E. J. POTGIETER (1808-1875)

OUDEJAARS-AVOND EN NIEUWJAARS-MORGEN.

PROEVE VAN VRIENDSCHAPPELIJKE BRIEFWISSELING.

P.

Wie klopt er?

D. v. H.

Doe vrij op en vrees niet; ’t is uw vrient.

Gij vergeeft mij, dat ik niet gekomen beu, beste Willem! – moge ook de schim van Vondel het mij vergeven! Neen, zie mij bij die uitdrukking niet met een’ dier blikken aan, welke mij in u, thans een der knapste kooplieden onzer hoofdstad, den jongeling herinneren, die voor twintig jaren, als vrijwilliger, na den slag van Waterloo te huis kwam, en zoo naÔf verklaarde, niets van de geestdrift diergenen onder uwe kennissen te begrijpen, welke verzen op Hollands bevrijding dichtten, en echter ten hunnent waren gebleven. Luister liever een oogenblik naar de aanleidende oorzaak dier bede.

Het was een sombere December-middag, – ongeveer dat uur, hetwelk de dichters als het uur der liefde afschetsen, en dat bij wijlen alles behalve poŽtische, naburen, entre chien et loup heeten, – woorden, die nog al schilderen, en vůůr vier of vijf eeuwen ook op mijn kasteel toepasselijk waren, Thans echter lag er slechts ťťn patrijshond voor mijnen haard te slapen; maar ik zelf had wel iets van die vroegere, trots al hun tournooijen en gevechten, zoo zeer aan verveling lijdende eigenaars, daar ik, schoon er tien nieuwe Werken op mijne tafel lagen, half geneigd was het dier zijne rust te benijden. Wat zoude ik niet voor eene Kronijk of een Misboek hebben gegeven, met regt bonte beeldjes, en fraai gekrulde letters; – Hemel had deernis met mijn leed – daar kwam uwe vriendelijke uitnoodiging, of juister, en opdat ik uw gezond verstand niet ergere, mijne lieve HenriŽtte met uwen brief binnen.

„De couranten, Kind!” zeide ik, werktuigelijk, alles behalve in eene stemming, om nieuwe proeven te lezen, dat in vaderland niet dan welgeschapen kinderen geboren worden, niet dan brave lieden sterven.

„En een brief uit Amsterdam, Vader! van geene vreemde hand.”

„Eindelijk!” zeide ik – zie, dat woord mogt u niet gespaard worden! – maar mijne zestienjarige lieve had intusschen die voorkomende oplettendheid, waardoor hare kunne ons leven veraangenaamt, het waslicht ontstoken, – de hooge lamp nedergelaten, – den armstoel voor de tafel geschoven – zich bescheidenlijk verwijderd; de laatste trek is de drie vorige waard.

Ik weet niet, of gij het, als man van zaken, zoo ver de zelfbeheersching gebragt hebt, dat uw gelaat, bij het uwer handelsbrieven, nooit aan uwe klerken het minste: geeft, dat zij u winst of verlies aankondigen; – maar ik teeken te sterk voor iemand, die echtgenoot en vader is, om gaarne te worden bespied. Toen gij verliefd waart, ging het u niet beter, Willem! er zijn harten, wier vriendschap iets van liefde heeft.

Hoe aangenaam moesten mij dus uwe letteren zijn! Het uur van theedrinken sloeg, – ik deelde uwe uitnooding in mijnen huisselijken kring mede. Tante – gij kent de goede vrouw – tante sprak van een nieuw zijden kleed, om visites in te ontvangen, en een ander, om visites in af te legggen; – mijn jongen zeide, dat de tuinman vorst voorspeld had, en hij dus zijne schaatsen zoude medenemen. HenriŽtte staarde mij met hare helderblaauwe oogen vriendelijk aan, – mijne vrouw vroeg bedaard:

„En wat is uw besluit, Albert?”

„Niet te gaan, mijne Lieve!” was mijn antwoord; tante zette van verwondering den bril af, en legde dien voor zich op tafel, – een erg teeken! – mijn jongen riep uit: „dan rijd ik schaatsen op den vijver, het ijs zal er wel zoo glad wezen als op het IJ,” – die gelukkige jengd!

„Vader!” merkte HenriŽtte treurig aan, „ik had zoo gaarne Gijsbreeht van Aemstel gezien.”

„De winkbraeu dekt nu met zijn booghjes
Gelokene en geen lagchende ooghjes,”

schertste ik, haar aanstarende.

„Foei, nichtje!” sprak tante; „wanneer gij u nog beklaagd hadt over de vele gelegenheden ter kerk te gaan, welke wij hier missen; maar den schouwburg!”

„Val mijne zestienjarige niet te hard,” wijzigde ik de bestraffing. „Gij verlangt beroemde redenaars te hooren, – HenriŽtte weet nog niet, dat wij onderscheid tusschen leeraar en leeraar maken, – verkeerd genoeg misschien, want allen verkondigen het woord Gods! En wat haren wensch betreft, dat stuk te zien, hetwelk twee eeuwen lang de lust der Amsterdammers was, zij zoude mijne dochter niet wezen, indien zij dien niet gevoelde; het beweegt mij bijna de uitnoodiging aan te nemen.”

En langer dan ik het u hier behoef te herhalen, weidde ik uit over de schoonheden van dat treurspel, – ge weet, hoe ligt mij dit valt, daar ik het half van buiten ken; – over alles wat men uit die onnavolgbare verzen leeren kan, een hoofdstuk, dat ik u bespaar, dewijl wij kunstgenot en zedenschool voor geene synonymen houden – en over de aandoenlijke betrekking, welke elk inboorling der hoofdstad op een meesterstuk gevoelt, dat eene volksvermaardheid verwierf, eenig bij ons, die anders slechts te gereed zijn, het inheemsche om het vreemde te vergeten, – „Amen!” zegt gij.

Mijne gade zweeg, – hoe gaarne had. ik geweten waarom, gij, prozaÔsch mensch! zult mij Salomo’s woorden: „Wie zich in eens anderen twisten mengt,” enz. toevoegen. Vriend! gij moogt uwe makelaars kennen, mijne Maria kent gij niet!

Met veel beleid keerde tante de wapenen, die ik haar in handen gaf, tegen mij zelven: „En indien dat treurspel fraai, zoo nuttig, zoo eenig is, waarom laat gij dan het rijtuig niet inspannen? Liever zoude het mij geweest zijn, indien ik het veertien dagen vooruit had geweten, om mijn zijden kleed, maar –”

„Bekommer er u niet over,” viel ik in, „wij blijven huis, want een oudejaars-avond in de hoofdstad levert de vervelendste soirťes op, die ik ken. Wel luidt men er geen klokken, dat hooren en zien vergaan, zoo als in Keulen de avond voor Paschen, – maar stijve ernst zit in den anders vrolijksten kring voor; – het heeft veel van de plechtige begrafenis eener doode, die geen der aanwezigen hartelijk lief had. Het heugt mij, hoe ik mij eens op zulk eene partij verveelde; men kwam gelukkig laat bijeen, daar de avondgodsdienst lang geduurd. had; zij scheen op de Dames een’ diepen indruk te hebben gemaakt, want zij zwegen. Scherts en jokkernij waren verboden; wij vierden eene uitvaart! De Heeren verschenen nog later; – ik wil niet beslissen, of er geene affectatie in dat lang op het kantoor blijven van dien avond was; – maar al had hunne balans bet nadeeligst saldo opgeleverd, zij hadden er niet somberder kunnen uitzien. Ik geloof, dat ik juist de drieŽndertigste soort van rookwolkjes ontdekte, toen, gezegend oogenblik! het soupť ons eindelijk in de zaal riep. Dit wisselde ten minste de decoratiŽn af, schoon het onweder nog altijd boven ons hoofd bleef hangen. De zonderlingste opmerkingen volgden elkander, in het gesprek met mijne buurvrouw, op. Zij begreep niet, hoe eenige lieden zoo wereldsch konden zijn, om dien avond een bal te geven; – zij vreesde, dat haar rijtuig door de gladheid, der straten eenig letsel zoude bekomen: „het zoude zon jammer zijn van de Chineesch-koperen bossen, (en niet van den koetsier of den lijfknecht;) – och ja! ťťn ding is maar noodig hier op aarde, ik word weemoedig als ik aan den dood van het kind mijner zuster denk; – het arme schaap is voor veel kommers bewaard; zij zoude het niet breed gehad hebben,” – Welk een mengsel van hoogmoed en vroomheid! dacht ik; daar sloeg de klok twaalf malen, – wie met; zijne eigene gelukwensching nog niet gereed was, trok zijn zakuurwerk uit, en beweerde, dat de pendule vůůrliep; – men luisterde naar de kerkklok, maar reeds had Rimax, dien gij op dien avond, onder honderde gestalten, alom aantreft, een vers uit zijn’ rok te voorschijn gehaald; – hij las, las, las, zoo als de Italianen zeggen, – en toen hij eindelijk den laatsten regel had opgedreund, en de gastheer zijnen vriend voor zijn lief gedicht dank zegde, werd er gezoend, gehuild en gehanddrukt, zonder einde. Ik houd niet van die kussen een’ ieder, – ik zie in die tranen geene bewijzen van schuldgevoel en verbeteringslust, – ik heb geleerd, niet op elk, die mij de hand zeer drukt, als op een’ vriend te mogen rekenen, – ik kan dat guichelspel niet uitstaan!”

Maria vond mijne schets niet van overdrijving vrij te pleiten; oordeel naar uwe ervaring, Willem! Maar gij vraagt mij zeker, hoe ik dan ten mijnent den oudejaars-avond doorbreng, en ik heb regt noch lust, u het antwoord te weigeren.

Van mijne vroegste jeugd. af, was ik een vijand van Albums, die wit gepleisterde graven, – en diegenen onder mijne letterkundige kennissen, welke mij om de invulling aan een’ blaadje in den hunnen plaagden, beklaagden er zich veelal; over, want ik wierp hun nooit den lof met volle handen in het aangezigt, en schreef meest altijd eene satire. En toch heb, ik op mijne studeerkamer een boek liggen, in rood marokijnen band, verguld op snede, prijkende met de woorden: Souvenir, dat ik, voor zijn gewigt in goud, niet zoude willen afstaan. Het houdt de beeldtenissen der vrienden mijner jeugd in. Gij hebt mij wel eens benijd om de gave, door weinige, dikwerf ruwe omtrekken eene sprekend gelijkende afbeelding te treffen van hen, die mij lief en waard zijn; nu die gave met de jeugd verdween, – nu ik niet langer uit het geheugen schetsen kan, – nu ik voor mij moet laten poseren en slechts zelden meer slaag, thans mag ik zelf wel van haar getuigen, dat zij benijdenswaardig was. Welnu, dat boek open ik niet, dan in den kring der mijnen, niet dan op oudejaars-avond, als tante bij de vrouw van den Dorps-dokter genoodigd is, en keuvel dan met Maria over deze of gene beeldtenis; de edelen, die niet meer zijn, – de voortreffelijken, die wij verloren! Ik deed het dien avond met haar, en HenriŽtte (de zestienjarige mogt er voor de eerste maal bij tegenwoordig wezen), en Adolf, die de vacantie bij ons was komen doorbrengen; – het mogt een heerlijke avond heeten; de oogen mijner Maria schenen die eener zalige.

De beide onvergetelijken, welke ons het langst boeiden, – gij kendet hen, – waren de vroeg gestorvene Jacob en Louisa. Ik heb de laatste in die houding geteekend, waarin ik haar voor het laatst te Overveen zag, op eene half verwelkte roos starende, met het onderschrift:

Et rose elle a vťcu ce que vit une rose,
L’espace d’un matin!

Dat ge mijne Maria gezien hadt, harer dochter de aandoenlijke geschiedenis der verheerlijkte: zij beminde, – zij werd bedrogen – en zij ging ter ruste! – met moederlijke teederheid, ter waarschuwing verhalende; – gij hadt voor eene wijl contofintoos en cassa-rekening vergeten en met de vlakke hand langs uwe oogharen gestreken: want ook gij hadt haar lief!

Jacob, de beminnelijkste dichter, dien ik kende, Jacob schonk mij gelegenheid, den ijver voor alles, wat edel en goed is, in het gemoed van mijnen oudsten zoon aan te vuren. Heerlijke nalatenschap, een voortreffelijk voorbeeld! De woorden, die ik den vroeg verscheidene ons deed toeroepen:

„Hier is de kennisboom ook die des eeuw’gen levens!”

gaven onwillekeurig aan ons gesprek die wending, welke het bij zulk serie gelegenheid tusschen twee vrienden, tusschen vader en zoon, nemen moest. En terwijl ik met verrukking ontdekte, dat ook in zijn gemoed, hetzelfde vuur blaakte, dat Jacobs boezem verteerde, trachtte ik bedachtzaam dien gloed te wijzigen, zonder de edelmoedige geestdrift te verkoelen, zonder haar door koele wereldwijsheid uit te dooven. Ik ontsloot hem de mijnen eener droevige ervaring, en toen mijn zomerzonnelicht de groene plekken in de woestijn des geheugens bestraalde, genoot ik en verbeeldde ik mij, dat bij leerde, – de Hemel geve, dat hij een man worde, in den schoonen zin van dat woord! Voor het minst ben ik zeker, dat ons onderhoud zijn hoofd helderder denken, zijn hart zuiverder gevoelen deed, dan uwe Cantemerle en uwe pŗtť de foie gras het uwen gasten lieten doen.

Maar gij kent mij genoeg, om te gelooven, dat ik noch van overdrevene sentimentaliteit, noch van overdreven spiritualism houd; een paar beeldtenissen, die minder sombere herinneringen opwekten, volgden; doch het schetsboek werd niet uitgeput, en toen de klok van het kasteel middernacht sloeg, sloten wij het jaar als Christenen en Nederlanders, vol dankbaarheid voor het verledene, vol vertrouwen op het toekomende.’’ En zelfs mijne zestienjarige HenriŽtte moest op het welzijn harer moeder een glas petit Bourgogne drinken; mijne lippen drukten eenen heiligen kus op haar blank voorhoofd. – Willem! gij moogt rijker zijn dan ik, gelukkiger zijt gij niet! Voor mij behoeft de tijd nooit aan te breken, waarvan Scott zingt:

Those who such simple joys have known,
Are taught to prize them when they ’re gone.

Ik drukte slechts half mijnen afkeer uit van het schouwspel, dat de hoofdstad bij deze gelegenheid, aanbiedt, toen ik enkel van den Oudejaars-avond sprak; maar niemand zal wel de verdediging van een’ steedschen Nieuwjaars-morgen op zich nemen. Waarlijk, nooit en nergens treedt de baatzucht onbeschaamder, te voorschijn, dan ten uwent, op dien ochtend – uwe gift, wordt in de hand gewogen, en de pas uitgesproken zegen ver-keert in vloek, indien deze de verwachting niet, bevredigt en te ligt wordt bevonden, Tot in den burgerkring toe, heeft die dag al zijne gulheid verloren; – de gewoonte, open tafel te houden voor zijne vrienden, is in onbruik geraakt; – den wijzen, bedachtzamen, echt Hollandschen wensch: Alles, wat wenschelijk is! hebt gij zelfs naar het land verbannen. Lach niet om de laatste opmerking; – die wijze van heilbidden overtreft duizendmaal het koele Engelsche „a good New-Year!” – het luchtig Fransche: „Tout ce qui peut vous faire plaisir!” – het epicuristisch-Italiaansche: „Buon die buon anno!” – de bede van oen volk, dat het heden aan het morgen, zelfs in zijne wenschen, niet opoffert. Doen de benden rinkelrooijers, die dan langs uwe grachten zwerven, en den overvloed van eenen enkelen dag zorgeloos verteren, omdat hij toch de behoeften van een geheel jaar niet stillen kan, u niet aan de zonen van Erin denken, die vroeg huwen, omdat zij, gehuwd of ongehuwd, toch gebrek moeten lijden? En dan die bespottelijke kaartjes, – kaartjes van uwen artsenijmenger, uwen snijder, uwen kapper, uw kruijer misschien! Lang leve de IsraŽliet, die, om in beleefdheid niet te kort te schieten, ze alleraardigst parodiŽerde, door eenen knecht achter, zijne deur te plaatsen, en ieder, die er bragt, een gelijk getal terug te geren, twee voor twee, drie voor drie, vier voor vier, enz. Er was berekening, huishoudelijkheid, misschien vernuft, in dien trek van een nakomeling van Jacob!

Hoe anders, dan over de smerige, slijkige, drokke, wemelende straten der Amstelstad, brak voor ons het late, maar vriendelijke licht van dien ochtend aan! Eene dunne laag sneeuw, zoo als die, welke rondom Eveleen’s bower lag; maar door geen Lord of the Dale was betreden, vonkelde hier en ginder, als waren zij met juweelen bezaaid geweest; – de rouwtint der dennen stak bevallig bij het sterachtige van den rijm af; – de glinsterende ijskorst in den vijver, die de ceders terugkaatste, trok van verre de opmerkzaamheid. van mijnen kleinen lieveling, Maria wees ons het doel onzer wandeling in de hut des jagers aan; ik gaf gereedelijk mijne toestemming.

Aamborstigen en zwakken mogen over den noordewind klagen, hij grijpt het gemoed aan gelijk het gestel; er waaijen mannelijke gedachten en stoute voornemens in dien ademtogt uit het land der kracht. En zoo de vorige avond, door weemoedige herinneringen uit mijne, helaas! vervlogene jeugd, mij al de aandoenlijkheid hergeven had, aan die vaag des levens eigen, ik gevoelde, in ons thans ontbladerd eikenbosch, mijn hart door zijnen invloed op nieuw gesterkt, om de zorgen des levens te dragen, om te strijden en te overwinnen; mijnen geest op nieuw verhelderd, om de toekomst blijmoedig in te zien, en over mijn lot te juichen. Echter, waarom het verzwegen? – echter was een blik op den student genoegzaam, om mij te overtuigen, dat niets in staat is, ons, in vollen zin, onze jeugd weder te geven; – waar was bij mij de blinkende hoop, de vrolijke lust, die uit zijne oogen tintelde? Vergaan, verwelkt, als het blosje op de wangen mijner Maria, om nimmer terug te keeren! Waarom wilde ik mijn beeld niet, in een’ dier statige eiken zien, aan wier voet wij rondwandelden? Er zal nog menige lentedag over hunne kruin aanlichten, menig westewindje nog door hunne takken suizelen; maar de tijd, waarin de tengere stam de warmte van dezen, tot in zijn merg voelde doordringen, waarin hij zich, als een speelziek wicht, bij elke streeling boog, is voorbij, hij heeft vruchten gedragen! Moge ik, zoo weinig als hij, mijne plaats onnut beslagen hebben! Wanneer ik daarvan zeker ware, hoe hartelijk zoude ik van Lennep nazeggen:

Maar de beker ga rond, en zoo lang niet geheel
Alle trouw, zoo van maagd als van vriend, ons begaf,
Dat het zonlicht der liefde onzen lentetijd streel’ –
En beschijn’ nog het maanlicht der vriendschap ons graf!

Doch wij naderden de hut des jagers; – een fiksche boerenknaap, wiens oogen schalkschheid, wiens houding beschroomdheid verrieden, verbeidde er ons op eenigen afstand.

„God loone het u, Mevrouw!” zeide hij tot mijne gade; al haar antwoord was: „Blijf hier wachten, Hendrik!” De jongen frommelde het linkerpand van zijn buis in duizend kreuken; – wij traden verder. Behoef ik u te zeggen, dat HenriŽtte en de student hunne moeder verwonderd aanstaarden?

Mijn oude, dienstbare Nimrod, – de dagen zijn niet meer, waarin de beste schutter koning was, – rookte uit zijn kort pijpje, Zijn kind, Geertje – de schoonste deerne uit de buurt, – stookte het vuur aan den haard op, toen wij binnen traden. Waarschijnlijk was zij in het geheim, want de student verzekerde mij later, dat rood en bleek zich op hare wangen afwisselden, als op een veld van pionies en lelien. De oude wenschte mij de heilbede, met welke ik zoo veel op heb. Vermoedt gij niet, dat Maria die langer dan ik beantwoordde, en over al het genoegen sprak, dat wij elkander op deze wereld verschaffen kunnen, indien wij het Goddelijk gebod der liefde betrachten, en onzen naasten vergeven gelijk wij vergeving afsmeeken? Zoo neen, het zal u duidelijk worden, wanneer ik u zeg, dat Geertje, bleeker dan ooit, van den haard omzag.

„Maar geene stroopers, Mevrouw!” hernam de oude Dirk. „Zie, ik had niets tegen den borst; maar toen ik hem met den haas betrapte, zeÓ ik: „Het is beter, dat ik u vandaag leer kennen dan over een jaar, Sinjeur! Geertje moet een’ eerlijk man hebben, marsch, Hendrik!”

En nu wenschte ik, dat ik het talent mijner gade bezat, die, door hare wijze van verhalen, zelfs kleinigheden belangrijk maakt, – om u te vertellen, gelijk zij het mijnen ouden Dirk deed, hoe zijne dochter hem, die bij wijlen aan aanvallen van jicht leed, niet aan het gure weder van dien dag had willen blootstellen, waarop men ten mijnent een’ haas verlangde, – en hoe zij, bij hare terugkomst van het kasteel, Hendrik ontmoet, en dezen had opgedragen een’ blooden veldlooper te schieten, – met welk gevolg weet gij reeds.

„Geertje, mijn Kind!” zeide de oude, „het was dan geen sprookje! Zie, ik dacht, de liefde verzint, en toen ik jong was, heb ik ook wel eens blaauwe bloemen gezocht!”

„Binnen, Hendrik!” riep de student.

Zalig zij, die vrede stichten!

wilde ik met uwen voortreffelijken Amsterdamschen dichter zeggen, maar Geertje kwam mij voor:

„Die Nieuwjaars-dag zal mij heugen soo lang ik leef; wŤl mogen zij u in het dorp eene engel des vredes noemen, Mevrouw!”

„Kind! maak mij tot geene heilige!” was het antwoord van Maria; „de herinnering, wel te hebben gedaan, is belooning genoeg!”

Hendrik kuste Geertje, dat het klapte; de oude Dirk zeide niets, dan: „God zegene u, Kinderen!” en mijn hart stemde in die bede des vaders.

Toen wij door het dorp huiswaarts wandelden, toonde HenriŽtte, dat zij de lessen harer moeder begreep en opvolgde; want haar sierlijk, maar overladen handkorfje werd bij de legerstede van twee zieken geledigd. Vriend! haalde uw nieuwjaars-morgen bij den mijnen; rezen er zoo welmeenende beden voor u op?

Antwoord, op het laatste vrijmoedig: ja! want Adolf stelde een toast op uw welzijn en dat der uwen in; en ik wenschte u, toen als thans, van ganscher harte, met de woorden van mijnen lievelings-dichter:

De hemel neeme uw stadt en u in zijne hoede.

De Gids 1837.