E. J. POTGIETER (1808-1875)

ONDER WEG IN DEN REGEN.

Regen, regen, regen,
Regen, anders niet.

NICOLAAS BEETS.

Het rijtuigje reed de brug over – het wachthuis langs – het Haagsche Bosch in; wat had ik er bij gewonnen? Afwisseling van verschijnselen, voorzeker! hoe de regen dien laten herfstdag kwelde. In plaats van straten, enge of ruime, beide om het zeerst druipende van vocht, en smalle of breede stoepen, en hooge of lage vensters, ter wederzijde alles even glibberig, had ik voor eene wijle een verschiet van wazig groen. Hoe ik de glazen van de portieren der vigilante, langs welke de druppels beurtelings dreven of dwarrelden, afveegde! Oef, welk eene onaangename gewaarwording aan de vingertoppen; de doek was doorweekt eer de poging baatte. Toch beproefde ik haar op nieuw; toch tuurde ik regts en links; maar bleek ginds de schildwacht voor den telkens wederkeerenden en toch niet trefbaren aanvaller schuil gegaan, hier hief geen hert de horens op in de graauwe lucht; – daar dreven de tenten, uitspanningstenten, heetten zij! – in de niet langer omlommerde dreven weg, weg met den drassen, met den doorweekten grond. Somber zat ik voor mij te zien, en voort draafde de rosinante nog een poos: de zweep had dien dag duchtig dienst gedaan. Was zij nu ter zijde gelegd? wist het arme dier, dat zijn armer meester den verweerden mantel digt over de schouders had getrokken? De sukkeldraf werd stap; maar wie zag ons ook! Wie anders, wie meer, dan stilstaande, niet eens suizelende, slechts druipende boomen? Vaal was de hemel, zoo als hij den ganschen morgen en middag was geweest, vaal zonder eenige verscheidenheid, niet dreigende in het noorden, niet opklarende in het zuiden, met wolkendrift noch wolkenheir: vaalheid overal, tot in het bosch, tot over de afgevallen bladen toe. Er is iets bonts in dat bruine van den grond, als uwe voeten het dorrend loover doen kraken en ruischen; maar waar het zwart wordt, doorsijpeld van de trage, doch onophoudelijk vernieuwde droppels; waar geen afgedwaalde zonnestraal, ook maar voor een omzien, het vocht in vonkeling verkeert, wiens blik lokt het daar uit! Slechts als de wind er over vaart, slechts als de storm het opjaagt, boeit het door zijne zwerfzucht; van twijg en tak gescheurd of gezweept, blijkt het nog heugenis te von van de dagen zijner weelde, zoo lang het zich beweegt; stillekens n wordende, schier n geworden met de aarde, heeft de pozij des vervals uit! De eene keer des wegs voor, de andere keer des wegs na, ze gaven vista bij vista bloot; maar wat gluurde ik die in, of een eekhoorn van dezen op genen boom wipte, of een woudduif omvloog? Al wat ik hoorde was het eentoonig gesuis en getik van den regen; al wat ik zag waren stammen, naakte, roerlooze, walgelijk bleek-groene stammen; iets ziekelijks, iets kwijnends, iets vochts; zoo de beuken het bleekst van allen bleken, ook de eiken hadden de kleur der kracht niet meer; het werd mij zoo somber te moede, dat ik er mij niet over zou hebben verbaasd, ware alles weggeschemerd!

„Voortrijden?” zoo dacht me, vroeg de koetsier; we waren op de hoogte van het Huis in het Bosch.

„Toch niet!” riep ik met meer drifts dan vereischt werd; maar den indruk, door eene wandeling naar Wassenaar in den voorzomer, bij mij achtergelaten, wilde ik tot geen prijs zien uitgewischt. Alleen de tegenstelling was reeds genot. O wildzang, dien ik, in vroegeren ochtendstond, aan den zoom des vijvers het oor leende, wat waart gij een welluidend voorspel van de weelde diens dags! Opgerezen toen de zode er te zonnig werd, doolde ik om door de dreven, van welke de dichter zoo innig waar getuigde, dat het „in ’t groen zoo duyster is, en in den duyster zoo groen!” Eindelijk het zoete mijmeren mo, was ik het Bosch uitgegaan; hoe de geneugten elkander op den grooten weg afwisselden; hoe louter de namen der buitens, die ik langs ging, allerlei herinneringen verlevendigden, tot de pozij des verledens met die van het heerlijk heden zamensmolt! Op den bewassen bouwval in het gulden verschiet, daar stonden, de frissche lucht insnuivende door de opgesperde neusgaten, daar stonden, de schoone slanke lijnen scherp uitkomende tegen het wolkenloos azuur, daar stonden een paar flinke rossen op den heuvel, die weleer de burgt der Wassenaren droeg! En toen het eene, de ooren spitsende, westwaarts staarde, en de koelte de manen van het andere naar het oosten joeg, daar het den kop in die rigting beurde, toen droomde ik van den schal des horens uit de verte, van de wapperende vaan die voor Hollands oudsten edele de zilveren maan in het veld van keel zoo hoog heffen mogt!

„Naar Scheveningen, mijnheer?”

„Neen, vriend! naar de spoor;” – erger u niet aan de volksuitdrukking, ware ik purist als gij, ik zou: „naar de station!” hebben gezegd; maar ik had het onhollandsche woord toch leelijk gevonden. „Naar de spoor,” het regende nog altoos, het regende, regende, als in het liedje van den dichter, – louter water. Hoe kwam de man op den dollen inval mij in zulk een weder naar Scheveningen te brengen? Hij had mij dien morgen botvangende bij menig goeden bekende, den halven Haag rondgereden: geloofde hij inderdaad, dat ik den heelen „moest doen” Schevenigen er in begrepen? Scheveningen, dat wil zeggen, Sorgvliet voorbij, waar de schim van Cats mij met een zondvloed van zedelessen bedreigde, over de nuttigheid van den regen: mij, die mijmerend morren dorst! „Naar de spoor,” en voort ging het, langs den zoom van het Bosch; het paard vermeidde zich in het verschiet van stal; doch wie meenen mogt dat ik, die er geen „hoe eer hoe liever” bij had gevoegd, zonder rid door het Willemspark vrijging, hij kent den haagschen koetsier niet. Daar waren wij bij de beruchte ellips, daar lag de steen des aanstoots, en terwijl de vigilante het eirond beschreef, klonk het mij toe: „het monument!” – „Dank je,” mompelde ik; „ik heb er genoeg van,” ’t geen bij een paar heeren, die er op stonden te turen, echter niet het geval scheen te zijn; ze deden het van onder nagasakies, het is waar; waren het japanezen? En, het ging het Noord-Einde in, Willem de Eerste te paard langs, aardiger aan te zien, in zulk weder altoos, dan het peinzende standbeeld, dat u met zijn opgehewen wijsvinger schijnt toe te roepen: luister, het regent nog! – eindelijk de eindelooze Wagenstraten uit; we waren aan het spoor. Veel te vroeg, een heel vierde uurs, dr eene halve eeuwigheid! of weet gij een plek ter wereld, waar de verveling meer kans heeft u beet te krijgen, dan op zeven van de acht stations ten onzent, als het regent? „Waar storm of lot hem joeg” mag ik den „Bataaf” niet nazeggen; immers mijne uitstapjes in den vreemde waren vrijwillige, maar op mijne verste togten heb ik nergens iets onhuiselijkers aangetroffen, dan de wachtkamers in ons land der huiselijkheid. Die voor de derde klasse zijn hokken, waarin de wilde beesten worden opgesloten. Die voor de tweede zijn meestal een onbeschrijfelijk middelding tusschen een koffijhuis en een adreskantoor, – om u heen wemelt de wand van aanbevelingen van herbergen, hotels, logementen; wat u in deze wacht, moogt ge bij benadering afmeten naar het schraal voorzien buffet in den hoek, dat eene lofrede houdt op onze soberbeid. Die voor de eerste klasse geven een juiste gedachte van den zin der uitdrukkingen: shabby genteel en poor puff; er moge, geen arsenicum schuilen in het donkergroen der behangsels, aartsmelancholie voelt zich in die stilte te huis! En den de lectuur, u in deze vertrekken aangeboden! Op de tafels liggen eenige dagbladen, stichtelijke of afschaffende, de voortbrengsels van de halve en kwart goden eener journalistiek, van wier heele ik waarlijk geloof dat zij het publiek voor onnoozel aanzien, zooveel onbeduidendheden laten zij drukken. Maar de tijdschriften, meent ge. Alsof ik ongevoelig zou zijn voor het genot, door Economist of Volksvlijt beloofd, van welke meestal eenige bladen zijn afgescheurd!

De trein van Rotterdam was in het gezigt, de trein was er; de industrie is de pozij onzes tijds; zij verwezenlijkt de stoutste droomen van vroeger verbeelding. „Hier is plaats, mijnheer!” set de wachter, doodbedaard; en inderdaad plaats was er, de wagen bleek ledig. Als het niet had geregene, ik zou een anderen hebben opgezocht, als de lange rij niet tegelijk had geglommen en gedropen, ik zou heen en wer zijn gewandeld van klasse tot klasse, tot mij, om het even in welke, een paar gezigten hadden aangetrokken; ge vondt mij straks lastig; ge weet niet dat hoezeer ik het moge zijn, ik toch nog gezelliger ben. Echter, bij weder als dat van dien najaarsnsmiddag, weder, waarin de levendigste mijner landgenooten naar vogels zwemen, die den kop in de veeren steken, deftig als deze, maar ook somber en stil als zij; echter in regen als dien, driemalen liever de eenzaamheid, dan den jammer van een beproefd maar mislukt gesprek. Eenzaamheid? doch als wij elkander ooit onder weg hadden ontmoet en ge geen lust hadt gevoeld de kennis aan te knoopen, – het heet gedistingueerd! – ge zoudt gezien hebben, dat ik nooit langer alleen ben dan het mij lust. Door het duin en in de hei, in de; schoonste streken als in de misdeeldste, op iederen inheemschen spoorweg als op de tallooze van den vreemde, valt het zoo ligt zich te waarborgen tegen de kwaal, die ik, trots mijn uitval op onze wachtkamers, maar bij naam ken, tegen de ergste kwelling in dit korte tijdelijke: den tijd traag te vinden. Er schuilt zelden veel andere waarde in mijn koffer dan letterkundige, maar van deze biedt hij altijd overvloed en keur aan. En al zal mijn uitstap slechts n dag duren, eer ik den voet op de trede zet, voel ik niet eerst naar mijn beurs, voel ik eerst naar het boek, dat ik mij beloofde mede te zullen nemen: waar uw schat is daar is uw harte. Weinig sympathie voor de middeleeuwen, de vriendschap had, regt toen ze mij het gebrek naauwelijks ten goede kon houden; zou het zijn toe te schrijven aan de vreeselijke voorstelling, die ik mij van eene wereld make, waarin luttel te lezen viel? Groote geesten hebben aan zich zelve genoeg, beweert men; maar al was zulk eene gave voor het wenschen veil, ik weet niet of ik er wel om vroeg. Laat het eene zwakheid zijn, dat mijne gedachten soms niet willen opschieten; wat is het een zoetheid, te mogen, te kunnen, te willen kiezen uit de weelderigste hoven om ons heen! Welk een voorregt, zoo gestemd te zijn, dat wij die maar hebben in te gaan, om te worden geboeid of gestreeld, verrast of verrukt! Waarlijk, het gulden midden is ook op het gebied van den geest het gelukkigst!l – Wij waren de laan van Nieuw-Oosteinde langs gestoven eer ik er aan eens uit te zien naar het Kleine Loo, mij door menige heugenis uit lang verleden lief; ik was in eene andere, in de nieuwe wereld, ik was in eene vorige eeuw verplaatst. Of het u welgevallig mogt zijn, dit ook met zoo snellen overgang te doen, als mij gewoonte is geworden; zie hier, wat ik had zitten lezen, wat ik voortlas in het dunne boekske, dat voor allen titel het woordeke: „Pansie” droeg:


„Doctor Dolliver,”’ – een eenvoudig begin behoeft geen toelichting, – „doctor Dolliver, een waardig man uit overouden tijd, vond zich, op een vroegen zomermorgen, wel wat al te vroeg gewekt door de kreten van het kleine kind Pansie, dat, in eene belendende kamer, om oude Martha riep, de huishoudster van den doctor, keuken- en kindermeid, tevens, die het ongeduldig juffertje kleeden moest. Haast wakker geschrikt, sloeg de oude heer, die zich naauwelijks den tijd, gunde tot zijn zinnen te komen, de gordijn van verbleekt moor, welke voor zijn ouderwetsch ledekant hing, driftig ter zijde, en stak het hoofd in een vloed van zonnestralen, die hem deden knipoogen en ijlings wer verdwijnen. Toch had die voorbijgaande verschijning van den goeden Dr. Dolliver volstaan om een wollen slaapmuts te laten zien, voor franje met wat wuivende vlokken zilverwit haar omgewen, en die slechts ter helfte het voorhoofd van een mager taankleurig gezigt verborg, waarop, in allerlei rimpels, kris en kras, een verhaal van ’s mans lang leven bleek geboekt; dat echter, hoe getrouw ook bijgehouden, tevens, zoo onleesbaar was geschreven, alsof Vader Tijd waarlijk aan handjicht leed. Was het voor zoo oud een man nog wel de moeite waard het bed uit te komen, en zijne zaamkrimpende schaduw in dien zonneschijn te wagen, eigenlijk voor jonger luidjes bestemd? Hoe de doctor u die vraag euvel zou hebben geduid, opgewekt als hij zich gevoelde om den last van nog vier en twintig uren levens bij den looden te voegen dien hij reeds droeg, door de betrekkelijke gemakkelijkheid waarmede hem heden de anders zoo moeijelijke pogingen gelukten de stramme leden in beweging te zetten, te vaak door de rust en den slaap, die ze buigzaam had moeten maken, nog meer verstijfd; hij stond op zijn koten eer hij het wist. Ook ontzonk hem het hart niet bij het vooruitzigt van al den arbeid voor scheren en wasschen en kleeden vereischt; een reinigen en tooijen, dat voor een oud heer iets ondragelijk vervelends wordt, als hij het dag aan dag, vijftig, zestig, zeventig jaren lang zich heeft getroost, en hij het aan het einde evenmin verzuimen mag als in het begin. Doctor Dolliver wist zich die opgewektbeid, dien lust en die kracht zelf niet te verklaren; tot hij zich herinnerde, dat hij den avond te voren de proef had genomen met eene teuge van zekere hartsterking, voor vele jaren door zijn kleinzoon gereed gemaakt, en in een verzegelde flesch al dien tijd in het zelfde donkere kamertje bewaard met een heelen hoop kruiden, door den dood van dien begaafden man, te vergeefs verzameld.

„Het kan mij goed hebben gedaan,” dacht de doctor, met het hoofd knikkende, terwijl hij het weder van de peluw ophief. „Het is mogelijk, want die arme Cornelis wist door zijne gevaarlijke brouwsels soms heel wat te weeg te brengen. Toch wil ik het er liever voor houden, dat het Gods genade is, die om Pansie’s wille, mijn ouden dag wer wat heeft gesterkt.”

Eene rheumatische aandoening, eeen scheut van zijn ouden vijand,” die hem teisterde, terwijl hij den voet uit het bed sette, bewees hem, dat hij zich niet te seer vleijen mogt, zelfa ddn dag verschoond. te zullen blijven van het bezoek dier pijnen en kwalen, voor hem van onbescheiden indringers allengs in gemeenzame kennissen verkeerd, en die thans tot de trouwste behoorden, welke de oude man ter wereld nog had. Echter verbeeldde hij zich, dat de neep niet zoo nijdig was geweest, als die van gieter; bovendien, nadat hij hem een omzien duchtig zeer had gedaan, ging de aanval in eene trilling over, die in haar verzwakken haast iets streelends kreeg. Wat is pijn anders dan plezier, slechts wat al te sterk aangezet? Behoedzaam in al zijne bewegingen, doch echter niet meer dan maar een paar malen steenende, bragt de goede doctor het eindelijk uit bed bed op den vloer; toen stond bij eene wijle stil, van het eene stuk huisraad op het andere starende, alles even ouderwetsch. Het waren stoelen met rakelingsche ruggen, die in de Mei-bloem overkwamen, – een kabinet van eikenhout, waarin allerlei gedaanten van nooit geziene dieren en kransen van loover als nimmer ergens groende waren gesneden; – een tafel met tal van pooten; – een geslachtsboom op een uitgebleekten merkdoek achter glas in een lijst gezet; – een plank die boog onder het wigt van boeken in chagrijn gebonden, – en – in een donkeren hoek eindelijk, eene menigte van potjes en fleschjes, alles behalve oogelijk aan te zien. Van deze naar gene blikkend, hield hij de regterhand ten steun aan een der stijlen van het groote ledekant; het ging zoo gaauw niet, zijn traag brein op de hoogte te brengen der werkelijkheid, die hem omringde. Het voorwerp, dat het meeste bijdroeg om doctor Dolliver volkomen te doen ontwaken, wat iets zoo vreemds, dat men bij den eersten blik geneigd zou zijn geweest te gelooven, dat hij het, zoo als het daar stond, uit zijne droomen had megebragt. Dezelfde vloed van zonnestralen, die den doctor tusschen de bedgordijnen had verblind, schitterde thans op het vevaarlijk verguldsel, ’t geen dit geheimzinnig symbool eens had versierd : bij het volle licht zag men dat het een vervaarlijk groote slang die zich om een houten stijl slingerde en van des vertreks tot de zoldering toe reikte.

Het was blijkbaar een voorwerp dat er zich op te goed mogt doen niet van gister te zijn; het was zoo overoud, dat de houtworm zijn oogen had uitgegeten en de punt van zijn staart afgeknaagd; ook leed het geen twijfel dat het aan allerlei wind en wer was blootgesteld geweest, want een soort van grijs mos overschaduwde ten deele den verbleekten gouden glans; en een zwaluw of een andere gezellige vogel scheen, in wie weet meer welken zomer, zijn nest te hebben gebouwd in den gapenden, overdreven grooten bek. Het geleek een soort van Manicheschen afgod die misschien eene eeeuw lang op een voetstuk had gestaan, in de open lucht de hulde der aanbidders ontvangende, tot die goddeloozen van onder de menschen werden uitgedelgd, met uitzondering van den ouden Dr. Dolliver, die het monster in zijne slaapkamer had opgerigt om er ongestoord de knie voor te buigen. Maar het niet onvergefelijk van ons, ten koste van onzen eerbiedwaardigen vriend, zulker phantasie zelfs een oogwenk voet te gunnen, terwijl wij weten dat hij een zoo vroom, zoo opregt Christen was, als ooit uit Puriteinsch bloed werd geboren; evenmin als de vaderen in zijnen aard iets had van de slang? Alle scherts dus ter zijde, en geen geheimzinnigheid meer over de eenvoudigste zaak ter wereld; dit bestoven en half verrot kruipend gedierte was het medisch embleem of apothekers uithangbord van den beroemden Dr. Swinnerton, die in New-England onder de eerste volkplanters practiseerde, toen een borstbeeld van Aesculaap of Hippocrates den zielen der regtzinnigen, als te heidensch, een gruwel zo u zijn geweest. De oude artsenijmenger had daarom eene beeldtenis van de Koperen Slang vnor zijne deur geplaatst, en, onder dit devies der Schrift ontleend, jaren lang goede zaken gedaan; tot Dr. Dolliver, de loopjongen, de leerling, en later de ootmoedige vriend van den geleerden, maar grijzen Swinnerton, door den uitersten wil van dezen, zoowel de symbolische slang, als velerlei, in wereldschen zin meer waarde hebbend, goed had geerfd.

Onze oude man droeg zorg, terwijl hij zijn onderkleederen aantrok, op den houten vloer, door geen tapijt bedekt, de plek te kiezen, door helderen zonneschijn begunstigd. De zomerwarmte had voor zijn gestel iets verkwikkends, en toch deed, zij hem huiveren: het was of zijn bevrozen aderen er zich in verlustigden, schoon het levend bloed in deze tintelde van eene half pijnlijke, half maar prettige kitteling. Gedurende de eerste oogenblikken, nadat hij uit het bed was gekropen, hield hij het zonnige venster den rug toe, en scheen hij zelfs geheimzinnig schuw derwaarts om te zien; maar toen de Junij-hitte hem allengs meer en meer doordrong, greep hij eensklaps moed en staarde hij op het kerkhof, aan welks hoek hij woonde. Daar lag menige oude kennis, die ter ruste was gegaan, met den geur van Dr. Dollivers tincturen of poeders op de tong; de laatste bittere smaak dezer wereld voor den patient, misschien gedoemd in de volgende eene walgelijke heugenis te blijven. Gister, al de kilte van zijn eenzamen ouden dag ten prooi, gister had de doctor vervracht zijne vermoeide leden weldra bij die sluimerende gemeente te zullen uitstrekken, en zou hij om zijn zelfswille van dat verschiet waarlijk niet, zijn teruggedeinsd, als bij, in zijne mijmering, de kwalen van zijn tegenwoordigen toestand niet had overgebragt in zijne voorstelling van de ruste des naderenden; hem kwelde de gedachte hoe nadeelig de vochtige aarde, onder dat gras en die paardebloemen, op zijn hoest en zijn rheumatismus zou werken. Maar heden, het viel niet to loochenen, heden had het vrolijk zonnelicht, of de teug der hartsterking van zijn kleinzoon, bij het naar bed gaan doorgeslikt, of de grillige kracht, die soms zoo oneerbiediglijk in oude lieden vaart, een onbevrozen droppel jeugds, die nog hier of daar in hem had gescholen, in volle vaart gezet.”

Een schril gefluit, – een schok – en: „Leiden, Leiden, Leiden!” klonk het langs den trein; het boekske viel mij uit de hand en mijn blik zocht door het druipend portierglas gewaar te worden, wie in de wachtkamers verbeidden. Half beneveld als mijn uitzigt een oogenblik bleef, half betooverd als ik was door de beeldtenis, die wij straks zamen aanstaarden, zag ik in mijn droom naar een paar dier pelgrims om, welke, als ge weet, voor eeuwen ten onzent herbergzaamheid vonden; die Amsterdam hadden verlaten om in Leiden hunne tente ner te slaan. „Wij zagen ons door de armoede als door een gewapend man overvallen, maar daar wij zorg droegen ons woord in eere te houden, en wij ons ieder in zijn beroep naauwgezet en ijverig kweten, kwamen wij in welvsrenden staat, groeiden op in de gunst en de genade van den geest van God en leefden onder elkander in vrede en liefde en heiligheid!” Als de woorden u als mij uit Bancroft heugen, ge zult mijne begoocheling begrijpelijk vinden; maar ner ging het glas en het was met haar gedaan. Niet geheel; zoo ge een omzien onvoorzigtig genoeg zijt der verbeelding den teugel te vieren, moogt gij inkorten zoo gaauw ge kunt; eene wijle sleept zij u nog voort. Ik zocht bekende gezigten in den drom, die zich van onder dat lage afdak naar de hoofdstad spoedde; ik geloofde er van verre te ontwaren, die ik gaarne tegenover mij had zien plaats nemen; ijdele waan! Wat zouden zij er uit doen in zulk een wer! Deze zat zoo genoegelijk, zoo gelukkig te werken, terwijl zijne allerliefste een stuk van Beethoven speelde; hoe ik hem beurtelings schrijven en staren zag! – gene had in zijn groot gezin een kleine wereld om zich heen, de benijdenswaardigste van alle! – wat zouden zij er in zulk een weder uit doen? Toch geloof ik, dat de laatste gekomen zou zijn, als hij geweten had, hoe eenzaam ik daar mijmerde; maar had ik dan het boekske, dat van het kussen was gegleden, niet reeds wer opgevat; was ik met Dr. Dolliver waarlijk alleen? –


Hm! hm!” ze de doctor, hopende dat een enkel kuchje het met de keel, die tien jaren lang door hoest was gekeeld, wel klaren zou; „ik ben er nog niet zoo erg aan toe, als ik dacht. Maar heb ik niet heel verstandige lu gekend, die, als zij een beetje op hun dagen kwamen, of er anders een schroef aan hen los was, stierven uit louter flaauwhartigheid, stierven lang voor hun tijd?”

Hij knikte zijn zilveren hoofd in den spiegel eens toe, als wilde hij die wijze les der afschaduwing zijner persoonlijkheid inprenten; ten minste wat van hem afhing, besloot hij moed te grijpen om zoo lang mogelijk te leven, al zou hij het alleen doen om den wille der kleine Pansie, die evenzeer aan het eene uiterste des menschelijken levens stond, als haar overgrootvader aan het andere. Dit kind van drie jaren beheerschte en bezielde al wat aan het harte des goeden Dr. Dollivers nog onversteend was gebleven. Alles, waar hij vroeger belang in had gesteld, was hem sinds lang onverschillig geworden; allen die hij lief had, allen die hem eens dierbaar waren geweest, zij bleken, hoevele jaren reeds geleden, al voor goed heengegaan, en de arme dtoctor konde hen slechts niet volgen, dewijl de zachte druk van Pansies vingertjes hem werhield.

En dies duwde hij een groot zilveren horlogie in het zakje van den korten broek en trok een ouderwetsche ochtendjapon aan, die naar een bedelaarsdeken zweemde. Oorspronkelijk had deze, zoo, zeide men, uit de bebloemde voorpanden van zijn eigen bruiloftsvest bestaan, en uit den zijden rok, door zijne vrouw op hun trouwdag gedragen; twee verbleekte glories, door de oudste zijner kleindochters uit eene lade van het eikenhouten kabinet te voorschijn gehaald, nadat Bessie, de liefste zijner jeugd, al eene halve eeuw in den Heer had gerust. In den langen loop der jaren was dat kleedingstuk op menige plaats gesleten, maar de meisjes uit het gezin van den ouden man haddnu bij beurte blijken van hare handigheid en genegenheid gegeven, door er den eenen lap voor, den anderen lap na op te stikken; in het eerst rooskleurige, scharlaken, blaauwe, paarsche en zeegroene lappen, en vervolgens, als de hoop de vrijsters begaf, en de schaduw zich over haar gemoed verzwaarde, en heur kleeding al stemmiger werd, lappen van de kleuren van den ernst, bruine en grijze, tot eindelijk groote stukken zwarte stof, tot lappen van rouwgoed toe. Ten leste had de doctor dien huisjapon, als deze over een stoel hing, maar aan te zien, om alles wat hem wervaren was wer voor zijn geest te doen komen. Erger versleten dan de mouwen nu bleken, waren zij echter nooit geweest; maar de vingers, die deze zoo willig zouden hebben versteld, ze waren verstijfd, ze waren koad. Wat baatte het der jurk, dat zij een oosterschen geur had, een lucht van droogerijen, sterk riekende kruiden, velerlei geur en specerij? dank te weten aan de talrijke krachtige middelen, die de oude man in dat gewaad van tijd tot tijd bereidde en daar wel eens over spilde? Luttel voorwaar, wat zij er bij won, was, dat gij, haar van verre riekende, Dr. Dolliver voor een mummie hieldt, en door zijn ingekrompen en zaamgerimpeld gelaat naauwelijks van dien waan genezen werdt, als hij eindelijk tot digt bij u was voortgekropen.

Gewikkeld in dien welriekenden en veelkleurigen rok, na hij zijn stok ter hand en schreed vrij vlug naar het bordes van den trap. Daar deze ietwat steil en slecht verlicht was, ging hij dien behoedzaam af, de linkerhand aan de leuning houdende, en met zijn stok in de regter zich vooruit verzekerende, dat de opgeheven voet vasten grond zou vinden; eene levende bevestiging van de juistheid der Schrift, waar deze van de ouden van dagen spreekt, „als bang voor wat hoog is”, – eene waarheid, die andere dan naar het uitwendige opgevat, vaak dieper en droever zin beeft. Halverwege naar beneden gestrompeld, hoorde de doctor echter de oogeduldige en gebiedende kreten van Pansie, prinses Pansie, als ze in die huishouding had mogen heeten, die tegelijk om grootvader en om ontbijt riep. Het opontbod spoorde hem aan tot zoo gevaarlijken spoed, dat zijne hielen van de trappen gleden, en de pantoffels aan zijne voeten ontslipten; slechts door versnelde vaart kon hij zich voor een val behoeden en kwam haast rennende beneden.

„Wees mijne arme oude beenen genadig!” riep de doctor in zich zelven uit; het was hem of ze op vijftig plaatsen waren gebroken. „Ze kunnen niet heel zijn gebleven; het harte klopt me in de keel, of het er uit wippen wil! En toch, niet gedeerd, toch geen een gebroken. Zie, zie, de Voorzienigheid is mij gunstiger dan ik verdien, ik, die den steilen trap afhuppel, als ware ik een geitje van een maand of drie.”

Hij bukte zich, hoe stijf het ook ging, om zijn verloren pantoffels op te rapen, en den stok, die hem ontvallen was; terwijl Pansie, die het gedruisch, waagwe haar overgrootvader naar beneden was gekomen, had gehoord, tegen de deur der kamer, in welke zij zouden ontbijten, tikte en bonsde, zoo hard zij kon, om hem te moet te kunnen gaan. De doctor had niets haastigers te doen dan de kruk om te draaijen, en daar stond zij voor hem, een bleek wicht met wel wat groote oogen min of meer vreemd van voorkomen; waarover men zich niet had te verwonderen, als men bedacht, dat het een moederloos kind was, een vreugdeloos huis bewonend, met geen andere speelnooten dan een afgeleefd oud man en een katje, dat geen aangenamer dampkring binnenshuis had, dan den reuk van vermuffende artsenijen, geen prettiger buurt om in rond te wippen, dan die van het kerkhof uit de vensters te zien, en van ’t welt al bare bloedverwanten, te beginnen met hare overgrootmoeder, haar lagen toe te roepen: „Pansie! Pansie! ’t is slapenstijd!” zelfs in al den gloor van een zomermorgen. Want die doode vrouwenschaar, vooral hare moeder en de gansche reeks van tantes en oudtantes, die nooit in den huwelijkenstaat waren getreden, moesten zich wel over het kind bekommeren, wetende hoe veel veiliger de kleine Pansie zou zijn onder een groene zode, waarover wat paardebloemen wuifden, dan alleen achtergebleven als zij weldra wezen moest, in deze moeitevolle en bedriegelijke wereld.

En echter, al bloeide er niets dat naar roode rozen zweemde op hare wangen, echter scheen zij een gezond kind, en toonde zij zeker groote gaven voor vlugheid van beweging, in de dartelende sprongen, met welke zij haren eerbiedwaardigen voorzaat welkom heette. Zij kraaide hare tevredenheid uit; zij deed dit naar gewoonte, en, dewijl zij nooit toehoorders had fijn genoeg van gehoor om dit gegier te temperen, zoo luide, dat zelfs de verstramde ooren van den doctor er van dreigden te scheuren.

„Pansie, liefste!” ze Dr. Dolliver opgeruimd, terwijl hij hare bruine lokken met zijne bevende vingers glad streek, „je springlust schijnt, op dezen mooijen morgen, in je arme oude grootvader gevaren. Weet je, kindlief! dat ik bijna mijn nek heb gebroken, van de trappen rollende, omdat je stemmetje zoo’n haast had? Wat zou je gedaan hebben, Pansie! als dat was gebeurd?”

„Ik zou grootvader gekust hebben, tot hij wer beter werd,” antwoordde het kind, zich herinnerende, welk geneesmiddel de doctor plagt aan te wenden, als zij was nergetuimeld of nergebonsd. „Het zal grootvadertje goed doen,” ze ze, hem hare lipjes toestekende.

„Lievertje! je hebt meer vertrouwen in je geneesmiddeltjes dan ik ooit in alle planten en kruiden heb gehad” hernam de patriarch met een hartelijken lach, verrast en verheugd tevens over de vaardigheid van zijn werwoord. „Maar het kusje doet mijn oud, zwak harte inderdaad goed, Pansie! al zou het voor een gebroken nek weinig hebben gebaat; geef grootvader er dus nog een paar, en laat ons gaan ontbijten.”

In die vrolijke stemming plaatsten zij zich aan tafel grootvader en Pansie naast elkar, en het poesje, zoo als spoedig bleet, de derde van het gezelschap. In het eerst lief dat diertje slechts zijn veelkleurigen kop uit den schoot van Pansie kijken; het lepte melk uit het schoteltje van de kleine, en deze viel het niet in daarom zuur te zien. Toen sprong het op den schouder van den ouden man, snorde als een spinnewiel, zette de klaauwtjes in de watten waarme zijn japon was gevoerd, en gaf weldra met nog grooter nadruk blijk van zijne tegenwoordigheid, door met een van zijne fluweelen pootjes, een opgewarmd kiekenboutje, dat van gister was overgebleven, op weg naar den mond des doctors te onderscheppen. Toen het den buit beet had, wipte het op de tafel ner en begon zich bek en pootjes te wasschen. Blijkbaar verkeerde dat drietal op den vertrouwelijksten voet, waarin niets verwonderlijks stak, daar een heele drom kinderlijke neigingen allengs wer den weg in het gemoed van den eenvoudigen ouden man wist te vinden; zoozeer zelfs, dat, indien noch wereldsche behoeften, noch pijnlijke kwalen hem bij beurte hadden gekweld, hij het overschot van zijn leven even gaarne, even goedkoop, even genoegelijk zou hebben gesmaakt, als poes en Pansie het hunnen speeltijd deden. De oude Dr. Dolliver en zijne achterkleindochter – het woord alleen was zwaar genoeg om de tengere gestalte van Pansie te doen bezwijken, – zij hadden elkander aan de beide uitersten van den levenscirkel ontmoet: haar ochtendrood gaf glans aan zijne avondschemering, daar het zijne zilveren haren en hare bruine lokken met dezelfde tinten van flikkerend licht opluisterde.”


Gthe is er borg voor, „dat katten van heksen weten;” maar, de tooverkracht, op mij door dit schetsje uitgeoefend, school in het poesje niet. Door de blaauwe wolkjes van mijn cigaar heen, zag ik Pansie en den paai, – het peuzelen was aardig, het praten nog aardiger; – zonderling, hoe digter de rook werd, hoe duidelijker de groep uitkwam. Ik meende Pansie een handje toe te steken... hoe ik terugschrikte! wat raakte ik aan? Iets hards, iets beenigs! – De dorre vingers van Dr. Dolliver, meent ge? – Geen schepping der verbeelding, zeg ik u; geene schim, – er zat iemand met mij, er zat iemand over mij in den wagen. Onmogelijk, dacht ik een oogenblik, onmogelijk; al hadden wij stil gestaan aan Piet Gijsenbrug, daar was het portier niet geopend; ik herinnerde mij zoo volkomen, dat ik mijn cigaar naar beneden had gehouden, toen de wachter langs kwam. Onmogelijk! – maar al scheen de twijfel dus veroorloofd, die twijfel bleek eene dwaasheid: ik verbeeldde mij dat ik hoorde kugchen, ik zag stellig een mager man voor me, die bij Pansie’s grootvader betrekkelijk jong heeten mogt, slechts betrekkelijk altoos, want hij was al aan de verkeerde zijde van de vijftig.

Geen honderdste van den tijd, dien ik behoefde om u mijne verrassing begrip te geven, werd er vereischt om hem gewaar te worden, en een gebaar te maken, als wilde ik mijne cigaar wegwerpen.

„Het zou mij deren zoo ik u stoorde,” hoorde ik in het engelsch zeggen: „ik plagt gaarne te rooken,” en de hand van den verpligtenden vreemdeling zweefde al tusschen het glas van het portier en mijne kole vuurs.

Mijn koker was te voorschijn gehaald; „mag ik er u een aanbieden?”

„Ik plagt te rooken,” heb ik gezegd;” – er speelde een weemoedig glimlachje om den fijngevormden mond, door een nog donkeren knevel overschaduwd; – „thans dank ik u.”

„Gij hoesttet zoo even; het hindert u dus toch?”

„Illusie, daar ben ik boven,” klonk het, en opziende naar eene waarschuwing in dien wagen, in vier talen, en in iedere van deze even welsprekend uitgedrukt, liet hij er op volgen: „wat baten wetten met de zeden in strijd!”

Het was eene beleefde vergolijking van mijn vergrijp; hij zag onze zwakke zijde, hij had er geduld me; verbaast het u, dat die heuschheid mij voor den man innam? Er was meer dat dit deed: niet enkel de bescheidenheid, die zich zoo even hield of haar mijne verwarring ontging, ook het hooge breede voorhoofd bragt eene aanbeveling mede.

„Als gij ons voor de eerste maal bezoekt, dan treft gij het met het weder ongelukkig;” zijn regenjas glansde mij toe.

„Dat zoudt ge niet gezegd hebben,” was het antwoord, „zoo ge mij straks een uur lang onder den drop van een wilg hadt zien staan, een van uw eigenaardige knotwilgen die zoo mismoedig mijmeren aan den zoom van eene even eigenaardig kabbelende vaart. Ik draag er een indruk door mee als de helderste dag mij niet zou hebben gegeven, een sprekend beeld van de gave, uw volk in hooge mate bedeeld. Niet dat er iets opwekkelijks school in het suizelen der tengere twijgen langs mijn gezigt, als de wind haar zweepte naar den romp, waaraan zij ontsproten, frischheid auit kwijning geboren; ook ben, ik niet genoeg schilder om de schoonheid te waarderen van dat water, glijdend langs die glanzige bladen, kristal op zilver gelijk. Iets anders boeide mij aan de plek, iets anders boeit mij nog, als ik het mij wer te binnen breng. Maar ik verveel u misschien?...”

„Luisterde ik dan niet aandachtig? Ga voort, bid ik u.”

„Tegenover mij speelde uit het riet, zouden wij zeggen, uit de biezen, zegt gij, en te regt, want slechts in uw moeras wuift dat aardig gewas, tegenover mij speelde eene hengelroede uit het groen; wat heb ik die lang ggeslagen eer ik de hand gewaar werd, die den gelen stok hield. Zij kwam eerst te voorschijn, toen de dobber aanduidde, dat er beet was, neen waarlijk niet eer dan toen de dobber nerging. Ik wachtte er mij wel voor van mijne zijde eenige beweging te maken; het kon haar bewogen hebben zich op nieuw terug te trekken; want slechts langzaam verhief zich uit dat grijze groen eene gestalte, wier plunje in kleurloosheid wedijverde met het landschap om ons heen, dofheid boven, dofheid beneden, mist in de verte. Die arme visscher! hij meende beet te hebben, hij was beet genomen; weg bleek de visch, weg met het aas! En echter, al ging toen de hengel omboog uit de biezen, het geschiedde zonder de drift der teleurstelling, zonder gejaagdheid, bedaard; er was even weinig zweem van hartstogt in den druk der hand, die hem naast zich nerzette in het diepe pad, als in de wijze op welke het kringetje, door den opgehaalden dobber op het watervlak achtergelaten, zich zachtkens uitzette en verdween. Of het ook zoo stilletjes zou zijn toegegaan, als er baars of snoek aan had gesparteld? ik geloof het niet; maar de onderstelling, dat de vreugde den visscher eene bedaardheid zou hebben doen verliezen, die het verdriet te taai bleek, schijnt mij gewettigd, schoon de wijze op welke hij eene tabaksdoos te voorschijn haalde er geen bewijs voor leverde: het metaal mogt flikkeren in de algemeene fletschbeid, bij grinnikte den trooster niet toe! Die verstandige visscher! zijn vingers grepen niet driftig de weinige blaadjes: zij vatteden die maar zamen – toen de versnapering de plaats harer bestemming had bereikt, ging er wer aas aan den hengel, beter bevestigd waarschijnlijk dan de vorige maal, en gleed de gele stok op nieuw langzaam door het groen. Schuil gegaan was andermaal de gestalte, schuil als de hand die de roede bestuurde: maar luisterrijker dan straks het koper had geglommen, lichtte voor mij uit die biezen...”

Zelden stieten de wagens op den Hollandschen spoorweg meer ter gelegene ure, dan zij het op dat oogenblik, alle gesprek belemmerende, deden; „men leert ons wel geduld te hebben,” schertste ik, toen wij wer zaten.

Lagchend schudde de vreemdeling de dunne, grijsgraauwe lokken, om zijn hoofd fladderende.

„Intusschen,” voer ik voort, „ik dank u voor uwe opvatting van den eersten regen in den vreemde gezien en genoten, maar gun mij indruk tegen indruk over te stellen. Een vogelvlugt door de Hooglanden liet er mij een achter, die met den uwen mag wedijveren. We waren te Balloch, er scheen iets aan de stoomboot te schorten, die ons verder zou voeren; het eene half uur voor, het andere half uur na verstreek, en nog deed uit de zwarte pijp de kleine witte wolk zich wachten. Hoe ik die engelsche reisgenooten bewonderde, zich het onvermijdelijke getroostende, nadat hun gezond verstand zich had overtuigd, dat de stoomboot in dien toestand niet stoomen kon. Het was of de traagheid der hamerslagen, die wij maar bij tusschenpoozen aan boord hoorden klinken, hun niet ter harte ging; het was of zij niet zagen dat de zon, die straks zoo helder straalde, zich achter een dundoek van nevelen verborg. Eindelijk was het gebrek hersteld, de boot in gang; wij stoomden het meir op. „Vreest ge voor regen, kapitein?” – „Vreezen, mijnheer! het regent hier zes van de zeven dagen, en de zevende blijft het nog nooit geheel droog.” En die onheilsprofeet sprak bij ondervinding; ook hadden wij weldra een weder, waarbij deze lamzalig nerzijgende regen wel geen liefelijke droom, maar toch slechts een droom van vocht heeten mag; het kletterde, het gudste om ons heen. Gij kent ze zeker de stortvloeden, die Loch Lomond teisteren; ge zoudt niet hebben durven beslissen, welk der beide schouwspelen, het oproerige meir onder of de vergramde hemel boven ons, het in sombere verhevenheid won. Langs rotskloof bij rotskloof stroomden en schitterden beken, blank op bruin, soms in wolkend schuim wegspattend; de nevels dwarrelden den gezigteinder rond; Ossian zong in Fingals halle. Welk een strijd in die wolken, welk eene woede in dat water; – maar trots die dubbele ongenade, voort stoomde de boot, voort met versnelde vaart om den verloren tijd in te halen! – en al dreef het op het dek, al wisselde, als in een russisch bad, bij den schoorsteen hitte en kilte elkar met iederen voetstap af, zoo lang de verschansingen veiligheid waarborgden, zoo lang men op de kajuit kon staan, week niemand voor het weder: of Ben Lomond in het verschiet misschien het hoofd ontsluijeren mogt. Daar gierde een jubelkreet boven den wind uit; op rees de reus blinkende in den zonneschijn! – gij hebt mij in ons land de trekschuit gespaard; het is niet louter beleefdheid, als ik u beken, dat ik het worstelend geduld boven het lijdelijke de voorkeur geve.”

„Ge zijt niet billijk jegens uwe landgenooten: de wijze, op welke die deugd zich uit, wordt gewijzigd door den toestand”

„In de dagen toen uwe vooronders ten onzent verkeerden, zoudt ge onzen type niet in een visscher aan de vaart, zoudt gij ons op zee hebben gezien!”

„Mijne voorouders?’ vroeg de vreemdeling verrast, „gij houdt mij voor...”

„Een Noord-Amerikaan, waarschijnlijk uit New-England...”

„Een Yankee? geraden; maar waardoor?”

„Als had uw blik niet met welgevallen gerust op het boekske, dat daar naast u ligt, dat ik in de hand moet hebben gehouden, toen ge binnenkwaamt. Ik zag u straks den titel: Pansie lezen, en uwe oogen flikkerden of gij eene oude kennis ontmoettet.”

„Wel een oude kennis!” klonk het somber.

„Zulk een groet van het vaderland in den verren vreemde moet eene zoete weelde zijn!”

„En hoe beviel Pansie u?”

„Neem het af naar den indruk dien zij maakte, naar de mijmering waarin ge mij vondt verdiept. Hoe jammer, dat het stukje slechts een fragment is, dat de dood Hawthorne verraste, eer bij het voltooijen mogt. Het figuurtje is even frisch als fijn.”

„Zonderling,” zeide de man over mij

„Er komt in het verhaaltje een naam voor, die mij de heerlijke inleiding van the House of the Seven Gables wer voor den geest bragt.”

„Swinnerton?”

„John Swinnerton geheeten in dat hoofdstuk, waarvan ik geen werga ken als expositie; John Swinnerton, die gelooft, dat kolonel Pyncheon aan „eene beroerte” is gestorven, als deze in de huizinge, op het erf van Matthew Maule gebouwd, de gasten, die het met hem zouden inwijden, dood ontvangt. Welk eene vinding: twee verscheidenen, de eene als toovenaar opgehangen, de andere „door de band des Heeren” aangeraakt, zij ontsluiten ons het oude huis; zij bereiden ons op den tragischen nasleep hunner dwaasheid en driften bij beider nakomelingschap voor. En echter, ook dat sombere tafereel wordt, al is het maar voor een oogenblik, vervrolijkt, vervrolijkt door een kind, Alice, die spelend eenige bloemzaden op het dak strooit, waar zij tusschen twee der gevels ontluiken; Alice’s ruiker hoog in de lucht geurende, lang nadat Alice gestorven is.”

„Zonderling,” klonk het andermaal.

„Hawthorne, de oudvrijer, moet veel met kinderen hebben opgehad, moet dikwijls diep medelijden met hen hebben gevoeld! Herinnert ge u uit the Scarlate Letter Hester Prynne’s wandeling in het woud met Pearl? als de vragen van het kind voor haar in foltering verkeeren, als zelfs de vrolijkbeid, waarme het naar den maneschijn grijpt, die voor de moeder de vlugt neemt, haar tegelijk eene heugenis en een verwijt wordt? Meesterlijk! meesterlijk t”

„En gij?” hoorde ik mij antwoorden, „weet ge dat gij in die woorden de lofspraak van Washington Irving herhaalt, het boek bedeeld, waaraan Hawthorne te onzent zijne vermaardheid had dank te weten? „Tot dien tijd toe was hij,” als hij zelf zegt, – waarom geloofde men dat bij het niet zonder zekere grimmige voldaanbeid getuigde? – „de minst bekende letterkundige van gansch Amerika geweest.” Gram zelfbewustzijn! hoe dorst men het hem toedichten; hij was voor het werkelijke leven in de nieuwe wereld van zijn tijd weinig geschikt; hij had zoo zelden een gevestigde meening, hij hinkte door de veelzijdigheid zijner beschouwing vaak op wel drie gedachten; de, eenige kracht, die er in hem school, kwam daardoor aan het licht, dat hij voort bleef schrijven, hoe luttel lezers hij vinden mogt. Er was alles voor hem gedaan, wat hij in billijkheid. verwachten kon; de Vereenigde Staten dier dagen beloonden hunne vernuften door hen afgezanten of ambtenaren te maken; zijn vriend Bancroft, die in dien tijd Collector was in het Customhouse te Boston, had er hem, den vergeten verteller, eene administratieve betrekking bezorgd. Het was immers uit vrije keuze, dat hij bij het aftreden van den toenmaligen President, Martin van Buren, liever in the Old Manse, in het stadje Concord ging zitten droomen, dan een bestuur, waarvoor hij geen sympathie gevoelde, te dienen? – maar misschien ken ik hem, dat zeggende, nog meer staatkundige partijschap toe, dan hij ooit gevoelde. Al werd hij later, door James Polk, tot Havenopzigter van Salem benoemd, hij schreef er geen politieke pamfletten, hij schreef er the Scarlet Letter. Mijmeringen waren hem behoefte geworden; hij was voldaan als die maar eenige weinige bekende of onbekende vrienden belang inboezemden. Gij kent zeker het vonnis door hem over zijn eerste vertellingen, in allerlei tijdschriften verspreid, geveld; de auteur was er niet over verbaasd, dat zij geen grooter opgang hadden gemaakt; het verwonderde hem meer, dat zij allengs zekeren kring van toehoorders, hoe klein dan ook, hadden gewonnen. „Zij hebben de bleeke tint van bloemen, schier alle in de schaduw ontloken; ze getuigen te zeer, dat overpeinzing den schrijver gewoonte is geworden; het gevoel dat hem aangreep blijkt getemperd, de opmerking mist er het verrassende door.” ”

„En toch,” viel ik in, „toch beloofde Little Annie’s Ramble uit the Twice-told tales reeds in knop, wat ons in vollen bloei in Pansie zou hebben verrukt; „als ik mij op iets te goed doe,” zegt hij daar zoo van heeler harte, dat het mij heugt, „het is op mijn glimlach, die kinderen aantrekt; weinig volwassen dames zouden mij van de zij van kleine Annie kunnen troonen; want mijn gemoed gaat gaarne hand aan hand met het gemoed van een onschuldig kind.” ”

„Zonderling!” pruttelden die knevels.

Ten derdenmale, dat was te veel. Er viel blijkbaar met dien man te praten; maar weten wilde ik, wat hij zoo zonderling vond, en vroeg het hem.

Hij aarzelde, en, al bloosde het bleeke gezigt niet, de slanke vingers voeren toch min of meer velegen langs de fijne, kale slapen: „ik was onvoorzigtig,” begon hij, en liet er op volgen: „ik zal misschien onbeleefd schijnen, als ik opregt ben; maar ge zult mij de scheefheid van mijn oordeel ten goede houden, bedenkende dat ik slechts ten halve toegang heb tot de bronnen, die mij tot een volledig in staat zouden stellen, en dat gij het zelf hebt uitgelokt. Ik ga beginnen met uwe volkseigenliefde eene wonde toe te brengen: van uwe letterkunde weet ik niets! – maar ge hebt den pleister ter hand; het volslagen gebrek aan studie van vreemde talen strekt ons tot schande; beschamende, zijt ge benijdenswaardig. Des te beter daarentegen ken ik uwe schilderschool, oude en nieuwe; de eerste door uwe musen, de laatste door wat uwe kunstenaars ons toezenden; welke van beide ik het meest bewonder, behoef ik het wel te biechten? Welnu, als ik in gedachte menige galerij door mij bezocht nog eens doorwandel, en stil blijf staan voor allerlei huiselijke tafereelen, uit hooge en lage standen, uit de laagste de levendigste en schier ook de schoonste, dan verwonder ik mij wer, zoo als ik me reeds zoo vaak deed, er zoo weinig kinderen op aan te treffen, die iets anders doen dan op moeders schoot te liggen, of aan moeders schoot te staan, dan op zijn best te spelen met een – pop; van andere, van hoogere pozij der jeugd geen blijk! Zou ik een Yankee zijn, als ik mij iets, waarover ik mij verwonderde, niet trachtte te verklaren?” – Een oogenblik stilte, de man schoof heen en wer op zijn kussen; dacht hij, dat ik even kitteloorig was als zijne landslieden?” hij schikte zich ter zijde, een weinig van mij af. – „Het schemert gelukkig vast,” hief bij wer aan, „ik zegen uw zuinige administratie, die dreigt ons in den duister te doen zitten, al zijn de dagen des lichts gekomen, stearine, gaz en petroleum.” – Wij moesten tusschen Veenenburg en de Vogelenzang zijn, maar de sierlijke standaard van de Waterleiding viel in den vochtigen dampkring niet te onderscheiden. – „Ik gevoel er mij te geruster door, ik, zal den eersten indruk mijner woorden kwalijk kunnen gewaar worden, als ik u zeg te gelooven, dat de schilder, voor wien uw volk de meeste sympathie gevoelt, niemand anders is dan – Paulus Potter. Eene weide, sehier een tapijt, de voet kan er zoo zacht op voorttreden zonder dat de gladheid dien uitglijden doet, tenzij het regene als thans; eene weide, weinig boomen er op of er om want, die zouden niet slechts door hunne schaduw de sprietjes aan hun voet verstikken, die zouden ook beweging mebrengen; eene weide met gras, waaronder de klaver, hier en daar ingedrongen, niet eens het lekkerste beetje is; met gras, zoo als men in de gansche overige wereld voor het wenschen, voor het keurigste kweeken nergens heeft: welk een beeld van lust en van rust vooral! Zie dat rund eens aan, grazende, zegt gij, geloof ik, het woord is gelukkig! of gras scherende – mijn taalkennis neemt met mijn reizen toe – scherende, ons beste staal gaat er zoo glad niet langs! Het fraai gevlekte dier, dat zoo flink op zijn kooten staat, beweegt zich louter uit lust naar nch sappiger scheutjes, door den ucbtenddauw gedrenkt, naar nog dunner sprietjes, door den zonneglans te voorschijn geroepen. Al wat het behoeft is binnen zijn bereik: van ouds, ten middenpunt van zijn vierkant gebied, een walvischbaard om het te hulp te komen, waar zijn staet te kort mogt schieten, om zijne eenige kwelling te keer te gaan, die wemelende, woelzieke vliegen; hoe komen deze op zoo vreedzaam een veld, in een lucht die vergeefs luistert of iets de stilte stoort, hoe komen zij hier verdwaald? – En dan, haast aan alle zijden, werwaarts het zich ook wende, als het maar een zweem van dorst heeft, overal in het verschiet, onder pompeblan en waterlelies, vocht, frisch vocht, dat koel en klaar is gebleven, trots den soms drukkenden hemel, die zich over het onloochenbaar liefelijk landschap welft! Zie dat rund aan, zoo bedaard, zoo behagelijk zich uitstrekkende om te herkaauwen, geen oogenblik gekweld door de gedachte, dat het al die weelde zich te von, slechts geniet om op zijne beurt te voeden...”

„Ondeugende!” viel ik in, – het speet mij; – maar hadt gij het langer uitgestaan? uitgestaan, waar de Duinzang van den Heer van het Manpad heeft geruischt?

„Vreesde ik het niet, dat ik u zou ergeren!” klonk het heuschelijk; „maar gij wildet weten waarom ik tot driemalen toe: „zonderling!” uitriep; welnu, ik beken het, uwe ingenomenheid met Pansie en Alice en Annie en Pearl, zij heeft mij bijna tot eene andere zienswijze bekeerd. Echter, eer ik geheel afstand doe van mijn geloof aan een volkomen harmonie tusschen uw landschap, dat ge, hoe lief gij het hebben moogt, toch wel niet verheven zult noemen, en uw karakter, dat van te veel verstand getuigt om hevige hartstogten ten prooi te zijn; aan overeenstemming tusschen uwe lage laauwe lucht, en uw bezadigd, bedaard bloed, zeg mij, welken indruk Hawthorne’s latere werken, the Blitherdale Romance en Transformation ten uwent bij de schare hebben gemaakt? of de geheimzinnige achtergrond, tegen welken zijne figuren uitkomen, haar aantrok of haar afstiet; of zij die boeken begreep?”

„Als de Staten niet in een worstelstrijd waren gewikkeld, van welks uitslag het lot der nieuwe wereld afhangt,” – mijn overbuurman zuchtte diep en zag opwaarts, – „hoe gelukkig zou ik een volk prijzen, bij ’t welk men zoo iets van de menigte vragen, vergen durft! Welk een weg moet deze in de beschaving hebben afgelegd om zich met dergelijke onderwerpen niet maar bezig te houden om den wille van den gang van het verhaal; neen, om er belang in te stellen uithoofde van het gewigt des socialen probleems, of dat der diepe studie van beide natuur en kunst. Ge zult eerst genoeg hollandsch moeten leeren om hollandsch te kunnen lezen, schalke spotter! eer ik u zal toegeven, dat wij letterkundigen hebben, die hun gras gladjes scheren en genoegelijk herkaauwen; doch dat de schare bij ons niet zoo hoog staat als gij ingewikkeld van de uwe getuigt, dat geef ik gereedelijk toe. Een zedige twijfel zal mij echter op mijne beurt geoorloofd zijn, een zedige twijfel aan de waarde dier waardering door het algemeen ten uwent. Neen, ik loochen niet, dat uw groot publiek met belangstelling de proeve heeft ggeslagen, door uwe eerste talenten genomen, wat al stellingen van den dag, tot die van Fourier toe, in praktijk waren te brengen; de wereld, zoo als men in de Staten zegt, de wereld hield den blik op de Transcendentalisten te Concord gerigt. Al liepen er onder die jonge lui met lange haren, lange baarden en lange halsboorden, ook eenige langoorigen, zoo als men golijk genoeg was op te merken, Emerson alleen bleek den togt naar „dat nieuwe Mecca” waard, Emerson in den vollen bloei van zijn vrij onderzoekend genie. Om hem heen, welk een groep van ontluikende vernuften sedert op zoo velhdei gebied vermaard. geworden: Thoreau, de naturalist, – Parker, de vrome, zoowel wanneer hij voor redelijke godsdienst, als wanneer hij voor afschaffing der slavernij streed, – Curtis, de humorist, – de grootsche gestalte van Channing, die woordenrijk-welsprekende, – eindelijk de meest merkwaardige misschien, Margaret Fuller, boeijende door gaven van geest en gemoed, de magneet, door welke al die mannen zich voelden aangetrokken en beheerscht! Een boek, waarin men zich vleijen mogt getrouw te zien afgespiegeld hoe zulk een, wat zal ik het noemen, gezellige kring of gemeente, op het land had geleefd, „niet slechts zijn akkers ploegende, ook zijn verstand niet braak latende liggen,” de schildering eens vertrouwelijken verkeers, van de vele vooroordeelen vrij, in wier juk de wereld ons kromt, zulk een boek, zulk een tafereel, het werd met verlangen, met ongeduld te gemoet gezien. De schare mogt het doen, wetende dat het geschreven zou worden door iemand, die dat leven des geestes me had geleefd, die, als een standbeeld des stilzwijgens, zich, onder eene beeldtenis van Dante, in een schemerzieken hoek des vertreks had geplaatst, gslaande, opmerkende, bewarende. Men verbaast er zich ten onzent dan ook niet over, dat dit boek bij zijne verschijning in de Staten verslonden werd; maar men gelooft hier evenmin dat de groote hoop er het genie genoot, ’t geen verzweeg en verdichtte, ’t geen schikte en koos; het geheimzinnige genie, dat die blinkende verwachtingen der toekomst temperde door de sombere stem uit zijn binnenste!”

„Gij gaaft u moeite u de wording van dat boek te verklaren!”

„Niet meer dan een vernuft van dien rang verdiende, en mijn genot verhoogde. Gij hebt ons straks geschetst, zachtkens uitgedrukt als zagen wij het leven alleen van zijne lichtzijde, eigenlijk als waren wij zoo nuchter, dat wij ons nooit afvroegen, wat die arme kindschheid toch heeft misdaan om voor eene wereld van allerlei leed te ontluiken? Toegegeven, dat wij aan de eene zijde zondigen; deed Hawthorne het niet aan de andere? Wat heeft het tweede werk van ’t welk gij spraakt, boven al de vorige voor? Er wordt minder misbruik in gemaakt van het schrikwekkende. Even keurig van teekening even tragisch van einde als een zijner overige, doet er zich: toch gezonder levensbeschouwing in gelden, dan hem vroeger eigen scheen. Hoe jammer dat de boom, wiens vruchten tot de laat-rijpende behoorden, werd ontworteld, eer deze door matige, maar toch zoo milde herfstzon, volkomen waren gegeeld.”

„Gij hadt Hawthorne lief?”

„Als beitel en penseel ter mijner beschikking stonden, ik zou Gthe in marmer willen zien uitgehouwen, toen hij, Rome bezoekende, naar de Juno Ludovisi opblikte; toen de levenslustige die wereld der Ouden werd ingevoerd, in welke hij ons door zijne Rmische Elegin verplaatst: klassiek humanisme; – ik zou Hawthorne geschilderd willen zen, in het Kapitool den Faun van Praxiteles gslaande, zijn voorhoofd gefronsd door de vele vragen, die bij hem opkomen en welke hij ons in zijne Transformation tracht te beantwoorden: mysterieuse humor.”

Hoe was het mijn overbuur bij mijn lofspraak te moede geworden? Een omzien geloofde ik dat bij mij de hand wilde reiken, toen trok hij die eensklaps schuchter terug; maar wij waren ook te Haarlem, we werden met stoornis bedreigd. Toch dreef die wolk, welke mij de donkerste van den ganschen duisteren dag scheen, over; – „Klaar achter?” hoorde ik vragen, en het fluitje krijschte.

„Heb dank,” zette mijn reisgenoot het gesprek voort, als had hij van het gewoel om ons heen niets gemerkt; en voegde er toen, zich blijkbaar woorden te binnen brengende, bij: „ook gij kent Hawthorne dus het regt toe, ter bedevaart naar Westminsier-Abbey getogen, zich daar in Pots-Corner te huis te gevoelen, als had hij levenslang op de plek verkeerd? Verwaardigd met de meeste van wie daar sluimeren vertrouwelijk om te gaan – „welk een vreeselijke eenzaamheid!” getuigde hij uit zijn binnenste, „zou mijn leven zonder dat verkeer zijn geweest!” – behoefde hij zich zelven daar geen vreemdeling te achten. „Het was een genot” – mij komt eene plaats uit Our Old Home voor den geest, zijne reminiscentin van een tienjarig verblijf in Engeland; – Pierce had hem te Liverpool consul gemaakt; – ge hebt het boek zeker gelezen, val mij dies in de rede, als mijn geheugen mij ontrouw wordt; „het was een genot, mij onder hen te bevinden. Eerbied mogt ik gevoelen, maar huiveren deed deze mij niet; daartoe wist ik de meesten mij te vriendschappelijk genegen. Ook was er iets vervrolijkends en verheffends tevens is dat zamenzijn van zoo velen, – elkander waard – van weerszijden verdiensten erkennende en waarderende, – allen thans verzoend en verbroederd, uit welken tijd ze zijn mogten, door welken persoonlijken haat of andere armzaligheid ook zij in hun korte leven waren gescheiden geweest.”

Een oogenblik hield zijne stem op; toen hoorde ik haar wer.

„Bij geene andere grafgesteenten heb ik ooit dergelijke belangstelling gevoeld, noch kan ik zeggen ooit zeer aangedaan te zijn geweest, waar ik mij verbeelden mogt, dat andere vermaarde verscheidenen mij omgaven. Eens dichters geest is de eenige die voor zijn medestervelingen voortleeft, als zijn gebeente tot dat van zijne vaderen is verzameld, – niet als een spook, niet als een schim, neen, harte bij harte opbeurende en verkwikkende door de warmte die het overhoudt, ook in den kilsten dampkring des levens. Is eenige andere faam ter wereld wenschenswaard? Of, laat ik het stouter uitspreken, welke andere langdurige beroemdheid is denkbaar? Wij herinneren ons het veleden niet, wij geven niets om het verledene dan zoo verre de dichter het ons in wat het edelaardigs en verhevens had begrijpelijk heeft gemaakt. De schimmen der magtigen zijn ijler dan de lucht; zij zweven, zonder; indruk achter te laten, over het duister geworden tooneel, op ’t welk zij hunne korte rollen speelden, tenzij de poet hun zijn eigen scheppende ziel bedeele, en zij in deze grooter levenskracht ontvangen, dan zij ooit voor de menschheid aan, den dag legden; toen zij in haar midden verkeerden. En daarom, al verbergt hij zich behendiglijk in hunne wapenrusting, in hun tabbaard, in hun vorstelijk purper, het is niet de staatsman, de krijgsheld of de monarch, die voortleeft, maar de versmade dichter, dien zij met hunne kruimkens hebben gevoed, en aan wien zij toch alles verschuldigd zijn, wat zij nu nog hun eigendom mogen heeten, wat zij blijven zullen – een naam!”

„Er was zelfgevoel in die woorden,” scheen de stem over mij somber te besluiten, al hadden de donkere, diepliggende oogen voor een omzien geflikkerd van trots; „er wordt zoo stoutweg van scheppen gesproken, en toch zou Hawthorne de eerste geweest zijn te erkennen, dat, schoon de dichter met bewustzijn eene bajert van bouwstoffen bijeenbrengt en ordent, echter de gave, die hem vergunt te zeggen: „Er zij licht!” niet uit zijne kracht is, dat zij hem even geheimzinnig blijft als de God dien hij haar dank weet!”

Slechts een stortbui stoorde de stilte om ons heen, – werd het een stortvloed? of was het inderdaad de stemme veler wateren? – Al wat ik weet is, dat ik eene wijle wiegelde als in den schoot der golven; duisternis en geruisch waren het eenige waarvan ik besef had. Allengs echter week de eerste voor een liefelijk landschap aan verre kust, en hoe digter deze kwam, hoe meer de golfslag bedaarde, hoe zachter ik voortgleed. Ik bevond mij aan wal – al de weelde der lente blonk, geurde, suizelde om mij heen. Had ik die oude huizinge, in geboomte verscholen, meer gezien? – was ik dien tragen vloed, uit welks riet toch de vischjes zoo vrolijk te voorschijn wipten, niet meermalen langs gewandeld? Schoon de heugenis niet helder wilde worden, zoet was ze, zoet als de lucht die ik inademde. Een bloesemregen scheen op de boomgaarden gevallen, van wit en rood eene oneindige verscheidenheid; de zoom des wegs, blaauw van viooltjes, maakte den dampkring welriekend; in het verschiet droegen de olmen hun eerst, hun teeder groen. Het vogelenheir, kweelde van tak en twijg, de pijnboomen ruischten melodisch; daar werd ik van verre eene schacht van graniet gewaar; was ik te Concord? Zulk eene zuil zou er de gedachtenis van den eersten werstand, Groot-Brittanje in den onafhankelijkheidsoorlog geboden, levendig houden. Eene kerk, eene voor die wereld oude kerk, stond open; – ik ging haar in, het altaar was wit van bloesems; voor den dienstdoenden geestelijke was eene nog niet gesloten lijkkist geplaatst. Ik hoorde hen die het gelaat van den doode konden zien, uitroepen: „hoe heusch! hoe innemend!” Intusschen stierf het lied der hope, dat, straks door die gewelven wergalmde, weg; ik volgde de haar met een drom van statelijk voortschrijdende mannen, met een schaar van vrienden, het hoofd ter aarde gebogen, al blonk de hemel van lust! Zachtkens kronkelde zich de weg naar boven, waar eenige sombere dennen op den heuveltop een plek openlieten voor den zonneschijn, – daar waren enkele zoden omgespit, daar wachtte een graf... Op de kist lag een handschrift; – „Pansie!” – hoor ik zeggen; op de kist staat met koperen letters:

NATHANIEL HAWTHORNE.

tat. 59.

Longfellow treedt uit de rij voor, om een gedicht te lezen; – waar, lieve kleenen! Pearl, Annie, Pansie, waar zijt ge? een handvol bloemen van de weide of uit het woud!...

„Amsterdam!” – en onder den indruk van dien laatsten greep des toovenaars, met wien ik in den regen had gereisd, moet ik er verbijsterd hebben uitgezien, want allerlei druipende ellende vroeg mij, of ze mij den weg mogt wijzen, – mij, die u in het holste van den nacht in de hoofdstad van nieuw gebouw tot nieuw gebouw zou kunnen brengen, die ik wenschte dat morgen spoorloos waren verdwenen!

1864.