E. J. POTGIETER (1808-1875)

EEN NOVELLE?

„– denn was ist eine Novelle anders als eine
sich ereignete unerhrte Begebenheit.”

GTHE, volgens Eckermann.

Hoe gelukkig gevoel ik mij geen dichter te zijn. Als ik het was, als ik, wat immers hetzelfde is? als ik verzen schreef, de onverbiddelijke vorm zou mij verpligten met eene overdrijving te beginnen. Idealistisch schilderende viel aan den stijl zijn eisch niet te ontzeggen, en diende ik van u te vergen, dat ge de beide bekoorlijke vrouwen, welke wij op dat grasveld ontmoeten, zweven zaagt. Spriet noch scheutke zou een zweem van druk mogen gevoelen, schoon zij er zich niet langs, schoon zij er zich over spon. Voetjes die, hoe klein ook, wis grooter zijn dan Bilderdijk’s „duim”, – de regel is te bekend, om dien aan te halen –; voetjes, die, al blijken zij de vlugste ter wereld, toch zoo vast staan, ik zou mij gedoemd zien die in vertjes te verkeeren; veertjes, wat ongeschikte dingen om zoo bloeijende gestalten ten steun te strekken, bij beurtelings statige of sierlijke beweging. Als ik het realisme niet huldigde, in den zin onzer overeeuwde meesters altoos, weg wierp ik de pen; de wuivende hoed van de oudste der twee lieven, uit Italiaansch stroo gevlochten en om den ganschen bol even breed van rand, het mogt aangaan dien in een gedicht plaats te geven, – van het bleeke geel viel tegenover het frissche groen partij te trekken – maar wat zou er teregt zijn gekomen van het, matelotje der jongste! Dat ondeugend ding, ik meen het hoedje, met zijn donkerrood fluweel om het glinsterend gitzwart laksel; die witte panache of pompon, hoe zou de een of de ar in Hollandsche verzen zijn te vermelden? Die coquette, – ik bid u, vul niet te vlug en dus verkeerd aan –, op coquette moet voilette volgen, de woorden mogten rijmen, in deftig dicht bleef het iets ongerijmds. Wat meent men, dat het aan mij had. gestaan de zwarigheid te ontwijken, door, ondanks den helderen zonneschijn, van het hoofddeksel niet te reppen, of het slechts even aan te stippen? Het kapsel ware in nog lastiger struikelblok verkeerd; en echter, wie stelt belang in eene schoone als hij niet weet of ze blond of bruin is? Zij, die den weg had gewezen naar deze open plek in het bosch, zij, wier wiegelende hoed het eerst uit den lommer aanlichtte, zij droeg de lange lokken los, en „golvend goud” – ofschoon dikwijls gebruikt – blijft goed klinken. Doch hare gezellinne, die het donkere haar in een fraai filet de chenille hield gevangen; de loge, die zich buiten tooide of alle bosschen oogen hadden als het Haagsche, zij zou er mij wanhopig door hebben gemaakt. Hoe viel het bij den eersten blik in het oog, dat geen dier vlossige vlokjes, bij den schat er onder verscholen, in kleur of glans halen mogt. Tot tegenstelling met hare gastvrouw ware voorzeker de vonkelnieuwe vergelijking van „een half ontloken rozenknop” aan te brengen; maar en chignon, bezig dat eens in een staanden of een slependen regel, en zing, zoo ge durft, van – een netje. Argeloos, alles bij zijn naam noemend proza, wat hebt ge veel bij uw kiescher, keuriger zuster voor!

„Zie, Louise!” zegt de blondine, terwijl de handschoen van de blanke vingers glijdt en fluks een mesje uit de schede wipt,; in pozij had het „een sikkeltje” geheeten; „zie,” en in de slinke hand houdt de schoone maaister eenige grassprieten, lange stengels, laag bij den grond afgesneden, en biedt die harer vriendin aan.

Uit de donkere oogen van deze straalt verrassing: iets zoo schoons had zij niet geloofd dat aan hare voeten school. Heen en wer zwierende met iedere beweging der hand, heeft de nog dunne schoof, die echter vast aanwast, iets sierlijks dat haren smaak streelt. „Is dat maar gras?” Gras, gezien heeft zij het genoeg, van kindsbeen af, van verre, de onontbeerlijkste stoffaadje van ons inheemsch landschap; maar er acht op geslagen! „Och, .” neen!” Gras, zij heeft het slechts gewaardeerd als het rijtuig een veld langs reed waarop roken lagen en het windje haar; den geur des hoois toewoei. Er van gehoord, dat heeft zij, zoo dikwerf een der stoutste dichterlijke scheppingen, aan wier afschildering geene middelmatigheid zich wagen moest, wegdeinsde tot kleingeestig wordens toe, door de bekrompenheid des bliks, die er begrip van zocht te geven; gehoord heeft zij dat Nebucadnezar gras at, tot het eene aardigheid werd voor, wie van geen salade houdt! Ware het nog maar bij dat hooren, dat zien gebleven! waarom moest zij er van zingen, er van lezen vooral? Onze oude overzetters hadden vergeefs den waren inrlruk des oosterschen dichters ontvangen, kort en kernig weergevende: „de dagen des menschen zijn als het gras;” de latere psalmberijmers maakten den twijfel aan de waarheid des beelds wakker, toen zij, verder gaande, er „ons leven” bij vergeleken; toen zij, uitbreidende, van ons „kortstondig leven” repten, in tegenstelling met dat gewas van een enkel saizoen. Erger nog, ook Louise had. men de lezing durven aanbevelen dier bekende regelen van den ridder Cats, bij zijne afbeelding in rijperen leeftijd vervaardigd, de verzen in welke het gras, louter tot aanvulling van den alexandrijn, „nietig” gescholden wordt. Nietig! de wuivende scheuten en sprieten en halmen en airen behagen haar niet slechts, maar boeijen haar meer dan bijwijle de schitterendste bloemen het deden; allerlei schakering van groen smelt betooverend zaam.

„Vindt ge dat ik te veel beloofde!” klinkt het van onder den wiegelenden rand des hoeds; en, wat antwoord kan Mathilde welkomer zijn? Louise bukt zich om op haar beurt ook te plukken; Louise is ijverig in de wer: zij kiest en zij schikt. Vlug moge het nog niet gaan, daar zij verzamelende te veel bewondert, toch steelt zij er, gslaande en genietende, ons hart door. Zoo de baardige halm als het weg te blazen zweefsel trekken hare opmerkzaamheid, de scherpe speer als de slanke spriet. Hoe zij oog toont te hebben voor eene verscheidenheid, die verbaast tot verbijsterens toe. „Is det ook gras!” vraagt ze, als alweder een andere vorm haar verrukt, en op het knikje van Mathilde, het struisgras zich voegt bij het zwenkgras; en... maar, verstokte realist dat ik ben, durf ik toch den weerzin niet tarten, dien de vele vreemde namen misschien bij u zouden wekken. Reuk- en beemd- en honig- en parelgras, bij dergelijke klanken liep ik geen gevaar; doch muggepoot en vossenstaart, zouden ze bij u genade vinden, al schilderen zij ook nog zoo juist? Wie weet? tot dat leelijk luidende kropaar, tot het nog kwalijker klinkend dravik, alles heeft zijn eigenaardig schoon; maar of ge ’t nog niet gemerkt hadt, in den waren zin des woords ben ik even weinig oeconoom als economist!

„Het regent, Louise!” hoort deze zich eensklaps toeroepen; onze beide bukkende dames zijn het wolkje niet gewaar geworden, dat langzaam naderdreef; in de stilte doen enkele droppels zich hooren. „Het zou jammer zijn van uw lief maletotje.” Inderdaad zoo keurig een paars – dames noemen die kleur. „lilas” – duldt geen vocht!

„Waar heb ik in mijn ijver mijn parasol gelaten? Ha, ginds!”

„Kom hier in den lommer; – zoo gij als ik nog een en cas hadt, – met die crinolines is het toch... ”

Peine perdue,” lacht Louise, terwijl zij zich bij Mathilde voegt, die, onder een groep bloeijende roode en witte kastanjeboomen voor een breede rij eiken geplaatst, haar de lage zodenbank wijst, waarop men geen hinder van den regen heeft, al is het wolkje eene wolk geworden, die den glans der zomerzon een oogenblik onderschept!

En in de dubbele schaduw gezeten, ontfermt de gastvrouw zich over de schamele schoof, door hare vriendin zaamgelezen; uit haren overvloed heeft zij voor het kiezen wat dien eersteling ontbreekt. Zie, daar voegt zij er hier en ginds het naar riet zweemende lange spichtige blad aan toe, dat der velerlei halmen zoo aangenaam eene afwisseling waarborgt. En nu regts die dunne stengels, pluimen dragende, welke zich overbuigen en nerzwieren; en nu links die slechts schijnbaar scherpe speren, zoo ge meent van tal van stekeltjes voorzien. Er komt leven in het bouquet. Louise ziet toe en Louise leert! daar is zij ter hand met wat bruine airen, door Mathilde op het veld niet voorbijgezien; het honderdverwig groen wint er door aan toon en tint. Erger u niet aan het woord dat ik ga bezigen: hoe fraai staan die schier zwarte staarten tusschen dat zilverig grijs en dat wegbleekend goud. „Heerlijk!” roept Louise, nu de vrouw des kasteels de laatste hand aan den ruiker legt, nu zij dien breeden bos eene onbeschrijfelijke bevalligheid geeft, door er de sprietjes tusschen te steken wier kroontjes kant beschamen, die ijler zijn dan rag, die glinsteren tot in de schemering toe! Enkele roode halmen, spaarzaam aangebragt, wisselen het groen en grijs af, waar de loge te veel eenerlei gras plukte; een draad wonlt om de sehoof gewonden; maar meent gij het, bouquet daarom voltooid.? Mathilde plaatst, digt bij den zaamhoudenden strik, wat ik het treurend kind der weide zou willen noemen, een ijl steeltje, aan den top tal van nerzijgende sprietjes dragend, in vier of vijf, in zes of zeven, ge zoudt zeggen verdorde halmpjes uitloopend; een bruin voor welks afwisselende tinten in veelheid van glansen geen beeldspraak mij voldoen wil, de vergankelijkheid aan den voet der weelderigste, der welriekendste trofee.

„Mooi!” roept Louise, „mooi!” terwijl Mathilde de pracht heen en wer laat golven, en mijmerend, in zich zelve, met den psalmdichter zegt: „waar de maaijer zijn hand me vult en de garvenbinder zijn arm.” Het valt Louise niet in, Mathilde te vragen wat ze daar slechts half hoorbaar mompelt: het vrolijk kind is louter oog. En hoe zou de gastvrouw het harer lieve loge euvel duiden, dat deze, voor zoo verre zij de woorden mogt hebben verstaan, geen belang toont te stellen in dien wergalm van oostersche pozij? eene dichtkunst, ondanks al hare verhevenheid, waar zij ook maar gras huldigt, onze westersche beschamend, beurtelings zoo schilderachtig van uitdrukking als diep gevoelig van opvatting? Mathilde moge geene lente zien aanlichten zonder de aanschouwelijkheid te waarderen, meesterlijk teweeggebragt door het klimmende in deze eenvoudige woorden: „als het gras zich openbaart en de grasscheuten gezien worden,” wat weet het stadskind van die weelde? Mathilde hebbe in onweder bij onweder uit de vensters harer hooge woning het schoone schouwspel ggeslagen, dat „den stortregen een waterloop en het werlicht een weg werd bedeeld;” Louise treedt naauwelijks de wereld in, en wie las zoo vroeg Job? Mathilde heuge het dat wandeling bij wandeling haar gelegenheid gaf op te merken hoe het had geregend „op het land daar niemand en was,” op de heide, onze „woestijn, daar geen mensch en is,” om, – stoute greep met breeden kwast gelukt, – „om het woeste en het verwoeste te verzadigen;” om – teedere trek met fijn penseel aangebragt, – „om het uitspruitsel der grasscheutkens te doen wassen;” Louise had langer bij haar moeten logeren dan zij deed, eer Mathilde het zou durven wagen van dergelijke natuurstudin te reppen.

„Ge zoudt mij vertellen,” breekt de schalke jonkvrouw het oogenblik stilte af, – dat geen vierde zoo lang geduurd heeft als mijn tusschenzin; – „ge zoudt mij vertellen als wij zamen gras plukten...”

„Het doel is half bereikt,” glimlacht Mathilde, „gij verlustigt u in dat groen des velds: maar het zwaarste moet nog worden beproefd, ik heb uw hart te winnen;” – er is ernst in den toon der laatste woorden, die echter wijkt bij de volgende: „voor mijn heldinnetje, ook maar een veldbloem. Als een vogel zong, ik zou u laten luisteren; ik zou het vervullen van mijn belofte uitstellen; maar er valt hier niets te hooren dan de regen, en die is voor u geen muzijk; de eenvoudigste vertelling heeft dus kans...”

„Eene lange inleiding,” schertst Louise.

„Toch niet,” herneemt de gastvrouw; „Machteld was mooi, dat wist men een uur in den omtrek; Machteld. wist het zelve ook wel; maar zij wist tevens wat niemand dan zij wist, welk een last zij er van had.”

„Het begin is piquant genoeg,” plaagt de loge Mathilde, nu deze een omzien ophoudt, „doch de mise en scne laat te wenschen over; lieve! waar zijn we, wie was Machteld?”

„Als ieder verhaal zoo door vragen werd afgewisseld, zoo aan te vullen viel, wat zou de duidelijkheid er bij winnen! Machield was eene arme wees, die zich uit de dagen harer eerste jeugd weinig vrolijks had te herinneren. Eene moei, die in het kleine dorp zelve maar slovende den kost won, had zich harer ontfermd toen beide hare ouders stierven. Het was eene zeer ernstige vrouw; schaars lokte het zes- of zevenjarige kind een lach op haar gezigt. Welk eene jonkheid! wier schaduwen gij af moogt nemen naar de lichtzij, die ik u zal laten zien. Machteltje had geen blijder tijd dan des zomers, geen vrolijker dag in iedere week van dezen dan den laatsten, dan den zaturdag, als moei met den kruiwagen het bosch mogt ingaan om daer dorre dennetwijgen te garen en brem te snijden. Dan huppelde zij mede, dan zocht zij braambezin ’s ochtends vroeg als de dauw nog aan de blaauwe vruchten hing, eer de zonnestralen in den digten lommer drongen. Een gebrekkig jongske was bij Anneke-moei besteed; hoe de borst naar de bessen greep als zij thuis kwamen! eerst naar die uit het mandje, dat Machteld had gevuld, dan naar de twijgen door de oude vrouw gesneden. Achter het hutje lag de kleene hof, waarin maar weinig bloemen bloeiden, die het gezin van groente voorzag, die in den herfst vol kool stond. Slechte speelplaats voor de kleinen, meent gij, en bedriegt u. Als het groene gordijn der pronkertjes, met roode en witte bloesems bezaaid., schaduw leende, was het groepje zoo onaardig niet. Machteld wist met de bessen en de bloesems het knorrige, kribbige kind bezig te houden; Machteld bedacht zoo velerlei spelen, dat ochtend en middag omvlogen. Helaas! het bleef niet altijd zaturdag, niet altijd zomer. Zondag kwam en me moest Machteld met moei, me ter kerke. Het was wonder dat ze niet preken leerde, zoo veel liet de oude er zich aan gelegen liggen, dat ze wat van de predicatie te vertellen wist, En na den eersten dag der week kwamen de overige, allemaal schooldagen, en moei wilde dat Machteld ’s middags aan Japik onderwees wat Machteld ’s morgens had geleerd; Japik kon met zijn lam been zoo ver niet voortspringen. Het meisje was misschien de beste meesteresse niet, maar er schortte toch nog meer aan haren scholier. Eerst ze het ziekelijke kind: „ik wil niet leeren;” toen, waarschuwde de wrevelige: „weg met die leelijke letters;” eindelijk scheurden de kleine vingers het boekje in stukken. Anneke-moei bestrafte, Anneke-moei vermaande, maar baten mogt het niet. Machteld wilde hare taak opgeven: „wij kunnen zijn kostgeld niet missen,” ze de oude vrouw. Het woord zonk diep in het jeugdige hart; het was de eerste harde les wat men zich om geld moet laten welgevallen. Ontberen, wat dat zeggen wil, wist zij al lang, wist zij, sedert het voor de eerste maal in haar leven ’s winters mooi ijs was, en zij geen schaatsen had, en slechts een harer makkertjes de friesche eerst aan Machteld voor een uurtje beloofde, om later geen woord te houden, en morgen maar voor een poos melij voelde. Groothouden, onze weeze had het geleerd; de volgende dagen ze Machteld: „sullen is aardiger dan rijden;” maar kon, zich toch niet werhouden benijdend de vluggerts na te staren, die voortstoven, voort uit haar gezigt.”

„Arme Machteld!” valt Louise bewogen in; terwijl de vrouw des kasteels in het verschiet blikt of zij het meisje van verre gewaar wordt.

„Ontberen, groothouden, dienen vooral, tot zelfverloochenend toe, hoe goed was het dat haar dit, alles van kindsbeen at, tweede natuur bleek geworden, toen zij weinige jaren later bij, de baar van Anneke-rnoei stond. Slechts drie dagen was deze ziek geweest, toen had zij het, naar het ware volkswoord, afgelegd, het leven dat haar zoo zwaar gevallen was, sedert zij in hare eerste, hare eenige liefde werd gedwarsboomd. Alle geheimen worden op een dorp gemeen goed, zelfs die des harten; en de vijftienjarige Machteld had zoo vaak den bijna bitteren ernst der pleegmoeder hooren verklaren, dat zij dien der overigens brave vrouw van harte ten goede hield. Afgelegd, als hare bekommeringen en hare zorgen, afgelegd had Anneke-moei in de kist ook dat zuur zien; Machteld werd levenslang nooit door zoeter glimlach verrast dan het deel was der doode. De vermoeide vond ruste, de zwerfster was te huis! En het jonge meisje, dat die verscheidene gadesloeg, het mogt bij velerlei leeds weinig liefs met haar hebben gedeeld; het mogt die oude nooit hartstogtelijk hebben liefgehad, het schreide toen het ten afscheid „tot werziens!” ze, en met hare warme vingers het kille voorhoofd eerbiedig even aanraakte. „Wees niet zoo mismoedig, kind!” hoort Machteld zich eensklaps toespreken; zij meende alleen te zijn met de doode; zij heeft niet gezien, dat de vrouw uit den Gouden Roskam binnenkwam. „Het zal er u goed voor gaan dat ge Anneke-moei z trouw bijstondt; kom bij ons, ik heb het met den baas overlegd..” Ons zou zulk eene beslissing over het lot van een derde niet invallen, Louise! toch vindt het volk die, in zoo verlaten toestand, volstrekt niet vreemd. Er was hartelijkheid in den toon op welken de woorden werden gesproken. Machteld grijpt de haar toegestoken hand, maar van die te kussen is geen sprake „Ik zal mijn best doen,” zegt het meisje; doch wie geeft vrouw Waanders in, Machtelds gemoed warm te doen worden door haar wederwoord: „uwe moeder heb ik goed gekend, ’t was een braaf wijf!” En zij troonde het meisje me, de hut uit, het hofje in, en de goedhartige schommel – wie zag ooit een dikke boosaardig? – zij had een heel verhaal van de drukte die Machteld in de dorpsherberg wachtte. „Er is altijd een geluk bij een ongeluk,” troostte zij eigenaardig: „het treft best, dat gij in het begin van den winter bij ons komt; ge zult dus in het voorjaar gewend zijn, als het ware leventje begint, als de stadsvogels de kooi uitvliegen of zij smachtten naar lucht. Dan is het alle handen help en oogen moet je hebben voor en achter: in de gelagkamer op den gaanden en komenden man; beneden en boven en onder de boomen en voor de deur bij de groote lui; – met de stal bemoei ik me niet, dat volkje gaat den baas aan. Zie, kind! ik geloof, dat ik mijn vijf zinnen, heb, maar waren er zes of zeven te koop, ik zou top zeggen, al kostten zij ook een mooije duit.” Vrouw Waanders had, hare vijf intusschen volkomen: Machteld ervoer het in den winter, die haar leertijd heette; bij het spit onder de schouw als er vergadering was van de eene of andere overheid; in de schuur bij het spinnewiel, als de baas het met de boeren alleen wel afkon. En nu, Louise! wat dunkt u, moet de mise en scne nog uitvoeriger worden?” – Mathilde’s glimlach tempert de malice, – „of krijgen plaats en persoontje allengs omtrek en kleur?”

„Als ik opregt zal zijn,” antwoordt Louise, „dan zie ik nog evenmin dat Machteld mooi was, als dat zij er last van had..”

„Mijn begin heeft indruk gemaakt,” schertst de gastvrouw; „maar wat ik u nog niet heb overgebriefd, vrouw Waanders had het al lang opgemerkt. Het kwam aan het licht bij de, keuze van het eerste jakje, dat Machteld van het verdiende loon koopen zou: „zedigjes, zedigjes,” ze de vrouw, „ge wordt gaauw genoeg gezien.” En bij dien wenk bleef het niet. „Laat leggen de zweep, kind!” heette het, toen het meisje een van die lange stokken eens in dartelen moedwil beurde, en de fijngevlochten koord de lucht klieven deed; „vrouwen regeren met de oogen, en gij hebt er een paar!” Onvoorzigtig, meent ge? De hartige herbergierse gaf wie zij lief had gaarne een bijnaam, en Machteld kreeg dien van: „witvoetje”; bij den baas kon zij geen kwaad doen, en de stugste knecht weigerde niet wat zij vriendelijk vroeg.”

„Allemaal meer lust dan last,” beweert Louise.

„Wacht maar,” antwoordt Mathilde, „die bleef niet uit; in den tweeden zomer regende het vrijers binnen en buitenshuis. Een heusch: neen, zeggen, zonder een zoet lachje er bij, deed de laatsten afhouden. Als bij het uitgaan der kerk – ieder dorp heeft zijn walenpleintje, Louise! – de jongelingschap de meisjes afwachtte, dan had Machteld bij het naar huis keeren maar ner te zien, of zij bang was voor een zonnesteek, en de taaiste aanhouder begreep, dat zij bleef bij haar: dankje. Een kruisweg in den lommer? die viel te vermijden; of stoof haar in de schemering een borst op zij, Witvoetje kon zich reppen als ware zij een ree geweest. Maar binnenshuis mogt weigering noch wegvlieden baten; – ach, lieve! ik heb geen slag van vertellen, merk ik, en toch houdt die regen steeds aan! – gij weet nog maar dat de Gouden Roskam een baas en een vrouw had; gij weet nog niet dat de oude luidjes slechts sloofden en spaarden voor hun eenigen zoon, voor hun Wouter. Machteld had in het eerste jaar weinig van hem gemerkt; hij was op het land, hij was naar den stal, des avonds was hij in de gelagkamer, maar dien drempel kwam zij schaars over; en toen het lente, toen het zomer geworden was, ging hij in de week voor dag en voor dauw met den ploeg op het veld, of zorgde dat het hooi droog binnen werd gebragt; des zondags reed hij de groote lui met den tentwagen. Om was de tweede winter gegaan, om als een droom voor ons meisje. Vrouw Waanders had haar weinig meer te leeren; door de goedhartige schommel werden haar een paar keurig bewaarde schaatsen vereerd, en wie langer sulde, Machteld sulde niet meer. Langs den hof van de herberg liep de vrij breede arm van den stroom, die het landschap weleer zijn naam gaf; in het schoone saizoen was het of het water wegschool onder de overhangende takken van het geboomte der wederzijdsche oevers; maar met het najaar zwol het aan, en vruchteloos zou men elders mooijer ijsvlak hebben gezocht dan om kerstijd daar spiegelde. Machteld strompelde er iederen dag op voort, eerst met een stoeltje, toen met een stokje; doch al wist Wouter dat ze schaatsrijden wilde leeren, al zag hij haar sukkelen, hij was het niet die voor haar de riemen wat aanhaalde, die haar hielp. Zwieren en zwenken mogt ze weldra, hij ze niet tot haar: „leg eens op en ga me!” Voort baande hij, voort, of er geen Witvoetje in de wereld ware geweest. Het werd anders met het voorjaar; keer op keer verraste haar aan den disch, als zij opzag, het staren dier graauwe oogen, door het sluike haar wat overschauwd. Vergeefs deed zij, als bemerkte zij het niet; heden als gister, en morgen als heden was Wouters blik op haar gerigt. Het was lastig, maar het diende geleden; niet dien kant uitkijken, nam zij zich voor. Daar bloeiden de hagedoorns en de seringen aan den zoom van den vloed: daar mijmerde zij bij ondergaande zon een oogenblik als meisjes doen; daar voelde zij een arm om haar midden: „Machteld! ik loof dat je mij wel lijden moogt!” Het had er niets van, zij stond al op drie schreden afstands: „jonge baas! geen gekheid!” ze ze; en dat op een toon, die Wouter verbluft en verlegen achternit deed deinzen. Hij had verwacht dat zij vereerd zou zijn; al was ze mooi, meende zij dat ze hem een dienst zou doen? Het leed maar drie dagen en de koffer van Wouter was gepakt, en het karretje, waar Wouter me naar stad plagt te rijden, kwam voor; hij wenschte den baas en de vrouw „gezondheid!” hij riep den overigen huisgenooten: „goeden morgen!” en deed of hij Machteld niet zag. Drie dagen, die echter het meisje bang genoeg vielen; melijden met het blaauwe scheentje had zij niet, – hebben vrouwen het ooit met de stumperts, Louise! – melijden, Wouters aanmatiging had het verbeurd, – maar welke zouden voor haar de gevolgen dier weigering zijn? Al had hij zijn aanzoek herhaald, haar antwoord zou afslaande zijn gebleven; maar nu hij de gelegenheid hem geboden om er zich uit te redden, of het een grap, een gril ware geweest, in arren moede voorbij liet gaan; nu zijn hoofd op hol scheen, zou zij er voor hebben te boeten! was zij er niet deerniswaardiger aan toe, dan toen ze bij de baar van Anneke-moei stond? Volwassen, volleerd, heette het in het dorp, dat mogt zij zich gelooven; jong en sterk was de wereld immers wijd genoeg, ook voor haar? Het gladde voorhoofd rimpelde zich voor het eerst; hare oogen zochten den grond, of daarin het geheim harer toekomst school; andermaal kwam de goedhartige schommel haar ter hulpe: „Witvoetje ben je geweest, maar daarom niet getreurd, kind! – als jij alleen om de Roskam ja hadt gezegd, hij zou niet langer de Gouden zijn gebleven. Eene vrouw die zich verkoopt, ook maar aan n man, moest nooit kinders krijgen!” Machteld was ten minste in de schatting van de waardinne niet gedaald, al kostte het den baas moeite haar het afslaan des ruwen aanzoeks ten goede te houden. Niet dat hij haar verweet een zijner liefste wenschen te hebben verijdeld; niet dat hij er tot, haar een woord van repte. Slechts vertelde hij, aan wie het hooren wilde, dat Wouter een uitstapje deed om te zien hoe bij zijne vrienden in de buurt, en een beetje verder ook, alles in de wereld vooruitging. „Eene dorpsherberg, dat was goed geweest in zijne jeugd, maar men moest toch met den tijd megaan; hier werd bijgebouwd en daar werd bijgebouwd, waarom zou dat bij hen ook niet geschin? Als de jongen er eens de proef van wildle nemen, de vrouw en hij hadden niet zoo lang gewerkt zonder wat over te leggen, en met der tijd wierd toch alles eens het zijne.” Dat waren de algemeene toespelingen; de bijzondere vlogen slechts van den boog als zij, die Witvoetje was geweest, zich binnen het bereik van zijn schot bevond. „Wouter was een knappe jongen, Wouter kon trouwen wanneer hij wilde, en mogt het de oudjes in de herberg te druk worden, met log’s weet je, die heengingen als de zomer verstreek, en met log’s die den winter overbleven, geen groote weet je, kleintjes die eens groot zouden worden,” en de knie van den man bewoog zich of hij een dreumes leerde paardrijden, „welnu, dan was er voor hen wel een andere woning te vinden. Wouter was er op uit, en had al over menig plan geschreven; er waren heele geschikte bij,” maar Witvoetje bleek de gelagkamer uitgewipt en de andere mededeelingen bleven achter. De angel der teleurstelling was den goeden man diep in het vleesch gegaan. Toen hij in den nazomer aan wie weet welke koorts te bedde lag, toen men Wouter thuis verwachtte, en deze in plaats van zelf te komen, alweder een brief zond, kwam het aardig aan het licht. Machteld hield den epistel, pas door den postbode gebragt, in de hand; zij aarzelde aan wien dien af te geven. Aan den baas, die kreunde en kermde als alle zieke mannen? maar het zou hem zwaar zijn gevallen die regels in de duisternis der hooge bedstede te lezen. De gordijnen ter zijde schuiven? het zou niet hebben gebaat; de slinkerdeur, die maar op een kiertje stond, keerde toch het licht. Aan de vrouw dan, die, om den kranke gezelschap te houden, breide dat haar de neus wipte? maar geschreven schrift ging haar niet vlot af, gedrukt zag zij haast nooit in, de psalmen kende zij van buiten. Zwijgend stond Machteld met den brief in de hand. „Is hij van Wouter?” vroeg de vrouw. Het meisje knikte ja. „Leg maar ner,” gromde de baas. „Als de jongen maar niet ziek is,” zuchtte de moeder. Een oogenblik stilte; het drietal hoorde slechts de brei pennen; de slinger der klok was vastgezet. „Laat, den domin vragen of hij eens aankomt,” klonk het uit de bedstede; de pastorij lag over de herberg; uit den hof der eene kon men in dien van de andere zien. „Maar, vader!” ze de goedhartige schommel, „dat gaat niet.” Driftig hernam Waanders: „En waarom niet?” „Bij de praatjes die er omgaan, kan Machteld den domin kwalijk...” „Wel wergaas,” dreunde hot door de kamer: „heeft Machteld dan van de halve wereld last!” en wie weet wat er zou zijn gevolgd, als het meisje er geen einde aan had. gemaakt. „Baas! mag ik den brief even inzien of Wouter wel is!” – „Ga je gang!” – Open scheurt het dikke papier, toegeouweld of het staatsgeheimen bevatte. „Hij is wel, baas! heel wel; hij schrijft dat hij...” en Machteld hapert, maar niet van schrik, een spotziek lachje bewijst het. „Dat hij wat...?” „Dat hij verliefd is, baas!” en op de tafel ligt de brief en aan de deur is Machteld. „Hola hier!” wordt er achter de gordijnen geroepen: „lees op voor den drommel, lees op, tot je straf!” Straf? de heldere stem van het meisje beeft noch trilt bij de verklaring van Wouter, dat hij vertrouwt „een heel geschikt portuur te hebben gevonden. Als iets van aandoening getuigt, het is de bedstede; het zijn hare onderlagen, die kraken; de koortsige zit op. „Een heel geschikt portuur,” herhaalt hij; „ze ik het niet altoos, moeder!” laat hij er triomfantelijk op volgen, „er zwemt nog even goede visch in de zee als ooit werd gevangen!” En Machteld leest voort: „Een meisje, dat een mooije stuiver te wachten heeft.” En de slinkerdeur der bedstede wordt opengestooten, de gordijn vliegt ter zij, de zieke, neen, de vreugde zoekt lucht. „Een mooije stuiver,” klinkt de wergalm. „Als vader het goed vindt, vraag ik haar; ik ben zeker, dat ze mij hebben wil.” De ondeugende voorlezeres, om het niet uit te proesten hoest zij. En de hospes! „Hm! hm!” zegt Waanders, en laat er op volgen: „Machteld! ik heb gemerkt dat ge zwijgen kunt, mondje digt, meid!” – „Wie weet,” fluistert de vrouw, getroffen door den golijken toon, op welken de baas die laatste woorden uitte, „wie weet of ge niet nog eens wer Witvoetje wordt?” Maar Machteld antwoordt niet; zij legt den brief op tafel; ze gaat de kamer uit, en aan een arbeid, die maar half vlotten wil. Werktuigelijk bewegen zich hare handen, om eensklaps werkeloos ner te hangen. „Schaam u,” zegt zij in zich zelve en zoekt wer afleiding, en echter, op nieuw staat zij peinzende stil, de regterhand onder den linkerelleboog, de slinke aan de slapen.”

„Machteld is verliefd,” roept Louise.

„Wist zij het zelve? is het antwoord van Mathilde. „Droomen!” mogt het meisje mompelen; „dwaasheid!” mogt zij er op laten volgen; die dwaasheid hield haar bezig, die droom was zoet. Acht dagen geleden, neen, het was al de negende, gebeurde het eer de schemering inviel, dat een heerenchais voor de deur der herberg stilhield. De vrouw was bij den baas op de bovenkamer. Aert en Claes waren uit op het veld als vandaag; de jongen scheen ook me; want door het vensterke van het voorhuis zag zij den schimmel staan, maar geen hand er bij om te helpen. Op te wippen, de toonbank langs, de half openstaande onderdeur voorbij, en onder het geboomte te zijn, het was het werk van een oogenblik. „Hoe lang zal het duren,” hoorde zij den jonker zeggen, maar zij was immers met, den bak al voor den schimmel en hij de chais al uit. O dwaasbeid! dat zij de verrassing maar niet vergeten kon, waarmee hij haar zoo vriendelijk aanzag; de avondzon scheen door het digte lindenloover; het was of zij dreven in gouden glans. „Is hier niemand om mijn dorstig dier wat water te geven?” had hij gevraagd, en zij geantwoord: „Ik zal ’t doen.” – „Dat is geen werk voor zoo mooi...”; maar hij hield de aardigheid binnen; „blijf,” sprak hij beslissend en toch niet bevelend, hij had de pomp, hij had den emmer gezien; met de handschoenen aan deed hij den slinger daveren: de schimmel dronk. Onder dat drinken sloeg zij de oogen even naar hem op en werd gewaar, dat hij, bij het uittrekken van het gele hartsleder, haar weder aanzag; ze bloosde! Het was maar een droom geweest, dat oogenblik pratens met den jonker, ’t geen niets om het lijf had, en ’t geen haar toch zoo goed heugde. Zij dorst de oogen niet digt doen: dan stonden zij zaam wer voor den schimmel, dan wuifde deze met de lange witte manen haar haast in ’t gezigt: om die af te keeren hief zij hare hand op: de zijne was haar voor, en onvoorziens raakten beide elkander aan. welk eene dwaasheid, dat zij trilde als zij er aan dacht! hij had immers vergeten dat zij maar Machteld was, toen hij iets gezegd had dat naar „vergeef me!” zweemde! Daar waren de knechts komen aanrijden met den zwaar beladen wagen; de jongen was hun vooruitgesprongen, en de jonker had van dezen een glas bier gevraagd, om er de lippen toch niet aan te zetten. Aert had den schimmel brood gevoerd, toen Machteld de deur was ingegaan; de vrouw bleek beneden gekomen, zoodra zij den wagen de schuur hoorde binnenrijden; maar de jonker had met haar geen praatje gemaakt, hij had betaald en was weggereden – waarom dacht zij alweder aan hem; waarom droomde zij dus tegen haar wil? Was zij dan den volgenden morgen niet genoeg geschrikt, zoodra zij een rijtuig over den weg hoorde aanrollen; was zij dan niet knorrig op haar zelve geweest, telkens uitkijkende of het niet de schimmel was die aanstoof? Den tweeden ochtend had zij zich beloofd geen blik meer naar buiten te slaan, er mogt komen wie wilde; den derden hield ze bijna woord; maar toen zij op den vierden van een verre boodschap, het heette in de buurt, te huis kwam en Claes en Aert het zoo druk hadden over dien jonker met den schimmel, die bij de vrouw het liedje van verlangen had gezongen, zie, toen was zij toch blij geweest dat niemand in den donkeren gang haar kleur had kunnen zien! Bedrogen had zij zich dus niet, toen zij, op weg naar huis de breede beukenlaan regts langs komende, de chais had meenen te herkennen, de lange witte staart van den schimmel ter zijde had zien wapperen, zooals de manen deden, toen zij stonden in het goud der avondzon, onder het digte lindenloover.”

Mathilde houdt eene wijle op, Mathilde ziet Louise’s oogen in zoete mijmering drijven, terwijl hare hand met den grasruiker speelt. „Als ge niet verloofd waart,” zegt de vrouw des kasteels, „ge hadt van de gansche geschiedenis geen woord vernomen, lieve! want wat van zelven wast....” Louise vult den bekenden regel aan; Mathilde herneemt: „Als ik niet wist, dat gij uit liefde koost, ik zou evenzeer hebben gezwegen...”

„Ga voort, gerust voort.”

„Als alle romanlezeressen, hakende naar het einde, ongeduld! geen oogenblik het boek neerleggend om door de fantasie een schetsje in eene schilderij te verkeeren, – slot bij slot heeft mij al zoo vaak teleurgesteld.! Mijne vertelling is nog niet uit; verder dus, al zou het mij lief zijn, zoo ik, wat nu volgen moet, voorbij mogt gaan, zonder er van te reppen.” De rand van den strooijen hoed boog zich bij de laatste woorden dieper; maar Mathilde heft het hoofd op, ijlings voortgaande: „Al peinzende zag het meisje die vista voor zich, in welke de chais verdween, waar de wuivende beukentwijgen elkar over den weg ontmoetten; zij zag tegen de smalle strook lichts aan den gezigteinder een stip, die wegschemerde in het stof, die al flaauwer word. Eensklaps sprong zij op, wat was dat? Hoefgetrappel, dat van den straatweg zich telkens duidelijker hooren doet, dat het brugje overkomt; studenten stijgen af; de knechts zijn met de paarden in de wer, de waardin met de heeren. Zou Machteld aan een arbeid blijven, die in een gansch uur geen zier gevorderd is? Zich omkeerend van het met klimop bewassen venster, wordt zij eerst nu gewaar, dat het hagelwitte linnen van de knie op den grond gleed, dat de schaar haar vingers is ontsnapt – in een omzien vouwt ze zamen, bergt zij weg en is beneden. „Breng dien wijn aan de heeren,” zegt vrouw Waanders; en in de eene hand het blad met de vijf roemers, in de andere den rhijnwijn, klinkt haar een liedje te moet, dat wel wat luchtig zal zijn geweest, want aan de overzijde worden de deurramen van het studeervertrek digtgeslagen; zij plagten anders altijd laat open te staan. Op een paar banken, bij het priel geschoven, rusten de studenten van den rid uit. „Wie woont daarover, kindlief?” ook zij hebben het rinkinken der ruiten gehoord. „De domin,” zegt Machteld. „Een oude?” – „Zoo wat van mijnheers jaren;” en de wijn staat op het tafeltje, en weg is zij; al hoort zij duidelijk: „hoor eens!” roepen, ze doet of zij niet hoort. „Een mooije stem!” – „een aardig fransch liedje!” vangt zij in het voorbijgaan op, van een paartje dat aan de andere zijde der herberg voor de deur thee drinkt, „er is kracht in dat koor.” Machteld glipt voorbij; Machteld wrijft de glazen wat op, die de hospita intusschen heeft gespoeld. „Een betere flesch, vrouw Waanders!” klinkt het door het open raam; de heeren zijn blijkhaar in de Gouden Roskam te huis; en de herbergierse is in den kelder geweest, de flesch afgedroogd. „Die breng ik zelf,” zegt de goedhartige schommel, „’t zou wel geen vuur en stroo zijn; maar ’t mogt er wat wild toegaan;” – doch eene calche houdt op hetzelfde oogenblik onder de linde stil, en vrouw Waanders kent dat heerschap te goed, om niet te weten hoe vele noten mevrouw voor een kleinigheid op haar zang heeft; zij zou toch worden geroepen, als zij niet van zelve ging. „Waar blijft de betere flesch!” Machteld komt er me buiten. „Hebe!” roept een der jongelui, „schenk eens in.” – „Hebe! Hebe!” schatert en joelt het. „Heeren! zoo heet ik niet,” mag het meisje zeggen, terwijl zij de flesch op tafel zet; als ze de wijk nemen wil, is de weg versperd. „Eerst inschenken, Hebe!” – „Grieksche flaauwiteit!” – „Op zijn hollandsch, als je hart hebt.” – „wat verwed je er onder!” – „Een fijn diner,” klinkt het door elkaar, en de krullebol die van geen Hebe hooren wilde, roept: „Top! een kusje is maar stof, mooi kind!” en grijpt Machteld aan. Zij weert zich, ze schreeuwt, en op den grond ligt de krullekop; wie sloeg den wulp met de vlakke hand in het gezigt, wie anders dan de jonker uit de chais? Het is het meisje, als zij hem naast haar ziet, te moede of zij droomt; wat woorden die heeren in hun drift wisselen, niet zij verstaat ze, vrij is ze en voort ook. „Witvoetje! wat zie je bleek!” dat gelooft zij dat vrouw Waanders zegt als ze den gang binnenstuift; „best dat je maar eens naar den baas omziet.” Machteld volgt den raad; maar de trappen opgevlogen, schijnt zij het boven te kwaad te krijgen. Eerst dat droomen, en nu die tranen! – wat gaat haar aan? Zenuwen? die hebbe de hooggeboren vrouwe in de calche, maar zij? een dorpskind! wat malligheid! Als hij het maar niet geweest was, die gezien, had hoe die krullekop haar aangreep! maar hij, wat is hij voor haar? Zij, eene arme wees, en hij een jonker! Het glas water beeft in hare hand. Een woord van Anneke-moei, een woord, dat haar weleer als een klank voorbijging; een woord waarvan zij op eens al de diepte begrijpt, schiet haar te binneu: „Zoete hoop eischt bittere boete!” Hoop? maar wat zou zij hopen? op welke heeft zij regt! voedt zij er dan? Het glas water is ledig; en vrouw Waanders vraagt haar, die wer ijlings beneden, wer binnenkomt: „Ereunt de baas nog zoo?” maar wacht gelukkig het antwoord niet af. „Witvoetje!” zegt de goedhartige schommel „ge moogt den jonker wel dank zeggen.” Hoe Machteld wenscht dat haar dit ware gespaard; doch door het venster van het voorhuis naar buiten blikkend, ziet zij haren beschermer bij het tafeltje staan, waaraan het paartje, dat ze straks voorbijwipte, nog altijd thee drinkt. „Beter in gezelschap dan alleen,” denkt ze, en is bij het drietal, en brengt haperend eenige woorden uit. „Het eischt geen dank, kind! – die jongelui hadden zich vergeten, – mijn hand viel zwaar genoeg ner!” lacht hij. Weg meent zij te slippen; och, die mewarigheid van het juffertje, hoe wordt ie haar tot last. „Er zal daauw vallen, willen wij ook opstappen?” vraagt de minnaar, want deze blijkt de betrekking tusschen het paar, maar de minnares heeft geen haast. Machteld is kort in haar wederwoord: die mijnheer begint waarlijk ook het gebeurde wer op te halen; „was van Eerdt er niet bij?” vraagt hij den jonker. „Tot mijn spijt, ja!” herneemt deze, en de minnares zegt: „zoo’n knappe jurist!” en de minnaar: „meisje!...” – „Ik zal eens gaan hooren hoeveel het is, mijnheer!” valt Machteld. in, vult, Machteld. aan; en de minnaar moge haar naroepen: „al betaald; wat ik zeggen wilde...,” ons meisje is de deur in en komt die den ganschen avond niet wer uit.”

„Maar toch den volgenden ochtend wel, Mathilde! toen de schimmel er al vroeg voor trappelde.”

„Louise!” lacht de vrouw des kasteels, „de regen hield op; zullen wij voortwandelen? het bosch zal geurig zijn. Het gras is haast niet vochtig meer; dat gij het niet eer zaagt.”

„Al had ik het gezien, ik zou u niet hebben gestoord.”

„Ik ben zoo dankbaar eene toehoorderes niet waardig,” beschuldigt Mathilde zich zelve; „ik begrijp nu eerst hoe zoet ge mij hebt gevleid, door niet van het ophouden van den regen te reppen. Louise! als gij het inderdaad meent...”

„De schimmel, Mathilde! de schimmel!”

„Witte paarden stonden er in menigte voor de Gouden Roskam stil, afleggers van de trompetters der artillerie, voor de boeren nog goed. genoeg, die de ooren uit heugenis opstaken, als de postillon van een der laatste diligences den horen blies, maar van den schimmel die met de manen wuifde, was geen sprake. Dag aan dag ging voorbij, zonder dat de jonker zich liet zien: Machteld geloofde die dwaasheid te boven te zijn. „De droom had uit,” dacht zij, – zuchtte ze tevens? Gij gelooft ja, ondeugende! – maar wie haar in een mismoedige stemming mogt aantreffen, de domin niet, die, eer de week om was, vrouw Waanders achter de toonbank verraste. Het deed hem genoegen te hooren, dat het den baas wat beter ging; maar hij mogt naauwelijks zeggen dat zijn bezoek dezen gold; hij wou het meisje wel eens spreken. „De opkamer is vrij,” ze de herbergierse, en trok de lade open en zocht. „Cigaren heb bij me, vrouw Waanders!” voorkwam haar de jonkman, die niet alleen van zijn tijd was, dewijl hij geen pijp meer rookte, die op het dorp velerlei nieuws had willen invoeren, dat hem maar ten halve was gelukt. Machteld zelve leverde een voorbeeld dier vergeefsche pogingen op, als ge fluks zult zien. Zij kwam de kamer binnen een doos lucifers in de hand: „dacht ik het niet!” ze ze na den groet, het leelijke tonnetje voor de schouw ledig vindende, „die neemt ieder maar me!” – „Dank je,” ze domin, en streek met het stokje, maar het vloog niet in vlam hij moest het overdoen. Daar ging het, daar wolkte de rook: „Machteld! wat maakt gij het slecht met mij; waarom heb ge de laatste lezingen niet bijgewoond?” – „Mijn schuld niet, domin!” antwoordde het meisje; maar hoe vlug het haar af mogt gaan, die twee schenen van rol te hebben gewisseld. Straks zou het stoppen van een pijp, het deftig aansteken van een pruik vooral den domin zijn te stade gekomen, om wat er half stijfs, half schichtigs in zijn optreden was te verbergen; Machteld bleek met het afleidingsmiddel dat voor haar in de lucifers school wel wat voorbarig geweest. Alsof een vrouw niet altijd een stoel kon verzetten, die op zijn plaats staat, niet waar, Louise?” en Mathilde bukt zich om eene, koornair te plukken, die haar ter zijde des wegs aanlokt. „Wiens schuld was het dan, Machteld?” vraagt domin, en het werwoord luidt: „Ik kwam gaarne, ik vond het lezen, ieder op zijn beurt, heel genoegelijk; ik geloof dat ik er door heb geleerd.” De jonkman begrijpt er te minder door waarom zij dan weg is gebleven, hij, die in deze gemeente, zijne eerste, het hoofd veel minder ontwikkeld had gevonden dan het harte, die daarom de inrigting van het leesgezelschap had hervormd, die met dat doel ten zijnent leesavonden had beproefd, dingsdags voor de meisjes, donderdags voor de jongens. Die voor de laatste gingen goed, die voor de eerste verdiepen; de jonkman had niet aan zijn eigen jeugd gedacht, door welke de minste voorkeur aan deze of gene lezeres betoond vermoedens wekken kon. „En ge blijft uit?” – „Och, die praatjes!” is eindelijk de verzuchting, die eene verklaring heeten moet. „Praatjes!” zegt de domin, „praatjes, wie stoort zich daaraan? toch zou het mij spijten, Machteld! als het maar eene uitvlugt was; als ik gelooven moest, wat ik hoorde!” „Praatjes!” valt Machtelds natuurlijk vernuft zegevierende in; „maar daar stoort domin zich immers niet aan!” Gewond te worden door het wapen, dat men zelf partij in handen gaf, het valt hard. „Machteld!” begint de jonkman op nieuw, en het is of zijne stem trilt, zijn toon heeft niets van dat stijve van straks: „Machteld! meer dan je weet, ga ik je gangen na!” wat zou het meisje graag een spotziek gezigt hebben gezet! maar hij voegt er zoo gemoedelijk bij: „wees niet warsch van waarschuwing, ik meen het goed met je,” en hij staat op en sluit de deur, die aanstond. „Vrouw Waanders mag alles hooren, domin!” beweert zij, die zich hare onschuld bewust is, „al deedt u de vragen van een verhoor,” laat meisjes moedwil en misschien ook meisjes voorgevoel er op volgen. „Ge zijt een weeze!” klinkt het ernstig; „ge zijt meer gevaars blootgesteld dan gij gelooft!” Machteld’s oogen hebben niets uittartends meer; maar de jonkman vergist zich als hij waant dat door zijne woorden die indruk wordt teweeggebragt; zouden zij haar treffen, zoo zij niet een wergalm waren van wat zoo vaak haar eigen gemoed haar zegt? „Voor eenige dagen zijn hier studenten geweest.” – „Toen domin de deurramen digtsloeg?” „Was het eene heugenis, was het een verwijt? – „Die jongelui deden hunne opvoeding schande aan, maar er was een mijnheer, die u ter hulp kwam, die mijnheer met den schimmel! Machteld ! ik zou het als herder moeten zeggen, ook zoo ge mij niet ter harte gingt als...”: „Machteld staat versteend: alweer die jonker! „Ge zijt nog zoo jong,” hoort zij hem voortgaan, „en zoo jolig!” niemand die den oogopslag van het meisje had gezien, zou het laatste hebben beaamd. „Ge gaat een glibberig pad, maar met een vasten voet glijdt men niet uit.” Machteld zweemt naar een toonbeeld van ernst. Uw stand zal u niet in den weg staan, later een goed man gelukkig te maken.” Als dat eene halve declaratie heeten moet, eene heele wordt het niet; want het meisje blikt noch bloost. „Maar sluit de ooren voor de mooipraters, die u in opspraak zouden brengen.” – „wie durft dat doen; wie meent u daarme? vraagt Machteld met de drift, met de fierheid tevens der verontwaardiging; „wie, domin?” – „Maar hebt gij dan niet gehoord, dat die mijnheer van den schimmel gevochten heeft?” – „Gevochten?” – „Gevochten, ten gevolge van den twist hier in den hof.” – „Met den krullekop?” roept Machteld verrast, verrukt! En domin zucht: „Als zijne woorden maar geen olie in het vuur zijn geweest!”

„Hoe de last komt,” erkent Louise.

„Niet zonder den lust,” verrast haar Mathilde; „den volgenden ochtend had vrouw Waanders voor het meisje andermaal eene boodschap „in de bunrt”, als zij ze. Er was wer een brief van Wouter gekomen; hij zou zijn aanstaande op bezoek mebrengen. De goedhartige schommel had hare plunje eens nagesnuffeld; van opschik hield ze niet:, maar er kaal uit te zien, dat mogt de raaf doen, die maar een rok had, niet zij! In de kast hing menig kleedje, dat in lang niet had gelucht; de mooije samaar, die bleef ze bewaren voor den dag, die de Gouden Roskam de bruid zou zien inhalen; maar kiezen kon zij uit drie andere japonnen, en zij koos. Slechts diende dat jasje, – het was vrouw Waanders’ technische term voor zoo’n middelding tusschen jak en jurk, – slechts diende dat kleedje, als zij er zich in zou kunnen bewegen, uitgelegd. Het dorp had niet te weten dat zij alweer dikker geworden was; alsof het dorp geen oogen had! „Speld het kleedje in een servet,” had zij gezegd, „maar neem een mooije; Stijntje is alles op het huis netjes gewend; zie daarom eerst wel toe, of er in de wasch ook een scheur aan het licht is gekomen, of een smet op de bleek niet uitgegaan; die groote lu leven hier des zomers met andermans goed of het van ijzer was.” En Machteld was keurig in het kiezen geweest; de naaister zou het dien blokjes aanzien, dat het linnen in de herberg niets te wenschen overliet. „Laat ze haar best doen, binnen een dag of drie;” de klink der onderdeur werd opgeligt; onze boodschapster ging den weg op, het bruggetje over. Of zij naar het studeervertrek der pastorie heeft omgezien? Stellig niet; zij stapt stevig voort; men zou het dat frissche, vrolijke gezigt niet aanzeggen, wat er nacht bij nacht te voren in hoofd en harte omging. Zie, geen oogenblik staat zij stil, nu zij de lange beukenlaan is genaderd. Het moge haar weg zijn, voortstappende schijnt ze, mijmerend noch mismoedig, geen oogen voor het verschiet te hebben; links en regts houdt het landschap haar bezig. De akkers, die geen oogst meer dragen, die voor het grootste gedeelte of omgeploegd worden of omgeploegd zijn, boeijen haar blik. Toch durf ik niet zeggen, dat zij zich in die stilte, – de wind beweegt de waaijers der beuken naauwelijks, de stralen der herfstzon weten van geen haast, – dat zij zich lang zoo groot zou hebben gehouden, als zij geen voetstappen achter zich had gehoord. Halverwege de laan stond eene breede bank, waarop het wel zoet zou zijn geweest eene wijle te peinzen: driedubbele ruste om daar heen, – links en regts de donkere vista, – in het vlakke verschiet eene sluimerende: streek, – slechts tegen den gezigteinder eene kerktorenspits, seinende naar boven! De verzoeking is sterk, maar de schreden, die zij achter zich hoort, worden haastiger; omzien? het ligt niet in hare natuur; voort gaat zij; waarom al vlugger? „Goeden morgen,” zegt wie haar inhaalt, en daar „meisje!” en daar niet: „Machteld!” op laat volgen; al is het de jonker! met het beantwoorden der groete staakt het pas aangeknoopte gesprek. Hij wacht zich wel te zeggen, dat hij megaat; zij wacht zich wel te vragen, hoe hij daar komt; van dialoog geen zweem, maar welk een mimiek! Hem is het niet ontgaan, hoe bleek zij geworden is bij het hooren van zijne stem; zij heeft gezien dat er iets aan zijn linker schouder schort, hij houdt dien zoo stijf. Hoe gelijk is hun schred,” hij links en zij regts gaande, over dat grassige, mossige voetpad. Hoe vrolijk staan zijne oogen, hoe vochtig de hare. Er kweelt een vogel in don lommer of het nog lente was: „mooi!” zegt hij: „stil!” ontglipt haar. Louter natuur, louter onvoorzigtigheid, zoo als ge wilt, Louise! Eens nog slaat de meede, maar de roep wordt niet beantwoord, alles is stil; daar beginnen zijne vragen, vragen, die het veld gelden, vragen zonder tal. Er steekt immers geen zonde in, dat zij die: beantwoordt? Ook doet zij er toch geen kwaad aan, dat zij zoo hartelijk lacht? de jonker kan niet zien waar gerst, en waar boekweit, en waar haver heeft gestaan, alles moet rogge zijn geweest. Voort gaan zij, zamen voort, als kenden zij elkander maanden, jaren lang, en echter zien zij elkaar niet aan dan steelswijze. Hoe hij wenscht dat die lange beukenlaan nooit einde nemen mogt; weet zij waarlijk waar ze is! Als vangt zij niet, het eerst van beiden, uit het verschiet, aan de zijde des wegs, een geluid van stemmen op; als houdt zij niet ijlings een dubbele handbreedte meer regts, niet enkel dewijl ze daardoor het geluid digter komt. Het gaat uit van een allerarmoedigste groep: – een man, die er nog haveloozer uitziet dan een daglooner, ligt op den grond uitgestrekt, een wilgentwijg te schillen. Zijne vrouw, zittende op het gras, tegen den breeden beukenstam geleund, geeft de borst aan een schreeuwend wicht, uit een houten wagentje, dat tot wieg dient, opgenomen. Een paar half naakte kinderen spelen en krieuwen in het zand. Beter begrip valt er van de ellende niet te geven, dan te zeggen, dat ze geen kleur had; ouders en kroost, plunje en pakkaadje, alles is graauw, alles is vaal, zelfs in die najaarszonne, welke al het verwelkende, al het vergaande, zoo zacht verguldt! „Welk een leven!” komt er op in haar hart en rolt van hare lippen, terwijl hij in het voorbijgaan in den zak grijpt en den kinderen iets toewerpt, nog eer zij vragen; terwijl zij de vrouw achter haar, bij het: „God zegene je!” tot den luijen man: „zilver! zilver!” hoort roepen. „Een armzalig!” herneemt hij, „maar misschien gelukkiger dan dat van menig rijke!” En zij: „Och kom, jonker! gelukkig en gebrek, verdiend gebrek!” Jonker! liet ze zich ontvallen, zij weet dus wie hij is, hij vraagt het haar niet, hij houdt vol dat lang niet alles goud is wat blinkt, dat niets boven genegenheid gaat! Ongeloovig slaat zij de heldere oogen op en ontmoet zijne donkere; ner gaan de hare, ner op het kleedje, dat zij onder den arm draagt, en waaruit toch geen wesp op die blankheid. was gesprongen. Eenige schreden, ietwat stilte, ze zijn de beukenlaan ten einde. „Waar gaat de weg naar toe?” vraagt hij zoo argeloos. „Wel een uur verre,” antwoordt ze ontwijkend. „Achter het dorp om?” herneemt de schalk, even onbevangen. Machteld weet niet wat zij antwoorden zal. Als ze: „neen,” zegt, „het huis langs,” hij is in staat me te gaan, en goede vrienden, bij wie ze aanwippea kan, zij heeft die in de buurt niet. Maar zij is van het land, maar ze neemt haar toevlugt tot een wervraag „Waarom dat?” Toch slaagt zij niet, toch doet zij hem er niet inloopen; tout hasard, antwoordt bij: „Ik moet ook in het bosch wezen.” Verbaasd hoe hij het doel van haren togt raden kan, gaat ze zwijgende voort; maar tot zich zelve gekomen van de verrassing, bemerkt zij, maar te goed, dat hij den kronkelweg, dien zij hem leidt, niet kent. Had hij haar beet? Zij vermoedt ja; maar waar vindt zij een voorwendsel om af te breken? Hij geeft er geen aanleiding toe. Een derde zou gezegd hebben, dat die beide bij toeval denzelfden weg gingen. Die beide? er komt geen woord over zijn lippen, waar het pad langs een optrekje loopt, en stappen zij voort, waar het zand spoor heeft, waar een heerenrijtuig hen ontmoet of inhaalt, daar is hij aan gene zijde als zij aan deze gaat; hij schijnt er van te houden in een wolk van stof te staan. Tot zoo verre dus geen zorg; maar als ze straks aan dat smalle pad komen, het holle wegje, door kreupelbosch omlommerd, zoodat men door het groen maar bijwijle den hemel ziet!... Booze vrees! zij voor, hij achter, gaat het goed, zeer goed.; het is zwoel onder dat loover, bij westewind en op den middag; maar zij heeft er geen hinder van. „En zijt ge weeze?” zegt hij zoo hartelijk, nu hij het gesprek van zelf op de wereld in den Gouden Roskam heeft gebragt, en laat er zoo natuurlijk op volgen; „hoe gelukkig ben ik nog mijne moeder te hebben.” Straks was hij zoo dom geweest, of had zich zoo dom gehouden, toen hij niet wist wat winterkoorn was; maar als zij nu een omzien stilstonden, waar zij eene hoogte hadden bereikt, hoe bleek hij in al wat het bosch betrof te huis; was hij het zelfs in de wolken niet? Uit die luwte in de frissche luchtgekomen, scheen haar het windje welkom, en opzien mogt zij immers of er onwer broeide! Het was dwaas van hem, dat hij tot haar van togt repte; maar dat die bui hen al over het hoofd was gedreven, hij had het eer gezien dan zij. Aardig, dat ze zoo overeenstemden in wat haar van zelf aantrok, in wat hij mooi noemde: die wolkendrift waar de zon op speelde, dat hooge geboomte hier en daar al geel en rood. Aardig, van licht en bruin, zoo als hij schijn en schaduw noemde, had zij nooit gehoord; maar begrijpen deed zij dat alles toch; wat zij zoo duister gevoelde, wist hij zoo duidelijk te zeggen. Luisteren als zij nu deed, zij zou het levenslang willen doen, maar de weg lag vooruit en verder wandelen zij, verder, als in een droom, een zoeten droom! Het ging wonderlijk met haar toe; wist hij dan waarlijk hare wenschen te raden? Waar het lage eikenhout een eindweegs ter wederzij ophield, waar een zoom bouwlands het afwisselde, daar had haar van verre, op het veld, wat gebloemte verrast; er naar zien, dat deed ze; maar hij die achter haar ging, hoe kon bij het zijn gewaar geworden? Onmogelijk, – had hij het gegist? Hij was ter zij gesprongen, hij had „de nagebleven korenbloem” geplukt, er stonden wat klaprozen bij, en madelieven zijn altijd, zijn overal ter hand. „Zie eens!” ze hij, haar het tuiltje overreikend, of het van zelf sprak, dat hij het voor haar had gegaerd. Weigeren? mogt ze dat? zag ze dan niet dat de rappe beweging of het driftige bukken hem aan den linkerschouder had gedeerd? Praten mogt hij, drukker dan straks, pijn voelde hij. Waarom had hij die bloemen niet laten staan waar ze stonden! weldra had ze meer reden dan thans, om dit te vragen. Eenige schreden verder en zij kwamen de huismanswoning langs; aan de deur zat een oude boer, die hem op den akker had gezien, die haar thans eerst gewaar wenl. „De duive en de havik, en dat plukt bloempjes!” grinnikte de grijskop, met een mephisto-gezigt, en blies een wolkje uit zijn kort eindje: „Kind! weet je, wat weg je gaat?” Machteld hoort het naauwelijks of zij hoort ook het wederwoord: „Dank het je graauwe haren, schavuit! dat ik je spaar!” – „Die zal je ook krijgen,” herneemt de spotzieke oude, en het paartje vervolgt zijn weg, maar niet zoo vrolijk, niet zoo gelukkig meer te moede. Van wat hij ophale, het vlot niet; en het meisje! het heeft een heelen strijd met zich zelve te slechten, om het tuiltje niet op den grond te laten glijden. Wat had hij gezegd, dat niet ieder hooren mogt; als hij het gedaan had zou zij hebben geluisterd? Toch was hij de jonker, en zij – maar Machteld! De domin! doch van het vechten was niet gerept, en „mooipraters,” hij had haar niet eens gezegd dat ze mooi was! Vrouw Waanders sprak zoo dikwijls van „vuur en stroo,” zou ze het hier ook zeggen? „We zijn in het bosch,” zoo wordt de alleenspraak van het meisje eensklaps gestoord; „mag ik nu weten waar ge wezen moet~” – „Bij Stijntje,” is het nave antwoord. – „Wie is Stijntje?” vraagt de jonker zoo golijk, al lacht hij onwillekeurig. „Een oude kennis van mijn lui, ze woont op het kleine jagershuis.” – „Daar gaat mijn weg waarlijk langs,” en weldra zijn de vijvers bereikt; maar hoe schoon de zon er in het water schijne, hij noodt haar tot rusten niet uit... Hoe, zou hij het haar hebben durven vragen, flink als ze voortstapt, waar de wind sparren en dennen zwatelen doet, door dat bosch, ’t welk slechts wat meer verscheidenheid van hout behoeft, dan louter die der naaldsoorten, om waarlijk schoon te zijn. Voort gaan ze, voort, tot waar het huisje door het geboomte te vermoeden, te onderscheiden valt, tot aan het einde van het pad, bij de leuning van den trap, die naar de woning leidt. „Dank je gezelschap, jonker!” zegt Machteld, den voet op de trede; en de schalk wuift, met de hand, roepende: „tot werziens!”

„Wat zou ik Machteld zelve gaarne zien!” roept Louise uit.

„Waarlijk?” zegt Mathilde; „en waarom?

„Gij geeft zoo getrouw wer, wat er in haar gemoed is omgegaan; maar haar gezigt laat ge in de schaduw.”

„Het blijft in de doodsverf, de lijnen zijn omgetrokken, uwe fantasie vulle aan en voltooije. Maar ik verdedig mijne wijze van vertellen, eer ik erkend heb dat uw kritiek, zoo juist als kiesch...”

„Mijne kritiek,” lacht de loge.

„Alsof in onzen tijd niet ieder recenseerde.”

„Laat mij wer luisteren, lieve! als ge niet moede zijt.”

„Moede?’ ze Mathilde; „moede? ik ben het zoo min als Machteld het was, toen zij, den trap opgewipt, voor de beide deuren stond, tot welke het bordesje toegang gaf; het huisje bleek nog in twee woningen verdeeld. Welke van deze was die van Stijntje? Machteld zou op de linksche deur den klopper zachtkens laten nervallen, als deze een klopper had; een schel is er evenmin; zij tikt, er wordt niet geopend; zij tikt luider, ook daarbij is geen baat. Het zal de regtsche zijn, denkt zij, en na driemaal herhaalde slagen, hoort ze gestommel; Stijntje komt den binnentrap af: „waart ge boven?” vraagt Machteld. Ze zou het niet gedaan hehben, als zij meer binnen was geweest; het voorhuis diende driedubbel, eerst om in te laten, dan tot stookplaats, eindelijk tot toegang naar boven, door middel van een steilen trap, die naar een smalle ladder zweemt; het kon niet, ten vierde, ook huiskamer zijn. „Kom boven, kind!” ze Stijntje, ik zal je den weg maar wijzen;” was verdolen mogelijk? Misschien in de duisternis van het tweede vertrek der twee diepe woning: Die kamer, rondom door geboomte ingesloten, was zeker even vreemd aan licht als aan lucht. „Een celletje,” denkt Machteld, al boven, de witte muren van het smalle vertrekje ziende; „een cel!” al ligt er op tafel een opengeslagen bijbel, door Stijntje zoo even ter zijde gelegd. „En toch geene cel,” want wel verre dat er heiligenbeeldjes in die zwarte lijsten aan den wand zouden hangen, zijn het wereldsche voorstellingen, gewapende lui, een prins te paard, wat niet al. Machteld verloor er weinig bij, dat het praten met Stijntje haar belette te lezen, wat er onder die prenten gedrukt stond. Het zou bij haar niet zijn opgekomen er zich over te verbazen, dat die Vader Hooft, vaandels, uitdeelende, daar zoo rustig hing tegenover een Kattenburgsch Oranjestandje; voor haar ware de aardigheid te loor gegaan, dat zoowel die prinselijke als die gemeenebestelijke heugenissen hier waarschijnlijk eene bergplaats vonden, toen op het hooge huis der heerlijkheid Lodewijk en Hortense de zaal versierden; dat zij hier sedert werden vergeten. Ook had ons meisje wat wigtigers te doen, dan naar platen te kijken; de mooije servet moest opengespeld, en aan Stijntje beduid worden, waar het kleedje wrong. „Begrepen, kind! begrepen!” ze de naaister, en Machteld ging aan het eenige kleine venster van het achterkamertje staan, terwijl Stijntje een blik op het merk der servet sloeg. „En toch wel een cel;” de meeste kloosters, van welke ons meisje gelezen had, lagen in eene schoone streek, en hadden een heerlijk uitzigt; de graauwe torens scholen in ’t geboomte; maar waar ergens kon het mooijer geweest zijn dan hier? Hoe juist hare opmerking was, geloofde zij zelve niet; uit weinige gestichten van dien aard staarde men in een verschiet als dat van dit vensterke, het gemoed door zijnen ernst eerst onwillekeurig vreeze aanjagend, om het later door zijne verhevenheid vleugelen te leenen. Een zee van groen golfde door dat uitgestrekte dal, tot in de verste verte door eene schijnbaar alom even hooge rij van heuvelen omkransd. Slechts n voorwerp brak aan den gezigteinder het uitspansel af, dat zich welfde over die door den herfst veelkleurig geworden vloed van blren, een voorwerp, in volkomen harmonie met het geheel, een naald van zoden, de Pyramide. „Stijntje! wat woont gij hier eenzaam en verlaten!” zoo geeft Machteld den eersten indruk wer. „Eenzaam en verlaten? klinkt het verbaasd; „wind en wer geven afwisseling genoeg, en God is overal met ons, kind!” daar hebt ge den tweeden. „Ik heb het ondervonden, meisje! mijn leven lang, ook in mijn laatste, zware krankte.” Stijntje schijnt er nog naauwelijks van hersteld; toen Machteld straks aan eene cel dacht, dacht ze ook aan de schim van een nonnetje. „Eenzaam, zoo als gij zeggen zoudt,” ging de vijftigjarige voort, „eenzaam lag ik hier op mijn leger, den ganschen dag, den ganschen nacht. Slechts des avonds, als buurman van het werk thuis kwam, hoorde ik hem wel eens vragen hoe ik het maakte; slechts des ochtends, eer hij naar de plaats moest, kwam hij een kruik versch water naast mijn slaapste zetten; zijn vrouw en zijn kinderen waren naar de Veluwe, daar zij vandaan is; hij is er nu ook naar toe om ze werom te halen. Hij vroeg me dag aan dag, die trouwe ziel, of ik ook wat noodig had? Soms schudde ik van neen; soms hoorde ik hem niet eens. Maar als ik bijkwam, als ik wakker werd, ik was niet eenzaam, niet verlaten; aan den wind hoorde ik welk weder het was, en God bleek niet verre; ik werd beter.” Machteld is wees, Machteld meent soms meer te hebben gedragen dan menige harer zusteren, Machteld staart met eerbied dat verwelkte gelaat aan: van zoo gedwee verloochening, van zoo groot geloof heeft ze geen begrip. Was die vrouw ooit jong geweest? had zij ooit gedroomd, zoo als zij dien morgen? – zou haar jong harte ooit als dat van die vroeg vergrijsde, niet met woorden, maar met daden toonen, getroost te zijn in wat geschieden mogt? Stijntje scheen haar aan te zien, wat er in haar gemoed omging; zonder ophef, maar ernstig sprak ze: „Verlaten, kind! dat is een verkeerd woord; niemand is verlaten dan die God verlaat; Hij verlaat nooit iemand!” Er was een oogenblik stilte, tot Machteld van het venster trad; toen vroeg Stijntje, als ware die overgang de natuurlijkste ter wereld geweest, of zij haar ook niet met iets dienen kon? „Mijn maal is al gedaan!” At het schimmetje waarlijk nog? „ik maak er niet veel werks van;” dat tuigde de haard beneden, blank of hij nooit gebruikt werd; „maar ik heb aan niets gebrek. Die goede mevrouw! wat heeft zij op buurman geknord, dat hij niet voor mij naar den docter was gegaan; maar buurman wist wel wat ik van hunne wijsheid zeg: „Gissen doet missen, kind. Van jongs af ben ik zwak geweest; daar sterft niemand aan, zet mijn moeder; daar baten geen medicijnen voor; onthouding, stilte, rust en nog eens onthouding van wat ik te zuur boeten zou, en zoo sukkelt Stijntje maar voort. Doch daar zou jij kwalijk bij varen, kind! heb je honger, zeg het gerust.” – „Ik zou wel een glas water willen,” betuigt Machteld, en het staat voor haar, al is het niet heel frisch, al ziet het wat geel; – „een celletje,” dat ook voor die weelde te wenschen overlaat; – het meisje drinkt het uit; er is eene wellevendheid des harten, waarvan men in alle standen weet! „Groet je volk en zeg, dat ik mijn best zal doen!” – „Dag, Stijntje! verder beterschap!” – „Sterkte, kind! zeg sterkte!” en onze bodinne is de trappen af, is het bosch wer in; maar van lieverlede vertragen hare voetjes, er gaat zoo veel voor haren geest om. Straks was zij zoo vrolijk; wat vreest ze nu? Hoe gelukkig was ze geweest! Gelukkig? zij voelt dat hare wangen gloeijen; is het van schaamte? Schaamte! maar wat misdeed ze dan? Die wondere magt; was zij haat te sterk? Toch niet, – want daar is hij wer aan hare slinke; maar hoe ernstig zegt ze: „Jonker! dat geeft geen pas!” – „Wat geeft geen pas, meisje!” – „Laat mij mijn weg gaan en ga gij den uwen!” – „Waarom niet zamen, Machteld! niet zamen vandaag en morgen en altijd?” Hare wangen verschieten, zij beeft blijkbaar. „Drijf geen spot met me,” klaagt ze; „wat heb ik u gedaan, dat ge mij leeds zoudt doen?” – „leed!” klinkt het uit zijn binnenste, „leed!” en hij treedt haar vlak in den weg, maar grijpt hare handen niet: „Machteld! zie mij diep in mijne donkere ongen, en zeg dan of daar bedrog in schuilt!” Meen niet dat het meisje het deed; achteruit deinsde ze: „ik ben maar een weeze, maar een dienstbare!” – „En ik ben rijk, ik ben van adel, maar ik zou mijn vermogen verwenschen en mijne geboorte, als ik daarom niet kiezen mogt wie ik wil. Luister, Machteld! laat mij uitspreken, dan zult gij, ik zeg niet ijlings toestemmen; ik wil niets bij verrassing winnen; dan zult gij den tijd bepalen, dien ge tot overleggen wenscht, maar aanhooren moet gij me; doch bedaar eerst.” En hij wijst haar met de hand een der eigenaardige rustplaatsen van het bosch, een glooijend brok hei, in schaduw van een perk, wat hellend mos onder die zware dennen; maar zij schudt neen, maar zij gaat voort. En de zelfbeheersching, die zij aan den dag legt, hij had die bij haar verwacht, maar zij streelt er hem niet minder om. „Dat ik u liefheb, Machteld!” begint hij, „dat ik u liefheb, dat wist ge van den oogenblik af, dat we zaam voor den schimmel stonden; maar hoe lief, dat weet ge niet half.” Het meisje staat er niet om stil; het is haar of ze zich voelt voortdragen. „Zoo lief, dat ik niet wensch dat gij over een maand, over een jaar mijne vrouw wordt; even vurig als ik u begeer, even weinig zou ik kunnen dulden dat een van mijns gelijken regt had u zijn mindere te achten.” Er is onder het uiten dier woorden in zijn gang naast Machteld, als in zijn gansche gedrag jegens haar, al de hoffelijkheid ooit door hem aan hooggeboren dochteren bewezen; toch hoort zij dat die fierheid, die trots, gemeend is als zijne liefde! Machteld meent haar toestand geheel en goed te overzien: – daar verrees Anneke-moei voor die ter aarde geslagen blikken, al hare dagen de teleurstelling harer eerste, harer eenige liefde betreurende; – daar dacht zij aan dat vrome Stijntje, zoo weinig van de wereld verlangende en toch tevreden –: „eene dienstbare,” klaagt zij zoo bitter; „eene dienstbare” laat zij er verloochenend bijna bedaard op volgen: „het gaat niet.” Anders hij: „die dienstbaarheid zal morgen uit hebben, als ge mij vertrouwt, – dat onderscheid van stand zal worden opgelieven, als ge mij vertrouwt; – al de ontwikkeling van geest en gemoed, die wij heeten bij u voor te hebben, is binnen uw bereik, als ge mij vertrouwt. Machteld! nog eens, zie mij in mijne donkere oogen: uwe heldere zijn niet eerlijker; ik meen het goed.” Het aanvallig hoofdje heft zich een weinig op; hij vleit zich, hij juicht, – te vroeg! De blaauwe oogen wer neerslaande, vraagt zij zoo zachtkens: „en uwe moeder, jonker!” – „Machteld!” herneemt hij, „ik zeg nog eens, als ge mij vertrouwt,” en hij vaart niet voort, hij verbeidt; toch komt er geen woord over hare lippen. Haar zwijgen, zoo waardig, hoe pijnlijk valt het hem! „Laat mij mijn weg gaan,” hoort hij haar snikken. – „Mijne moeder is de beste, de braafste vrouw, maar zij draagt het harte hoog; als ik u zoo als mijne bruid aan haar voorstelde, ze zou mij niet gelooven; als ge anders zult zijn, ze zal mijne keus zegenen.” Het meisje wischt de tranen niet af, die langs hare wangen vloeijen: „Anders,” kermt zij, „anders, als ik eens niet anders werd!” – „Ge zijt al wat ik wensch,” valt hij hartstogtelijk uit, „mijne uitverkorene! wat u ontbreekt, zou er u niet toe maken, als gij het nu niet reeds waart. Maar de wereld, de maatschappij, mijne moeder, zij eischen honderd dingen, waaraan het geluk niet hangt en wier gemis ik toch niet zou kunnen dulden dat men u verweet!” Ze blijft nerzien. „Wantrouwen! ge mogt, ge moest het mij doen, als ik om mijne keuze mijn karakter prijs gaf; als ik me minder man toonde, die niet maar voor een dag, die levenslang met u gelukkig wil zijn! Machteld! als ge mij lief hebt, zie op!”

En Mathilde, die het laatste tooneel voor zich uitstarende heeft geschetst, de schoof in de regte bewegende, tot deze soms melodisch ruischte, Mathilde ziet Louise eensklaps in het gezigt en vraagt haar:

„Wat zoudt gij hebben gedaan?”

„Ik geloof...” hoe bloost het aarzelende kind.

„Dat!...”

„Ik zou hebben opgezien.”

„Dank voor dat woord; ik deed dus den jonker regt! Zet u een oogenblik met mij ner, Louise! een gezigt als wij hier genieten, bood het bosch, waarin wij het paar achterlaten, niet aan.”

Voor de bank, onder een beuk geplaatst, wiens donker looverdak van vruchtknoppen glinstert, glooit de gele weg, schier zonder zweem van kronkeling, ner; om in de diepte van het dal, onder het frissche groen van akkermaalshout te verdwijnen. Hoe laag de bedding ligt, moogt ge daarnaar afmeten, dat zulk krenpelgewas aan den voet het pad overschauwt. Tegen u over komt het zand langs de helling van den anderen heuvel wer te voorschijn, om, op zijne beurt, het bosch, dat dezen siert, in te voeren. Het schoone dier plek is nog maar ten halve geschilderd. Aan deze zijde wiegelen zich de kroonen van het naaldenhout op de kruinen dier schier heerschers over meer verschiet” dan de landzaat „eigen erf” heeten mag; aan gene, daar beneden is ruimte, afwisseling, leven binnen uw bereik. Het zou waar zijn als ge valkenoogen hadt. Er kronkelt een stroom door de landouwen die gij ontwaart, doch op zulk een afstand, dat de zeilen, door het koeltje op zijne golven gevuld, uw oog ontsnappen; slechts het vonkelend schitteren verkondigt u den vloed. Weide bij weide en bouwland bij bouwland wisselen af in de breedte die deze heuvelen van hem scheidt; maar eerst digter, eerst zeer digte bij, begint het forsche rund zich voor u op dat frissehe groen te bewegen, en ziet ge aan de flikkering, dat het glimpend kouter den grond snijdt. Wat weelde zou het zijn, wat, lust, dien wedloop van dat paar vrije, dartele rossen g te slaan, als zij, naauwelijks bespeurd, niet omzwenkten, niet wer wegstoven in die dunne, blaauwe diepte, waaruit gij ze straks aanstuiven zaagt. Er rolt een rijtuig over den weg, die de laagste neerhelling der hoogte, op welke gij u bevindt, omzoomt, maar ge hoort het gedruisch van zijne raderen niet: ongestoord heerscht de stilte om u heen.

Mathilde vermeidt zich in dat schouwspel; Louise fluistert: „Bleven zij nog lang in het bosch?”

„Ondeugende!” heft Mathilde den wijsvinger op; „wij vinden Machteld wer in een groot maar gezellig huis, in den schoot van een vrolijk gezin; al heeft de rector van het Gymnasium in het afgelegen stadje zeven dochters, voor hem zijn ze geen slagregen, zoo als het spreekwoord dien zegen schetst. Vrees ook niet voor den walm der stoven, die in de huiskamer met drie ramen zullen staan. Als de meisjes, als het onze er gebruik van maakten, zouden er acht, neen, negen moeten zijn; want der degelijke moeder zoudt gij, Louise! immers geen geslepen kooltje weigeren? Wees echter gerust; zoo breed een kring voer ik u niet binnen; die eene stoof, en vier of vijf voetbankjes reiken toe. Van de zeven dochters zijn er vier al gehuwd! meent ge; geplaatst, zeg ik u; de rector gelooft, dat ook onze maatschappij der vrouw een werkkring aanbiedt; dat ook in haar meer dan een weg tot onafhankelijkheid voert, en heeft dat geloof met de daad beleefd. Alles, alles waar zij lust in hadden, mogten die meisjes leeren; twee van deze hebben ieder een instituut; de derde is schilderes; slechts de vierde is gehuwd, is het gelukkig, dewijl zij in waarheid kiezen kon en niet maar nemen moest. Er zijn dus slechts drie dochters meer in de ouderlijke woning; de beide jongste, ontluikende, schalke deernen; de oudste, Pauline, een persoontje, waarvan ge geen werga vindt. Louter zorg, louter liefde voor de oude lui, die haar de vreugde van hun huis hebben dank te weten, springt zij met de overige wereld om zoo als haar humor het haar ingeeft, en weet toch goede vrienden te blijven met wie zij een blaauwe scheen liet loopen, en heeft een goede daad te meer gedaan, als gij gelooft, dat zij een gril heeft bot gevierd. Slechts Pauline verstaat het, voor papa de meerschuimen pijp te stoppen; vast en echter niet al „te;” slechts Pauline mag voor mama het kussen schudden, ter siesta; Pauline zit voor bij het toilet harer aankomende zusjes, en allerliefst zien deze er uit; de moedwillige Pauline, die u in gezelschap geene dwaasheid. ten goede houdt, en u toch dwingt me te lagchen als gij ergst door hare plaagzucht wordt megenomen. Om den wille van het vriendelijke gezigtje vergeeft gij die ondeugende oogen, welke overigens, als zij willen, volkomen in staat zijn hun pleit alleen te winnen. Machteld weet het bij ervaring n hoe scherp ze zien, n hoe tevens al die schittering wegsmelten kan in tranen, als zij diep medegevoelt, als ze deernis heeft! Of zij deze op dit oogenblik met ons meisje hebben zou, dat zoo driftig het groote pak, straks voor haar bezorgd, op hare kamer alleen openmaakt? dat dien brief, binnen in bovenop gelegd, dien langen brief zoo hartstogtelijk leest en overleest? mais il n’y aurait pas de quoi. Of Machteld niet blijde is, dat Pauline geene der gewaarwordingen ziet, welke, bij al die betuigingen van dat welkom blaadje papier, in haar gemoed afwisselen? Louise! gij hebt ook zulke brieven ontvangen; ge zoudt niet hebben gedoogd, dat men er u bij over den schouder zag! Maar nu deze ten derden male is doorgeloopen en nog eens ingegluurd, maar nu zij een ander heel halfvel openvouwt, met hanenpooten en menschenbeenen bekrabbeld, nu mogen wij het gerust doen. „Witvoetje!” zoo begint die epistel, „Witvoetje! dat zal gaan als een schoenborstel, daar in zeven jaar geen smeer in is geweest; wat is het stil in de Roskam, sinds ge weg zijt gegaan. Volks genoeg, kind! ’s morgens vroeg en ’s avonds laat, maar wat ik hoor, mijn lijster niet! Pietje is gekomen, geen kwaad meisje, och, neen; maar van zes zinnen gesproken, als het schaap er vier heeft, dan loopt een van die vier nog dwalen. De baas, die alwer naar den stal gaat; het was noodig, kind! broodnoodig, ik wist waarlijk niet waar de haver bleef!” Een groote vlak, en de zin loopt niet af; vrouw Waanders werd in het schrijven gestoord, en overlezen wat ze geschreven had., waar ze gebleven was, daar deed ze niet aan. Wat lager vervolgde zij: „Een man een man, een woord een woord, zegt de baas altoos, en ik zeg er op, zoo als ge wel weet, Witvoetje! dat is even goed van een vrouw gezegd, en dan lacht hij mij uit; maar als ik je niet op de hand beloofd had, dat ik schrijven zou, dit kattebelletje ging in de voddenmand en ik kwelde mijn stijve vingers niet meer. Maar ge woudt weten hoe het in de Roskam gaat; best, kind! best; Wouter ziet goed uit zijn oogen bij wat in den stal voorvalt, bij de meisjes minder; ach, dat Pietje! „Wie was toch die Machteld?” vraagt ze keer op keer, „daar hier alles den mond vol van heeft?” En daarin heeft ze gelijk, aan vragers naar jou geen gebrek. Ook die leelijke krullekop is er geweest; maar hij mag tien flesschen leeg drinken, mij pompt hij niet uit.” Het vel papier is vol; met die groote karakters geen wonder! en tusschen het schrijven dezer eerste zijde en de tweede zijn zeker vier dagen verloopen. „Wouter brengt Pietje weg: voor de laatste keer, hoop ik, want de baas ligt te bedde; als een jonger hand de Roskam niet gaauw aangrijpt, dan is het met de Gouden gedaan, dan wordt zij de verroeste! Dat zal wer een boel wezen in dien stal. Och, kind! dat je hier hadt willen blijven; maar het was je niet opgelegd, anders hadt gij het moeten dragen, Machteld! Het ga je er niet minder goed om; aan Anneke-moei hebt gij het verdiend! Van Wouter en Pietje kan ik je niet groeten, van de baas wel en van harte, al zegt hij: „een mensch kan niet klappen wat hij niet weet; zeg me maar niet waar ze is.” Die goede man! hij hoeft mij niet te leeren: mondje digt! Witvoetje! God zij met je.” En als alle vrouwenepistels, is ook deze niet zonder postcriptum. „Hierin een brief van den domin, die zou zoo graag weten waar je was. Groet die aardige jufvrouw van me.”

„En dien brief van domin, mogen wij hem ook over den schouder inzien?” vraagt Louise.

„Gij zijt „die aardige jufvrouw,” gij zijt Pauline niet,” herneemt de vrouw des kasteels.

„Maar, Mathilde!...” en Louise houdt schroomvallig op.

„Wat is het, lieve?”

„Gij hebt me met Machteld wel bij den rector gebragt, doch hoe zij er kwam?...

„Als ook gij het een verteller niet gunt, ter afwisseling nu eens deze dan wer gene zijde van zijn onderwerp aan te grijpen; als het van stukje tot beetje moet gaan, Louise! dan doe ik een beroep op uw geheugen; herinnert gij u nog, dat ik „van Eerdt” heb genoemd?”

„Zoo’n knappe jurist!”

„Leve zulk een memorie!” roept Mathilda verbaasd; „van Eerdt was bij het duel tusschen Rogier, – de naam des jonkers dient toch eindelijk genoemd – en dien krullekop. De jurist had dezen die dienst niet willen weigeren, – van de vier overigen hadden er drie zich verontschuldigd onder allerlei voorwendsels, – van Eerdt stond hem bij, ofschoon hij meer dan een van deze het gedrag des aanranders afkeurde. „Het zou u beter voegen schuld te belijden,” had hij tot den krullekop gezegd, „dan misschien...” – „Zoo’n vaart zal het niet loopen,” was deze ingevallen, „een vuistslag eet men niet op.” Alsof het vergrijp werd goedgemaakt door de handigheid met den degen; maar ik vergeet, Louise! dat gij de bruid zijt van een kavallerieofficier, die het duel een noodzakelijk kwaad acht, die niet zou willen weigeren als hij werd uitgedaagd. Van Eerdt was er dus bij; moet ik ook vertellen hoe de schampscheuten werden toegebragt! Spaar me, lieve! het zou aan het licht komen, dat ik nooit een floret hanteerde. Ook zoudt ge minder aan die details hebben, dan aan de mededeeling, dat de jurist na den afloop, na de verzoening mag ik niet zeggen, ongezocht gelegenheid vond Rogier te doen begrijpen, dat hij den krullekop loopen liet. „Dat verwachtte ik, Bert!” was het antwoord. En of nu Rogier, bij zijn later omdolen in de buurt van de Gouden Roskam, door Bert was ontmoet, of dat deze eerst de vertrouwde des jonkers werd na het tooneeltje in het bosch; faut il mettre les points sur les i? au moins non pour vous, ma chere! Genoeg, de jongelui, die goede kennissen waren geweest, wenrden vrienden; ware vrienden; mannen hebben niet alleen andere begrippen van eer dan wij, mannen deelen ook anders dan wij elkaer hunne geheimen mede. Bert wist hoe Rogier lief had; Bert geloofde aan zijne goede trouw; Bert schreef aan Pauline! Zie mij zoo vreemd niet aan, lieve! de goede rector mag bij zijn zeven clochters toch wel een zoon hebben, en Bert moet er in uwe schatting bij winnen, dat hij zulk eene zuster wist te waarderen. Het toeval wilde, – zonder dat is immers geene vertelling denkbaar? – het toeval wilde dat Pauline in de buurt logerde; als de elders gevestigde zusters bij beurt een deel harer vacantie ten huize der ouders doorbragten, vloog zij er wel eens uit. „Ik dacht, dat de tijd der wonderen voorbij was,” luidde haar kenschetsend briefje, „per keerende post,” als de schalke schreef, „verzonden; – maar ik moet zien met mijn eigen oogen.” En de heeren beraadslaagden, wanneer zij komen zou, en Rogier ontwierp een plan, waar de ontmoeting zon plaats grijpen; daar kreeg Bert eene uitnoodiging om dien dag bij eene familie zijner kennis te komen eten; zijne zuster zou er ook zijn: Machteld was gewogen, zonder dat ze het vermoedde, zonder dat de heeren er bij waren geweest. „Een meisje om de wereld me uit te loopen,” ze de ondeugd tot Bert, „als men maar wist, waar men er dan me zou aanlanden;” „veel te goed van geloof,” heette het tot Rogier; „maar als de oude lu er niet tegen hebben, zal ze eens mijn onderwijs eere aandoen, – in het zwaaijen van den pantoffel!” Wat mevrouw van Eerdt hare toestemming geven deed, wat den rector overhaalde, Louise! vertellers weten alles, maar zoo verre ben ik in de kunst nog niet gevorderd; doch wat de domin had kunnen zien, als hij minder vlijtig had gestudeerd, dat zal ik u mededeelen. Het was dat vrouw Waanders zich op zekeren zaturdagavond met het voorschoot het gezigt afwischte, toen zij het portier digtdeed van een rijtuig, waarin twee dames de Gouden Roskam verlieten, eene van welke met haar mantille nog niet regt weg wist. Wilt gij nu zelve voltooijen wat maar aangelegd is, Louise! of wilt gij het den domin laten doen? Gluur dan nog eens over den schouder van ons meisje: „Vcrgeten kan ik u niet,” schrijft hij haar, „al ware het misschien beter voor mij, dat ik het konde. De hospita zegt, dat ge slechts zijt heengegaan, om geen last meer te hebben van allerlei jongelui, – ook van den man waarvoor ik u zoo ernstig waarschuwde!” Maar als Machteld dien brief zoo zaamfrommelt, dan heeft ons lezen uit. Gelukkig dat zij hem wer gladstrijkt, dat zij de volgende bladzijde toch inziet, toch doorloopt: „Hier ging het niet aan, de gemeente zou er zich nooit in hebben geschikt; maar een beroep is zoo goed als binnen het bereik van wie u deze regelen schrijft; deel mij mede waar ik u spreken kan, dat alles zich opheldere!” Arme jongen! daar komt de zedemeester wer boven; de bespiegelingen nemen geen einde; Machteld vouwt den brief zamen en sluit dien weg, maar niet bij den eerst opengebrokene; die gaat bij zijne voorgangers in eene bijzondere lade; daar glijdt hij onder het blaauwe lint, dat voor de vele haast niet meer toereikt. En nu de boeken eens ingekeken? neen, nog eerst den brief van Rogier wer uit de lade genomen en wer gelezen; slechts dan is het eindelijk der boeken beurt. Het zijn dichters, hollandsche dichters; dat ze wisten waar Rogier hier een viooltje, daar een vergeet-mij-nietje heeft gelegd: het zou hun beter dan eenige beoordeeling aanwijzen waar hun harte sprak, waar zij niet maar verzen maakten. En Machtelds voorhoofd fronst zich een oogenblik: die gedroogde bloemen herinneren haar niet alleen Rogier, zij doen het haar ook deze liefhebberij zijner moeder. Zijne moeder! – „Foei!” zegt zij in zich zelve; en uit het pak komt een doos met verrassingen voor de aankomende dochters van den rector aan het licht, en een roman, dien Machteld nog niet gelezen heeft, „een mooije roman,” schrijft Rogier, „maar uit de zestiende eeuw; in de negentiende zou hij anders afloopen;” het is: Een Leydsch Student. Hoe opregt moet hij het meenen, die geen bezwaar ziet haar in gezelschap van Francijntje te brengen! De doos, den roman, de dichtbundels, wat niet al onder den arm, gaat het de tuinkamer in, waar mevrouw van Eerdt in den gemakkelijken leuningstoel zit; waar de meisjes haar thema’s maken, die Machteld ’s avonds inziet, als ze met Pauline wel wat laat opblijft, – om te studeren. Deze, de plaagster, heeft in de verste vensterbank plaats genomen, en als mama en de meisjes de doos verrast en verrukt uitpakken, zegt zij tot Machteld: „Bert komt met kerstijd jagen, en raad eens wie me komt?” – „Wouter!” herneemt Machteld, en heeft haar doel bereikt; Pauline proest het uit; zij zag het paartje bruid en brugom, „poesmooi en stokstijf!” ”

Louise lacht me; „maar laat ons voortwandelen,” zegt Mathilde, men zal thuis gelooven, dat wij verdwaald zijn.”

„Op eigen erf!”

„Alsof dat niet gebeuren kon in de dubbele beteekenis! Aarzele ik toch welken weg te kiezen: dien door het bosch, of dien door het bouwland?”

„Neem welken ge wilt,” zegt Louise, „mits ik Machtelds historie ten einde hoore.”

„Dan gaan wij het pad door de akkers, lieve! ik geef het uwe schranderheid te gissen waarom. Gij weet nu hoe Machteld bij den rector kwam; gij weet ook hoe zij het er had.; de eenige wolk, die nog voor hare zonne dreef, heeft hare schaduw straks een omzien voor u verzwaard; als mevrouw de baronesse niet in het verschiet opdoemde, was zij allergelukkigst. Welk een weelde dagelijks te vorderen in die vormen der beschaving, welke van geen veranderen weten, omdat zij oorsprong nemen uit eischen van hoofd of harte, allen menschen in alle tijden gemeen. Het kostte haar weinig moeite, het ging schier van zelf. En de ontwikkeling der gaven, welke haar mogten zijn bedeeld! Er was gelegenheid wat talen, wat muziek betreft, zich der studin van de jongere zusters aan te sluiten, en die in te halen en met deze te vorderen; aan de piano waagde Machteld zich niet, maar de zangmeester van de beide orgelkeeltjes, had hij ooit eene altstem als die onzer lijster gehoord! O! de grappige danslessen, welke Pauline haar gaf, op den afgelegensten zolder der woning, tot zij het wagen dorst beneden, met die dartele deerntjes, meer dan een flikkertje te slaan. Blokken? maar blokte zij dan waarlijk? werd elke inspanning niet dubbel beloond door de gedachte aan hem, door wien zij zich zag toeknikken, als zij de grammaire eindelijk digtdeed; door wien zij zich hoorde toejuichen, als zij zoo geduldig schalen zong! En de lectuur, dat omgaan, zoo als zij het noemde, met de besten onzer in hunne beste oogenblikken, ’t geen haar telkens meer overtuigde, dat het waarlijk goede en groote niet tot, dezen of genen kring is beperkt, dat het in iederen stand wordt gevonden en gewaardeerd, dat wij allemaal niet slechts maar menschen, dat wij allemaal ook menshen zijn! Hoe vlogen die avonden om, daar Pauline papa wist te bepraten, en het spoedig niet meer behoefde te doen, er zijn hombrepartij in de societeit aan te geven. Doceren, dat deed de goede man sinds tal van jaren ochtend aan ochtend zijne gymnasiasten: „kwajongens drillen,” ze hij, „welk een baantje!” Hoe zeer moeten meisjes, moeten vrouwen het betere deel van het menschelijk geslacht zijn, Louise! het geduld van den rector schoot voor zijn dameskringetje nooit te kort! Wat had die vergeten, die in dat stadje zoo weinig gevierde man een studie, een kennis!”

„En kersmis kwam?” vraagt Louise.

„Een wenk, eene waarschuwing,” zegt Mathilde; „de kritiek wil bedrijf en geene beschouwing; maar die kersmis springen wij over, kind! Als het niet te veel van uwe verbeelding gevergd is, dan verplaatst gij u eensklaps in Brussel; Machteld doet er hare entre, niet op een kostschool, niet eens op een instituut, neen, bij eene jonge dame, die ducaties acheveert, die met hare lves soires houdt en op soires gaat: le monde, mais en miniature. Er stonden tranen in de oogen van ons meisje, toen Pauline, die er haar had gebragt, afscheid nam, toen zij weg was gegaan! Daar voelde Machteld een kleine hand in de hare; daar hoorde zij in het hollandsch zoo hartelijk zeggen: „Wij zijn halve landgenooten.” En opziende werd zij een oostersch gezigtje gewaar; de zwarte oogen schitterden niet, de zijden wimpers omhuifden die mewarig: „We zullen heele vriendinnen worden,” was het wederwoord des gemoeds. Java en Holland kusten elkar, – het zou Adrienne even onmogelijk zijn geweest, die beweging te bedwingen, als Machteld haar niet te beantwoorden. Wat kon de Directrice de l’etablissement er tegen hebben, si les demoiselles le desiraient absolument, der beide meisjes eene groote slaapkamer te gewen; het was anders geen gebruik, chacune avait ses appartements. Ach! die arme Adrienne had lang genoeg alleen haar verlaten lot, beurtelings in dat salonnetje en in die petite chambre dormir betreurd; sedert haar voogd haar voor een half jaar te Brussel had gebragt, was er geen ziel naar haar komen omzien. Luttel betrekkingen had de halve weeze; die weinige, dachten zij wel ooit aan haar, de vroeg ontlokene, naar hoofd en harte haren leeftijd vooruit? Haar vader, ambtenaar in Oost-Indi, was aan het einde van zijn verlof naar Java teruggekeerd; Adrienne zag sinds weken vergeefs een brief van hem te gemoet. Was hij op de terugreize ongesteld geworden? had hij haar eerst uit het binnenland willen schrijven, hoe het hem ging, nu hij alleen, geheel alleen was! Adrienne had behoefte die vragen telkens te doen, telkens te hooren beantwoorden; les demoiselies la trouvaient assommante avec ses inquitudes! Assommante? dat, bruine, levendige, bevallige kind, met hare geregelde en toch zoo bewegelijke gelaatstrekken! Assommante? die hevig-driftige aard, haast zoo volkomen onder het bedwang harer rede; een heldere hemel, waaruit maar zelden, doch dan ook vreeselijk vlammend, een bliksemstraal het vuur verried, waarvan hij zwaar ging! Assommante? dat meisje, dat slechts behoefde te hooren om te begrijpen, om het geziene, het gedachte in de gelukkigste uitdrukkingeen wer te geven? Assommante? die alleraardigste, allergeestigste mimiek? Machteld oordeelde anders, en hoe Machteld er voor werd beloond! Het ware weinig geweest zoo het alleen tot voltooijing harer studin had bijgedragen; Adrienne bragt orde in wat Pauline wel weelderig, maar bijwijle in het wilde had laten opschieten. Het deed haar in die wereld van schier louter vormen, in die schittering van enkel schijn, een harte winnen, dat naar genegenheid dorstte, zoo als Adrienne’s geboortegrond het, trots al zijn zegen, vaak naar lafenis doet: een vloed van gouden stralen, voor eene vlaag verfrisschend vocht!”

„Zie, Louise! zie,” breekt Mathilde eensklaps hare vertelling af, niet om der loge de rogge te wijzen, haast zoo hoog opgeschoten als de dames, die er langs wandelen; de oudste nog altijd door den strooiien hoed gedekt, de jongste het parasolletje op, maar het matelotje nu in de hand. Ook niet om haar opmerkzaam te maken hoe heerlijk de boekweit bloeit; dat doet het koeltje wel, dat er over suizelt en er toch niet van scheidt; de gansche streek geurt! Al wat de gastvrouw wenscht, het is den blik harer vriendin naar dien heuvel te rigten: uit de groep van geboomte, die dezen omlommert, schiet schilderachtig een torentje naar boven; het draagt den windwijzer van hare woning. Woning, schrijven we; huizinge geeft grootscher gedachte, kasteel zeggen de landlieden, kies welk ge wilt, de nieuwe bouw heeft op alle drie die benamingen regt. Woning is dat verblijf voor alle saizoenen; niet witgepleistetd, neen, uit roode klinkers met tusschengevoegde bentheimer steenen opzetrokken; woning in den zin van het huiselijkste, het geriefelijkste, het gezelligste eigen dak ter wereld; eene woning, nergens zoo groot, dat gij er u in verliest, nergens zoo eng dat gij wenschen zoudt hare muren uit te zetten. Huizinge, ook, want zij geeft gelegenheid meer gasten vertrekken aan te wijzen, dan de bewoners voor een genoeglijken kring toereikend achten; huizinge, want daar ginds, achter die wuivende gordijn van blren, schuilen koetshuis en stallen binnen het bereik van het fluitje op het voorplein. Kasteel? tevens, al heeft het niet wat in dat gewest eene ridderzaal heeft en toch maar eene verzameling van middelmatige schilderijen is, in bonte wanorde bijeengegaard, sedert een der voorzaten van het geslacht, die het bewoont, afgezant was bij eene naburige mogendheid en zich de beste portretten uit den hoop door hare toenmalige majesteiten zag vereeren. Kasteel? evenzeer, schoon het niet als een overoud in die buurt op eene bovenverdieping bogen mag in zaal herschapen; allerliefste zaal, de grond met smaak ingelegd, wanden en zoldering met smaak in gekleurd stucco, style Louis XV, doch waarin Flora uit de eene nis, Andromeda in de andere toeroept: „Dochter van Cassiope! wat doet ge hier!” Kasteel? ten derden male, ja! maar zoo als men er zich in de negentiende eeuw een wenscht, sans pont levis, sans tourelles, doch overal licht en lucht; in de hooge en heldere vestibule een marnieren borstbeeld, dat des dichters, die het verleden van het gewest de onsterfelijkheid gaf, die zijn schoon voor alle tijden schetste; wie anders op deze villa dan Staring? Hoe hare witte wanden den blik boeijen door de voorstellingen a fresco geschilderd, voorstellingen uit zijne verzen: Eleonora hier, Arnoud daar; Portier’s Jan zoo min vergeten als de Kermis in ter Borg; tooneelen uit de Bultenaars aan de overzijde, Huib op Sint Nicolaas regts, het mooije meisje uit de Biecht links; de gansche historie van Jaromir in humoristische arabesken geestig gedacht!

„Zie,” zegt Mathilde, die intusschen aan niets van dit alles denkt, – die niet eens denkt aan wat er mij bij regenachtig weder soms uren lang zoo aangenaam bezig houdt: het vertrek met geldersche echte oudheden, gesneden hout, gedreven zilver, geslepen glas, wapenrustingen en zegelbrieven uit Hertog Karels en Maarten van Rossums tijd; – Mathilde wordt haar te huis gewaar, zij groet in gedachte gade en kroost.

„We zijn niet verdwaald,” lacht Louise; „maar, „Machteld...”

„Zoo luister, lieve! Voor het Htel de Flandre, – nog altijd te Brussel, – nemen twee dames plaats in eene voiture de remise; de knecht in liverei, die haar vergezelt, springt op den bok en de koetsier naast hem herhaalt: „C’est qa, quartier Leopold, rue...” het laatste ontgaat der dames, want de wielen rollen voort. Er valt des ondanks in het rijtuig te praten, en de vrouw van rijpen leeftijd, die aan de hooger band zit, zegt tot hare gezelschapsjuffer: „leen mij een oogenblik uw visiteboekje, Elise!” – „Mevrouw!” zegt deze verwonderd. – „Zou ik geen oude jonge jufvrouw kunnen zijn?” herneemt schertsende de dame met zilverwitte haren, die de bleeke schrale wangen zoo zacht aanvullen; Elise treedt de gulden twintig pas in! Stil houdt het rijtuig, stil voor het etablissement waarin wij Adrienne ontmoetten; en al is het kaartje dat eener volslagen onbekende, de deur der salle de reception gaat er niet minder om open. De oude vrouw verlangt Jufrouw ter Loo te zien, – het is Machtelds Van, Louise! ik moet oppassen duidelijk te zijn. – „Desole, Mademoiseile! mais c’est impossible.” – „Impossible!” en het anders gladde voorhoofd, fronst zich ongeduldig; er is teleurstelling in die bruine oogen, een zweem van wantrouwen zelfs om den mond. Hoe deze wijkt, terwijl la jeune dame de l’tablissement de verlangde opheldering geeft; hoe deze niet in een glimlach overgaat, maar in ontsteltenis verkeert. „Dans une maison de sant?” vraagt de oude vrouw verschrikt, „elle est donc bien malade?” – „Pardon, c’est son amie qui se trouvait indispose, et le medecin de l’etablissement heeft aangeraden...” – „Uw huis te verlaten? ah! je comprends,” valt zij, die Madlle ter Loo dacht te ontmoeten, schier sarcastisch in, „en wie is die arme vriendin?” Thans houd ik den Van voor mij, Louise! het mogt verwarring geven. – „Adrienne,” zegt de oude vrouw, den haar meegedeelden nanm herhalende, „Adrienne! maar ik geloof...” – De dame van het tablissement vraagt natuurlijk niet wat deze gelooft; ze verschikt iets aan haar kleed; daar verzoekt de vrouw met zilveren haren na eene wijle peinzens om het adres der Maison de Sant.Veuillez me permettre de vous donner deuz mots d’introduction,” en de dame schrijft. „Glissez y quo c’est pour voir Adrienne,” bedenkt zich onze vermeende Elise; de ware zit nog altijd in de voiture. „Vous ne seriez pas admise” klinkt het over het keurig schrijfgereedschap. – „Elle est donc trs malade!” – „La rougeole, helas!” – „Mettez pour Mlle ter Loo.” „C’est fait, mademoiselle.” En de portier van het etablissement heeft den koetsier niet te zeggen in welke straat de dames nu moeten zijn; „La Maison de Sant, c’est connu.” Arme Machteld! hoe die statelijk daar zittende vrouw van jaren, eene vorstinne schier door de waardigheid waarmee zij even oprijst, haar bij het binnentreden der kamer van het hoofd tot de voeten meet; haar met dien helderen blik vorschend gadeslaat! De eerste indruk schijnt intusschen een gunstige; de woorden der kennismaking behoef ik u niet te herhalen, Louise! die dame is min of meer met Adrienne geparenteerd. Toevallig in Brussel zijnde wilde zij haar bezoeken; zij heeft haar vader gekend lang voor hij zich in de Oost msallieerde; zij vernam dat het meisje ziek is; hoe gaat het haar? „Beter,” zegt Machteld blijde, zonderling genoeg, niet enkel dewijl de herstelling van de javaansche haar inderdaad hartelijk verheugt, ook om het allengs wijken van wie weet welken schrik, die haar bij dit bezoek beving, die haar straks bij dat „mesallieerde” wer door de leden liep. „En gij hebt haar zoo trouw bijgestaan, hoor ik?” – „We waren vriendinnen geworden; zou ik haar alleen laten in den nood?” – „Hoe lang is het geleden dat zij ongesteld werd?” en die allengs toeschietelijker vrouw van jaren speelt de belangstelling zoo goed, dat Machteld het opkomen der koorts vertelt, voor drie weken, – het bedenkelijk gezigt des doctors, de raad van dezen, Adrienne liever nog dienzelfden dag naar de Maison de Sant te vervoeren; „men kon nooit weten wat het worden zou.” – „Dsole,” had het geklonken van de gladde lippen der dame de l’tablissement; „dsole, mademoiselle! mais vous y serez mieuz!” – „Seule!” kreet Adrienne, „j’y mourrai seule!” en Machteld trilt, trilt nu zij den kreet weergeeft. „Ik ga me,” zeide ik; „dat troostte haar, dat overtrof hare verwachting, het goede kind heeft van ziek zijn zulk een natuurlijk afgrijzen.” – „Barmhartige Samaritane!” roept het harte dier oude getroffen; – „wist ge dan wat het worden zou?” laat het hoofd er vorschend op volgen. „En was dat een reden om haar alleen te laten?” beschaamt Machteld de grijze; „hare verwanten zagen niet naar haar om; haar vader was zoo verre! Hoe zij in de koorts om een brief had!” Schier straf volgt de vraag: „Wat ze de doctor?” – „Hij sprak van mazelen, mejufvrouw!” – „Hij vreesde voor pokken,” beweert de grijze. „De directrice deed. het,” stemt Machteld toe; „het werd roodvonk.” Onwillekeurig deinst de oude vrouw achteruit. „ Wees gerust,” zegt Machteld., „u zoudt mij niet hebben gesproken, als de besmettingsperiode niet voorbij was!” – „Zoo oud,” bestraft de verschrikte zich zelve, een nog zenuwachtig om een zweem van gevaar, terwijl gij u aan mazelen, roodvonk, pokken waagt; Machteld! dacht ge dan niet aan Rogier?” – „Zoo, is het toch waar!” gilt het meisje; „ge zijt zijne moeder! is hij!...” – „Creature of impulse,” roept de oude vrouw in hare moedertaal, „ze zal flaauw vallen,” en hare hand is aan de schel. „Maar neen,” zegt Machteld, zich herstellende, „als hij ziek was, ge zoudt niet hier zijn; als hij...; ge zijt zijne moeder;” en zij ziet die bruine oogen drijven en wil zich neerwerpen aan den voet dier trots al hare statelijkheid bevende oude vrouw. „Geef mij de hand,” snikt deze, „en met de hand het harte; het mijne hebt ge!”

„En verdiende het,” juicht Louise.

„Toen mevrouw wer in het rijtuig zat,” vaart Mathilde langzaam voort, „wist de gezelschapsjuffer niet wat het beduidde, dat de baronnesse gedurig in zich zelve de woorden van Wordsworth herhoolde: „de minste bloem kan gedachten wekken, te diep voor tranen!” ”

En nu, een hoek des wegs om, de boerderij langs, wier bloeijende heesters de lucht in balsem verkeeren; een duiventil voor de deur, een dreumis op den drempel, die naar de vogels zou zien, als hij geen bijtje in de buurt hoorde; daar is het pad, ’t welk naar het kasteel opslingert; daar is eene weide.

„Louise! de schimmel! die met de manen wuifde, – in het goud der avondzon, – onder het digte lindenloover;” Mathilde kan het naauwelijks uitbrengen: en haar verraste, eensklaps alles doorziende vriendin, ze wordt het getrouwe dier gewaar, dat den kop al over het hek legt, Mathilde verbeidende.

„En de jonker is er ook, die vertrouwen vroeg en verwierf en verdiende!” wordt er gefluisterd van onder de wiegeling des strooijen hoeds.

Een alleraardigsten knaap aan de hand, een lief meisje op den schouder, springt de heer des huizes haar te gemoet, en begrijpt eerst waarom die beide vrouwen elkar omarmen, als Mathilde hem zegt: „Ik heb Louise eene historie verteld; – uw broer Reinier! had er zijn aanstaande geen woord van meegedeeld; – maar Pauline, die morgen komt, zou het mij niet vergeven, als mijn zuster niet wist...”

„Wie mijn veldbloem is,” kust haar Reinier – die geen Rogier heet, – het blozend gezigt, en neemt het grasbouquet, dat boven, – voor het venster met geen minder panorama dan een goed deel der vlakke, vruchtbare Betuwe, – dat er op het bronzen voetstuk in de krystallen vaas heerlijk prijken zal, – toch niet half zoo heerlijk als zijne veldbloem, die liefst aan dat tafeltje zit.

1864.