E. J. POTGIETER (1808-1875)

LEUCHTENSTEIN.

Mademlle Matthey behaalde eenen nieuwen triomf in de rol van Anna Bolena, – maar zoo dit begin u den Amsterdamsch-Italiaanschen schouwburg van voor weinige jaren, roemvoller gedachtenisse! voor den geest herroept, ik ga u deerlijk teleurstellen, als gij een opstel over muziek en tooneel verwacht; – eene kleine groep toeschouwers, eene enkele figuur uit deze trekt mij aan.

Plaatst de eerste gedurende de pauze, naar gij wilt, in de weinige balcons van dat gebouw, of in de loges, die geene loges zijn, ik zal er vrede mee hebben, mits ik op de voorste bank van ne van deze, aan de hoogere hand eener de vrouwe, dezelfde bloeijende schoonheid aantreffe, welke een vreemdeling dien avond, beweren deed, dat alle inmengsel van Spaansch bloed zich ten onzent nog niet verloochent. Gij hebt gelijk, als gij die aardigheid aan eenen Franschman toeschrijft; vergeefs beriep ik mij te harer wederlegging op het karakteristiek-Hollandsche eener huid, blinkende van blankte; hij wees mij op de donkere lokken, – op de glinsterende oogen, – op de zeldzame levendigheid harer gebaren: „distingues, j’en conviens” voegde hij er bij.

Stellig had ik langer voor de eer onzer het-overgrootmoeders gestreden, ware mijne opmerkzaamheid van mijnen buurman niet afgeleid geworden door iemand, die intusschen achter de schoone had plaats genomen, door de enkele figuur, die met haar koutte, die haar beviel. Immers, het lachje, waarmede zij hem ontving, de opmerkzaamheid, welke zij hem betoonde, deze hadden niets van dat onverschillig oorleenen, hetwelk mij, trots de teedere beschrijvingen, door dichters aan de liefde van vlinders en rozen ontleend, steeds aan het gefladder herinnert, waarom de bloem niets geeft, – de lieve was louter aandacht; bloosde zij? Waarschijnlijk geloofde haar bezoeker het als ik; eene leegte op de eerste bank lokte hem aan; bij zette zich naast haar; – doch wat zag hij in het parterre, werwaarts zijn blik bij het overstappen afdaalde? wien zag hij, die hem de lippen krampachtig op elkander drukken, die hem de wenkbraauwen fronsen deed! Ik moet u het antwoord schuldig blijven; zelfs twijfelde ik weldra aan het feit; weder schertste hij, weder aanschouwde hij slechts de schoone! Hoe de groep mij nog heugt! Er was al de ernst in zijnen blik, dien de liefde eens verstandigen veertigjarigen – hij telde die, helaas! – tegenover den dartelen levenslust van achttien lentes heeft; en echter nam zij zijne hulde welgevallig aan; echter streelde deze het lieve kind meer, dan de bewijzen van onderscheiding, haar dien avond door jeugdiger aanbidders in ruime mate geschonken; – het wordt tijd dat ik u zegge, wie hij was.

Onze patricirs vergeven het der natuur noode, dat zij soms lieden uit den lageren stand niet alleen met de uitmuntendste gaven van hoofd en hart bedeelt, maar dezen ook al de onderscheidingsteekenen toestaat, welke zij zoo gaarne tot hunne caste bepaald zouden zien: de houding van eenen heer, een fier gedragen hoofd, blanke, kleine handen, en, wat ik wenschte al onzen weledelgeborenen te mogen toekennen, de manieren van een fatsoenlijk man! Des ondanks duldden de hooghartigsten onder de weinige onzer kooplieden, wier voorvaderlijken namen in den Raad der stad Amsterdam vermaard werden, toen de leden dier vergadering mannen waren, het achtste wonder der wereld waardig; echter duldden zij Leuchtstein niet slechts als huns gelijke – hoe ongelijk hij hun in geboorte en opvoeding ook was – maar de oudste stam zou zich vereerd hebben geacht, als de krachtvolle loot zich had willen enten op zijnen tak. Het is zonderling, dat onze aristocratie uitzonderingen van dien aard het liefst voor eenen vreemdeling, voor eenen rijken vreemdeling, maakt! Immers, zoo sprak men, immers, het afgunstig gerucht moest lasteren, als het verbreidde, dat die man, wiens innemend uiterlijk voor zijne aanzienlijke afkomst pleitte; wiens heusche zeden zulk eene voordeelige getuigenis aflegden van de school, waarin hij was gekweekt; wiens geest de koenste ondernemingen niet slechts ontwierp, maar deze, schijnbaar vermetel, beproefde, en toch altijd slagende ten einde bragt; dat die man, zeg ik, hier op eene stroowisch was komen aandrijven; dat hij in geene stad in geen dorp zelfs van zijn vaderland, eenige hooggeplaatste, neen, burgerlijke bemiddelde verwanten kon opnoemen! Hij was de jongste vennoot in een der aanzienlijkste handelshuizen geworden; hij had door zijne kennis van, door zijnen ijver voor, door zijnen lust in zaken, een nieuw leven gewekt in het oude ligchaam; hij werd begroot op – maar dergelijke ramingen zijn altijd hoogstonzeker – het zij u genoeg, dat de mama’s gelijk hadden, als zij beweerden, dat hij eene uitmuntende partij zoude zijn.

De gordijn was inmiddels weer opgegaan; het laatste bedrijf schier afgespeeld; Anna Bolena, – niet langer Madlle Matthey – maar eene verstootene vrouw, welke zich de zegepraal harer mededingster bewust is, schreed in heftige onrust, in afwisselende hoop en vrees, in ijlende koorts, over het tooneel heen en weer. Wangen, van blanketsel ontdaan; lokken, die achteloos van de schouders afzwieren; blikken, waaruit verwildering u tegenstraalt, dat alles staat in de magt van het middelmatige talent; – maar de huivering, welke zij den toeschouwers aanjoeg; maar de kilte, welke deze in de stiklucht der zaal beving; maar hun ademloos zwijgen, hoe getuigden deze van de heerschappij der kunst ook over onze dikwijls koel en traag gescholden gemoederen! Ik weet niet, of gij het, als ik, den toondichter naauwelijks ten goede houdt, dat hij de Anna Bullen der historie in eene operatype verkeerde; dat hij haar verliefd schildert op de daemonische verschijning van Hendrik VIII; dat hij noch in ijdelheid, noch in heerschzucht de roersels zocht, waarom zij de omhelzingen des monsters duldde! Volslagener door de toovermagt der muziek beheerscht, dan mijn gebrek aan zin voor die gevierde vorstin onzes tijds het mij veroorloofde te worden, hebt gij er u waarschijnlijk minder dan ik aan gergerd, dat de moeder de minnaresse niet tempert; dat geen straal van licht uit het wiege van Elisabeth de duisternis schemerig worden doet; wie weet, of gij er weleens aan hebt gedacht? Verhelen wil ik het niet, dat geen wensch van dien aard zelfs bij mij opkwam, zoo lang het luiden der klokken, ter krooning van Jane Seymour, iedere zenuw van Anne spande; zoo lang het kontrast van troonsbestijging en schavotsbeklimming Anne martelde, martelde, tot krankzinnig wordens toe! Een oogenblik, ik weet zelf niet waarom, dwaalde mijn blik af naar Leuchtstein, – maar wat ik vergete, dat aangezigt niet!

Hij mogt hoog gestegen zijn, hooger misschien, dan hij het zich in de koenste droomen zijner jeugd voorspiegelde; onwillekeurig prooi geworden der lotwisseling, welke hij aanschouwde, scheen hij er al het afgrijsselijke van te gevoelen; – daar daalde zijn blik, waarom toch? andermaal ten parterre; daar zag hij rond, flikkerende rond; vergeefs, hij vond niet wien hij zocht! Wild rigtte hij zijne oogen op het schoone meisje vr hem, – hij lachte! neen, geene moeder, die hem dus had zien lagchen zoude de hand harer dochter in de zijne kunnen leggen, en gerust zijn voor de toekomst van het vleesch van haar vleesch! Gevoelde hij het zelf? De zakdoek, aan het voorhoofd gebragt, wischte langzaam eenige groote droppelen af, en Leuchtstein zat somber, zat in mijmering verdiept, tot daat de daverende toejuichingen hem wakker schrikten.

Vous voil amoureux de ma belle Espagnole!” zeide mijn buurman, die zich slechts in het voorwerp mijner opmerkzaamheid had vergist.

Luttel tijds later wenschte ik, vuriger nog dan dien avond, dat Donizetti had goedgevonden, Anne niet alleen waar voor te stellen in hare vlaag van zinsverbijstering, Anne te schilderen als moeder, iets menschelijkers, iets edelers gevoelende, dan de zucht naar hoogheid, welke haar blaakte, – als gij verder leest zult ge weten, waarom ik van de kunst dien tegelijk bevredigenden en verheffenden indruk eischte.

Vergeefs vroeg ik mij zelven gedurende eenige dagen af, welk gezigt uit het parterre toch die onloochenbare heerschappij op Leuchtstein kon hebben uitgeoefend, liever, hem dien doodschrik aangejaagd; er was geene sprake van eenig engagement der schoone Mathilde – zoo heette het kind – met een’ ander; er was alle waarschijnlijkheid, dat zijn aanzoek slagen zou. Prikkelbaar als Leuchtstein was, als alle eerzucht is, school zijn Mordechai welligt onder den hoop van zes, acht, tien jaren jongere makelaars of kooplieden, van welke er een met hem achter den lessenaar had gezeten, die hem benijdde, die hem een’ avonturier schold. Het was geen wonder, Leuchtstein had zijne gemeenzaamheid koel teruggewezen; Leuchtstein had hem verpligt „Mijnheer!” te spelen! „Avonturier!” het was genoeg, om den veertigjarige eenen blos op het aangezigt te jagen, – school er dan geene zielskracht in de ontberingen, welke hij zich, indien het gerucht niet loog, getroost had, om uit zijn ellendig dorpje Hamburg te bereiken; was de eerzucht geen deugd, de eerzucht, die hem van de straat onder dak, uit den winkel op het kantoor, van kopijist tot correspondent had bevorderd? „Avonturier!” had hij geene nachten doorgewaakt, om vijf, zes talen te leeren, dewijl iedere les hem niet op de verloochening eener uitspanning, neen, op die eener behoefte stond? Wie der suffers zou den moed hebben gehad, als hij, de gelegenheid bij de wieken te grijpen, om Londen te leeren kennen, al verpligtte het hem tot de studie van een nieuw vak, al wist hij, toen hij er voet aan wal zette, zoo weinig van invoer, als hij bij zijne komst te Hamburg van vervoer in het voormalige Heilige Roomsche rijk had geweten? „Avonturier!” er waren bladzijden in het dagboek zijns levens, beweerde de nijd, gedurende zijn verblijf in de wereldstad, waarin hij tot geenen prijs aan anderen eenen blik vergunde; maar was de aanbevelingsbrief, dien hij te Amsterdam medebragt, niet zeldzaam gunstig geweest? – En het vertrouwen, dat hij er zich zoo spoedig had verworven! – een vertrouwen, geregtvaardigd door zijne uitgebreide kennis, door de voorzichtigheid, welke hem misschien de teleurstelling zijner eerste pogingen, om onafhankelijk te worden, had ingescherpt, en die hij toen voor zijnen meester toepaste – en de vriendschap van den zoon des chefs, door hem in het eerste jaar verkregen en verdiend., – dewijl hij het leven te veelzijdig had gezien, om niet wijzer te zijn dan zijn leeftijd vermoeden deed, dewijl hij te zwaar met het lot had geworsteld, om niet heer te zijn geworden over de driften in welker juk de zoon der weelde zich kromt: – wat hadden zijne benijders, zijne beschimpers tegenover dat vertrouwen, tegen die vriendschap te stellen? „Avonturier!” het is waar, het podagra van den chef was hem te hulp gekomen; maar het talent, waarmede hij twee of drie netelige zaken tot zijn genoegen beslechtte; maar de betrekkingen, welke hij den moed had voor te slaan, het geluk aan te knoopen, en van welke de vruchten de verwachting verre overtroffen, hadden zij hem geen regt gegeven op het aandeel, hem ten leste eerder aangeboden dan toegestaan? „Avonturier!” het voorhoofd des ouden heers, zeide men, had zich gerimpeld, en de hoeken zijns monds hadden eenen verdrietigen halven cirkel beschreven, toen Leuchtstein eenige inlichtingen over zijne afkomst niet langer weigeren kon; – doch hoeveel luider sprak de tevredenheid des vaders, dat zijn zoon eenen vennoot had gevonden, die alles bezat, wat aan dezen ontbrak; die in de zes of zeven jaren hunner verbindtenis thans zelf een man van vermogen was geworden?

De oplossing voldeed mij niet; spoedig zoude mijne belangstelling in het raadsel nog klimmen. Het rijpaard van Leuchtstein stond op eenen zomernamiddag voor zijne deur; een toeval bragt mij die in de tilbury eens vriends langs. Weinige huizen van dat van onzen avonturier, wipte mijn togtgenoot er een oogenblik af; hij had naauwelijks weder plaats genomen, – of wat dunkt u, als gij, even als wij; Leuchtstein volgden?

Hoe Sed of cijns gelijke trappelde van ongeduld; hoe het edele dier de manen schudde, knabbelende op het gebit, onder zijne vergeefsche pogingen zich aan de hand des knechts, die het bij den teugel hield, te ontwringen; hoe het vonken uit de keijen deed vliegen, als het beproefde zich al steigerende van dien dwang te ontslaan; het is honderdmaal en beter beschreven: waartoe het herhaald? Leuchtstein was reeds in den zadel gestegen, en fluks scheen het stappen Sed evenzeer te verdrieten, als hem straks het stilstaan deed. Bedwongen getroostte hij het zich echter, neen, zwichtte hij slechts noode, om ijlings wer op te staan. Wat schortte er aan Leuchtstein, dat hij van gracht tot gracht, en telkens weder dezelfde werbarstigheid van zijn ros duldde? wat schortte er aan, dat hij die naauwelijks bemerkte, dat hij die flaauw te keer ging? Sed viert er zijne dartelheid te meer, te driester door bot; verzwakt schijnt de hand, en verlamd schijnt de knie, welke hem vroeger, bij iederen sprong in den zonneschijn bare overmagt deden gevoelen. Leuchtstein was de brug overgedraafd; vierde hij de toomen, of nam Sed het initiatief? Beslisse het, wie het kan! Een eind weegs ijlden zij als de wind... hoe wreed was dat eensklaps inhouden van Leuchtstein; hoe onmeedoogend dreef hij Sed de sporen in de lenden – dewijl hij niet oogenblikkelijk stil, roerloos stilstond! De grillige ruiter! Wat ving hij, wat hoorde hij in de klanken, die zich op die lucht verhieven? Voort! tikte hij met de karwats, en voort stuiven Sed en Leuchtstein, niet gehuld in eene wolk van stof, daartoe rennen zij te rap, – het zand dwarlt eerst manshoogte achter hen op, als zij twee, drie vademen verder zijn! O weelde voor het ros! een wedloop met den wind, eene vaart, aan die der lucht gelijk, – of stuift hij het geboomte niet langs als eene pijl, of begrijpt gij niet eerst nu, wat het zegt? hij verslond het verschiet. – Wreedaard! – waartoe die zweepslag? – De drift gudst en rookt uit alle porin des kleppers; links en regts stuift het schuim langs zijne lenden af; de manen rijzen van vuur – houd op, Leuchtstein! houd op, de moedige duldt geen’ overmoed! – Sed steigert... laat rusten die hand – onregt tart uit tot wrake – reeds begint de worsteling! Hoe nu, beurtelings woede en zwakte, in stede van beleid – overmaat van drift, in plaats van overwigt van rede! – Nog eens zulk een schok, na een te kwader ure gegeven tikje van goedkeuring, en gij vliegt uit den zadel; Leuchstein! wat is u? Zoo hanteerdet gij vroeger de zweep nooit – zoo –

Hij stond reeds naast Sed, de teugels nog wel in de hand, maar toch naast hem – beschaamd door het instinct van het dier, liever nog door de tucht der mange.

Al hernam hij fluks zijn gezag; al boette Sed voor den triomf van een oogenblik, zoo als, om groote dingen bij kleine te vergelijken, zoo als volken het voor mislukte omwentelingen doen, het voorval liet bij Leuchtstein dieperen indruk achter, dan gij welligt verwacht, dat het te weeg kon brengen. Voor de deur der herberg gezeten, in welker stal hij het ros een oogenblik ruste gunde, staarde hij op den grond, terwijl hem eene rilling door de leden voer, voor welker gelijke God u beware!

„Zou het waar zijn?” vroeg hij, en bragt den wijsvinger aan het breede voorhoofd, en tikte er tegen, of het antwoorden moest; – welk eene vreeze!

Als ik een’ roman schreef, dan liet ik bij die stemming zijnen van geest eenen haveloozen knaap over de houten leuning onder de linde wippen; hij zou hem aanzien, onnoozel – glimlagchend aanzien, en Leuchtstein sidderen als een espenblad! Deze zoude de hand in zijnen vestzak steken, en het eerste stuk geld het beste den jongen toewerpen, om zich van die profetische verschijning te ontslaan. Waan niet, dat de onnoozel glimlagchende het zou aannemen! Een oogenblik mogt hij geldstuk met de vlakke hand in de lucht werpen en wer vangen – weldra zou hij het tusschen de tanden zetten, en daar het niet meegaf, Leuchtstein voor de voeten smijten, eene ironie op onze goudzucht, eenen gek waardig!

Niets van dat alles gebeurde; – maar toen Leuchtstein opstond, om naar stad terug te rijden, en een jongske van een jaar vijf, zes, het mooije paard en den grooten heer aangaapte, en naar een der dubbeljes grabbelde, welke hij, den stalknecht het fooitje toereikende, vallen liet, toen school er in den slag met de karwats, waardoor Leuchtstein den dreumes bestrafte, meer dan afkeuring van de hand, uitgestoken naar eens anders eigendom. Waande hij zich zelven, in zijne eerste jeugd, in dien knaap wer te zien? Striemen van dien aard hadden hem wellicht kunnen bewaren voor – het woord wilde niet over zijne lippen – hij verbleekte, als hij er aan dacht!

Leuchtstein behoorde tot die sterke karakters, welke geene behoefte hebben aan uitstorting des gemoeds, wier ziel hun een rijk is. Was het weleer in het eene gewest van dit sombere nacht, in het andere gloorde te helderder licht, en het afschijnsel der hoop temperde de duisternis der vreeze, en de schemering van het mislukken werkte weldadig op den gloed van het slagen. Regenvlaag en zonneschijn, veroorloof mij de uitdrukking, hij regelde beide, want zijn aard had kracht genoeg, zoo deze als gene te weeg te brengen en te beheerschen! Of had hij niet allerlei driften in zijn binnenste bestreden, en er over gezegevierd? Eenen enkelen, zijn trots uitgezonderd, trots, het beginsel zijns levens! Helaas! hoe weinig vermogt deze tegen den vijand, dien hij nu allengs zag naderen! hoe scheen hij terug te deinzen, in te krimpen, te niet te gaan bij de dagelijks dreigender verschijning! Leuchtstein had alles overwonnen; bij was alles te boven gekomen: eene verzuimde opvoeding en de vooroordeelen der wereld, – gebrek, in alle eeuwen een geesel, armoede, eene ondeugd in onzen tijd, zoo niet iets nog ergers! Wat zou hij doen? De hulp van vrienden inroepen! Had hij er? Hij, de zeldzaam vooruitgekomene, wiens val het teeken zoude zijn ten triomfkreet van de afgunst! – Of moest hij zich tot artsen wenden? Wat vermogten zij? Voorondersteld, dat hij de schaamte overwon, dat hij bekende – – lag de oorzaak der kwaal niet buiten hun bereik? Hulp, steun, waar die te vinden, als inderdaad gebeurde; wat hij voorzag, wat hij dagelijks zekerder achtte?

Welligt zou het zoo schrikkelijk niet zijn, onwetend aan de hand van het spook ten grave te gaan!

De troost der wanhoop!

Weinige weken later werd er door drie zijner kennissen eene buitenlandsche reize beraamd – om zijnentwil; – hij gaf gereedelijk zijne toestemming tot het voorstel de vierde te zijn. Grillen en luimen, waarvan het tooneel met Sed slechts het voorspel was geweest; luimen en grillen, welke hij zelfs in zijne heldere oogenblikten te ernstig achtte, om er de rust van Mathilde aan te wagen; grillen en luimen, zij zouden wijken voor minder arbeid en meer beweging, voor andere voorwerpen en milder lucht. Zes, zeven dagen reizens gaven geen regt reeds veel van de wijziging des klimaats te verwachten; maar afwisseling van voorwerpen, wat baatte zij? Hij was suf in de calche gestegen, hij was er de vorige avonden suf uitgekomen, hij was aan dien van den zevenden weder suf. Schoon het dorp, waarin zij zouden overnachten, naauw den naam van een gehucht verdiende, was het logement – lof zij der Pruissische post-inrigting – een stadje waardig. Leuchtstein staarde de platen in lijsten en glazen, door den waard opgehangen, hij staarde die opmerkzaam aan. Het waren afschaduwingen van gebeurtenissen uit den Vrijheids-oorlog, zoo als Duitschland den krijg van 1813 noemt. Wat school er onder deze, dat Leuchtstein eensklaps belang inboezemde? Hij had straks naar den naam van het dorpje gevraagd; hij kon zich nu aan het bezigtigen dier prenten niet verzadigen.

„Oude dingen,” zeide de spraakzame waard, „oude dingen, maar waarvan ik veel pleizier had, zoolang de vorige schoolmeester leefde. Hij kwam alle week met de jongens, om hun Blcher te wijzen.”

„En Napoleon,” viel Leuchtstein in.

De waard zag een oogenblik vreemd op – maar er stak immers niets vreemds in de aanvulling? en bovendien, de heer zocht naar een’ fidibus, om zijne sigaar aan te steken. Was hij vroeger in zijn huis geweest? Neen, in het kleine, dat hij bewoonde, eer von Nagler de posterijen verbeterde; het kleine, waarin toch ook die platen al hadden gehangen, waarin ook dat buffet al had gestaan? Want zie; toen Leuchtstein bij de haardste geen’ plaatsvervanger van een’ zwavelstok vond, toen trad hij op het stuk huisraad in den hoek toe, en haalde hij juist de lade uit, waarin de papiertjes sedert meer dan dertig jaren plagten te liggen. De oude man had geene rust, voordat hij de vraag te pas bragt:

„ Of mijnheer meer in die streken had gereisd?”

„Nooit;” antwoordde Leuchtstein, „ maar het geluk loopt mij in alles mede. Er zijn zulke menschen, oude!”

En hij lachte woest en wild.

Echter wantrouwde de waard het: „ nooit!” echter wantrouwde hij het tot den volgenden morgen, toen de drie overige reisgenooten vergeefs naar hunnen vriend omzagen. Leuchtstein was nergens in het logement te vinden. Toen het zoeken eene lange wijle ijdel bleek, en de paarden intusschen waren voorgespannen, ontsnapte deze en gene wenk over Leuchtstein’s toestand, en levensloop aan de trits, welke hem vergezelde. De oude man luisterde opmerkzaam; kleine bijzonderheden bevestigden hem allengs in zijn vermoeden: hij moest die streek meer hebben bezocht; hij moest er geboren zijn. Ja, in den knaap was reeds de man aan het licht gekomen; in den knaap, dien eerzucht op de school had onderscheiden, dien trots in zoo menig geschil met zijne makkers had gewikkeld, – de knaap, die het dorp in stilte had verlaten, die verdwenen was, zonder dat zijne moeder ooit wer van hem had gehoord! „Neen, nu wrijf ik hem eene kladde aan,” bestrafte de oude zich zelven, „want de sloof geloofde tot haren dood, dat slechts van hem de kleine sommen gelds kwamen, die zij in de eerste jaren na zijn vertrek ontving! Allengs wiessen deze aan; maar van de grootste hebben de armen nut gehad, en niet zij. „ Buurman!” sprak zij op haar sterfbed, „leg mijn hoofd zoo, dat ik het venster uit kan zien, hij mogt eens werkomen!” ”

De vrienden drongen aan op het voortzetten der nasporingen.

„Laat ons naar het kerkhof gaan,” zeide de oude, „het ligt over de hut, waarin zijne moeder woonde.”

Vergeefs er heengewandeld – tusschen de graven was zoo min, als in de kleine huizinge, welke hare stulp had vervangen. Waard en reizigers waren op het punt, naar het logement terug te keeren, toen een boschwachter van het kasteel hen ontmoette. „Als gij dien vreemden heer zoekt,” antwoordde de man op hunne vraag, „sla dan de laan aan de regterhand in; hij was straks op het terras.”

Inderdaad verrasten, beter nog, overvielen zij Leuchtstein; hij zat met den rug naar hen gekeerd. Een der reisgenooten wenkte de overigen zoo veel ter zijde te gaan, dat zij uit de lommer zijn gezigt konden waarnemen, zonder dat hij hen zag. Zijne oogen zwierven van het kasteel naar het dorp, en van het dorp naar het kasteel.

„Alles mijn eigendom,” mompelde hij in zich zelven, terwijl hij de vorstelijke warande met zijne blikken inzwolg.

„ Wie voorzag dat, toen ik speelde als zij?”’ voegde hij er bij, naar eenige jongens ziende, die plukhaarden op de mark van het gehucht.

„Maar ik heb er voor gewerkt,” zuchtte hij, en bragt de hand aan zijn voorhoofd, of hij moede was; – „vlijtig en eerlijk – uitgezonderd...” hij fluisterde en gluurde om zich henen, maar werd niemand gewaar.

„IJdele schrik! alles mijn eigendom!” begon hij op nieuws, bosch en veld gadeslaande, en was welligt dien zelfden kring van gedachten nog eens rondgedwaald, maar de hond van den waard, zijn’ meester nagesprongen, blafte in de verte. Leuchtstein sprong op; zijne kennissen kwamen uit den groene te voorschijn.

„Welkom, mijneheeren! Welkom!” zeide hij, en gaf elk hunner de hand, maar noemde hen niet bij hunnen naam, neen, gaf hun dien van drie of vier bekende bankiers, zijne mededingers, zijne benijders, de spoken zijner verbeelding! „Hier waait frisscher lucht, dan te Amsterdam,” voer bij voort, en wreef zich de handen van genoegen; „het ontbijt wacht ons; het zal heerlijk smaken, mijneheeren!” En hij ging hen voor, als wilde hij de trappen des kasteels opstijgen. „Maar komt dan toch mede, en ziet mijne heerlijkheid;” en toen zij verschrikt bleven aarzelen, voegde bij er bij: „O gij zult u binnen nog meer verbazen, als gij mijne jeugdige gemalin, als gij Mathilde ziet! Zie, als ik haar moest missen, ik had al het overige te duur betaald; want ik dacht honderdmaal, dat ik gek zou worden, zoo veel onrust heb ik uitgestaan over onze laatste leening, die staat nu honderd en vijf!”

Hij was krankzinnig.

Wat vreest gij een verblijf in te treden, dat den hoogmoed onzer ijdele rede beschaamt? Zoo het schrikkelijker en strenger dan eenig ander lijden onze afhankelijkheid van God predikt – eene afhankelijkheid, welke wij in de hoofdbeschikkingen onzes levens welligt eerbiedigen, waarin wij misschien in gevaarvolle omstandigheden het anker onzer berusting vinden, maar die u noch mij voor den geest staat, zoo als zij waarachtig is: eene afhankelijkheid voor het morgen als voor het gisteren, en voor het heden als voor beide, eene afhankelijkheid voor het oogenblik, waarin ik dit schrijve, als voor het oogenblik, waarin gij het leest, – zoo het die predikt, onloochenbaar en ontzettend, het verkondigt ook dikwijls de genade des Hoogsten! Verre van ons deze alleen te zien in het voorregt, dat wij bewaard bleven voor eenen toestand, boven welken de dood ons verkieslijk schijnt; wie heeft moed tot zulk eene dankzegging, ten zij ze wegsmelte in eene bede voor de toekomst van ons en de onzen, in eene bede voor de kranken, die onze broeders zijn? Eere, wien eere toekomt, onze eeuw is gewend op vooruitgang te stoffen, of zij het nooit met minder regt deed, dan in hare belangstelling in gekrenkten van hoofd of van harte; doch ik sprak van Gods genade, en die is aan geene tijden gebonden; die marde niet totdat menschelijke begrippen helder genoeg werden, totdat menschelijk gevoel luide genoeg sprak, om het ergste van alle menschelijke lijden te verzachten! Het is eene vertroosting, het is eene hoop, den natuurstaat als der beschaving gegund, en onder het oude als onder het nieuwe Verbond verleend: de verheldering des verstands bij vele, schoon dan ook niet bij alle krankzinnigen, luttel tijds voordat het gesloopte lijf bezwijkt, eene verkondiging der onsterfelijkheid van den menschelijken geest; wilt gij er getuige van zijn bij Leuchtstein? Een leeraar had zich aan de sponde des lijders nedergezet en tranen verzwaarden de graauwe wimpers des mans!

Het waren tranen van smarte over den hoogmoed, die zoo lang eene voortreffelijke ziel had beheerscht; het waren tranen van blijdschap over het algenoegzame des geloofs in Christus! Immers, Leuchtstein, na maanden lijdens tot zijne vermogens teruggekeerd, had eenen vreeselijken strijd gestreden, den strijd met zijnen trots; hij was zich zelven zijn leven 1ang genoeg geweest; zijne eerste zwakte meende hij, zijne vreeze voor de krankte, – zijne wroeging misschien – hadden deze over hem gebragt! Doch toen de grijsaard geduldig, schoon bestraffend, het oor had geleend aan die ontboezemingen van wereldschen zin; toen deze geenerlei nieuwsgierigheid hal betoond voor het geheim, dat Leuchtstein drukte; toen hij hem slechts als vriend had vermaand, als vader had bevolen, zich met God in Christus te verzoenen: „Christus! die ook voor u gestorven is, mits gij in Hem gelooft!” toen hij onwillekeurig eene andere wereld, eene wereld van liefde, ontsloten had voor het zoo lang verstokte gemoed, toen was het ijs voor weldadige warmte gesmolten!

„Vader! ik heb zwaar gezondigd!” stamelde Leuchtstein.

„God zij gedankt, dat er vergeving is!” antwoordde de grijsaard.

En de kranke bloosde bij zijne bekentenis, en haperde dikwerf, eer hij het uitbragt, dat hij in Londen, in het geheim, deel had genomen aan eene bank, aan eene speelbank, die groote winst beloofde.

„Wie rijk willen worden, vallen in den strik,” zuchtte de gemoedelijke leeraar.

„Een’ avond,” voer Leuchtstein voort, „een avond, ik zie de vrouwe nog voor mij, – zij was schoon geweest; maar het spel doodt alle schoon! – zij zette veel in, en verloor, – zij zette meer in, en verloor andermaal, – zij zette ten derdemale in, en het was ten derdemale verlies – toen ging zij heen, het jongske waarmee zij binnengekomen was, aan hare hand, maar eerst wees zij het kind op mij – en – en –”

De kranke hijgde naar adem.

„Het kind kwam, geen vierde uurs later, weder binnen; het drong zich aan mij: het schreide: „Moeder is dood!” fluisterde het, zij heeft zich verdronken!... laat gij mijne hand. niet los, vrome man?”

Een druk van deernis was al het antwoord.

„Ik heb terstond hersteld, wat ik herstellen kon,” vezekerde Leuchtstein; „ik zou mij zelven hebben veracht, had ik langer deel behouden in eene onderneming, die op zulke offers stond; men weigerde mijnen inleg terug te geven; die oneerlijkheid deed een licht opgaan over – doch ik wil niet beschuldigen; ik, die zelf schuldig ben! – Voor het weinig dat ik overhield, besteedde ik het jongske bij eerlijke lieden; het was eene schrale voldoening voor eene moeder, al scheen die moeder aan het spel verslaafd! – Londen was mij ondragelijk geworden; – ik wilde, ik moest weg – o! de angsten, die ik leed, dat mijn patroon vermoeden, vragen zou, waar het kleine vermogen, dat ik verwierf, gebleven was, toen mij ten afscheidsgeschenk de keuze liet tusschen geld of gedachtenis, en ik het eerste koos!”

„En in die zonde en bij die boete vergat gij God?” vroeg de grijsaard.

„Ik was Hem vreemd geworden,” hernam Leuchtstein, huiverende; „Ik zocht mijn herstel in mij zelven, en ik slaagde bovenmate. Tien, twaalf jaren verstreken te Amsterdam, en zoo ik bijwijlen des nachts nog wakker schrikte, en het jongske voor mij zag, aan de hand zijner bleeke moeder, ik ontwaakte slechts, om mij te verheugen, dat die dagen voorbij waren, dat de gruwel vergeten was! – Vergeten? – Het geviel in den schouwburg, dat ik, de geprezene, de benijde, de vermogende man, mijnen blik dalen liet op een hoopje jonge lu – daar stond hij voor mij, die van mij zijne moeder had te eischen, die wist, dat ik een speler was, die mij mogelijk voor een’ valschen hield, als de overigen waren. Ik zag hem aan, of ik in zijne ziel lezen wilde; hij merkte mij niet op, – hij zag slechis het meisje, met hetwelk koutte, – dat mij liefhad. – O Mathilde! – In het stuk, dat gegeven werd, trad eene krankzinnige op, eene vrouw, die krankzinnig werd door eene ongehoorde lotwisseling; – van den troon gestort, zou zij door beulshanden worden onthoofd; zij scheen radeloos als ik, – maar wat weet ik, hoe het afliep? „Als hij mij herkend heeft, als hij mij aan het licht brengt,” schoot mij als een bliksemstraal door het hoofd, „dan worde ik ook gek!” – ik ben het geweest, vader! ik heb er Mathilde door verloren; zou er vergeving zijn voor mijne zondige ziel?”

„Geprezen zij de Heer!” hernam de grijsaard, „dat ook in de laatste ure berouw en bekeering volstaan!”

„O mijne moeder!” zuchtte Leuchtstein, en was niet meer!

1843.