MAARTEN HARPENSZ. 1607  – 1609

Schepen


Wat moed in zulk een teedre jeugd.

Jonkvrouwe J.C. de Lannoy. (1737-1782)


I.

HET was een tooneel, het penseel van een’ Schotel waardig, die onmetelijke zee slechts aan de eene zijde in het verre verschiet door de Afrikaansche kost begrensd, op welke twee schepen sinds een paar uren een schouwspel aanboden, naar een’ strijd van de wilde monarchen der woestijnen van dat werelddeel zweemende. Het koninklijke van den leeuw viel in het eene vaartuig niet te miskennen, de aard van den tijger kwam in elke beweging van het andere uit. Terwijl de houding van het scheepsvolk op het dek van het eerste een vurig verlangen naar den strijd verried, en de bevelen van deszelfs Kapitein bewezen, hoe zeer hij wenschte den wijkende in te halen, scheen het tweede de vervolging te willen ontsluipen, maar trachtte inderdaad slechts het voordeel van den wind te hebben, om te zekerder te overwinnen. Alle aarzeling, aan boord van welk der beide schepen wij ons zullen begeven, houdt op, nu wij bij het middagzonnelicht van dien hemel, dat bijna loodregt op de blinkende golven en het even blinkend zand der Guineesche kust nederdaalt, op het eerste de Prinsenvlag aanschouwen. Ongeveer veertig jaren vr het door ons geschetste oogenblik had de Vader des Vaderlands haar, door zijnen ridderlijken broeder, bij Heiligerlee, voor het eerst doen ontrollen.  – Ongeveer veertig dagen vr hetzelve, had Jacob van Heemskerk haar voor het eerst op den erfvijand van den Staat, op zee, doen zegepralen.

Laat ons de groen op den achtersteven van dat schip gadeslaan. De hoed met de pluim – de bonte sjerp – het groote zwaard doen ons in een’ man van middelbaren leeftijd den bevelhebber vermoeden; – van Meteren noemt hem Harbart Martssen, Capiteyn van de Barc, een schip, tot die der Admiraliteyt van de Maze behoorende. Die jongeling in den bloei zijner dagen is de luitenant Heinsz, – gindsche nogige grijskop zijn stuurman; dat knaapje, hetwelk zich vermetel op dien uithoek geplaatst heeft, is de zoon des bevelhebbers.

„Ik kan waarachtig niet zien, de de roover nadert,” sprak de vrlaatste tot den Kapitein, den blik op het schip gevestigd houdende, hetwelk alleen het ntoonig gezigt, dat lucht en golven aanboden, afbrak.

„Wat, rouw Gijsbert!” antwoordde deze, den pekbroek met eene dier vertrouwlijk benamingen aansprekende, in die dagen niet ongewoon, en van welke de deftige Geschiedenis moijen Boer, lange Hendrik en mooi Lambert bewaarde; – „kunt ge niet zien, dat hij, nu de wind in zijn voordeelis, alle zeilen bijzet, om ons op zijde te komen? – Knaap! reik mij den kijker!”

07.gif (3613 bytes)

„Hm! Hm!” mompelde de stuurman, aan de haren van zijnen graauwen baard trekkende, „toen ik bij den Admiraal van Veere scheep kwam, wist men niet van die verspieders; maar Jacob Simonsz ze honderdmaal, dat het rste oog van rouwe Gijsbert scherper zag dan een valk.”

„Hij komt, hij komt!” riep het jongsken, terwijl zijn vader door den voortreffelijken kijker tuurde, welken deze van Jacob Metius te Alkmaar gekocht had; „zie, Meester Gijsbert! eerst was hij onder dt wolkje – nu is het achter hem!”

„De droes! zouden de jaren het doen?” mompelde de oude.

„Dat Pieter Claes Rochussen bij ons ware!” zeide de Luitenant, „de Luipart is naauwelijks tegen hem opgewassen, en onze Barc”.

„Hij schijnt lust te hebben te onderzoeken, of wij al ons kruid bij Gibraltar verschoten,” viel Harbart in, en gaf de vereischte bevelen, ten einde den vreemdeling, zoo als hij het verdienden, te ontvangen.

Intusschen naderde het schip inderdaad, en toen deszelfs witte en bruine zeilen meer en meer zigtbaar werden, geleek het in zijne vlugge vaart een’ roofvogel, die gereed is op zijne prooi neder te schieten. Een bijgelooviger volk dan de Hollanders van dien tijd zoude het voor een betooverd vaartuig hebben aangezien – er vertoonde zich geen menschelijke wezen op het dek, en echter getuigde elke wending van eene meesterlijke hand, die deszelfs rigting bestuurde, Het was bijna, of die beide eenzame zwervers op de glinsterende oppervlakte van rol hadden gewisseld. De vervolgde scheen de aanvaller te zullen worden; doch Harbarts hand gaf het teeken, en het seinschot viel van het Hollandsche boord.

De vreemdeling beantwoordde hetzelve door het plotseling ophijschen eener bloedroode vlag, in welke een gouden dolk boven een’ omgekeerden beker en een gebroken verkeerbord geplaatst was.

„Houdt u goed, jongens! Voor de Staaten en Prince Mouringh!” riep Harbart tot zijn scheepsvolk; en de luide toejuiching, welke die weinige woorden vergezelde, werd eensklaps door eene doodsche stilte gevolgd. Doch het was niet de stilte der verslagenheid, – de naam des Allerhoogsten werd in den gebede aangeroepen,

„Amen!” klonk het, en om de uitdrukking van een’ onzer Historieschrijvers te bezigen, daarna dronck het schipsvolck malcanderen den dronck der ghetrouwigheyt toe, en seylde lustich naer zynen vyandt.

„Sa, Trompetter!”, beval Harbart, „blaas luide ons Wilhelmus; hij wete, met wien hij te doen heeft.”

Onwillekeurig paarden zich de stemmen der bootsgezellen aan de schetterende toonen van het speeltuig, en het Vaderlandsche gezang werklonk over de golven der Ethiopische zee. Het roofschip was nog altijd op genoegzamen afstand, om elke losbranding des geschuts vruchteloos te doen wezen; maar de blikken der matrozen teekenden hun ongeduld de ontstoken lont nog niet te mogen bezigen.

„Heinsz!” riep de bevelhebber den luitenant toe; – de jongeling voegde zich bij hem.

„Indien ik sneuvelen mogt, Jongman! gij kent uwen pligt en weet waar mijne orderbrieven liggen; maar ik heb eene bede als vriend, mijn jongsken!” –

„Hier is mijne hand, Kaptein! hij zal in mij een’ vader vinden; doch die roover is driemaal zoo zwaar gewapend als wij! Het is misschien de Engelsche Duivel Warde, of onze vervloekte Simon de Danser; indien ook ik er niet van -”

„Dan zal Marten zich zelven redden,” sprak de knaap, wiens groote oogen even veel openhartigheid als heldenmoed teekenden; „doch de Heer zal mij genadiger wezen, dan uzoo vroeg weg te nemen,” voegde hij er bij, die geloovig opslaande.
„Kus mij, Jongen!- Moeder had gelijk, toen zij u te huis wilde houden„”

„En was ik u dan tot last Vader! of vreest ge dat ik bang ben? Neen, liever dan als eene oude bes bij den haard zitten, zoude ik in den mast van dien roover klimmen, en zijne vlag met mijne tanden nerhalen.”

„Maar er zijn geen honderd realen van achten bij te verdienen, Marten!” hernam de vader, grimlagchende om de drift van den jongen, en zinspelende op de belooning aan den trompetter van Kaptein Cleinsorge geschonken, die een dergelijk waagstuk in den slag bij Gibraltar, aan boord van den Spaanschen Admiraal, met gelukkig gevolg ten uitvoer bragt.

„Er is eere bij te halen!” hernam de knaap, „en hebt gij mij niet zelf geleerd, dat glorie meer waardig is dan geld?”

„Vergeet het nooit, Jongen!” hervatte Harbart, „en God zal met u wezen, ook wanneer ik -”

Het roofschip was onder schot gekomen – de vader ging in den bevelhebber te loor. „Vuur!” klonk het, en eene donkerder wolk, dan aan den azuren hemel ronddreef, omgaf eensklaps de beide zeekasteelen.

11.gif (2548 bytes)


II.

GIJ vreesdet in den kruiddamp te zullen stikken, lieve lezer! – stel u gerust, ik heb u eerst nog een tafereel van geheel andern aard aan te bieden. Het is de kajuit van het roofschip, twee uren vr den aanvang van het gevecht.
Het was geen bekrompen vertrek, naar pek of teer riekende, geen dier notendoppen tusschen de wolken en de wateren drijvende, welke mij indien ik gedoemd ware in dezelve te verspillen, honderd malen op nen dag zouden doen wenschen vleugelen te hebben als de vogels des hemels, of vinnen als de visschen der zee. Er heerschte waarlijk Oostersche pracht in die door talrijke Venetiaansche spiegels opgeluisterde kamer, in welke de zachtgroene kleur der gordijnen het te sterke zonnelicht in het liefelijkst half duister verkeerde. De verveling – die grootste aller scheepskwalen – scheen nooit de rozen van het vloerkleed derzelve te hebben gekreukeld. Het moest streelend zijn, des nachts op die weelderige kussens rustende, bij het licht der albasten lamp, welke door gouden schakels voor te hevig slingeren werd bewaard, bij wijle te sluimeren, bij wijle te lezen. Eene voor die plaats en dien tijd aanzienlijke boekverzameling, in een’ hoek des vertreks gerangschikt, bood overvloedige gelegenheid voor het laatste aan. – Hier scheidde een doorzigtig raam, van dun koperdraad gevlochten, de bewoners dier kamer van een heir kleine vogelen, wier zoet gekweel de eenzaamheid op de baren deed vergeten; – ginder rezen uit een gouden wierrookvat de strelendste geuren op, terwijl de grillig uitgedoste negeknaap, aan wien de zorg was opgedragen hetzelve brandend te houden, van tijt tot tijd de sterkte van het reukwerk temperde, door het binnenlaten eener frissche zeekoelte; – elders lag een opengeslagen schetsboek, welks bladen door de stoutheid der omtrekken van de hand eens mans getuigden, naast een’ half-afgevlochten hoed van Italiaanse stroohalmen, een werk dat de aanwezigheid eener vrouw verried.

Waarom het u verheeld? Ik had niet zoo lang van die jeugdige bekoorlijke – den schoonsten roof des roovers – gezwegen, indien ik geloofd had haar naar warde te kunnen afschetsen. Den peinzenden blik der hemelsblaauwe oogen op de wentelende baren gevestigd, zat zij aan n der kleine Gotische vensters; – een schilder had haren blanken, ronden arm bewonderd, die langs een’ der teekenachtigste stoelen van ons voorgeslacht afhintg, – een dichter zich in de beschouwing harer lange kastanjebruine haren vermeid, die zij achteloos liet nedergolven, en welke de helft van haar boeijend gelaat overschaduwden. Het was een zonderlinge speling der Natuur, die lokken van het Zuiden bij die oogen van het Noorden, eene speling, die onwillekeurig aan hare doorluchtiged naamgenoote herinnerde. Zij scheen het peinzend staren en het gezang der vogelen evenzeer moede; zij wenkte den negerknaap, en hij schoof een donkergroen gordijn voor de woning der luidruchtige zangers en bood zijner meesters hare luit aan. Maar een weinig tokkelens derzelve bragt deze in nog somberder stemming, en het gedruisch der golven mogt eer dan het geluid van het speeltuig het accompagnement heeten van het volgend couplet, dat zij half luide kweelde:

14.gif (3523 bytes)

    „Stabat Mater zong de schaar,
Nergeknield voor ’t hoog altaar.
    Ook de jonge nog zon ’t mede, –
Waarom toch haar hart niet brak,
Eer zij hem wer zag en sprak?”

Zij zuchte diep, en vervolgde:

Voor gevallenen geen vrede!

smekende eindigde zij:

Moeder Gods! vergeef het mij!
    Ave Maria! Ave Maria!

De deur der kajuit ging open; zij brank het gezang – was het hare geschiedenis? – eensklaps af – alle somberheid scheen geweken; hare lippen lachten dien binnentrende het welkom toe.

„Isabeau, my own Isabeau!” riep deze, sloeg zijnen arm vertrouwlijk om haar midden, en drukte op haren betooverenden mond eenen kus, die al het bestraffende, dat in den toon zijner woorden lag, verzachtte.

„Waarom zoo droevig?” vervolgde hij in het Engelsch, de taal, welke bij zijne kleeding, die van een’ Britsch Edelman dier dagen, paste.

„Frances!” antwoordde hem zijne Vlaamsche minnares – want, helaas! zij waren niet gehuwd – „Frances!” antwoordde zij ontwijkende – want hij had een onderwerp aangeroerd, waarover zij liefst zweeg, „dat schip in het verschiet, – het vuur, dat uit uwen blik straalt, – de bedaardheid uwer houding in dit oogenblik, alles zegt mij, dat er een strijd op handen is – dat er een gevaar…”

„Gevaar? zegt gij, Isabeau! foei, dat vrome lied heeft u bang gemaakt. Maar sla de oogen niet zoo beschroomd neder, – ik verstond het slechts half, – en ik heb u lief, bloode duif! lief om die blooheid zelve; want ik weet, dat gij u slechts om mijnentwil bekommert. Doch wees gerust; Sir Frances Verney is niet bestemd in een gevecht met een’ Hollandschen Mijnheer om te komen – de kogel, die mij treffen zal moet nog gegoten worden! Mijne Londoner schuldeischers bidden vee te vurig voor mijn leven, – de dag kan aanbreken, waarin ook ik mij bekeer!”

Isabeau, bij het begin dezer rede van haren stoel opgestaan, had haar hoofd aan zijne borst nedergevlijd;
en het paar leverde, gedurende eenige oogenblikken, eene fraaije groep op; zij, de teedere schoone, in den eersten bloei des levens; hij, de ruim dertigjarige man, wien zoo min uitspattingen als vermoeijenissen dt bevallig uiterlijke hadden doen verliezen, hetwelk hem vroeger aan het Hof der grijze Virgin Queen onderscheidde. Maar het was een belangrijker schouwspel voor den zielkundige gade te slaan, hoe Isabeau onwillekeurig van Verney terugdeinsde toen hij in de laatste woorden eener vlaag van ligtzinnigheid zijner spotternij botvierde en er iets duivelsch in zijnen lach was. Het afgrijzen duurde echte slechts een oogenblik; „my own Isabeau!” zeide hij teeder, als vroeg hij haar vergiffenis, dat hij zich in hare tegenwoordigheid had vergeten; en hare noodlottige liefde voor hem zegepraalde nogmaals over de herinneringen harer vroegste jeugd.

„Frances!” sprak zij, „in het gevecht, moet, wil ik aan uwe zijde staan!”

De ridderlijke roover sloeg ee’ doordringenden blik op zijne geliefde – indien zijne ervaring van het vrouwelijk hart hem niet bedroog, was dit meer dan eene ijdele gril, – en echter aarzelde hij niet die bede te weigeren.

Isabeau liet zich niet overreden.

„Allerliefste!” hernam hij op den toon, waarmede hij haar hart gewonnen had, „toen ik dezen nacht de starren gade sloeg – een droevig beeld uwer oogen, voorwaar! wat Calderon en Shakspeare zeggen mogen – toen was het niet Mars, die mij bedreigde – toen was het Venus, die mij onheil voorspelde; moet ik gelooven, dat gij het orakel der wigchelarij wilt vervullen?”

„Frances! verlangt ge, dat ik sterve?”

„Leven van mijn leven!” antwoordde hij, „het is geen tooneel voor een vrouwelijk hart!”

„Ik heb meert hart dan gij mij toeschrijft; – zoude ik anders met u -” en een purperen blos vloog over hare schoone wangen, terwijl zij een’ oogenblik ophield. „Ik heb hart genoeg aan uwe zijde te staan, en met u te sterven; – maar hier alleen te blijven – o, dat afgrijsselijk alleen! – en bij elk schot te vreezen, dat het u getroffen heeft, en in elken kreet uwen doodskreet te hooren, en te willen, maar niet te durven bidden, Frances! daartoe heb ik geen hart genoeg. U aan deze zijde – de zee aan gene – sta dat Isabeau toe; het is hare eerste – het zal, indien gij haar weigert – hare laatste bede zijn!”

Er was minder drift dan ernst in de wijze, waarop zij die woorden uitsprak; smeekende zag zij hem aan.

„Isabeau! het geschiede!” antwoorde de roover, en indien hij nog aan de opregtheid van haar verzoek had getwijfeld, de vreugde, welke bij die vergunning uit hare oogen tintelde, zoude er hem van hebben overtuigd.

Verney kuste haar en vertrok. Isabeau greep het zilveren fluitje, dat op de tafe lag; – de negerknaap, die zich bij de komst van zijnen meester bescheidenlijk verwijderd had, verscheen weder.

„Ganymedes!” sprak zij – Sir Frances had hem dien naam gegeven – „Ganymedes! breng den gevangen’ Priester hier!”
Een oogenblik later stond een jong man, het gelaat in eene monnikskap verborgen, met geboeide handen, op den drempel der zijdeur van de kajuit.

„Uw’ zegen, mijn Vader!…” vroeg de jonkvrouw, „ de ure des strijds nadert; de uitslag kan noodlottig voor ons zijn.”

„De Heilige Kerk heeft geen’ zegen voor roof en moord!” klonk het op doffen toon.

„Onze vijanden zijn ketter, mijn Vader!”

„De Heilige Kerk heeft geen’ zegen voor de non, die hare kroon wegwierp!”

Het schoone hoofd van Isabeau zonk op haren boezem neder – zachtkens gaf zij een’ wenk aan Ganymedes, en was weder alleen.


III.

GOEDEN nacht, Luitenant! zeide rouwe Gijsbert, de magtelooze hand van Heinsz. drukkende, „ik zal u dra volgen, Man!”

„Nu kan hij mij in geen’ dikken mist meer een uur lang op den top van den mast laten zitten,merkte een matroos aan.

„Grietje Dirksen is toch een mooit meisje,” zeide een ander, luimig genoeg.

„Dat gaat u vr, Jongens!”

„De roover betaalt beter dan de Staten, – hij geeft ons de schoten met rente terug.”

En de waarheid der laatste opmerking werd ten koste des sprekers bevestigd; – want in den volgenden oogenblijk stortte hij neder en zijne beide buren met hem. Een zucht, een vloek, een „God ontferm u!” was alles wat men hoorde, en drie redelijke wezens waren geweest!

Men hoorde het ter naauwernood, want het gebulder van het geschut – het gekraak van masten en zeilen – het gejuich – het geschreeuw werd steeds heviger; – de lafste werd moedig, de bloodste onvervaard, het gevecht had een vierde uurs geduurd. Waartoe zoude ik u als de ijsselijkheden van hetzelve schilderen? Hollanders waren nooit laf op zee!

„Vader ! gij bloedt!” zeide Marten.

„Ik voel het niet, Jongen! Luitenant Heinsz!”

„Luitenant Heinsz is dood!” klonk het door wolken rooks.

„Claes Hendriksz dan?”

„En Claes Hendriksz kwam – ontving de bevelen des kapteins – en spoedde zich naar het andere einde van het schip.”

„Vader! laat mij den wondheeler halen.”

„Denk aan u zelven het laatst, zoo gij ooit bevelhebber wordt, Marten!”

Eene dubbele laag van het vijandelijk vuur deed een akelig gekerm opgaan; maar met meer tegenwoordigheid van geest dan zijne jaren beloofden, strikte Marten, te midden van hetzelve, zijnen halsdoek los en wond dien om het been van zijnen vader; – Harbart was aan de kuit gekwetst.

20.gif (2545 bytes)

„Arie Goosens!” riep de kapitein, – het duurde eene geruime wijl, eer zij verstaan werd; eindelijk verscheen de geroepene, en Harbart deelde hem dezelfde orders mede, welke hij een’ oogenblik te voren aan Claes Hendriksz gegeven had – doch het was te laat – de vijand enterde.

Welk een verschil tusschen den bevalligen minnaar, den hoffelijken edelman, dien wij in de kajuit ontmoetten – en den man, die nu aan het hoofd zijner ruwe horden het Hollandsche boord betrad! Het vuur zijner oogen stak akelig af bij de bleekheid van zijn gelaat, – zij hadden gevonkeld, gelijk zij het thans deden, toen het verlies van het laatste overschot van zijn vaderlijk erfgoed van een’ enkelen worp op het verkeerbord afhing. En even weinig als hij toen de aandoeningen, welke zijn gemoed verscheurden, op zijn gezigt verried, even min waren angst en vrees voor den uitslag der vroeg gewaagde entering nu in zijne houding te lezen. Met dezelfde koelheid, waarmede hij weleer menig schoon slagtoffer zijner driften had verlaten, was hij zoo even langs de lijken van wie voor hem waren gesneuveld, voortgetreden; en de kromme Turksche sabel, welker gevest hij omklemde, beefde geen’ oogenblik inzijne hand. Al zijne bevelen teekenden kalmte, beleid en moed; slechts wanneer hij bij wijle een’ jeugdig krijger, die hem onafscheidelijk ter zijde bleef, aanzag, zweefde een zoete grimlach om zijnen lippen, – hij geleek den bleeken zonneschijn in een wintersch landschap.

„Frances!” begon zijn makker – Verney luisterde er niet naar; hij werd in het verschiet den Hollandschen Kaptein gewaar.

Arme Harbart Martssen! hij zag, dat de bevolen wending verzuimd was. „Er rest mijn niets dan een eerlijke dood!” dacht hij, – en snelde den roover te gemoet. „Marten! groet uwe moeder voor mij!”

Doch eer de aanvoerders elkander ontmoetten, vielen er drie schoten, „Vader! Vader!” kermde eene stem. „Vader! Vader!” helaas! de vader zweeg en bleef zwijgen, – Marten knielde bij zijn lijk.

Sir Frances stond op drie schreden afstands het tooneel aan te staren; – de jeugdige krijger aan zijne zijde zuchtte.

„Zult gij mijns vaders dood niet wreken?” schreeuwde Marten, zijne tranen afwisschende, het scheepsvolk toe, terwijl hij de vlag der Barc zag nerhalen, en in dien smaad de bevestiging aanschouwde van het victoriegeroep der roovers.

Vergeefsche bede – de dappersten waren gevallen!

Eer echter dat zinnebeeld van Hollands onafhankelijkheid door den schendigen voet des vijands konde worden vertrapt, beproefde Arie Goossens, wiens regterhand was afgehouwen, met de wapenen, welke hem overschoten, – zijne linkerhand en zijne tanden – hem dat heilige teeken te ontrukken, Zij worstelden eenige oogenblikken, – de betwiste vlag werd hun lijkkleed, – Goossens sleepte zijnen tegenstander mede in zee.

„Zult gij mijns vaders door niet wreken?” herhaalde Marten.

„Prince Mouringh had hem lief, maar ik nog meer, Jongen! was het antwoord, en Verney zoude den dolk, die als een bliksemstraal voor zijne oogen flikkerde en verdween, niet ontgaan zijn, indien de jeugdige krijger den stoot niet in zijnen arm had opgevangen.”

„Isabeau!” riep Sir Frances, en de kreet verried de hevigheid zijner aandoening.

23.gif (2025 bytes)

„Ik ben beloond!” antwoordde de Vlaamsche, „laat dien knaap in mijne kajuit brengen, het is de zoon des Kapiteins.”

Verney gaf de vereischte bevelen.

„Dank hebbe uw goed wil, rouwe Gijsbert!” zuchtte Marten, die, van het lijk zijns vader afgescheurd, terwijl men hem wegvoerde, den man gewaar werd, dien zijne bede had verhoord en er duur voor boette.

„En God – mijne ziel – Marten!” kermde de stervende.

Vr nog de schemering inviel, was de Barc leeggeplunderd, en hadden de roovers het kleine gedeelte harer bemanning, dat niet voor de overmagt was bezweken, in ketenen gesloten en aan hun boord overgebragt. Verney deed oogenblikkelijk de herstelde zeilen der Fairest ophijschen, en zette zijnen togt voort. Vlug als een watervolgel. wiens nergelsagen wieken slechts de kruinen der golven aanraken, gleed de ranke bodem over den Oceaan, thans door het schitterend gestarnte van dien hemel bestraald. Diep in het Oosten bleef een vurig gevaarte een’ geruimen tijd zigtbaar; eindelijk was het, of hetzelve met eenen doffen donderslag in den schoot der wateren wegzonk. „Mijn Vader mijn Vader” gilde eene stem op het dek, – het ruwe scheepsvolk had deernis met den schreijenden knaap.


IV.

GA ter zee varen, indien gij wilt leeren bidden,” zegt het Fransche spreekwoord; er ligt eene droevige waarheid in dat gezegde: de mensch moet gedurig herinnerd worden aan zijn afhankelijkheid van God!

En toch, het scheepsvolk der Fairest bad niet, schoon wind en zee de broze kiel sedert drie uren zweepten en schokten, schoon de bevelhebber zelf vreesde schipbreuk te zullen lijden op de zuidelijkste dier kusten, welker uithoeken de Ouden in hunne dichterlijke taal, de zuilen van Hercules noemden. Vreezen is misschien te sterk een woord voor Verney; zijn hoogste lust bestond in het trotseeren van gevaren, en deze strijd, om het behoud van alles wat hij bezat, was kittelender voor zijne eerzucht, dan ooit de uitspraak der dobbelsteenen, dan zelfs het beklimmen van den bemosten toren der abdij, waaruit hij zijne schoone schaakte, voor hem gewees was. Maar zijne werktuigen? Het had een schoon schouwspel mogen heeten, die uitgeputte matrozen, worstelende met de woede der hoofdstoffen, indien het maanlicht, dat bij vlagen van achter de wolken te voorschijn trad, op het gelaat van hen, die aamechtig op het dek waren nedergezegen, de kalme berusting des geloofs had aanschouwd. De bleeke nachtvorstin vond er dien niet, – bij wijlen deed zich akeliger geluid hooren, dan het geknars der zeilen en het gekraak der maaten; – het was de korte maar scherpe gil der wanhoop van hen, die in zee stortten. – Het geratel des donders mogt in vergelijking welluidend genoemd worden.

Wendt met mij den blik van dat afgrijsselijk dek af, en volgt mij, indien gij moed hebt, naar het gevangenhok, dat de priester voor eenige weken, op bevel van Isabeau, luttel oogenblikken verliet. De gang is donker – gevangenissen op zee hebben dit met gevangenissen op het land gemeen – de hokken zijn klein, maar de wanden dik genoeg, om geen gesprek met de bewoners der naburen te vergunnen, – Verney weet, dat het ongeluk verbroedert! – Geene klagten dringen ons uit die, waarin onze landgenooten verzuchten, in het oor, – waarschijnlijk viel den geestlijke het minst hecht geslotene ten deel, immers wij hooren zijne stem:

„Marten! – Marten!”

De knaap, die voor zijne deur geknield ligt, beweegt zich, noch antwoordt.

„Marten! – Marten!”

Een diepe zucht van den wachter volgt op de herhaalde bede.

„Marten! ik zal niet weder beproeven u te bekeeren; maar ge zult den hemel verdienen zoo ge mij de deur opent: hare ziel moet gered worden!”

Moedeloos werpt de knaap zich op den grond neder, eenige oogenblikken stilte volgen, indien er stilte is in zulk eenen storm.

„Ganymedes, verloste uit den stamme Cham’s” klinkt het uit de gevangenis, in de negertaal dier dagen, en de knaap die vr dezelve ligt, springt met eenen luiden vreugdekreet op, – de sleutel is in zijne handen, de deur geopend, – in vervoering kust hij den zoom der monnikspij.

„Gij hebt eindelijk weder aan mij gedacht, Meester! – ik vreesde, dat ge mij om den blanke vergeten hadt.”

„God is goedertieren!” borst de priester uit, „er groeijen lelin onder de doornen, en niet alle zaad valt op eenen steenachtigen akker!”

„Ge vergat mij dan niet?” herhaalde Ganymedes, terwijl den gevangene zich door den gang spoedde.

„Al vergat ik u, God zoude u niet vergeten, zoo gij Zijner gedenkt!” was het antwoord.

„Toen het onwer opstak wierp Marten mij den sleutel toe, hij wilde niet beneden blijven. Als het schip zinkt, dacht ik, zal Ganymedes met den bode van vrede ien liefde naar den grooten Geest gaan, – ik wachtte totdat gij mij riept, – de overige sleutels heeft Sir Frances zelf!”

„Ik heb dierbaarder ziele te redden dan die der ketters,” hervatte de priester, en opende de deur van het vertrek van Isabeau.

Daar lag zij, de schoone boetelinge, nog niet ontkleed – want vr het invallen van den nacht had de hevigheid des winds haar den verschrikkelijken toestand doen vermoeden, die Verney gedurende den avond haar ontveinsd had – half achterover geleund op het u beschreven leger, door den tooverglans der albasten lamp bestraald. Zij geleek eene Magdalena, zoo als van Dyck er later schilderde, tenger, – zwaarmoedig, – schoon, – duizendwerf beminnelijker dan hare door Rubbens vereeuwigde landgenooten, wier volle boezem, weelderige leden en onbeschaamde dartelheid mij haar Bacchanten zouden doen noemen, indien de God des wijns ooit eene bierton tot zijnen zetel had gekozen.

Driftig wendde zij bij het gedruisch van den binnentredende het hoofd om; – de sluijer, waarmede zij in het klooster der heilige Ursula te B. tot nonne gewijd werd, ontglipte harer handen. Zij had dien zoo even met hare tranen bevopchtigd. Ge vermoedt, welk een’ indruk de storm op haar gemaakt had; sedert hare vlugt met Verney had zij geen’ moed gevoeld het verzoeningsteeken, in dat zinnebeeld harer gelofte verborgen, aan te raken.

„Bid voor mij, mijn Vader!” riep zij, zich aan de voeten van den geestelijke nderderwerpende, terwijl zij hare oogen niet to hem durfde opslaan.

28.gif (2545 bytes)

„Er was een tijd, waarin ik met u en voor u bad, – een tijd, waarin dezelfde vrouw het ons leerde” –

„Heilige Moedermaagd!” gilde Isabeau, „mijn vermoeden was dus waarheid!

„Mijne – wat ik u noemen, schande van ons huis!” –

„Vloek mij niet, Joannes!” borst de jonkvrouw uit, zijn knien omvattende, „ik heb vader noch moeder meer!”

„Ik kwam om u te redden, Isabeau! – de Heer vergeve Zijnen knecht die overijling; – het staat nog aan u, mij voor te gaan in het Koningrijk Gods; de Schrift zegt…”

„Wee mij, wee mij!” kermde de rampzalige.

„Zie Isabeau!” hervatte Joannes, „het was hard, na volbragte zending in Nieuw-Spanje, de gevangene een roovers te worden; het was hard, boeijen te dragen en het daglicht te missen, nadat ik verlossing van de zonden verkondigd en het paradijs van het Westen aanschouwd had; maar dit alles mogt ligt heeten bij de ure, waarin ik u aan boord van dit schip den boelinne eens ketters vond! wanneer onze moeder opzag, – wat spreek ik van aardsche banden? ge waart de bruid des hemels! – Gij siddert, Isabeau! – voorzeker, die vurige bliksemstraal, die donderende stormwind, zouden den moedigsten man schrik aanjagen; maar ik sidderde tot in het merg van mijn gebeente, toen ik er niet langer aan twijfelen mogt, dat de lust mijner oogen, de lievelinge van mine hart gevallen was van den troon der heerlijkheid, waarop ik haar geplaatst waande.”

Isabeau viel hem niet in de rede, maar schreide bitterlijk.

„Ween, mijn Kind! ween, de vrucht des berouws wordt door tranen gerijpt, de Heer is barmhartig! Hij was het, die mij bewaarde u gelijk te worden; misschien is uwe zonde mijne straf; veelligt heb ik mij te veel op mijne deugd verhoovaardigd. Want ook mij spreidde de Verleider zijne strikken, sedert ik met u aan het doodsbed onzer moeder stond, toen ik die nieuwe wereld betrad, waarin ik Christus moest verkondigen, Gij kent haar niet die streken, waarover de Natuur met kwistige hand al hare gaven heeft uitgestort; waar n zelfde landschap op het eigen oogenblik de schoonheden van vier jaargetijden aanbiedt; waar de mensch, in zijne onwetendheid, onschuldig schijnt als de aartsouders vr den val.”

„Dat ik met u derwaarts getogen ware!”

„Ge zoudt er gevallen zijn als hier; want de slang kronkelt zich ook dr om het geboomte, want de vrouw luistert ook dr naar de slang. Ng zie ik haar vr mij die dochter uit het rijk der Montezuma’s, die ik voor louter onschuld hield, die ik Christus predikte en die slechts mij lief had. Drom strooide zij elken avond versche bloemen en bladen op mijne legerstede; drom luisterde zij zoo aandachtig naar het lied, dat ik haar leerde; drom kende zij het zoo spoedig, „Waarom zoudt gij dit oord verlaten?” sprak zij, toen ik haar uitnoodigde mij naar de Oudsten der zending te volgen, om haar in hunne tegenwoordigheid te doopen: „waarom zoudt gij dit oord verlaten? is de lommer van den bananenboom niet liefelijk, en de vrucht van dien jatropha niet voedzaam; of heeft de dochter van het gebergte, die zestien malen deze bloemen zag ontluiken uwen oogen mishaagd? Laat mij met die blinkende paarlen mijne lokken versieren, uw volk schat ze hoog, gij zult mij weder schoon vinden. Of wilt gij, zoo zal ik dien vredetak in de hand nemen, en den blanken bruidegom tot den Cacique voeren, gij zult hem welkom wezen! Waarom zoude de vogel uit het vreemde Land zijn nest niet bouwen aan den voet onzer bergen? -”

De priester hield een’ oogenblik op en prevelde een gebed; de ure des doods scheen gekomen.

„De Heere zij geloofd, Hij verlengt den tijd ter bekeering!”

„De arme wilde!” zuchte Isabeau.

„ „Kom” sprak zij„” ging Joannes voort, „ ik stiet haar van mij; – zij volgde me, ik zeide haar, dat ik van haar gruwde; – „ik wil uwe dienstmaagd wezen,was haar antwoord; las zij in mijne blikken de deernis, wier stem ik vergeefs trachtte te doen zwijgen? Zeven dagen lang drukte zij mijne voetstappen, mij getrouwer dan mijne schaduw, – den achtsten dag bleef zij achter – ik zag om, ik doopte haar – en heb haar begraven! Heere! verheif ik mij te veel op die zegepraal? Mij behieldt ge – mijne lievelinge viel!”

Isabeau deinsde van hem terug.

„Hebt gij berouw – haat gij hem?” vraagde Joannes.

„Hadt gij ooit lief?” borst zij uit.

„En heb ik u mijnen strijd dan verzwegen? en was zij niet de schoonste onder de dochteren van Tlazcallana? en beminde zij mij niet meer dan den Verlosser?”

„Ge zijt een man, Joannes! – ge zijt een heilige, iok ben eene zwakke vrouw!”

„Vleijerij en logen op uwe lippen, Isabeau! – zweer mij op dit afbeeldsel van Hem, die ter verzoening onzer misdrijven stierf, dat ge met mij vlugten zult, zoodra God er gelegenheid toe schenkt. – Satan laat af van iwe hem tracht te ontvlieden!”

„Hij waagde zijn leven om mijnent wil, – ik heb hem lief, Joannes!”

„Schande aan ons huis! dat ge gebiecht haddet en ik over uwe eeuwigheid gerust konde zijn…”

En de jonkvrouw, die in het gevecht den dood niet gevreesd had, trilde als een espenblad, niet dewijl het vaartuig, dat hen droeg, in den schoot der golven scheen te zullen verzinken, niet omdat de voorste mast met oorverdoovend geluid op het dek nederstortte; zij beefde voor den blik des priesters, vlammende als dien een wraakengels!

„Indien wij vergaan,” voer hij voort, „zult gij in mijne armen, en niet in de zijne, voor den regterstoel Gods verschijnen! – Isabeau! zeg dat gij hem haat, ik smeek, ik smeek het u bij de zaligheid uwer ziel!”

En hij sloeg den mageren arm, waar langs de hairen monnikspij in breede plooijen nederviel, om de tengere leest der bezwijmde schoone, die denzelfden middag, op de bede van Verney, een’ krans kunstbloemen door hare lokken had geslingerd, – eene andere Ophelia voor het uur der ellende getooid. De priester drukte het kruisbeeld op hare bestorven lippen, – Ganymedes knieldeaan de voeten der jonkvrouw neder.

Luttel oogenblikken in zulk een’ toestand schijnen jaren te duren; maar Joannes geloofde en zijne hoop wankelde niet!

„Een kus, Isabeau! een kus, – wij zijn het gevaar te boven!” riep Verney, eensklaps de kamer binnen stuivende, door Marten gevolgd; de wanorde hunner kleding was in sprekende overeenstemming met de vermoeijing op hun gelaat te lezen.

33.gif (3607 bytes)

„Noodlot, treft ge mij dus!” borst hij uit, het droevig schouwspel gewaar wordende, „ik ware liever in den schoot der wateren ter ruste gegaan, Isabeau! my own Isabeau!”

Als door die stem in het leven teruggeroepen, sloeg de jonkvrouwe de oogen op; bloosde – sidderde – schreide tevens, en sprakm aan Verney’s borst zinkende, met een’ vreesachtigen blik op Joannes:

„Hij is mijn broeder, Frances!”

„Zuster! ik verloochen u!” was het antwoord, „Man des roofs en des bloeds! dat God u straffe!”

„Twee bekers Malvezij, Ganymedes” beval Verney, „n voor mij zelven, ik ben huiverig als een jong matroos; n voor dezen stouten knaap, die waard is eenmaal bevelhebber te worden.”

Eer de negerknaap zijn’ last volbragt had, was de priester vertrokken.


V.

MIJNE hoeke, de Moriaantjes, en de kauhi” gebood de eigenaar der fraaiste galei, die ooit in eene Turksche of Babarijsche haven lag, toen zijne gasten Isabeau en Verney de herhaalde uitnoodiging, zijnen disch meer eer aan te doen, heuschelijk weigerden, „de Schirazwijn deugde zoo min als de Sherbet.”

Sir Frances verzekerde hem van het tegendeel; een grimlach speelde om de lippen der schoone Vlaamsche; de beide wachters, die met uitgetogen sabels aan den ingang der op het dak nedergeslagen tent stonden, volbragten Zijn bevel. Terwijl de een zich verwijderde, schoof de andere den hemelsblaauwen voorhang ter zijde.

Ik zoude u eene lange beschrijving geven van het panorama, dat zich door deze opening voor den blik der aanschouwers ontstloot, indien ik niet vreesde, dat gij er, tot vervelens toe, afbeeldingen van zult hebben gezien; het was de Algerijnsche kust; de van verre zoo schilderachtige stad Algiers maakte het middelpunt des tafereels uit.

Ook was het niet om deze te bewonderen, dat het drietal zich aan den ingang van het luchtig heiligdom op een Perzisch vloertapijt tegen eenen karmozijnroode kussens nedervlijde, – eene houding van behagelijke rust door den gastheer als de geamkkelijkster ter wereld geprezen, „Mijne danseressen zullen die rimpels van uw voorhoofd wegvagen,” zeide hij, zicht tot Verney wendende; „ of hebt gij gezworen even zuur te zien als mijne Mahomedaansche neven?”

De spotachtige uitdrukking, welke de mond des sprekers bij deze woorden aannam, verried dat hij gee Moslem was; inderdaad ondanks tulband, dolk en gordel, viel dit bij den eersten blik in het oog. Nooit was een Moor zoo blank, een Arabier zoo vrolijk; indien er al eenige ernst uit het breede voorhoofd sprak, hij had niets van de peinzende afgetrokkenheid van de kinderen der woestijn. Zijne vonkelende oogen, zijne lippen, voor scherts en lust geboetseerd, de glanzige haren van zijnen zwarten baard vooral, dien hij bij wijlen sierlijk glad streek, hadden u verleid hem voor eenen Italiaan te houden; maar zijne kloeke en slanke gestalte herinnerde aan het vaderland der eiken. Waar kastanje, citroen en granaatappel groeijen, laten veertig jaren levens dieper sporen in rimpels en kromming na; hij zag er naauwelijks ouder dan een dertiger uit.

„Week bij week verloopt, en de Fairest is nog niet weder in staat zee te bouwen,” hervatte Sir frances: „voor drie dagen zoude zij gereed zijn; warde schrijft mij uit Tunis. dat hij er op rekent en mijn hoofd hem borg blijft…”

„Heeft hij u dan tegen de elementen uitgezonden?” vroeg de gastheer, de bekende woorden van Koning Philips II parodirende, welke deze tot den Vlootvoogd sprak, die hem het verlies der Armada aankondigde; „maar ik begrijp, Vriend! waarom gij zoo gaarne kruist, Venus zwerft met u op de golven om.”

Verney staarde aandachtig op zijn vaartuig in het verschiet zigtbaar; Isabeau bloosde.

„Ge zijt het schoonst als ge bloost”, vervolgde de gewaande Oosterling, in onze moedertaal – hij had zoo even Engelsch gesproeken, – „waarom slaat gij uwe oogen neder? zij brengen mij de woorden van den poet te binnen:

 „U ooghies, pas hooghies, met booghies beset.
 Blaeu helder, sien snelder, en felder te met
 Als ’t flickerich licht van Jupiters schicht,
 En ylen, by wylen, als pylen seer dicht
 In ’t harte, vol smarte, ja martere dien
 Te spade, moet rade, ghenade gheschien.”

doch het is een zoet leed, weet ge, en daarom zie mij aan, bid ik u.”

Gedurende het opzeggen die regelen scheen de blik van Sir Frances nog altijd aan de Fairest geboeid. Het was gelukkig voor Isabeau, dat eene knielende slavin haar op hetzelfde oogenblik, in een’ prachtigen porseleinen kop, op een servet, met gouden franjes, het geurig vocht aanbood, dat de gastheer onder den naam van kauhi bevolen had, en hetwelk niets anders was den de hedendaagsche algemeene koffij. Om eene afleidign te vinden voor de zonderlinge liefdesverklaring bragt zij den vreemden drank aan hare lippen; – vergeefs hoopte zij, dat de hoeka of pijp voor hem een dergelijk middel zoude wezen. Zijne vingeren speelden met het amber mondsuk, terwijl het voortging: „Vorwaar, mijn Friesche vriend weet wat schoonheid is:

 „U mondie, dat stondme in ’t ronde ten troon,
 Dat fyne robynen nau schynen soo schoon;
 U tanden, als randen, kleyn van wit yvoor,
 Die proncken en bloncken, als voncken daer door;
 U halsien in ’t rondt, soo cierlyk stondt,
 Daer d’aren, soo klaren, daer waren ghegrondt,
 Daar het vast meer albaster scheen als teere vleys,
 O schoone persoone, wat kroone is u eys?”

mijne galeid, mijne schepen, mijne schatten, alles is het uwe, indien gij wilt…

38.gif (3909 bytes)

Eer Isabeau konde antwoorden, kwamen de moorsche danseressen; hare blikken hadden het echter reeds onwillekeurig gedaan, Toorn, verontwaarding, smart, waren er beurtelings in te lezen; maar het scheen, dat de verliefde eigenaar der galei die niet opmerkte; – de drie dartele schoonen begonnen haren dans, hij was er geheel oog en oor voor. Half Amsterdam was het onlangs voor Spaansche boleros en fandangos; maar deze meisjes zouden de gansche stad hebben betooverd; zij gaven aan de muzijk harer schelle castagnetten in wildheid niets toe. Hare bewegingen waren even bevallig als dartel; zij schilderden den zinnelijksten aller hartstogten, en echter week de purperen blos allengskens van de gloeijende wangen der Vlaamsche; – viel het enkel aan den waaijer toe te schrijven, waarmede eene slavin in hare nabijheid de hitte der lucht temperde? Wij betwijfelen het, de gastheer scheen haar te vergeten, – driftiger dan een echt Muzelman, blies hij, naar den rhythmus van den dans, kleine rookwolkjes uit de fraaije hoeka.

„Ge schept lust uit het een noch het ander, Verney! – hoe weinig geniet ge, hoe weinig vermaakt gij u, – wat is het leven anders dan rook en dans? alles danst: de baren in de zee, de jeugd op aarde, de wolkjes aan denhemel, tot in ons koude land, de starren in een’ winternacht en de gele bladeren in den herfst, H! H! wie mij voorspeld had – maar zie hoe bevallig die deernen elkander kussen – toen ik in de groote kerk te Dordt dutte en droomde; – bravo! bravo! die cirkeldraai was drie kroonen waard, – dat ik, in plaats van op eene gonzende middagpredicatie, eens op zulke muzijk zoude worden onthaald, ik had tien jaren vroeger mijn zuur beroep vaarwel gezegd. Vlugger, vlugger, mijn Bekoorlijken…!”

„Admiraal! de sloep van Kaptein Bisschop is aan den trap der galei,” viel een matroos hem in de rede, terwijl hij op eerbiedigen afstand van het zonderling schouwspel staan bleef.

„Leid hem herwaarts, Jongen! leid hem herwaarts. – Danst voor, bruine Lievertjes! waarom zoudt ge niet? ik heb te Marseille mijn schip verdanst en er eene gansche vloot door gewonnen, – wie weet welke gaven zijne gunst u in den schoot werpt. Ha, een kostelijke inval, de gierigaard zal woedend worden!”

Hij wenkte eene der Mooriaantjes en fluisterde haar iets in het oor. Zij hervatte den hare wulpsche slingeringen; daar naderde, in het gewaad van een’ Hollandsche burgerman van het laatst der zestiende eeuw, de beruchte Kaptein Bisschop. Eer de kleine bejaarde man het vermoedde, vielen de drie meisjes hem om de hals, namen hem in haar midden, kusten, plaagden, koosden, solden hem om strijd en wierpen zich nu eens in bevalige smeekende houding aan zijne knien neder en slingerden dan weder hare rooskleurige sluijers om zijnen breedgeranden hoed; – de Admiraal schaterde van lagchen.

„Zoo gij niet de nikker zelf zijt geworden, zeg dat deze heksen mij loslaten!” riep Bisschop, zijnen stok in verontwaardign opligtende; – hij miste in een paar der ontbloote schouders het doel zijner slagen niet.

 „Wy zyn in ’t soetste van ons jeught,
 In ’t klaerschoonste van ons tijdt,”

spotte de gastheer; „ dans een Patertje langs den kant mede, man! het is een hemel op aarde.”

„Dat ik ooit den voet op uwe vervloekte galei zette!”

 „Mijn bootien is ’t bootien van liefde en van lust,”

zong de onverbiddelijke; „het is mij waarachtig , of ik Mahomed en de houris zie; ik verwachtte niet, Bisschop! dat gij mij op zulk een vermakelijk kluchtspel zoudt onthalen. Zingt het lied van de roos en den nachtegaal, bruine Lievertjes!”
De dartele deernen hadden hem den stok weten te ontwringen – het regende bloemen op zijne graauwen haren, terwijl zij het verlangde lied zongen; hij was geheel in hare magt. „Wie onzer is de schoonste” vroegen zij -, de arme Paris!

„Honderd rozennobels voor de drie minnaressen, die op u verzot schijnen, Gelukkige! en gij zult vrij wezen.”

„Geen honderd testoenen,” brulde de gierigaard; „ schaam u, dat gij uw’ meester aan de bespotting prijs geeft.”

„Stil van den meester, Kaptein Bisschop! de leerling is hem boven het hoofd gewassen,” antwoordde de Admiraal: „de koning van Argile heeft u nooit de zon van het Noorden genoemd, noch u, wat meer waard was, uit zijnen harem laten kiezen.”

„En gij loost Leila niet!” viel Verney eensklaps hartstogtelijk in.

Isabeau zag bij die woorden op. Sir Frances scheen haren blik niet te willen ontmoeten; „eileve! laat dit ergerlijk tooneel eindigen,” bad zij.

„Voorzeker weet zij, dat ik geneesheer van het serail ben,” mompelde Bisschop; „veelligt behoeft zij mijne hulp.”

„Mits hij het stof uwer voeten kusse”, zeide de hoffelijke Admiraal; „ik zoude, als de Bassa van Tunis, honderd Arabische rossen willen geven, het uwe lippen te mogen doen,” en dus sprekende, nam hij eene goudbeurs uit den prachtigen shawl, welke hem tot gordel diende, wierp haar der Moorsche danseressen toe, en vervolgde, nadat hij zich een’ spiegel had doen brengen:

„Waarlijk, Bisschop! ge hebt me z doen lagchen dat mijn tulband scheef zit. Ge moest er ook een’ dragen, man! het is een heerlijk hoofdsierraad als de haren beginnen te grijzen of, wat nog erger is, als de kruin kaal wordt, gelijk de mijne, een gebrek, waarvoor geene olie uit Arbi baat.”

Daarop verschikte hij zijnen gordel, – de flikkerende dolk ontsnapte zijnen vingeren, – Bisschop raapte dien ijlings op. „Neen,” ging de Admiraal voort, „beschouw dien ponjaard niet zoo aandachtig ik zie hem liefst in mijne eigen handen blinken, allerminst gaarne in de uwe. Sinds ik grooter schatten bezit dan ooit een eerzaam burger mijnder vaderstad in kisten of kasten bergen kon, en ik alle meisjes van dit Land naar mijne pijpen kan laten dansen, heeft het leven waarde voor mij! Daarom wil ik niet in het paleis wonen, dat mijn koninklijke vriend mij in Argile aanbiedt; daarom wil ik u met geene wapenen zien spelen, want de Turken houden ons voor honden, en gij zijt uit wraaklust en geldzucht een zeeroover geworden. het zijn duivelsche beginselen, Vriend! niet dat ik u die euvel neem;want hadt gij het niet gedaan, ge hingt reeds hooger dan ik ooit hoop te klimmen. Mij echter bragt mijne losheid er toe, en…”

„Wanneer ge jonger in mijne handen waart gevallen,” hervatte de bejaarde, „er zou een ander man uit u gegroeid zijn; thans weegt uw lust tot genot uwen moed in den strijd op, naar -”

„De duivel hale uwe maren! doch hij rept zich niet, want hij weet, dat gij toch zijne klaauwen niet zult ontgaan, oude Geldwolf! – ik zoude met den Admiraal der Zeven Landen niet willen ruilen. Er zijn rossen, zeggen de Arabieren, die liever doodhongeren dan zich te latentemmen; ik was een jongen van dien aard. Maar uw opvoedingslust herinnert mij de oorzaak van uw bezoek – Verney! hebt gij den knaap medegebracht?”

Sir Frances beantwoordde de vraag toestemmend – hij had lagchend den twist aangehoord. Behoef ik mijnen lezers te verzekeren, dat het tooneel, hetwelk zoo veel gebrek aan opvoeding in den Admiraal verried, der Vlaamsche Jonkvrouw eenen sterken werzin inboezemde? Weinige oogenblikken verliepen, en een knaap – gij vermoedt wie hij was – verscheen in het bont gezelschap.

Verbaasd staarde hij den gewaanden Oosterling en den Hollandschen burgerman aan en plaatste zich digt bij Isabeau; hare goedheid had zijn hart gewonnen.

„Ik laat hem u over,” zeide Bisschop tot den eerste, nadat hij den jongen bij de kin gevat en hem aandachting beschouwd had, „hij zal te zwaren baard krijgen om geduldig pluksel te maken en pleisters te smeren.”

„Hm, hm!” hernam de Admiraal, „hij is nog tusschen mal en vroed, maar kloek en vlug -”

„Indien gij waarachtig een Hollander zijt, geef me mijne vrijheid werom,” borst de jongen uit, de hand van den Vlootvoogd grijpende; Kaptein Bisschops loerende blik had hem zeker afgeschrikt.

„De droes! welk eene drift, Knaap! wie zijt ge?”

„De zoon van Harbart Martssen, die schendig vermoord werd door deezen roover.”

Het drietal, dat hem verstond, zag verwonderd op; Verney vraagde, wat het wijzen op hem beduidde?

„Hij is bij den duivel ter biecht,” antwoorde de Admiraal hem in het Engelsch, „laat hem voortkouten.”

„Er is beleid noch talent in dien uitval,” merkte Kaptien Bisschop aan „er is niet eens berekening in Jongen! ge moest blijde zijn, dat uw vader zulk een’ dood stierf het spaart u de kosten der begrafenis.”

Marten Harpertsz huiverde bij die woorden. „En zijn deze uwe vrienden?” vraagde hij Isabeau. – Zij zuchtte, maar antwoorde niet.

De Admiraal nam het woord: „zeg, knaap! hebt gij ooit uwen vader van Simon, den Danser hooren spreken?”

„Hij zou er zijn half vermogen voor hebben gegeven de Maze binnen te zeilen, met die zeepest aan de ra van zijn schip opgehangen.”

„Ik ben Simon, de Danser, Knaap!”

„En als ge mij mijne vrijheid weigert, had mijn vader gelijk,” zeide Marten.

„Ge verdiendet, dat ik u tot wimpelpronk mijner galei maakte, Jongen!” hernam de beruchte zeeroover; „maar,” ging hij voort, „uwe stoutheid bevalt mij; indien mijn zoon niet verloren ware gegaan,” en het was of er stof in Simons oogen woei, schoon geen windje de vederen van zijn tulband deed wapperen, „hij zoude van uwe jaren geweest zijn: ik wil zien, of gij hem gelijkt.”

Naar Turksche wijze klapte de Admiraal in zijne handen „eene pistool en een vaatje kruid!” beval hij

De wachter bragt beide; Simon liet het vaatje buskruid op vier schreden afstands plaatsen.

„Laad!” gebood hij, zich tot Marten wendende.

Met groote vlugheid vervulde deze zijnen wensch.

„Leg aan!”

„Op u?” vroeg de Jongen.

„Ge hebt waarachtig iets van mijnen Hendrik; op het vaatje kruid, jongen!”

Zonder te aarzelen spande de knaap den haan en rigtte het wapentuig; – bleek als een lijk deinsde Bisschop met elke ademhaling eene schrede op zijde; echt Engelsch vermaakte Verney zich met het dolle proefstuk.

45.gif (2765 bytes)

„Simon! – Simon! – de – laat – ste – dans –…”

De Admiraal antwoordde den bevreesden Kapitein niet

„Zeg, Jongen!” vraagde hij, „zult gij schieten als ik vuur roep?”

„Waarom niet?” hernam marten, „gij zult met mij in de lucht vliegen, ik heb mijn leven voor minder gewaagd. Om haar zoude het mij spijten,” en hij staarde Isabeau aan.

„Bravo, Bravo! haan in rust!” riep de Admiraal, en Kaptein Bisschop nam de pistool uit de handen van Marten over; „kom bij mij, Jongen! gij zult erfgenaam mijner schatten wezen.”

„Om erfgenaam van uw’ vervloekten naam te zijn,” viel Marten in.

„Ik heb den knaap bedorven,” zeide Isabeau, want er vertoonden zich eenige rimpels op het gelaat van Simon, den Danser; „hij is mijn gunsteling.”

„Hij zal mij leeren kennen,” hernam de Admiraal; – „waarom Maaike mij slechts n kind baarde? – Jongen! gij blijft bij mij aan boord.”

Isabeau aarzelde te weigeren; een blik van Sir Frances besliste, en Marten Harpertsz verliet dien avond met hen de galei niet.


VI.

DRIE dagen waren verloopen, – de Faires lag weder zeilre en eene verkwikkende avondkoelte blies vlag en wimpel vol. Ongeduldig scheen het ranke schip den oogenblik te verbeiden, waarop het anker zoude worden opgewonden De spiegelende watervlakte door het maanlicht verzilverd, lokte uit tot de reize; zij was op den volgenden morgen bepaald.

Driftiger dan het vaartuig op de baren wiegelde, trad een man, wiens schoone gestalte in zijn eenvoudig gewaad treffelijk uitkwam, langs den boord van het dek heen en weder. „De ellendige komt niet,” dacht hij in zich zelven „zeker deed hem de stoutheid van het waagstuk terugdeinzen. Het ligt in zijnen aard. Wanneer hij waren moed had bezeten, zoude hij, in zijne jeugd, in zijn Vaderland fortuin hebben gemaakt. dat ik in dien Staat zonder Heer, in de dagen der ijveraars en beeldstormers, geleefd hadde, ik was meer geworden dan de speelpop van de liefde en het dobbelspel. – Hij komt nog niet; wat wachtte ik van hem, die zich in zulk een’ tijd blootstelde, door den beul te worden gegrepen? Het zwaard van een’ Edele, de kling van een’ Spanjaard, de dolk van een’ ongelukkigen medeminnaar misschien, ziedaar alles, wat eene mannelijke gloriezucht toen te duchten had, buiten een’ eervollen dood in den slag: maar wat moedig harte vreesde dien ook? Welk een ruim veld voor de grenzenlooste ontwerpen, de stoutste aanslagen, leverden daarentegen de Nederlanden toen niet op! Leila! Leila! – zal de kerel nooit komen? – Ik veracht het middel, dat ik bezig een’ Hollandsch zeeroover, die een beroemd krijgsman had kunnen worden, eene vlek op het vaandel der Geuzen! – Ha, Koning van Argile! gij durfdet mij haar te weigeren? ge zoudt haar Simon gegeven hebben?… maar hoorde ik geen geluid? – daar komt mijne boot; hij is het – mijn goud heeft gewerkt!”

Veelligt verheugt gij u, mijn Lezer! dat de lange alleenspraak van Verney, – want hij was het, – ten einde is; wij gaven haar de voorkeur boven een gerekt verhaal. met rassche schreden daalde hij in de jol af; de man dien hij zoo zwart geteekend had, zat in haren stuurstoel.

„En hebt gij woord gehouden?” vraagde Sir Frances.

„Mijne herkomst verzekert er u van; – waar zijn de honderd dukaten?”

„Bisschop!” antwoorde Verney, hem die som overreikende, „ge moet die nog verdienen; zoo ik vooruit betaal, ik doe het slechts omdat ge in mijne magt zijt.”

„Als de schuit over het meir is, denkt men niet langer aan den Heilige,” hernam de Kapitein; „en buitendien, gij vergeet onze voorwaarde en vleit u met een ijdel ovewigt. Ten eerste bedong ik honderd gouden dukaten zoodra ik haar het slaappoeder zoude hebben ingegeven; gisteren ging er een rouwgeklag uit den harem op; ik heb mijne voorwaarde vervuld. Ten tweede, gij kunt mij in uwe boot, op onzen terugtogt, met uwen ponjaard doorstooten of door uwe matrozen over boord laten werpen; maar zoodra ik een’ arm tegen mij zie uitstrekken, vliegen wij allen in de lucht; ik heb niet vergeefs de holen der Alchymie doorkropen, de eenzaamheid is mij een gruwel: ik wil niet alln sterven!”

49.gif (2474 bytes)

Of de bedaarde toon, waarop de sluwe grijze deze bedreiging uitsprak, indruk maakte, of dat Verney den man, die met de grootste naauwkeurigheid de honderd dukaten over en weder overtelde, beneden zich achtte, durven wij niet beslissen; maar hij antwoordde niet.

„Er zijn er honderd, – ik krijg er twee honderd als ik u haar levere?”

Sir Frances knikte toestemmend.

„Roeit zachter, Jongens! wij moeten niet gehoord worden,” beval Bisschop, De matrozen eerbiedigden dien wenk; er werd geen woord meer tusschen de beide hoofden gewisseld.

Wij zullen hen dus niet verder op hunnen togt naar het strand vergezellen, maar oto Isabeau terugkeeren; haar zwijgen was belangrijker dan het hunne.

Verney had haar vaarwel gezegd eer hij zich naar het dek begaf; een feest bij simon, den avond vr hun vertrek, was niets vreemds, en echter stonden er tranen in hare oogen. Frances was de hare niet meer. Waan niet dat zij het aan eenige koelheid van zijne zijde, aan verflaauwing van lofspraken, aan verzuim van oplettendheden bespeurd had: het oog eener minnende vrouw ziet scherper. Trots de verdubbeling zijner liefkozingen, las zij het in zijnen blik, hoorde zij het in zijne stem, voelde zij het in zijnen kus; deernis had de plaats van liefde ingenomen hij verzekerde wat vroeger niet behoefde te worden verzekerd; er was eene andere… De gedachte deed haar sidderen; maar neen, zij was onregtvaardig en ijverzuchtig; had hij niet gezworen, dat de bewondering, welke hij voor Leila gevoelde, (de naam was het eerst over hare lippen gekomen) slechts eene vlugtige hulde aan eene zeldzame schoonheid was geweest, die echter bij de hare niet halen mogt? Wie wraakt het, dat zij, bij de herinnering van het vuur, waarmede hij haar dit betuigde, een’ blik in den Venetiaanschen spiegel wierp: de zwakke schuldige, de arme minnares! Helaas! die ijdelheid stond haar duur: was het flaauwe lamolicht oorzaak harer bleekheid? – Zij beproefde te grimlachen; zuchtende verborg zij haar hoofd in hare handen.

Een uur verstreek in dezen toestand; daar bragt Ganymedes heer eenen ring van Verney, met de bede, zich bij hem aan boord van Simon te begeven; eene weddenschap strekte tot verontschuldiging, dat ze zijn geleide ontberen moest. Zij gevoelde een bijne onwederstaanbaren lust te weigeren, – indien zij nog zeker was van zijne liefde! – zij kleedde zich en ging.

Een gemoed, door hartstogten verscheurd, mist de kalmte, die vereischt wordt, om de schoonheden der Natuur te bewonderen; Isabeau zag niets, hoorde niets, en was, eer zij het wist, op de galei des Admiraals. Terwijl zij naar de zaal trad, waaruit vroeger de feestmuziek had toegeklonken, zochten hare oogen Marten Harpertsz; hij was op het dek noch op de trappen. Zij naderde den ingang, – geen gedruisch deed zich hooren; zij trad het vertrek binnen, dat met deurramen naar de galerij voerde, langs den achtersteven der zonderling fraaije galei bebouwd, – er was slechts n man in dei zaal: wie was hij?

Isabeau vraagde het niet; – door den helderen glans der volle maan – het nige licht in dat vertrek – herkende zij, bij den eersten oogopslag, in den rijk gekleeden man, Simon, den Danser; driftig greep hij hare hand.

„Liefde en list zijn zusters, zegt de poet bij uitstekendheid,” fluisterde hij, en Isabeau vermoedde haren verschrikkelijken toestand; zij wilde terugkeeren. Maar zoodra zij omzag, werd zij gewaar, dat de deuren achter haar waren digt gesloten. Het schemerde der arme voor de oogen; werktuigelijk zonk zij op eene sofa neder.

„Wat duivel is dit?” riep Simon verbaasd, „ik wil u koninginne van al mijne heerlijkheid maken; of is het de vreugde, die u doet duizelen? Wal mag zij het, – want zes Mullah’s, vier Aga’s en een Bassa hebben mij reeds hunne dochteren aangeboden, en ik weigerde de eene vr, den andere n. zoodra ik u zag, dacht ik: zij moet het worden: in drie tellen hadt ge mijn hart veroverd.”

Isabeau hoorde hem slechts half aan; maar wat zij verstond vervulde haar met afgrijzen. „Heilige Ursula” zuchtte zij, „red mij en ik zal boete doen!”

„Dwaasheid!” antwoordde Simon.

Er was een oogenblik stilte.

„Gij schept behagen in groeve boert,” begon zij, van den eersten schrik terugkomende; „maar staak dit gruwzaam spel, Verney kan er niet langer in bewilligen. Verney! Verney!”

„Ge moogt roepen zoo luid gij wilt – Verney is niet aan boord, en al hoorde hij u…”

„Simon!” sprak zij met waardigheid, schoon smeekende, „maak geen misbruik van mijnen toestand; gij voor het minst hebt geen regt mij daarover te beschuldigen…”

„Ik juich er in.”

„Heere ! ben ik zoo diep gevallen!”

„Dat Simon, de Danser, u in zijne armen wil opnemen; dat Simon, de Admiraal, Simon, de Rijke, u tot zijne vrouw verlangt! Wat ik bezit zal het uwe wezen; indien u dit Land mishaagt, zal ik den Staten of den Aartshertog, naar gij wilt, om vergiffenis vragen voor mijne misdrijven, en met u naar uw of mijn Vaderland terugkeeren. Veiligheid is voor geld te koop, kiefde niet; Isabeau! schenk mij die. Jaren lang heb ik gezocht naar eene vrouw als gij zijt; eene vrouw, die ik lief konde hebben; eene vrouw, die het regt niet zoude bezitten mij mijn vorig leven te verwijten: – ge zijt in mijne magt, ge zult de mijne worden!”

„ „Zuster! ik verloochen u,” ” zeide de ongelukkige, de woorden van haren broeder herhalende: „Joannes! gij wordt gewroken! Maar” ging zij voort, zich aan de voeten van Simon werpende, „ ge zult mij loslaten, indien ik u betuige, dat ik liefde voor u kan noch mag voeden, dat ik Verney met geheel mijn hart bemin!”

Indien het lichter was geweest, Isabeau zoude gezien hebben, dat het voorhoofd van den Admiraal in breede plooijen zamentrok; thans hoorde zij alleen uit den toon zijner stem het gevoel, dat zij opwekte. „ Gij zult wl doen van hem af te zien,” sprak hij somber, „ meer nog om uwent-, dan om mijnetwil”.

„Vreesselijk Man! wat wilt gij zeggen?”

„Zeide ik niet, dat ik u lief had?” antwoordde de ruwe zeebonk, kiescher, dan men regt had van hem te verwachten. „Word alleen drom de mijne.”

„Ge foltert mij…”

„Schat u gelukkig, dat ge mij gevonden hebt; ik zal u nooit…”

De Jonkvrouw klappertande en toch zeide zij: „List en logen zijn op uwe lippen, Man! maar geloof niet, dat ge mij misleiden zult: ik heb een’ afschuw van uwe trekken.”

54.gif (2168 bytes)

VII.

WAAR zijn zij, Knaap?” vraagde Priester Joannes veertien dagen later aan Ganymedes, toen deze hem zijn voedsel bragt; de rust van het schip had hem sinds een etmaal overtuigd, dat zij de plaats hunner bestemming hadden bereikt.

„Zie, ik heb waarlijk vergeten naar den naam der stad te vragen,” antwoordde de neger: „zoo ik slechts geweten had, dat gij er belang in steldet.

„Hoe ziet zij er uit, Jongen?”

„Men mag haar wel de stad der eilanden noemen, want wij hebben er den ganschen morgen langs en om geroeid, in eene boot, zoo zwart als mijn vel. Ik ben de nige van het scheepsvolk, wien het vergund werd aan land te gaan; Sir Frances zeide mij, dat ik, indien men er mij naar vroeg zweren moest, de Fairest la Madonna heette; – hij heeft gedreigd mij te zullen laten geeselen, indien ik hem zelven niet Signore Galuzzi noemde.”

„Dan zijn wij zeker op de kust van Itali, Knaap! waarom kwaamt gij het mij niet eer zeggen? ik zal Rome zien…”

„Meester!” bad Ganymedes, terwijl den priester, die ijlings den kerker wilde verlaten, tegenhield.

„Kom mede, Borst! de Heilige Vader zal ook u zegenen.”

„Meester! gij zijt in de gevangenis, er staat een schildwacht aan het einde van den gang.”

„En ik ben geboeid, jongen!” hernam Joannes op smartelijken toon, terwijl hij zijne ketenen aanstaarde.

„Indien ik Verney bewegen konde mij te vergunnen, eene pelgrimaadje naar Rome te laten doen,” ging hij voort. „Vraag het hem, Jongen! hij heeft haar lief; hij zal zeggen als de ongeloovigen: „baat het niet, het schaadt niet!” maar mij zal niet te zwaar vallen, om Christus’ Stedehouder op te zoeken en hem knielend te smeeken: „Doe een wonder, Heilige Vader! door haar te bekeeren; niet om den wille van mijn vasten, mijne striemen en mijn bidden; doe het, omdat zij de oogappel mijner Godzalige moeder was! Wat draalt gij, Ganymedes! vlieg!”

„Hij heeft gedreigd mij en u over boord te laten werpen, indien ik hem van u sprak. Ik durf niet, meester!”

„Dat heet, als Mozes het beloofde Land te zien, om het nooit te betreden,” zuchtte Joannes; „doch de Heer antwoordt niet van Zijne daden; reik mij dien rozekrans.”

„Uwe spijze,” viel de jongen in.

„Zeg hem, dat ik der Heilige Maagd eene gelofte deed; maar gij aarzelt – laat mij alln, ik wil bidden.”

„Mag ik het niet met u doen?” antwoordde de neger, „ook mijn lot is hard.”

Beiden knielden.

Indien ooit een dergelijk offer Gode welgevallig was, de Algoedheid weigerde dit voorzeker niet. Twee vreemdelingen op deze wereld – de eene door zijnen stand Hem gewijd en dus los van het aardsche; de andere van al wat hem in zijne jeugd dierbaar was wreedaardiglijk gescheiden, – twee verslagenen van harte, twee kindelijke gemoederen, baden der Algenoegzame Liefde om sterkte, troost en redding. Schoon Deze de laatste slechts aan n’ hunner toestond, Zij onthield de eerste voorzeker den andere niet; – doch wij loopen ons verhaal vooruit; bespiegelen is geen vertellen.

58.gif (2611 bytes)

„Hoezee! hoezee!” klonk het door den langen gang; Marten Harpertsz vloog den kerker binnen. „Wij zijn vrij!” riep hij; „rep u, Pater! de roover bedenkt zich misschien zoo wij talmen.”

Gloria tibi, Domine!” borst Joannes uit, en hij vervolgde, gelijk Ganymedes onzen jeugdigen vriend naar het dek. Een blos vloog over de bleeke wangen van den eerste, bij het aanschouwen van het prachtig tooneel, dat zich voor hen uitbreidde; het moest weergaloos schoon zijn, daar het zelfs in zulk een’ oogenblik indruk op hem maakte. Het was Veneti, mijn Lezer! te regt la bella geheeten; Veneti, met hare tallooze paleizen en torens; Veneti met den Leeuw van San Marco op de Piazza, de Koningin van den Oceaan, zoo als Lady Morgan haar noemt.

De verrukking, waarin de fraaije aanblik, dien hare markt opleverde, de grootere, waarin het herkrijgen zijner vrijheid hem bragt, duurde slechts een’ oogenblik in het gemoed van Joannes; Isabeau zweefde hem op de lippen.

Sir Francis, nu Signore Galuzzi, scheen zijne gedachten te raden. Hij had zijne verspieders-zending in Veneti vervuld; Vorst Doria was met de galeijen van dien Staat naar de Straat van Gibraltar gezonden; Ward noch Simon hadden dus een’ aanval van dezen te vreezen; Verney mogt zijnen tijd weder aan de liefde toewijden. Toch was er, terwijl hij op het dek stond, hartstogt noch aandoening op zijn mannelijk schoon gelaat te lezen; met vaste stem zeide hij in het Spaansch, tot den priester”

„Dr is uwe zuster!”

En dus sprekende wees hij op een klein vaartuig, in de taal van het Land peotte geheeten, dat naast de Fairest lag, terwijl Joannes hare touwladder naar hetzelve afklom, voegde hij er bij:

„Vergeet mij, of ik zal mij wreken!”

„Vergeven of vergeten is Christenpligt,” hetvatte de priester, „de wrake komt Gode toe!”

Men hoorde een bitter geschrei. Beklagenswaardige Ganymedes! wie vergeeft het Joannes niet, dat hij zich, zonder om te zien, naar Isabeau spoedde?

De peotte stak af; maar niet naar het bonte schouwspel, dat de Piazza aanbood, en hetwelk al de aandacht van Marten trok, rigtte zij den steven. Vergeefs wenkte hij de gondeliers, die haar roeiden, hem derwaarts te brengen, of bij den Rialto aan land te zetten; zij schuddeden het hoofd, en sloegen, na eenige kronkelingen, den zeearm, die tusschen San Michale en Murana stroomt, in. Zoodra zij dien ten einde waren en Veneti met hare duizende torenspitsen langzamerhand aan den gezigtinder verdween, begon Marten echter ongerust te worden. Werden zij naar eenen nieuwen, misschien akelikger kerker gebragt? Het tooneel, dat hen omringde, voorspelde niets goeds; de verlaten, half in den schoot der zee terug gezonken eilandenm, die in de nabijheid van Mazorbo liggen, breidden zich voor zijne blikken uit. Indien Marten eene geleerde opvoeding genoten, indien hij ooit Matialis gelezen had, hij zoude geweten hebben, dat hier weleer de eilanden Costanziaco en Amiano lagen, de lusthoven van het toen beroemde Altina, de stad met zes statelijke poorten op de kust der Lagunen gebouwd.

 61.gif (3598 bytes)

De knaap had te huis van Veneti, het weleer bloeijend, het nog altijd magtig Veneti, hooren spreken: waarom was hij dr niet naar wal gezwommen? Ligt zoude hij in die handeldrijvende stad een’ Hollander hebben aangetroffen; – wilde Sir Frances zelf hem daartoe niet in staat stellen toen hij hem bij het afscheid eene gevulde goudbeurs schonk? „Marten! Marten!” riep hij nu zich zelven toe, „gij hebt de gelegenheid verzuimd.” – Hij werd op de eilanden, langs welke zij heen roeiden, niet dan steenhoopen en bouwvallen gewaar der tempelen van eene, als zij, gezonkene Godsdienst, Hier en daar lachte hem een bedriegelijke wildernis van purperen bloemen aan, waarin eene stilte heerschte, zoo doodsch en akelig, dat hij het gegons en gebrom der vliegen en bijn, welke over die velden rondvlogen, hooren konde. Vergeefs zocht hij door teekenen en gebaren van de gondeliers te vernemen, werwaarts zij zich begaven; al wat zij antwoorden was Torcello; het viel den lieden niet in, dat de jongen niet wist,dat zij een eiland naderden, hetwelk Torcello heette.

Doch marten was er geen knaap maar, zich lang door onrust te laten kwellen, wanneer hem eenig middel overbleef zich uit dien toestand te redden, of van zijne verbleef zich uit dien toestand te redden, of van zijne vermoedens te worden bevrijd. Hij dacht aan pater Joannes, hij spoedde zich tot hem.

„Wenk den knaap niet heen te gaan”, sprak Isabeau, die op de nige bank der peotte lag, toen zij het sein bemerkte, dat haar broeder aan Marten gaf; „hij redde mijn leven: mogt mijne biecht hem leeren zijne hartstogten te bedwingen, het zal eene tiendubbele belooning zijn voor zijn bitter geschenk! Knaap, Knappt! waarom liet ge mij niet in de diepte wegzinken?”

De blos was van hare wangen geweken; vreesselijk woest golfden de donkere lokken om haar eirond, maar door hartzeer ingevallen gelaat; de weleer zoo heldere oogen verrieden nu, dat, met het geluk der liefde, hare jeugd voorbij was.

„Ik herdacht telken avond in eenzaamheid, in die galerij de lessen mijner moeder,” zeide Marten; „ik hoorde uwe stem; ik zag u in de golven springen: waartoe zoude ik die herdacht hebben, indien ik geaarzeld had u te redden? Slechts n hebt gij mij verdriet aangedaan; gij deedt het, toen gij in de boot van Sir Frances de oogen weder opsloegt, eene sluimerende vrouw naast u gewaar werdt en u op nieuw in het water wildet storten. „Ik kan haar ten tweedemaal niet helpen,” dacht ik; ik was moeder dan ik ooit geweest ben; Sir Frances verhinderde het gelukkig.”

„De wreedaard!” viel Isabeau in, en hare oogen vonkelden, maar niet van den vroegeren luister; „zoo verhinderde hij mij dezen nacht een’ dolk in mijnen boezem te stooten; hij vreesde misschien, dat ik dien had opgevat, om hem te treffen; hoe weinig kende hij de liefde eener vrouw! – Sidder zoo niet, Joannes! – Zoo hij mij gezegd had: „ik heb Leila liever,” ik zoude zijn weggekwijnd als de bloem, die dauw en zonne mist; maar geen verwijt ware over mijne lippen gekomen: mijne liefde was de ware. Hij drong aan op eene scheiding – ik was hem te veel!”

„Zuster! Zuster!” borst de Priester uit, „ng zegepraalt de Duivel op uw gemoed.”

Isabeau zweeg, maar schreide niet. – Marten vroeg werwaarts zij zich begaven – daat stiet de peotte tegen den oever van het schraal bevolkte eiland Torcello; de knaap ijlde naar buiten.

Hij begreep niet, waarom de gondeliers zich zoo ijverig spoedden, aan den rand der zee eenige takken van eene welriekende plant te plukken, en die hem, Joannes en Isabeau aan te bieden, zoodra de laatsten de boot verlieten. De kennis der Latijndsche taal stelde echter den Priester in staat, uit hunnen vloed van woorden op te maken, dat die zeewierook, gelijk zij haar noemden, hun aan strand zeer aangenaam zoude zijn, ter verdrijving van den onaangenamen stank, welke in het woeste landschap, dat hun verbeidde , aan de talrijkheid van allerlei slangen viel toe te schrijven.

64.gif (2433 bytes)

Isabeau hoorde met eenen bitteren grimlach die uitlegging aan; – „ik heb eene gevaarlijker slang aan mijnen boezem gekoesterd,” zuchte zij.

Daarop reikte de eene gondelier Joannes eenige regelen schrifts van Verney over, het verzoek inhoudende, om nen dag op Torcello te verwijlen, daar de Fairest nog dien avond onder zeil zoude gaanl de andere spoedde zich, der Vlaamsche Jonkvrouw haar kistje met juweelen te overhandigen; maar een’ somberen blik op Marten slaande, reikte zij het hem over met woorden: „Ter gedachtenis!”

De Priester lette niet op den nadruk, waarmede zij die uitte; hij zag van verre een huis Gods. Isabeau volgde hem met wankele schreden derwaarts. Toen de deur der op dat oogenblik schier ledige kerk op hare hengsels kraakte en broeder en zuster den drempel van het heiligdom overschreden, was het niet de zonderlinge wijwatersbak, waarop allerlei gehoornde duiveltjes waren gebeeldhouwd, die Isabeau deed terug deinzsen: er zweefden vreesselijker spoken voor haren geest, dan ooit de ontstelde verbeelding eens middeleeuwschen kunstenaars in het aanzijn riep: zij gevoelde hare schuld!

Joannes naderde het verlaten altaar; bevende zonk zij aan den ingang op hare knien neder.

Marten was met hen de kerk binnengetreden; maar de knaap in de streng hervormde begrippen die dagen door zijne ouders opgevoed, had niet gewacht God voor zijne bevrijding te danken, tot zich in eenen tempel bevond, met handen gemaakt. Nieuwsgierig sloeg hij de zonderlinge sieraden van dat grijze gebouw gade. Deszelfs bogen en gewelven, in den ouden Romeinschen stijl, zouden een’ kenner hebben overtuigd, dat zij reeds in de zesde of zevende eeuw werden opgetrokken: – de versierselen der wanden blonken en schitterden van verguld mozak; – de vloer, met kostbare marmeren steenen van allerlei kleur ingelegd, werd in pracht, grilligheid en luister alleen gevenaard door de zonderlinge gestalten der twaalf Apostelen, van rood, blaauw, groen en zwart mozak, in cirkelvorm achter het altaar geplaatst.

Na een half uur biddens rees de priester op; – er biggelden groote tranen langs zijne wangen; hij zag naar Isabeau om; Marten hield de bezwijmde jonkvrouw in zijne armen.

„Zuster! bij God is genade, – wilt gij boete doen?”

„Ik vergeef het hem, – God vergeve mij, – Joannes” stamelde zij… Isabeau was niet meer!

67.gif (3651 bytes)

VIII.

BESLUIT.

SIMON, de Danser, verzocht in den zomer van 1609 den toenmaligen koning van Frankrijk om vergiffenis zijner misdaden, en verlof, zich onder zijne bescherming te begeven. Hendrik IV stond hem beide toe, en nadat Simon met vele Christenen, van allerlei natin, zegt Van Meteren, en onder welke zich waarschijnlijk de gevangen matrozen der Barc bevonden, Algiers ontvlugt was, kwam hij behouden te Marseille aan, en verwierf in December van hetzelfde jaar een gehoor zijner Aller-Christelijkste Majesteit.

Intusschen waren Warde, Bisschop en Verney door eenige vereenigde Spaansche en Franssche oorlogsschepen, onder bevel der Admiralen Don Loys Faysardo en Monsieur de Beaulieu, in de haven van Tunis, onder het Fort La Goletta, vreesselijk getuchtigd. Drie en dertig schepen, deels behoorende aan de roovers uit Europa, die zich dr hadden gevestigd, deels toekomende aan de roovers, welke Barbarije van ouds her het voorregt had op te leveren, werden in September 1609 door hen in brand gestoken; ook de fraaije galei van Simon ging op die wijze onder.

De Engelsche Duivel Warde scheen na die nederlaag berouw te gevoelen, dat hij Simons voorbeeld niet vroeger gevolgd had. Ook hij verzocht genade aan zijnen Koning; maar Jacobus I was er de man niet naar, om die te verleenen. Hij bleef dus te Tunis wonen, even als Verney en Bisschop; er is reden te vemoeden, dat de beide laatsten de Mahomedaansche godsdienst aannamen.

Het deert ons, om den wille der voorstanders van de dichterlijke regtvaardigheid, dat wij niet mogen verzwijgen, dat dit berucht drietal allewaarschijnlijkst hunne dagen in rust en lust eindigden, terwijl Simon, de Danser, een’ geweldigen dood stierf. Door zijnen woeligen aard overheerd, verdroot het hem weldra aan land te zijn; hy werd Convoyer, wermeldt onze Historieschrijver, van de Fransoysche ende ander schepen in de Levanten en in de Strate; en stierf, onvoorzigtiglijk bij Tunis aan land gegaan, aldaar in de gevangenis; – de Turken vermeden alle noodelooze regtspleging.

Pater Joannes ging barrevoets naar Rome, en vond er in een klooster, wat de nieuwe wereld hem niet had kunnen opleveren; wat hij wanhoopte, na den dood zijner zuster, ook in zijn geboorteland te zullen vinden: ruste voor hoofd en hart.

„En Marten Harpertsz?” Heb dank voor uwe belangstelling, mijn Lezer! hij verdient, dat ge zijner herdenkt.

Op eenen somberen herfstavond van het meergemelde jaar 1609 kondigde de klok van de Groote Kerk te Rotterdam da achtste ure aan, en peinzende telde eene bejaarde vrouw, welke in hare kamer de doffe toonen hoorde, die slagen na. Wekte het uur bij haar eene droevige herinnering op; had zij op denzelfden stond eene grievende tijding ontvangen? Het was niet onwaarschijnlijk; zij droeg het statelijk weduwkleed dier dagen, en haar aangezigt was in treffende overeenkomst met dat gewaad van rouwe. Een bijbel lag opengeslagen vr haar; indien gij over haren schouder hadt gezien, ge zoudt u overtuigd hebben, dat de bladeren, op welke zij staarde, tot het Evangelium Lucae behoorden. Vermoedt gij niet, dat zij de opwekking van den jongeling te Nan gelezen had? Een traan vloeide langs hare wangen; zij hief hare stramme hand, om dien af te wisschen, niet van haren schoot op; het was de Heer, die tot hare gelukkiger lotgenoote gezegd had: „En weent niet!”

Hij zoude het nooit tot haar zeggen!

70.gif (2172 bytes)

Eensklaps sprong de oude hond, die zich aan hare voeten had uitgestrekt, onrustig op; gillende vloog hij naar de deur der kamer. Daar hoorde de weduwe een ongewoon gedruisch in den anders stillen gang – het was een ligt schred, eene jeugdige stem!

Zoo hij het was!

Nooit had haar hart in de eerste verrukking der liefde zoo hevig geslagen; zij bestrafte zich zelve met eenen weemoedigen grimlach over hare ijdele hoop!

Hij was het!

De deur vloog open; Marten Harpertsz viel zijner moeder om den hals; gij eischt niet, dat ik u dat wederzien schildere.

Marten Harpertsz werd later Luitenant-Admiraal van Holland, en verwierf zich eenen roem, zelfs door dien van Michiel Adriaansz niet overtroffen; Johan de Witt getuigde van hem, dat hij een Zeeheld was, wiens wedergade vroegere tijden nooit hadden aanschouwd en latere welligt niet zouden zien; en Jan Vos sprak slechts waarheid, toen hij zijn bijschrift op ’s mans beeldtenis eindigde met de verzen:

Beschreidt dien Watergodt, – vergeefs is ’t zegepraalen,

De lauwren zijn te dier die wij met Tromp betaalen.