E. J. POTGIETER (1808-1875)

LODEWIJK DE GEER

1587 – 1658.

(BIJSCHRIFT BIJ EEN PORTRET.)

Wie ergert zich niet, bij elke tentoonstelling van schilderijen van levende Meesters, aan de ijdelheid der onbeduidendste wezens, van het publiek den cijns te vergen hunne beeldtenis als iets merkwaardigs te beschouwen? Indien die portretten voor het minst proeven waren, hoe de kunst het onbelangrijke belangrijk weet te maken, men zoude er vrede mede hebben; maar neen, de middelmatigheid is zich er van bewust, dat het portret de eenige tak der kunst is, welke laag genoeg hangt, om haar voor gebrek te bewaren. Slechte historiestukken worden door de Leden van het Vorstelijk geslacht, noch door eenig Stedelijk Bestuur gekocht; – slechte landschappen en slechte zeegezigten vinden in elk aanschouwer eenen onverbiddelijken regter: want wie is blind. voor de schoonheden der natuur, en wie heeft ten onzent de zee niet gezien? – Slechte genre-schilderijtjes zijn zeldzaam, want onze liefhebbers bestuderen dat kleine leven door een vergrootglas; – maar een slecht portret, wie heeft ooit een slecht portret van zich zelven gezien? Ik zonder gaarne de dichters hiervan uit, want deze zijn dikwijls ijdel genoeg, om niet zoo ijdel te wezen; opdat geen levende, wien zijne beeldtenis mishaagt, mij verdenk, dat ik hem bedoele, verwijze ik u naar Bilderdijks verzen over zijne portretten. Spaar u echter die moeite – dichters zijn ook geene onbeduidende wezens.

Welk een ander gevoel, dan het beschrevene, wekken echter de beeldtenissen van beroemde personen bij ons op; hoeveel levendiger wordt daardoor de indruk hunner daden of werken; hoe verklaren zij deze! want zonder een physiognomist uit de school van Lavater te zijn, geloof ik, dat het meir den hemel weerkaatst, dat het gelaat de spiegel der ziel is, dat de trekken van ons gelaat de plooi der gedachten van onze geest aannemen. Wilt gij er voorbeeld en bewijs van? ik weet geen sprekender te kiezen, geen juister te geven, dan de afbeeldingen dier reeks van groote mannen, welke het Huis van Oranje, in schaars, zoo ooit geŽvenaarde opvolging van uitstekende hoedanigheden aanbood. Herinnert gij u niet, hoe hooge wijsheid en diepe staatkunde, helaas! ook kommer en verdriet u bij de beschouwing der trekken van den eersten Wille bewondering en deernis inboezemden? Ge waart gereed, op het gezag van Miereveld, Maurits den dappere, Frederik Hendrik den goede te noemen. De ridderlijke jongeling verrukte u in Willem II; gij laast in den adelaarsblik van Willem III, ondanks zijne schijnbare koelheid, wat Johan de Witt er in vermoedde... waarom deze schets voortgezet? Ge zijt overtuigd, dat de tentoonstelling van portretten zulker mannen niet valt af te keuren, maar toe te juichen; ik wenschte, men haar dat algemeener konde maken; het behoort onder mijne pia vota, dat er geene geschiedenis des Vaderlands wierde uitgegeven zonder dat men er afbeeldingen bijvoegde van al onze vermaardheden aan het Hof en in den Raad, op de vloot en in het leger, in kunsten en wetenschappen. Het volk zoude elke eeuw beter leeren begrijpen; want het karakter eener eeuw spiegelt zich niet alleen in opvoeding, gewoonten, kleederdragt, taal en zeden af, het is aanschouwelijk tot in het gelaat harer beroemde mannen toe: ik beroep mij op die der achttiende eeuw ten onzent, indien gij dit loochent.

Na de mededeeling van dit gevoelen over portretten, zult gij wel willen gelooven, dat ik meer belang stel in eene schoone verzameling van de beste drukken der door Houbraken vereeuwigde Helden, Grooten en Wijzen onzes Vaderlands, dan in de olieverwschilderijen, pastelteekeningen en silhouetten, die in mijne ouderwetsche kamer, tegenover en onder een’ spiegel met loofwerk hangen, al de leden mijner familie voorstellende, van mijne bet-overgrootouders af. Het waren brave lieden, – de Hemel zij er voor gedankt! – maar die niets opmerkelijks verrigtten, en die ik in hunne burgerlijke deugden hoop na te volgen, zonder hun in ijdelheid te gelijken, door er mijn portret bij te voegen. Wanneer mijne kinderen mij plagen die verzameling te completeeren, misschien omdat zij op hunne beurt bij een huwelijk of eene vestiging mogen worden uitgeschilderd, spreek ik van mijn stokpaardje, het completeeren der portefeuille, waarin ik de afbeeldingen onzer Vorsten en Vernuften, onzer staatsmannen en leger-oversten, onzer geleerden en kunstenaars bewaar; hoevelen ontbreken er, helaas! nog aan, hoe vele verdienstelijken zijn door tijdgenoot en nakomelingschap vergeten!
Het schijnt mij toe, dat men zich der vervulling van eenen heiligen pligt onttrekt, wanneer men weigert een verzuim van dien aard te herstellen, en ik aarzelde geen oogenblik het verzoek gehoor te geven, om eenige woorden te voegen bij de afbeelding van een’ verdienstelijk landgenoot uit de zeventiende eeuw, die eeuw van grootheid en glorie voor Holland! Van eene geachte hand, schreef mij der Redactie, – beleefdelijk kennis der Noordsche talen en geschiedenis vooronderstellende in wie zich slechts door liefde voor deze onderscheidt – van eene geachte hand was haar de vertaling eener lofrede toegezonden, op den 29sten December 1829 te Stokholm, bij gelegenheid eener feestviering der Zweedsche Akademie, door een harer leden, den Bissebop F. M. Franzen, op Lodewijk de Geer uitgesproken. Op de bedenking, de meeste feiten, in dat stuk verhaald, reeds op eene voortreffelijke wijze vermeld waren, stond de Heer R. v. d. V. (want waarom de vůůrletteren van den naam verzwegen van iemand, die, zoo als onze Dichter bij uitnemendheid zegt, door zijne belangstelling in elk landgenoot, die zich bij vreemden beroemd maakte, bewijst

Het Vaderland in ’t harte mee te dragen?)

zijne vertaling aan de Redactie af, om er in zoo verre gebruik van te maken, als zij goed achtte. Zij verzocht daarop een’ der waardige afstammelingen van dien verdienstelijken Landgenoot haar zijne beeldtenis ter plaatsing in haar Tijdschrift af te staan en was gelukkig genoeg in dat aanzoek te slagen; de schrijver van het aangehaalde Werkje heeft mijne taak gemakkelijk gemaakt.

Lodewijk de Geer werd 17 November 1587 te Luik geboren, en stamde af van een adellijk geslacht, dat, als meerdere Zuid-Nederlandsche, door de Hervorming naar Holland werd overgeplant. Uitvoeriger dan de schrijver dier bijdrage tot handels-geschiedenis, is de lofredenaar in het verhaal der vlugt van den vader van onzen de Geer naar het volk, dat terzelfder tijd voor de vrijheid van geloof en burgerlijke vrijheid streed; eene onwaarschijnlijkheid in de lading van het schip heeft den eerste die traditie misschien doen verwerpen, zij is overigens zoo geheel in den geest des tijds, dat wij haar niet met stilzwijgen mogen voorbijgaan:

„De vader van de Geer,” zegt FranzŤn, „begaf zich, nadat hij zijne goederen in Luik, in stilte (?) verkocht had, onder voorwendsel eener toevallig opgekomen reis, met zijn gezin naar Maastricht, waar een schipper, die gewoonlijk met turf naar Rotterdam voer (lees, misschien juister, turf van Rotterdam bragt), hen aan boord nam. Ditmaal diende de turf ter verbergging der vlugtenden. In een van die brandstof gewelfd verblijf opgesloten, waren zij op de rivier de Maas gedurig ter prooi aan de vrees, door de Roomsch-gezinden te zullen worden ontdekt! Eindelijk verraste de schipper hen met den welkomen kreet: „wij zijn in Holland!” En met twee zonen en zes dochteren kwam de Geer op het dek, van een’ getrouwen knecht vergezeld, en in het aangezigt des hemels en van het nieuwe vaderland vielen allen op hunne knieŽn, om Gode met luider stem voor hunne wonderbare redding te danken.”

„Deze reis,” gaat FranzŤn voort, „met hare gewigtige oorzaken en gevolgen, schijnen op den jongen Lodewijk de Geer (toen eerst 10 jaren ond,) een’ onuitwischbaren indruk te hebben gemaakt, en in zijn hart dat diep godsdienstig gevoel te hebben verwekt, waarvan zijn gansche leven getuigt,”

Schoone lofspraak in weinige woorden, even waar als schoon, welker korte uitbreiding onze taak is, waarvan het gansche Werkje het voldingendst bewijs levert!

De Geer sleet eenige jaren zijner jeugd, in het huis, dat zijn vader te Dordrecht betrok, deed later vele reizen, en koos tot loopbaan die der wapenen of die der studiŽn? Neen, ondanks zijnen adel en zijn vermogen, werd hij koopman. Bewondert met mij het gezond verstand. van den jongeling, die zijne eeuw zoo juist begreep, die al wat hem in zijn nieuw Vaderland omringde, zegt de schrijver van zijn leven, zoo naauwkeurig opmerkte. „Hij leerde er weldra den handel in zijn gansch wigt kennen, als de bron van welvaart en leven voor het Gemeenebest,” en de Geers volgend gedrag was eene meesterlijk wederlegging van het beeld,, dat Bilderdijk ons van eenen koopman ophangt. Wanneer de ridder – het ideaal van dezen – zich in den zadel wierp en zijne lans velde, streed. hij, ja! voor God en zijne schoone, maar ook, om roem en land – het doel des koopmans is de welvaart der zijnen, doch de listen des bedrogs en de kunstgrepen der baatzucht zijn zoo min trekken van het algemeen karakter van dezen stand, als rooven en branden het van dat der helden uit de middeleeuwen waren! De verlichte, aanzienlijke handelaar is de vriend der wetenschappen, de ware begunstiger der kunsten; zoo de kennis der eerste ontbreekt, hoe zal zijn geest de aanrakingspunten tusschen de verstverwijderde volken weten op te sporen; indien de laatste hem onverschillig waren, hoe zoude hij die cijnsbaar kunnen maken aan zijn doel? In de zestiende eeuw deelde hij in den geloofsijver, het karakter van dien tijd; maar ook in de onze laat het Ware, noch het Heilige hem koel, want alle banden des maatschappelijken levens worden losgerukt, waar de eerbied voor beiden verloren is: en wat is handeldrijven anders, dan een beschaafder vorm van leven, dan strijd voeren?

„Onder de menigvuldige takken van den destijds zich te Amsterdam vestigenden wereldhandel, trok de handel met het Noorden het meest de Geers opmerkzaamheid,” en Zwedenis duur aan hem verpligt. Den oorsprong zijner betrekkingen met het volk van dien naam, met de Vorsten, welke het regeerden, slechts in ondernemingen tot zijn voordeel te zoeken, ware hem onregt doen; want

Gustaaf, de tweede August, en heerscher binnen Rome,

(zoo als Vondel, – wat den laatsten titel betreft, meer dichterlijk dan waar – zong), bekleedde er den troon, en het kon de Geer niet onverschillig zijn, of en wanneer, zoo als dezelfde zanger het meesterlijk uitdrukte:

De diamante knoop van ’t maghtig Roomsch verbont,
Most entliek zwichten voor den Konincklijken degen.

Indien dus al de kennis van mijnen en ertsen, de Geer misschien erfelijk eigen, de eerste aanleiding was, dat zijn aandacht zich tot Zweden bepaalde, de talrijke weldaden, die dat Rijk hem dank weet, hadden edeler bron dan louter zucht naar voordeel. Zich te Amsterdam gevestigd hebbende, waar hij het bekende Huis met de Hoofden bewoonde en herbouwen liet, had hij in 1617 meer dan eenig ander koopman dier toen bloeijende wereldstad, tot eene geldleening bijgedragen, welke Gustaaf Adolf er door een’ zijner gezanten beproefde en verkreeg; het woog zwaarder bij de Hope’s dier dagen, dat de leener een Christelijke held was, dan dat het arme Zweden weinig gegronde uitzigten op hooge renten aanbood! Twee jaren later strooide hij er de zaden, die nog in volgende eeuwen vruchten droegen, eene der weldaden, welke (volgens Niermeijer) binnen het bereik des grooten handelaars liggen. Lodewijk de Geer pachtte in 1619 een’ eigendom der Zweedsche Kroon, Finspong geheeten, waarop hij eene gebrekkige ijzersmelterij vond; „van die pacht,” zegt FranzŤn, „dagteekent voor de metaalbewerking in dat Rijk een nieuw tijdvak, tallooze verbeteringen in dien arbeid, welke hem alleen regt zouden geven op een deel der lauweren, die in het eerste derde der zeventiende eeuw den Zweedschen naam bekroonden.” Laat mij elk, mijn onderwerp niet koel liet (en wie verlangt niet te weten, hoe de goederen van de Geer, in Zweden weldra die verscheiden kleine Duitsche Vorstendommen overtroffen! hoe hij in de ridderschap van Zweden werd opgenomen; hoe hij zich waardig maakte, dat in 1829 een gedenkpenning te zijner eer geslagen werd, met het omschrift: His amat hospes civisque haberi) mogen verwijzen naar de meesterlijk geschetste Handelsverrigtingen in het meergemelde Werk, bl. 25 – 57. De voortreffelijke Schrijver, wiens naam het publiek meent te hebben geraden, was, indien het zich niet bedriegt, door zijne verwantschap met het aanzienlijk geslacht der in Zweden gevestigde de Geers, meer dan iemand. in staat, zijnen grooten voorvader regt te doen. De lezer zal er in het hoofdstuk: Hulpvloot, [bladz, 58 – 88, getiteld, de bescheiden vinden over de uitrusting eener hulpvloot in de Hollandsche havens, op kosten van de Geer, welke in den oorlog door Zweden in 1644 tegen Denemarken gevoerd, met de Hollandsche vereenigd, de kans ten voordeele van Zweden deed overslaan, den vrede van Brumsebro (1645) tot stand deed, komen, en den Munsterschen (1648) bevorderde. „Treffend voorbeeld,” roept Mallet, bij het gewagen van dit feit, uit, „treffend voorbeeld van bet overwigt, dat de handel tegenwoordig den volken geeft, die hem hunne krachten wijden! Een Rijk, door de natuur tot eene zeemogendheid bestemd, had een’ eenvoudig burger eener handeldrijvende republiek te duchten!”

En het beeld van dien man, wiens asch in ons midden rust – hij stierf te Amsterdam, 19 Julij 1652 – ontbrak tot nog toe aan de verzameling der afdruksels van beroemde Mannen; de redactie van „de Gids” biedt het hiernevens haren lezers aan. „Bij mannelijke deftigheid., teekent het achtbaar gelaat een’ zachten ernst, en het oog een’ helderen en doordringenden blik;” vindt gij er niet iets verheven-eenvoudigs in? Wij vertrouwen, dat het u zal uitlokken, ook de schets der Laatste levensjaren Denk- en handelwijze en Levensbijzonderheden, bl. 89 – 103, met belangstelling te lezen, en dat gij dan met FranzŤn van hem zult zeggen: „Niet dan ten halve zoude men zijner nagedachtenis regt laten wedervaren, door slechts in het vak van handel en nijverheid van zijne werkzaamheden te gewagen. Zijn naam behoort der geschiedenis, en prijkt er met een godsdienstig licht omschenen, niet alleen omdat hij, in al zijne ondernemingen tot eene hoogere magt opziende, zich zelven aan hare leiding toevertrouwde, maar dewijl hij zigtbaar een werktuig in de hand der Voorzienigheid was ter bevordering der heilige zaak, voor welke Gustaaf Adolf en zijne veldoversten zegevierend streden.”

De tydt heeft ninmer wechgenomen
De naem en ’t overschot der vromen;
Want nadat zij zijn overleÍn,
Blinckt hunne deught voor ieder een.

VONDEL.

de Gids, 1837.