floris.

„Aartsschalk!” antwoordde hem Willem Hofstee: „uwe verdichtselen zijn dus oorzaak...”

„Of uw ongeduld en uwe achterdocht,” antwoordde Floris; „de minnezanger zou Gierhildes broeder zijn geworden,en ik had het voorzeker niet zoo pijnlijk voor hem laten afloopen, als gij het voor jonker Frits deedt: het hert had zijne dankbaarheid met den dood geboet, en de bron zoude ontsprongen zijn op de plek, waar het stierf. Uwe drift deed. u...”

„Wijt het der liefde, mijneheeren!” merkte doctor de West aan: „zij is de moeder van alle dwaasheden der jeugd.”

„En van alle geluk hier beneden,” zeide mevrouw van Eyl. „Niet waar, Louize? Niet waar, Hansje?”

De eerste glimlachte toestemmend; er blonk een traan in de oogen der laatste: wie van beiden is u het liefst?

Tesselschade, 1838.