E.J. POTGIETER (1808 – 1875)

MARIE

„Marie is alleraardigst,” plagt ik uit te roepen, zoo dikwijls ik in den verleden zomer op den huize Duin en Dal gast was geweest; maar gister bewaarde ze mij wel voor de verzoeking het nog eens te doen. En echter ben ik, in den jongsten winter, zoo min een fat als een pruik geworden; eender beide herscheppingen zou genoeg geweest zijn, om het der lieve te doen vergeven, zoo ze mij geschuwd had als de pest. Ik bleef dezelfde, – een jaar meer in de gulden twintig ontwikkelt slechts te ruimer ieder zin voor genoegen, – maar hoe was zij veranderd! Uit haar vijftiende trad zij in haar zestiende. Laat mij u waarschuwen voor de onheilstar, die

En des jours ténébreux a changeé ces beaux jours.

Ik vermoedde geenszins de teleurstelling die mij beidde, toen ik, de hofstede genaderd, mijn paard liet stappen, en, zoo als ik gewoon was, ten lommerrijken heuvel opzag, naar de plek, van waar ze mij zoo vaak begroette. Het was ditmaal echter vergeefs; geen witte doek wuifde mij er tegen. Traag reed ik onder haar prieel van bloeijende meidoornen langs, en staarde weder op; doch de slanke leest van het meisje boog zich niet over hunne twijgen. Ik zag eindelijk nog eens naar omhoog, half ongerust over haren welstand; neen, geen lief handje repte zich door het gebladert. Maar de wielen van mijne tilbury rolden zich stroever over het zand van eenen bijweg, en Diane stak de ooren op, als hoorde zij den bekenden vogelvluggen tred over het grasperk, dat er het spoor omzoomt.

En ik verbeidde.

Dáár plagt Marie mij te gemoet te snellen, naast mij op het rijtuig te wippen, schier altijd regts, ge zult zien waarom, en, lieve wilde meid als zij was, de leidsels uit mijne hand te nemen, ja, hare vingeren om de zweep te slaan, die ik, wanneer Diane mij buiten bragt, slechts zelden uit den koker nam. „Straks, Marie!” zeide ik dan, en hare donkere kijkers tintelden van vreugde; ijlings gingen mijne groote handschoenen aan de blanke dunne vingertjes mijner lievelinge over. Even als had Diane geweten, wie meesteresse was geworden, stapten wij niet langer. Maar als wij het hek der oprijlaan, die van de huizinge tot den straatweg voert, instoven, dan werd de dreumis van den tuiman of de deerne des koetsiers, die achter de traliestijlers in schaduw der oude linde speelden, moedwillig met een tikje bedreigd, dan kreeg het roos er een, en wij renden! Het vleijend woord, de belofte eener versnapering, waarmede de beminnelijke ondeugende den schrik wilde goedmaken, gingen te loor, want Diane verslond het spoor de laan; wij waren haar reeds ter vierde, wij waren haar halverwege doorgevlogen. En het gebries van mijn paard of de wolk van stof, bijwijle ook Marie’s luide lach was het sein tot het openen der zonneblinden, of het ophalen eener gordijn voor meningen logé. Hoe het lieve kind genoot, als deze zich verbaasde, gene haar toejuichte, Diane zelve behagen scheen te scheppen in het wilde spel! Dan gierde Marie hare blijdschap uit, – hief zich van het kussen op, – stond in de tilbury, – vuurde aan met hand en voet, maar meest met de oogen. Ik moet bij een dier toertjes onwillekeurig eens een bitter bang gezigt hebben gezet; immers een beroemd schilder, gast van den huize, verraste ons een uur later met een croquis van den echt van statelijken ernst met dartele schalksheid. Behoef ik te zeggen, dat ik, op het blad, den eersten vertegenwoordigde, – ik, die in pijnlijken angst den strooien hoed van Marie onder het afvliegen trachtte te grijpen, – den strooijen hoed, welks smal geel lint zich, als een krans van korenairen, door haar kastantjebruin haar slingerde?

Diane had de ooren gespitst, en ik had gebeid. Mar niet mijne gunstelinge, slechts een jagthond was te voorschijn gesprongen; en toen ik aan de trappen der huizinge stilhield, werden bediende noch stalknecht opgeschrikt door een ongeduldig stampend ros; ik was bedaard voorgereden.

„De familie is op het terras,” verzekerde Hendrik mij. Ik wenschte dat gij hem niet voorbijzaagt, zoo als gij geneigd zijt te doen; er valt in onzen tijd meer, dikwijls iets anders uit de livrei op te maken, dan de kleuren van des heeren wapenbord. Wij leven in eene eeuw, die den eersten rijke den beste vergunt er zijne dienstboden in uit te dossen. Ik heb er niets tegen. Het spijt mij slechts, dat zij het niet met meer smaak doen. Of ergert u dat on-waarschijnlijk aantal velden, leeuwen, of wat het zijn mogen, van keel niet, die door het algemeene rood der vesten worden verkondigd. Dat men het groen ten minste den jagers overliet! Ik heb opgemerkt, hoe zich, in omgekeerden zin van den cameleon, het karakter der bedienden van den nieuwelings aanzienlijke naar den bonten tooi, met welken zij pralen, wijzigt. Ook valt er nog iets uit te leeren. „Zoo heer, zoo knecht!” luidt het spreekwoord; maar als ik, in de voorportalen onzer geldaristocratie, het gejoel der jonge, winderige, overwelgedane livereiknechts hoor, verwaand op den opschik, die hunne lompen van gisteren verving:

Beaux parvenus, honteux de leur famille;

baldadig door den overvloed, waarin zij zich mogen baden, na, jaren lang gebrek te hebben geleden:

Als nu Jeschurum vet wert, soo sloeg hy achter uyt:

als ik hen onbescheiden, aanmatigend, onuitstaanbaar vinde, dan zeg ik in mij zelven: „Zoo knecht, zoo heer!” Op Duin en Dal – ik verlies inderdaad op mijne beurt onzen gedienstigen geest uit het oog – op Duin en Dal zou uw blik met welgevallen hebben gerust op den liverei-bediende van goeden huize. Hendrik is een dier patterns of fidelity, die mij minder een aandoenlijk belang inboezemen, als de laatste, bleeke afschaduwing der leenknechten, welke naar knods of bijl grepen, wanneer de ridder zich harnaste

Van top tot teen,

dan als een dagelijks zeldzamer overblijfsel uit den tijd, toen de betrekking tusschen meester en dienaar door iets hartelijks, iets vertrouwelijks, iets humaans werd geadeld. Het is bij hem niet louter: „wiens brood men eet, wiens woord men spreekt;” zijne stemming is eer gemoedelijk dan wijsgeerig; hij benijdt zijnen heer niet, hij heeft hem lief. Al glinsterden er geen tranen in zijne oogen, toen de vrouw van Duin en Dal verleden winter doodelijk krank was, waar baldadige straatjongens het zand van de steenen hadden gewoeld, overstrooide Hendrik die zorgvuldig weder, voordat iemand het hem had geboden. En hoe Marie hem ter harte ging – het is eene lofspraak op den meester, als zijn dienstbare de kinderen des huizes bemint – dat getuigde zijne verzekering van haren welstand. Daar stond hij voor mij, gedienstig, oplettend, eerbiedig, een waarborg van den goeden toon, die op de hofstede heerschte, der rustige orde, waarmede er de genoegens van het leven werden aangeboden en gesmaakt; daar stond hij voor mij, in azuur en zilver, blaauw met wit, als men zegt.

Lach mij uit om de dwaasheid, zoo het u lust; maar het zijn mijne lievelingskleuren. Ik verbeelde mij, dat hij, die deze tot wapen durfde kiezen, zeggen mogt: „Zie, hier ben ik, standvastig en onschuldig! Zilver op azuur, leliën en starren op een hemelsblaauw veld, wat is smaakvoller, wat dichterlijker? Uwe gissing, of deze op het wapen van mijnen gastheer prijkten, vergunt ge mij gissing te laten; maar verzekeren mag ik u, dat hij waardig is die te voeren, vertegenwoordiger van een onzer oudste patricische geslachten. Wilt gij den man kennen? „Liever eerste der graven, dan laatste der hertogen,” zal hij u antwoorden, zoo gij hem aanraadt, zich in den adelstand te doen verheffen. Het is een woord uit mijn hart; zulk eene verloochening onzer historie is mij een gruwel. De baronnen en de ridders, de Wassenaers en de Brederodes, de Arkels en de Egmonds behooren onzer grafelijke geschiedenis toe; in het handeldrijvend gemeenebest wiessen, als in een ander Venetië, nieuwe geslachten met den staat op, welker nakomelingen geen jonkheerstitel behoeven, om te worden geëerbiedigd, nadat hunne voorvaderen, twee eeuwen lang aan de beurs als in den raad, over het lot van werelden beslisten.

Mijne welkomst had zoo min iets opmerkelijks als mijne buiging: de vrouwe van Duin en Dal was even lief als vroeger, schoon zwak en stil. Slechts vlugtig merkte ik onder hare gasten de echtgenoote van een onbekenden staatsraad en de moeder van een wakkeren zeeman op, en zag de heeren voorbij, om den wille mijner lievelinge. Daar zat zij, in schaduw van een bonten esch, mijne Marie, die anders rondhuppelde als eene ree; – daar rees zij op en neeg statelijk, mijne Marie, dien mij vroeger harefrissche lippen ten kus aanbood; – daar zeide zij zacht, toonloos, schroomvallig, ik wist niet wat er van mijne Marie geworden was:
„Mijnheer!”

Ik reikte haar de hand.

Was er eene klove tusschen ons?

Schichtig stak ze mij de toppen harer vingeren toe.

„Het zal u geen zeer doen,” schertste de moeder van den wakkeren zeeman.

Het kind zag op, het kind zag rond, het kind zag om; ik bemerkte dat er digt bij haar een stoeltje ledig stond, ’t welk hare aandacht trok.

„Mijnheer!” zeide zij nog eens.

„Wat is zij gracieus!” hoorde ik de gade van den onbekenden staatsraad zeggen.

De vrouwe van Duin en Dal knikte tevreden.

Er komen oogenblikken in het leven voor, waarin wij naar den indruk eener bij ons oprijzende gedachte handelen, eer wij de juistheid van deze hebben overwogen. De mijne deed mij Marie met een vorschenden blik aanzien. Zij was veranderd. Zij had plaats genomen in den cirkel van mama. Waarlijk, zij maakte aanspraak op taille. Zie, de vuile ijzers van den kapper hadden haar het eerst begrip gegeven van het onderscheid tusschen de vrijheid der jeugd en den dwang der beschaving. Er viel niet aan te twijfelen, zij was jonge juffrouw geworden. En

Zei mama

Staring vergeve mij de mishandeling zijner verzen!

Dit met de kamenier den spiegel vlijtig na?

Waarschijnlijk; want Marie bloosde bij mijn aanstaren; die blos mishaagde mij. – Marie werd links; als kind was zij het nooit.

Eensklaps sprong de jagthond, die mij herkend had, vertrouwelijk tegen mij op, en raakte met de voorpooten haar kleed aan.

Fi donc, Amy!” riep zij.

„Heeft het beest Fransch geleerd?” vroeg ik.

„Mijnheer!” zeide Marie voor de derde maal, en zag mama aan.

Ik had deernis met het arme schepsel, en wendde mij tot de dames over het weder, het uitzigt, het nieuws van den dag. De vrouwe van Duin en Dal sprak niet dan juist; een recept voor eene kwijnende conversatie. De echtgenoote van den onbekenden staatsraad weêrhield door de stijve houding, waarmede zij de gants à jour voor een oogenblik uittrok, om een beschuitje in een glas maderawijn te doopen, en die, na volbragte operatie, weder langzaam, voorzigtig, doods bedaard aan de vingeren te schuiven, de moeder van den wakkeren zeeman in het kouten over hem, die haar, ondanks dat hij zich op Java bevond, zoo na aan het harte lag. Een paar lieve gezigtjes waren figuranten; welk een gesprek! En Marie, die in vroegere jaren, bij iets zoo vervelends, op den rug van Amy het heuveltje zou zijn afgeschommeld, – of, door het zand ademloos opgeklauterd, ons verrast had met een paar frambozen, minder lielijk gloeijende dan hare wangen, – Marie zag nu naauwelijks van haren arbeid op, et ne fit que tapisserie. Of zoo zij van tijd tot tijd een woord mede in de schaal legde, het was zoo onbeduidend, dat het den evenaar noch ter regter noch ter slinker deed overhellen. Zag ik inderdaad het meisje voor mij, dat me „gaauw, gaauw, maar heel gaauw,” ter hulp plagt te roepen, om een vlinder te vangen, „mooijer” dan zij er ooit had gezien? Hoe was de kleine veranderd, die zoo driftig haar vingertje op den mond legde, om mij te gebieden, het kraken mijner laarzen te smoren, waar zij de woudduiven op het mos voederde! Waar was de tijd, waarin hare vragen, onverwachte bewijzen voor de ontwikkeling van haren geest, mij deden aarzelen, hoe die te beantwoorden? wie er in de zee woonde? waarom zij niet vliegen kon? wat de wind aan de boomen vertelde? En dan, die lieve vertrouwelijkheid, waarmede zij mij in later dagen influisterde, pa of ma over te halen, om haar een rijpaard te koopen, omdat zij zoo gaarne zulk een moedig dier zoude bevelen, – of haar piano aan de boerderij te doen brengen, opdat zij Arend en Geert de horlepijp mogt leeren dansen! Al wat zij thans op mijne vragen antwoordde, – zij hield zich, als behoefde zij zulk eene aanleiding om zich in het gesprek te mengen, – miste beide: karakter en kleur; – haar geest dartelde niet langer, – hare stem had niets welluidends meer.

O gemaaktheid!

Vermoedt gij hare oorzaak niet? Ik weet wel, dat ik slechts eene garstige waarheid verkondig, zoo ik u zeg, dat er een leelijk Hollandsch is, ’t welk wij verpligt zijn soms aan te hooren, ja, te prijzen; het Hollandsch, dat ons te dikwijls wordt toegegalmd, zoo van den predikstoel als van het tooneel; het eentoonig Hollandsch onzer dreunende verhandelaars. Vergun mij echter er mijn hart lucht over te geven, eer ik het ter vergelijking bezig. Het schijnt, dat velen onzer sprekers de opmerkingsgave ontzegd is, hoe in het openbare leven, zelfs in den gezelligen, beschaafden omgang, de driften heerschappij uitoefenen over de menschelijke stem. Zij eentoonig? de schaal der muziek is bekrompen bij de hare. Verheft zij zich niet bij het geven van een bevel, als was zij zich van hare koninklijke magt bewust? Zij werpt zich, onder het voordragen eener bede, als eene slavin die genade smeekt, in het stof; zoo het vuur der gramschap ons blaakt, gelijkt zij eene verschroeijende vlam, die zichzelve verteert; als wij in den weelderigen schoot der liefde rusten, kwijnt zij weg in zoet gefluister en verteederend gezucht. Hoe zijn wij dan toch aan bulderende troosters en galmende verliefden gekomen? Holland en de zee, het is of men van moeder en dochter spreekt; maar het voorbeeld van den griekschen redenaar, die de wateren beluisterde, schijnt voor de onzen te loor gegaan. Eilieve, hoe velen kent gij er, die van deze leerden hunnen toon in harmonie te brengen met het gevoel, dat de toestand eischt of het onderwerp wekt; – die, als de golven, den God des dags in melodische klanken eene hymne weten toe te zingen, of, als de zee, uit de kolken harer diepte, tegen den orkaan een grimmig antwoord durven opdonderen? Helaas! vreugde, droefheid, wanhoop, verrukking, liefde, haat, alles wordt te onzent uitgegalmd, uitgeschreeuwd, gedeclameerd, zoo als men zegt. O, het is een leelijk Hollandsch! En toch is er een nog leelijker: het is onze moedertaal in den mond van een meisje, dat eene buitenlandsche gouvernaate heeft.

Merci, ma chère!”

Gij ziet mademoiselle bij dat woord voor u, schraal, tenger, scherp, als allen; zij plaatste zich op het stoeltje, dat naast Marie ledig stond; arrangeant les plis de sa robe, viel haar lorgnon in het zand; Marie raapte het op.

Bien obligé, monsieur!” voegde zij er stijf bij; ook ik had er mij om gebogen.

En ik leunde half over het stoeltje van Marie, en was plaagziek genoeg, haar te verzoeken, om mij aan hare gouvernante voor te stellen.

„Hoe, mijnheer?”

„Foei, Marie!” antwoordde ik: „als een oud vriend, zoo gij wilt.”

Monsieur***, un vieil ami,” zeide het kind.

Vous voulez dire un de vos anciens, ma chère,” hernam mademoiselle. Ik vond dat zij mijne gunstelinge wel op liefderijker tonn had kunnen te regt wijzen.

Je suis charmée, monsieur,” voer zij tot mij voort. Maar ik was à mille lieues de Paris, ondanks de vleijende verzekering; want den woorden ontbrak het lachje, waarmede eene française u betoovert.

En mademoiselle zweeg als Marie; ik waagde eene opmerking over het eigenaardig schoon der duinlandschappen, dat nergens elders wedergade heeft.

„Non, monsieur.”

„Dus geen gevoel voor natuurschoon,” dacht ik.

Il est vrai,” zette ik mijne proeve voort: „il est vrai que notre paysage n’est que joli, tandis que les Alpes sont sublimes.”

„Si, monsieur.”

„Dus ook à sec voor het vaderland,” zeide ik bij mij zelven. Er kweelde een vogel in den lommer; ik zag dat Marie luisterde; ik vroeg haar, of zij de liedjes van Mad. Albert had bestudeerd.

Ma grand’mêre,” begon ik.

„Monsieur!” viel mademoiselle in, met al het hoogepriesterlijke eener bekrompene zedelijkheid; ik spaar u de diatribe.

Ik begreep alles; de zwakte der vrouwe van Duin en Dal, het levendig karakter harer dochter, de keuze eener stemmige, overstemmige Suisse, om dat te temperen, hoe logisch! Ik zou slechts voor temperen „uitdooven” willen zeggen. Eene Suisse, zonderling verschijnsel! De wereld is vol van den lof van Tell, de vrijheid heet te huis op de bergen, en door geheel Europa ontmoeten wij zijne nakomelingen, die een geest van knechtsche onderwerping inscherpen, met het zwaard of’ met de gard. Doch waartoe de armen hard gevallen? Er is geen verlicht vorst, die de Zwitsers in onze eeuw niet als eene anomalie afdankt. Gouvernantes uit alle natiën zijn beklagelijke schepselen; indien één toestand, de hare is valsch.

Vrees daarom voor geene onvoorwaardelijke lofrede op ons onderwijs. Het is waar, er waait u uit de scholen onzer dagen eene ongezonde lucht te gemoet:

Eerzucht kiest in onschulds dreven
Vroeg hare arglooze offers uit!

Ik heb kennissen, die op hun drieëntwintigste jaar, in den schoot der weelde, door ziekelijke wereldbeschouwing, mij, u, zichzelven, alles moede zijn; maar toch – leve de schoolmeester, de instituteur, de professeur de langues, de taalkunstenaar des noods! – spreek mij van de matres, niet van de gouvernante. Som alles op, wat gij tegen de school kunt inbrengen, het gevaarlijke van den omgang, het verleidelijke van het voorbeeld, het besmettelijke van den geest van wederstand; maar wat beoogt uwe opvoeding, oatwikkeliog of uitdomping – heele of halve kennis? Een blik op het lot der beide meesters zal u in mijn gevoelen over de leerlingen doen deelen.

Het monarchale heeft uitgebloeid; het constitutioneele knopt, ontluikt, tiert overal. Wij hebben elken meester, tot den dorpsdionys toe, van de teekenen zijner koninklijke waardigheid, de roede en de plak, beroofd. Wij eischen hem zoozeer doordrongen van den geest zijner grondwet, dat geene drift hem meer in verzoeking mag brengen, ezelachtige domheid met eene oorvijg te kastijden. Zoo de voorganger van onzen schoolvos zeggen mogt: „l’Etat c’est moi,” uw onderwijzer is slechts de eerste dienaar des staats. Hij, de volwassene, moet omgaan met hen, die tusschen mal en vroed zijn, en zich redelijk toonen jegens onredelijken, en onwilligen leiden, en dommen beschaven, en stuggen overreden door louter verstand. „De ongelukkige!” roept gij uit. Ik bid u, doe het niet te voorbarig. Er komen uren, dagen, weken in zijne jaren voor, die hij vrije mag noemen; vrije, zeg ik, waarin hij den last der verantwoordelijkheid van zijne schouderen schudt; vrije, waarin hij de gulden cijfers van zijn eigendom, van tien tot honderd, tot duizendtallen aangewassen, overtelt, en in ieder van deze eenen borg te meer voor de onafhankelijkheid zijns ouderdoms ziet. Feestdagen af te kondigen en volksspelen aan te rigten, schijnt mij een der benijdenswaardigste voorregten, der kroon toegekend; maar welk autocraat geniet den vierdag, zijnen onderdanen geschonken, als de schoolmeester de uren, waarin zijn verlof het kleine volkje de wijde wereld inzendt? Dan ziet gij hem buiten – schaarsche, maar daarom te zoeter weelde – het schoon der natuur smaken. Dan treft gij hem onder de lieve kennissen zijner jeugd aan, voor de eerste maal zijns levens verlegen, hoe hij het werkwoord beminnen vervoegen zal, – de meester door zijne schalke scholiere beschaamd. Dan verrast gij hem, die zijnen eerstgeborene uit de wieg neemt, en den Heere voor zijn lot zegent. „De ongelukkige!” zeidet gij.

Het bestier eener gouvernante zweemt naar eene alleenheersching; dienst der vreeze geldt bij hare kweekelingen: te hooren is te gehoorzamen. Zie, zij komt, en het kind zit regt; zie, zij wenkt, en het kind buigt; zie, zij lacht, en het kind waagt het te glimlagchen. Geene oostersche hulde is zoo vleijend en slaafsch, als die, welke haar wordt toegebragt; zoo gij hare schaduw tegen den wand onderseheidt, is die harer dienaresse haar op de hielen, en ijlt en zwenkt en wijlt met haar, als waa het hare eigene. Bittere spot! Hebt gij nooit van de onbeduidende Durchlauchten der kleine duitsche staten gehoord? Zoodra zij hun gebied van slechts drie of zes of twaalf vierkante mijlen overschrijden, worden zij pijnlijk gegriefd; ze zijn slechts vorsten voor hunne onderdanen; de beleefdste postillon ter wereld lacht hen uit, zoodra hij de fooi van den onbekenden Wij over zijne eeltige hand heeft voelen glijden. Helaas, de arme gouvernante doet geen tien schreden, zonder dat zij de landpalen van haar rijk achter zich laat, en ruw, wreed, onbarmhartig uit den droom harer heerschappij wordt opgewekt! Ik bedoel

den Ilias van plagen

niet, die ingenomen ouders en ongezeggelijk kroost haar drie maal van de vier berokkenen. Laat zij vertrouwen winnen zoo als zij verdient, wanneer zij met hare leerlinge de bovenkamer verlaat, waar een armstoel haar ten troon strekt; als zij zonder gedruisch – zij gevoelt hoe weinig zij geldt – de eetzaal inglijdt, dan vindt zij, ja eene plaats aan den disch maar beneden het zout, en de dienstboden verwonderen zich, dat zij haar moeten bedienen, haar, die eerst na de mannelijke gasten wordt bediend. Ei, wie is, zij toch, dat men haar dus ongestraft honen durft? Wat misdeed zij, dat de vrouw des huizes, die in haar de sekse, waartoe zij behoort, moest doen eerbiedigen, dien gruwel ziet en duldt? Welke uitzigten werden haar geopend, om wier wille zij zich getroost eene zoo twijfelachtige betrekking te bekleeden? Zij is arm, buiten hare schuld. Zij bood hare diensten ter opvoeding aan, dewijl ze slechte te kiezen had tusschen deze taak en de schande. Zij ontvangt een loon, een-, twee-, driehonderd gulden ’s jaars, boven de gastvrijheid van den buize, indien hare bete, haar dronk, haar leger dien naam verdienen; – de vossen die de koets trekken, kostten meer dan twaalfhonderd gulden, en hoe worden zij verpleegd! Te loor gesteld in al hare verwachtingen, telt zij hare dagen bij hare krenkingen, is een verlaten ouderdom haar verschiet... Arme misdeelden! niet u wijt ik den wrevel, die u kenschetst, – den nijd, die u verteert, – den menschenhaat, waarvan gij blaakt; de roos der min geurt u niet: wie durft eischen, dat gij lief, vrolijk, goedhartig zoudt zijn?

Sad melancholy mark’d you for her own!

Ik sloeg Marie eene kleine wandeling voor.

Si mademoiselle veut me permettre?”

Oui, ma chère.”

Terwijl het lieve kind mantille en hoed en parasol haalde, maakte de gade van den onbekenden Staatsraad mademoiselle een compliment over hare opvoeding: „elle avait si bien apprivoisée Marie...”

Ik heb een lastig zwak voor een Hollander onzer dagen: onverdiend toegezwaaide lof maakt mij kregel.

Juaqu’ à lui faire briser les ailes dans sa cage,” viel ik in, en voegde er, berouw gevoelende over mijne scherpheid, bij: „la faute en est au systême et non à vous, mademoiselle!”

De moeder van den wakkeren zeeman knikte mij goedkeurend toe; haar wilde jongen was een knap officier geworden.

Mademoiselle had zich zeker met de verdediging van het stelsel belast, een stelsel, waardoor onze jonge meisjes worden opgevoed, als moesten zij alle onnoozele nonnekens blijven; maar Marie verscheen. Zij zag er allerliefst uit; ik bood haar mijnen arm.

„Dadelijk, mijnheer!” zeide zij, en wipte naar hare mama, en kuste de bleeke. Het was hare eerste onwillekeurige beweging, sedert ik haar weêrzag. „Welk een aanleg gaat hier te loor,” dacht ik.

En haar handje gleed over mijnen arm; het rustte naauwelijks.

„Diane heeft u verwacht, Marie,” begon ik, toen wij eenige schreden waren voortgewandeld.

Mademoiselle vond, dat het niet voegde, mijnheer.”

„Lieve Marie, mijnheer me zoo niet!”

Eene pauze. „Gij hadt vrolijker gouvernante kunnen treffen.”

„O, zij is zeer goed!”

„Maar dat is geen Hollandsch, beste meid! O, elle est très bonne. Doch gij spreekt dagelijks Fransch met haar; wat leest gij?”

„Wij lezen veel Engelsch, mijnhe...”

„Wat, mejufvr....”

Miss Hannah More.”

„Oef!” dacht ik, en zuchtte; want bij het verderfelijk beginsel der britsche opvoeding: „what would people say?” het gekwezel eener oude vrijster, de lectuur van een meisje van zestien, – hoe hield het kind het uit? „En als gij in de stad zijt, gaat gij zeker bij the Reverend *** ter kerk?”

„Altijd, mijnheer.” Zie, het past mij niet een vonnis te vellen over het ritueel der episcopale eeredienst; Walter Scott heeft, met den tact die hem onderscheidt, er al het schoone van doen uitkomen, in de huiselijke avondbede van sir Henry Lee en zijne beminnelijke dochter: maar woon eens zeven zondagen achter elkander de voorlezing van dezelfde litaniën bij, en leer hoe veel uw gevoel aan innigheid verliest, hoe zinledig vormen zijn!

Er volgde weder eene pauze.

„Welk een oord!” borst ik uit.

Ik waag mij niet aan eene beschrijving; het landschap duldt er geene, schoon de stoffaadje niets zeldzaams heeft. Er zijn menschen, die u zeggen, dat er slechts een vloed door eene weide kronkelt, terwijl er aan uw eene zijde duinen oprijzen, en aan de andere twee oude boomen staan. Maar Marie schetste de plek, vóór jaren, met een woord.

Mijn rijdpaard was schichtig geworden; het steigerde, en wilde het pad, dat derwaarts voert, inslaan.

„Niet regts!” riep ze mij van het hare toe: „niet regts! dáár woont de stilte.”

En ik vergat mijn ros te bestraffen, om de gelukkige uitdrukking harer phantasie te bewonderen.

„Dáár woont de stilte!”

Aarde en hemel was er weder in harmonie, geen wolkje zwierf langs het zuiver blaauwe luchtruim; de breede stroom deed niets dan dat gewelf weerkaatsen; de kroonen van het monarchenpaar schenen dubbel statelijk door hunne roerlooze rust. Ik zag Marie aan; hare vingeren speelden met een medaillon. En mijn blik rustte op het verschiet, waar de hellende heesters zoo vele waaijers schijnen, om het blinkend duinzand uit het oord te keeren. Ik verbeeldde mij, dat de veldnimfen waren ingesluimerd; immers geene wuifde; alle blanke armen waren op de mollige heup of op het frisaehe gras afgegleden; de zoelte had haar bevangen: ik hoorde de stilte.

Daar ging de veêr van het medaillon; er was een lok blond haar in; Marie bloosde.

„Van Willem,” zeide zij openhartig; „weet gij, of hij al kadet is?”

En zij bloosde sterker.

„Ha! eene eerste liefde,” dacht ik.

„Spreek er toch mademoiselle niet van!” ging zij verlegen voort.

O opvoeding!

Ik sloeg het verzoek af, noch stemde het verzoek toe; ik hoorde de dorpsklok slaan, en wij keerden terug. Het ware u kwellen, zoo ik u alle pauzes deed medemaken, die er tusschen mijne vraag, of Marie nog veel naar de natuur schetste? en haar antwoord: „Mademoiselle is niet sterk in het teekenen,” tusschen mijn ongeloovig: „En waarin munt zij dan uit?” en haar vertrouwend: „O, zij leert mij geographie, mythologie, historie en handwerken; zij heeft reeds vele educaties geacheveerd,” verliepen.

Het luiden van den bengel riep ons in de eetzaal.

Marie zat naast mademoiselle; c’est tout dire.

En toch heb ik nog iets op het hart.

Ik ben gastronoom noch epicurist; maar ik had liever, dat ge mij voor één van beide hieldt, dan voor een koud-waterdrinker of pannekoekeneter. Wie ook naar buiten ga, om zich te behelpen, – wie ook op het land gaarne het weinige voor lief neme, – ik ben zoo bescheiden niet. Zoo de oude kloostertucht zich de versterving aller zinnen ter taak stelde, ik word liefst op het eigen oogenbhk overtuigd van de prikkelbaarheid mijner vijf. Vele spiegels, – lichtkleurige wanden, – een zuivere dampkring om mij heen, – een zonnig landschap in het verschiet, waar het geopend vensterraam en de half weggeschoven gordijn een koeltje binnenlaten, – overvloed van schotels voor mij, wier verscheidenheid mij de weelde te kiezen onbekrompen vergunt, geurige, tintelende wijnen in kelken, het edele vocht waardig, – vooral lieve, vrolijke, mooije aangezigtjes naast en over mij, – en, wilt gij het geheel volmaken? de malsche, ruischende toonen eener muzijk, die zich niet oorkwetsend opdringt, die tevreden is, zoo gij slechts naar haar luistert, als de zoete stem aan uwe zijde zwijgt; – ik zie er niets zondigs in, ik acht er mijnen gastheer te humaner om, naarmate hij voor dat alles opener zin toont. Doch zult ge mij niet toeroepen:

Ah! n’ allez pas chercher midi
A quatorze heures!

zoo ik u beken, dat ik nog iets meer verlang, – iets, dat niet op den huize Duin en Dal alleen ontbreekt, – iets, dat in ons vaderland zeldzamer is dan rijkdom, weelde, overvloed? – eene gastvrouw, die toon geeft, – die het gesprek levendig houdt, – die ons, door de gaven van haren geest, de gaven der fortuin ver eten doet.

Vroordeel mij niet, voordat ge mij gehoor hebt verleend.

Wij hebben huiselijke, wij stoffen op vrome, wij zijn mild bedeeld met deftige vrouwen; ik heb eerbied voor de eerste, de tweede en de derde, schoon ik wenschte, dat alle een weinig levendiger, beminnelijker, gezelliger waren. Er is geen onfeilbaarder gids tot onafhankelijkheid, dan eene spaarzame, overleggende, naauwtoeziende huismoeder; maar het leven wordt ondragelijk vervelend, wanneer men ons zijne geriefelijkheden beknibbelt; en zoo gierigheid de wortel van alle kwaad is, zij zie toe wat zij kweekt, die haar gezin slechts onthaalt op de schrale geneugten van uit te winnen. Eene ongeloovige vrouw is zelfs den ongeloovige een gruwel. Ik laak het niet,

Dat zich, door alle weêr en winden,
       Eenvoudige welmeenendheid
Soms driemaal ’s daags ter kerk doe vinden;

de waarlijk vrome is blijmoedig van aard; een heldere geest, een rein hart looft den Heer in het dankbaar genot Zijner schoone wereld; slechts zij, die zich in eene wolk van eigen heiligheid hullen, doen afstand van het zoete voorregt vreugde te verspreiden, gebogenen op te rigten. O, de mantel der waardigheid plooit zich statelijk om de kloeke gestalten onzer aanzienlijke vrouwen; waar hij ruischt, deinst de ligtvaardigheid terug, grijpt der onbedachte jeugd eene huivering van eerbied aan: ik heb te veel zin voor decorum, om hare poses bij hoogtijden en rouwbeklag niet te bewonderen. Doch het gaat der deftigheid als alles, wat niet in de natuur, wat slechts het gevolg van overeenkomst is: in het gezellig leven, in den dagelijkschen omgang lokt zij ons een „cui bono?” af; wie beklaagt den echtgenoot eener altijd getabbaarde matrone niet? Waarlijk, mijn eisch heeft minder onredelijks dan gij vermoeddet; in iederen stand moesten de schoonen der bevalligheden ijveriger offeren.

En zoo ik het der burgerlijke huishoudelijke niet euvel duide, dat zij vrieg in plaats van vroeg zegt, – dat zij van profester spreekt, – dat zij eindelijk met eigenlijk verwisselt, – zoo ik niet van haar eische, dat zij het vervelende „En toen zei ik,” het langdradige „Om kort te gaan,” het babbelzieke „Onder ons” afleere, – mits zij van vliering en zolder naar keuken en kelder dribbelde, overal het onordelijke herstellende,

        Denn ein geschaftiges Weib thut keine Schritte vergebens,

mits er welvaart en voorspoed in hare woning heersche, – ik durf en bekrompener levensbeschouwiug, veelzijdiger beschaving, gezelliger zin wachten bij haar, die wekelijks onze redenaars hoort, – zij, wier smaak voor alles, wat goed, edel en schoon is, de lezing van het boek der boeken verfijnen moest. En indien ik ook deze om het vormelijke, dat onze leerredenen aankleeft, om den ernst, die op het voorhoofd onzer sprekers zetelt, om het stellige, dat hun oordeel kenschetst, iets stijfs, iets ingetogens, iets wrangs ten goede houde, – zoo ik haar niet verwijte, dat de lachjes vreemdelingen in hare woning zijn, – zoo ik het haar niet toerekene, dat haar gade de uren, die hem van zijn beroep overschieten, in het koffijhuis, aan de ombertafel, onder een glas en eene pijp zek brengt, – droef bewijs dat Vos zich juister had kunnen uitdrukken, dan in zijn hexameter:

Lieblich und schön seyn ist nichts; ein Gottesfürchtiges Ehweib
       Bringet Lob und Segen!

ik eisch bij vrouwen van hoogeren stand al de geneugten van hart en geest, opdat de verveling niet tot maitresses voere.

Hoe zoude ons leven, onze maatschappij, onze letterkunde er bij winnen, indien vrouwen er eenen meer dan lijdelijken invloed op uitoefenden!

En zij zelve!

Arme Marie! die in uwe vrijheid, eene duinroos gelijk, uwe geuren ieder voorbijsuizend windje prijsgaaft, uwe knopjes voor iederen afzwervenden zonnestraal ontsloot, waarom moest men u in eene broeikast verplaatsen, uwe weelderigste loten afsnijden, uwen schilderachtigen groei weêrstreven, uwe aantrekkelijkheid m een nevel van onbeduidende, vervelende, zoogenaamde bescheidenheid hullen? Uit milde hand deelde de natuur u drie gaven toe; zij pleegt ze zelden in hare grootste gunstelingen dus te vereenigen. U schiep zij schoon; u schonk zij geest; u ontzegde zij geen hart. Ach, hoe ligt kan het eerste en het laatste geschenk u noodlottig worden, als uwe gouvernante er in slaagt, om u van het schild, waarmede de welwillendste aller feeën u in het tweede voorzag, te berooven! U had zij het groote geheim aller conversatie ingefluisterd: gij luisterdet en gij vroegt; gij hernaamt wn gij verhaaldet; gij luisterdet ea gij merktet op. Hadt gij dien krans voort mogen vlechten, bloem bij bloem ware door uwe fijne vingertoppen aangeraakt; onwillekeurig hadt gij de verwelkte van de frissche leeren onderscheiden, de heelende van de vergiftige.

En nu?

Weldra zult gij in onze wereld optreden, bekoorlijk door uwe, schoonheid, moeders zien het hare dochters gaarne’, – aanlokkende door uw gevoel, het hart ligt buiten het bereik eener gouvernante; – begeerenswaard om uwen rijkdom, o, dat gij geen bruidschat hadt! Ik zie hen in het verschiet om u heenwemelen, de hommels – neen, de gieren onzer zedelijke maatschappij: den bedaagde, wiens hart lang verstorven is, maar die geen weêrstand kan bieden aan de verzoeking, om drie winters lang van zich te doen spreken, als van den gemaal der schoonste van iedere partij, ieder feest, ieder bal; – den eerzuchtige, die weet, dat in onze dagen slechts vermogen tot gezag voert, en, mits uw goud hem tot voetstuk strekke, u vergunnen wil zijnen naam te dragen; elk ander beschermer zoude hem onder duurder verpligtingen leggen dan gij; – den lichtmis, die zijn erfdeel, zijne jonkheid, zijne geestkracht heeft verspild, en u ten echt vraagt, opdat gij, schuldelooze, verkwijnen moogt als hij, die zijne dwaasheden boet.

En gij zult kiezen, zonder oordeel, uit ijdelheid, naar belangzieken raad, en later zal uw vernuft uit de asch opvlammen, zullen uwe driften ontwaken, en gij zult strijden of vallen: u toeft een levenslange kamp.

Weleer alleraardigste, nu beklagenswaardige Marie, hoe zou ik mij durven vleijen, dat gij gelukkig zult zijn?