E.J. POTGIETER (1808 – 1875)

LIEF EN LEED IN ’T GOOI

WIJ.

Was er iets daemonisch in de keuze van het air, dat de schalk floot? Wist hij, welk tooneel mij aan de bemoste plek achter dien wiegelenden dennentak boeide, toen hij op het oververwachts dat sein hooren deed?

„Komm in meijn Schloss, mein leben!
Es is nicht weit van hier –”

blies hij nog eens op zijne dwarsfluit, en de wellustige, verleidelijke noten stierven niet, maar kwijnden weg in de zoele middaglucht tusschen de digte gordijnen van gebladert in het Soester bosch. Het lieve paar in het verschiet, door mij, laat ik het bekennen, steelsgewijze gadegeslagen, werd er belangrijker door. Ik kon het den jongen man aanzien, dat het air uit den Don Juan van Mozart streelende herinneringen bij hem verlevendigde; maar hij staarde op zijne gade, en werd somber. Wat hij hij te vreezen? Vertrouwelijk sloeg hij de groote blaauwe oogen naar hem op; hij greep hare hand.

„Es hilft kein wiederstreben”,

klonk het; het ware onheusch van mij geweest niet te gaan. En toch dierf ik er welligt een bewijs door, waarmede ik een kampieon van de almagt der muzijk zoo gaarne geplaagd had, dat een allerliefste jonge vrouw, in de wittebroodsweken, die melodie bij gebrek der woorden, noch begreep, noch gevoelde.

„O de vleeschpotten van Egypte, mijn table d’ hte in Utrecht!” hoorde ik uitroepen, toen ik mijn zakboekje, waarin ik eenige regels nerkrabbelde, weggeborgen, en een vijftig schreden, in de rigting der toonen van de dwarsfluit, mijmerend afgelegd had.  „Albert, zeg mij, waarom was ik zoo dwaas me te gaan?”

„Brammetje”, was het antwoord, en de fluit zweeg, „ik anticipeer wel op hetgeen ik krijgen zal, maar niet op hetgeen ik worden moet. Hoe drommel kunt gij u verbeelden, jongenlief, dat ik lust heb regter te spelen, eer ik er deftig toe benoemd ben? De studie, waarom menschen zoo dwaas zijn, welk een allerprettigst verschiet!”

„Het onze is nog pleizieriger,” zei Brammetje; „geen middagmaal van daag!”

„Weet iemandt beter saus als honger tot de spijzen,
Of bedde dat zoo zacht als vaake slapen doet,
Weet iemandt beter smaak, in drank, als dorst te wijzen?”

riep ik, den hoek der struweelen omkomende, mijnen vrienden – want zij waren het, die mij geseind hadden – met de woorden van Hooft toe.

„Gooische pannekoeken, Brammetje!” schertste Albert.

„Ge zijt geroepen,” voerde de vierde onzer, een jeugdig schilder, mij lagchend te gemoet, terwijl hij een stuk vloeipapier over de teekening wierp, die hij op zijn veldstoeltje had nedergelegd „ge zijt geroepen om den hoogen raad voltallig te maken; de togt naar Hilversum is vergeefs geweest.”

„Vlijt u hier bij mij neder,” riep Brammetje: „het is geen ziel te vergen, na zulk een loop, met eene ledige maag, staande raad te plegen.”

Gun mij waarde lezer, de eer u mijn gezelschap voor te stellen, in de orde, waarin wij ons om hem plaatsen. Wij beginnen natuurlijk met het middelpunt.

Wanneer gij in Brammetje door zijnen eersten uitroep een student in de theologie vermoedet, bedroogt gij u niet; maar zoo gij hem, om zijne bezorgheid voor het middagmaal, schraal of rank waandet, vergistet gij u deerlijk. Ik weet u geen beter begrip van zijnen buik te geven, dan door u de vreugde te doen kennen, waarvan zijn hart overvloeide, toen zijn kleermaker hem vertelde, dat de mode ons dit jaar rokken bestemde, welke niet waren digt te knoopen. „Hoezee!” riep hij uit: „zulk een frak bevalt mij, – hoe luijer ik ben, hoe gezonder ik worde – een rok, die niet aan het licht brengt, wat ik dagelijk win, is een ideaaltje. Het is zoo vervelend te hooren: „ Wel man! je moet goede dagen hebben; je kleeren worden je te naauw;” alsof ik voor mijn verdriet aan de akademie was.” Men kwelle zich niet met de vrees, dat die omvang Brammetje later in het verkrijgen van een beroep hinderlijk zal zijn: de boeren eischen niet minder  een man van gewigt, dan een wigtig man. En het ontbreekt zijnen geest niet… Maar ik heb u slechts den uiterlijken mensch voor te stellen; in gezelschap is men te beleefd, iets meer te eischen. Het logge lijf in de stralen der zon koesterende, deed hij op dat oogenblik een elzen twijg den dubbelen post van vliegewaaijer en zonnescherm waarnemen; op zijn blozend gezigt lag eene uitdrukking van ontevredenheid, welker oorzaak u reeds bekend is.

En nu de fluitspeler, Albert, wiens witte zomerpantalon en zwart fluweelen jasje de rankheid zijner gestalte fraai deed uitkomen, en die, terwijl hij zich ter zijde van Brammetje op eene boomtronk plaatste, den breed geranden hoed van geel stroo uit de oogen schoof. Zoo ik u in vertrouwen toefluister, dat hij een jongeling van smaak was, dan heeft hij geen blank gezigt, geene blonde haren, geene fletse, blaauwe oogen, maar een bruin gelaat en zwarte lokken, en donkere kijker vol vuur en geest. Wie, die deze mist, en er niet gaarne allerbespottelijkst uitziet, zou zich aan dien zuideliken tooi durven wagen, welke door zeven achtste onzer zomerdagen gegispt wordt? De linkerhand van mijn vriend liefkoosde een reusachtig grooten hond, op wiens zilveren halsband men in het Jonkheer, dat den naam des eigenaars voorafging, het bewijs van zijnen adel las. De edele lijnen van Alberts gelaat werspraken die hooge geboorte niet. In Duitsland ware hij op het eerste gezigt met een Euer Gnaden begroet.

Er is dikwijls geklaagd, dat het de voortbrengsels onzer hedendaagsche schilderschool aan pozij ontbreekt: ik heb opgemerkt, dat onze jeugdige volgelingen van Apelles dit gebrek trachten te vergoeden door er zoo potisch mogelijk uit te zien. Als ware aan het dragen eener muts, zoo als Rembrandt er droge, het bezit van een talent als het zijne verknocht, plooit de ijdelheid van den onbeduidendsten beuzelaar in verwen zich zwart fluweel om den schedel. Asl bestond de vrijheid van den kunstenaar in het schenden van de wetten der wellevendheid en de gebruiken der maatschappij, leggen de knoeijers in de kunst, gespoord, een bezoek bij u af, en treden zij met knevels in het burgerlijk leven op, schoon hun zwaard even ver te zoeken is als hun paard. Mijn vriend droeg noch het een, nog het ander; geene muts op zijn Rembrantsch, geene sporen te voet, geene knevels in vredestijd, zelfs geen golvende haren, niet eens een naakten hals. Hij zag er zoo min bijzonder uit, als gij of ik het doen; slechts zijne oogen verrieden, dat hij een kunstenaar was. Liefde voor eenvoudig natuurschoon had hem het plat van ons togtje in het Gooi – hij nam in den ruimer zin van vroeger tijd – doen ontwerpen; Albert was medegegaan, om zich te amuseren, Brammetje ter betere digestie, en ik – het zal u blijken.

„Het is te Hilversum als overal,” zeide Brammetje, terwijl hij zich half van zijn veelkleurig leger oprigte, om zijne klagt uit te boezemen: „’t zou u gaarne logeren: mijnheer! maar mij huis is vol Amsterdammers.” – „Studenten zien op geen flesch”, mogt ik zeggen – „Amsterdammers zitten ook op geen droogje.” was het antwoord. – „Twee kamers, waard! ik heb te Utrecht nog al kennissen onder den adel, en zou je kunnen aanbevelen.”

Albert glimlachte.

„Kooplui zijn scheuterig, mijnheer!” zei de vent.

„En ge gaaft uwen schimmel de sporen?” vroeg Otto – het was de voornaam des schilders.

„Dat minder,” hernam Brammetje: „de oude knol stiet zoo erg, dat ik liever te voet terug wandelde. Ik heb hem aan den toom naar den boer geleid.”

„Zou hij alleen niet naar stal zijn gedraafd?” schertste ik.

„Hij draaft even weinig uit liefhebberij, als ik het doe,” hervatte Brammetje: „maar waar zullen wij eten, vrienden! dat is de hoofdzaak. Lach vrij Willem!” – dat gold mij – „waarom anders schrijft en wrijft en drijft in de wereld?”

„Ge hadt er „kijft men” bij kunnen voegen.”

„Ik sla Baarn voor,” viel Otto bevredigend in.

„Dan pas ik,” riep de theologant: „het is nog geen drie weken geleden… en jongens, ik ben zoo kennelijk!”

„Uit duizenden,” hernam Albert. „Dat te Soestdijk!”

Daar hangt de schaar in de Lindeboom,” antwoordde eene stem.

„Of te Eemnes?” vroeg Otto.

„Bravo!” borst Albert vrolijk uit: „maar,” voegde hij er verlegen bij, „en echter,” liet hij er op volgen, „zoo gij haar…”

„Schenk wijn of water in,” riep Brammetje. „Wat dit voor een mengsel is…”

„Jongelui,” hernam de jurist, „ten prijs der confidentie, die ik u ga doen, eisch ik de belofte, ga een van u drien mijn medeminnaar zal worden.”

„Laat hooren!”antwoordde de schilder.

„Van mij hebt ge niets te vreezen; ik ben al drie jaren gengageerd,” zei Brammetje, „en mijn proeftijd zal een proeftijd Jacobs zijn: drie jaren nog voordat mijne dissertatie klaar is, en dan drie jaren voordat ik een beroep heb.”

„Liefde is zulk een onwillekeurige hartstogt!” was mijne bedenking.

„En zulk eene uitspannig!” hervatte Albert. „Hoe vervelend scheen mij dit bosch, eer ik er haar in aantrof, toen gij Willem, op jagt waart gegaan, en Otto zijn zwart krijt puntte. Hij verspilde al zijne welsprekendheid – ik meen die zijner oogen, – op het afwisselende licht en bruin van het rietendak der boerenwoning, in het verschiet. En ik benijdde hem zijne fantasie, toen hij een paar trekkebekkende duiven, op een til, dat slechts in zijne verbeelding bestond aardig contrasteerde met drie plukharende jongens – de droes weet, waar hij ze zag. „Moedertje!” riep hij, en het werd mij te bang, want hij getroostte zich een praatje met de vrouw over den velen regen en haar jongste kind, en de rijpe boekweit en de hooge pach, allerbelangrijkst in den landelijke roman – dat is, een roman daar men het land van krijgt – en ik ging. Zie niet zuur, Otto. Op uwe schets maakt het allerliefste wijfje, dat de bolle wangen van den jongen knijpt, eer zij hem de borst gaat geven, een effect om te stelen. Had ik het kunnen voorzien, ik was misschien niet gegaan.”

„Zoo gij zeker gezegd hadt ware het een compliment geweest.”

„Het zou jammer geweest zijn, Willem. Op geen honderd schreden afstands werd ik een gestalte gewaar… Zoo Juno noot den gordel van Venus had geleend, ik had deze bij die der hemelkoningin vergeleken. Maar het faalde mijner verrassing aan geenerlei bevalligheid.”

„Verbazend!” viel Brammetje in. „Ik heb tusschen hier en Hilversum slechts stof en zan, zand en stof gezien.”

„Zij was schoon,” vervolgde Albert, „het zij ze, met de kleine hand op het sierlijke zonnescherm leunende, het bosch gadesloeg, of, voor mij uitzwevende, mos noch gras, door den tred harer kleine, lieve, fijne voetjes kreukte, of zich bukte, om eene woudbloem te plukken, waarvan zij reeds een sierlijk ruikertje verzameld had. Ik sloeg een zijpad in…”

Brammetje haalde ongeduldig zijn horlogie uit.

„Ik sloeg een zijpad in, maar ik volgde het niet verder, Brammetje, dan tot daar, waar eene kronkeling des wegs mij gelegenheid schonk, den afstand van drie dennen van mijne schoone te winnen. Er was geen beter middel ter bereiking van mijn doel. Het gelukte mij; ik was haar voor – en, buigende der bekoorlijke genaderd, zeide ik: „Mejuffrouw!” ”

Vermetele!” riep Otto.

„Haar gelaat was te schoon om het niet te zijn,” hervatte Albert. „Noem er mij fat om zooveel gij wilt, zij scheen meer verrast dan ontsteld. „Monsieur,” antwoordde zij; lompert als ik was, een jager volgde haar! „Mademoiselle,” verbeterde ik, en reikte haar een souvenir over, hetwelk ik vermoedde dat zij verloren had, en waarvan ik mij gelukkig schatte, de vinder te zijn, dewijl mijne bescheidenheid mij verboden had hare zoete geheimen – gij weet, zulk een phrase eindigt met een lach of een blos. Er straalt toch uit zuidelijke oogen eene betooverende bekoorlijkheid, jongelui, waarvan wij geen begrip hebben! Er schuilt in zuidelijke manieren iets bevalligs…”

„Nam zij uw souvernier aan?” vroeg Otto.

„Gij  waart verloren geweest, zoo zij het gedaan had,” zei Brammetje. „Er staat rijp en groen in.”

„En zijne discretie,” merkte ik aan.

„Zij had mij gered,” ging Albert voor. „Zoo zij het al geopend had, was het van een ander geweest; maar elle n’avait rien perdu.”

Pas mme son cœur,” schertse ik.

Nous verrons,” antwoordde de jurist. „Zij logeert te Eemnes; een gebroken wiel harer reiskoets verplift haar er van daag te blijven.”

„Waarachtig, vrienden, als wij er niet dadelijk heen wandelen,” ik behoef niet te zeggen, wie er op aandrong, „dan zullen wij ons niet over den kok mogen beklagen; ieder kwartier, hem beknibbeld, is een schotel minder.”

„Het einde van uw avontuur, Albert!”

„Maar er is nog geen einde,” antwoordde hij mij, terwijl hij zijn lieveling Ador riep, en Otto de strikken van zijn portefeuille digtknoopte.

„Eerst moet ik uwe teekening zien.”

„Laat ons ruilen!”

„Wat?”

„Het versje, dat gij heden schreeft.”

„Tegen uwe teekening? Nooit, nu ik Albert’s beschrijving gehoord heb. Het zou u berouwen.”

„Onbeziens.”

Otto las; laat hij mij aan u voorstellen.


II

IN ’T BOSCH VAN SOEST.

1.
„Haagsche heeren,
Zei de deeren,
’k Zie ze geeren
    Over straat;
Maar vrijaadje,
Met een paadje,
In ’t bosschaadje,
    Dank je, maat!” –
2.
„ „Aardig zusje!
Met een kusje
Doof en blusch je,
    Sprak de guit,
Alle vonken
Die er blonken
In mijn lonken
    IJlings uit! ” ”
3.
„Al zijn dagen!
’t Waar te wagen;
’t Lastig vragen
    Had gedaan!
En de pronker
Van een jonker
Bood een flonker-
    Ring haar aan.
4.
„ „Ik vereer ’t je!” ”
„Dank je heertje!
Maar wat deertje? –
    „ „Oef, mijn hand…
„ „ Foei, hoe pruil je ” ” –
Claes! waar schuilje?
Linkert! druilje?
    ’t Geldt zijn pand!
5.
Met kwam Claesje,
’t Ele baasje
Als een haasje
    Vlood de wulp.
„ „Dartel kwantje!
Haal je pandje
Uit haar mandje
    In mijn stulp! ” ”

 


III

GIJ.

Ge hebtg een buiten, lezers, en ge laat het gaarne uit heuschheid, niet uit ijdelheid zien; maar waarom kwelt gij uwe bezoekers, door hen het gezelschap van uwen tuinman op te dringen? Hij is de vervelendste aller cicerones, die gisteren, heden en morgen het zelfde liedje opzegt: „Zulk een eilandje vindt mijnheer nergens elders.” Of: „Nu moest mevrouw links zien.” – Of: „heeren en dames, wat speurt gij in het verschiet?” enz. enz.

Schaft die kwade gewoonte af, bid ik u. Eischt niet langer een klinkend bewijs onzer dankbaarheid in eene gift aan uwen hovenier, waar wij, op tien schreden afstands van zijne steenen pas geschilderde, door wijngaard en klimop omslingerde woning, de bouwvallige hut der armoede zien. Heft eene schatting, zoo gij een cijns vordert voor een blik op uwen rijkdom; maar doet het niet ten behoeve van zijn welgevoed en welgekleed kroost; int haar voor de dreumels van den daglooner, die ginder, half in den natuurstaat, op den weg spelen. En mogt uw vertrouwen op onze bescheidenheid u een krans dallelin of een tuiltje vergeet-mij-nietjes, of een handvol lindebloesems, of een boqyet rozen – die voorwerpen der sentimentele steelzucht – kosten, wat nood? Windt uwe schadeloosstelling in het zuiverder genot, dat gij er allen door zult doen smaken, voor wie uw gebladerte dan in waarheid schaduw zal hebben gespreid, het vischje uit uw vijver spartelend naar boven zal zijn geschoten, de nachtegaal in den hoogen olm zijn klagt vertrouwelijk zal hebben gekweeld.

Of gij hebt geen buiten, lezers, maar ziet gaaren die van anderen, zonder eenigen wegwijzer dan uw open zin voor het schoone der natuur. Volgt ons voorbeeld, zoolang mijne stem geen ingang vindt; wij hadden in den lusthoft, die Eemnes zoo vermaard maakt, slechts onzen schilder tot gids. Wilt gij in het geheim worden ingewijd? Otto had zich een witten zijden zakdoek, als een schootsvel, om het lijf gestrikt; het was genoeg, om de tuinlieden te verschalken. Toch zou het niet billijk zijn, zoo ik hun snuggerheid te kort deed, door te verzwijgen, dat de list te beter gelukte, dewijl hunne aandacht door een overvloed van andere nieuwsgierigheden van ons werd afgeleid. Hoe genoten wij, in allerijl de balanceer-brug overgewipt, de verrassendste partijen der heerlijke plaats naar lust en wil! Zouden wij half zoo veel bewonderd hebben, indien wij gedwongen waren geweest stil te staan, waar de tuinier adem had willen scheppen? De uitdrukking is onjuist, zoo wij als schoothondjes hadden moeten volgen, werwaarts hij het touwtje zou hebben getrokken, en het buiten voor gezien moeten houden, zoodra het hem behaargd zou hebben de hand uit te steken, met een: „En nu, mijne heeren!” Ik twijfel er aan. Toen ik de talrijke vreemdelingen, van welke ik gewaagde, onder de leiding dier dienstbare geesten eerst de eene en toen de andere zijde van het water – die lion der plaats – langs zag drentelen, dacht ik aan de afwisselende uitspanning van den kwaker, die nu eens den regter duim om den linker draaide, en dan eens den linker om den regter, maar die toch altijd draaijende bleef.

Albert vermeide zich in de beschouwing van het hooge geboomte; Otto’s oogen verslonden de kleurschakering van water en oever; mij boeiden de bruine beuken in het midden van den stroom. Er was iets karakteristieks, in wat elk onzer het meest aantrok. De adelijke had op met die zonen des wouds, welke, zoo ver hunne bladerkroon reiken, geene mededingers dulden. Het is, of zij aan alle jeugdiger broeders, die het wagen den afstand, welke zij voorschrijven, te overschrijden, groei en bloei ontzeggen. Maar hoe liefderijk beschutten zij daarentegen voor zonnebrand en regenvlaag eene wereld van kruipers en heesters, veldbloemen en grashalmen, eene wereld aan hunnen voeten – Wellig rezen er bij onzen jurist herinneringen op, hoe zijn geslacht weleer dien eik geleek.

„Ik geloof waarlijk,” zeide hij, „dat ik zooveel van de oude stammen houde, omdat het niet in de magt van den nieuwelings rijke staat, die te scheppen.”

„Wel die te koopen, Albert,” was mijn antwoord.

„Wat is koop bij erf?” hernam hij. „ „Het zijn gedenkteekenen, die mijn bet-overgrootvader zich gesticht heeft,” ” dat zegt men met opgeheven hoofde en verbreede borst. Maar: „ „ja, ik weet het waarlijk niet – onze familie is zoo verstrooid – toen die boomen geplant werden – was er geen zus of zoo in Holland.” ” Hoe zegt men dat, zonder te denken, dat zijne voorzaten toen misschien dorschten of rooiden?”

Vlegels of vee waren,” schertste Otto.

„Foei, een landgoed zou mij liever zijn, zoo ik het mij verworven had, dan wanneer het mij vermaakt ware”, viel ik in.

„Burgerlijke trots,” beweerde Albert.

„O gij bewonderaars der schoone natuur!” riep de schilder uit: „aan wien behoort dat bosch en die stroom dan aan nimfen en najaden, een geslacht, dat er in heerschte, voor dat het uwe bestond, Albert; dat al het prozasme onzes tijds, Willem er niet uit verdrijven kan. Het is middag, en de speelzieken schuilen in grotten en zalen, waaruit niemand, die ze aanschouwde, ooit wederkeerde; maar laat de schemering invallen, en ge zult haar door het loover zien zweven en op de golfjes zien dansen.”

„En aan wien behoort dat eilandje, door bruine beuken in eeuwige duisternis gehuld, dan aan de sombere pozij onzer dagen, die eene klagelijke klagte klaagt…”

Mijn volzin bleef onvoltooid; er ruischte iets door het loover: daar trad zij langs ons heen, de schoone van Albert uit het Soester bosch, gevolgd door haren onafscheidelijken jager! Onze reisgenoot had hare schoonheid niet te hoog geprezen. Ofschoon er iets grilligs was in haren tooi, stond deze haar uitmuntend. De half van hare schouderen afgegleden roode shawl liet al de evenredigheid eener buste zien, die het wagen mogt de tressen en strikken te dragen, welke de geliefkoosde sieraden der poolsche schoonen. Hare vormen waren weelderig genoeg, om niet onder dien rijkdom weg te zinken.

De jurist sprong op als een getroffen hert, en wilde haar met eene ligte buiging naderen; een opslag harer donkere oogen werhield hem.

Zij moest de mimiek bestudeerd hebben, om dien indruk te weeg te brengen; ook was er evenveel talent als natuur in dien blik.

Maar zijne beschroomdheid bleek voorbijgaande te zijn, als de schaduw van het wolkje, dat over onze hoofden dreef. Hij wenkte Ador; en wat het dier zoeken moest, een vogel of een blaadje, ik weet het niet, maar de schoone, door zijne vaart verschrikt, zag schichtig naar ons om, en Albert was haar op zijde.

„Waar schuilt ge, jongelui. Volg mij, en help me!” klonk het eensklaps achter ons; – waarom keer ook ik mij om? „Die partij, die verwenschte partij!” Het was Brammetje, die ons hijgend gezocht en eindelijk gevonden had.

„Welke?” vroeg Otto.

En ik had mijn hoofd reeds weder in de vroegere rigting gewend; maar, helaas, de schoone en Albert waren verdwenen. „Eene – teleur – stelling!” klaagde ik.

„Vindt ge niet, Willem?” hernam Brammetje, bij misverstand: „maar ik durf zeggen, wanneer gij mij niet tot hofmeester hadt aangesteld, het zou er bitter hebben uitgezien. „De heeren kunnen hier slapen,” zei deze hospes: „dat gaat aan; want dan is de partij over; maar eten, vrouw? hoe zouden wij het schikken? alles is voor de partij bezet.” – „Dat is eene verkeerde leer, man,” was mijn antwoord: „eerst eten en dan slapen.” ”

„Maar werwaarts troont gij mij, vriend,” vroeg Otto, wien Brammetje onder den arm had genomen.

„Wel, naar het djener la fourchette: ik heb het ginder voor drievierde zelf gereed gezet; want door die verwenschte…”

„Partij,” scherste Otto.

„Zult gij ons eindelijk zeggen welke, Brammetje?”

„Als ik mij eerst getablisseerd heb, Willem;” – en wij naderden de hermitage. „Jongens, het ziet er nog povertjes uit,” zeide hij, een blik op het tafeltje werpende, „mais on fait ce qu’on peut ce qu’on veut;” en hij schoof een stoeltje onder zijn voeten. – „Zit niet in de zon, Otto; dat eet niet prettig.” Met de punt van het servet droogde hij zijn glas om. „Schenk eens in, Willem; ik heb dorst van al het praten. – Hm, hm! niet van de beste, waard! – Maar zeg, waar is Albert?”

„Dat is een raadsel als uwe partij, Brammetje.”

„Zoo, valt er niet op hem te wachten? Dan moet hij zich schadeloos stellen, als wij te Baarn komen – ik heb er een souper besteld. Bij den avond zie ik geen gevaar in het Regthuis te Eemnes kan men niet dan slapen. En dat zullen wij na zulk een dag – ge wildet van de partij weten. „Eene koningstafel, mijnheer!” zei de hospes: „ik durf zeggen, dat alles kostelijkis; maar ge moet ook niet naar de kosten vragen!” – Die karbonaden zouden goed zijn, zoo het zout er niet uit vergeten was. – „Een deftig gezelschap, een deftige disch,” ging de hospes voort; de duivel hale zijn deftigheid! Hoe nu, Seltzer-water en Bordeau-wijn, maar geen citroen? – Hola, Jan!”

De knecht antwoordde, als alle knechts: „Als het u blieft, mijnheer!” en hij deed als vele, hij ging verder.

„Ik zeg hier, Jan!”

„Maar de partij, mijnheer!”

„De gansche wereld is hier bezeten door die verwenschte partij.”

„En wij weten nog niet welke!”

„Maar Willem, hebt ge dan dat legio van heeren in het zwart – reik mij de peper eens aan, de bus is leg, de partij moet gepeperd, – maar hebt ge dan dien sleep van dames niet gezien? Een zilvren bruiloft, dacht ik in mijzelven, zoodra ik hen van verre gewaar werd; – ik heb een instinct voor zulk een soort van feesten. Livreiknechts, die bedaard, dat wil zeggen, niet beschonken zijn, – jonge meisjes, die zich gruwelijk vervelen, – heeren, wien men het aan kan zien, dat zij liever bij hunne zaken waren gebleven, – dames, wie het ijsselijk hindert te moeten bekennen, dat zij voor vijfentwintig jaren toch een dagje jonger waren – en een hospes, die u dol maakt door een gerel, dat alles bij hem allerlekkerst, maar ook allerfatsoenlijkst zal zijn. Dat is eene zilveren bruiloft in eene Amsterdamsche regeringsfamilie, – wat wilt ge wedden? De kaas, Otto!”

„Brammetje, Brammetje!” antwoordde de schilder, „hoe zult gij eens de genoegens van den echt schetsen?”

„Bij ondervinding,” was mijn antwoord.

„Spotter!” hernam de theologant, „de flesch, als ge wilt!”

„Als ge vijfentwintig jaren gehuwd zijt, zult gij het luidruchtige, dartele, overdadige niet meer voor bewijzen van ware vreugde houden.”

„Eene koningstafel!” viel Brammetje in.

„Stille dankbaarheid voor de weldaden u geschonken, een zwijgende blik op het kroost, waarin gij u herleven ziet.”

„Fijne wijnen, Willem! De waard heeft mij van avond op een proefje genoodigd; ik zal woord houden.”

„De bescheiden hoop, Brammetje, dat gij, omgeven door dezelfde vrienden, uw gouden bruiloft zult vieren!”

„Dacht ik het niet?” hervatte de theologant; „het gewoon slot van een vers bij die gelegenheden; zelfs poten weten er geene verscheidenheid in te brengen; een dronk is ook hun besluit. Hoeveel ik er van houde, daar past hij niet; zulke herinneringen zij te ernstig voor een maaltijd is te zinnelijk voor de herinneringen.”

„Waarlijk, Brammetje?”

„Op eene fransche zilveren bruiloft laat ik het gaan. Jongens, ik heb een historie voor je.”

„Vertel,” zie de schilder.

„Dien mij eerst nog eens van die pasteitjes,” hernam Brammetje. „Het was een curieus gesprek tusschen een jager en een koetsier, – die dingen zijn waarlijk zoo kwaad niet; – maar ik heb slechts drievierde gehoord; want de hospes bleef al voortrazen over zijne partij, ge moogt het ontbrekende aanvullen. „ „Supkroptf,” ” sprak de jager tot den koetsier – een welluidende naampje, vindt gij niet? – „ „Supkroptf, viert men in Rusland de vingtcinquaines nog?” ” – „En waarom niet?” antwoordde de held van den bok. „Entre deux jongens, ik wou dat ik Russicsh kon.”

„Mijn hemel, waarom?” vroeg Otto.

„Er viel een bluf te slaan over de herkomst van dat woord bok, in verband gebragt met de lange baarden der russische koetsiers; de sik van deze doet voor dien van geen gehoornde onder; hij is honderd gulden waard voor een liefhebber. Maar tot mijne vertelling! „En waarom niet, Jasmin?” zeide Supkroptf – „Wel, het is oorlog geweest.” – „En wat zou dat?” zei Supkroptf. – „Dan gebeuren er mirakelen,” antwoordde Jasmin. Het is jammer, vrienden, maar het is toch waar: de hospes schreeuwde op dat oogenblik zoo luid: „Joannes, breek vooral die flesschen niet!” dat ik onwillekeurig naar den champagne keek, en Jasmin en Supkroptf vergat. Maar daar hoorde ik den eerste wer: „Babet!” zei mijn vader, „wij zullen hem vieren.” „En een voorbeeld van goede zeden geven, Colin!” – „Elf zonen en negen dochters, Babet!” – „Maar als zij gij zoudt opbiechten, Colin!” – „Ils sont passs, ces jours de fte!” – „Et nous trinquerons la paix, Colin!” – „En toch, Supkroptf!” dr liet de hospes een schotel vallen, waarop een tempel der huwelijkstrouw staan moest. „Zoo als ik zei, Supkroptf, trouw nooit, als ge aan geen mirakelen gelooft!”

Wij lachten. „Fransche moraal,” zeide ik.

„Toegestemd,” riep Brammetje. „Te onzent ongehoord.”

„Wandelt ge mede?” vroeg de schilder hem, opstaande.

„Dank u,” was het antwoord.

„Albert mogt komen.”

„Daarom minder,” meende Brammetje: „hij zal liever, groot scheeps, te Baarn souperen; maar de siesta is eene weelde, waarvan ik geen afstand toe. Dool zoo ver als ge wilt, maar zorg dat ge voor acht ure hier zijt. Au revoir!”

En met de beenen op een bankje uitgestrekt, dutte hij, terwijl ik met Otto de schoonste plekken dier streek bewonderde, waarin de rogge, het vlas en de boekweit slechts gezaaid schijnen, om het oog te verrukken. Hoe zou ik het durven wagen u eene schets te geven van dat veelkleurig veldtapijt!

Veldtapijt zeg ik, en doe der bewegelijkheid te kort, die het tooneel zoo belangrijk maakt. Het windje ruischt, en de wateren van dien goudstroom schijnen zaam te zullen vlieten met de blanke golven, van dat oproerig meir; het windje zwijgt, en het is of ginder vloeijend zilver om het smaragd van het vlas kronkelt. Hoofdschuddende verwijt gij mij, dat ik rijkdom schilder, en geene schoonheid. Lezers, gaat het zelf zien!

Hoe benijdde ik Otto, dier er meer dan herinneringen van bewaren mogt!

Maar Eemnes heeft nog eenen anderen indruk op mij gemaakt, dan dien zijner bevallige landschappen. Hij werd het levendigst, toen ik den schilder in het elzenboschje verlaten had, en in het dorp met eene goede, vrome best koutte. Hij blijke u uit het volgende stukje: mogt het u ter navolging aansporen! Weinigen uwer zijn rijk, gelijk hij was; maar ik zal u gelukkig noemen, zoo gij u zelven de getuigenis durft geven, dat ge hem in algemeene welwillendheid evenaart. Er u het beminnelijke van te schetsen, ware vermetelheid: wie weet niet, dat Nederlands eerste redenaar ons in de schilderij dier deugd een meesterstuk schonk, dat even veel eer doet aan zijn hart als aan zijnen geest?


IV

HET GROOTJE VAN EEMNES.

1.
Er was rouwe op het huis.
    Er was rouwe in de kluis,
        Toen de Heer ons geheel had geworpen;
Want zoo lang als hij leed,
    Ging een biddende kreet
        Als een offerand op uit de dorpen.
2.
Toen de doodsmare kwam,
    Zie, mijn wangen zijn stram,
        Maar ik schreide als het kind van mijn kindren!
In der schamelen nood
    Gaf hij meer nog dan brood,
        Als een vriend had hij troost voor zijn mindren.
3.
O hoe heugt mij de dag,
    Toen mijn bitter geklag
        Mij geen uitstel der pacht mogt verwerven!
En ik wenschte bij Reyn
    Op het kerkhof te zijn,
        Zoo mijn weezen ook mij konden derven
4.
Het werd nooit mij verteld,
    Wie het hem heeft gemeld,
        Maar hij kwam eer de schemering daalde;
En ’t mag stervend zijn geest
    Nog ten troost zijn geweest,
        Dat hij ’t zoo voor de weduw betaalde.
5.
Want voor arm en voor rijk
    Is het doodsbed gelijk;
        Aller laatste is een bede om ontferming;
Hij werd zeker verhoord!
    Was hij steeds, naar Gods woord,
        Den verdrukten geen schild ter beschermin?
6.
Ik ben de eenige niet;
    Neen, zoo ver in ’t verschiet
        Uit de schouwen daar rookwolkjes rijzen,
En ge sikkels in ’t graan
    Door de Eemnessers ziet slaan,
        Blijven dankbare harten hem prijzen

V

HIJ.

Uit den regen in den drop, het arme Brammetje, het arme Brammetje! Wij soupeerden te Baarn in het Regthuis; maar hij, die zich den ganschen middag met dat vooruitzigt gevleid had, genoot er slechts den geur der spijzen en het gezigt van den wijn. Die onverzoenlijke wraakgodin!

„Wat ik nog vergeten heb te zeggen, en wat eigenlijk het principaalste is,” merkte een van de ijverigste priesters der Baarnsche Themis aan, terwijl wij er aan het dessert zaten, hij namelijk, met Albert, Otto, en ik, „er is meer gelijk dan eigen, en zoo ik uwen oppasser op straat ontmoet had, ik zou hem door een paar van mijn trawanten de poets betaald hebben gezet, die der student mij speelde. Zes flesschen Rhijnwijn!”

„Het zou een nieuw bewijs zijn geweest, hoe onregtvaardig soms de geregtheid is,” hernam Albert: „het verheugt mij, er u voor te hebben behoed. Hein, geef mijnheer toch een schoon bord!”

En Brammetje – wat hij was het, die aldus werd aangesproken en ons bediende, waar hij zichzelven zoo gaarne bediend had – Brammetej nam het bord weg, en stortte den wijn en de aardbeijen, er op overgebleven, over den kraag van den priester der Baarnsche Themis, zoodat zijn overhemd er den volgenden dag nog sporen van droeg.

„Lompert! schaam je! Vergiffenis, mijnheer!,” bad Albert. „Ja, de jongen is onhandig, – maar ook vlijtig, trouw en eerlijk zonder voorbeeld. Wat ziet hij er welgedaan uit, en toch is hij lid van het matigheidsgenootschap! En hij is het niet als drievierde van die heeren: onthouding in de graantjes, mits overdaad in den wijn. Hij drinkt nooit dan water!”

„Ik zou er op hebben willen zweren,” antwoordde onze gast verwonderd, „dat het tegendeel waar was, want – wat ik nog vergeten heb te zeggen, en wat eigenlijk het principaalste is – toen gij binnenkwaamt, zei ik in mijzelven: „Daar heb je den likkebror van mijn Rhijnwijn!” ”

Ik kon het Brammetje aanzien, dat die herinnering eene groene plek in zijne zandwoestijn was.

„En zie, mijne heeren!” voer de man voort, „eene flesch of zes is wel de heele wereld niet, maar ik had ze door gelegenheid van een vriend uit Rotterdam, die een kenner is; en wat ik nog vergeten heb te zeggen, en wat eigenlijk het principaalste is, hij was bestond voor de verjaring van mijn dochtertje, dat…”

„Een lief kind is?” vroeg Albert.

„Een engel om te stelen, mijnheer!” – Brammetje zette groote oogen op – „des zondags heeft zij in de kerk meer bekijks dan al de jufvrouwen van den buitens.”

„Hm! hm!”

„Drink een glas water, Hein,” zei Otto: „ge hebt een leelijke kuch.”

„Waarlijk?” vervolgde Albert tot den ijverigen priester van Themis: „dan zal ik den student, die u zoo beet had, – hij is nog niet gengageerd, weet ge? – eens aanraden hier te komen preken; ge zoudt hem toch niet aanhouden, zoo als ge mijn oppasser woudt doen?”

„O, een stuivertje kan raar rollen, mijnheer; maar na de preek zou ik hem zeker een woordje in het oor bijten: het is een slecht leeraar, die „doet naar mijne woorden en niet naar mijne werken” leert, en zijn arbeid in mijn wijngaard…”

„Was de stichtelijkste niet,” viel Otto in.

„Wat zeg ik nog vergeten heb te zeggen, en wat eigenlijk het principaalste is, zes flesschen Rhijnwijn, mijnheer; hier, waar niemand dat merk had, waar ge het voor geen goud krijgen kunt…”

„Te Eemnes is hij zuur,” voegde Albert er tusschen.

„Hm! hm!”

„Die leelijke kuch! Een glas water, Hein!”

„En die,” wendde ik mij tot onzen gast, „voor de verjaring van uw dochtertje bestemd was…”

„Juist, mijnheer. Onze gansche familie was gevraagd, en mijn neef – de eerste klerk op onze secretarie – had een versje gemaakt, waarin hij ons Lotje bij den Rhijnwijn vergeleek. Begrijp nu, hoe gek het viel! Hij droeg het verschje toch voor…”

„Dat spreekt,” zeide eene stem.

„Bij het goud van Lotjes lokken had hij eene conditie – ja wel, er was geen Rhijnwijn; bij den glans van Lotjes oogen wer een – maar wie kan dien rooden wijn zien? En wat ik…”

„Was er dan geen middel om u van die lastige indringers te ontslaan?” vroeg ik.

„O, zoo ik niet met mijn been in het kussen had gezeten – „het pootje? papaatje! ons vaderland!” zeiden de spotters – ik zou ze getroefd hebben. Gij zaagt wel, hoe ik straks uwen oppasser in de borst greep.”

„De hals beefde als een riet,” getuigde Albert.

„’t Beertje liet zich grijpen als een lammetje,” merkte Otto aan.

„Hij werd zoo bleek als een handdoek.”

„Neen, mijnheer, rood als een boef; het is vreemd bij iemand, die slechts water drinkt.”

„Overmaat aan gezondheid,” verklaarde Otto.

„En zoo mijnheer de baron niet tusschenbeide was gekomen, zouden de knechts uit het Regthuis, dat sinds jaren mijn koffijhuis is, mij hebben bijgestaan.”

„Ik voorzag het,” zei Albert; „en om alle misverstand te doen ophouden…”

„Waart gij zoo vriendelijk, mij uit te noodigen, om met u te souperen. Met dit glas zij u dank gezegd!”

„Haast u niet, vriend! – Hein, ga zien of de calche voor is – Een boordevolletje, mijnheer; ik wil den goeden naaam der Akademie bij u herstellen.”

„Wel moogt gij er uw best toe doen; want, wat ik nog vergeten heb te zeggen, en wat eigenlijk het principaalste is, zij hebben zich verbaasd onkiesch gedragen. Toen mijne vrouw weigerde meer dan twee flesschen voor de vier studenten te geven, weet ge wat ze toen zeiden?„Twaalf kusjes, Lotje-lief, of nog twaalf glaasjes; papa zal het je niet weigeren.” En mijn dochtertje…”

„Gaf de kusjes?” vroeg Albert.

„Neen, mijnheer! Mijn eerbaar kind haalde nog wer een Niersteiner, en zoo vlogen nummer, drie, vier, vijf, tot zes toe…”

„Wel, het was doem, da zij wer binnenkwam.”

„De calche is voor, mijneheeren!”

„Als ge wilt, vrienden! – Hein!”

En de schalk fluisterd Brammetej iets in; de laatste, dat ik hoorde, was de raad om de knien gebogen te houden, als hij achter op het rijtuig zou staan, daar hij anders zeker kon zijn van er af te zullen vallen. „Ik ben dood nuchter,” antwoordde de theologant, de bezorgdheid van Albert miskennende, „en ik zal het u bewijzen.” Volmaakt in zijne rol, nam hij een kandelaar op, om de heeren uit te lichten.

En de ijverige priester der Baarnsche Themis vergezelde ons, dankende en buigende, tot aan de trede van het rijtuig.

„Vaartwel, mijneheeren!” riep hij. Daar blies iemand het licht uit, en onzacht werd een vierde bij Albert, Otto en mij in de calche geduwd. De onverwachte gaf geen geluid ter wereld. De trede was opgeslagen, het portier digtgemaakt.

„Voort, koetsier”

Dat was Brammetjes stem: hij stond dus achter op. Wie mogt het vreempje zijn?

„Houd stil!” riep Otto; maar de paarden renden voort als in eene spookgeschiedenis.

„Wie zijt gij, mijnheer?”

Geen antwoord dan de zweepslag des koetsiers, die eene passie scheen te hebben voor hollen.

„Onderzoek,” zeide ik: „alle nevelen klaren er voor op.”

En wij renden!

„Phantasie,” hernam Albert; „ik wed, dat het Lotje-lief is.”

Mijne uitgestoken had ontmoette een hard ligchaam

„Geen adelaarsneus,” zei ik.

„Die zijn meer raar dan fraai,” beweerde Albert.

„En een mond, mijneheeren, opengesperd als een leeuwenmuil en opgevuld met” – het maanlicht brak door de wolken en kwam mijner nieuwsgierigheid te hulp – „met een chinaasappel: onze gast van zoo even, vrienden!”

„Oef! – ik stik – oef! – wat – ik ver – geten…”

„Houd stil Brammetje!”

„Maar mijneheeren, waar voert ge mij heen? – laat er mij uit, smeek ik, – wat het principaalste is – mijne vrouw wacht mij – en Lotje-lief, mijnheer de baron – heb deernis.”

Wij hadden ze, maar Brammetje had er geen, en de koetsier zweepte zijn tweespan, als had het gansche hoogloffelijke geregt van Baarn ons op de hielen gezeten. Wij hadden ze, zeg ik, en toch vrees is, dat, zoo gij den man ooit spreekt, en hij niet wijs genoeg is te zeggen: „het gebeurde niet mij, maar mijn buurman,” hij zich ook mijner onbarmhartigheid zal beklagen. Ik heb nooit koddiger duo gehoord, dan Brammetje zegeschateren en zijn geroep om Lotje-lief.

Plotseling hield de calche, na een vierde uur harddravens, stil.

„Begeert ge voldoening, mijnheer?” zeide Brammetje, terwijl hij op de trede van het rijtuig stond: „maar ik geloof, dat onze rekening effen is. Ik heb uw Rhijnwijn gedronken, en gij hebt mijn souper gebruikt; het was tantalisatie voor tantalisatie. Schrik voor schrik zal ook zoo tamelijk gelijk staan: het vooruitzigt van een nacht in een hollend rijtuig door te hotsen – neen, de schaal slaat ten mijnen voordeele over. En daarom: begeert gij voldoening, mijnheer?”

„Ik ben over voldaan, mits gij er mij uitlaat.”

„Ge zult het afwisselend genot hebben van maneschijn en stortregen: wat zou het beste voor het pootje zijn?”

„Eene kennis, die ik u bij ervaring toewensch,” zeide de ijverige priester der Baarnsche Themis, toen hij op den straatweg stond: „maar wij ik vergeten heb te zeggen, en wat het principaalste was, mijnheer de baron, er is niet meer gelijk dan eigen; ik had juist gezien, en de geregtigheid…”

„Zou niet onregtvaardig geweest zijn,  Heer – aris!” hervatte Albert. Wat ik u bidden mag, lezer, vul het met Commiss noch Secret: in de man was geen van beide.

„De duivel hale mij, zoo ik ooit weder met studenten soupeer!”

San rancune, au plaisir.

Honderd groote schrijvers hebben den wonderbaarlijken invloed van het maanlicht beschreven: het was zonderling, dat bij ons slechts Brammetje er aan leed. Schaamde hij zich der vermomming, waardoor het vernuft van Albert hem voor den aanval van den vriend van Niersteiner had bewaard, waartoe de schalkheid van den jurist hem langer dan hem lief was had verpligt? Speet het hem, dat hij het gevaar niet door een heldhaftig besluit had gebraveerd? Te late moed is evenmin eene zeldzaamheid als bon mots d’escalier. Was de lof, dien Albert hem over het spelen zijner weinig eervolle rol toezwaaide, hem verdacht? De jurist had slechts ongaarne Eemnes verlaten, en er lag malice genoeg in zijn aard, op den epicurist een maal te doen derven, dewijl deze hem het genot der liefde ontzegd had.

Hoe belangrijk het zwijgende, peinzende, sombere Brammetje zijn mogt, mij hielden deze vragen niet bezig; want op Alberts schalke vraag, waar ik aan dacht, antwoordde ik hem met een allerliefsten regel van Hooft:

„’t Hailighjen daer ik bij zweere”

„Sympathie,” hernam de jurist: „ik dacht ook aan het mijne.”

„Onmogelijk,” voerde Otto hem te gemoet: „gij hebt er zoo velen als in den kalender staan.”

„Ik bid u om vergeving! Ieder dag eene, dat is wat Turksch; maar iedere week een andere, passe. De schoone uit het bosch zoud ik eene maand willen vieren.”

„Gij zijt de eenige niet,” hernam Otto.

Ik twijfel er aan, lezer, dat gij ooit beproefdet bij maanlicht in eene calche physionomische opmerkingen te maken; maar ik ben er zeker van, dat Albert in de zijne bij den schilder kwalijk slaagde. Eerst vreesde hij een censor in Otto, en verontschuldigde zich over zijn wisselzin; toen sprak hij van een draak, die de onbekende bewaakte en, even als hij, op haar verliefd was. Mijn vriend antwoordde op het een noch het ander, dan met een zucht: de jurist moest gelooven, dat hij een medeminnaar had; hij wilde er zich van overtuigen.

„Maar zeg, Otto, doet zijn mijn smaak geene eer aan? teekent hare houding geen adel…?”

„Als die eener koningin”

„Waarachtig; en meer dan haar schoon bevalt mij haar geest: zij heeft vernuft als eene romandichteres…”

„En de naviteit eener herderin.”

„Ei, ei! Ge hebt haar dus gesproken?” Otto knikte.

„Neen; maar vertel dan, of het u als mij ging; – doch gij zijt zeker op een eerbiediger afstand gebleven. Ik waagde het den toon aan te slaan, dien ik zeker verwachtte dat werklank bij haar zou vinden; ik was Fransch van top tot teen, maar legitimistisch; dat is hoffelijk, doch ondeugend, – fijn, maar vrij. Ai, hoe ze mij terugwees! Rou noch galant beviel haar, de Hemel weet hoe, zij praatte politiek, en ik – maar ge kent mij „Fi donc! un Hollandais et ultra-rouyaliste,” riep zij. Ik reefde zeil, en eer wij scheidden, was ik de l’extrme gauche; want zij schijnt eene Poolsche, schoon haar oude draak…”

„Wie?” vroeg Otto.

„Negen medeklinkers met twee vokalen, een Rus is, dat begrijpt ge. Welnu, ik meende, dat ik het spel gewonnen had met over Warschau te declameren, en de gravin Platen ten hemel te verheffen, als nooit iemand van onze familie deed; en wat was haar woord, toen wij scheidden: „Constance, Monsieur!” Maar geen schoone mond kusse mij meer, zo ik weet, wat zin zij er aan hechtte.”

„Zonderling.” hervatte Otto: „met mij was zij louter natuur; maar wij spraken ook slechts over het landschap…”

„En het zalige landleven, u en die hut…”

„Niets van dat alles,” hernam de schilder.

„Ik had het moeten voorzien,” zeide Albert. „Maar toch is het onbegrijpelijk, Otto, hoe zij u betooverd heeft, u, wien al de lieven van St. Maarten niet konden verzoenen…”

„Met de ongeregeldste stad van ons vaderland,” verdedigde zich de kunstenaar: „hier een Gotisch torentje, en daar eene zuilenrij van de hemel weet welke orde; ginder eenige echt hollandsche huizen, die ik zoo lief heb, om hun effect in een stadsgezigtje, naast wit gepleisterde graven op zijn brabandsch; en elders hangende tuinen van Semiramis, waarin ge op een bolwerk stuit, grimmig als de oude myterdragers.”

„Dat heet ik liefhebben!” lachte Albert: „de kunst namelijk. Maar, jongen, het gaat niet – een schilder, die Utrecht verwijt, dat het er veelkleurig uitziet.”

„Zoo gij een schilder onzes tijds gezegd hadt, uwe aanmerking zou even scherp als waar zijn geweest.”

„Ik ben er beleefd toe, Otto, en buitendien bevalt het bonte mij in het gezellig leven te zeer, dan dat ik het in de kunst laken wil. Er is iets zoo pikants in de verscheidenheid van lieve kennissen, die ik soms in den Dom vereenigd zie…”

„Die mishandelde kerk!” borst de schilder uit: „men zit op zijn gemak, waar men huiverend knielen moest.”

„De Dom viel niet te bespreken,” merkte de theologant aan.

„De Dom viel te bewonderen,” hernam Otto.

„Maar…”

„Een andermaal, Brammetje,” brak ik zijne bedenking af, tevreden dat ik het nie alleen was, wien de verhuisselijking van een onzer weinige gedenkteekenen van grootsche kunst gergerd had. „Ga voort, Albert!”

„Wij mij ergens,” riep de jurist, „zoo als ik het u daar kan doen, een snoeperig winkelmeisje, een preutsche patricische, een vrolijk krijgsmanskind, eene wijze professorstelg, eene rijke koopmansdochter, een stijve ambtenaarsnuf, eene aardige burgerdeerne, en eene ongenaakbare freule; wijs mij die ergens elders bij elkander, zoo gij kunt!”

„Verzuimt gij er daarom geene beurt?” vroeg Brammetje.

„De kalender,” lachte Otto.

„Welk een roman zou het zijn,” voer Albert voort, „zoo ik mijne amourettes met die allen vertelde! – welk eene kennis van het vrouwelijk hart zou er in uitblinken!… Maar er is nog licht op hare kamer.”

Wij waren te Eemnes.

Vergun mij hier een beeld uit de streek in te lasschen; het verscheen mij dien nacht.


VI

HET KLOOSTER MARINBURG.

1.
Maarten van Rossem kwam!
        Hoog slaat de vlam
’t Sift der Brigitten uit;
        Rijk is de buit.
Maar, wie de nonnen kust,
Of bij den beker rust,
Of naar het werpsel ziet,
Wouter de wilde niet;

Hij ligt in ’t eikenbosch,
        Bloedende, op ’t mos.
2.
„Bid voor de ziele mijn,
        Vroom nonekijn!
Ik heb van jongs af aan
        Oevels gedaan:
Sinds ik de wapen droeg,
Plonderde ik nooit genoeg;
Door de gracht, op den muur
Moordde ik in vloed en vuur.
Zorg dat ik, eer ik sterf,
        Aflaat ververv’”
3.
’t Harte met God in vre,
        Deert haar zijn wee,
Wenkt zij heur biechtvar toe
        Dat hij zich spo.
Zie, hij knielt naast hem ner;
Maar niet boetvaardig meer

Heft zich met vlammend oog
Wouter de wilde omhoog,

En in zijn hand de bus,
        Antwoordt hij dus:
4.
„Boete! ’t Was hoons genoeg,
        Dat mij versloeg
Dien ik op Fransche kust
        Kwelde naar lust!
Die van den ezel viel,
Wijl ik zijn teugel hiel,
En toen zijn buidel laf
’t Baardeloos jongske gaf,
Dat flink zijn proefstuk deed, –
        ’k Peis dat gij ’t weet!”
5.
„Wrake!” en de busse knalt…
        Zie hoe hij valt!
’t Koorhemd met bloed bemorst,
        ’t Lood in de borst.
„Staak nu, vroom nonnekijn,
’t Preevelen en vloeken dijn!
Hij vindt den hemel wel;
Ik weet den weg te hel;
’k Ben toch op ’t Haagsche feest
        Vaandrig geweest!”
6.
Keurmede? ai! mijn paard,
        Honderden waard,
Wordt aan uw stift gegund;
        Vang ’t, zoo gij kunt.
’t Werpt in zijn zachtsten draf
Nonnen en Paters af:
Beur uw Abdisse er op;
’t Schudt met den trotschen kop;
Hoe zij er scheef op zit!
        Ha, welk een rid!”
7.
„Wat is mij priesterbloed,
        Stervend nog zoet!”
Maarten van Rossums knecht
        Zwijmt als hij ’t zegt;
Maar vr zijn laatsten snik
Slaat hij nog eens den blik
Woest naar het laaije vuur,
Dat van den kloostermuur
Vonkelend nederspat:
        „’t Magnificat!

 


VII

ZIJ.

„Allerliefst!” zeide Albert, terwijl hij in verrukking op de schets der onbekende staarde, waarmede Otto ons den volgenden morgen aan het ontbijt verraste. „Allerliefst! Teekendet gij haar uit het hoofd?”

„Zij zat er voor,” viel de schilder in.

De jurist rustte niet voordat hij er de aanleiding toe wist. En Otto verhaalde – langer dan u lief zou zijn – dat de onbekende hem door haren jager had doen vragen, of hij de belangstelling eener bewonderaarster zijner kunst niet onbescheiden zou achten: zij had hem op zijn veldstoeltje aangetroffen, waar ik hem verliet. De lof van schoone lippen was ook hem zoo zoet geweest, dat hij haar zijn croquis had aangeboden. Met onwerstaanbare naviteit, zeide Otto (meende hij er de zegepraal der reine natuur over de kunst mede?) had zij hem daarop zijn talent benijd, maar er bijgevoegd, dat zij toch nog iets liever zou willen zijn dan landschapschilder, en wel…

„Portretschilder,” riep Albert: „elk meisje zou eene galerij van al hare minnaars willen bezitten.”

Otto schudde het hoofd; de lieve had gedweept met het genot zich in afwezigheid, zijne vrienden niet flaauwelijk te herinneren, maar hen sprekend voor zich te zien.

„Dat is eene dwaze vleijerij van uwe kunst,” viel eene stem in, „dat woordeke sprekend: eene schilderij moet een kunststuk blijven, en geen te getrouwe navolging der natuur worden.”

„Ge hebt er weinig voor te vreezen,” lachte Otto.

„En ge hingt haar,” vroeg Albert, „een tafereel op van het leiden eens portretschilders, die de onbeschaamdste aller jokkers en de grootste aller toovenaars moet zijn?”

„Toch niet,” zie Otto: „ik stemde het haar toe, mits al mijne vriendinnen haar geleken. En ik bad haar, zoo zij zich een vervelend kwartier getroosten wilde…”

„Allergalantst en allerzedigst, waarlijk!”

„Ik had er half berouw van, Albert; want het lieve kind, dat zelf hare pose koos, werd somber bij het staren op het medaillon.”

De jurist kon het haar aanzien, en in koddigen minnenijd putte hij zich uit gissingen, wie de held harer historie zijn mogt. Het leed weldra geen twijfel meer, dat deze jeugdige Pool was, die voor de vrijheid gestreden had, totdat Warschau viel, en toen door haar was gered. Hoe zou hij haar misschien van ontrouw verdenken, zij, die, slechts om voor hem de genade der ballingschap te verwerven, aan den ouden russischen draak – een generaal in Alberts schatting – hare hand had gegeven. Daarom zag zij zoo somber.

„Een heerlijk onderwerp voor een vers,” merkte ik aan: „maar welk bewijs hebt gij?”

„Hare kleeding, hare smart, hare positie…”

„Gij hebt mis,” riep Brammetje.

„Hoe, gij die haar niet eens zaagt?”

„Daarom ben ik juist de onpartijdigste regter,” zeide de theologant: „zij heeft mijne oogen niet verblind, en mijne verbeelding is niet uit haren leuningstoel opgesprongen, om als de uwe, eene heldin te zoeken op de rookende puinhoopen eener omwenteling. Als ik dit gezigt beschouw, dan herken ik er een rijk jodinnetje in, dat haar vader, een leelijk figuur, zeker zoo min mogelijk zien laat, en hem, als meer dochteren dan die van Isral zouden willen, naar hare pijpen dansen doet.”

„Foei!” hernam Albert, terwijl hij aan de schel trok, en daarop der binnekomende dienstmeid vroeg, waar de barbier bleef.

„Hij komt flusjes, mijnheer!”

„Welke is de middelbare tijd van flusjes, jongelui?”

„Bij dezen barbier?” vroeg ik den jurist; hij lachte. „Het zal er van afhangen,” ging ik voort, „of hij met zijn ezel of met zijn krukje komt.”

„Het gij gisteren den Figaro van het dorp opgezocht, Willem?”

„Zoo ik eene Eemnesser vertelling had willen schrijven, Otto, de inval was goud waard geweest. Maar ik ben een trek uit zijn leven aan den pluimgraaf van de plaats verpligt, Wij stonden voor het hok der casuarissen. „Leelijke beesten!” zei de pluim: „ik heb er menigen dus van gehad, en daar kon ik buiten.” Gij weet, vrienden, ik heb deernis met alle gevallene grootheid, hoe zou ik het dan niet met dezen man hebben gehad? Ik dacht aan de adelijke bediening van valkeniers van vroegeren tijd, en ik zag de bulten op zijnen arm, die hij aan een duw van mijnheer of mevrouw casuaris had dank te weten. „En hebt gij geen valken hier?” vroeg ik, nadat wij de goudfaizanten hadden bewonderd. „Valken, mijnheer? die hebben wij niet gezien sinds den lammen koning.” (Een mooi adjectief, in het voorbijhaan.) – „Het zou mijne liefhebberij zijn,” zeide ik. – „Ik wou dat mijnheer eene plaats had!” – „Dank je voor je wensch, vriend, ik wou het ook.” – „Dan zou mijnheer geen casuarissen houden.” – „Neen, vriend,” antwoordde ik, en zag naar het onbewolkte luchtruim, dat ik met patrijzen en valken, vrienden en vijanden, blooden en dapperen stoffeerde, terwijl het om mij heen wemelde van schoone jonkvrouwen en schalke paadjes. –  „En mijnheer zou immers ook geen ezels houden?” – „Ezels, vriend, hoe komt ge daaraan?” – „Wel mijnheer, ze zijn nog erger plaag dan de casuarissen, en zij vermenigvuldigen zoo sterk, dat het hier het ezelland zal worden, als het dat nu niet al is.” – „Mogelijk, man.” – „Ja mijnheer, de dames houden ezels, en de kinderen houden ezels; zelfs onze barbier houdt een ezel: maar hebt ge wel ooit een hollenden ezel gezien, mijnheer?” – „Neen, vriend.” – „Ik wel, mijnheer.” En er was iets zoo schelms in den opslag zijner oogen, dat ik vermoedde, dat er eene grap onder school. Het was zoo. „De ezel van den barbier balkte alle nachten,” zei de man; „mijne vrouw kon geen oog toedoen, en een kind met een ezelshoofd was mijn voorland.” – „Is daar een middel tegen?” vroeg ik; de pluim begreep mij slechts ten halve.

„Figaro, Figaro!” riep Albert, stampvoetende van ongeduld, „daar rijdt hare koets voor.”

„ „Laat Plato ’t haav’loos kinhaar zitten
„Apollo scheert zijn baard,”

hernam ik, – de jurist boog zich – „geduld, vriend; niet voordat mijne vertelling uit is, komt de barbier. „Je moest dat beest weg doen,” zei de pluim tot zijne oude kennis. „Zie je dan niet dat ik mank ben?” was het antwoord: „hoe zou ik gaauw genoeg naar de plaats komen, als een heer moet worden geblaseerd?” De man schijnt altijd van blaseeren te praten, als het heeren geldt; bij de boeren speelt hij St. Jacobje op hunne tronies! „Dan moet je hem op eene andere wei doen; als hij langer op deze blijft, komen er nog ongelukken van,” ging de pluim voort. „Wel, Arie” zei zijn oude kennis: „hier wassen juweeltjes van diestelen; waar zou mijn balkertje het beter hebben?” En de pluim wees den barbier schadelijke planten aan; doch de meester, die een kruidkenner is, schudde het hoofd en lachte hem uit. „Maar vrllagchen is geen kunst, nlagchen toont wetenschap,” verzekerde mij de gunsteling van mijnheer en mevrouw casuaris: „eene week daarna stond ik achter een boom, toen de blaseerder voorbij holde; zijn balkertje had andere kost gegeten dan juweeltjes van distelen. Zie, er stond laatst in de courant, dat wie op een stoomwagen zit, niets van de streek ziet, waar men doorrijdt; maar mijn barbiertje verging horen en zien allebei: hij schreeuwde als mijn leelijkert van een casuaris. Ik had nog nooit gehoord, dat iemand bezeerd werd door het hollen van een ezel, en mijn vrouw en mijn kind met een ezelshoofd was mij geen oogenblik uit de gedachten. Pof! – daar stiet balkertje tegen het hek. En met een zucht of wat – maar ik heb ook wel eens onder zijn mes gezucht – en met een schram of drie – op Pinkster liet hij er mij met vier loopen – kroop barbiertje uit zijn wagentje; en wat zei hij? „Arietje moet toch goed hebben gezien, dat er gevaarlijke kruiden op die weide wassen.” Hoe gerust wij sedert slapen, mijnheer! balkertje is verhuisd, en mijn jongste kind een knaap als een arend.”

„Dat de barbier zoo vlug ware!” riep Albert: hij schelde nog eens.

„Flusjes zal hij wel komen, mijnheer; hij pleegt zelden over te slaan; – of zullen wij er heen zenden? maar het is een half uur van hier.”

O phlegama!

„Zoo gij hem binnen een uur hier ziet,” zeide ik tot den jurist, „moogt gij van geluk spreken; een half uur voor de boodschap, en een half uur om den ezel te halen…”

„Het is niet uit te staan,” hernam Albert: „dat ik ook zulk een zwaren baard heb! Maar zie, daar brengt de jager de kussentjes al in de koets. Mooije patronen; zij heeft smaak; Amor en Psyche, een aardig rustbed voor een blanken arm.”

„En Bacchus en Ariadne,” voegde Brammetje er bij, zoodra hij het andere kussentje zag, „mijne lievelingshistorie, minder om het onbestorven weuwtje, dan om den levenslustigen bruidegom.”

„De hemel beware ons!” riep Otto: „zijn dat onderwerpen voor dames-tapijtwerk?”

„Zaagt gij liever Bijblesche behandeld?” vroeg een stem: „onze grootmoeders kozen Abigal en Suzanna.”

Mes respects ces dames,” viel Albert in; „maar luister Brammetje! Ik ben overtuigd, dat gij eene groote ziel hebt.”

„O wee!” antwoordde de theologant.

„Die vergeeft en vergeet.”

„Het laatste is zeldzaam; maar ik ken dat liedje.”

„Wilt gij mij eene dienst doen?”

„Zoo ik het niet dacht…”

„Ge zijt welsprekend als Demosthenes, Brammetje, en alle knechts uit het zuiden zijn geboren Figaro’s.”

„Ik begrijp u, Albert!”

„Zoo ge Jasmin vroegt.”

„En Supkroptf?”

„Foei, Brammetje!”

„Van nacht…”

„Stil!”

„Was het dan geene vergissing, Albert?”

„Het is mijn geheim, Brammetje!”

Wat school hier achter? de theologant zweeg, en Otto, die eene geruime poos uit het venster gestaard had, eindigde de verwarring van den jurist.

„Goden en menschen,” riep hij, „wat er al in die reiskoets gaat! Luister: eene hadharmonica – twee pistolen – een leeslessenaar – drie colibrietjes in een allerelegantst traliekooitje – eene Oostersche pijp met eene watervaas, in den vorm van een wierookvat – een zwaar voor een reus – boeken bij tientallen – en een voorwerp, dat ik niet noemen durf.”

Ik ben even kiesch als hij: het was iets, dat een Franschman op reis zoo getrouw vergezelt als zijne schaduw.

Het leed geen twijfel, dat de vreemdelingen spoedig zouden vertrekken; Brammetje wist, dat hun togt het Paviljoen gold. En Albert, die gezworen had haar te volgen – zijn eed strookte gelukkig met ons plan – verging van ongeduld, dat ons open rijtuig nog niet opdaagde, dat – Hij schelde ten derden male.

„Welk een drift!” begon de binnentredende waard: „wijze menschen zijn sterker dan zij, die steden innemen. De barbier ja, de barbier; maar de man heeft een lo gevat, en ge hebt immers nog zulk een baard niet? Wel, er komen hier deftige lui genoeg, die er ruiger uitzien.”

„Onze rekening en ons rijtuig,” brak de jurist zijne deftigheid af.

„Uw rijtuig? Ha, mijnheer! Zie, men moet zich toch nooit overijlen; alles heldert zich op, als men maar wacht. De koetsier, die zoo even van Baarn mijn stal inreed, wilde al terugkeeren, daar ik niet wist, dat ge een rijtuig besteld hadt. Maar nu begreep ik het, doch ik kon het niet rade; de jongelui zijn te voet gekomen.”

De waard was een veertiger; wij gunden hem het voorregt.

„Onze rekening en ons rijtuig,” hernam Albert.

„Ja, mijnheer,” antwoordde zijne deftigheid.

„Het monster is er in,” riep Otto.

Wij zagen naar buiten, maar te laat. Een togtje zal den draak achter zijne tent van kussens en gordijnen misschien nog bereikt hebben; ons oog konde het niet. Bevallig als eene gratie wipte daar de Onbekende de reiskoets in; de hand, die de jager haar bood, was overtollig. Tot spijt van Albert zag zij niet naar boven. Hij krulde voor den spiegel zijne whiskers, betaalde de rekening, dreef ons de trappen af, getroostte zich in de stal op te stijgen, en wierp Brammetje in het rijtuig, als ware hij eene veer geweest. De onderhandelingen tusschen den deftigen waard en den ouden draak schenen nog niet afgeloopen; er was dus middel om het hun in Blaricum af te winnen, en daar toilet te maken. De gelukkige koetsier – de arme rossen!

Welk een heerlijk oord, zoodra wij den Eemnesser dijk verlieten, en , over het hakhout, waaraan nog de dauw van den ochtend parelde, heenziende, ons verlustigden in de duizenderlei tinten en kleuren der zachte heuvelhelling! Het was het tooneel van Hoofts minnezangen, dat zich voor ons uitbreidde. Het was de lusthof der Muze, van wie ik gaarne met zijne woorden zou willen getuigen:

Zy zagh wat dertel, maar zy was niet onbeschaamt.

Vergeefs zoekt men er zijn Galathea, die telg van het Zuiden: de hemel, die zich over het Gooi welft, is niet doorschijnend genoeg, om minnenden te doen twijfelen, of het wijken der schemering, het licht dat hen verrast, aan den dageraad of aan het gestarnte te wijten valt; zij was eene gedachtenis uit Firenze la bella, die lievelinge van den Arno, welke hij de voorkeur gaf boven het prachtige Genua, het rijke Veneti, het heilige Rome, dichterlijk jongeling als hij was.

Maar zijne Rosemondt! Wanneer wij hier vroeger geweest waren, ge zoudt uwer sluimerende liefste, als hij der zijne, de kirrende duiven en kozende musschen hebben gewezen; ge zoudt haar, als hij, gevraagd hebben, of zij het spelen nog het zingen hoorde, of zij den gloed in het oosten, de nevel uit het dal, niet op zag rijzen. Ginder doolt Klaere rond. Zie, zij hutselt om het kruid. Er falen nog slechts weinige bloemen aan den krans, dien zij vlecht; maar, hoe besterft het lieve kind van schrik! een vorschje hippelt uit het veldgewas, dat haar aanlokte. Of de schalke Eelhart haar nabij is? Ik zou u kunnen zeggen, dat de spoed van ons rijtuig geen tijd lat hen te bespieden; ik zeg liever, bij zulke tooneelen past geen onbescheiden derde. Haasjen! ik groet u. Maar zij luistert niet, zij rept zich zoo vlug, dat hare zolen naauw het gras kreuken; Geeraardt is haar op de hielen; Willem ligt haar in het hart! En nu Bloemert en Eerrijkjen? Ziet ge ginder op de bruine heide dat sluimerlogge paar niet, – ginder, waar de belhamel dien hond alle geduld doet verliezen, en zijne drift koddig afsteekt bij de langzame, afgemetene bewegingen der grazende kudde? Slechts Pan ontbreekt; maar geef boksvoeten aan dit boertje, en zeg mij, of er geen dartelheid genoeg uit zijne oogen straalt, om hem voor een sater te houden? Het laatst en liefst van allen wis ik u de mijmerende schoone, wier harte verwelkt schijnt: als een bloempje door geen dauw verfrischt, – de grillige, die verdrietjes in vrolijkheid schept. Niet in den geest onzer dagen met haar geweend en geklaagd! Het krielt om hare deur van vrijers, zij doet blaken, wien zij toelonkt; wat eischt zij meer? De wind, het boschje, de beek, het gebloemte, de zon zelve, alles roept haar toe: „Lustigjes, lustigjes!” Wil zij zich nog met ingebeelde smart kwellen? Zij leere de bron het geboomte, de openhartige bloemetjes en de zuivere zon schreijen – wij schreijen niet eer met u, Klaere!

O de luite van Hooft! wie bespeelt haar wer?

In een der schamele woningen van Blaricum logeerden kennissen van Otto, eene familie uit de hoofdstad, die voor gezondheid buiten was.

„Mijnheer en mevrouw slapen nog,” zeide het kamermeisje, dat wij verzocht hadden ons aan te dienen; het was over half tien.

Die vrienden van het buitenleven!

Wij gingen heen, maar werden teruggeroepen.

„Ha, zijt gij het, vriend? – gaat zitten, heeren! immers, zoo er stoelen zijn,” bad mijnheer, die juist was opgestaan.

„Wij hadden gisteren avond eene danspartij in de schuur, en scheidden niet voordat de klok twee sloeg.”

„Wij leven hier in vrijwillige armoede, ziet ge, en al wat ik u kan aanbieden, is een glas melk, wat grof brood en een versch ei; de bode van Laren is nog niet werom. O, het zou hier allerpleizierigst wezen, zoo Amsterdam lag waar het Paviljoen ligt.”

„Ik verveel mij dikwijls razend!”

Die vrienden van het buitenleven!

Albert maakte er zijn toilet. Ik had van verre de oude linden om de kerk bewonderd; Brammetje vergezelde mij, toen ik had voorgeslagen eene bedevaart naar mijne lievelingsboomen te doen.

„Zoo men daar het Handelsblad even spoedig had, als op de Heerengracht, mijnheer, en als het ’s avonds donker wordt, slechts den hoek had om te slaan, om in de Fransche comedie te wezen, ik zou er mij wel kunnen amuseren.”

„Mijne vrouw zit er niet gaarne; het is er zoo somber en zoo koel.”

Die vrienden van het buitenleven!

Ik dacht onder de linde:


VIII

DE MEISTREEL-BRUID VAN BLARICUM.

1.
Onnooz’le als ik was, die het ergste niet duchtte,
    Toen ’t vroolijke trompetgeschal klonk over het veld,
’t Bourgondisch kruis uit de stofwolken luchtte,
    De Meistreel mijn zijde in ’t gewoel was ontsneld!
Hoe wild werd zijn blik, toen op ’t staal der musketten
    De zonnestraal kaatste of ze een bliksemflits waar’!
Hoe koud werd zijn hand, toen ’t gebries der genetten
    Het nadren verkondde der prachtige schaar!
Ontging het hem niet, dat de vrees mij deed siddren,
    Toen, stoutste van allen, de Heer van het Gooi
Ons driftig voorbijstoof aan ’t hoofd van zijn riddren?
    ’t Verlen kwam terug; ’t weidsche hof was zoo mooi!
2.
Maar ’k wist, hoe Sint Jacob ons onder de linde
    Zag dansen op ’t mos, tot het schemerde in ’t oost;
En ’k had mij om hem, die zoo vurig mij  minde,
    Een hut aan het einde der wereld getroost.
’t Viel me in, hoe zijn lippen dien avond mij prezen,
    Het licht van de heide, de roos uit het dal.

Ik zocht hem vergeefs; maar wat had ik te vreezen?
    Ik was zijn mooi-Maaike, hem ’t liefste van all’!
En ’k sprak tot den ruiter vol dartele grillen,
    Den paap die een tikje op de wangen mij gaf,
Den paadje in fluweel, die me op ’t ros wilde tillen:
    „Verloofd ben ik lang; ai, mijn meesters, laat af!”
3.
Als neev’len de heuvels van Gooiland omhuiven,
    Vlugt de eiber naar ’t zuiden; de zomer is heen;
Maar ik zag naar ’t noorden hun helmpluimen wuiven,
    En echter is ’t winter: de bruid zit alleen.
Ook hij is ten Huize van Muiden getogen;
    De harp om den schouder, slechts haar had hij lief;

Hoe ruischt daar zijn zang nu door ’t welfsel der bogen,
    Het spel waar mijn borst zich van weelde bij hief!
En ligt in de schaar, die er ademloos luistert
    Naar ’t lied van het steekspel, dat rood was van bloed,
Een maagd wei zijn minneklagt de oogen verduistert,
    Een maagd die hem ’t afzijn van Maaike vergoedt!
4.
Neen! hel was de star, die avan ’t hemelruim blikte,
    Toen hij me aan de deur van ons stulpje verliet;
„Maar nimmer,” dus sprak hij, „haar glans mij verkwikte,
    Als ’t licht dat uw helderblaauwe oogen ontschiet!”
Neen! zoet was de geur, die in schaduw van ’t loover
    Een windje uit het west van de boekweit ons zond;

„Maar ’t honigziek bijtje hang gretig er over,
    Veel zoeter, ” dus zwoer hij, „een kus van uw mond!”
Neen! rein was het paar, op den wingerdtak kozend,
    De sneeuwwitte duiven, gevoederd door mij;
„Maar reiner zijt gij om mijn dartelheid blozend.”
    Hoe dwaas is mijn wantrouw, en toch hoe ik lij!
5.
Reeds zijn het er dertien; ik telde die dagen;
    ’t Was heden der driewerf Gezegende feest;
Maar wie op de altaren in staatsie haar zagen,
    Ik ben in onz’ kerk slechts op Muiden geweest:
Daar deed hij den lof van den Goede wergalmen;
    – Een keten van goud was het loon voor zijn zangk,  –

Maar roemde zijn lauwren nog meer dan zijn palmen:
    De Heer van het Gooi mint der wapenen klank.
Een toekomst van roem werd den dappere ontsloten,
    En Karel sprong op en mijn wellust had uit:
De zanger der trotsche Bourgondische grooten,
    Hij schaamt zich mooi-Maaike de Gooische tot bruid!
6.
Waar’ ’t ijdele vrees, hij was zeker gekomen;
    Op Hemelvaart bragt hij mij anders een krans.
Ach! zoo hem de stem van ’t gewisse deed schromen!
    Maar toen ik hem koos, zocht ik glorie noch glans.
Viel Gooilland hem te eng, ik had met hem gezworen,
    Gewillig zijn harp op mijn schouders getorscht,

En zou onder vreemden tevre zijn gestorven,
    Had stervend mijn hoofd maar gerust op zijn borst;
En nog! – ’k heb hem dikwijls een lied hooren kweelen
    Van geesten, in ’t speeltuig verborgen voor ’t oog.
O, mogt gij in ’t zijn zulk een plaats mij bedeelen.
    Gij, Moeder des Heeren, Gezegende omhoog!

 


IX

EI.

„Zuster Anna! zuster Anna! ziet gij nog niets komen?” riep Brammetje den jurist toe, wie het gelukt was, in Blaricum een rijpaard te leenen, daar hij, zoo als de theologant beweerde, het hart van zijn Jodinnetje te viervoet wilde veroveren.

Albert gaf geen antwoord, maar spoorde zijn ros in de rigting van het Paviljoen.

„Het is dom van mij,” hernam Brammetje, „dat ik hem niet verzocht heb er een ontbijt te bestellen. Hij zal er slechts naar haar uitzien. Maar de wijn zal er te koeler om zijn, zoo hij eerst uit den kelder komt, als ik boven ben. Jongens, ik verlang er naar, als een visch naar het water: ik ben zoo lang op het drooge geweest!”

„Hebt gij dan gisteren,” vroeg ik hem, „den waard niet aan zijne belofte herinnerd?”

„Vergeet men zoo iets, Willem?”

„En was hij lekker, Brammetje?”

„Twee nieten in een bodemloos mandje,” zuchtte de theologant. „ik weet niet wat verkieslijker is, een logement waarin een partij gegeven wordt, maar ik weet wel, dat het niet de moeite waard is er de proef van te nemen. Otto was zoo vriendelijk geweest, u met den blaker, die ons de deur inlichtte, voor te gaan. Ik vroeg, ik verzocht, ik eischte, ik beval een ander, – en toen dit niet baten mogt, bad ik er eindelijk om. Daar kwam de meid, als geeuwende, met een eindje op een zuinigje; zij dacht nog eens hoe zij voor de partij gesloofd had, en uit was het tientje. De nood is de moeder van alle uitvindingen: ik trok de ganglantaarn omlaag, en was geholpen.”

„Is de waard al te bed, kind?” vroeg ik. – „De – par – tij,”geeuwde zij. – „Slaap wel, kind!” was mijn antwoord: „je hebt zeker gesoupeerd.” En ik zocht den hospes op.

„Liet gij Albert in het duister staan?” vroeg Otto.

„Ik dacht dat hij met u naar boven was gegaan, of – waarom zou ik het verbloemen? hij had mij te Baarn niet mooet behandeld, maar chacu son temps – ik dacht niet aan hem. „Mijn deftig hospesje, waar schuil je?” riep ik – „Op de zaal,” piepte een stemmetje van achter de gordijnen: „de partij –” maar wat er meer volgde, hoorde ik niet; want ik was boven in een omzien. O zijn deftigheid!”

„Sliep hij bij zijne flesschen?”

„Werda!” gromde hij, toen ik met mijn nachtlichtje binnen stoof. „Ha! een tiendaagsche?” vroeg ik, en zocht hem in het groen, want de zaal was versierd als eene dreef, en er brandden nog eenige kaarsen; ik vond hem onder een oranjeboon. „Neen, mijnheer,” zei hij, maar niet voordat hij bedaard van drie klieken wer eene volle flesch had gemaakt: „Ik heb voor Naarden gelegen.” – „Alle respect, man, maar gij weet, wat gij beloofd hebt: een proefje van je fijne wijnen!” – „Schenk u in, mijnheer,” zei hij, en spoelde in een koelvat een glas om. „Wat, een staartje, mijn hospesje? een student en een staartje! Geen staartjes in den nek en geen staartjes uit de flesch, maar muizen, die staartjes hebben voor onbeleefde logementhouders!” Zijne deftigheid wist niet hoe hij het had, maar hij zette mij een stoel, hij stak nog een paar waskaarsen aan, hij kreeg eene flesch, die nog niet ontkurkt was, – lach vrij, ik ben een kenner als de vriend uit Rotterdam. – „A la guerre comme la guerre,” ving hij nu aan: „zet u, mijnheer, ik zal u bedienen.” – „Bravo!” antwoordde ik „het is te zien, dat gij voor Naarden hebt gelegen; mijn souper te Baarn zal mij niet hinderen.” – En ik duwde de batterij van bloemen en bladen weg…”

„Het is een ware wansmaak,” viel Otto in, „die versierde tafelen.”

„Vooral als men honger heeft,” hervatte Brammetje. Ik maakte er ruimte door voor eenige schotels, die de hospes mij toereikte. „Eene koningstafel, mijnheer!” De deftigheid kwam wer boven, maar ik merkte er niets op aan; het dessert stond er nog, en, faute de mieux, dacht ik er me te souperen. „Die druiven en perziken hebben drie uren in het rond hare werga niet.” Ik stelde mij voor het te onderzoeken. „Daar hebt gij nog een onaangeraakten meloen.” Ik tilde hem bij den steel op; hij was overrijp, jongens, want hij viel op het schaaltje, en ik hield het takje in mijne vingers. toen schoof hij een compot met morellen naar mij toe. „Het is alles wel,” zeide ik: „maar nu eerst een glaasje op de gezondheid van logementhouders, die rede verstaan!”

Zijne deftigheid was verguld met het complimentje; want zijne oogen vonkelden, terwijl hij de kurk van de flesch trok. Helaas, twee nieten ui een bodemloos mandje!

„Hoe, Brammetje!”

„Het is onverklaarbaar,” zeide de theologant, „dat gij er niets van gehoord hebt. Zie, ik slaap als een os; maar zulk een leven zou mij gewekt hebben, al was ik dien avond op drie promotiepartijen geweest.”

„Ik heb niets gehoord,” betuigde de schilder.

„Otto leerde mij de natuur bij maanlicht zien,” hernam ik, „en zoo ik nog verbeeld had, dat ik zin voor kleur en eenigen aanleg voor beeldende kunst bezat, ons gesprek en een blik uit het opgeschreven raam was genoeg, om mij van het tegendeel te overtuigen.”

„Het is nog onverklaarbaarder,” viel Brammetje in „dat gij er zoo veel pleizier in vindt, te weten, waar gij geen talent toe hebt, Willem. Voor mij, ik heb er nog nooit aan getwijfeld, dat ik uitmuntende preken zal maken.”

„Voor uwe eerste moogt gij op n toehoorder rekenen,” zeide Otto.

„Dat zal vullen,” schertste de theologant.

„Maar, Brammetje…”

„Wat er toch gebeurd was, Willem? Wij werden verrast – neen gestoord door een gedruisch, een geschreeuw, een geblaf, waarvan ons hooren en zien verging; de flesch viel uit de handen van zijne deftigheid: ik greep eene waskaars, en spoedde mij den gang in. Jongens! ik ben nog boos op mijzelven, dat in het wild liet loopen, toen ik het onder schot had.”

„Gij hebt weinig aanleg tot jagen.”

„Alwer met uw aanleg! Ik wenschtte, dat ik bedaard was blijven zitten, hoezeer…”

„Ge waart zenuwachtig van de voorvallen van dien avond.”

„Mogelijk, Willem, maar ik wenschtte, dat ik geen licht in die duisternis gebragt had, hoe vertroostend het was te zien, dat ook hij voor het Elysium stond, en er niet in mogt – ik vertel niet verder.”

„Durft ge niet!” vroeg Otto.

„Ge hebt reeds te veel verteld, om nu te zwijgen.”

„Onder de roos dan, Willem! Bij de stralen van mijne eerzame waskaars ontdekte ik vier personaadjes. Ador viel mij het eerst in het oog: hij was de stilste niet, begrijpt ge; want hij weerde zich tegen Supkroptf. Otto! ge hadt de worsteling van die twee hairigen moeten zien; de baard van den koetsier is er twintig gulden minder door waard. En toch was dit nog het aardigste van het tooneel niet. Op tien schreden afstands van hen stond Albert zich te verontschuldigen bij iemand, die met een wandelrietje scheen te schermen, maar allengs meer in zijne kamer terugdeinsde, hoe digter wij – ik en de hospes – met onze flaauwe toortsen naderen. Wel mogt hij het! Hij was in een kostuum, dat gij en ik op zekere uren dragen, maar waarin wij wel doen ons niet te laten zien. Hij mompelde:

„Komm in mein Schloss, mein Leben!”

en beweerde dat zijne vrouw geen Don Juan wachtte. Ik mag drie dagen honger lijden, zoo ik er iets van begreep.”

Ik herinnerde mij het paar achter den wiegelenden dennetak, uit het Soester bosch, den jongen man vooral, die somber werd, toen hij op zijne allerliefste vrouw staarde, en deelde Brammetje mijne gissing mede.

„Zijn voorkomen had iets krijgshaftigs.”

„Het kan zijn, Willem. Maar het molenaarspak – jongens, als Napoleon er ’s nachts ook zoo uitzag, moet het zijn kamerdienaar moeite gekost hebben, „Uwe Majesteit!” te spelen!”

„Maar de jonge man boezemde eerbied in door zijn hoog voorhoofd.”

„Dat in een wit vaderliefje stak, Willem, o zoo huisselijk! Tien malen achter elkander verzekerde Albert: „Eene vergissing, mijnheer, een  vergissing.” – „Niet mogelijk, jonkman,” zei de echtgenoot; want de zaak werd mij allengs duidelijker: „niet mogelijk; hier logeren wij…” – „En wij dr,” verzekerde Albert driestweg, op de kamers tegenover die van het molenaartje wijzende. Zijne deftigheid zette groote oogen op, maar zweeg; doch de echtgenoot wendde zich tot Supkroptf emt een:

Laissez entrer, monsieur!

„Oei, de bullebak! Terwijl Albert hem van het hoofd tot de voeten mat, kneep Supkroptf in zijne vuist de vier pooten van den jankenden Ador zaam, en legde het dier, terwijl hij zich voor de deur op den grond nerwierp, als een kussen onder zijn hoofd.”

Vous comme lui,” was al wat hij zeide.

„Zou dat in Rusland stijl zijn, Brammetje?”

„Ik zeg u, dat hij over het jodinnetje waakte, Willem; ik houd het dus voor een poolsche gewoonte. „Vous comme lui,”, zei de bok; maar Albert hoorde het naauwelijks, want het molenaartje zong op zijne beurt:

„Komm in mein Schloss, mein Leben!”

maar met accompagnement van zijn spaansch wandelrietje.”

„Onregtvaardige geregtigheid,” zeide eene stem.

„En toen Albert den strijkstof ontsprongen was,” voer de theologant voort, – „hij had niet ver te loopen, want zijn vervolger waagde zich niet te digt onder mijne waskaars, – sloot de echtgenoot de deur digt…”

„Onnoodige voorzorg,” viel de schilder in.

„Zijne deftigheid beweerde ten minste, dat er nog nooit bij hem gestolen was,” antwoordde Brammetje lagchende: „maar de droes hale dien hospes!” voegde hij er spijtig bij. „Ik maakte een even gek figuur als Albert; want toen ik met mijne waskaars naar de zaal terugkeerde, sloop hij de trappen af, en wat vond ik?”

„Uw Elysium gesloten?”

„Het was weder de schuld van Albert; maar hij zal er voor boeten! Er viel niets geen pleizier met hem te hebben; want ik kwam er niet beter af dan hij. Verbeeld u, hij was spotziek genoeg, eer hij de kaars uitdeed, mij te vragen, wie wel van ons drien het verdrietigst naar bed ging, ik, Ador of hij. Gelukkig jankte de hond, en hoorde mijn zucht niet; ik had wel met het beest willen janken, al ik aan den gemproviseerden maaltijd dacht, die mij op de zaal verbeidde. Ha, het Paviljoen! – Zuster Anna! zuster Anna! ziet gij nog niets komen?”

Albert verbeidde ons op den eersten omgang.

Ik heb eens op den tafelberg gestaan: niet zoo als men zulk een uitzigt genieten moet, hand in hand met zijne allerliefste, om te kunnen wenschen, dat alles, wat wij aanschouwen, het onze ware, opdat wij het haar zouden mogen aanbieden; helaas, neen! omringd van een gansch gezin: moede kinderen; dorstige heeren; dames, die bang waren, dat de zon heur gelaat zou verbranden; al de kwellingen van het gezellig leven; al de kwellingen der ijdelheid en der behoefte. Verwonder u dus niet, zoo mijne herinneringen van die lievelingsplek van „zekere heere Uyttenboorgaart, Ontfanger van ’t Gemeene Land tot Amsterdam,” zeggen van Nidek en le Long, slechts onaangenaam zijn. Ik had een jongen naar boven gesjouwd, die, als de stamhouder van onzen gastheer, de lieveling van het gezelschap was; „een waar wonder in zijn soort”, zou ook ik van hem zeggen, mits men mij maar vergund had, hem als een wonder slechts van verre te beschouwen. En echter was die moeilijke bestijging van een heuvel het verdrietigste van het uitstapje niet. Toen wij boven waren, zette ik het wonder op den steen; maar het lijden der verrekijkers begon. Er zijn lieden in de wereld, die alles willen zien: ik heb er vrede mee; ik heb er eerbied voor. Maar er zijn ook lieden, die niet rusten voordat zij zoowel u als mij hebben laten zien, wat zij ontdekten: dat is een lastige mededeelingszucht. Zijt ge niet, als ik, bang voor zulke valkenoogen? Zij bespeuren een toren, al is hij in eene wolk verborgen; zij wedijveren met elkander om het eerst te kunnen beslissen, of een boer op duizend schreden afstands een blaauw of een groen buis aan heeft; zij willen niet, dat er voor u een scheepje te loor ga; het een eene zwarte stip in een groen veld, dat zij dus verkiezen te noemen. En wat het ergste is, zij beschuldigen u, dat ge een mensch zonder liefhebberij zijt, als ge hun zegt, dat gij aan den stand der zon wel zien kunt hoe laat het is; als ge niet met zelfvoldoening uitroept: „ja, nu zie ik hem, hij strikt zijn kousenband toe”; wanneer ge goedhartig verzekert, dat ge gaarne gelooven wilt, dat er op dien ochtend beurtschepen over de Zuiderzee zwalken.

Lof zij het Paviljoen! Er worden geen kleine kinderen toegelaten; dorstige heeren kunnen er zich verkwikken; dames zijn er veilig voor de hitte van den middag; en als u het getuur door en het gerel over den teleskoop verdriet, kunt gij op de beide omgangen een wijkplaats zoeken, om te zien, wat de natuur er schoons aanbiedt: overvloed voor wie er zijn voor heeft.

Albert nam het middel der kunst te baat, om te bespieden, of zuster Anna kwam. Hij had plan om haar in galop te gemoet te snellen, zoodra hem de reiskoets, die zich nog altijd wachten liet, in het verschiet verassen zou. Brammetje stelde zich schadeloos voor hetgeen hem, tot tweemalen toe, van tusschen zijne lippen en den rand van beker of schotel ontroofd was: wie uwer gunt hem zijn geluk niet? Otto verzocht mij met hem naar boven te gaan. „Deze kamer is fraai gestoffeerd,” zei hij; „maar ik heb liever om mij heen met de wolken tot stoffaadje.”

Wij waren buiten, en bewonderden het liefelijke der vreedzame tooneelen aan onzen voet. Het is niet het eigenaardig hollandsch schoon, dat mij zoo dikwijls aan een duintop boeide, tusschen twee zeen in, had ik bijna gezegd; de eene oogverblindend door hare witheid en stilte, eene zandwoestijn met zeldzame osen; de andere rusteloos, maar verheven, een beeld van de loopbaan der eerzucht: boven eene oneindige ruimte, beneden een onverzadelijk graf. Ook is het geene geldersche natuur; breede stroomen noch hooge bosschen doen er uwe verbeelding wieken aanschieten; er is weinig, dat het verledene voor uwen geest terugroept. Welke rivier lokt er u uit, om het inheemsche door de tegenstelling met het verre-vreemde af te wisselen? Waar ik den Rhijn zie, denk ik aan de honderdduizenden, die zijne golven in lief of in leed, als ik met een oogopslag gegroet hebben; waar de Noordzee mij tegenruischt, brengen de kameelen dier woestenij mij andere werelddeelen voor den geest. Hier, niets van dit alles. Utrechts Dom schijnt in het verschiet slechts een gedenkteeken van gevallen grootheid. Zoo zij het! Waarom zouden wij ons hier de gloriedagen van het Sticht herinneren? Zoete rust ademt dit landschap; stoffeer het mij met geene wuivende banieren en rookende puinhoopen; het blaauwe wolkje, uit die schouw opwemelende, is schooner dan de roode gloed des oorlogs; geen vaandel haalt bij de kroon van dien eik, door het windje heen en wer gewiegeld. Daar zoude men de torens van Amsterdam kunnen onderscheiden. Maar een nevel omhult de hoofdstad. Blinkende zomerzon, trek dien niet op! Wie zou bij het gezin op gindschen akker, dat tevreden is met het karig maal, in schaduw der elzen genuttigd, bij dat aartsvaderlijk tooneel, iets van de stad en hare vermaken en hare dwaasheden en hare misdrijven willen weten? Er is harmonie tusschen dat visschersdorpje aan de stille binnenzee, en het nederige Laren, waar ik geene vuile tabakspijp op de lippen der aanvallige deernen heb gezien; ik mis hier gaarne de weidsche landkasteelen der omstreken van Haarlem, zelfs de schilderachtige optrekjes van het steedsche Zeist. Hier is eenvoud te huis; hare gespelen, levensvreugde, en gezondheid, binden die garven zaam, dartelen om die schoven, slaan ginder het blanke zeissen in het van rijpheid nederbuigend koren. O, wie hier zijne tent mogt opslaan, en rein, menschelijk, wijs genoeg was, om al de dagen zijns levens tevreden te zijn met het genot, dat deze stille streek aanbiedt, en het licht zijns heils nooit langer door dwaze wenschen verduisteren liet, dan gindsche graauwe wolkjes het bij wijle de zon doen! Zie, zij klaveren op aan de transen als rossen langs een heuvelhelling; nog baadt het oord zich in stroomen lichts; maar eene breede schaduw spreidt eensklaps hare vale vlerken over dat met bloesem besneeuwde boekweitveld, die donkergroene boschpartij, dat niet langer flikkerend beekje, die afgemaaide akkers, die bruine heid uit, – en – sneller dan ik dat korte woordje schrijve, herneemt de dagvorstin hare regten, de wolkjes zijn voorbij – hoe schoon was de afwisseling! O, wie hier zijne tente mogt opslaan…

„Daar is het Muiderslot, Willem!”

En ik, die dweepte met de vergetelheid in dit oord, dacht aan den lieveling des roems, die er zalige dagen sleet en benijdde… Albert en Brammetje kwamen in tijds den trap op, en mij voor dwaasheden te behoeden.

„Loochen het niet langer,” borst de jurist driftig uit: „ge hebt u ook op mij willen wreken; zij komt niet.”

„Zij dineert heden te Muiderberg,” antwoordde de theologant: „ik wilde Otto en Albert niet van het genoegen van uw gezelschap berooven.”

„Jan! hoort gij niet?” riep Albert van boven onzen koetsier toe: „inspannen, zeg ik. Brammetje, zoo ge mij wer fopt!”

„Het strookt verbazend met ons reisplan,” merkte de schilder aan.

„Jasmin heeft een brief voor den waard van mij mede, Albert!”

„Beter borg kondet ge niet geven.”

Wij reden door Huizen:


X

DE VISSCHER VAN HUIZEN.

1.
Vlugste van allen, die ’t watervlak klieven,
    Vaart ge, mijn scheepje! mij t’avond te zacht;
Weet ge dan niet, dat het puik van de lieven,
    Weet ge dan niet dat mij Anneke wacht?
2.
Windje, dat naauwelijks de golfjes doet krullen!
    Hadt gij aan ’t strand ooit een zoetert verrast,
’k Wed dat uw adem het zeil zoude vullen,
    Dat zich nu moedeloos klemt aan den mast.
3.
Ha! gij verhoort mij; want wit is de steven;
    Wolken van schuim rijzen op voor den boeg.
Hooger de wapprende zeilen geheven;
    Anneke kwam ik nog nimmer te vroeg!
4.
Dr is ten leste de toren van Huizen!
    Welkomer was mij geen baken in zee,
Toen ik als jongen, op de Egmonder buizen,
    Ver was geweest van de Hollandsche re.
5.
’k Minde haar niet, die me er welkom kwam heeten;
    Ik had het aardige kind op den Hoef
D’ anderen ochtend na de afreis vergeten.
    „Anneke!” riep ik; wat staarde zij droef!
6.
Was het mijn schuld, dat ik haar dacht te aanschouwen,
    Die, eer wij scheidden, een trouwring mij gaf?
Liet men de keus mij uit honderd jonkvrouwen,
    ’k Viel om geen rijkdom of luister haar af!
7.
’k Hield de Amsterdamsche om haar tooi een vorstinne;
    ’t Geldersche kind zong een liefelijk lied;
Schalker geen lach dan de lach der Friezinne:
    Maar bij mijn Anneke halen zij niet!
8.
’t Licht is al op; doch haar venster staat open:
    Wuift zij van verr’ niet, als waar’ zij mijn vrouw?
Dra zal ze zijn; – hoe ’k de vrijers zie loopen,
    ’k Vrees voor geen kapers: mijn Anneke is trouw.

XI

XIJ.

Ik had vergeefs op eene wandeling van Huizen langs het strand aangedrongen, om er de overblijfselen van Oud-Naarden op te sporen: Brammetje achtte, dat het water niet laag genoeg stond; Otto was er zelfs tegen. Zulk een tooneel, beweerde hij, moest men in een herstnacht, bij half achter de wolken weggedoken maan, genieten. Wie weet wat ik doe!

Maar het Naarden onzes tijds, zeg mij, wanneer men het zien moet? Eene vesting met lange bruggen, hooge wallen en donkere poorten, roept onwillekeurig middeleeuwsche herinneringen voor den geest: kronkelende straatjes, lichtschuwe huizen, baardige burgers, geharnaste wapenknechten, en krijgsrossen, die het plaveisel daveren doen; zie er eens naar uit, lezer, als gij u weder in Naarden bevindt.

Wij waren op Muiderberg, en de Echo – gij vermoedet het – werd niet vergeten. Een onzer dacht aan den schildknaap uit Hooft’s Geeraardt van Velzen, die er Timon den toovenaar opzoekt.

„En ge geeft dus die verklaring de voorkeur boven de oude fabel der liefste Narcissus, Willem?” zeide Otto: „de bewondering van enkele schoone regels uit dat treurspel verblindt u.”

„Ik zou wel willen weten wat gij van drievierde der treurspelen van onzen tijd zegt,” hernam ik, „zoo gij in dat van Hooft slechts enkele schoone regels prijst; ge moet het nog eens met mij lezen.”

„Een voorbeeld,” riep Albert.

Voor u iets bevalligs,” was mijn antwoord: „Het Slot te Velzen.”

    „De Graaf reed hen naar ’t Slotelijn,
Dat in ’t geboomt verschuilt zijn kruinen,
    Daar Hollandt op zijn smalst magh zijn,
En krimpt voor ’t stuiven van de duinen.”

„Het overige slaat ge wel eens tot uwe stichting na.”

„En voor mij?” vroeg Brammetje.

„Ge verdiendet dat ik u geen regel van de profeetcy van de Vecht kwijtschold; ge zoudt u dood ergeren aan den lof van Amsterdam.”

„Eene proeve,” zeide de theologant.

„Den wijzen raad dan, door Hooft aan zijne vaderstad gegeven:

„Houdt vry der volken toom wel stadigh in der handt:
Maar voor het uiterst schroom de teugel. Met verstandt
Van wigt, den breidel rept, wat stijver oft wat zachter;
Te ruim dat struikelt vaak, en al te kort leit achter.”

„Waar blijft ge met uwe lievelingsplaats?” plaagde Otto mij.

„De hulde aan de helden der vrijheid, zoo geheel in den geest der eeuw van Hooft. Het zijn weder de Amstelnimfen…”

„Rouw jofferen,” beweerde de schilder: „Luistert, jongelui:

„Den openbare Dwingelandt
Met moedt te bieden wederstandt,
    En op de harsenpan te treden;”

„Te krachtig voor een schilderij onzer dagen,” viel ik in. „Maar hoe fraai is wat volgt:”

„Om, met het storten van zijn bloedt,
Den Vaderlands ’t waardste goedt,
    De gulde Vrijheidt te bereeden

„Dat is, van ouwder herkomst wijdt,
Bij d’aldertreffelijkste altijdt,
    Beloont met eerebeelden danklijk.
Die roem is uitgeblazen, met
Geleerdheidts heldere trompet,
    In schrift, en dichten onvergangelijk.

De lofkrans groenens nimmer mo,
Die komt het hair derzulken toe.
    Die ’t al voor ’t algemeene waagen.”

„Wat dunkt u?”

Ik had hen misschien ook de fraaije tegenstelling van het slot van dezen reizang – de vergetelheid, waarin de laffe dulder wegzinkt, de zoetheid, die de naam eens helds op de tong des volks leeft – niet bespaard, ware Otto minder spoedig op Ovidius’ Herscheppingen gekomen.

„Mijn dichter bij uitnemend,” viel Albert in.

„Handhaaf dan zijne eer,” riep de schilder.

„Volgaarne,” sprak de juris lagchende: „van eene tooneelbeschrijving acht ik mij ontslagen, Ge hoort Narcissus ginder in het veld den hoorn steken; Echo, de schoone nimf, wordt hem van verre gewaar. Zie een schalke lach speelt om hare lippen; een dartel vuur straalt uit haren blik; de sluijer, die haren boezem dekt, wordt bewogen, schoon geen windje dien omhoogblaast; zij heft den vluggen voet op – en snelt… Neen, zij bloost, en zij schreit, en zij staat roerloos stil. Wat haar deren mag? Schaamte gist gij; maar zoo Echo die kende, zij had zoo lang niet gestaard. Smarte? hoor ik u zeggen; maar al had eene slang haar gekwetst, de heelende kruiden zijn geener nimf onbekend. Wilt ge weten wat haar schort? Onschuldig offer…”

„Listige heelster,” zeide eene stem.

„Onschuldig offer, boet zij de verboden minne van Jupiter; de ijverzuchtige Juno heeft er haar voor gestraft, dat zij den trouweloozen echtenoot en de dochteren van het gebergte waaschuwde, als de Hemelkoningin hen dacht te verrassen. De arme – zij mist de spraak; en nu ze, door Narcissus betooverd, dezen wil aanlokken, grieft het haar feller dan ooit, dat zij slechts een deel mag herhalen van hetgeen tot haar gesproken wordt. Weleer deed de vlugge snapster het woud van haar geroep wergalmen, zoodra zij de stralen der zon op de schitterende vederen van Juno’s wagenspan zag terugkaatsen. En thans, nu de liefde voor het eerst haar eigen boezem blaakt, nu mist zij het middel om dien hartstogt te uiten, zij, die zoo dikwijls de verboden minne van anderen ten schuts verstrekte. O, zoo het niet de stugge, koele, op zichzelven verliefde Narcissus was, de taal der oogen zou genoeg zijn; maar hij moet gevleid, overreed, zijns ondanks veroverd worden, Hij heeft haar gezien…”

„En zij vlugt.”

„Ik stel mij voor, Willem, al zegt Ovidius het niet letterlijk,” vervolgde Albert. „Het was het eenige middel, dat haar overschoot, om belang in te boezemen. Meer nog: het verraste hem zelfs, dat een meisje voor hem vluge, hij wiens handen met wien van Bacchus in blankheid durfden wedijveren, en om wiens schedel blonde lokken zwierden, schoon als die van Appollo. Het maakt hem nieuwsgierig, het ergert hem…”

„Ge schildert bij ervaring, Albert!”

„Ei, Brammetje? – hij snelt naar de plek, van waar zij hem nastaarde; want hij is alleen; niemand zal het hem nageven, dat bij zijne stugheid een oogenblik aflegde; hij bespiedt er de ritselende bladergordijnen vergeefs, en toch is het hem, alsof hij een zucht hoort: wie is hier?”

„Ze is hier,” herhaalde de Muiderbergsche echo, en wij waren verrast als Narcissus, schoon de verheffing van stem, waarmede de jurist die woorden uitsprak, het natuurlijk maakte.

„Luttel woorden,” hernam Albert, „werden nog op die wijze gewisseld, en de verliefde Echo ontsnelde aan het haar omsluijerend loover, en wilde hare armen om den ivoor blanken hals van Narcissus slaan, Helaas! Naauwelijks verwaardigt hij zich, die nieuwe hulde zijner bekoorlijkheden in te oogsten; neen. hij ontwijkt hare omarming, terwijl hij zijnen hoorn steekt, als wilde hij al de nimfen van het woud tot getuigen zijner stugheid en harer schande maken. De arme Echo! schaamrood en verlegen doolde zij sedert in spelonken om, verborg zich op het gebergte, of school weg in het donkere bosch, door niemand ooit gezien; maar nog altijd klagende…”

„Houd op!” riep ik: „er is niets liefelijker dan de stem van een jong meisje; het is de zoetste muzijk ter wereld. Als ik van englen-harpen droom, hoor ik slechts de toonen, die mij op hare lippen verrukken, en ge wilt mij in dit akelig nabaauwen, waarbij ons eene huivering overvalt, de klagt eener van liefde verteerde woudnimf doen hooren. Timan de toovenaar, zeg ik u; het is Timon de toovenaar!”

„De beurt is aan u,” zeide Otto.

„Mits het een aardig toovenaartje zij,” bedong Brammetje.

„Het onderwerp mist alle bevalligheid,” verontschuldigde ik mij. „Grave Floris zucht op het Muiderslot, in de boeijen zijner wraakzuchtigen Edelen; de nacht is ingevallen, en een schildknaap van Geeraard van Velzen doolt in dit bosch om. Wat zoekt hij er? De borst schijnt een vrijgeest voor zijn tijd; want hij twijfelt aan het bestaan van spoken en geesten; hij loochent de helft van al wat het gerucht van eunjerwijven en toovenaars beuzelt. En echter, hij was laatst vrolijk, schoon de aardigste burgtdeerne hem hare deur voor den neus digtsloeg, nadat ze zijne bierkroes had omgeworpen; hij was laatst droevig schoon zijn heer hem den buidel gevuld had, toen hij Machteld op Velzen bragt. Viel dit aan geesten to te schrijven, peinst hij, of was het louter de invloed van zonneschijn en buijig wer? Gisteren was het schild van zijnen meester in een omzien glad gewreven; heden wilde de pluim op den helm zich in geen uur naar zijnen zin buigen. Brechtje zag zuur, en Griee zag zoet, schoon hij het andersom wenschte; zijn het geesten, die met ons schertsen, of is het toeval alles in de wereld? Neen, er zijn goede en er zijn booze geesten: maar den laatsten wijsheid toe te kennen, acht hij zondig; hij slaat een kruis…”

„Dat staat niet in Hooft,” viel de schilder in.

„Het past weinig bij de philosophie van den schildknaap,” zeide Brammetje.

„Ga voort,” bad Albert.

„Toch is hij door zijn meester met dat doel uitgezonden; zijn makker moge den gevaarlijken last, Timon den toovenaar over het gevangen houden van den Graaf te raadplegen, van den hals hebben geschoven, hij was er geen knaap naar. „Ik leg de toortsen in den oven.” had deze geantwoord. Fy! het Muiderbosch is door hem bijna ten eind gegaan, nog is hem niets ontmoet. Maar hoe digter hij Muiderberg naderde, hoe dikker de lucht wordt; hier moet de toovenaar schuilen, Timon, met het walbarken aangezigt, den ongeschoren baard, de nimmer gladgekamde haren, de huid vol rimpels, te ruim voor de hoekig uitstekende beenderen. Laat die afzigtelijkheid jongens en vrouwen verschrikken, niet hem, die met den Waal gevochten en met den baren Duivel geklonken heeft! „Ha!” roept hij: „ha! luister, kunstenaar, die geesten bezweert, naar ik hoor!” En Timon baauwt uit de duisternis, hol akelig, dof na: „Ik hoor.” En telkens zijne laatste woorden herhalende, verneemt hij, dat hij „onder” schuilt, roept Timon hem toe, „koom in,” raadt hij hem zijn hol te „zoeken,” wijst hij hem naar de „eiken,” bescheidt hij hem hier „ter stede,” en komt hij „voor den dag,” terwijl de eik schudt, en uit den grond wordt geligt, die vuur en vlammen braakt, als was het de mond van de hel.”

„Wat schetst gij Otto?”

„De verschijning van den toovenaar, Brammetje!”

„En Timon staat voor hem, Timon, die in water, lucht en aarde heerschappij voert over geesten, spoken en nikkers; die zeggen mag, dat alles, wat ter wereld schrik inboezemt, voor hem vervaard is, daar hij de zon door kracht van tooverrijmen in de zee bant, en de maan doet bezwijmen, dat zij er de doodverw van zet; die de winden, zonder toom rennende, kort schut.”

„Spreek niet zoo verbazend Hooftiaansch, Willem!”

„De uitdrukking is fraai, Brammetje! De kunstenaar staat voor hem, die den dooden stroom weer aan ’t hollen helpt; die den hemel schudt, dat de sterren suizebollen; die bij naren middernacht zijne eunjers om het kerkhof doet draven, en de dooden uit hunne graven driescht, Timon de toovenaar, de waardige bewoner van het hol vr ons…”

Constance!” baauwde de Echo.

Albert schrikte.

Wij zagen naar de plek, die wij al sprekende verlaten hadden: het was de Onbekende uit het Soester bosch; maar ditmaal was niet de jager, ditmaal was de oude draak aan hare zijde. Vergt ge mij eene beschrijving van zijn voorkomen, zoo bid ik u den Timon, van Hooft, van baard en haren te ontdoen, en hem in een gewaad onzes tijds te steken, dan hebt gij haar geleider voor u. Kies den bonsten heerendos, dien gij wilt; want als was de man den winter des levens genaderd, ge weet immers, dat de mode voor ons niet verscheiden is, of wij eenmaal of tweemaal dertig jaren tellen?

Des gants,” baauwde de Echo.

„Hoe nu?” zeide Albert.

Souvenir!” baauwde de Echo.

„Waarlijk,” zei de jurist spijtig, „zij heeft gezien, dat ik in het bosch eerst onderzocht, of ik ook dames-handschoenen van de kleur der hare bij mij had; ik ben altijd van een tiental zulker trofen voorzien. Ik bezat er geene; ik nam daarom mijne toevlugt tot een souvernier; ik ben dus hare dupe geweest.”

Constance!” baauwde de Echo.

„Zij ziet er toch allerliefst uit, Albert!”

„k zou de kennis voortzetten,” zei Brammetje.

„Zoo het waar is,” merkte Otto aan, „dat zij zich wreekt, dan doet zij het allernafst.”

„Ha, die poolsche schoonen!” riep de jurist: „ze zijn nog erger dan de fransche. Ik weet, dat haar oude draak er geen sylbe van begrijpt, waarom zij juist die woorden kiest; ik gun hem haar tot gemalin, als er wer opstand in Polen uitbreekt.”

„Ik houd nog vol, dat zij een jodinnetje is,” zei Brammetje: „de oude draak maakt hem zeker.”

„Wat gelooft gij, Willem?”

„Wat ik van het begin af vermoed heb, Albert, dat zij tot de artistes van het tooneel te St. Petersburg behoort, waaraan haar geleider professor in de mimiek is.”

„Dan zal ik haar dezen winter werzien,” verzekerde Otto: „ik denk er met de laatste stoomboot heen te gaan. Keizer Nicolaas is een Augustus voor de kusten, heeft zij mij gezegd. Mijn eerste brief zal er u berigt van geven.”

Brammetje had geen geduld om zoo lang te wachten. Toen wij, na het diner, haar rijtuig hoorden wegrollen, en Albert in somber gepeins de blaauwe rookwolkjes zijner Havanacigaar nastaarde, verhaalde de theologant, dat hij Supkroptf naar den naam van zijnen meester had gevraagd.

„En wat antwoordde de bak?” riep de jurist.

„Al wat ik verstond,” hernam Brammetje, „waren de letters xij, naar een keelgeluid van eene halve seconde. „Que dit-il, Jasmin?” mogt ik zeggen. De deugniet verzekerde mij, dat hij den naam niet kon uitspreken, maar dat hij in het album op het Paviljoen te lezen was.”

„Plaaggeest!” borst Albert uit.

Ik laat u de keuze, lezer, of gij dien wilt gaan opzoeken, of wachten tot Otto terug is. Voor heden zult gij hem wel met mij goede reis willen wenschen.

Ik neem afscheid met:


XII

DE MEERMIN VAN HET HUIS TE MUIDEN.

1.
De wachter stak den hoorn ter ruste,
    Op ’t hooge Huis aan Flevoos meer;
En ’t riet des strands en ’t woud der kuste
    Gaf doe zijn luide toonen wer:
Maar jong Winfried had geene ooren
    Voor ’t seinen van den torentrans;
Het lied der Meermaagd deed zich hooren;
    De dartle wenkte hem ten dans.
2.
„Wien de golf
    Overdolf,
        Wordt beschreid en beklaagd
            Door de maagd,
                Die de wijle om hem draagt;
Maar de lust
    En de rust
        Wijken nooit uit de zaal
            Van koraal;
                Ga met mij al ik daal!”
3.
De wachter hield naar de oosterzijde
    Vergeefs den strakken blik gevest,
En in zijne eenzaamheid benijdde
    Hij ’t zwaluwpaar in ’t warme nest;
Maar jonge Winfried zag haar lokken
    Den sluijer heffen van een borst,
Waarme het blank der meerschuimvlokken
    Niet om den eerprijs dingen dorst.
4.
„Zie hoe schoon
    Blinkt de kroon,
        Die uw hair dra omspant,
            Zoo ge ’t land
                Snel ontvlugt aan mijn hand;
En ik bi
    Maar dan die
        In mijn wergaloos rijk;
            Kom en prijk
              Er den vorsten gelijk!”
5.
De wachter blies; de toonen drongen
    Heel ’t landschap door: een schip in ’t oost!
En ’t krijgsvolk, geeuwende opgesprongen,
    Scheen om den tol de wacht getroost:
Maar jonge Winfried zag de toortse
    Pas flikkren van den torentop,
Of, overheerd door minnekoortse,
    Gaf hij zich aan de golven op.
6.
„Hier de lust
    Niet geblust;
        Want de koets, die ons beidt,
            Is gespreid,
                Waar geen priester ons scheidt;
Waar de pracht
    Van ’t smaragd
        Nooit verwelkt! – Snelt ge er in?
            Eeuwge min
                Eischt de Meerkoningin.”
7.
De wachter stak den hoorn ter ruste
    Op ’t hooge Huis aan Flevoos meer;
Het zeil, dat opdoemde aan de kuste,
    Zonk in den schoot der golven ner.
Maar jonge Winfried bleef verloren,
    Al deed des Slotvoogds Kapelaan
Het watervlak den banvloek hooren
    Toen wer de dag was opgegaan.

 


OPHELDERINGEN.

Het Klooster Marinburg, door Brigittijnen bewoond, lag onder de Parochie van Soest, bij Amersfoort, en werd in 1543 door het krijgsvolk van Maarten van Rossem geplunderd. De biechtvader, die ik der nonnen gegeven hab, en die er duur voor boet, dt hij de plundering van het Stift niet even werloos aanzag, als toen hij vroeger zich de ingezamelde aalmoezen ontnemen liet (zie couplet 4), is niet historisch.

Keurmede” (couplet 6) is een oude woord (curmetum), uit de dagen der knechts diensbaarheid, meer werd hier slechts gebezigd voor een aan de kerk gebruikelijke offerande, die bij de begrafenis het lijk van den gestorvene voorafging. Ik wil geen borg zijn, dat zij toen nog bestond, maar achtte de spotternij in den mond van een krijgsknecht van Maarten van Rossem karakteristiek.

’t Magnificat,” laatste regel. Men wil, dat van Maarten van Rossem het spreekwoord dagteekent, dat het branden ’t Magnificat van den oorlog is; eene toespeling op een der sieraden van de Vesper der R. C. Kerk.

Terug naar Het Klooster Marinburg.

Mogt het gebruik, dat ik her van Hooft’s Minnezangen, en later van zijne treurspel Geeraardt van Velzen den lezer en voor de eerste ook de lezeres – uitlokken, die stukken te lezen; te herlezen, hoop ik.

Terug naar de tekst.

De aanleiding tot dit stukje gaf het verblijf van Karel van Bourgondi, op het slot te Muiden, in 1462, door de historie vermeld. Hij was toen nog slechts Graaf van Charolois, en door een gift van zijnen vader, Hertog Filips den goeden, Graaf van Holland, enz. enz., Heer van Gooiland. Het is alles, geloof ik, wat tot toelichting der acht regels van het 5de couplet vereischt wordt.

Terug naar De Meistreel-bruid van Blaricum.

Hooft gewaagt in zijne Brieven van eenen Meermin, van den Huize van Muiden; mijne historie valt voor in den tijd, toen er nog geen slot, maar slechts een tolhuis in die streek was, om den cijns voor de vaart op de rivier te innen. De lezer bepale het jaartal zelf, mits vr A 975. indien hij het der moeite waardig acht.

Terug naar De Meermin van het Huis te Muiden.