E. J. POTGIETER (1808-1875)

MAHASKAH OF DE WITTE WOLK.

HET ENGELSCH GEVOLGD.

De trotsche daagt op uit het blaauwe verschiet.
Hoe haar zeilen en vlaggen omwuiven!
De blik van haar donker-zwarte oogen gebiedt,
Trots de wimpers, die somber ze omhuiven.
Onnooz’le! de luwt uwer bosschen ontvlugt,
Om de vreemd’linge welkom te heeten,
Spelt niets u het onwer, dat broeit aan de lucht,
Hebt ge uw’ boog en uw pijlen vergeten?

Mrs, SIGOURNEY, De Ontmoeting
der Oude en Nieuwe Wereld, 1492

De eerste wereld, met haar onschuldig menschenpaar en haren boom der kennis des goeds en des kwaads; de tijd, waarin engelen uit den hemel daalden en zagen, dat de dochteren der aarde schoon waren; de Egyptenaren, omwandelende in de nevelen van den uchtend der schepping; de Hebreeuwen, met statelijke en geheimzinnige lotwisselingen; de Grieken, de Romeinen en de Gothen; allen hebben dichters of geschiedschrijvers, beeldhouwers of schilders gevonden, om aan de volgende geslachten hunne eigenaardigheden te doen kennen. Dank der ijverige studin onzer oudheid, hebben kasteelen noch kloosters langer ontoegankelijke schuilhoeken voor onzen voet; schitterender misschien dan hij was, staat de riddertijd voor onze verbeelding, en al wat de wereld van die dagen tot de onze, schoonst of zonderlingst, stout of afschuwelijkst, aanbood, is bezongen en beschreven, of geschilderd of overgeleverd, als bijdrage tot kennis of bijdrage tot vermaak: welk onderwerp is niet schier uitgeput?

Gij zult er een noemen en onze gedachten geraden hebben, zoo gij de Americaansche dichters gaarne in die oorden der Nieuwe Wereld volgt, waar nog geene bijl de heilige stilte des wouds heeft gestoord, waar stroom noch meer ooit den last van logge scheepsgevaarten op hunne vlugge golven hebben getorscht, neen, slechts door het wilde ros en den natuurmensch werden gekliefd. Inderdaad, de Noord-Americaansche Indiaan, zoowel zedelijk als ligchamelijk even merkwaardig, ging voor de geschiedenis als voor de kunsten bijna verloren. Tot voor weinige jaren het dreigend spook van den zwakkeren blanke, kende men hen slechts als onverbiddelijke monsters, die zijne hut in brand staken en zijne vrouw en kinderen vermoordden. En menige grensbewoner der Vereenigde Staten zeide angstig den uitgever van the Literary Magazine, J. M’lellan, Jun., de regelen na, in welke deze onlangs de Begrafenis van een’ der eerste Kolonisten in 1680 beschreef, twee eeuwen hadden het tooneel van het feit slechts meer naar het Westen verplaatst:

Hoe bevreesd dolf men ’t graf in bevrozenen grond,
Hoe deed angst met de lijkbaar ons ijlen!
In het bosch zwierf de wilde achter ’t kreupelhout rond,
En wij duchtten zijn suisende pijlen.
Als de branding op ’t zeestrand haar drift had geboet,
Als ons oor slechts den wind had beluisterd,
Achtten wij het de komst van der vijanden voet,
Of hun wachtwoord behoedzaam gefluisterd.
Van omhoog grijnsde een avond des winters ons aan,
Om ons heen bleven sneeuwvlokken jagen,
En de wind huilde in ’t woud en de rits’lende blan
Gaven antwoord op ’t sombere klagen.
Stil en droef staarden wij ’s broeders lijkkiste na;
Maar toen de sneeuwjagt de grafdiepte vulde,
Trof ons ’t beeld van zijn deugd in de vlek’looze w,
Waar de stormwind haar statig in hulde.
Wij vergaten ’t gevaar, dat er zweefde om ons hoofd,
Om d’ ontslapenen vriend te verzellen,
In dien zaligen hemel, den vromen beloofd,
Die den Heer hier ten voorbeeld zich stellen!

 Menige grensbewoner in het verre Westen, zeiden wij, want toen de kolonisten in aantal en sterkte toenamen, schoot hunnen wilden vijanden niets over, dan de vlugt, en ontweken zij de bevallige landhoeven en de rijk bevolkte steden, in, de afgelegene schuilhoeken van de woestenij en het gebergte. Niet langer geducht, werden zij gesmaad, en eerst thans, nu Europa zich aan de andere zijde van den Oceaan verplaatst, eerst thans vestigt de geschiedenis haren vorschenden blik op een geslacht, dat slechts de wildernis tot getuige en daarom ook tot graf zijner heldhaftige feiten had, – dat tot het altaar der beschaving niet naderde, dan om, er als offerande op te worden geslagt, – welks lot nu een even romantisch als aandoenlijk belang inboezemt. Een geslacht, dat ligchamelijke schoonheid aan de zedelijke grootheid van den klassieken tijd huwt – welks oorsprong zich op de velden van Egypte en in de vlakte van Arabi vediest welke overleveringen in de Europeesche geschiedenis zoo vreemdzoortig klinken, alsof het verhalen waren van eene andere planeet, en welks helden – wier karakter niet geteekend, wier daden niet gewogen, wier leven niet verhaald werd voor altijd van de aarde verdwijnen.

Er is eene geregtigheid ook voor die wilden. Indien Cooper de belangstelling der oude wereld voor hen heeft opgewekt, voor hen in eenige zijner tafereelen van hunne dichterlijkste zijde te doen zien, twee zijner landgenooten hebben zich thans hunne historie, voor zoover die nog te schrijven is, ter taak gesteld, Terwijl wij het genoeg achten, den wijsgeer en den geleerde in het algemeen aan te kondigen, dat de eerste afleveringen van deze Historie der Indiaansche volksstammen van Nood-America te Londen het licht hebben gezien, en dat het geheel versierd zal zijn met honderd twintig afbeeldingen uit de indiaansche galerij te Washington, deelen wij heden het publiek eenige bijzonderheden mede over de wijze, waarop die wilde opperhoofden werden uitgeschilderd, over den man vooral, wiens naam wij aan het. hoofd dezer bijdrage plaatsten. Welligt bieden wij onzen lezers later een paar afbeeldingen aan dier heerlijke gestalten, de Caesars en Ciceroos, de Hectors en Helenaas der onmetelijke westersche prairin en bosschen, die heden nog ongerept zijn als in den beginne, en van welke de te vroeg gestorven Brainard ons een tafereel ophing in: De uittogt van den Landontginner.

1.

Ver van ’t meir, dat ginds vrolijk van lichtstralen vonkelt,
Van de we, die daar ’t oog door haar bloemen verkwikt,
Ver van ’t pad langs de beek, die dees heuvels omkronkelt,
Van zijn hut en het graf hier zijn dierb’ren beschikt;
Ver van ons toog hij heen, werweets ijver hem spoorde,
Naar ’t ontzag’lijke woud, dat nooit voetstappen hoorde,
Waar nooit maanlicht in kwijnde, nooit zonlicht in gloorde,
Nooit het bassen eens speurhonds het wild heeft verschrikt.

2.

Hij doolt om, waar de buffel de vlakte doet stuiven,
Of het wolkende schuim hem verkondt in den vloed;
Langs moerassige beemden, die slangen omhuiven;
Bij het hol, waar de bergkat haar roofteelt in voedt;
Maar den zwerver zal licht in die duisternis stralen,
Zijn geweer er niet kitsen, zijn blik er niet falen,
En de worst’ling met de eiken zijn kracht er verstalen:
Wie zal tegen hem zijn, zoo de Heer hem behoedt!

3.

Dat geloof blijv’ hem bij, die van allen zich zondert,
En geev’ kracht aan zijn’ voet, valt de weg hem te zwaar,
Hem ontmoete geen wreedaard, die reizigers plondert,
Hem verrasse geen pijl der bloeddorstige schaar!
Moog’ de maagd’lijke wereld zijn hart lang verkwikken,
Moog’ de komst van den dood er eerst laat hem verschrikken,
Maar hij stervend naar ’t Oosten nog glimlagchend blikken,
Waar ik hem bleef gedenken, hoe ver hij ook waar’.

4.

Daar zal de eik, hem ten lijkw, zijn bladeren strooijen,
Waar de dauw in den uchtendstond paarlen aan hecht,
De eglantier met zijn bloemen het leger er tooijen,
Dat de wijnrank met loover en trossen omvlecht;
Daar zal ’t windje de geuren van ’t heigebloemt’ rieken,
Daar zal ’t weem’len van veed’ren uit adelaars-wieken,
Daar doet wolf en doet hond, zoo bij ’t scheem’ren als ’t krieken,
Door gehuil en gebas aan den moedige regt.

Het spreekt van zelf, dat de meeste dier beeldtenissen Indiaansche opperhoofden uit deze eeuw voorstellen, vele. van welke nog leven. Al hadden de kunsten te Washington veel vroeger reeds gebloeid, zoo als zij het thans doen, toch was er weinig waarschijnlijkheid geweest, dat de Indianen – van geslacht tot geslacht met de Europesche indringers in strijd – zich door kunstenaars zouden hebben laten uitschilderen, wier landgenooten zij met de tomahawks vervolgden, Van Koning Philips, den grooten oorlogsman der New-Englandsche volkstammen in de Zeventiende Eeuw, bestaat zelfs geene afbeelding: en zoo wij er eene hebben van de schoone Pocahontas, de dochter van den Virginischen staatsman Powhatan; zij werd uitgeschilderd met een’ stijven halskraag en hooggetorenden hoed, zeker het allerongelukkigst costuum voor eene dochter der Woestenij! Maar wij zijn onbillijk; want de schilder voegde er bij, dat zij bekeerd. en gedoopt was, en de echtgenoot geworden van Mr. John Rolff.

Der waarheid getrouw, laten de kunstenaars van onsen tijd aan die Americaansche Arabieren, welke over de uitgestrekte prairin en de groene savannas, „louter licht en stilte’”, tusschen den Mississippi en den Missouri rondzwerven, om het wild op te jagen, of den vijand te zoeken, al de wilde, blinkende pracht, waaraan zij gehecht zijn, op hunne schilderijen behouden. Het ontbreekt niet aan vermakelijke anecdoten over deze bosch-monarchen in de studio’s der Washingtonsche schilders; allen stemmen echter hierin overeen, dat die wilden uitmuntende zitters zijn, dat wil zeggen, dat zij over het algemeen gaarne en rustig zitten. Sedert het einde van den oorlog van 1812, leggen zij dikwijls bezoeken af bij hunnen Grooten Vader, zoo noemen zij den in hunne oogen en in die landgenooten hoogst eerbiedwaardigen President der Vereenigde Staten – om kleine verschillen met hem te regelen. Hun allen schijnt hetzelfde natuurlijke verlangen eigen te zijn, eene gedachtenis of herinnering hunner aanwezigheid te Washington achter te laten, waardoor het den volgenden blanken en rooden geslachten blijken moge, dat zij daar geweest – in den door hen bekleeden rang. Vroeger, zegt men lieten de meesten mocassins, pijpen en andere snuisterijen acheter de lateren echter waren hoogst ingenomen met het nieuwe ontwerp: zich te laten uitschilderen; het werd eensklaps mode. Men behoefde een Indiaansch opperhoofd slechts te wijzen, hoe hij zitten moest, om hem blijken van het onuitputtelijkst geduld te zien geven. Hij zat uren, dagen lang, zoo men het verkoos zonder zich te verroeren; een steenen beeld zoude de plaats niet onbewegelijker hebben gevuld. Zelfs op geen onwillekeurig knippen zijner diepliggende en list verradende oogen betrapte men hem. Hij scheen te gelooven, dat het zoowel met zijne waardigheid strookte, als het zijn pligt was, het gebod letterlijk na te komen. En zijn verlangen, dat de uitkomst bevredigend zijn mogt, maakte hem natuurlijk – hoe weinig hij ook van dien arbeid begreep, opzettelijk stokstijver en roerlooser terwijl het voorzeker te zelfder tijd in zijn binnenste den hang tot beweging verdubbelde, die hij zich gedwongen achtte te onderdrukken. Niet elk schilder, wij weten het, zal deze wij zitten de verkieslijkste noemen: de kunstenaar heeft regt, een bezield. gelaat te eischen; maar de Washingtonsche zijn aan haar zoowel de karakteristiekst-Indiaansche uitdrukking als de naauwkeurigste afbeelding hunner trekken verpligt. Het valt den meesters natuurlijk ligt, indien het vereischt wordt, hun onbewegelijk model in een vrij oogenblik te bespieden, en door het dn opgemerkte het onderscheidende van zijn karakter in het portret te brengen.

Wanneer twee of of meer dier Indiaansche opperhoofden denzelfden schilder te gelijk bezochten, was het gewoonte, dat zij, die niet moesten zitten, zich in een laken wikkelden en op het tapijt nedervlijden, om zoete droomen te droomen – een bewijs van natuurlijke welopgevoedheid, daar men hun te kennen had gegeven, dat zij, hoe minder hoe liever, stoornis moesten te weeg brengen. Echter werd er niet altijd zoo groote inschikkelijkheid betoond; want toen de forsch gespierde gemalin van een’ dier dapperen, wiens treffende gelijkenis juist volooid was, de schilderkamer binnentrad, en dit kunststuk gewaar werd, maakte zij er zich tot grooten schrik van den kunstenaar meesteresse van, en weigerde het uit hare duchtige vuisten los te laten. Men konde er haar niet toe overhalen, schijnt het, eer men er haar eene kopij van beloofd had. Zij verkeerde in de overtuiging, dat de blanke de ziel van haren echtgenoot uit zijn lichaam bezworen had!

Eene der schoonste afbeeldingen onder die der reeds uitgekomen reeks dezer, historie, is die van Mahaskah of de witte Wolk, die een groot opperhoofd der Pauhoochie, of de stam met den doorboorden neus was. Hij ziet er alleronversaagdst uit, en de volgende trek, van hem verhaald, is geheel in overeenstemming met de uitdrukking van zijn gelaat.

Mahaskah gaf zich soms in een onmatig’ gebruik van geestrijk vocht toe. In zulk eene vlaag oefende hij eens een der voorregten van een’ Indiaansch echtgepoot op de vliegende Duif, zijne gemalin, uit. De agent der Vereenigde Staten, het gedruisch hoorende, spoedde zich naar hunne kamer. Zoodra Mahaskah hem hoorde naderen, schoof hij het vensterraam op, en stapte naar buiten, vergetende, dat hij twee verdiepingen hoog was. Door den val brak hij zijnen arm; maar hij was zoo gewoon aan kneuzingen en wonden, dat hij er op aandrong den volgenden dag over een’ oneffen’ weg en slecht plaveisel ten minste twee mijlen ver te mogen rijden, om een kanon te zien gieten. Weinige dagen later, zat hij voor King van Washington voor zijn portret; zijne wenkbraauwen hebben iets zamengedrukts, dat aan de pijn valt toe te schrijven, welke hij leed, terwijl zijne gelijkenis getroffen werd.

Op deze beeltenis volgt die van de vliegende Duif, zijne echtgenoote, en die van beider zoon, den jongen Mahaskah het tegenwoordig opperhoofd van de Ioways, een’ volkstam; die vroeger slechts voor dien der Sioux onderdeed., maar tot 1300 zielen is zamengesmolten.

De wijze, op welke de magt zijns vaders hem ten deel viel, werpt veel licht over het Indiaansch karakter. Het schijnt, dat het oude opperhoofd in het dorp van eenen naburigen stam werd doodgeschoten, door een’ man, die een’ wrok tegen hem had opgevat over eene vermeende beleediging, en die hem in karakteristieken stijl gezegd. had, dat hij hem zonder pligtpleging zou dooden, zoodra hij uit de gevangenis, waarin hij zich bevond., zoude zijn ontslagen. Hij hield volgens belofte woord, en overviel het oude opperhoofd met eene welgewapende bende, maar bekende echter, dat hij nooit meer moeite had gehad, iemand te dooden, dan den sterken Mahaskah. Deze hulde voldeed evenwel onzen jongen oorlogsman niet volkomen: inderdaad, geen Indiaan zou haar genoegzaam hebben geacht.

Zoodra de jonge Mahaskah vernam, dat zijn vader doodgeschoten en een zijner moordenaars naar het dorp was teruggekeerd, begaf hij zich onmiddellijk naar de hut van dezen, sloeg zijne honden en zijne paarden dood, en sneed, en korf met zijn mes de biezen der hut op alle mogelijke wijzen stuk. Na al de moordenaars van zijnen vader in dezen getrotzeerd, en, zoo veel in zijne magt was, zijne verachting voor hen aan den dag te hebben gelegd, keerde hij zich tot dien moordenaar zelven, welke het vernielen van zijn’ eigendom in stilte had, aangezien, en zeide, hem ernstig in het gelaat starende:

„Gij hebt den grootsten man gedood, die ooit een Mocassinspoor maakte op de Naudoway; gij moet daarom zelf een groot man zijn, daar de Groote Geest u de overwinning heeft gegeven. U voor een’ hond te sehelden, zoude, mijn vader dan een hond doen worden.”

Het wijf van den moordenaar duwde haren man’ toe:

„Waarom slaat gij den jongen niet dood?”

Hij antwoordde: „Hij zaal een groote dappere worden; ik kan hem niet doodslaan.”

Dus sprekende reikte hij het jonge opperhoofd eene pijp toe, welke deze weigerde, zeggende:

„Ik wil u, in de handen der dapperen van mijn volk overleveren.”

Waarop de onbuigbare moordenaar hernam:

„Ik denk niet weg te loopen; ik zal uwe dapperen morgen verbeiden.”

De Indiaan wist zeer goed, welk lot hem verwachtte. Hij was overtuigd, dat zijn leven verbeurd was, en wilde het jonge opperhoofd, verzekeren, dat hij gereed was de boete te ondergaan. Den volgenden dag werd er een’ algemeene raad beroepen. Het feit werd aan de beslissing van dezen onderworpen. De eenstemmige uitspraak was:

„Hij moet sterven.”

Het werd verder bepaald, dat de jonge Mahaskah hem zoude dooden; maar hij sloeg het af, zeggende:

„Ik kan zulk een’ dapper man niet doodslaan.”

Hij werd daarop door een’ der dappersten doodgeschoten. Opdat de wolven het zouden mogen verslinden, liet men zijn ligchaam op den grond liggen, ten teeken van den afkeer van den stam en aller afgrijzen van den moordenaar van hun opperhoofd.

Wie niet ingewijd is in de zonderlinge contrasten, welke, het Indiaansche karakter aanbiedt, zal zich verwonderen over de volgende anecdoten van denzelfden oorlogsman; zij stellen hem in een geheel ander licht:

Toen de jonge Mahaskah onlangs te Washington was, trof het toevallig, dat de agent der Historie, enz. – het straks genoemde werk er zich ook bevond. Hij legde een bezoek bij hem af, en toonde den Indiaan het proefnommer. Naardat hij de bladen omsloeg, die de afbeeldingen vertoonden van dier Indianen uit het verre Westen, welke aan het gezelschap het jeugdig opperhoofd bekend waren, noemde Mahaskah hunne namen, even vlug, als waren de origineelen levend en tegenwoordig geweest. Onder deze was de gelijkenis van zijnen vader. Hij beschouwde haar met eene bedaardheid, die aan onverschilligheid grensde. Toen men hem vroeg, of hij zijnen vader niet kende, antwoordde hij, op de beeldteais wijzende: „Dt is mijn vader.” Men vroeg hem, of hij niet verheugd was hem te zien? Hij hernam: „Het is mij genoeg, te weten dat mijn vader een dapper man was, die een stout hart had en een’ eervollen dood stierf, den wil volbrengende van mijn’ grooten Vader.” Hij beriep zich daardoor op de dienst, die zijn vader beloofd had, den President te zullen doen, en in welker vervulling hij stierf. Toen men een ander blad opsloeg zeide hij: „Dat is Shaumonekusse, het opperhoofd der Ottoe,” en voegde er bij: „Hij is een dapper en een verstandig man, en ik ben verheugd hem te zien.” Zij waren lang goede vrienden geweest, ja, sedert Mahaskah niet langer een knaap geweest, hadden zij te zamen de Calumet gerookt. Daarop liet men hem het portet van de Adelaar der Verrukking, de gade van Shaumonekusse, zien. „Dt,” zeide hij, „is mijne moeder.” De agent verzekerde hem, dat hij zich vergiste. Hij werd boos; het scheen hem te grieven, dat zijne moeder in dit werk als de vrouw van een’ ander zou worden voorgesteld, als de vrouw van een opperhoofd., over hetwelk zijn vader gezag had uitgeoefend. Het gesprek werd zoo levendig, dat Mahaskah in drift ontstak, en den agent, die herhaalde, dat hij zich vergiste, toevoegde, terwijl hij hem vlak in het gelaat zag:

„Hebt gij ooit een kind gekend, dat zijne moeder lief had, en haar gezien had, dat de hand vergat, die het sloeg, en den rug, waarop het werd, gedragen, of de knien, waarop het werd geschommeld, of de borst, waardoor het werd gevoed?”

Z vast was hij overtuigd, dat die afbeelding zijne moeder voorstelde, en z besloten, dat zij niet naast Shaumonekusse zoude blijven staan, dat hij uitriep: „Ik wil deze kamer niet verlaten, eer de naam mijner moeder Rantchewaime onder die beeldtenis geschreven, en die van de Adelaar der Verrukking is uitgewischt.” De agent voor het bovengenoemde werk vervulde zijnen wensch, waardoor zijne opgewondenheid, iets verbazends in een’ Indiaan, bedaard, en hij tevreden scheen. De plaat nog eenmaal beziende, scheidde hij er van, met de woorden:

„Zoo ik het niet om Wancondamony gelaten had,” – dezen naam, die wandelende God beduidt, gaf hij den agent, daar hij zich verbeeldde, dat deze die afbeeldingen had geteekend, – „zoude ik haar gekust hebben; maar Wancondamony maakte mij beschaamd.”

Niet lang na deze zamenkomst bezochten Mahaskah en de agent de galerij van King, in welke men kopijen van vele dezer afbeeldingen aantreft, onder anderen ook de Adelaar der Verrukking en de vliegende Duif. Zoodra Mahaskah de beeldtenis der laatste gewaar werd, borst hij uit: „Dat is mijne moeder, dt is haar aangezigt, thans ken ik haar. Ik ben weder beschaamd.”

Zijne moeder was gestorven, toen hij slechts vier jaren oud was, en daar de Adelaar zich even als de Duif plagt op te tooijen, had hij de eerste voor de tweede aangezien. Dat echter de ware van de vermeende onderscheidde, zoodra – beide naast elkander zag, hij, die haar slechts gekend toen hij vier jaren oud was, legt eene vereerende getuigenis van de naauwkeurigheid, waarmede de Washingtonsche kunstenaars de gelijkenis weten te treffen.

Een paar bijzonderheden over Shaumonekusse en zijne mogen hier eene plaats vinden. Toen de Adelaar der Verrukking hem in 1821, gedurende zijn verblijf te Washington, vergezelde, was zij even jong als schoon, en trok, door haar belangwekkend voorkomen van onschuld en eenvoud, de aandacht der burgers tot zich. Deze overlaadden haar met geschenken. Onder anderen ontving zij velerlei snuisterijen, en men zegt, dat haar heer en meester, die haar waarschijnlijk de vleijende hulde bewees haar het schoonst te vinden, als zij het minst opgetooid, was, die gaven tot zijn eigen gebruik besteedde en ze aan zijn’ neus en zijne ooren en om zijn’ hals hing. Wanneer zij zoo goedhartig was als hare beeldtenis ons haar doet kennen, dan schiep zij er zeker meer behagen in, de ijdelheid van haren echtgenoot te streelen, dan zelve te pralen. – Zij overleed, spoedig na hunne tehuiskomst, en de verlaten echtgenoot werd door haar verscheiden z diep getroffen, dat hij besloot een eind aan zijn leven te maken, door zich dood te hongeren. Met dat doel wierp hij zich op haar graaf, en verwijlde, in verscheurende zielesmart, dagen lang op de alle voedsel weigerende, en doof voor allen trooat. Zijne vrienden, die zijn gevoel eerbiedigden, lieten hem eenigen zijn leed lucht geven; eindelijk echter sleepten zij hem uit het oord, waarin haar overschot rustte, en deden allengs zijne droefheid bedaren.

Nog een woord over Mahaskah: hij staat, zoo als wij vroeger zeiden, aan het hoofd van den volkstam der Ioways. Opmerkelijk zijn de begrippen, welke deze zich van een volgend leven vormen. Zij gelooven, dat zij na hunnen dood, liever nog, nadat zij door den Grooten Geest zullen zijn gevonden die gedurig rondgaat, met eene pijp in den mond., om lijken op te sporen door hem naar een’ snellen stroom worden geleid, over welken altijd een boomstronk ligt, die verbazend glibberig is. Zij, die tot zaligheid bestemd, zijn, worden door den Goeden Geest in den togt over dezen gevaarlijken vonder ondersteud. Zoodra zij den overkant bereiken, bevinden zij zich in een land, dat overvloeit van buffaloes en elanden, antelopes en bevers, witte otters, konijnen en muscusrotten. De zon houdt nooit op, dit heerlijk oord te bestralen; de stroomen, die den grond bevochtigen, droogen nimmer uit; de lucht is van geuren vervuld, de dampkring verkwikkend. Er hangen altijd ketels te vuur; de heerlijkste stukken buffelvleesch, elandsvleesch, enz., verbeiden overal den hongerige; de geur der spijzen gaat voortdurend op. In dit heerlijk en gelukkig land vinden de afgestorven braven elkander weder, en genieten er het gezelscbap der voortreffelijkste hunner voorvaderen, der dierbaarste hunner vrienden.

Maar wanneer de boozen dezen glibberigen boomtronk betreden, worden zij verlaten, vallen in den stroom, en komen, nadat zij in velerlei rigtingen zijn rondgedraaid, in eene wilde, onvruchtbare, arme streek te land. Zij zien er zich omringd van slangen, hagedisson, kikvorschen en sprinkhanen, en er is nergens brandhout, om vuur te ontsteken. Uit dit barre land heeft men een ruim uitzigt op dat der zaligen en al zijne heerlijkheden: de wind waait er den geur der spijzen over; maar zijne ongelukkige inwoners zijn van ieder ander aandeel dier genietingen voor eeuwig uitgesloten!

Mahaskah verdient genoemd te worden onder die weinig van zijn geslacht, die zich in zekere mate gereedelijk hebben onderworpen aan den invloed der beschaving, welke hij bij de blanken ziet heerschen. Een goed gedeelte van zijnen tijd wijdt hij aan den akkerbouw. Zijne velden, schoon niet uitgebreid, leveren veel graan, en hij leidt bijna het leven van „een’ goeden, ouderwetschen landedelman,” uitgezonderd echter, dat hij nog altijd op de jagt aan beeren en buffaloes boven eenig onbeluidender wild de voorkeur geeft, en dat hij – in dit opzigt verschilt hij nog meer van onze grondbezitters – jaarlijks na den oogst, al wat hij niet tot ond.erhoud van zijn eigen gezin behoeft aan zijne stamgenooten uitdeelt; want de Indianen zijn de volslagenste, zoo niet de nige hedendaagsche wezenlijke democraten ter wereld.

Inderdaad, een Indiaansch opperhoofd, het zij tot lof vermeld! is altijd arm.

Men vergunne ons, eer wij nog een woord over den rooden menschenstam in het midden brengen, hier eene klagte in te lasschen, welke eenen ongezochten overgang aanbiedt.

Het is eene vertaling van een vers des Americaanschen dichters Bryant, den lezer welligt uit eenen bundel pozij door Wasbington-Irving in 1833 te Londen voor hem uitgegeven, en door zijnen meer bekenden landgenoot aan Samuel Rogers opgedragen. Het dichtstukje draagt ten opschrift: De Indiaan op de begraafplaats zijner vaderen.

Deze is de plaatse, die ik zocht, –
Het oord, waarin mijn vaad’ren rustten,
Eer ’t blank geslacht ons overmogt,
Ons zweepte naar de Westerkusten –
Deze is de plaatse: honderdmaal
Aanschouwde ik haar in ’t oud verhaal.

Want hier belet een heuv’lental
Der morgenzon den stroom te groeten;
Daar ginder ligt het bloeijend dal,
En ’k zie de beemden aan mijn voeten,
De vlakten, waar, in ’t verre Zuid’,
’t Gebergt’ van Oost en West aan sluit.

Sloeg nu een blanke ’t landschap g,
Hij zou dees kleurenmeng’ling roemen,
En oogde ’s heuvele helling na,
Tot wsar ’t geblart’ verkeert in bloemen;
Ik niet – ik wenschte dat ook dr
Weer lommerrijk geboomte waar’!

Het schaap doolt op de hoogten rond,
Het rund doet in de we zich hooren:
Daar klieft des landmans ploeg den grond,
Ginds strooit men ’t zaad in de open voren,
En verder rent het steig’rend span
Voor ’t rijtuig van den blanken man.

Maar ’t was een prachtiger gezigt,
Toen boschjes dees valeijen huifden,
Hun kruinen, tintelend van licht,
Der hertenkudde koelte wuifden,
Die, dart’lend in de wilde streek,
Vlug heen stoof over tronk en beek;

Den held van ’t woud, den heer van ’t wild,
Hier in zijn’ jagtdos te zien rennen,
De werpspiets dreigende opgetild,
Waar ’t wolfgebroed hem aan dorst schennen,
Of borst en heup bevlekt met bloed
Der beeren, krimpende aan zijn’ voet.

Toen was dees hoogte heilige aard.’,
En de Indiaansche, uit gindsche dalen,
Bragt hier de gift den vaadren waard,
Een’ krans van bloemen en koralen,
En door het Ziener-opperhoofd
Werd hier des donders Geest geloofd.

Maar op de terp des oorlogs-mans
Mag ’t groene tarwegraan nu golven,
En stukgebroken liggen thans
Zijn laatste wapens onbedolven:
Ik zie in ’t stuivend oeverzand
’t Vermolmend been der heldenhand.

Ach! weinig dacht de dapp’re stoet,
Die de eer des stams hier plaats bereidde,
Be jonge g, die hier een’ vloed
Van tranen om haar eerst’ling schreide,
Dat eens het kroost der blanke vrouw
Op hun gebeente ploegen zou.

’t Verteert ons als de zonnegloed
De dunne sneeuw der voorjaarsnachten;
Het volgt ons met gelijken spoed,
Hoe wij ze in ’t West’ te ontwijken trachten,
En ’t zal niet rusten, eer de re
Ons volk verdwijnen zag in zee.

Maar ik zie teek’nen in ’t verschiet,
Waarvoor hunne oogen zijn gesloten:
Al toeft de wraak, ze ontgaan haar niet!
Wij werden uit ons erf gestooten:
De dagen komen, waarin zij
Van hier verdwijnen, zoo als wij!

Eer ’t woud voor hunne hakbijl zonk,
Stroomde ied’re vloed hier de oevers over;
Do melodij deg waat’ren klonk
Door de onbgrensde zaal van loover;.
En brongeplas en beekgeruisch
Smolt zaam’ met dond’rend vloedgebruisch.

Maar wie, die ’t stout muzijk nu hoort?
Verdroogd zijn reeds, die ’t weligst welden!
De stroomen ijlen trager voort,
Langs door de zon gerooste velden.
Dat hier de blanke meester zij,
Hem toeft een barre woestenij!

En toch, de arme Ioways! het gaat hun als de overige volkstammen van het Westen: de oorlog, de whiskey en de kinderziekte zijn hun te sterk geweest; een enkele mislukte oogst, – de zwarte dood noemen zij dien, en wel mogen zij het! – is thans genoeg, er bij duizenden van gebrek te doen omkomen. Het schijnt, dat het lot van het roode menschenras bepaald is: ondergang en vergetelheid. Het is hier de plaats niet, wijsbegeerte en geschiedenis raad te plegen, de nigen, die ons kunnen verklaren, waarom het zoo is; evenmin willen wij, als velen, de blaam van dit droevig verschijnsel slechts op ne der beide partijen werpen, de blanken namelijk. Waarom zouden wij eene klagte aanheffen over dit bukken van het eene geslaeht voor het andere, dat slechts de zege van het eene atelsel over het andere mag heeten? Onafhankelijk van alle wederzijdsche ongeregtigheid was die uitkomst wenschelijk an onvermijdelijk. Wel hadden wij liever gezien, het is waar, dat deze strenge Romeinen der westersche wereld, deze Stocijnen der wouden, mannen, die niet weten wat het is te weenen, van minder onhandelbare stof waren geweest. Wanneer hun verstandelijke of zedelijke aanleg geleken had op dien der Afrikanen, in plaats van er mede in volslagen tegenstelling te zijn, – wanneer zij een levendig volk waren geweest, gezellig, buigzaam en zonder achterdocht, hadden zij lust gehad, met vreemdelingen te verkeeren, en zich onder vreemdelingen te mengen; vlug in het navolgen en geneigd tot ontleenen, – hadden zij voor het minst eenigen omgang zelfs onder elkander gehouden, in groote steden zamenwonende, of, als de bewoners van de stranden van den Niger, elkander op groote marktplaatsen, bij gelegenheid van feesten en kermissen, ontmoetende had de grond, dien zij bewoonden, of de hemel, waaronder zij ademden, hun vergund of hen aangespoord, dit alles geheel of ten deele te doen en te zijn; in n woord, waren zij geheel andere wezens geweest en in geheel andere omstandigheden geplaatst, dan waren; – wel, dan valt er niet aan te twijfelen, dat de uitslag geheel verschillend had, kunnen en moeten zijn. Den Africaan is ligt te beschaven, in zekere mate ten minste. Den Indiaan kan men slechts met de uiterste moeite een haarbreed van zijn gewoonte doen afwijken. Geen menschelijk wezen wordt zoo stelselmatig, zoo met overleg en zoo volslagen opgevoed, als hij – in zijne soort. Geen schepsel handelt met meer goede trouw en ernst uit grondbeginselen – hoe zij zijn mogen, – of heeft door deze deugden en deze beginselen, volkomener, oppermagtiger heerschappij over zich zelven, dan hij. – Juist deze onbuigzaamheid heeft voor een groot gedeelte het lot der Indianen bepaald. Het roode geslacht is in zijne trotsche onafhankelijkheid stuk gebroken; het buigzame en bukkende zwarte – zeker niet minder dan het eerste in zijne regten verkort is, in zekeren zin des woords, te weliger opgeschoten, het bekende gras gelijkende, dat te beter groeit, naarmate het meer vertrapt wordt. Er is iets sombers in de beschouwing eener schilderij als deze. Het karakter zelf, dat de Indiaan in zijnen val bloot legt, de waardigheid, waarmede hij zich in den mantel van zijn lot wikkelt, eischen eene soort van bewondering; terwijl wij juist genoeg van de betere hoedanigheden onzer broeders uit het woud hebben leeren kennen, om, nu het reeds te laat is hen te redden, te gevoelen, hoe groot een volk zij hadden kunnen zijn, hoe ligt zij misschien hadden kunnen worden gered.

De Gids, 1838.