E.J. POTGIETER (1808 – 1875)

DE LETTERKUNDIGE BENTGENOTEN

TE PARIJS.

Car le peuple de Paris est tant sot, tant badault et
tant inepte de nature, que ung Balseleur, ung porteur
de rognatons, ung mulet auecques ses cymbales, ung
vielleuz au myllieu d’un carrefour assemblera plu de
gens que ne feroyt ung bong prescheur euangelique.

RABELAIS.

I.

Wanneer wij u verklaren, lezer, dat wij die woorden van één der grootste vernuften der zestiende eeuw, ook in onzen tijd, nog op Parijs toepasselijk houden, zult gij ons niet van het doel verdenken, u in Frankrijks hoofdstad een school der zeden te willen doen zien. Zij was dit – indien wij de geschiedenis met vrucht lazen – zoo min in de dagen van den ridderlijken Frans I, als in die van den bijgeloovigen Karel IX; even weinig onder het bestuur van den grooten Hendrik, als onder dat van den grooten Lodewijk, en minst van alle tijden in de laatste levensdagen van den opvolger van dezen. Zoo gij ons vroegt, waarom zekere goede lieden te onzent, die het hevigst tegen het hedendaagsch Parijs uitvaren, bijna nooit van dat tijdperk spreken, wij zouden u antwoorden: „dewijl zij in de eerste Omwenteling geene Nemesis willen erkennen, die wraak nam over de gruwelen, toen bedreven.” Wij zouden er bijvoegen: „dewijl de brave gemeente bij den naam van Robespierre siddert, zoo als onze voorzaten bij het woord Ducdalf deden, en de menschen slechts groote kinderen zijn, die men het gemakkelijkst overtuigt, wanneer men hen bang heeft gemaakt.” Doch wie weet, of gij het ons wel eens vraagt?

Pour revenir à nos moutons, hoe zoude Parijs in onze dagen een toonbeeld van voortreffelijkheid zijn? Veertig jaren in twist en strijd van allerlei meeningen doorgebragt, verdwaasden ook dáár meer hoofden, door overdreven begrippen, dan zij harten voor het goede, edele en schoone ontvlamden. Er worden maanden vereischt, om de hulk, die schipbreuk leed, in een dragelijken toestand te herstellen: oas het beeld op Frankrijk toe, waarvan Parijs het roer heeten mag, en beslis, indien gij het durft, hoe vele jaren er noodig zijn, om de sporen van zóó veel ongenade van stormen en golven uit te wisschen? Niets is gemakkelijker, dan er het verachting van af te wenden; niets is onverstandiger tevens: want datzelfde Parijs is de modeprent van Europa; want van Stockholm tot Konstantinopel aapt men de zeden der Franschen na. Vandaar, dat wij het niet ongepast houden, van tijd tot tijd, eenen blik op de tegenwoordige Fransche litteratuur te slaan, ter waarschuwing ja, voor het kwade, dat haar aankleeft, maar ook ter waardering van het goede, dat zij bezit. Er openbaart zich bij ons zekere strekking, over al hare vertegenwoordigers hetzelfde vonnis te strijken, niet in naam der kunst, maar der zedelijke nuttigheid, de toetssteen der Cato’s onzes lands. Wij willen heden over de bevoegdheids dier regters, noch over het gepaste van hunnen eisch spreken; en bepalen er ons toe, hun de volgende vraag te doen: „Indien het waar is, Mijne Heeren, dat men voor de studie van elken schrijver, die, volgens uwe begrippen, niet volstrekt zedelijk-nuttig is, moet waarschuwen, en haar, waar men kan, verbieden, dan zie ik niet, hoe gij drie vierde uwer Classici, hoe gij Ariosto en Rabeais in uwe boekenverzameling moogt dulden; dan zijt gij verpligt de schilderijen van Titiaan en Correggio ten vure te doemen; en Montaigne, en Bredero, en Hooft, en Molière, de op eenige plaatsen alles behalve stichtelijke Molère vooral, vliegen uwe vensters uit, gevolgd door… Doch waartoe zoude ik de naamlijst verlengen, welke zich, gij weet het, ligt over drie bladzijden zoude uitstrekken? Het éénige, dat ik u nog te zeggen heb, Mijne Heeren, is, dat uw zuiveringstooneel waarlijk eenen aardigen tegenhanger zal opleveren van het bekend onderzoek en oordeel van den Pastoor, en Meester Nicolaas, en de huishoudster, over de bibliotheek van Don Quixote; – ik wensch u eenen Cervantes toe.”

Zoo lang echter het aanleggen van eenen Index met de beginselen der Hervorming strijdt, lezer, vergunne men ons te gelooven, dat wij iets beters kunnen doen, dan boeken verbranden; of wilt gij liever den banvloek over een gansche letterkunde uitspreken, welke, trots die doove bliksems, eenen onmetelijken invloed op de Europeesche uitoefent? Schilder hem zoo afschuwelijk als gij wilt, de vroeg rijpe, ook vroeg rotte heesters en struiken, welke het woud ontsieren der Fransche onzer dagen; het woud, dat zich op de bouwvallen van eenen keizerlijken troon uitbreidde, zoodra de man gevallen was, wiens snoeimes en hakbijl het met den dood bedreigden. Maar gij tast de uitspanningslektuur bij voorkeur aan; wel nu, ik zal mij tot deze bepalen – en nu wederspreken dat er wrange vruchten aan vele boomen aldaar gegroeid zijn? Neen – gij zult mij niet hooren beweren, dat de romans van Jacob voor meer dan de eene helft van het menschelijk geslacht zijn geschreven; dat Frédéric Soulié zijnen dubbelzinnigen naam niet op zijne schriften wenscht te zien toegepast; dat George Sand of de vrouw, welke zich achter dien pseudonyme verbergt, haar genie niet misbruikt; – maar zie hier, wat ik van u meen te mogen vergen. Leg niet even veel bekrompenheid van oordeel als eenzijdigheid van smaak aan den dag, door het nabaauwen van regters, die met namen en klanken schermen; – door een’ schrijver, om één mislukt boek, te veroordeelen schoon hij er tien schreef, die voortreffelijk mogen heeten; – verwerp niet alles, dewijl gij slechts weinig kent. De letterkunde is de uitdrukking van den verstandelijken, maatschappelijken en zedelijken toestand des volks: zóó diep is Frankrijk niet gezonken, dat er geen, dat er nog niet veel frisch loover en smaakvol ooft in het reusachtigen woud te plukken valt. Indien het zulks ware, de wensch van onzen grootsten dichter en partijdigsten beoordeelaar zoude vervuld zijn: Parijs was in vlammen ondergegaan.

Ge zult erkennen, dat ik mij aan de schaduwzijde van Frankrijks litteratuur wage, zoo ik een stuk kieze, dat tot het genre der fraaije letteren behoort; doch ook dáár schuilt veel voortreffelijks onder hetgeen luide voor boos wordt uitgekreten. Een bewijs voor mijne stelling wil ik aan uw oordeel onderwerpen. Het is geen tooneelpoëzij van Casimir Delavigne – welke letterkunde heeft een blijspel opgeleverd, dat bij zijne École des Vieillards haalt? – het zijn geene elegien van De Lamartine – er is in zijne Méditations veel waarachtig godsdienst gevoel; – het zijn geene lyrische zangen van Victor Hugo – heb toch een weinig eerbied, bid ik u, voor zijne Feuilles d’ Automne! – het is geen proza van Nodier; geene vertaling van Dumas; geen feuilleton van Janin; geen kritiek van Sainte-Beuve – het is slechts, schrikt niet, Mijne heeren! het is slechts een blijspel van Scribe.

„En hebt gij het stukje over de Jodin in de Letteroefeningen der vorige maand gelezen?”

Helaas ja, mevrouw, en er dadelijk bij gedacht, UEd, de volgende vragen te doen:

  1. Of UEd. schoon UEd. wel eens ter kerke gaat, om iets moois te hooren, ooit eene loge nam, om gesticht te worden, wanneer men een opera gaf? Zoo ja – ik wil u nu niet over het eerste beknorren, want ik heb nog meer te vragen – zoo ja, dan zoude UEd. mij ten hoogste verplichten mij te zegge, wat UEd. in den tijd, toen UEd. jong was, uit Mozarts Don Juan leerde? UEd. weet, dat ik toen de eer niet had UEd. te kennen. Ik was anders geen oud vrijer geworden.

  2. Of UEd. ooit een operaboekje kocht, om dat te lezen en iet om er uit te hooren zingen, en of UEd. dit misschien in rood marokijn laat binden? Ik zal dan bij gelegenheid om de Calif van Bagdad en Zemir en Azor zenden; het moeten leerzame boekskens wezen.

  3. Of UEd. in den Haag ook flaauw is gevallen – UEd. wordt nog al door vapeurs gekweld – toen men de Jodin in de kokende olie wierp? Ik vond het minder akelig, dat het den schrijver dier beoordeeling, in de Belgischen nadruk – een bewijs van des schrijvers huishoudelijkheid – toescheen.

  4. Of UEd. ook bij UEds. oudsten of bij UEds. jongsten zoon – die een ware wildzang is – na het zien van de Juive – sporen heeft ontdekt, welke UEd. aanleiding geven te vermoeden, dat hij troon en altaar onderstboven wil werpen?

Doch die laatste is eene teedere vraag, mijn lezer, op welke mevrouw verstandig genoeg zal zijn mij niet te antwoorden, indien de schrijver juist heeft gezien. Ik twijfel er echter aan, daar ik meer blijke van onjuistheid van oordeel in dat stukje meende op te merken. Ik wil niet zeggen, dat de Jodin van Scribe reeds een onjuiste titel was, – en toch zegt men: ik Barbiere di Rossini, la Dame Blanche de Boyeldieu, die Euryanthe von Weber, – maar eene opera mag, kan nooit ten maatstaf strekken van de hoogte, waarop letterkunde en dichtkunst staan; ik protesteer er uit naam onzer hollandsche litteratuur tegen. Halévy, de componist, wordt in de gansche beoordeling niet genoemd; Halévy vroeg woorden voor vreeselijke toestanden; de poëzij ws ook dit maal – zoo als zij het altijd bij opera’s is – de gewillige dienares der muziek; Scribe gaf eene vloeiende en beschaafde dictie, voilà tout! Aan meesters in de toonkunst laat men de beoordeling dier muzijk over; wanneer wij, zeldzame gasten den drempel van haar heiligdom overschrijden, doen wij het op de uitnoodiging van den franschen meester:

Ah! rendez-vous à ce palais magique,
Où cent plaisirs font un plaisier unique

en nemen volksvertellingen, geestverschijningen en wonderdoeners voor goede munt aan, tot de finale gespeeld is. Indien ik iets op den tekst de Juive moest aanmerken, het zoude zijn, dat er te veel verstand in steekt; liever, dat Halévy, als alle allerlaatste toonkunstenaars, te weinig gevoel, te veel gedachte wil uitdrukken… Doch ik dwaal af.

Er is geen tooneel, in dat de zedelijkheid kwetst; en waarom het Hof dus de voorstelling in den schouwburg niet zoude hebben mogen bijwonen, verklaar ik niet te begrijpen. Of wilde de schrijver misschien, dat ons koninklijk geslacht toon zoude geven in kunsten en letteren? Wij wenschen het – maar wellicht niet als hij; wilt gij een voorbeeld hoe? Het zoude ons gestreeld hebben het VETO te hooren uitspreken, toen het een’ vreemdeling inviel, van Willem I een’ operaheld te maken; de Zwijger had weinig aanleg tot zingen. Wij wenschten, dat men, wanneer Z. M. de hoofdstad met een bezoek vereert, vaderlandsche stukken van vaderlandsche dichters ten tooneele voerde. Laat onms duidelijk spreken. Verre van het van den Vader des vaderlands te eischen, na een uren lang vermoeijend gehoor geven – Nederlands koning verwierf er zich eene welverdiende populariteit door – een Treurspel van vijf bedrijven bij te wonen, zoude men twee bedrijven kunnen kiezen – het volk komt om de doorluchtige gasten, en niet om het stuk – uit een treurspel van Wiselius of Bilderdijk, van Walré of ’s Gravenweert, Klijn of  van Halmael. Die keuze zoude den smaak der hooge personaadjes eer aandoen, en eene vleijende hulde aan ware talenten zijn. En dit niet alles! Welke eene gelegenheid bieden vele dier stukken, welke ons in den Spaanschen vrijheidsoorlog verplaatsen, het volk niet aan, om zijne liefde voor het Huis van Oranje uit te drukken? Zulk een avond mogt dan teregt een groot huiselijk feest heeten. Indien men dit doel in den hollandschen schouwburg niet uit het oog verloor, zouden wij er weinig tegen hebben, dat men in den franschen en duitschen, bij bezoeken der vorstelijke familie, opera’s opvoerde. Muzijk is het stokpaardje, en, zooals een oud vriend eens juist aanmerkte: „ik heb in mijnen tijd allerlei stokpaardjes zien berijden: het liefhebberijtooneel, het goochelen, het exerceeren, het biljart-spelen, het verhandelen en wat niet al; de muzijk is verreweg het beste!”

Eene enkele aanmerking van den schrijver dier beoordeeling verdient loffelijke vermelding; zij is waar, zeer waar, onbetwistbaar waar: een nederlandsch letterkundige (?) had ons als de akeligheden uit de Juive niet in eene opera, maar in een treurspel of een’ roman opgedischt; want, wat, goede lieden, wat discht men ons in nederlandsche treurspelen, maar driewerf meer nog in nederlandsche romans, niet op! Eilieve, neem eens uit uwe boekenkast… Maar laat ons over Scribe spreken.

Welke schijver der nieuwere Fransche school wij ook gedacht hadden door onze kunstregters te zien aanvallen, Scribe het minst en laatst van allen; de beschaafde, geestige, verstandige Scribe, die de rede altijd aan de hooger hand van het gevoel doet gaan; Scribe evenzeer in dat opzigt als in natuurlijken stijl te tegenstelling van Marivaux. Hij was in vollen in des woords de tooneeldichter der Restauratie, en verzoende in den schouwburg, wat zich nergens anders verzoenen liet: de dochter van den rijk geworden bankier met de adelijke telg van eenen Pair de France – de oude grombaarden uit de grenadierschool van Napoleon met de piep-jonge kolonels der Bourbons, die geen ander vuur kenden, dat dat der liefde. Het schertste met de Republiek, met het Consulaat, met het Keizerrijk, en gispte alle feilen van hoofd en hart, maar zacht, humaan en lagchend, de vernuftige schrijver, die geloofde, dat zijn volk rust behoefde, en die deze rust wilde bevorderen door het te vermaken. Achttien honderd dertig bedroog hem als duizend anderen; eene nieuwe omwenteling stortte het volk in nieuwe onheilen; de beschermster des dichters, de hertogin van Berry, werd het offer van staatkundige stormen, en in 1833 verscheen Scribe’s Bertrand et Raton. Kent gij geestiger satyre der omwentelingszucht? Het zegt weinig,d at zij hem de poorten der Academie Française ontsloot. Sedert Beaumarchai Mariage de Figaro1) maakte geen tooneelstuk dieper indruk; ik wenschte, dat een man van smaak, oordeel en vernuft eene vergelijking van beide beproefde – het geschreeuw tegen Frankrijk en de Franschen zoude te onzent gewijzigd worden. Welk een verschil tusschen Figaro, die aan alles twijfelt en niemand spaart; die de hovelingen geeselt en den krijgslieden hunne slavernij verwijt; die door kwinkslagen het hoog gezag eene vrije drukpers tracht af te dwingen; en eindelijk toont, dat hij zich des noods met geweld zal weten te verschaffen, wat men lust mogt gevoelen hem op zijn verzoek te weigeren; en de woorden van Marthe en Raton, aan het einde van het bewijs, hoe waar Lafontaine’s fabel is. Herinnert gij die, lezer? Marthe verwijt haren man, dat hij alles, zijn vermogen, zijn bestaan, zelfs het leven van hunnen zoon gewaagd heeft en waartoe?

    RATON
Om er anderen partij van te laten trekken.

    MARTHE.
Steek u dan weêr in samenzweeringen!

    RATON (haar de hand reikende.)
Wees er niet bang voor, wijfje!… ik laat ze voortaan voorbijtrekken. De duivel moge mij halen, zoo ik er mij ooit weêr meê bemoei.

Zulk een verschil is er tusschen 1784 en 1833 in het staatkundige. Er is geen minder onderscheid tusschen de zedelijke begrippen der spelers van beide tijdvakken. De kinderen van welke eeuw waren de gevaarlijkste buren? – De hemel zij geloofd, onze jeugd behoefde dergelijke lessen niet; – driewerf wee het volk, dat zijne begrippen van pligt en regt, orde en vrijheid uit die van vreemden putten moet! – Maar hoe kan men onder de apostelen der zedeloosheid, ontucht en goddeloosheid, den man, die Bertrand en Raton schreef, rangschikken? Of zijn ook bij den regter der Juive de woorden van Molière toepasselijk, welke tot motto van Scribe’s Camaraderie ou la Courte-Échelle2) dienen:

Nul n’aura de l’esprit hors nous et nos amis?

Wij hebben ons vaderland innig, opregt, hartelijk lief, maar gelooven niet daarom blind te moeten zijn voor de schoonheden, welke bij vreemden… Doch gij hebt gelijk, mevrouw en Voss had het ook, toen hij in zijne Luise de oude, verstandige huisvrouw des leeraars zeggen liet:

Kinder, der Kaffé wird kalt; ihr prediget immer und ewig!

Laat ons over Camaraderie spreken:

Edmond de Varennes, een jong advokaat te Parijs, bezit alle talenten tot zijnen stand vereischt; maar verstaat niets van de kunst, die volgens Scribe, in Frankrijks hoofdstad, in onze dagen, de noodzakelijkste is, de kunst zich vrienden te kiezen. – Hij heeft gemeend, dat zijne talenten alleen hem den weg zouden banen; arme jongen! Zonder dat ik het u zeg, vermoedt gij, dat hij, als de held van het stuk, verliefd moet wezen, en gij hebt niet ongelukkig gegist. Eene nooit geopenbaarde liefde voor Agathe, de dochter van den graaf te Miremont, Pair van Frankrijk, maakt Edmond de vergetelheid, waartoe hij, trots zijne ijverige studiën, gedoemd schijnt, dubbel ondragelijk. Vergeefs heeft hij eenige processen gewonnen. De wereld, om welke hij zich niet bekommert, betaalt hem met dezelfde munt, en bekommert zich niet om hem. Eindelijk echter draagt de graaf de Miremont hem de behandeling eener zaak op, die de belangen zijner dochter geldt – en gij vermoedt, dat de loop van dit pleit het stuk vult, en dat Edmond eindigt met het te verliezen? Ditmaal hebt gij ongelukkig gegist. In het vierde tooneel, van het eerste bedrijf, hooren wij van Agathe, dat hij ook haar proces glansrijk won. Hare vriendin Zoé de Montlucar, de gade van un grand seigneur et homme de lettres – titels, die ik het liefst onvertaald laat – noodigt hem (die later optreedt) uit de dagbladen in te zien, welke een verslag van zijn pleidooi geven, opdat hij moed scheppe, zich tot vertegenwoordiger te voren aangemoedigd, die ijdele beschroomdheid en modestie de dupe – kennen wij, Hollanders, dat laatste niet? – ter zijde te zetten, welke hem beletten zich te doen gelden; zoude Edmond iets weigeren, waar zij op aandringt? – Hij neemt het blad op, en Zoé vraagt hem, terwijl hij het open slaat:

Beeft gij van aandoening?

   EDMOND.
Waarlijk.

    ZOÉ.
Hoe kinderlijk is hij nog!

   AGATHE, tot EDMOND, die het dagbla inziet.
Welnu, mijnheer, welnu!…dat geeft u moed, niet waar? Zijt gij tevreden?

   EDMOND.
Ach, dat ik schandelijk!

   BEIDE VROUWEN.
Wat scheelt u?

   EDMOND.
Het is uit met mij; die laatste slag verplet me, mijn pleidooi verminkt en mismaakt… het tegenovergestelde van hetgeen ik beweerd heb; en bij alle plaatsen, die het meest uitkwamen… waar men mij luid toejuichte… daar heeft men tusschen twee haakjes gezet… „gemompel onder de toehoorders!” (Terwijl hij het dagblad aan Z geeft) Dáár Dáár zie het zelve.

    ZOÉ, het dagblad inziende.
Het is waar. (Zachtkens AGATHE voorlezende): „de eischt zich zelven verdedigd; er was niets logisch, niets wegslepends in het pleidooi; nergens verried een stoute greep den meester in de redeneerkunst, en elk verwonderde zich bij het sluiten der zitting, waarom men toch deze zaak niet aan den jongen Oscar Rigaut had toevertrouwd, wiens vurige welsprekendheid veel beterbij het onderwerp zou hebben gepast!”

    AGATHTE.
Oscar!

Eene opmerking, eer wij voortgaan. Over het algemeen mogen wij geene hooge letterkundige waarde aan onze dagbladen toekennen; met zeldzame uitzonderingen spiegelt zich echter in de weinige, die niet als de Haarlemsche Courant, enz. louter stemmen uit verre landen en boden van huiselijke voorvallen zijn, de goede trouw van ons volkskarakter af. In Frankrijk is het anders; en zoo onberekenbaar als de invloed is, welken die beheerschers der openbare meening dagelijks uitoefenen, zoo weinig kiesch zijn zij dikwijls in de middelen. Beaumarchai beweerde, „qu’il n’ y a que de petits hommes qui redoutent les petits écrits;”  maar wie zal beslissen, hoeveel de gedurige en niet altijd edelmoedige, dijkwijls ontregtvaardige aanvallen der dagbladen van de oppositie op de thans verdreven Bourbons, gedurende de Restauratie, bijdroegen, om hen in de schatting des volks te doen dalen, nadat zij langzamerhand de liefde voor hen hadden verdoofd? Bazile heeft het in den Barbier de Séville juist uitgedrukt; ik mag die gelegenheid, Scribe regt te doen wedervaren, niet verzuimen. Zie hier de plaats; het geldt een middel, om den graaf Almaviva de stad te doen ruimen, en Bartholo noemt het door hem voorgeslagene (den laster) een zonderling middel.

    BAZILE.
Den laster, mijnheer? Ge weet waarlijk niet wat gij versmaadt; ik heb er de braafste lieden bijna onder zien bezwijken. Geloof mij, dat er geene laffe boosheid, geen gruwel, geen ongerijmd verdichtsel is, dat men den leêgloopers eener grootte stad niet voor goede munt kan doen aannemen, mits menhet wel aanlegge; en wij hebben hier lieden, die bekwaam zijn zonder voorbeeld… Eerst loopt een los gerucht, den grond onder het voortzweven scherende, zoo als de vleugelen der zwaluw het dien voor den storm doen, en mompelt pianissimo, en vliegt verder en verbeidt alom den vergiftigen zet. Deze of gene mond vangt het op, en fluistert het u, piano, piano, behendiglijk in het oor. Het kwaad is gedaan, het schiet wortel, het ontkiemt, het groeit op, en rinfozando van mond tot mond, doet het voor den duivel in vlugheid niet onder, en eensklaps, ik weet niet hoe, ziet gij den laster zich verheffen, hoort gij hem sijfelen, wordt hij van oogenblik tot oogenblik grooter en sterker, Hij rijst op – breidt zijne wieken uit, dwarrelt rond, omwikkelt, rukt los, sleept mede, barst uit en dondert, en wordt, dank zij den hemel! een algemene kreet, een verdoovend cresendo, een door allen aangeheven chorus van haar en verbanning. Wie duivel zoude dien wederstand kunnen bieden?

Zie daar Beaumarchais; gij lacht onwillekeurig; de voorstelling boeit u, zonder dat zij u sidderen doet – (in het oorspronkelijke zoudt gij haar bewonderen). Zie hier Scribe; Edmond heeft uw hart gewonnen, en hij wordt er het slagtoffer van; gij beklaagt en verfoeit! Zoé troost hem, dat andere stemmen zich ter gunste der waarheid zullen verheffen, dat zijne toehoorders overtuigd zijn, dat hij goed gepleit heeft:

    EDMOND.
En hoe vele waren er? twee of drie honderd menschen misschien, en dát blad is bestemd voor vijftien of zestien duizend geabonneerden, en morgen zullen in de salon de lecture, op alle openbare plaatsen tweemaal honderd duizend lezers verzekerd zijn, en het herhalen, dat ik een advokaat ben zonder kennis en zonder talent, die er geen slag van heb de belangen, welke men mij toevertrouwt, te verdedigen!

– De heeren van het zedelijk-nuttige zouden hier waarschijnlijk een’ hevigen uitval of eene lange rede tegen de dagbladen hebben ingelascht; Scribe schijnt zich te vergenoegen met zekerheid, dat elke ware en fraaije schildering van eenen menschelijken toestand zedelijke gevolgen hebben kan en moet; van daar, dat zijne stukken zulken opgang maken. –

Zoé vraagt Edmond, hoe hij op die gedachte komt?

    EDMOND, het dagblad inziende.
Het is geschreven… het is gedrukt! – Uw echtgenoot komt er beter af!… Ik lees hier eene weidsche lofrede van zijn laatste werk… (Lezende) „Wat toch is de genie? Is het niet de elektrieke vonk, die men niet grijpen kan, schoon zij het ijdel doorrent?…”

    ZOÉ verwonderd.
Ach! mijn God!

    EDMOND.
„Ziedaar de opmerking, welke ieder maken zla bij de lezing van het laatste werk van den graaf de Montlucar.”

    ZOÉ ter zijde naar de tafel ziende, waarop het opstel van de hand haars echtgenoot ligt.
Ha! thans begrijp ik het.

Maar gij begrijpt het niet, en het is mijn pligt u te verklaren waarom dat artikel over een werk van haren gade haar in zulk eene verbazing bragt.

Mr. de Montlucar is, wat de Engelschen a would-be genius zouden noemen, een man, die al zijne vrienden tot geniën maakt; b.v. zijn’ vriend Dutillet, den boekhandelaar, het genie van den boekhandel; zijn’ vriend Desrouseau, den landschapschilder, het genie der schilderkunst; zijn’ vriend Bernardet, den geneesheer, die geniet in de geneeskunst gebragt heeft; een man eindelijk, die op de naïve aanmerking zijner gade:

Iets dat mij verwondert, mijnheer, is, dat al uwe vrienden geniën zijn.

ten antwoord geeft:

Ja, mevrouw, men bezit tegenwoordig niets anders. Alles geniet!

Waarop gij, mijn lezer, misschien geneigd zult zijn met Zoé te hernemen:

Het is droevig; want het zoude niet kwaad zijn, zoo men een weinig vernuft had.

Mr. de Montlucar is een man, die door geboorte en fortuin onafhankelijk is, de wetenschappen voor zijn pleizier beoefent, wiens werken twintig drukken beleven (te zijnen koste?), en die zijne dagen doorbrengt met allerlei middelmatige lieden te prijzen en te bewierooken, om, gij raadt het, zelf bewierookt te worden. Een man, die op zijne onafhankelijkheid stoft, en inderdaad de slaaf is zijner gewenschte vermaardheid; die, om hem u in ééns te doen kennen, zelf de weidsche lofrede over zijn werk schreef. Zoé heeft dat opstel – in klad – eenige oogenblikken te voren – in zijne handen verrast – er, trots al zijen weigering het haar te laten zien, den aanhef van gelezen – gij begrijpt nu, welk een licht haar opging.

Gelooft gij, dat wij ook te onzent would-be genuissses hebben, die lofredenen op hunne eigene werken schrijven? Hollandsche Zoé’s, ik beveel u geheimhouding aan! –


II.

Welligt vermoedt gij, dat Mr. de Montlucar redacteur van het dagblad is, waarin Edmonds pleidooi werd mishandeld, waarin de Anomalies politiques en littéraires van den eerste hoog geprezen worden? Dat hij zoo gelukkig ware! – maar neen, the leading spirit van dien tolk der openbare meening is… laat Agathe het u verklaren; zij zal u hare ouders juister schilderen, dan ik het vermag.

    AGATHE (tot ZOÉ)
Edmond mishaagt aan mijne stiefmoeder Césarine, en mijn vader ontvangt niemand op vriendschappelijken voet, dan die de eer hebben aan zijne vrouw te bevallen.

    ZOÉ.
Het is onbegrijpelijk, hoe men zich dus kan laten beheerschen.

    AGATHE.
Maar hij vermoedt volstrekt niet, dat hij beheerscht wordt… Hij beweert integendeel, dat hij een’ wil… een’ vasten wil heeft… (grimlachende) maar het is die zijner vrouw…

    ZOÉ.
Verhaal mij toch, want ik heb het mij nooit kunnen verklaren, wat of wie gaf aanleiding tot dat huwelijk?

    AGATHE.
Ach, goede hemel, het was mijne schuld!… Ik ben er oorzaak van… Het heugt u, hoe Césarine op onze kostschool, waar zij, dewijl zij geen vermogen had, tot ondermeesteresse was aangesteld, mij beschermde en begunstigde?

    ZOÉ.
Volkomen Agathe! Gij waart de rijkste van allen, en wij beklaagden ons over de onregtvaardigheden, waartoe dit aanleiding gaf. Ik herinner mij nog, hoe u een prijs voor uitmuntend gedrag werd toegekend, dien ik verdiend had.

    AGATHE (grimlachende).
Gelooft gij dat?… Ik was gevoelig voor hare genegenheid, hare vriendschap, hare zorg… Ik sprak er mijn’ vader over, en wanneer hij mij kwam bezoeken, werd ik in de spreekkamer altijd door Césarine vergezeld, die zich jegens hem allerbeminnelijkst gedroeg, zich allerbevalligst voordeed en geen dier kleine oplettenden verzuimde, waarvan zij alleen het geheim bezit. Toen ik haar bij het naderen der vacantie voorsloeg dien tijd op het kasteel mijns vaders door te brengen… haastte zij zich die uitnoodiging aan te nemen, en Mr. de Miremont was verrukt van vreugde… Zij was altijd gereed een partijtje piquet of schaak met hem te spelen, en, sterker dan hij in beide, verzuimde zij nooit hem te laten winnen, ten einde den overwinnaar het genoegen te gunnen, haar spijtig en toornig te zien op eene wijze, die hem betooverde… Zij las hem de dagbladen voor en was zijn secretaris;… met grenzenlooze bewondering, die zich soms zelfs in tranen uitte, hoorde zij alweder aan wat hij haar wel honderd malen had verteld, welke ambten hij onder het Directoire en Consulaat bekleedde; in één woord, het was een stelsel van beminnelijkheid en behaagzucht, dat ik toen ver was van te doorzien, maar waarin zij zoo volkomen slaagde, dat na verloop van drie maanden, toen wij nnar de kostschool hadden moeten terugkeeren, Madlle Césarine Rigaut, wier bloedverwanten kooplieden in hout zijn te Villeneuve sur Yonne, Mr. De Miremont, Pair van Frankrijk, huwde. Ik bemerkte toen eerst, dat ik bij onze oude ondermeesteres nooit meer dan eene scholier zou zijn.

    ZOÉ (opstaande).
Die Césarine is dus zeer geslepen.

    AGATHE.
Geslepen? Zij heeft het instinkt, zij bezit de genie der intrigue, – het is haar aangeboren; het is eene bepaalde roeping, en nu intrigueert zij nog voor hare familie, voor de haren, die zij uit hun vergeten’ stand zoude willen opheffen. Zij heeft haren echtgenoot acquéreur-actionaire van een onzer eerste dagbladen doen worden, hetwelk hem een onmetelijk gezag, een onweerstaanbaren invloed geeft, dien hij naauwelijks vermeent te bezitten, en waarvan zij alleen partij trekt. Gelukkig wie door haar beschermd wordt! geene plaats is voor hem te hoog; hij komt waar hij zijn wil.

Madame de Pompadour en Césarine, lezer! c’est toujours le même régime; maar Voltaire huldigde de eerste, hij zoude de laatste bestreden hebben; – wie huldigen deze in onze dagen?

    AGATHE.
Door het dagblad, waarvan haar echtgenoot eigenaar werd, is Césarine het middelpunt geworden van alle parlementaire en litterarische côteriën; zij is de ziel en bijna de voorzitster van een gezelschapskring Jeune-France, welken zij sedert eenigen tijd ontvangt. Het zijn jongelieden van allerlei rang en stand, met opgeheven hoofd en afdoende stem;… groote mannen in den dop, gloire surnuméraire, toekomstige vermaardheden, die afzonderlijk niets zouden vermogen, maar die zich vereenigen om iets te beduiden, en zich op elkander stapelen, om zich te verheffen.

Ziedaar de lieden, welke Scribe de geeselslagen van zijn vernuft wil doen gevoelen; – hoe naauwkeurig kent hij zijnen tijd! Sedert 1830 is de letterkunde, zijn de dagbladen het middel geworden, om ambten en waardigheden te bekomen; zoude hij den eernaam van blijspeldichter verdienen, zoo hij die dwaasheid zijner eeuw niet gispte? De vertegenwoordiging is door de liberalen aller landen voor het beste geneesmiddel aller staatkundige ziekten uitgekret; – de dichter schetste ons in Bertrand et Raton, hoe men en wie vooral van eene omwenteling partij trekt; in Camaraderie wil hij het ons aanschouwelijk maken, op welke wijze men volksvertegenwoordiger wordt. Wij zullen het tafereel net van de zijde der staatkunde toelichten, wij zullen het enkel van die der letterkunde beschouwen, en schoon wij in het algemeen geene vrienden van toepassingen zijn, – in leerredenen moet de spreker die maken; in opstellen van anderen aard late men dit den lezer over – den blik soms van de Parijsche bentgenooten op de onze wenden. Wij hebben er in onzen tijd drieërlei gekend.

Het is de liefde, die Edmond overhaalt, zich tot vertegenwoordiger van Saint-Dénis aan te bieden. Agathe zegt, zonder hem aan te zien, onder het omslaan van haren shawl (het fransche meisje!) dat haar vader er niets tegen zoude hebben zijne dochter aan een député te geven. Zijn eerste verzoek om eene stem – bij Mr. de Montlucar – levert een allergeestigst tooneel op.

    Mr. DE MONTLUCAR (vrij koel).
En waaraan ben ik zoo vroeg de eer van uw bezoek verschuldigd?

    EDMOND.
Eene belangrijke zaak… Er moet te Saint-Dénis een vertegenwoordiger benoemd worden…

    Mr. DE MONTLUCAR (nog koeler).
Ik hoorde er van spreken… want ik bemoei mij weinig met de politiek…

    EDMOND.
Ik betaal er vrij wat belasting.

    Mr. DE MONTLUCAR (met eene vriendelijke houding).
Het wordt mij duidelijk, gij zijt kiezer… en komt mij bezoeken…

    EDMOND.
Niet natuurlijker… uw invloed, uw groote naam… uwe uitgestrekte goederen…

   Mr. DE MONLUCAR (altijd even vriendelijk).
Gij zijt al te goed… ge komt, begrijp ik, uit naam uwer collega’s.

    EDMOND.
Wie bedoelt gij?

    Mr. DE MONTLUCAR.
Eenige kiezers uit het arrondisement.

    EDMOND.
Neen, mijnheer! ik kom uit mij zelven…

    Mr. DE MONLUCAR (op hartelijken toon en zijne hand grijpende).
Ik betuig er u te meer dank voor, en kan u niet zeggen, mijn waarde Edmond! hoe gevoelig ik over dien stap ben, – hoezeer hij mij niet weinig in verlegenheid brengt en hindert; – schoon velen mijner vrienden mij op dit punt reeds bijna geweld aandeden… Maar gij begrijpt zelf mijnen toestand… ik ben geen staatkundig persoon meer, ik ben geheel letterkundige… als zoodanig heb ik mij zekere onafhankelijkheid weten verschaffen, zekere begrippen, en ik durf zeggen eenigen roem… die ik niet op de tribune in de waagschaal wil stellen…

    EDMOND.
Hoe dat?

    Mr. DE MONLUCAR (levendig).
Dat verwondert u, maar het is zoo, en ver van u dank te weten voor de eer, die gij mij aandoet, brengt gij mij in de verzoeking er knorrig over te worden… want het valt mij zwaar u te weigeren… En toch, ik, die zoo gelukkig was in mijne huishoudelijke rust, die er niet in het minst op rekenden… die mij voor alle pogingen van dien aard beveiligd waande… gij brengt mij in den moeielijksten en pijnlijksten toestand.

    (Met eene zachte stem en als gereed om toe te geven).
Want in waarheid… ik kan geen député worden…

    EDMOND.
Stel u gerust en duid het mij niet ten kwade… het was niet dit, wat ik u kwam voorstellen.

    Mr. DE MONLUCAR.
Hm… wat zegt gij?

    EDMOND.
Ik begrijp uwe beweegredenen volkomen… en ik kwam u voor een’ ander…

    Mr. DE MONLUCAR (terwijl hij zich poogt te herstellen, en een vrolijk voorkomen huichelt).
Dat laat zich hooren… gij hadt mij bang gemaakt… maar ge geeft mij mijne rust weder… En die andere, wie is hij?

    EDMOND.
Dat ben ik!

    Mr. DE MONLUCAR (verbaasd).
Gij!…

    (Met eene houding van meerderheid).
Zeker, mijn waardste, ik zoude u met groot genoegen mijne stem geven, want dat komt gij mij, naar ik vermoed, vragen… maar men kent mijne meening en de uwe… Onze beginselen zijn niet dezelfde…

    EDMOND.
Zij zouden u echter veroorloofd hebben van mijne stem gebruik te maken…

    Mr. DE MONLUCAR.
Maar niet om u de mijne te geven… Dat zoude mij bij mijne partij, bij mijn staatkundige vrienden schade doen… Het zoude den schijn hebben, dat ik van tint veranderde, iets dat ik nooit zal doen… Gisteren nog hebt gij voor mademoiselle de Miremont gepleit, die tot den nieuwen adel behoort, den adel van het keizerrijk, en gij hebt een proces gewonnen tegen een der oudste familiën van Frankrijk, eene groote dame uit de voorstad Saint-Germain!

Wij klagen dat wij geene oorspronkelijke blijspelen bezetten, en zijn gereed dit gebrek te verklaren door de eenvoudigheid onzer zeden, het burgerlijke onzer leefwijze en wat dies meer zij. Ik wil niet beweren, dat de verkiezingen te onzent wedergades van bovenstaand tooneel aanbieden; maar indien wij een waarachtigen blijspeldichter bezaten, gelooft gij, dat het hem aan onderwerpen zou ontbreken? dat onze aristocratie – zoo die van geboorte als die van geld – onze patriciërs – zeg mij niet dat dit eene reminiscentie van vóór 1795 is – onze degelijke, burgerlijke huisgezinnen, wier hoofden gedurende vijf of zes geslachten achtingswaardige kooplieden waren, – onze effecten-handelaars en de luchtverhevelingen, die aan hunnen hemel maandelijks blinken en ondergaan, hem niet overvloed van stof zouden opleveren? Het is waar, hij zoude in elk dier kringen moeten omgaan, ten einde die standen dóór en dóór te kennen; menschenkennis moest zijn grootste schat, menschenvrees zijn geringste zwak wezen; de beschuldiging, waarmede de kleingeestigheid elk talent van dien aard zoude ontmoedigen: „gij hebt portretten geleverd!” moest hij voor de vleiendste lofspraak houden. Doch is het dan zulk een alledaagsch sieraad, de lauwerkrans, welken Thalia om het hoofd van haren echten priester vlecht? Vleit er u niet mede, blijspeldichters! die, om uw gehoor te doen lagchen, uwe toevlugt neemt tot karakters, aan het dolhuis onstolen; leert van Scribe natuurlijk zijn; maar waarlijk, ik vergat, dat men dichter geboren en niet gemaakt wordt; ge ziet, dat ik nog een man van de vorige eeuw ben, Veelligt hebt ge buitendien mijnen ouderdom reeds uit mijne praatzucht geraden, ik stelde uw geduld te lang op de proef: de Parijsche bentgenooten zullen dadelijk voor u optreden.

Een der merkwaardigste personaadjes uit den hoop is Oscar Rigaut, de advokaat, die in het dagblad ten koste van Edmond de Varennes geprezen werd, zijn schoolmakker; een vriend, die Edmond sedert uit het oog verloren heeft, en welken hij, nadat zijn bezoek bij Mr. de Montlucar tot eene volslagen breuk heeft geleid, ontmoet. Oscar, lacht hem over zijne werkzaamheid uit, biedt hem geld aan en vraagt hem, als Edmond dit weigert, wat hem scheelt?

    EDMOND.
Dat is mij niets gelukt.

    OSCAR.
Dat is verwonderlijk, is slaag in alles… Ik begijp niet, hoe men zoo ongelukkig kan zijn niet te slagen…

    EDMOND.
Dat bewijst veel geluks op veel talent.

    OSCAR.
Waarlijk niet… dat is zeer natuurlijk, dat gaat van zelf… ik geef mij geene moeite… Ik weet niet hoe het toegaat, alles loop mij meê, wordt mij aangeboden!…

    EDMOND.
In waarheid?

    OSCAR.
Ik spreek u niet van de balie, voor welke ik reeds opgang maakte, maar die ik voor altijd vaarwel zeg, omdat ik andere bezigheden heb, die mij beter passen.

    EDMOND.
En welke?

    OSCAR.
Weet gij het dan nog niet? – Ik heb een’ bundel verzen geschreven.

    EDMOND.
Gij…

    OSCAR.
Als iedereen!… Dit is mij op zekeren morgen onder het ontbijt aangwaaid… Le Catafalque ou Poésies funèbre d’Oscar Rigaut.

    EDMOND.
Gij!… Een dikke, vrolijke jongen?

    OSCAR.
Ja, ik heb mij van de uitvaarten meester gemaakt… ik zag vergeefs naar iets anders om; al het overige was door onze vrienden weggekaapt! Wat hebben de beaux, de gants jaunes der letterkunde, scheppende geniën waarachtig! wat hebben zij niet uitgevonden? Het zoude dubbel werk geweest zijn, indien wij allen hetzelfde genre hadden geschapen. Daarom heb ik hun nevel-poëzij – kerkhof poëzij uitgevonden, en ik slaag boven verwachting met mijne lijken… men verdringt zich om mijn werk te koopen; en zie, zie… (op de tafel wijzende) hier ziet gij zelfs zes exemplaren liggen.

    EDMOND.
Ik heb geene woorden voor mijne verbazing.

    OSCAR.
Maar leest gij dan geene dagbladen?… „Den jongen Oscar Rigaut, wiens uitzinnige verbeelding hem aan het hoofd van het jeugdig heir plaatst, komt de lof toe…” Hebt gij dat niet overal gelezen?

    EDMOND.
Voorzeker heb ik dat gelezen; maar het kwam niet bij mij op dat men van u sprak.

    OSCAR.
Het gold mij… mij, met al mijne titels…(Hem het boel toonende). Lid van twee letterkundige genootschappen, officier de la garde nationale en maître des requêtes; – in de volgende maan krijg ik het eerekruis; het is mijn beurt, het is afgesproken.

    EDMOND.
Met wie?

    OSCAR.
Met de onzen… zij, die als ik aan het hoofd van het jeugdige heir staan; want zij staan ook aan het hoofd; wij staan allen aan het hoofd; een dozijn vertrouwde vrienden, die elkander onderschragen, elkander optillen, elkander bewonderen, eene maatschappij van onderlinge bewondering… De een brengt zijne fortuin in, de ander zijn genie, de derde niet met al; het een weegt het andere op, wij slaan alles door elkaêr en bereiken allen ons doel, de een den anderen voorthelpende.

    EDMOND.
Het is onbegrijpelijk!

    OSCAR.
Het is zoo… Gij ziet het, en indien gij wilt, heeft het u slechts één woord te kosten… Ik zal u beschermen, ik zal u voorthelpen… Één meer, wat zegt dat?…

    EDMOND.
Ik bedank u, mijn vriend, ik dank u hartelijk; maar ongelukkig staat hetgeen ik verlang niet in uwe magt.

    OSCAR.
Wat is het dan?

    EDMOND.
Ik zoude gaarne député worden.

    OSCAR.
Waarom niet? wij maken er zoo velen.

    EDMOND.
Gij schertst!

    OSCAR.
Echte députés, députés, die stemmen; ik zeg niet, dat zij spreken, maar wat maakt dat uit!… Er zijn zoo vele anderen, die niets doen dan praten. – Wees gerust, wij zullen u doen benoemen. Wanneer ik u aan onze vrienden voorstel, zullen zij allen de uwen worden… op kosten van wedervergelding; zoodra men in onze bent aangenomen is, heeft men talent, geest, genie, dat behoort er toe, dat wordt door het reglement vereischt. Gij zult getuige zijn hunner werkzaamheden!

    EDMOND.
Maar waar en wanneer?

    OSCAR.
Nog deze ochtend. Ik heb te mijnent een déjeuner de garçons, laat ik u mijne kaart geven… Zult gij komen?

    EDMOND. (het adres lezende en aarzelende).
Wat waag ik er bij?… Nog beter dát, dan mij te verdrinken.

Minnaars-logica, mijn lezer!

Vergun ons, eer wij u dat ontbijt-tooneel – een der aardigste uit Camaraderie – mededeelen, een enkel woord in het midden te brengen over het lot van letterkundigen te onzent, – den invloed, dien men zich door de beoefening der litteratuur in Holland verschaffen kan – het lot, dat gij en ik onzen grootsten geniën ten deel zaagt vallen. Het moge eene inleiding zijn tot de omtrekken der bentgenooten, die ik in ons vaderland gekend heb.

Ik heb medelijden met elk jong mensch, wiens aanleg hem in Holland de studie der litteratuur boven andere beroepen de voorkeur doet geven. Er is grooter waarschijnlijkheid onder ons, als marskramer, dan als letterkundige onafhankelijk te worden. Wij bedoelen door die onafhankelijkheid geen’ rijkdom, geene ontheffing aan de verplichting te arbeiden; wij wenschen niet, dat allen tot hoogleeraren worden benoemd, opdat allen (des verkiezende) mogen kunnen rusten; wij hebben er den bloei der letteren te lief toe. Al is niets gewoner bij de weinige vrienden van dergelijke slagtoffers van hunnen aanleg dan de klagt, dat het hard is, dat mannen van genie bij het blad moeten werken, dat geleerden verpligt zijn jaarlijks één of meer boeken uit te geven, om te kunnen leven; wij heffen die klagt niet aan: in het vaderland van het gezond verstand moest men zich schamen het publiek zulke flaauwheden op te disschen. Voor den handwerksman, voor den landbouwer, voor den winkelier, voor den koopman, voor allen hangt welvaart van ijver af en zijn geld en vlijt bijna synonym: waarom zoude het lot den letterkundigen gunstiger zijn? Op den kansel, voor de balie, aan het ziekbed, wie slaagt er, dan hij, die onvermoeid werkzaam is, dan hij, die zijne rust voor zijnen roem veil heeft? Wij eischen geene andere voorwaarden voor de letterkunde; maar hoe zeer verschilt de belooning aan hare studie verknocht!

Zonder de weinige gelukkigen uit, die tot een’ hoogleeraarsstoel worden geroepen, en zegt mij, wat levert de loopbaan der overigen op? Daverend handgeklap bij eene voorlezing, – eene laauwe beoordeeling in een tijdschrift – de ongenade van eenen boekhandelaar – kommer en gebrek tot gezellen op de kleine studeerkamer – de smadelijke woorden: „het is een schrijver!” erger nog: „het is een dichter!” waar het de bedoeling van een ambt, het vertrouwen van zijne medeburgers, de waarneming der kleingeestigse beroepsbezigheden geldt, – en, ten gevolgde van dat altijd veile bewijs van onbevoegdheid, een gasthuis in het verschiet. O het is iets schoons in Holland der muzen te offeren, wanneer uwe voorzaten u een uitgestrekt landgoed of een groot vermogen nalieten, wanneer gij uwe werken op velijn kunt laten drukken en in satijn laten inbinden; men zal u eenen genialen zonderling noemen, maar eerbied voor u hebben; u niet al de onbeschaamdheid van familie-trots, geld-trots en ambtenaars-trots doen gevoelen, want gij kunt uw wapen op uw rijtuig laten schilderen, indien gij het verlangt; men weet, dat gij eenen zaakwaarnemer voor uwe eigendommen of uwe fondsen houdt; een man als gij bekleedt slechts eereposten, hj is voor nietmand gevaarlijk. Doch de natuur schijnt er zich in te vermeiden, de gaven van geest, genie en gevoel niet enkel aan de gunstelingen der fortuin toe te deelen; ach, dat zij in Holland allen, die zij met deze hooge geschenken verwaardigt, zin voor beeldende kunsten, talent voor palet en penseel schonk! Voor dezulken staat de gansche wereld open; voor dezulken is het te onzent mogelijk onafhankelijk te worden; voor den kunstenaarstrots derzulken buigen zich aanzienlijke dwazen, onbeduidende rijken, stijfhoofdige beurspilaren; hunne onsterfelijkheid hangt van den laag geboren’, opgekomene, alles aan zijne kunst verschuldigden schilder af!

Ik zoude onbillijk zijn, indien ik niet erkende, dat men te onzent schrijvers en dichters bij voorkeur eene soort van vrijheid toestaat; maar ik zoude ook der waarheid te kort doen, indien ik er niet bij vermeldde, dat die inschikkelijkheid niets anders is dan eene grove beleediging. Men vindt het natuurlijk, men houdt het voor eene gegeven zaak, dat geniale menschen, dat dichters vooral, allerlei dwaasheden begaan, dat zij de wetten der zedelijke en burgerlijke maatschappij schenden, en wanneer men er hen hun leven lang de gevolgen van heeft doen bezuren, verklaart men die feilen na hunnen dood voor ziekelijke geaardheid, verkeerde bloedmenging, en wat niet al? en sticht hun gedenkzuilen en bewierookt hunne schimmen, neen, koopt de bewijzen hunner zedelijke verkeerdheden of verstandelijke dwalingen tot hoogen prijs, als gedachtenissen, aan. Hoe dikwijls, riep ik bij dergelijke gelegenheden met Moore uit:

’t Is too absurd – ’t is weakness, shame,
This low prostration before Fame –
This casting down, beneath te car
Of Idols, whatsoe’er they are,
Life’s purest, holiest, decencies
To be career’d o’er, as they please 3)

Maar, hoe weinig durfden wij dan vervolgen, immers met de bewustheid, dat dit hun te onzent was ten deel gevallen:

No, – let triumphant Genius have
All that his loftiest wish can crave,
If he be worshippe’d, let it be
    For attributes, his noblest, first –
Not with that base idolatry
    Which sanctifies his last and worst. 4)

En toch – indien gij dezulken niet uit uw midden verdreven hadt – indien gij hen niet behandeld hadt als vreemde dieren, aardig om te laten zien, altijd op behoorlijken afstand te houden, – indien gij hun, in beschermende wetten voor hunnen eigendom, het middel hadt aangeboden, hunne burgerlijke verpligtingen te vervullen – indien gij de waarde van dat wenschelijk kopijregt van eenen hollandschen letterkundige verhoogdet, door niet aan allerlei wrange uitheemsche vruchten de voorkeur geven boven goede inheemsche – ge zoudt die kostelijke vrijheid tot laakbare ongeregeldheden kunnen terugnemen; geen dichter onder onzen koelen hemel geboren, zoude haar meer van u verlangen. Eerst wanneer de ondervinding ons leert, dat de achting der maatschappij – de eerbied het talent verschuldigd – de hulde, waarop genie regt heeft, dingen zijn misschien in Utopia te vinden, maar waarnaar men in Holland te vergeefs zoekt, breekt een vurige geest de teugels der welvoeglijkheid, die jegens allen, behalve jegens hem, wordt in acht genomen, – verlaagt de behoeftige zijne kunst tot eene koe, die de zijnen van melk en boter verzorgt.

Droevige waarheden! Hebt gij het dan nooit gevoeld, dat het tot de kenmerken van een vrij, groot, beschaafd volk behoort, eene rijke, oorspronkelijke, fraaie letterkunde te hebben? Of indien gij meer gevoel voor het nuttige dan voor het schoone hebt, schonken uwe kinderen u nooit gelegenheid op te merken, welk eenen invloed een boek op het hart, de schrijvers, die hunne eerste begrippen vormden, hunnen lateren kennislust bevredigden, hunne uren van uitspanning kortten (doodden had ik misschien moeten zeggen!) op hunne ontwikkeling als verstandelijke en zedelijke wezens hadden? Gij gelooft aan een volgend leven, en het is u onverschillig, met welke begrippen men hier

zijn hoofd bezwaart, zijn hart vervult? Indien ik kinderen had, zij zouden geen dier dichters lezen, wier maatschappelijke toestand hun gemoed verbitterde. Ik zoude hun bij voorkeur die boeken geven, door eenen geest geschreven, met God en mensch in vrede, – die meer eerbied voor zich zelven had, dan voor het publiek, en wien het publiek op zijne beurt eerbied toedroeg. Daarom – maar ik wil geene namen noemen, want ik zoude hen beleedigen, die ik verzweeg; ik wil liever wensche, dat eerlang de tijd aanbreke, waarin Nederlands letterkunde bij al hare voortreffelijkheden, die voege, hare beoefenaars onafhankelijk te maken; waarin het den kunstregters zal invallen, het voor de uitmuntendste eigenschap van een werk te houden, dat het van een mannelijken, fieren, krachtigen geest getuigt, die in harmonie is met zijn gemoed.

Schoone tijd! Eerst dán zal het regtvaardig zijn, bij ons als in Engeland, Frankrijk en Duitschland dan staf over die enkelen te breken, welke in groote gaven van geest een’ vrijbrief zien voor groove gebreken van hart, – eerst dán zullen wij met Moore een kruistogt kunnen prediken:

Out on the craft – I’d rather be
    One of those hinds that ronud me tread,
Wiht just enough of sens to see
    The noon-day sun that’s o’er my head,
Than thus with high-built genius cursed,
    That hath no heart for its foundation,
Be all, at once, that’s brigthest – worst –
    Sublimest – meanest in creation. 5)

III.

En nu tot de Parijsche bentgenooten terug! Het tweede bedrijf verplaatst ons in een naar den laatsten smaak gestoffeerde jongeheerenkamer, in welke wij Oscar Rigaut aantreffen met den geneesheer Bernardet, ook een lid der bent, die Oscars bedienden beveelt, voor champagne et homard à la glace te zorgen. Indien gij hem vroegt, wat zijn deel uitmaakt van den gemeenschappelijken inleg? hij zoude regt hebben u te antwoorden: vernuft om van alles partij te trekken; hij zoude verstand genoeg hebben, om zich slechts te beroemen op de fijnste tong ter wereld, om een gastmaal voor zijne vrienden aan te regten. Daarom heeft hij het ook op zich genomen, het déjeuner bij Madame Chevet te bestellen, de hoogste reputatie in dat vak in het Parijs onzer dagen; eene vrouw, aan wier etablissement hij den lof toezwaait, que toutes les bonnes maladies sortent de là… Dáár vertelt hij Oscar, die zich gelukkig gevoelt rijpaarden voor zijne vrienden te hebben en voor zijne vrienden de loges in den schouwburg en de dines au Rocher de Cancale te betalen, dat hij bijna de voorzitter der bent is; qu’il a la bosse de la sagacité… die goed Oscar, die niet begrijpt, dat al die lofspraken eigenlijk zijne beurs gelden! En wie verwachten zij? Den grooten uitgever – den grooten schilder – den grooten romancier en nog zeven of acht andere vermaardheden; slechts op hunne camarades fashionables durven zij niet rekenen: deze zijn op de repetitie eener opera van hunnen vriend, den grooten Timballini. Maar daarentegen zullen Montlucaren de Miremont het déjeuner met hunne tegenwoordigheid vereeren. Scribe maakt van het noemen van den laatsten naam gebruik, om het karakter van dien man toe te lichten; ik schrijf geene vertaling van Camaraderie, en toch wil ik die schets overnemen: ditmaal moogt gij zelf de toepassing maken.

    BERNARDET.
Hoor, mijn waardste! want gij, die den bult der scherpzinnigheid hebt, gij verstaat mij met een half woord – wanneer gij voor u of voor uwe vrienden iets van Mr. de Miremont, Pair de France, verlangt, vraag het eerst aan zijne vrouw. –

    OSCAR, verbaasd.
Ha, bah!… dat is een omweg!…

    BERNARDET, koel.
Dat is de kortste weg! Mr. de Miremont is een man van verdienste, maar van eene stille verdienste, die in de loopbaan van ambten en waardigheden weinig vooruit, maar nooit achteruitgaat… In 1804 tot lid van den Sénat Conservateur benoemd, heeft hij sinds dat oogenblik aan niets anders gedacht, qu’à conserver ses places, en hij is er in geslaagd… hij heeft er acht!…

    OSCAR.
Acht ambten!…

BERNARDET.
Acht!… en bekleedt in het paleis de Luxembourg nog heden als onder de restauratie den zetel van een Pair de France. Vijand van alle schokken en van alles, dat eenigerhande verplaatsing ten gevolge kan hebben, kleeft hij de partij van hen, die zich boven weten te houden, aan; is hij een dweepzuchtig vereerder van alles wat bestaat, zonder echter ooit aan het licht te treden of zich ergens in te willen zien betrokken. In zijne verheffing weinig bekend en vergeten levende, is hij bang van zich te doen spreken, en legt zich twee maanden vooruit te bed, wanneer er eene politieke crisis of een politiek proces op handen is… Ik weet het, ik ben zijn arts, en wij beginnen niet te herstellen, voordat het vonnis geveld is… Voor het overige is het een uitmuntend man, die gelooft, dat hij te zijent gezag uitoefent en zich altijd door iemand heeft laten leiden… Op dit oogenblik is het zijne vrouw, die dit doet… zij, die zich door niemand laat leiden.

Maar gij kent Césarine reeds, mijn lezer! en onze blijspeldichters behoef ik niet opmerkzaam te maken, hoe juist Scribe al de karakters zijner personen teekent, hoe goed hij daardoor hunne daden motiveert. Oscar heeft naauwelijks den tijd, Bernardet te verwittigen, dat hij hem een’ nieuwen vriend heeft voor te stellen, een advokaat, „ça peut être utile, ça parle, ça fait du bruit” (het is de geneesheer, die spreekt, heeren en meesters!) of Mr. de Miremont en Césarine verschijnen. Ik moet die geestige tooneelen overspringen, hoezeer zij de finesse der vrouw en den ambtlust van den arts opluisteren; het éénige, wat ik er u van wil vertellen, is, dat Césarine hopeloos bemind heeft. Wien? het zal u later blijken; – voor heden zij het u genoeg te weten, dat zij den weinig beduidenden Oscar gaarne tot député zag benoemen, dewijl hij van hare familie is. Madame de Miremont kan zoo min als haar gade aan het déjeûner deel te nemen; zoodra zij vertrokken zijn, komt Oscar met Edmond op het tooneel; Bernardet heeft geen tijd gehad zijnen rijken vriend te vragen, hoe de nieuwe bentgenoot heet.

    BERNARDET.
Is alles besteld en geregeld… Zal men ons spoedig waarschuwen, dat het ontbijt gereed is?

    OSCAR.
Ik kondig u alreeds een gast aan. (Zachtkens tot Edmond, hem Bernardet aanwijzende.) Hij is een der onzen… (Tot Bernardet, hem Edmond voorstellende.) Ik stel u een vriend, een vertrouwd vriend voor, un camarade de collége, van wien ik u dezen morgen sprak…

    BERNARDET, op gezwollen toon.
Den jongen en uitstekenden advokaat, over wien wij zoo lang gepraat hebben.

    OSCAR.
Hem zelven.

    EDMOND, naar BERNARDET toe gaande.
Het is niet weinig eer voor mij, en ik was ver van te verwachten…

    BERNARDET.
Wanneer men verdiensten als de uwe bezit, mijnheer, mag men er op rekenen…

    EDMOND.
Mijn vriend Oscar heeft u dan wel over mij willen spreken?

    BERDNARDET.
Hij behoefde dit niet te doen. Zulke europeesche vermaardheid als de uwe… (fluisterende tot Oscar.) Zeg mij toch, hoe het heet!… (Zich omkeerende en ziende, dat Oscar net, zooals hij dacht, naast hem staat, maar bezig is eenigen zijner bedienden bevelen te geven,) Het maakt niet uit; er zijn geknipte volzinnen ten dienste van de balie!… (tot EDMOND.)Het is u gelukt, mijnheer, de balie der nieuweren met de welsprekendheid te verzoenen.

    EDMOND.
Mijnheer!

    BERNARDET.
Die urbaniteit van dictie, dat fashionable van fijne scherts, die niets aan de kracht der redenering en aan de warmte van den stijl ontneemt; – gij zegt buitendien goed op, een zeldzame gave, een zeer fraai orgaan… veel edels in de gebaren.

    EDMOND.
Gij hebt mij gehoord?…

    BERNARDET.
Ik heb met wezenlijke belangstelling al uwe pleidooijen bijgewoond.

    OSCAR.
In waarheid? (tot EDMOND.) Gij ziet, dat hij u kent, en hij had het mij niet gezegd.

   BERNARDET. (ter zijde terwijl hij de schouders ophaalt.)
Welk een volmaakt eerlijk man!

    EDMOND.
Hoe! gij waart onder de toehoorders bij mijn laast pleidooi!

    BERNARDET.
Ik was er niet op mijn gemak… uit hoofde der tallooze menigte, en ik heb zonder twijfel veel verloren; maar niettemin heb ik er tot mij zelven gezegd: „Ziedaar iemand, dien ik gaarne tot mijn vriend zou maken, want ik ben de vriend van alle talenten;” en, dank zij onzen goeden Oscar, mijn wensch is vervuld.

Hoeveel tooneelen van letterkundige kennismakingen te onzent, met dit in bespottelijkheid wedijverende, zoude ik u kunnen schetsen, indien ik mijne herinneringen van 1795 af, wilde prijs geven!

Weinigen toch getroosten zich, – zoo als ik het mij tweemaal in mijn leven deed, – wanneer zij den volgenden morgen aan deze of gene vermaardheid zullen worden voorgesteld, des nachts geen oog te luiken, om hunne schriften ten minste meer dan bij naam te kennen. Ik zoude er u kunnen aanwijzen, die juister noch fijner zijn in hunne pligtplegingen van dien aard dan zekere fransche hertogin heeten mogt, welke Chateuabriand verzekerde, dat zij zijnen Robinson Crusoë met het grootste belang gelezen had en hem geluk wenschte met de oorspronkelijke figuur, die hij in Vrijdag ten tooneele had gevoerd.

Maar ik mag u niet langer het beloofde ontbijt-tooneel onthouden; Saint-Estève, de dichter en romanschrijver, Des Rouseaux, de schilder, en Dutillet, de boekhandelaar, zijn opgetreden – Oscar heeft Bernardet verzocht, Edmond de Varennes aan die geniën voor te stellen, terwijl hij zich, om eenige toebereidselen tot het déjeûner te maken, verwijdert; hoe aardig somt de geneesheer hunne onderscheiden verdiensten op, in zijn binnenste Oscar verwenschende, die hem nog niet gezegd heeft, hoe onze held heet:

    BERNARDET (langs Edmond heengaande, dien bij de hand nemende en hem Dutillet aanwijzende.)
Mr. Dutillet, de boekhandelaar, die al onze vrienden naar de onsterfeliljkheid voert, terwijl hij zelf haar het eerst bereikt…

    DUTILLET.
Mijn waarde Bernardet…

    BERNARDET.
Wat is natuurlijker? hij, die den wagen ment, komt het eerst van allen aan. Mijnheer heeft het gesatineert papier uitgevonden, de bladen met witte randen van acht duim breedte, de aankondigingen, welke vijftien vierkante voeten ruimte beslaan; hij heeft nu plan er te geven, die grooter dan dertig voeten zullen zijn. (Naar Des Rouseaux trendende.) Onze Des Rouseaux, onze groote schilder, die het romantische landschap heeft uitgevonden; een scheppende genie, dat zich niet verlaagd heeft als de anderen de natuur na te volgen; hij heeft eene natuur uitgevonden, die niet bestond, en di gij nergens zult aantreffen. (ter zijde.) Oscar komt mij nog niet ter hulpe! (Naar Saint-Estève toegaande.) Onze groote dichter, onze groote romanschrijver, die in onze letterkunde plaats nam, als de obelisk met hare verpletterende zwaarte, hem hare hieroglyphen… (Zich omkeerende enOscar gewaar wordende, die de tafel doet binnenbrengen.) Hé! kom toch, mijn waardste Oscar, kom mij helpen in het geven van een overzigt van al onze vermaardheden.

    OSCAR (met eenige knechts, die de tafel dekken).
Meent gij het in ernst? dan zouden wij den ganschen dag geen tijd hebben te ontbijten.

Zie nu, hoe elk der bentgenooten zich voorstelt van den jongen advokaat partij te trekken, en merk het onderscheid tusschen Frankrijk en Holland op; – of hebben wij zulk eenen boekhandelaar, – of geeft de Muzen-Almanak ons niet altijd deftige lieden, ik wil zeggen, deftig gekleede heeren, te zien? – of zoude men te onzent voor de balie niet nutteloos tijd en talent verspillen zoo men er naar streefde welsprekend te zijn?

    DUTILLET.
Hij zal gratis mijne processen waarnemen, ik, die er alle dagen met de auteurs heb.

    DES ROUSEAUX (tot Edmond, die zich weder in hunnen kring begeeft.)
Ik hoop, dat mijnheer mij vergunnen zal, zijne lithographie te maken; zij wordt sinds lang met ongeduld verwacht.

    EDMOND.
Gij schertst!

    OSCAR (zich bij hen voegende.)
Gij moogt het niet weigeren. Wij werden allen gelithographeerd… met open hemdsboord en zonder halsdoek; dus behoort het. Le déshabillé de l’enthosiasme, dat is neit duur en dat staat goed; het is een middel om zich overal te laten zien.

    SANIT-ESTÈVE.
Onze nieuwe vriend zal me wil willen veroorloven van hem in mijn eersten roman te spreken… Ik heb over zijn beroep eene bladzijde vol vuur en gloed geschreven, die geheel op zijn persoon toepasselijk is en waarin de gansche wereld hem zal herkennen.

    EDMOND.
Gij zijt al te goed.

    SAINT-ESTÈVE.
Gij zult er mij in uw eerste pleidooi beloonen.

    DUTILLET.
Waarvan ik twee duizend exemplaren zal laten drukken. Geef mij uwe improvisatiën slechts den avond vóór gij die ’s morgens uitspreekt… en de proef zal u bij het einde der zitting geworden…

    SAINT-ESTÈVE.
Aankondigingen in al de dagbladen.

    BENARDET.
Lofspraken in al de salons.

    OSCAR.
Gij hoort het, mijn vriend; het is zeker, dat gij opgan zult maken… Zoo als ik u zeide, opgang door onderlingen waarborg.

    EDMOND.
Een zeer vreemd middel!

    BERNARDET.
Waarom toch?… wij leven in eene eeuw van actiehouders; alles wordt door ondernemingen en maatschappijen tot stand gebracht… Waarom zoude men ook geen vereeniging sluiten, om beroemd te worden?

    DUTILLET.
Hij heeft gelijk!

Die woorden woorden van den boekhandelaar zijn ook te onzent wel in toepassing gebragt; zelden echter met goed gevolg, want het publiek ziet u op ons klein tooneel zoo spoedig in de kaarten! – De geneesheer leidt het gesprek op de keuze van eenen vertegenwoordiger, dewijl het ontbijt zich nog altijd laat wachten, omdat al de gasten nog niet gekomen zijn. Het schijnt mij een meesterlijke trek van Scribes vernuft toe, dat hij juist op dit oogenblik, waarin Edmond geheel verwachting is, de zwarte zijde der bentgenooten doet uitkomen; Bernardet zegt, dat het sluiten van een aanvullend en verdedigend verbond met hen de voorwaarde is, waaronder zij hem opnemen.

    SAINT-ESTTÈVE.
Wij zullen uwe vijanden aanvallen, zoo in poëzij als in proza…

    BERNARDET.
Mits dat gij het op uwe beurt de onzen doet; wanneer gij, bij voorbeeld, in eenige geruchtmakende zaak, – het is mij hetzelfde hoe, – middel vindt een uwer confrères beet te nemen, op wien ik het geladen heb…

    EDMOND.
Vergun… mijnheer!…

    (Oscar komt binnen en plaatst zich bij Edmond).

    BERNARDET.
Een onbeduidend advokaat…die zich vermeten durfde mij in een zijner pleidooijen aan te vallen en te bespotten… een vergeten mensch… een man, dien niemand kent… die  Edmond de Varennes heet.

    EDMOND.
Mijnheer!

    OSCAR (zachtkens tot Edmond).
Zwijg!… ik had hem uwen naam niet gezegd; gij bemerkt, dat hij dit punt uitgezonderd, wél jegens u gezind is… Ha!…

    (Zich omkeerende en Mr. de Montlucar gewaar wordende).

Ziedaar nog een gast

De vonk is gevallen, maar de ontploffing volgt niet oogenblikkelijk; Scribe verzuimt geene gelegenheid den would-be genius ten toon te stellen, die geen staatkundig persoon meer is, die zijnen roem niet op de tribune wagen wil, die zoo gelukkig was in zijne huiselijke rust, en die zelf een prijzende beoordeeling van zijn werk gaf. Het blijkt, dat hij Des Rouseuax, Dutillet en den geneesheer reeds om hunne stem heeft verzocht; de laatste stelt Edmon aan hem voor; zie hier het herkennigstooneel:

    Mr. DE MONTLUCAR.
Hoe, mijnheer! gij hier?

    EDMOND.
Ik zoude u dezelfde vraag kunnen doen… gij, die zeidet, geen lust te hebben député te worden… die niemand om zijne stem pleegt te verzoeken…

   Mr. DE MONTLUCAR.
Ik heb uw voorbeeld gevolgd, (tot Des Rouseau, die naast hem staat) Mijnheer is een liberaal en hij kwam een legitimist om zijne stem verzoeken…

    EDMOND.
Mijnheer is een legitimist en hij vraagt der gansche wereld hem hare stem.

Bernardet kom tusschen beide; hij is de camarade par excellence, en toont aan, hoe verkeerd Edmond en de Montlucar zouden handelen, indien zij om hunne verschillende staatkundige kleur met elkander braken. Het bentgenootschap heeft er volgens hem belang bij, dat het keizerrijk, het gemeenebest en het koninkrijk, dat alle partijen in hunnen kring worden vertegenwoordigd, opdat zij bij alle partijen steun en hulp mogen vinden; opdat zij, schijnbaar in vijandelijke gelederen tegen elkander over staande, bij de wereld niet het minste vermoeden hunner vereeninging doen oprijzen, wanneer zij de een den ander voorthelpen, optillen en lofzingen.

Daarom eindigt hij:

Heerlijke unie! die te hechter mag heeten, omdat zij tot grondslag heeft, wat er ter wereld eerbiedwaardigst is… ons belang! (De hand van Montlucar grijpende, die haar nemen laat.) Kom, uwe hand (Tot Edmond). De uwe!…

    EDMOND (de zijne met kracht terugtrekkende).
Nooit ik was ver van te vermoeden, hetgeen ik hier hoorde en zag; ik wist niet, dat gij het tot de eerste voorwaarde uwer vriendschap maaktet, dat men zijne overtuiging en zijn geweten ten dienste uwer belangen veil heeft… Neen, ik geef zulke waarborgen niet, en ken niemand het regt toe, die van mij te vergen.

   BERNARDET.
Een verrader in ons midden.

    DUTILLET.
Een verrader der vriendschap!

En na een vurigen uitval tegen die schennis van dat heilig gevoel verlaat Edmond de Varennes eensklaps het vertrek, – hij aarzelt noch onderhandelt, – hij overweegt niet, in hoe ver het geoorloofd is zijn kiesch eergevoel voor zijn maatschappelijk belang geweld aan te doen; hij is nog jong. Ik schat, als Scribe, de jeugd om die edelmoedigheid hoog.

Bernardet vraagt aan de Montlucar, wie de jongeling is, die hem aldus in het aangezigt durft wederstaan; zoodra deze hem ingelicht heeft, hooren wij:

    OSCAR.
Iemand, wiens vriend gij wenscht te worden, wiens pleidooijen gij met wezenlijke belangstelling gehoord hebt.

    BERNARDET.
Maar welk eene slechte gewoonte heeft ook die duivelsche Oscar ons boezemvrienden voor te stellen, wier naam men niet eens kent!

    OSCAR (tot Bernardet).
Is het mijne schuld? door den lof, dien gij hem toezwaaidet, dacht ik, dat gij hem beter kendet dan ik.

    Mr. DE MONTLUCAR.
Maar gij voelt wel, dat dit zóó niet kan afloopen?

    BERNARDET.
Is het u ernst? een vijand ondanks hem zelven eene dienst te doen, door hem vermaardheid te verschaffen?… er zijn lieden in de wereld, die zich zouden laten doodslaan om bekend te worden, en gij zoudt hem zulk een kans, zulk een voordeel aanbieden? – Daar hebt gij te veel geest, te veel doorzigt, te veel wereldkennis toe!

Dat is Parijsch van top tot teen!

Eenige figurant-bentgenooten, Léonard, Savignac en Pontigni, treden binnen; men gaat eindelijk over tot de keuze van een député. Het is weder Bernardet, die het woord voert: hij zelf verlangt niet te worden benoemd, dewijl hij door Césarines invloed professeur à l’ École de médicine hoopt te worden; maar hij zoude gaarne zien, dat de keuze der bent zich op haren neef Oscar Rigaut bepaalde. Zij heeft hem door hare migraines en hare spasmes nerveux eene uitgebreide praktijk bezorgd; hij dient haar daarentegen tot Gazette ambulante en Bulletin à domicile voor de geheimen, welke zij wereldkundig wil hebben; zij intrigueert op dit oogenblik voor hem bij een minister en hij intrigueert voor haren neef bij de bent. Welk een rijkdom van intrugue! – ook dát is Parijsch van het hoofd tot de voeten.

Bernardet is van gevoelen, dat elk der bentgenooten verdienste genoeg bezit, om député te worden; doch dat men bij die keuze dient in het oog te houden, wie van de overige leden in die betrekking het meest nuttig zal kunnen zijn. Savignac dit plan toe, en de the would-be genius merkt aan:

    Mr. DE MONTLUCAR.
Eene ascendante, of liever ascensioneele keuze, dat wil zeggen, die allen zoo veel mogelijk klimmen doet.

    BERNARDET.
Dat is het juist, wat ik zeggen wilde. Hij is overgelukkig in de keuze zijner woorden; hij heeft mijne gedachte keurig uitgedrukt!

    DUTILLET (zich in het midden plaatsende, zoodra Bernardet naar de regterzijde treedt).
Dan schijnt het mij, mijne heeren, dat ik, die onmiddelijk en dagelijks in aanraking ben met al wat schrijft, drukt en uitgeeft, mij natuurlijk in staat gevoel, de gansche wereld de hand te reiken… en daarom alleen zet ik mij op den voorgrond… want, wat maakt het voor het overige uit, wien men zal benoemen? een weinig vroeger, een weinig later, wij zullen er allen komen; de noodzaak is eene eerste sport te zetten en dat die hecht sta.

    Mr. DE MONTLUCAR.
Het is daarom, mijnheer, dat ik door mijne maatschappelijke stelling, de betrekkingen, welke mijn geslacht, mijne geboorte en mijn vermogen mij vergunden aan te knoopen, den vertrouwelijken voet, waarop ik in den Faubourg Saint-Germain verkeer, misschien in staat zoude wezen, en dat beter dan mijn edelmogende vriend…

    BERNARDET (ter zijde).
Zij wanen reden in de Kamer te zijn.

   Mr. DE MONTLUCAR.
U van de hoge plaats, die ik bekleed, de hand te reiken en u hechter steun te waarborgen… Evenwel, of ik de eerste of de tweede zij, dat is onverschillig, dat komt op het zelfde neêr; wij zijn slechts één: zoodtra één onzer binnen is gelaten, hebben wij allen voet.

    SAINT-ESTÈVE. (tusschen Montlucar en Dutillet doorgaande).
Ziedaar de reden, mijne heeren, waarom hij mij toeschijnt, dat een kolosaale en pyramidale reputatie in het midden der Kamer geworpen…

    DUTILLET.
Veroorloof…

    SAINT-ESTÈVE.
Laat mij uitspreken…

    DUTILLET.
Ik begrijp u…

    SAINT-ESTÈVE.
Gij waant…

    DUTILLET.
Ik zeg u, dat ik u volkomen… ik ben gewoon aan dien stijl… en daarom verzoek ik… dat men er toe overga de stemmen op te nemen.

    LEONARD.
Er zal slechts ééne stem zijn!

   PONTIGNI.
Dat is zonneklaar.

    SAVIGNAC.
Wij zullen het allen eens zijn!

    ALLEN.
Laat ons stemmen!

    BERNARDET.
Waartoe?

Het is mij als zag ik den spotzieken grimlach, die bij deze vraag om de lippen des geneesheers speelt. De Montlucar slaat voor, schriftelijk te stemmen. Met uitzondering van Oscar, die eindelijk de oesters doet opbrengen en de stoelen gereed zetten, schrijven allen den naam van het voorwerp hunner keuze op een strookje papier; Bernardet vult het zijne met dien van Oscar Rigaut in; en de overigen?… hebben allen één stem; Saint-Estève ééne – Montlucar ééne – Des Rouseaux ééne – Dutillet ééne – Leonard ééne – enz. Elk verwondert zich ten hoogste… maar niet over zijne eigenliefde. Er moet óvergestemd worden. De geneesheer intrigueert, en belooft allen de tweede deputés-plaats, mits zij Oscar tot deze benoemen. Oscar merkt op, dat de chablis, de oesters, de champagne hen wachten. Dutillet maakt de tweede briefjes open. Nu is het: Oscar, een! Oscar, twee! Oscar, dr ie! Oscar, vier!…

    OSCAR (verwonderd.)
Hoe, wat is het?

    BERNARDET.
Gij zult député zijn! Tu Marcelles eris!

En zij drinken eeuwige vriendschap… met champagne. Weet gij bij ervaring hoe lang deze vriendscahp duurt?


IV.

Zonder der verdiensten van hen te willen te kort doen, die ons geschiedenissen der Nederlandsche dichtkunde schonken, wenschten wij, dat die schrijvers de bentgenootschappen van vroeger dagen eenigzins meer hadden doen uitkomen, en zich minder hadden bepaald tot het kiezen dier bloemen, welke hen in de onderscheiden hoven het meest aanlokten. Schoon wij niet willen beweren, dat eene historie der benten eene volkomene historie der poëzij zoude zijn, gelooven wij, dat zulke een behandeling van het onderwerp aan die opstellen iets meer pragmatisch zou hebben gegeven. De bent van Hooft en die van Cats b. v. welk een onderscheid, tot in de vrouwen toe, die daarbij voorzaten! eene Tesselschade of eene Duarte bij den eerste, Anna Maria Schuurman of Cornelia Baers bij den laatste. Want de minnaar van het wonder zijner eeuw wijdde in later dagen de „gouvernante” zijner „huyshoudinge op Sorghvliet” de Hofgedachten toe, die beginnen met een vers: „op ’t gesichte van Kickvorsschen.”

Het feit, dat wij reeds zoo vroeg bentgenootschappen in onze letterkunde zien, dat wij het er voor houden, dat zulke mannen aan het hoofd daarvan stonden, moge ons vrijwaren voor de schromelijke gevolgen, waaraan de ligtgeraaktheid van schrijvers en dichters elk bloot stelt, die, hoe onpartijdig en bescheiden ook, van dezelfde vrijheid wenscht gebruik te maken, welke dagelijks door de armzaligste prozaïsten en vervelendste poëtasters wordt misbruikt: zijne gedachten te laten drukken. Ik voeg er echter gaarne, voor wie er belang in mogt stellen, bij, dat ik lang de jaren te boven ben, waarin een tweegevecht eene zekere vermaardheid geeft, of een schimpdicht eene blaauwe scheen doet loopen; het is mij om waarheid te doen, zij heeft niets gemeens met kogels of pijlen.

Mijne herinneringen, zeide ik, loopen tot den jare 1795, en ik zoude u dus eerst de bentgenootschappen van het einde der 18de eeuw moeten schetsen. Maar buiten dat heer Jo de Vries, in het bekende stuk door de Bataafsche maatschappij van taal- en dichtkunde bekroond, in een besluit of kort overzigt de verdiensten van de zangers van dien tijd toetste, hangt Bilderdijk er ons in een zijner verzen een te fiksch gepenseeld schilderij van op, om dat niet over te nemen:

                          ’k Had meê denzelfden ijver
En, dacht ik bij my zelv’, mijne armen zijn niet stijver
Dan anderen; Pindarus, leen gaauw een veêr, vijf, zes,
En gy, vriend Flaccus, en gy, Lesbos zangeres!
Nu, nog een slagpen van Homeer daar bij vergaderd,
En den – een kleine zet! en ’t stargewelf genaderd!
Zoo wordt men dichter; zoo verheven Lierpoëet,
Eer iemand om kan zien, ja eer men ’t zelf eens weet.
Dus, vrienden, ging het my, en ’t heeft my nooit gehaperd
Aan d’ een of anderen recht opgetogen gapert,
Die juist wel niet te diep, ten hemel in kon zien,
Maar toch een stem had; wie den vliegprijs best verdien’!
Men lach’ er om of niet, de breede dichtrenorden
Ben ik in vroege jeugd dus ingelijfd geworden;
En, ja ’k was overtuigd; ik zong nog ruim zoo fraai
Als Vondels of Homeers voornaamste papegaai.

Is het u niet, jeugdige dichters onzer dagen, als waart gij gast, getuige en genoot geweest op die hofstede in de Meer, waar de kleine Piet Nieuwland voor de Ooms Jeronimo en Bernardus de Bosch, „in gezelschap van daartoe genoodigde heeren en dames gebragt werd,” – (lees dat allerliefst beschreven tooneel verder in den brief van de Vries aan Westerbaen vóór de Gedichten en Redevoeringen van P. Nieuwland): – of dáár:

Waar de Rijn zijn zilvren baren,
    Langs Bydorp stuwt door lis en wier,
Weleer verhemeld door de snaren
    Van Winters en van Merkens lier.
Wat eedle rei van kunstgenooten
Was altijd daar voor ons ontsloten:
    Weemoedig herinnering!

(dat ik u niet aanraad verder te lezen, maar dat ge vinden kunt in Mijn laatste Dichtsnik van Mr R. Feith, die echter de laatste niet was); of eindelijk van de opdragt dezer verzen van de baronesse J. C. de Lannooy aan Bestuurderen der Leydsche maatschappij:

’k Voorzag het immers wel, neen, ’t kan niet mooglijk wezen,
Mijn heeren, ’k had van u geen weigering te vreezen,
Gij, van wier minzaamheid elke met vernoeging spreekt,
Gij in Minerva’s vest, zoo dicht bij ’t hof gekweekt,
En nog op ’t fijnst beschaafd aan ’t hof der zanggodinnen,
Gij kondt om stug te zijn niet wel met mij beginnen;
Geen acht slaan op mijn bede en tegens ’t goed fatsoen,
Aan ’t gansche jufferschap een onbeleefdheid doen…

wanneer onze tweede Vondel voortgaat te klaagen:

Och ’k heb somwijlen meê in kunstschool-maatschappijen,
In aanzien toen geducht, mij neder moeten vlijen,
En o, wat hoorde ik voor orakels! bentgezwets,
Ten halve waar, heel valsch, werd dichtren tot een les,
Een taal of Poëzy had niemand leeren kennen.
Maar enkel willekeur en kinderlijk gewennen.
Voor my, ’t moest bukken, als een jong’ling.

Doch de achttiende eeuw, die – vergun mij deze verpersoonlijking – tot in hoogen ouderdom, meer van het karakter eens epicuristen dan van dat eens liberalen had, veranderde als tachtiger eensklaps van aard, en verkoos niet met staartpruik en haarzak, – die hij zoo wél wist op te zetten – met de zijden onderkleederen, – waarin hij zich zoo vlug en los wist voor te doen, – met de gouden snuifdoos en den gouden rottingknop, – waarmede hij zoo bevallig wist te spelen – ter rust te gaan; neen, verkeerde plotseling in een’ dollen woelgeest en zette ook te onzent eene roode muts op, die echter wel iets van eene slaapmuts had. Onze staatkundige geschiedschrijvers schijnen gezworen te hebbe, over die zwakheden van zijnen ouderdom een veelbetekende stilzwijgen te bewaren, dat, zoo het al niet zeer verstandig mag heeten, ten minste zeer voorzigtig moet worden genoemd; ons, voor wie de letterkunde hoofdzaak is, ons vraagt gij misschien, welke bentgenootschappen in het tijdvak van het Bataafsch Gemeenebest (1795) bloeiden? Wij zouden u kunnen antwoorden, dat het tot de zonderlinge teekenen van dien tijd behoorde, dat de muzen geene rol van eenig belang in die staatkundige twisten speelden, dewijl zich in het verschiet eene guillotine dreigend verhief; – wij zouden kunnen aanmerken, dat zoo min toen, als vroeger of later, de letterkunde in Holland de beschikster over ambten, waardigheden en titels was – ik heb niet vergeefs de omwenteling beleefd – doch ons antwoord zoude dan waarheid behelzen en waarheid verzwijgen. Beide partijen telden mannen van genie onder hare vanen; doch de uitstekendste handelden maar dan zij schreven en schreven nog minder dan zij dachten: louter handelende bentgenooten behooren niet tot ons onderwerp. De middelmatigheid daarentegen verkwistte tijd en inkt zonder voorbeeld; doch vergun ons op onze beurt u eene vraag te doen: hebt gij ooit in eene woestijn gereisd? Zoo ja, dan weet gij bij ervaring, dat op uwen togt de groene plekken tot de barre zandvlakten stonden als één tot duizend; dan hebt gij weinig lust die reise over te doen of iets te ondernemen, dat naar dat verdriet zwemt. Zoo neen, mogt gij nieuwsgierig zijn bij ondervinding te weten, hoe moede het hoofd wordt, wanneer genot slechts zeldzaam de eentoonige vervelin tempert, hoe men op eenen togt door de woestenij naar het einde van den onafzienbaren weg haakt, bid  ik u, de stapel pamfletten, verzen, almanakken, dagbladen en schotschriften van het Bataafsch Gemeenebest; roep die getuigen onzer dwaasheden uit de schuilhoeken eener bibliotheek te voorschijn, en luistert, luistert, luistert! Maar de titels boezemen u weêrzin in – alles is doorééngehaspeld, boert en ernst, het vreemde en het inheemsche, de godsdienst, de regtsgeleerdheid en de staatkunde. Er ontbreekt niets aan den vijf-en-negentiger dan een ziel; daarom grijpt de verveling der woestijn, de hoofdpijn der koorts, u aan, zoo dikwijls gij u op de zandzee inscheept. Wat zeggen enkele fraaije verhandelingen, eenige weinige uitmuntende lierzangen, in den hoop te vinden, tegen die walgelijke lasterschriften, die droeve verspillingen van talent? Laat u de Lantaarn van doctor Woensel brengen zoo gij slapen wilt eer gij de almanakken hebt uitgelezen. Om uwe geeuwspieren in lachspieren te verkeeren, wil ik de volgende fraaije plaats voor u afschrijven, uit een verslag van de plegtige volksfeesten binnen Amsterdam, gevierd bij gelegenheid der illuminatie, enz. enz.

„Jammer is het ondertusschen, dat de illuminatiën over het algemeen niet aan de verwachting beantwoordden, hetgeen grootendeels moet worden toegeschreven aan het ongunstig weder want het woei vrij hevig: grootendeels, zeg ik; want er werden, zoo men meende, gegronde bedenkingen gemaakt, of er niet wel oorzaak tot dat misluken was gegeven (hetzij dan schuldig of onschuldig): vele lampions, zegt men, vond mnen niet behoorlijk gevuld; in anderen zouden de pitkurkjes het onderst boven gekeerd geweest zijn; van vele anderen waren de pitten niet met terpentijd genat; wat hiervan de waarheid zij, dit is niet waar, dat men zich, desaangaande, niet weinig in zijne vleijende verwachting te leur gesteld vond.”

O beuzelarij!

Doch indien wij niet geneigd zijn het Bataafsch Gemeenebest in staatkundigen zin een Bataafsche letterkunde toe te kennen; Feith gaf, omstreeks het einde der achttiende eeuw en in den aanvang der negentiende, het grootste gedeelte zijner werken in het licht, en van zijnen invloed dagteekenen de sentimenteele bentgenootschappen, die ten minste dit republikeinsche hadden, dat hij niet als eminent hoofd bij de zaamkomsten voorzat. Ik twijfel, of het aan den gemoedelijken toon zijner gedichten viel toe te schrijven: maar bijna elke pastorij verkeerde in eene vergaderplaats van sentimenteele bentgenooten. Niemand hunner, die geen Alcest tot vriend, geene Sophie tot vriendin had, die eene Cephise tot meisje wilde. Allen leerden in de maan zien, en des zondags hoordet gij geen gebed van den kansel, waarin niet een seraf of een engel;, en eene made of worm voorkwam. Veelligt werpt ge mij tegen, dat dit geen bentgenootschap was in den hoogsten stijl. Ik geef u toe, dat het meer duitsch dan fransch, meer dweepend dan werkzaam mogt heeten; neen, ik beken zelfs, dat het niet tot de drie behoorde, welke ik de benten bij uitnemendheid zou willen noemen. Ook heeft het bijna reeds uitgebloeid. Wanneer echter gij, zoo als ik, den tijd hadt beleefd, waarin Feith’s zedelijke begrippen – hoe weinig logisch zij ook in zijne leerdichten ontwikkeld zijn – de toetssteen waren van verdraagzaamheid en verlichting, waarin het eerste tijdschrift dier dagen zijnen lof ongetemperd predikte, waarin drie vierde onzer dichters hem nazong, waarin men Bilderdijk tegen Feith overstelde, en den laatste ten koste van den eerste verhief, die overgevoeligen zouden u welligt niet minder hebben geërgerd, dan zij het ded Kantianen bij Beertje deden Of hing toen, voor Feith’s verklaarde volgelingen, van de waarde, die men den zanger van Boschwijk toekende, niet alles af, wat de letterkunde in Holland den onderscheiden’ standen schenkt: bevordering van een dorp naar eene stad – een min of meer beroemde naam – de hoop op een ridderlint? – Immers, hoezeer zij hem voornamelijk in zijne zwakheden geleken: de platonische liefde, – de hut van klei, – en het gedurig ruischen van beekjes, windjes en blaadjes, lieten zij hem over. Deze geneugten waren nooit de voorwerpen hunner wenschen geweest; schoon zij van geene zinspreuk grooter afkeer toonden dan van de woorden van Göthe:

Dichten ist ein lustig Metier.

Reeds in de kraamkamer van het republikeinsche jongsken – of wilt gij liever het Bataafsche Gemeenebest – had men hooren mompelen, dat het wicht slechts weinige jaren zoude leven. De uitkomst bevestigde de voorspelling en een vreemdeling kwam – ik weet niet uithoofde van welke verwantschap – de erfenis aanvaarden. Maar koning Lodewijk miste een der hoofdtrekken van het volk, dat hij aan zich trachtte te verbinden. De man wist niets van spaarzaamheid, en stichtte zich paleizen, als had hij over zoo vele rijken geheerscht als zijn land gewesten telde. Alles moest met kleine middelen op eene groote schaal worden ingerigt: van daar de velerlei misgeboorten, welke zijne regering kenmerkten. De merkwaardigste zijner stichtingen echter, die het minste geld van alle kostte, waarschijnlijk het langst van allen durven zal, en van wie wij hopen mogen, dat zij alle in verdiensten zal overtreffen, was een genootschap, een bentgenootschap, het eerste der drie par excellence uit mijnen tijd. Ik bewonder nog de deftige houding welke al de leden van deze bent wisten te bewaren op de eerste vergadering; het was de bontste ter wereld. Verbeeld u wie er elkander al ontmoetten: oude prinsgezinden en oude staatsgezinden; zeven-en-tachtigers en vijf-en-negentigers; in het vaderland wedergekeerde uitgewekenen en lieden, die het te hunnent met elke partij hadden weten te vinden; mannen van gisteren, mannen van heden en mannen van morgen; vernuften, die naar het verledene omzagen; vernuften die letterlijk vóór zich op den grond zagen; vernuften, die ver vooruitzagen… doch ik schrijf een’ volzin, of ik een Duitscher ware en geen fransch onderwerp behandelde. Zij bogen voor elkander, zij reikten elkander de hand, en ik geloof waarlijk, dat hun eerste besluit was, de les van Solon, dat elke goed burger partij moet kiezen, tot hoofdregel aan te nemen, met de uitlegging van Talleyrand, dat Solon, die een wijze was, daarmede de heerschende partij bedoelde. Het had iets van het vijfde bedrijf van een tooneelspel van Iffland; het was eene algemene verzoening, en zonderling genoeg beijverde elk zich zijne persoonlijke vijanden tot medeleden voor te dragen, in plaats van, zoo als bij andere bentgenooten en in andere tijden het geval plagt te zijn, zijnen neef, zijnen bewonderaar, of zijnen wat dan ook, binnen te schuiven. Of de verbroedering zoo opregt was als zij scheen, ware een onbeleefde vraag. Zeker is het, dat koning Lodewijk de onderscheiden kleeding der leden van het bentgenootschap te veelkleurig vond en een gewaad voorschreef, dat allen bijna hetzelfde voorkomen zoude geven. Bijna, zeg ik, want gelaat en gestalte spotten met alle eenvormigheid, en doen dikwijls iets regt kluchtigs geboren worden, waar men iets regt deftigs verwachtte. Van de vroegste tijden af, – denk slechts aan het kleedingstuk, dat Djanira aan Hercules, en aan den veelverwigen rok, dien Jacob aan Jozef gaf, – kleeft er iets noodlottigs aan gegeven rokken. Wilt gij het in den geest onzes tijds uitgedrukt? deelt het kleed den man, die het draagt, zekere eigenschappen mede, die hij vroeger niet bezat. Zoo leert – want twee voorbeelden mits zij juist zijn, vervelen minder dan honderd – zoo leert een preekrok deftig zien – een hofrok staan – een uniformrok exerceren, goed zwenken; dat is, niet te vroeg, niet te laat, op de regte plaats en met de regte houding, statig en waardig te zwenken. Die kunst zet der exercitie de kroon op, want ik kende lang de lading in twaalf en in vier tempoos, eer ik zwenken leerde. Begrijpt dus, hoe gevaarlijk die gift was, en – Maar zoo gij nu zelf het gevolg nog niet kunt opmaken, behoort ge tot de menschen die tittels op de i’s verlangen en men prentte het mij in mijne jeugd, als lid van de Oeconomische Maatschappij in, dat een huishoudelijke man die uitwint.

Het letterkundig bentgenootschap, waarmede ik u zoo lang bezig hield, overleefde zijnen stichter en diens opvolger, maar nam geen anderen rok aan, deels, dewijl de tijd tot zwenken verstreken was – deels, dewijl het een besluit schijnt te hebben genomen, bij voorkeur onder ouden van dagen zijne jonge leden te zoeken en die taak welligt meer lastig dan welkom zoude wezen. Het ontbreken van dat staatsiekleed verminderde echter den luister der plegtigheid van het gedenkfeest, dat – Lieve hemel, welk een courantenstijl! Laat mij u naar de verslagen mogen verwijzen, welke voor weinige jaren het licht zagen: zij zullen u in staat stellen regt te doen wedervaren aan de werkzaamheden van het genootschap, dat ik het overdeftige zou willen noemen. Zij zijn te wijd van omvang, te ernstig van aard, te gewigtig van onderwerp, om door mij naar eisch te worden vermeld.

Diepen indruk maakten zij op het volk minder; want, schoon het eene stichting van koning Lodewijk was, ik waat u van de letterkunde van het koningrijk Holland – in denzelfden zijn genomen, waarin wij van die van het Bataafsche Gemeenebest spraken – weinig meer te zeggen, dan dat in de dagen dier monarchie de hollandsche taal door den eersten hollandschen dichter werd verloochend

Maar Abbas gaat ten strijde,
En Sadig heeft geen brood:

de hand des lots is Bilderdijk harder gevallen, dan zelfs zijne vijanden wenschten; ons toeft belangrijker schouwspel, dan de zwakheid van eenen uitstekenden geest.

Hollandsch naam werd uitgewischt van de wereldkaart: Hollands letterkunde was nooit schooner, dan in die dagen van rouwe. Ik wil geene levenden vleijen, maar ook geene dooden zien verongelijken. Kunstregters onzes tijds, predikt in het belang der poëzij een kruistogt tegen den bombast, waarvan Helmers beste verzen overvloeijen; maar predikt tevens, zoo ge billijk wilt zijn, eene beêvaart naar Helmers graf, opdat de profetie bewaarheid worde door van Hall in deze meesterlijke regels uitgesproken.

Nooit zult ge, o Vaderland! vergeten
    Den Bard, die in uw’ jammernacht,
Al zingende op uw puin gezeten,
    Daar stervende u nog offers bragt;
Die u, gelukkig door ’t verleden,
Volzalig roemde in ’t naadrend heden:
    Die, tijd en lot vooruitgesneld,
Aan ’t hoofd van uwe Dichtrenscharen,
Den val van uw geweldenaren
    En ’s werelds vrijheid heeft voorspeld!

Als had het hollandsche proza ditmaal niet onder willen doen voor het hollandsche poëzij tartte Fokke in zijne volksboeken het geweld en blies het heilig vuur aan, dat nooit te onzent waakzamer priester behoefde. Verheft u dan, beoordeelaars onzer prozaschrijvers, met ijver tegen de gezochte geestigheid, de flaauwe aardigheden, de duldelooze platheid van uitdrukking, die zijne werken ontsieren; maar kent dien armen veelschrijver voor het minst ook den lof toem dat hij een onzer verdienstelijkste burgers was.

Wij mogen onze jeugd nog te weinig voor onze nakomelingschap houden, om haar oordeel, dat de regering van Willem I Nederlands tweede gulden eeuw van kunsten en letteren verdient te heeten, volkomen geldend te verklaren; maar het schijnt ons toch toe, dat het koningrijk der Nederlanden dagen beleefde, wier luister slechts voor die van Fredrik Hendrik zwicht. Het is hier de plaats niet dit te ontwikkelen; doch het mogt mij niet van het hart, tot de schets der bentgenooten, welke het zag ontluiken, over te gaan, zonder eerst in die algemeene hulde een bewijs te hebben geleverd, dat ik, trots de zwakheden dezer eeuw, hare verdiensten niet voorbij zie.

Een tijd van rust volgde de voorbeeldeloos woelige, schrikkelijke en bloedige jaren van het keizerrijk op; en wij allen, lezer, luisteden met welgevallen naar den begaafden dichter, die ons in de dagen des leeds door tooneelen van huisselik geluk geboeid had, die u misschien in het zijne het uwe voorspiegelde. De wereld was den krijg moede, en wij waren dit nog meer dan eenig volk der aarde; hoe streelden ons dus die zangen van echtelijk geluk, kinderlijke onschuld, ouderlijken zegen; hoe verrukte ons de zanger, die, met niet weinig talent voorwaar! ons voor alles wat hollandsch was, wist in te nemen, ons met alles wat hollandsch was, leerde dweepen, en in welluidende verzen alles wat Hollanders hoogschatten en heilig houden, loffelijks bedreven en edels bezitten, zong en prees. Gij herkent Tollens aan die trekken; zeven achtste zijner populariteit is hij aan zijne sympathie met onze deugden, een achte, indien gij wilt dat ik rondborstig zal zijn, een achtste aan zijn oogluiken voor onze gebreken verschuldigd. Ach, dat ook dit genre de prooi eener bent moest worden, die ik u als de huisselijke moet voorstellen:

„En is ’t van Tollens niet – het is hem nagezongen,”

schreef Messchert. Zegt mij, waar gij in ons vaderland wonen moogt, kent gij in uwe buurt geen dorpskoster of geen schoolmeester – hebt gij geen oom of neef om wien dit vonnis niet toepasselijk is? Mij heugt de tijd, dat men geen glas hippocras kon drinken, bruidstranen heette het, bij het aanteekenen, – geen kandeelstok roeren in eene kraamkamer, – geen stuk taart eten op een verjaringsfeest, – of men moest er een vers bij slikken, in den trant (en, helaas, niet meer dan den trant) van den man, wien studie de kunst leerde met de taal te tooveren. Want het bentgenootschap, aan de Maze gesticht, had meer dan éénen vertegenwoordiger in elk Departement der Maatschappij: tot Nut van ’t Algemeen, van de Hunze tot den Moerdijk. Alles zong van zijne vrouw en zijne kinderen – alles schreef vaderlandsche romances – geen stuk ter wereld werd misschien meermalen te goeder trouw geparodiëerd dan de Echtscheiding. En berisptet gij die lieden, – ik wachtte er mij wel voor; want hoe euvel zoude men het mij, ouden vrijer, niet genomen hebben! – dan zeide men het u, dat gij geen zin voor huisselijk geluk hadt, even als moest men er mede te koop loopen om dit te bewijzen. Thans echter is dit bentgenootschap sadly on the decline, waarschijnlijk tot groot genoegen van Tollens zelven; want niets is ondragelijker dan zich van apen omringd te zien, al werpen die apen ons kushandjes toe.

Litteraire associatiën van twee personen, die in het oudste of in het jongste onzer tijdschriften, in de noten hunner werken, op publieke plaatsen en in gezellige kringen, het rijmpje van Cats:

Spel en min en heeft geen val
Zonder overgaande bal –

ook op letterkundige vriendschappen toepasten (blijken van jeugdige eerzucht of grijze zaakkennis!) behooren niet tot mijn onderwerp. Ik zag die altijd met leedwezen; want zij leidden meer tot wederzijdsche verachting dan tot algemeene bewondering. Een woord over de bent der wrake, eer ik eindelijk de omtrekken der twee hedendaagsche camaraderies bij uitnemendheid geve.

Heugt het u, hoe voor eenige jaren een guerilla-oorlog onze letterkunde duizend angsten aanjoeg? hoe de gelegenheidspoëzij zich verschool, de middelmatige romantiek haar schoudermanteltje digt trok, hoe de rijmelarij geen voet meer op straat drufde zetten? Uit allerlei hoeken brandde eensklaps een schrootvuur tegen de drie jonkvrouwen los. Voorzeker waren het geene ongeoefenden, die de buksen afschoten; want, gij den knal hoordet, wat het:

Wond, val en dood in ’t eigen oogenblik.

Maar, hetzij dat de bent der wrake, om de leenspreuk te laten varen, eindelijk het uitpluizen van middelmatige boeken moede was, hetzij dat zij vreesde, dat on publiek weldra over gebrek aan lectuur zou klagen, even plotseling als zij verrezen was verdween zij weder. Ondanks den eerbied, die zij voor de ware verdienste van eenigen gedurig aan den dag legde, ondanks haar doel eene soort van aristocratie van vernuft en talent te doen huldigen, om welke beide hoedanigheden vele hare leden voor veertigers hielden, herinnderde mij elke hunner tuchtigingen te sterk aan Rehabeams woorden: „mijn vader heeft u met geeselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioene kastijden,” om geen jonge lieden in die aanvallers te zien. Mogt ik mij niet bedriegen, zoo geloof ik wèl te doen met hun toe te roepen: „Doet meer dan veroordeelen, verbetert door voorbeeld.”

De twee bentgenooten par execellence met welk ik van de hollandsche scheide, staan lijregt tegen elkander over, en gij zoudt, indien het u lustte, de eenen de Dissenters en de anderen de Orthodoxen kunnen noemen, zonder dat ik er veel anders tegen in te brengen zou hebben, dan dat ik niet gaarne de godsdienst in bentgenootschappen betrekken zie, dat ge die woorden dan in een ruimeren zin dan eenen louter kerkelijken moet opvatten, Het eene bestaat uit lieden, die gaarne stillen in den lande heeten, maar wier stille verdiensten vaak door een ridderlint, en altoos door den roem van braafheid beloond worden; lieden, die veelal rijkelijk met tijdelijke vermogens gezegend, den onontbeerlijke steunpilaren van alle commissiën en nuttige inrigtingen zijn; die het hollandsche schouwtooneel schragen, sedert het op zijne grondvesten waggelt, en bij zijn instorten de planken naar huis zullen dragen, om er een huisselijk tooneel van op te slaan; lieden van welke ge niet vermoeden zoudt, dat zij eenigen invloed in de letterkunde wenschen uit te oefenen, zoo zedig is hun voorkomen, maar die echter geleerde kransjes houden, om het nut te wegen, dat er in nieuw uitgekomene boeken steekt, en op dit oogenblik bezig zijn een verbeterhuis voor misbruikte talenten op te rigten, Een der herkenningsteekenen, waardoor zij zich meest bloot geven, is hunne gewoonte, den man, wiens karakter, volgens Nederlands eersten redenaar, de schoonste dagen der oudheid waardig was, de groote Kemper. „den onzen” te noemen. Wilt gij echter nog zekerder toetssteen, wie er toe behoort, zoo deel ik u onder de roos mede, dat gij het gesprek op Bilderdijk brengen moet. Dan zult gij hooren, dat zij niet, als de grootste grieve tegen hem, van zijne partijdige beginselen of de leemten en feilen zijner Geschiedenis des Vaderlands gewagen, maar oogenblikkelijk van zijne uitvallen tegen een onzer landgenooten ophalen, in wiens zijdelingsche verdediging zij jaren lang hunne gewigtigste taak zagen.

Ge zoudt u bedriegen, indien gij geloofdet, dat ik de andere in die lieden begroette, wier gemoed hun niet vergunt, zich te vereenigen met de leerstellingen in een kerkgenootschap gepredikt, waarin zij werden opgevoed. Zij zijn vreemd aan mijn onderwerp, en het oordeel over hen betaamt mij niet. Neem het ouderwetsch bentgenootschap, dat, ondanks dezen titel, zeer in de mode raakt, dat scherp uitvalt en driest doorslaat waar de Nuttigheids-bent aarzelt en weifelt, dat u op vollen dag een slag in het gezigt geeft, terwijl het andere u gaarne in het duister knijpt, heeft zoo veelsoortige leden onder grijsheid en jeugd, onder patriciërs, die er hunne voorvaderen hooren verguizen, en plebeiers, die er leeren hoe hen den nek te buigen, dat ge bij wijlen geneigd zijt te vragen: „Hoe komt Saul onder de profeten?” en men u mogt antwoorden: „Hij komt zijns vaders ezels zoeken; zijn ze hier?”

Waarin de parijsche bentgenooten van de hollandsche bentgenooten verschillen? Waarlijk, ik zoude uw oordeel beleedigen, zoo ik dit, na de uitvoerige schets der eerste, aan Scribe ontleend, – mij mijne lange rede over het lot der letterkundigen te onzent, nog ontwikkelde. Indien mij uw geduld tot hier vergezelde, blijft mij niets over, dan u mede te deelen, dat niet Oscar Rigaut, maar Edmond de Varennes député wordt. „En Agathe de Miremont huwt?” Scribe laat het u vermoeden; doch la Camaraderie heeft hooger doel dan honderd vaudevilles, die met een blos en een ach! eindigen, Edmond wordt vertegenwoordiger door de loosheid van Zoé de Montlucar, ondanks de kuiperijen der bent: schalke trek, die het meesterlijk geheel, naar mijn oordeel, waardig bekroont.

Welligt hebt gij reeds vergeten, dat iku op eene andere plaats van dit opstel op een oude liefde van Césarine opmerkzaam maakte, en dus ingewikkeld beloofde, het hoe van den afloop mede te deelen; maar schoon ik het mij herinner, acht ik het thans in uw belang dat woord te breken. Ik verzwijg u de détails van den afloop, om u niet van de verrassing te berooven, welke u bij de opvoering van het stuk verbeidt, en streel mij nu reeds met het lachje van verrukking, dat ik, dezen winter, in den schouwburg der residentie, bij die gelegenheid op uw gelaat hoop te zien.

Ontvang echter, eer wij scheiden, eene les, welke drie bladzijden toepassing opweegt en waarvan ge partij kunt trekken, hetzij ge bentgenoot zijt of niet – ik vond haar aan het slote der Camaraderie.

    OSCAR RIGAUT (tot Zoé).
Welnu, gij ziet het aan Edmond, die onzen bijstand weigerde… ment komt er als men bentgenooten heeft.

    ZOÉ.
Ja, mijnheer… maar men blijft als men talent bezit.

1837.