E.J. POTGIETER (1808 – 1875)

’T IS MAAR EEN PENNELIKKER

    Steets was hij op ’t kantoor en met de neus in ’t boek;
Sijn mutsjen op zijn hooft, sijn mouwen an voor ’t wrijven;
Want hy was besich staegh met dit of dat te schrijven:
    Dan sloot hy sijn ballans, dan sagh jy nae de kas,
    Ja wel, hy had soo veel te doen dattet wonder was!
Wat het hy in sijn hooft winckeltjes, en kassen,
En hockels en laedjes, dosynen van Lyassen,
    Vol Assignatie, vol Oblygatie, vol boomery,
    Vol Wissel-brieven, vol Retour, vol Factory,
Vol konnossementen, en vol Konvoy-biljetten,
En Kamers vol Journaels, Schuldt-boeken, Alphabetten,
    En riemen kladt papiers, van loopende uyt-gift,
    En Tafels vor chijffers, en schalien vol schrift!

Te regt zou men zich er over beklagen, dat de geestige Brero, welke ons in deze weinige regelen de stoffaadje van een koopmanskantoor zijner dagen heeft geschilderd, er geene teekening van de klerken zijns tijds bijvoegde, als het minder waarschijnlijk was, dat men het beroep, waarvoor thans een patent van kantoorbediende wordt vereischt, toen naauwelijks kende. Immers, het valt ligt zich een’ zeehandelaar der zeventiende eeuw voor te stellen, die slechts een factotum voor het loopende werk nahield, en misschien een’ boekhouder bezoldigde, welke wekelijks eenige uren de zaken kwam bijschrijven, – tenzij de zucht voor geheimhouding, onzen handel eigen, den man aanspoorde, geen derde toe te vertrouwen, wat niemand behoefde te weten, dan hij en zijne vrouw. Er zou harmonie zijn geweest tusschen dat vele zelfdoen en de overlevering, die ons vertelt, dat Jan de Witt maar n dienaar had. – Ik tart u echter uit, u de paruik van den kleinzoon diens koopmans voor den geest te brengen, zonder dat zich, in uwe verbeelding, rondom dat hoofdtooisel met een krulbatterij, een aantal jeugdige oude mannetjes groepeert, op het kantoor te voorschijn geroepen door een driedubbele behoefte: de zeden waren weelderiger geworden, – de gemeenschap had allerwegen toegenomen, – de mededinging was bij de naburen ontwaakt. Men kwam niet, tenzij men alle zeilen bijzette. Weder valt mij eene historische bijzonderheid in, welke deze wijze van zien staaft. In de dagen van Willem IV plagt de handel op ieder slempmaal gedacht te worden, onder den toast van „De zieke Bruid!” – Voeg nu bij de eigenaardige verschijnselen der negentiende eeuw: het verdwijnen van allen afstand, dat wij aan den stoom te water en te land hebben dank te weten, en de liefhebberij onzes tijds voor bespiegelingen en voorspellingen, op statistische tafelen gegrond; voeg bij dezen den uit beiden geboren’ wedijver, wie den vreemde het eerst, het uitvoerigst, het drokst berigten zal geven; en gij verbaast er u niet langer over, dat de meeste kantoren van drie tot zes, ja tot tien en twaalf klerken hebben. Alleen de veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij veroorzaken iederen Duitschen Commissionair grooter uitgaven aan papier, drukloon, en porto, dan een zeehandelaar weleer in een geheel jaar betaalde, en eischen handen in evenredigheid.

Waarom wordt men klerk? Gij hebt zeker wel eens eene school zien uitgaan, – eene burgerschool, meen ik, eene armenschool zelfs, en u vermeid in het wergaloos schouwspel, dat die jeugd aanbood? Welk eene gelijkheid, en welk eene verscheidenheid tevens! Eene wereld in het klein! Houd er oogen op, als gij kun!. Soldaatjespelen, – de eerste stok de beste is een generaalsstaf, voor dien flinken borst; – paardenmennen, – wie denkt gij, dat het spoedigst mo zal zijn, de koetsier of de rossen? – scheepje zeilen, – de klomp gaat te water, als zij maar een touwtje vinden om hem aan te vieren, – wij hebben het naauwelijks opgemerkt of de woeligsten zijn al uit ons’ gezigt: er schuilen matrozen, voerlieden, krijgslui in. Drr plaagt een krullebol een aardig meisje, – maar dat zullen zij eens allen doen, dat is het: algemeen menschelijke, – ik wilde u tot, den bijzonderen aard, blijkbaar uit de keuze van het een of ander beroep, bepalen. –. Welnu, we zien arbeidsen handwerkslieden in menigte: – toekomstige metselaars, die naar dat half voltooide gebouw kijken, of zij de evenredigheid der zwaarte tusschen balken en muren berekenden; – toekomstige hoveniers, die gadeslaan of de lentezon de knoppen van het geboomte sedert gisteren verder hadt doen uitbotten; – toekomstige kastenmakers, die een voorbijgedragen meubel begluren, of het open moest springen voor hun nieuwsgierigen blik; – maar, er zou geen einde aan zijn, zoo wij alles wilden bespieden, wat hier in den dop te zien valt. – En. echter, het is aardig naar het gindsche groepje te kijken: een der jongens heeft een stuk krijt gevonden, en zie eens, hoe hij teekent, hoe hij karikatureert! Hij hinkt aan hetzelfde euvel, waaraan wij allen lijden: hij overdrijft! Die neus van den meester steekt den draak met alle proportie. Doch, geen nood, er zijn critici om hem heen, recensenten voor ieder, die zijn werk der beschouwing van het algemeen prijs geeft; wat is billijker ? – Indien gij uw’ aanstaanden timmerman vindt in de drie voet hooge wijsheid, die dr een stroowisch tot passer bezigt, vergun mij op te hebben met den vluggert, welke een weinig verder een’ vlinder naloopt: hij zal blaken van lust om te ondernemen; hij zal koopman worden; hij zal wagen en winnen. Winkeliersgeest, die te huis blijft zitten en verbeidt, ik zie hem te over, bij dien knikerenden hoop. „Valsch doen!” hoor ik roepen. Arme jongen! die u zoo boos maakt over het gepleegde onregt; die den kleinen bedrogene de hand boven het hoofd houdt; die, nu gij hem hebt gewroken, zoo ernstig naar den blaauwen hemeI opziet, toekomstige dichter! wat deedt ge bij het spel? Hij geeft geen antwoord, verloren als bij is, in de beschouwing eener bloem, die aan den weg groeit; liefde voor het schoone bij zin voor het edele, ik mag dien jongen. – Toch verlies ik hem uit het oog, om den wil van gindsehen manke; gebrekkige jeugd in zulk een deerniswaardig schouwspel! – Maar ge hebt gelijk, hij kan klerenmaker of schoenenflik worden, en als hij geld en yest heeft, z goed een’ graad in eene der drie faculteiten verwerven, als een’ van deze regtsgeleerden, geneesheeren of leeraars in spe. – Doch, zeg mij, hebt gij in die bonte wemeling van standen, in die wereld in het klein, ergens een’ toekomstigen kantoorbediende gezien?

Helaas, neen! Er ligt te weinig pozij in dien toestand, dan dat hij den onbevangen’ blik der jeugd zou kunnen aanlokken. Stel u de jonkheid vr, zoo als ge wilt, onder den invloed van begrippen, aan den natuurstaat verwant, of alreeds beheerscht door den zin, die onze beschavingkenschetst. Het werktuigelijk beroep belooft zoo min geluk als gennot; het waarborgt even weinig vrijheid, als de schadeloosstollingen voor deze: weelde, gezag, roem. Denk niet, dat ik der volksjeugd zoo groote wijsbegeerte toeschrijf, dat zij zich van die oorzaak bewust is, dat zij er zich reden van geeft. Verre van daar. Maar des ondanks moet gij als ik dikwijls hebben opgemerkt, dat zij slechts sympathie over hadt voor alles, waarin kracht schuilt, dat de populairste beelden tevens de onafhankelijkste zijn. Het is of in den boezem des volks het bewustzijn der oorspronkelijke bestemming van het mannelijk karakter wordt omgedragen: ontwikkeling aller krachten, aller gaven. – Knecht – klerk – hofmeester – hoveling – hebt gij ooit een’ jongen ontmoet, die u zeide, dat hij n dier vier dingen worden wilde? Allen leeren spoedig genoeg – in de laagste kringen het spoedigst, – dat er iets, dat er veel van de vrijheid moet worden opgeofferd, om den wille van het geld – maar er geheel afstand van te doen, maar zich zelfverloochening ter taak te stellen, en dat wel een gansch leven lang, dit is eerst in lateren leeftijd het gevolg f van nooddwang, f van dweeperij, f, in exceptioneele toestanden, van deugd.

Als de school echter voor ons niet te vergeefs zal zijn uitgegaan, dan moet ge mij vergunnen. nog eens naar de jongens terug te keeren: er waren toekomstige klerken in den hoop, tweerlei soort zelfs, al was er niets in hun uiterlijk dat het aanduidde, al wisten zij het zelve nog niet. De trots des heers, de bedaarde naslenteraars, de bezadigde jongelui, zullen die waarschijnlijk opleveren. Het zijn of kinderen van gemeene lieden, die zich de nering hunner ouders zullen schamen, en, ten gevolge van het verbeterd onderwijs, ne sport hooger zullen klimmen op de ladder des maatschappelijken levens, die klerken zullen worden in plaats van bazen; – f het zijn zonen eener weduwe, van goeden, maar armen huize, telgen, die voor de misslagen hunner ouderen boeten: een onberaden huwelijk, de oorzaak van achteruitgang en armoede. Ik vrees, dat het te fijn gesponnen zou zijn, de eersten op school te willen herkennen aan hun uitmuntend gedrag, dat hen soms tot den twijfelachtigen rang van kweekelingen verheft; maar ik ben er zeker van, dat zij de bollen van de bent zijn, in fraai schrijven en vlug rekenen. En wat de laatsten betreft, wij hebben geene verontschuldiging in te brengen, dan dat er z veel te zien was; maar anders, wij hadden hunne bestemming moeten gissen uit armen en beenen, die zegevierend door mouwen en pijpen vau hun oud, maar fijn pak staken; uit aangezigten, die niets beloofden; waarop geene wolk van sluimerend talent rustte, waaruit geenerlei zielskracht blonk. Het beginsel, dat de ouders van beiden dit beroep voor hen zal doen kiezen, is hetzelfde: dolende eerzucht, die er krampachtig naar streeft heer te blijven;dolende eerzucht, die er krampachtig op uit is, heer te worden. Al het onderscheid tussehen dit groene koren des kantoors bestaat drin, dat de eene soort het voor een’ meelmolen houdt, waarin het heel veel eer is fijn te worden gemalen, terwijl de andere het niet hooger schat dan een’ pelmolen, waarin zij slechts van den bolster zal worden ontdaan. Eene verschillende wijze van zien, welke niet belet, dat Piet, die, na een jaar twee, drie sloovens, zijne eigen zaken dacht te beginnen, zijn leven lang achter den lessenaar van zijn’ patroon blijft zitten, terwijl Claes, die al overtevreden zou zijn geweest, zoo het hem vergund ware geworden voort te blijven kruipen, vliegt, vliegt, wat ben je me! Geen wonder, – de geblinddoekte fortuin drijft in alle standen hetzelfde spel, met voornemens en wenschen.

Er is een tijd geweest, waarin men geloofde, dat er, voorbereiding om op een koopmanskantoor te worden geplaatst, niets geschikter was, dan eenige jaren op dat van een’ practizijn door te brengen, des noods bij een’ advocaat, maar liefst bij een’ notaris. Soms verdwijnen kleine eigenaardigheden van het volksleven slechts ten gevolge van groote omwentelingen. Welligt zoude men, als het de moeite van het onderzoek beloonde, doorgaans tot dezelfde uitkomst komen, waartoe de navorsching Bezer bijzonderheid leidt, namelijk: dat elk begrip, iedere gewoonte eene schakel is in de groote keten, en dat de schijnbaar onbeduidendste niet wijken, niet te verwrikken zijn, dan door eene volslagen omsmeding, die het verroeste herblaakt, en louterende vernieuwt. „Bij een’ practizijn leert men stellen,” heette het. O genius van ons Proza! waartoe was het met u gekomen? De protocollen van Jan Borliut, de school voor de eenvoudigste uitdrukking ter wereld, de school ter afsluiting eener rekening, de school voor koopmans-briefstijl; – Hollandsche Taal! wie het kernige en korte scheen aangeboren; hoe hieldt gij het uit? Hooft had ons proza de toga der Romeinen aangehangen, en statig en sierlijk bewoog het zich in de breede plooijen; maar als hij had kunnen voorzien, dat men, het spoor bijster geworden in de bewondering van het Latijn, alle eigenaardigheid zou doen verstikken in het stof van processtukken en inventarissen, hoe zou hij den ongebonden’ stijl van de schoolsche banden hebben bevrijd! Had hij het proza niet vergund langs straat te slenteren, even als hij zijner schalker muze in het Gooi bij wijle vrij spel liet? Helaas! zijn aandringen op de ontwikkeling aller inheemsche gaven en krachten was vergeefsch geweest, hij voorzag slechts te juist, dat er een tijdperk van weelde, van traagheid, van stilzitten, op het woelige, krachtvolle, roemrijke, dat hij beleefde, volgen zou. Al waarschuwde hij er tegen, wat baatte het? Maar eene verslapping, die onze gedachten, onze letterkunde, onze volksbeschaving prijs gaf aan het voortdommelen in de nige slavernij, uit welke onze vaderen zich’ niet wisten vrij te maken, de kwalijk begrepen navolging der ouden; – maar eene verslapping, die eerst alles wat naar het Latijnsche zweemde, fraai vond, en, weldra in aperij ontaardende, aan iedere windvlaag, die ons uit den vreemde bastaardklanken overwoei, het oor leende, – wie zou deze hebben durven voorspellen? Het was of de woorden allengs hun gehalte verloren. Vervalschte, vermengde munt, werden er drie geldstukken vereischt, waar weleer n had kunnen volstaan, – en woog het bekende: „puur zuiver en innocent,” nog het goed oud-Hollandsche onschuldig niet op! Wat wonder, dat Effen, die den Genius van ons proza als portier van Jan Borliut aantrof, hem onhandelbaar en onhebbelijk vond; stroef van toon als hij heusch van geest wilde zijn, verlamd van tong en vereelt van oor, hem, die geschapen scheen, om voor alles wat kloek en groot, wat lief en schoon is, uitdrukkingen te smeden, louter nabootsenden klank, louter beeld! slechts n schuilhoek was den stakker overgebleven, waarin hij de armen vrij mogt hebben; slechts n publiek, waartoe het hem vergund was te spreken, in den schilderigen tongval onzer oude kluchtspelen: zoo de Spectator nog leeft, hij wijt het dank aan het beluisteren van de lippen des volks. Het volk, het gemeene volk, dat zijne taal niet met Latijnsehe en Fransehe bastaardklankeu had doorspekt, dat Hollandsch was blijven praten, kernig als het merg van zijn gebeente, – ruig als zijne breede borst, – waar als zijn aard. Lees de Angenietjes, en verbaas er u met mij over, dat men de burgervrijaadje zoo lang las en prees, zonder te beproeven, in schrift en stijl der natuur meer op zijde te streven. Of werd er een minder geweldige schok dan die der Fransche onwenteling vereischt,om onze geleerden uit de overpeinzing hunner Ciceroniaansche phrases wakker te schudden? te schrikken ware juister woord geweest. Immers, het was deze, welke hen dwong het oor te leenen aan raauwe kreten, ja, maar die ondanks hun volslagen gebrek aan numerus en cadans ter harte gingen; die hen verpligtte dragelijk Hollandsch te leeren schrijven, als zij tot Hollanders het woord wilden rigten! Dragelijk Hollandsch? Eere twee vrouwen, eere Agatha Deken en Elisabeth Bekker, die de behoeften des tijds begrepen en bevredigden, toen hooggeleerden nog een poespas zamenflansten, welks spelling huiveren doet. eere den kansel, wiens leeraars eindelijk oor hadden voor den eisch der beschaving, die invloed zochten door het nige middel, dat dien op den duur en eervol verzekert, een’ natuurlijken, een levendigen stijl, welke het ware verzusterd acht met het schoone. Eere aan van der Palm, die bij ons proza iederen zin, maar vooral dien voor het eenvoudige, ontwikkelde.

Als er ketterij in deze onwillekeurige uitweiding steekt, soo wijt haar aan het boeksken van professor Geel, over: „Het Proza” en vlei u met mij, dat hij de gedachten, er in aangegeven, uitvoeriger ontwikkelen zal. Ik loop, tot dien prijs, gaarne de kans zijner heusche teregtwijzing.

Jan Borliut – het wordt tijd tot ons onderwerp terug te keeren – Jan Borliut houdt geene kweekschool van kantoorbedienden meer; hij heeft, in den geest des tijds, een’ knecht om de deur open te doen, of een jongen, die aspireert tot eene klerksplaats. De knecht, het spreekt van zelf, blijft knecht – en de aspirant-klerk ziet met blijdschap den Nieuwjaarsdag te gemoet, waarop een wer jonger knaap hem zal vervangen, en hij bevrijd zijn van het verdrietelijk baantje, kagchelatoken, boodschappen doen, uitlaten, enz. Hij beklimt op zijne beurt’ eindelijk de langgewenschte kruk, hij schrijft concepten uit het klad in het net, en dat duurt z eenige jaren, in welker loop hij van kruk tot kruk, van die het digtst bij de deur tot die het digtst bij het venster wordt bevorderd. „Het is een schrale climax,” zegt gij; een oogenblik geduld; bid ik u! Hij heeft intusschen allengs grooter aandeel in de fooitjes, alias cadeaux gekregen, die soms aanzienlijk zijn, wanneer de fraai geschreven acte de opmerkzaamheid van den een’ of anderen client tot zich trekt, als het onverwachte eener testamentaire dispositie de mildheid van verraste erfgenamen uitlokt, om de arme drommels te bedenken, – als het kantoor weken lang geheim heeft gehouden, dat er eene nieuwe naamlooze vennootschap zou worden opgerigt, – die kostbare liefhebberij onzer dagen. – Waar zijn. intusschen de klerken gebleven, welke vr hem op die krukjes zaten, en die niet allen jonge heeren waren, rijk genoeg aan geld en geduld, om eene benoeming tot notaris te huis af te wachten, – nadat zij ongeveer alles van de praktijk hadden geleerd, uitgezonderd de beste praktijk, van alle, die – om met menschen om te gaan. Waar ze gebleven zijn? Jan Borlius heeft voor hen gezorgd. Hij onderscheidt weldra, wie hunner het tot eersten bediende, wie tot notaris op een dorp het al dan niet brengen kan, – en wat zou hij er tegen hebben, dat de stakkers, welke dit niet kunnen, dat zij vrijen en trouwen, mits men hem maar niet met de zorg voor hun onderhoud en dat hunner kinderen belaste? Door zijne velerlei relatin valt er ligt een baantje op te sporen; niet heel voordeelig, niet wergaloos vet, maar toch mooi genoeg voor een’ jongen, die al heel blij was, dat hij op eene kruk zat. Hoe dan ook, hij plaatst ze. En, schoone evenredigheid tusschen middel en doel! de burgerknaap, die aan hem verpligt is, dat hij zijn Maartje of zijn Grietje heeft kunnen huwen, dat bij een klein ambtje, een’ post bij den gouverneur of op het stadhuis heeft gekregen, hij is hem zijn leven lang dankbaar en vereert hem niet zelden als een’ vader. We kennen een’ notaris, die niet weet hoe dikwijls hij gezegend wordt door menig’ „sukkel van een’ vent,” dien zijn invloed aan de Nederlandsehe Bank of aan het Grootboek der Nationale Schuld heeft geholpen. Hij is schalk genoeg, om „wanneer er weer een geborgen is,” zoo dikwijls hij een’ der directeuren of ambteaaren dier inrigtingen ontmoet, deze te plagen met de klagt: „dat zij hem ook al zijne ezels afnemen!” Waarom zouden wij hem die scherts niet gunnen, gepaard als zij gaat met waarachtige humaniteit des harten, die bovendien voorkomt, dat uit zijne school de bent der zaakwaarnemers gerecruteerd wordt? Stil, – we zijn reeds te uitvoerig geweest over eene wereld zoo wl afgerond als deze, en welke ons onderwerp eigenlijk vreemd is, sedert het proza ontslagen is van den boei van Jan Borliut.

Tot onze eigenlijke kantoorbedienden, als gij wilt. Ziet ge dat paar in de binnenkamer, van den tweedehands koopman? Staaf, de jongste, is een burgermanskind, in de hedendaagsche beteekenis van het woord, nu fruitvrouwen en schoorsteenvegers ook al burgerlui zijn, och ja! Rivers – de tweede – is een ordentelijke jongen, wiens ouders „aangeziene menschen” zouden zijn, – hoe waar is die uitdrukking! – wanneer het niet zoo moeijelijk viel, zijn fatsoen op te houden met eene schrale beurs. Rivers is eenige jaren ouder dan Staaf, die pas van het Nut van ’t Algemeen komt, en siegenbeekt dat het een’ aard heeft, als Rivers zich aan de twijfelaarsgeslachten bezondigt, of kassa met eene c schrijft, of de tweede lettergreep van ontvangst met eene f begint. En Rivers zou der menschelijke natuur niet deelachtig moeten zijn, als hij den jongen voor „al die malligheden” niet strafte, zoo dikwijls het in zijne magt staat. Of hij het kan! – „Overschrijven,” – „overrekenen,” – heet het om een haverklap. Zie, ik zou de partij van Staaf kiezen, daar mij geen spel z ergert, als dat van dwingelandje, indien Rivers niet beklagelijker ware dan Staafje, – hij is op zijne beurt het slagtoffer van de luimen zijns patroons. Een tweedehands koopman, – geloof het op mijn woord! want er zou geen einde aan mijne schets zijn, als ik u al de waaroms moest verklaren – een tweedehands koopman is, bij de rigting, die de handel in enze dagen neemt, in meer dan de helft aller vakken, een schipper, die tegen wind en stroom roeit. – „Als het getij verloopen is, moeten de bakens worden verzet.” – En zoo dikwijls deze overtuiging zich den man zijns ondanks opdringt, wordt hij boos, en het eerste voorwerp het beste, dat hem in het oog valt, moet het ontgelden. Het is doorgaans de arme Rivers, die tegen mijn’ koffijkooper overzit. Heden waait de storm uit dat onnoozel stukje papier, waarop gij een binnenlandsch postmerk onderscheidt.

„Die verduivelde makelaars-knoeijerijen! Eene kwart ceel, – en dat koopt ook al in de veiling! – Rivers, het is toch alleronpleizierigst, dat – ”

Hetzelfde wat, de jongen heeft den graauw beet. Het is hard, want kan hij het helpen, dat de tijdgeest er naar streeft, alles zoo spoedig mogelijk van den producent tot den consument te voeren? – Het is hard, voor drie honderd gulden ’s jaars – met het uitzigt het tot vier, vijf, en mogelijk zes, na nog eenige jaren verduwens, te zullen brengen. Toch zwijgt Rivers, toch verkropt hij den onbillijken uitval, te onbarmhartiger, dewijl bij werloos ie, – maar o, hoe hij Staafje benijdt, die met wissels wordt uitgezonden, en er een vrij half uur van nemen zal! Neen, hoe hij den jongen duivel haat, die hem in zijn vuistje uitlacht!

– Eene verdrietige pauze.

„Manlief!” breekt eensklaps eene vrouwenstem de stilte af, „manlief!” eene ochtendmuts gluurt even om de deur, „als er nu een handje kon worden geholpen?” En de aarzeling waarmede de patroon, – nadat hij, op het verzoek zijner beminnelijke wederhelft, „ja! ja!” heeft geantwoord – de twee overgebleven kantoorbedienden aanziet, verraadt – verpligt mij, eer ik verderga, te bekennen, dat ik tot nog toe verzuimd heb, den vierden persoon op te voeren. Waarom? Hij is volontair, – in rang, op het kantoor altoos, tusschen Staafje en Rivers in. Hij zal hoogstens nog een paar jaren „bij den baas” blijven, om er de kennis dier artikelen op te doen, en welke bij later handel denkt te drijven. En nu tot den patroon terug, wiens schroom verried hoe zeer hij met de zaak verlegen was, en die toch eindelijk een besluit neemt, dat weinig tweedehands kooplieden zouden genomen hebben zoo als hij.

„Hm! – hm! –” zegt hij, „och, van den Bergh! ge moest eens even een handje helpen.”

En van den Bergh ik gebruik dien naam, dewijl ik geen, tijd heb, om in van Leeuwen’s Batavia Illustrata eene uitgestorven familie op te zoeken, – van den Bergh staat op, of hij, oorlog voerde, met zijn stoeltje, dat bonkt tegen den snipperbak, maar slaat de deur van het kantoor niet ruw achter zich digt. „Dat doen de dienstbaren,” zou hij zeggen.

Ik bid u, gis nu, waaraan hij verzocht werd een handje te: helpen. Wat kan mevrouw te doen hebben, waartoe zijn bijstand wordt vereischt? Welke dienst – maar ge zoudt u vruchteloos het hoofd breken. Het kantoor is aan, eene binnenplaats, heb ik gezegd. Naar Amsterdamsche huisverdeeling hebt ge dus tegenover het raam, waardoor de kamer haar liefelijk muurlicht ontvangt, twee vensters, die van de onontbeerlijke zaal, daar boven eene opkamer, dr wer boven een’ zolder, en beneden, diep in de diepte, de keuken; en nu, zie, of liever luister toe.

Roetsch! – daar vliegt een mand met turf het zolderraam uit, opkamer en zaal langs, snel als een pijl omlaag.

Piep – piep – piep – en de lege mand is wer boven; maar zou van den Bergh, – zou hij waarachtig – turf aflaten?...

Kling, kling, er is geen twijfel aan, kling, kling, kling, de tweede mand, blijkbaar opzettelijk heen en weer geschommeld, levert den ruiten van de zaal slag, die achteruit deinzen als, hazen, terwijl de turven de bres instormen, of het de verovering eener belegerde stad gold.

„Mijn God!” roept de patroon, „die rakker van een’ jongen!”

En Rivers?

Ach, houdt het hem ten goede, dat het hem, spijt de gebroken glazen, spijt de drift van mijnheer, spijt den angst van mevrouw, spijt de Babylonische verwarring in het gansche huishouden, te weeg gebragt door eenige schreeuwende kinders en de meid, bleek als een doek, de trap opvliegt, dat hij, spijt dit alles zich niet werhouden kan te denken:

„Jongens! die zich kon doen gelden als van den Bergh, die mony had als hij!”

De wraak is hem al op de hielen.

„Rivers! in het vervolg laat jij turf af, je bent bedaarder,” zegt de patroon, die van den Bergh naauwelijks heeft durven bestraffen; hij zou hem geantwoord hebben, dat het knechts werk was. En Staaf, Staafje, die met de overigen wer binnen is gekomen, Staafje hoort het, Staafje, die „er vinger en duim naar zou likken” om drie honderd gulden ’s jaars te trekken, – de mededinger in den dop!

Als Rivers weigerde, – er loopen andere Staafs in menigte langs de straat! – Maar het komt niet bij hem op – hij lachte straks niet bij het rumoer der gebroken vensterschijven, – hij verkropt nu.

Gelukkige van den Berghs, gelukkige volontairs! had ik moeten zeggen, die u zelve niet om den wille eener kleine toelage behoeft te verloochenen, die den handel als eene wetenschap bestudeert, wat zijn voor u copijboek, rekening-courant, journaal, grootboek, wat zijn ze voor u andere voorwerpen, dan voor den eigenlijk gezegden bediende? Of verkeeren in uwe oogen de cijfers niet in zoo vele tooverteekenen, welke gij magtig moet zijn, om den staf te zwaaijen, die alle geneugten des levens, alle weelden van den geest ter beschikking van zijnen gelukkigen eigenaar stelt! „Phoe!” hoor ik uitroepen, „alsof er pozij in den handel school, alsof hij iets van philosophie wist!” En men is zeer beleefd, als men het daarbij laat; want het spook der slinksche streken, der knevelarijen, der volslagene oneerlijkheid, het staat aan de deur en het klopt. Laat binnen, mijne heeren! er zijn schelmen onder de kooplieden; – maar eilieve, vergun mij eene enkele vraag: is in uwe kringen, in die der wetenschap en in die der kunst – voor de balie, bij het ziekbed, op den kansel, – in den raad en aan het hof, is daar alles goud wat blinkt? Ik eisch niet, dat ge mij de gruwelen biecht, welke allerlei ijverzucht, van lage broodnijd af, tot geniale jaloezij toe, ook onder u aanrigt; ik wenschte slechts, dat gij erkendet, dat menschen menschen blijven, waar gij die ook aantreft. Ik vleide inij, dat uwe studie u ten minste tot de overtuiging zou hebben geleid, dat een gezin, eene maatschappij, een staat, dat onze handeldrijvende burgerij, zoo zij door geene andere dan onedele, oneerlijke, onzedelijke beginselen werd bezield, niet zoo lang zou hebben bestaan, in de orde der dingen niet denkbaar is. – Pozij, philosophie, het ligt gelukkig in den aard der menschelijke natuur, die overal me te dragen, die onder allerlei omstandigheden aan te kweeken: wie oogen heeft om te zien merkt beide alom op.

Volontairs vallen eigenaardig in twee klassen te verdeelen, inheemsche en uitheemsche. De kantoorbediende haat beide met een’ fellen haat. „Het zijn heertjes, die voor een’ beenen knoop werken!” Wat wonder, dat hij de binnenlaudsche nog minder kan uitstaan dan de buitenlandsche? Om de laatste van de hoogte, waarop zij zich boven hem plaatsen, ner te trekken, geeft onze volkstrots hem honderd middelen aan de hand. Ten eerste „zijn het meestal maar moffen” – ten tweede „vreemde vogels, vreemde veren; wie weet, hoe het er in hun nest uitziet?” – een derde.... maar er is geene aardigheid aan de teekening dier magtelooze woede en even magtelooze wraak. Ook treffen wij bij den tweedehands koopman slechts den inboorling, slechts een’ vrijwilliger van goeden Hollandschen huize aan. Grooter kwelling dan de trekvogels, die hier hunnen zomer doorbrengen, en in het volgend saizoen naar Havre of naar Liverpool, naar Hamburg of naar Londen vliegen, blijft de inheemsche vrijwilliger onzen klerk eene rots der ergernis, die geenszins uit den weg wordt geruimd, al stoot hij er telken morgen op het kantoor zijne scheenen niet meer aan. Immers, ofschoon de heuschheid des chefs veelal tegenstellingen als die, welke wij straks omtrokken, voorkomt – de turfhistorie is exceptioneel, maar schildert er niet minder om! – toch vallen er op de grenzen gedurig schermutselingen voor. Neem eens beider uitspanning! Wat de openbare betreft, het verschil is gering, dewijl we er schier geene hebben: dank zij de ligging onzer koopsteden, dank zij onzen huiselijken aard! Immers, – wandelingen? geniet de natuur als gij kunt in den omtrek van Amsterdam of Rotterdam! Gezellige genoegens in den winter, in ruimeren kring dan die van vertrouwde vrienden? de laatste stad biedt er weinig aan, tenzij ge het koffijhuis, het biljart, enz. daaronder betrekt. Concerten? ze zijn in de hoofdstad wat duur voor kantoorbedienden; maar deze heeft schouwburgen, het is waar, in het gebouw op het Leijdsche plein – met acteurs, die om eene longtering wedijveren, zoo schreeuwen zij – voor de vrijwilligers; en voor de anderen de Varits in de Nes – de kunst en nog iets, eene pijp en een glaasje. – En toch, zult ge mij van geene overdreven kieskeurigheid beschuldigen, als ik deze en andere pleizieren, onzer jeugd uit den middelstand aangeboden, maar overspring, om van het onderscheid tusschen beider huiselijke geneugten te gewagen? Stel u van den Bergh voor, als hij des zomers, ’s zaterdagmiddags, na de keurs, in een’ omnibus wipt, om naar het buiten zijner ouders te sporen, of uit het portier eener diligence, de gansche Kalverstraat door en de Utrechtsche op den koop toe, op de t’huis blijvende sukkels, Rivers en consorten, nederziet, hij, die naar de Vecht of naar Zeist moet! En de winter is niet liefelijker voor den misdeelde dan het schoone saizoen zich jegens hem betoonde; de vrijwilliger woont in die barre maanden allerlei partijtjes bij, met wier beschrijving hij misschien den klerk kwelt – dewijl het hem, in de prettige stemming, eener onbezorgde jeugd eigen, niet invalt te vermoeden, hoe zeer het verhaal dier geneugten den ontberende ergert en grieft. Van den Bergh spreekt van zich te vestigen, van den Bergh is gengageerd, als Rivers nog aan geen huwelijk, zelfs met een allerburgerlijkst meisje, denken durft. Welk een hatelijk buurman wordt hij; wat al afgunst wekt hij op! Confraters achter den lessenaar, herneemt de hoogere stand zijn regt, liever gaapt de maatschappelijke klove op nieuw tusschen hen, zoodra zij de deur des kantoors achter zich hebben digtgetrokken. De eene hedt eene toekomstige; de andere geen verschiet, dan dezelfde dienstbaarheid. Als de balling van het maatschappelijk leven er zich niet dood over zal kniezen, rest hem maar n middel om gelukkig te zijn: het zich te wanen. Andere kapitein Jackson, die zich in zijne armoede rijk dacht, moet hij zich verbeelden, dat hij er in zijne bekrompenheid wonder wel aan toe is. Of het bij allen, als bij den vriend van Lamb, ontstond uit, eene speling der natuur, die de oogen des mans, voor het weinigje hem verguud, de eigenschap van vergrootglazen bedeelde! Maar bij geen enkele van honderd heb ik de opgeruimdheid van geest, aangetroffen, welke dien sanguinen Brit onderscheidde; het is meestal een ziekelijk zelfbedrog, dat kwalijk de innerlijke ontevredenheid vermomt. Als men herwaarts en derwaarts heeft uitgezien en van deze noch van gene zijde hulp, licht, troost ziet. opdagen, dan zet men zich moedeloos ter zijde van den grooten weg neder, dan legt men de handen in den schoot, en verzekert: den eersten voorbijganger den beste, die ons vraagt, waarom wijd dr blijven mokken: „Wel, ik mok niet, – ik zit hier heel goed;” al is de glimlach, waarme wij het zeggen, ook zuur als edik.

De billijkheid eischt, dat wij er bijvoegen, dat de middelen om uit dien toestand te geraken, soms erger kwalen te weeg brengen.

Het is zomer – het is zondag-ochtend – het is zeer vol in het Park (in de Plantaadje te Amsterdam). Een gesprek over de groote voeten der Hollandsche vrouwen, in een poespas van allerlei talen, aan een met zes of zeven jongelui en even zoo vele glaasjes bitter bezet tafeltje luidruchtig gevoerd, ergert al wie in de buurt zit: den heeren, dewijl zij het ongeveer. verstaan; der dames, dewijl ze er meer van begrijpen dan haar lief is. Eensklaps rijst de drokste babbelaar van allen op: „Himmelkreutzelement,” roept hij, „een oude kennis!” en stuift naar een jonkman, die, in een’ hoek, tegen het logement aan, bij een’ kop koffij zit te mijmeren.

„Wel, Vreese, hoe maak jij het? – het is opvallend, zoo weinig als je veranderd bent, ’t is fameux!”

De aangesprokene neemt den vreemden snoeshaan van het hoofd tot de voeten op. „Ik weet waarlijk niet, wien ik de eer heb te zien,” zegt hij, schoon de eer gering is; want, trots de elegante kleeding, trots den gouden horologieketting, trots den baard la jeune France, en een’ glac-handschoen, die om de lange linkervingers schijnt gegoten, terwijl de Vreese toegestoken regterhand met een’ ring, wat ben je me! praalt, brengt de oude kennis noch den aanbevelingsbrief van een fatsoenlijk voorkomen, noch het hooger te waarderen getuigenis van een zedelijk gedrag mede.

„Hoe heb ik het met je? Stupfait, Vreese? ken je dan waarachtig Braeuwtje niet meer? De Braeuw, mau!”

Vreese herinnert zich, ja. Het is zeven jaren geleden, en toch heugt het hem, dat er, op een’ mooijen Meidag, een flinke borst aan het kaatoor kwam, die maar een half jaar bleef, en aan wien hij echter dikwijls heeft gedacht; de jongen had raafzwart haar, en oogen als vuur. Het eerste is er nog, – maar de laatste! Als Vreese dichter was geweest, hij had er uitgebrande vulkanen in gezien. Herkenning, – herinnering, – herschepping, – de daad, de gedachte, de opmerking, was’ het werk van een oogenblik; eenige onbeduidende vragen en antwoorden volgden, – de Braeuw was al begonnen aan eene vertelling van zijne historie.

„En ben je nog altoos bij den Oude? Hij was mijne gading niet. Dat had ik gaauw gewaarmerkt, en daarom poetste ik de plaat. Ik heb lang gezocht, en zal blijven zoeken, tot ik vind wat mij lijkt. „Toujours content et sans souci, e’est l’ordre du grand Bamboury!” als een oude likkebror ze. Laat zien hoe dikwijls ik al omzadelde. Fameux! Van Effens en Zoon, waar ik je leerde kennen, naar Schnack & C maar dat weet je, toen zagen wij ons nog; – van Schnack & C naar Gebroeders Ter Sol, te Rotterdam; van die, naar Auf Dem Acker Wittwe & Sn 8, in Crefeld, en uit dat aardig stadje naar Du Bois, la Rivire & Ce., te Parijs; ik zou er eerst bij een grooter huis zijn gekomen, maar die onderbraken hunne betalingen: c’est jouer de malheur, ma foi!

„Maar me dunkt,” zegt Vreese, om toch iets te zeggen, „ge hebt geene reden van klagen, – zoo dikwijls buiten betrekking, en toch telkens wer geplaatst....”

„O dat is het minste, jongenlief, als men zich presenteert, zoo als ik.... fameux! En bovendien, er zijn huizen genoeg in Parijs, die zich vleijen met de exploitatie van eene goudmijn, dans le pays de canaux, canards, canaille, als ze maar een hollandschen reiziger hebben. Foei, wat zie je zuur om die aardigheid van den Heilige van Ferney! Het is een woord, waarin veel waars steekt, schoon het mij hier zelden ontsnapt. Drommels, neen, men moet in dit land zeer voorzigtig wezen; en toch knijpen ze hier de kat in den donker. Maar wie zijn leven genieten wil – fameux!” –

„Die moet naar Parijs,” valt Vreese, met veelbeteekenenden blik in.

J’ai longtemps parcouru le monde,” – neuriet de Braeuw, – ~Statt Reuter bin ich nur noch Pferd, dat is waar; maar toch heb ik andere dagen beleefd, dan gij ooit bij den oude zien zult. Schnack’s reiziger gaf mij eens een kijkje op zijn leven, en schoon hij maar een apenkind was, en zijne pret niet de geraffineerdste, dat moet ik van de gesinnungen van den man zeggen, hij was van de ware leer: Le jour aux affaires, le soir au plaisir – fameux! Er is overal goede wijn, en er zijn overal mooije meiden – of ben je misschien getrouwd?”

„Excuseer!” zegt Vreese – een mal antwoord op zulk eene vraag.

Pas d’offense,” aan een huwelijk valt in onze betrekking niet te denken, en ook: Que diable allait-il faire dans cette galre? Er zijn zoo weinig vrouwen, die niet wel eens – fameux! Maar je ziet al we0r zuur, heb je zusters?

„Wij hadden eene moeder, de Braeuw!”

C’est du srieux, vraiment!” maar Vreese lachte niet. „Wat ik maar zeggen wil,” vaart Braeuwtje voort, „dat ik een prettig leven heb geleid; dat zit er achter den houten bak niet op. „Poot an speulen,” zei Schnack, „dat ist Hollandsch!” – het was al wat hij in dertig jaren hier had geleerd; maar wien hij er toe kreeg, mij niet. Als ik er langer gebleven was, dan zou het tusschen mij en den grompot tot daadwerkelijkheid zijn gekomen, bei meiner Seele, dat zou het – fameux! Maar ik kreeg de reizigersplaats te Rotterdam in het oog, in Verfwaren, weet je; – in Crefeld pakte ik de Linten beet; – nu heb ik eene heele Galanteriekraam bij me. Kom eens kijken, als je lust hebt: in de Star, No. 15, votre service, mits dat ge mij niet alleen laat babbelen. Adieu, Vreese, au plaisir!”

Vreese oogt hem half verbaasd, half verontwaardigd na – en wl mag hij het doen! Verbastering van taal en verbastering van zeden, niets degelijks, niets hollandsch meer! – „Alleen, babbelen!” – wat zou hij hem hebben toe te vertrouwen? Hoe arm aan gebeurtenissen, aan geneugten vooral, is zijn leven in diee jaren geweest! Wat heugt er hem van dan ellende? tweerlei jaloezij! De eene is hij te boven, maar de andere?

Opdat ik niet langer in raadsels spreke, hij heeeft bij Effens en Zoon een’ confrater gehad, die het veel verder in de wereld zal brengen dan hij – het was ook een Oost-Fries. Als gij rondziet, hoe velen van die natie, neen, van die inboorlingen van Embden, Leer, en meer stadjes van smokkelige vermaardheid, hier wortel hebben geschoten, dan zult ge het met mij eens zijn, dat f ons volk eene predilectie voor hen heeft, f dat zij met het genie der intrigue zijn begaafd. Gaarne vergun ik u eenigen van het dilemma uit te zonderen; ook ik ken er heusche menschen onder, enkele zelfs reken ik tot mijne vrienden. Maar de lessenaarmakker van Vreese vertegenwoordigde al de gebreken, welke de soort kenschetsen; hij wist „ieder schoenen naar de voeten te geven,” dat wil zeggen, beurtelings onbeschaamd en laagzielig, was het hem om het even, of hij trapte, of dat hij getrapt werd – mits hij maar vooruit kou komen, vooruitkruipen is het ware woord. Effens en Zoon – brave kooplui in granen – waren in het eerst zeer met hem gediend; – niets natuurlijker. Zij eischten slechts het redelijke van hem, maar hij zou zich zelfs het onredelijke hebben getroost; – het was zijn belang hunne relatin zoo spoedig mogelijk te leeren kennen, – en het scheen, dat hunne zaak hem ter harte ging, als ware ze zijne eigene geweest. Hoe verschilde het oordeel, over hem uitgebragt, naar het doel dat men hem toeschreef: Vreese sprak van afneuzen fikflooijen, terwijl de patroons hem voorkomend en ijverig prezen. Weldra walgde de eerste van den gluiper, en werd onaardig, norsch, bar tegen hem; de Oost-Fries trachtte den steen, dien hij niet uit den weg konde schoppen, op zijde te sschuiven. Hij lasterde Vreese, maar de in het duister afgeschoten pijl stiet op den schutter terug, en – hij kreeg zijn afscheid. Hoe Effens en Zoon er voor boetten, dat hun open aard hun niet had vergund, hem te verhelen, hoezeer zijn karakter hen tegen de borst stiet! Naauwelijks was hij bij een’ hunner niet overkiesche concurrenten geplaatst, of deze schoten met het kruid, hun door den Oost-Fries verstrekt, onder hunne duiven. Hij had een hoog salaris bedongen – want hij kon relatin aanbrengen van zijne vorige patroons. – „Dat gaat zoo,” zeide deze en gene; maar wie het zeide, Vreese niet. Trots al het geld, dat zijn voormalige confrater nu verdient, zou hij niet in zijne plaats willen zijn. Vier of vijf soorten van beroepen in zich vereenigende, en partij trekkende van elk, bij wie het hem gelukt zich in te dringen, zal het niet bij den tilbury blijven, waarin hij straks Vreese voorbij reed, een leelijk gedrogtje, maar dat geld heeft, aan zijne zijde. Vreese, die zich niet werhouden kon haar op te nemen, beantwoordde het knikje niet, waarmee hij hem groette – zulke Oost-Friezen worden nooit kwaad, weet ge.

Welligt zou Braeuwtje, ondanks zijne wilde haren „amen!” zeggen op de voorkeur, die Vreese aan „een” goeden naam boven olie” geeft; maar zijne tweede confidentie, neen, het viel dezen niet te vergen hem die te doen. Stel u voor, welke oogen de losbol op zou zetten, bij het verhaal eener hopelooze liefde! „Peut-on tre si bte! zou hij uitroepen, „voor deze eene audere!” – Maar Vreese heeft Betsy al drie jaren gekend, en nog is the awful question niet over zijne lippen gekomen, al is hij zeker, dat zij hem geen „neen!” zal geven. Hij zou haar vragen – als hij maar geen kantoorbediende was.

Eenige weken vr zijn bezoek van het Park zaten zij zamen aan de piano; hij speelde, zij zong. Ik weet niet, welk teeder liedeke van Heije haar deed haperen – genoeg, schroom beving haar, zij aarzelde; – o hoe gaarne had Vreese haar door een’ kus gezegd wat zij niet durfde uitbrengen! Onwillekeurig hief zijne hand zich van de toetsen op, de verzoeking was hem te sterk, – hij wilde zijnen arm om haar midden slaan.

Helaas!

Betsy begreep en verijdelde het gevaar, waarin zij verkeerde; ze zong den tekst, smeltend als hij was. „Maar een kantoorbediende!” zuchtte Vreese, op wien hare zelfoverwinning den invloed uitoefende van een koud bad. En een derde kwam binnen en de piano ging digt, – Betsy ontving hem sedert niet wer alleen.

Ongaarne zou zij hem bedroeven, en echter, een blaauwtje moest zijn lot zijn; want wat zou zij, als ze hem nam, harer kennissen, harer vriendinnen antwoorden, als zij haar vroegen: „En wat doet mijnheer?”

Ge zult als ik met Vreese ophebben, wanneer ik u verzeker,, dat het hem nog nooit was ingevallen te wenschen: – „Dat Betsy rijk ware!” – dat de gedachte aan een’ mariage de raison hem nog een gruwel was. Het is waar, hij telde naauwelijks zeven en twintig jaren, maar: „liever naar de Oost, dan door eene rijke vrouw de man te worden!” Hoe zich de zeden afspiegelen in de onderscheidene beteekenis in verschillende eeuwen aan de woorden gehecht! „De man:” dat was weleer in hoogen en lagen kring, de verpersoonlijking van moed en van kracht: dat was hij, bij uitnemendheid, die de lans het rapste velde, die de bijl het zwaarste neer deed vallen, – dat is in onze dagen hij vooral, neen, hij alleen, die het hoogste woord mag voeren, dewijl hij geld hedt. En echter, gij zult als ik Vreese beklagen,wanneer ik er bijvoeg, dat hij – er zijn jaren verloopen sedert het oogenblik, ’t welk ik schetste, – na vaak, maar altijd vergeefs naar eene betere betrekking te hebben gestaan, zich thans te oud acht, om naar Nederland’s Indie te vertrekken, en die meening voedsel geeft door de theorie te onzent aan de orde van den dag: „En vogel in de hand is beter dan drie in de lucht!” Van den bedompten kantoor-dampkring schier geheel doortrokken, is hij allengs meer der onderdanigheid gewoon geworden, verbaast hij er zich zelfs niet langer over, dat hij dag aan dag mede aan de beurs figureert: de nul, die de eenheid vertienvoudt, maar op zich zelve slechts eene nul is. Conservatief quand mme gruwt hij van alle nieuwigheid-zoekers in alle vakken; zoo de veranderingen, welke die „afbrekers” wenschen, tot stand kwamen, ze konden hem zijne betrekking kosten,’ zijne betrekking, die zijn alles is, – sedert Betsy huwde! – Hij leeft immers nu tevreden – behalve wanneer hij haar ontmoet, een jongske van een jaar drie vier, aan de hand? –

Het deert mij, dat mijn onderwerp er me toe verpligt zoo veel geloof van u te eisehen, en toch zult gij weder op mijn woord moeten aannemen, dat het nergens moeijelijker valt met een klein fonds zaken te beginnen, dan in eene der koopsteden van ons vaderland, – dat men aan geene beurs, om een’ technieken term te bezigen, „meer op de tand wordt gevoeld,” dan aan de Amstevdamsche. Ware dit zoo niet, welligt had ik nooit uw geduld door dit opstel op de proef gesteld; welligt kende onze taal den smadelijken uitroep niet, aan het hoofd dezer bladen geplaatst. „’t Is maar een pennelikker!” geldt minder den veertien-, vijftienjarigen borst, die zich te goed doet op de zaken van zijn patroon, dan den kantoorbediende van dertig of vijf en dertig jaren, die, trots zijn’ rooden hoed en kalen jas, aanspraak maakt door de heffe des volks „mijnheer” te worlen genoemd. „Foei, van den ziekelijken trots!” wilt gij uitroepen; of ik u bewegen kon te zeggen:. „De arme afhankelijke!” Vergun mij den toestand andermaal in beelden te brengen, het zal de scherpste toets van de billijkheid mijns verlangens zijn. Mogt die schets mijner voorstelling tevene vrijwaren voor al te eenzijdige opvatting! Vreese en de Braeuw kunnen misduid worden tot een beweren dat kantoorbedienden zelden trouwen, dat reizen in den vreemde onze jongelui bederft. Behoef ik te verzekeren, dat ik noch het eene noch het andere bedoelde? dat ik slechts wilde afschaduwen, hoe de verloochening van zelfgevoel, waarvan wij in Rivers eene proeve zagen, maar de eerste stap is tot nog zwaarder ontberingen – Vreese – tenzij de natuur zich door uitspattingen wreke, als in den verbasterden de Braeuw?

Onze schilders bezitten een eigenaardig talent voor het huiselijke. Ik heb het hun zelden zoo zeer benijd als in dit oogenblik; want ik moet u een klein vertrek binnen leiden, zoo klein, dat gij het met een’ enkelen oogopslag kunt overzien. Gelukkig dat het avond is, dat er een tinnen kapje werd gezet op de kleine lamp – die in het midden der kamer op tafel staat – anders gaf ik dadelijk den wedstrijd met hen op. Maar schort het geheel aan mijn gebrek aan talent? Staar eens een oogenblik in die graauwe schemering, buiten den kring des lichts, rond, en ge zult begrijpen, waarom de heeren van het penseel zoo ongaarne hedendaagsche binnenhuizen schilderen, waarom zij bij voorkeur de stoffaadje der zeventiende eeuw kiezen. Of zou het u invallen den weerzin, welken hun dit vertrek zeker inboezemde, toe te schrijven aan de menigte der voorwerpen, welke gij allengs ontdekt? Neen, er is geen enkel onder deze, dat zich opdringt, dat uitsteekt, dat schreeuwt. Er heerscht zelfs meer orde in hunne plaatsing – lof zij der huisvrouw! – dan een schilder verlangen,dulden zoude. Maar de lijnen dier meubelen, maar de vermenging van allerlei stijl, in den vorm dier sieraden; maar het volslagen ontbreken. van een’ harmonischen indruk des geheels, ziedaar zwarigheden, welke moeijelijker zijn te boven te komen, dan dat de kamer tevens tot huizen en tot slapen dient. Nog eenmaal zij de moeder des gezins geprezen, er komt des ondanks in het vertrek niets aan het licht, dat der keurigste kieschheid ergeren kan. Doch orde in de schikking, en zindelijkheid in het gebruik, het zijn wel voorwaarden van schoonheid, maar zij volstaan voor haar wezen niet, dat eischt meer. Ik zou dan ook geen woord reppen van dien vierkanten klomp houts, eene chiffonnire geheeten – zijn beslag is nog glanzig of het pas uit den winkel kwam – als er naast de kleine, heel kleine pendule, op deze geplaatst, niet een paar jannen van kastanjevazen hadden gestaan. Ik zou mij, bij gebreke der golvende lijnen van een oudewetsch, spiegelkabinet wel wachten, u een aanregtje, alias trumeau, te wijzen, dat ons leelijk schoeisel aan het licht brengt, als zich daarop niet een hooge pijpenstandaard had verheven, wiens krul-lende koperen slang verwaten neerzag op een paar herders en’ herderinnetjes van porselein. Ik zou – maar ge schenkt mij de verdere besehrijving, dewijl ik niet als de schilders stoffeeren mag fantasie, en ik maak dankbaar van uw verlof gebruik, na der vrouw des huizes met een enkel woord te hebben verontschuldigd over de plaatsing dier kastanjevazen, over die liefhebberij in gebakken beeldjes, na u tevens te hebben verduidelijkt, waarom, ik er van ophaalde. Beide waren cadeaux, het jonge paar bij zijn huwelijk vereerd. De eerste werden hun te huis gezonden door een’ Oom, die het hart te hoog droeg om iets nuttigs te geven; en de jeugdige echtgenoote, welke hem ontzag, wist hare dankbaarheid niet beter te bewijzen, dan door een geschenk waarvan zij wel nooit gebruik zou maken – te pronk te zetten De tweede zijn haar vereerd door eene oude nicht, „die eindelijk iets had gevonden, waarbij men haar dagelijks gedenken kon,” – en of men het deed, bij de porseleinen sta in den weg’s!

Te over welligt, om u eene burgerlijke bovenvoorkamer voor den geest te roepen, nu binnen het schijnsel der lamp gezien. Welk eene groep! Eene moeder met twee kinderen: een jongetje van vijf, eeu meisje van drie jaren, – het laatste zit stil op haren schoot, terwijl het eerste aan hare knieen zijne avondbede opzegt.

„Amen!” fluistert de moeder haar zoontje na.

Maar hoe lief is die kleine in haar wolkje van wit nachtgoed; hoe koost en streelt ze met hare mollige armpjes de wangen der moeder: z iets laat zich niet beschrijven, het is te zeer natuur.

Geloof mij, dat ik het verder zou brengen in het schetsen van het jongske, dat niet afgunstig, maar toch benijdend aan hare knie staat, en –

Daar legt zij de hand op zijn’ krullebol.

„Ge zult woord houden, Wim?” vraagt zij.

„Het eene versje kan ik nu al, moederlief!” en waarlijk, daar rolt een dier gedichtjes van zijne lippen, welke van Alphen een’ onsterfelijken roem waarborgen –die hem bij de zaligen streelen mag! –

„Braaf, Wim!” zegt de moeder, „morgen het andere,” en zij brengt Chrisje naar hare wieg; doch eer zij ter tafel terugkeert, loopt het jongske haar half ontkleed te gemoet.

„Nu nog een zoentje voor vader, – komt hij haast weer?”

Het knaapje vermoedde weinig, hoe zeer het den wensch zijner bekommerde moeder ried – haar man was voor het kantoor zijner patroons reeds eenige weken op reis. Zie, zij zit weder in haren leuningstoel; de weinige toestel, voor het avondmaal der kinderen vereischt, is al weggeborgen. IJverig vat zij de naald op, en echter, het is of het werk niet vlotten wil. „Dat hij werom ware!” denkt zij. En ze haalt een klein beursje uit den zak, en zij telt de weinige guldens, welke er nog in zijn, over; en zij werpt een’ blik op de pendule: al digt bij half negen ure! Wis zou zij nog eenmaal in den almanak kijken, de hoeveelste van de maand het is, als ze niet reeds lang November had te gemoet gezien, als ze er niet zeker van was, dat het eergister al de eerste is geweest. „O, als hij t’huis ware!” dan zou ze reeds toen het vierendeeljarig salaris bebben ontvangen, en echter, hij had haar z stellig verzekerd, dat de heeren het zouden zenden.

De heeren! –

Honderde gedachten gingen haar door het hoofd; maar geene , enkele, die krenkend was voor haren man – honderde gedachten, in haren toestand, zij zou eerlang weder moeder worden, dubbel pijnlijk. Wat was waarschijnlijker, dan dat het op het kantoor vergeten was het haar te brengen; maar, zou zij dan morgen, overmorgen, in de volgende week – z lang zouden hare guldens niet strekken! – er om gaan vragen? – Slechts met looden schoenen zou zij den trap opklimmen. Het wijf van een’ daglooner eischt, bij ontstentenis van dezen, zonder omweg, de penningen, die haren man toekomen; maar zij, die juffrouw heet, die – – En echter, de kinderen hadden kleine behoeften voor den winter, in welke zij nog vr hare bevalling voorzien moest, maar niet voorzien kon, als zij geen geld had.... O, indien zij zich dit alles had voorgesteld! indien zij had begrepen, hoe zij toch altoos niets anders zou zijn, dan te groot voor een servet en te klein voor een tafellaken, indien zij dat geweten had, eer zij trouwde – foei! Zij had haren Gerrit immers nog lief, als toen zij hem nam? En hare kinderen! Zie, al verzwaarde de ongeborene reeds nu hare zorgen, als zij aan het derde zoo veel genoegen zou mogen beleven als aan de beide eersten, dan had zij er dit, dan had zij er alles voor over. Maar – als het Gerrit gegaan ware, zoo als hij zich vleide dat het hem gaan zou, toen zij huwden, zoo hij een aandeel had gekregen, neen, dan zou er nu geene glinstering van angstzweet op die fijne vermagerde slapen zijn geweest.

Negen ure!

O rijkdom van pozij, die er in het hart eener moeder schuilt! Wat zij haar zoontje ook zou laten worden, zei zij in zich zelve, geen kantoorbediende! en toen dat afgepraat was, liep ze eene reeks van beroepen door, en hare verbeelding schoot wieken aan, als hij eens een man in bonis wierd, als oom! Ja, die zou in staat zijn, als hij wilde, het jongske voort te helpen: was hij niet een oud vrijer, was Wim niet zijn petekind? Doch, als het hem dan eens goed ging in de wereld, heel goed, zou hij haar dan nog liefhebben als nu, haar, Chrisje, den ongeborene, zou hij dan k smadelijk nerzien op zijnen vader, den kantoorbediende? God beware hem voor zulk een’ rijkdom! Maar neen, Wim stond haar voor den geest. Wim, wiens oogjes – het waren sprekend die van haren Gerrit – de verdenking logenstraften; Wim, die zoo veel van zijn zusje, zoo veel van haar hield. Eer zij het wist, waren hare handen gevouwen, – zij bad voor haar gezin, zij bad tot voor het ongeboren kind toe.

Het sloeg half tien ure!

Helaas, de vraag: „wie weet waarom het geld uitblijft?” kwam weder bij haar op. Gerrit’s laatste brief moest uit de plooijen van haar huiskleed te voorschijn gehaald worden. Rijkdom bewaart ter nood minnebrieven, – armoede draagt die van den echtgenoot op het hart. Wat had zij hem dikwijls gelezen, en telkens met dezelfde belangstelling! Liefde is de ware lezeres. Dr stond het immers, dat zijne patroons reden hadden over zijne reize tevreden te zijn, dr stond het: „Wijfjelief, het valt mij hoe, langer hoe zuurder van huis te zijn,” dat was geluk! Al hadden zij geen’ geld – de vrouw zegevierde op de huishoudster. Maar de moeder zag weder naar de klok.

Bij tienen!

Daar werd gescheld.

Het was een jongman van het kantoor, en hij bragt geld; maar met wer eene boodschap! Zij blijke uit den volgenden brief, dien Gerrits vrouw hem nog denzelfden avond schreef, met tranen in de oogen:

Lieve man!

„Schrik niet, dewijl ge dezen van mij krijgt en wel buiten het kantoor om. De kinderen zijn wl, en ik, Goddank! ook, alles gaat zoo verre goed. Maar straks is Wolf hier geweest, met een’ kwade tijding. In plaats van f 250, lieten de heeren weten, zoudt gij in het vervolg maar f 200 krijgen: de zaken gingen zoo slecht. En Wolf zei: dat er gemakkelijk eerste bedienden voor f 800 waren te krijgen. Ook liet hij zich ontvallen, dat de heeren al eens gedacht hadden over een’ volontair. Als het niet anders kan, dan zullen wij de tering naar de nering moeten zetten; maar het is hard met twee kinderen, en het derde voor de deur. Ik zeg het niet om het je te verwijten, Gerrit! Lief en leed heb ik beloofd met je te deelen, en ik zou het nog doen! Minder wonen, dat zal niet gaan, het is nu al zoo eng; maar een geringer baker, ik zal er morgen naar hooren. Ook kan ik het zijden kleedje, dat ge mij na mijne eersie kraam hebt gegeven, wel weer vermaken, – jongens, wat waren we, toen rijkelijk! Maar, Wim zal toch naar school moeten, – het is een slag, en dat zoo onverwacht! Als gij iets anders vinden kondt, al was het buiten de stad, – ik zou er wel niet graag uit willen, – wat zouden onze kennissen zeggen? – maar rondkomen is de eerste pligt. En het overige laat ik aan God.over. Ik had geen rust, Gerrit, voor ik het je had geschreven, – het is mij nu of er een pak van mijn hart is. Want ik weet, manlief, dat gij zelfs in nood en dood, alles voor mij en de kinderen doen zult. En dsarme, goeden nacht! Nog eens, Wim en Chrisje zijn wl, en ik zal mij opbeuren, tot je weer komt, wees daar gerust op. Het zal immers niet lang meer duren?

„Uwe liefhebbende vrouw
„Aagje. –”

P. S. „Wie weet hoe rijk we nog eens worden –
want nicht Saartje heeft ons zeker qoed
bedacht. Maar foei, ik doe doodslag in mijn
hart, – o, dat leelijke geld!

 

Het lijdt geen’ twijfel, dat het den heeren – vrijstond, het salaris van hunnen bediende te verminderen; maar dit zijner vrouw, zijner zwangere vrouw te doen aankondigen, op een oogenblik, dat zij van zijne afwezigheid bewust waren, is eene wreedheid, welke ik zelf niet gelooven zou, indien ik haar verdicht had, indien het geen feit was! – Het lijdt geen’ twijfel, dat het niet enkel inhumaniteit, maar ook onverstand in de heeren – verried; waat waartoe zou ik het zedelijk gevoel mijners lezers op de pijnbank brengen, door hun te verhelen, dat Gerrit op den brief van Aagje ijlings te huis kwam, en eene betere betrekking vond, bij lieden, die zijn’ ijver en zijne kennis wisten te schatten? O hoe wenschte ik er bij te mogen voegen, dat het ook geen’ twijfel lijdt, dat allen, die op deze of dergelijke wijze den zwaren strijd tusschen verdiensten en behoeften zagen beginnen, gered werden zoo als hij !

Hebt gij er geene onder uwe kennissen, die wegkwijnen in den bloei des mannelijken levens, – bij wie het uiterlijke verarmelijking verraadt, bij wie het verstandelijke den kreeftengang schijnt te gaan, – eene vereeniging van moedeloosheid des harten met verstomping des hoofds? kantoorbedienden, welke beginnen in te zien, dat het hun leven lang sukkelen zal blijven? Het schort niet aan den aard hunner bezigheden, al zijn deze waarachtig geene prettige. De eene zou er zich over heen zetten, dat bij het gansche jaar niets anders te doen heeft, dan een’ onaangenamen briefwissel te voeren: – een correspondent wordt onwillekeurig een casust, of hij bezwijkt onder de chicanes der Duitschers. De andere zou het zich getroosten, dat hij van primo Januarij, tot ultimo Deeember, van den ochtend tot den avond, geen ander werk heeft, dan te ontvangen en te betalen, – bij een’ kashouder ontwikkelt zich de zucht voor numismatiek; immers, hoe houdt men het anders uit, geld te tellen, dat ons niet behoort? Maar liefhebberij in het stellen van vinnige brieven; maar liefhebberij in het nazien van allerlei specin, – hoe verflaauwen zij wanneer men het hoofd vol heeft van de ellenden van een berooid gezin ! Om ernstig te spreken, hoe zwaar wordt de taak en hoe hard valt de pligt voor de zijnen te zorgen, als het vooruitzigt op eene verbetering van ons lot met de droomen der jeugd verdwenen is, ale zelfs de flaauwste hoop ons niet meer prikkelt, schraagt, troost! Het is of de geneugten van den echt,. de weelden van het vaderschap in banden en boeijen verkeeren. Wanneer men niet dus gekluisterd ware! „Wanneer ik nog alleen in de wereld stond!”

Eer ik u den toestand veraanschouwelijke, moet ik eene dubbele bedenking werleggen, die stellig bij u opkomt, al heb ik u straks met een woord verzekerd, dat het allermoeijelijkst is te onzent met een klein fonds zaken te beginnen, en ondoenlijk zonder. „Waarom,” hoor ik vragen, nu wj genaderd zijn tot den leeftijd, waarin dit beroep, waarin dat te huis om strijd stuiten, „waarom klerk geworden op een koopmanskantoor, en niet op dat van een makelaar? die kan zonder fonds vooruitkomen!” – en –: „Als kennis in handel nog iets waard is: waarom dan geen’ associ gezocht, die geld heeft? wanneer de eene hand de andere wascht, dan worden beide schoon.”

Dat zij juist ware!

Makelaarsklerken – de tegenwerping verpligt ons, eenige jaren terug te gaan – makelaarsklerken zijn doorgaans vrijwilligers, zonen, neven, vrienden, en dus jonge lui, die vermogen genoeg hebben, om uit eigen beurs niet alleen de leerjaren goed te maken, maar ook de teleurstellingen te bestrijden, aan het beginnen van elk beroep verknocht. Of wanneer „de vijanden van het liegen,” zoo als Nieuwland de makelaars aardig noemde, „dewijl het in geen duizend jaren gebeurt, dat zij iemand willens en wetens bij den neus nemen,” wanneer zij salariren, dan kiezen zij jonge lui, arm genoeg om afhankelijk te blijven. De eersten nemen zij slechts, wanneer zij ter uitbreiding hunner zaken, om het klimmen hunner jaren, of uit welken hoofde dan ook, een’ hulp verlangen, of naar een opvolger omzien; – de laatsten moeten jonge menschen zijn, die hun nooit in de wielen kunnen rijden; die tot altoosdurende slavernij zijn gedoemd. Ik wil niet beweren, dat de kring der adspiranten, ten gevolge dier inlichting, voor uwen blik inkrimpt; maar ge zult mij toestemmen, dat, het getal dergenen, die kans hebben, zich zonder vermogen in deze loopbaan eene eervolle onafhankelijkheid te verwerven, klein, bitter klein wordt. Bovendien, – er is in de onderstelling, van welke wij uitgingen, „dat een makelaar geen fonds behoeft,” iets zoo overonnoozels, dat de broeders van den gilde ons zouden uitlagchen, als wij haar n oogenblik voor goeden munt aannamen. Wie niet durft, wie niet wil, wie niet kan inkoopen „voor zijn’ meester,” dat is, eer hij een’ kooper heeft, – wie niet „lipt,” luidt de technieke term – wat heeft de sukkel te doen? Hij verliest zijne eerstehandshuizen, die heden aan hunne buitenlandsche vrienden berigt willen zenden, dat de partij afgedaan is; – hij moge wroeten en slooven, van den ochtend tot den avond, hij krijgt geene patroons; – want wat kan hij der tweede hand, den commissionnair aanbieden, dat ieder zijner mededingers niet evenzeer en met hetzelfde regt veilt? De verbastering der zeden ging in Rome soms z verre, dat de wijsste wetten krachteloos werden, dewijl men door hare toepassing allen schuldig zou hebben verklaard; ik vrees, dat, met luttele (doch eervolle) uitzonderingen, de algemeenheid des kwaads de makelaars onzer dagen zal moeten vrijpleiten van het transigeren met hunnen eed. Het zij verre van mij, het daarom te willen vergolijken; integendeel, het sticht, als alles wat den standaard der zedelijkheid verlaagt, onberekenbaar veel jammers, en brengt, zoowel voor den handel in het algemeen, als voor kooplieden en makelaars in het bijzonder, dikwijls, ik zou schier durven zeggen altijd, zijne straf met zich. De voorbeelden zouden ligt zijn bij te brengen.

De tweede bedenking heeft meer schijns, en wie zal ontkennen, dat enkelen hare juistheid door den gelukkigen uitslag hunner pogingen hebben gestaafd; maar heeft een mijner lezers de verantwoordelijkheid gewogen, welke de jonkman op zich neemt, die de kans trotseert verliezen te ondergaan, welke voor hem in persoonlijke schulden aan zijn’ deelgenoot verkeeren? Het is last genoeg om van terug te deinzen, eer men zich dien op de schoudere laadt, zelfs om den wil van een huwelijk. Ik heb straks van de pozij van den handel gewaagd, en zeker, het is streelend, door eigen vlijt, door eigen kracht, een’ onbekenden naam bij zijne medeburgers in aanzien te brengen, – door zijne kennis van zaken en menschen, het vertrouwen van staden landgenooten te verwerven en te verdienen – aan zijne allengs uitgebreider betrekking een te huis te hebben dank te weten, dat voor de zorgen, welke van zaken onafscheidelijk zijn, schadeloos stelt! – Een te huis lief en waard, dewijl die woning, ten gevolge van overleg en werkzaamheid, van eene gehuurde in eene eigene is verkeerd, – een te huis liever en waarder nog, dewijl de telkene in grooter mate genoten geriefelijkheden des levens de blosjes laag op de wangen der gade doen wijlen, en er dikwijls in den lach der vreugde een’ zweem van jeugdige aanvalligheid op terug roepen – een te huis, liefst en waardst bovenal, om het gekeuvel der kleinen, voor wekte zich, hoe rap zij ook opgroeijen, nog sneller uitzigten openen, daar tien, vijftien, twintig jaren stipte eerlijkheid, in allengs toegenomen zaken, honderdvoude belooning met zich brengen. Immers, de tijd ie zoowel een woekeraar ten goede als ten kwade! Aan de achting van het algemeen, aan het vertrouwen, dat de naam des handelaars van beurs tot beurs wint, paart zieh het bewustzijn van een welbesteed leven; het besef, in zijnen kring geluk te hebben verspreid, in zijnen stand bij te hebben gedragen tot den vooruitgang van zijn Volk, van zijne Eeuw misschien! Want, wie onzer acht het mogeljk, dat men het z verre zou brengen, zonder degelijkheid van hart en hoofd, zonder zin voor wetenschap of kunst, zonder liefde voor alles wat goed en groot is? Of wat is natuurlijker, dan dat de man, ten gevolge van de inspanning der helft zijns levens, met een groot vermogen gezegend, naar eene burgerlijke waardigheid staat – geen ridderlint, bid ik u! – maar eene plaats in den Raad der stad, tot wier welvaart hiij bijdroeg – die hij lief heeft gekregen, als de getuige van zijnen voorspoed – die hem aan het harte ligt als de bakermat van zijn kroost?

Er is veel uitlokkends in, – maar de penning heeft toch ook zijne keerzijde.

Een jaar twee, drie, waren Becker en Haeften geassocierd geweest, – de eerste bragt de kennis, de laatste bragt het geld aan, en, zoo er compagnons zijn, die broederlijlre vrienden mogen heeten, deze waren het. Overmoed en overzorg, de gewone vloek van vennootschappen, uit zoo ongelijke bestanddeelen zaamgesteld, bleven hun vreemd. Als gij hun karakter hadt gadegeslagen, dan zoudt gij hebben opgemerkt, dat Becker de vreesachtigste, Haeften de onbezorgdste was, in het geven van crediet. Beide gehuwd, moet ik mij zelven geweld aandoen, in geene schets van hun gezellig verkeer uit te weiden. Het was een schoone droom van geluk. Want, verre van den waan, dat de goede verstandhouding tusschen compagnons het langst duurt als zij elkander nergens elders zien dan op het kantoor, er heerschte tusschen hen noch die ongelijkheid van stand, noch die ongelijkheid van jaren, welke het opzettelijk vreemd blijven van de gezinnen van associ’s, van beider vrouwen vooral, soms raadzaam maken – waren zij, zoo als ik zeide, van vennooten vrienden geworden; geen huiselijk lief of leed van den een’, dat den ander niet ter harte ging. Het was eene dier zeldzame betrekkingen, waarin het bevorderen van ons eigen belang veredeld wordt, dewijl wij er tevens tot het geluk van vrienden door bijdragen. – De avonden na het afsluiten eener voordeelige balance, beurtelings in den schoot van het een of ander gezin doorgebragt, verkeerden in huiselijke feesten, op welke de vrouw van Becker zich niet had gergerd aan de meerdere pracht in de woning van Haeften, en die van den laatste er zich in verlustigde, dat alles bij den eersten van welvaart getuigde, schoon zij er, en te regt, niet tot weelde oversloeg.

Het was in het derde jaar hunner associatie, en de looper reikte op een’ vrijdagmorgen den patroons de brieven open. Haeften opende er eenen, die hun eene aanzienlijke order opdroeg. Becker liep een’ anderen door, het schrift danste hem voor het gezigt. O, als de bankbreukige wist, welk leed hij aanrigt; als hij het bedacht, eer hij, den achteruitgang zijner zaken onder telkens uitgebreider ondernemingen bemantelende, vermetel de rust van een tien of twintigtal huisgezinnen meer op het spel zet, – hij zou van alle gevoel vervreemd moeten zijn, eer hij quitte ou double waagde, eer hij zich zelven diets maakte, dat het hem onder nul nog vrij stond te beproeven, of de fortuin voor hem keeren wilde! Het was de aankondiging van het faillissement van een’ hunner grootste debiteuren. Een huis, dat langer dan eene halve eeuw bestond – een huis, dat, tot op den dag dat het zijne betalingen schorste, algemeen vertrouwen genoot – een huis dat, reeds sedert jaren; zijn crediet in den vreemde allerhandigst exploiteerde. Wie begrijpt niet, waarom Becker, die aankondiging inziende, verbleekte? Wie vermoedt niet te gelijk, dat in het volgende oogenblik groot houden, des ondanks, zijne leuze was? De klerken zaten om hen heen, en er waren onder deze, die zijne ontsteltenis al hadden opgemerkt.

„Het had erger kunnen zijn,” zei Haeften, toen hij op zijne beurt de Jobsmare had doorgeloopen.

Het had erger kunnen zijn – voor iemand van Becker’s gestel, van Becker’s geweten? oordeel zelf! Er kwamen geprotesteerde traittes voor, door hen op het buitenlandsche huis getrokken, die natuurlijk dadelijk gerembourseerd werden, – maar wier bedrag Becker voor oogen stond, toen hij zijne arme vrouw en kinderen aanzag, door wier pas verworvm vermogen eene streep was gehaald, die er nu erger aan toe waren dan het gezin van menig kautoorbediende – hij was Haeften schuldig! – Er moest naar de beurs worden gegaan, en het gerucht had hun verlies reeds verbreid, vergroot, vertienvoud; want de nijd had lang naar eene gelegenbeid uitgezien, het opkomend huis te benadeelen: want de laster had vrij spel, dewijl zij er inderdaad eene aanzienlijke som bij verloren. Becker las wantrouwen in de blikken van wie hen groetten, in de deelneming van wie hen beklaagden, Hij bespeurde het in de opmerking, welke hun kassier aarzelend maakte, dat hij geloofde, voor hen iu voorschot te zijn, – in de traagheid, waarmede hunne makelaars inkoopen voor hunne firma schenen, te behartigen, eene traagheid, die week, zoodra zij 1 pCt. contant aanboden, – in de klagte der wisseljoden, dat er schier geene nemers waren voor papier, zoo min voor kort als op tijd. – Er school, ondanks zijne ziekelijke kwetsbaarheid, het gevolg van zijnen toestand, van zijne hoogere vlugt dan zijne vlerken reikten, waarheid genoeg in zijn vermoeden, om tot dubbele voorzigtigheid te verpligten in de keuze der maatregelen, om de belemmering te doen ophouden. Becker bragt nachten door, welke slechts de eerzuchtige, neen, de gemoedelijke zich voor kan stellen; want zijn gezin had heiliger regten op hem, dan wij onzen trots, onzer liefde voor den roem, op ons mogen toekennen. – Er volgde stilte op den storm. Toen zij aan al hunne verpligtingen bleven voldoen, toen zij menige proef, welke de zaakkennis van oudere huizen nam, zegevierend hadden doorgestaan, toen keerde het vertrouwen terug, en vergat men het verlies, dat zij hadden geleden, ja, veranderde het schier te hunner gunste, in een blijk, „dat zij toch goed moesten staan.” Maar wie het vergat, Becker niet – wie het voor een bewijs kunner soliditeit liet gelden, Becker wist, dat er slechts vijf ten honderd van hunne aanzienlijke vordering te wachten viel; werken – werken – werken – werd zijn pligt. Er bood zich eene gelegenheid. aan, hun verlies te herstellen: – het leed geen’ twijfel, dat er nieuwe, voordeelige betrekkingen vielen aan te knoopen, als men anderen vooruit wist te zijn in ijver, in schikken naar den geest des tijds, in groote omzettingen, voor geringe winsten misschien. Eene verre reize moest met grooten spoed worden ondernomen; als zij slagen zouden, dan diende een der chefs van het huis die zelf te doen. Becker ontwierp het plan, Becker ondernam haar, Becker voerde haar uit, – hij was terug eer het’ algemeen wist, dat bij weg was geweest; – hij had orders, groote, solide orders, zij wonnen veel gelds, zij waren het verliea bijna te boven. –

„Het had erger kunnen zijn,” ze Haeften.

En de vrouw van Becker zeide het hem na; maar eens, – het was in den nawinter, ontwaakte zij midden in den nacht: „Wie kucht daar? Becker! Becker!” – Hij schonk een glas water in, en leegde het in een paar teugen. „Wat scheelt er aan?” en, daar zij geen antwoord kreeg, werd zij eensklaps wakker of het uchtend,was; „waarom frommelt gij den zakdoek weg!” Helaas, niemand dan hij wist, dat hij reeds meermalen bloed had opgegeven ten gevolge van de vermoeijenissen der reize, dacht hij, – ten gevolge van den angst, dien hij maanden lang leed, van de onrust over het lot van vrouw en kinderen, die hij nog niet te boven was. „Het had erger kunnen eijn,” zei de arts, die des morgens voor zijne legerstede stond, en rust aanbeval, en veel van de naderende lente en van eenige weken verblijfs op het land hoopte; Becker moest zich aan alle beslommeringen onttrekken; Becker moest de zaken uit het hoofd zetteu. Och, die goede artsen, hoe redelijk eischen zij soms het onredelijke! Maar waarlijk, het scheen dat het inderdaad erger had kunnen zijn. Eer de lente kwam werkte Becker reeds weder in zijne kamer, en toen hij veertien dagen buiten was geweest, en zich – „beter, o veel beter,” – gevoelde, hijgde hij naar het kantoor, en de zomer zag hem tot tien uren des avonds op zijne kruk voor den lessenaar zitten, want hunne zaken stonden gunstiger dan ooit....

Echter liep de herfst niet ten einde, of zijne vrouw lag bij zijn hoofdkussen op de knien, en bij kuste zijne kinderen goeden macht. Haeften beloofde hem, voor deze te zullen zorgen, – en eene diepe stilte verkondigde, dat het zijne laatste woorden waren geweest:

„Suze! ik had u zoo gaarne rijk achtergelaten!”

Was het niet erg genoeg?

Ik heb de voorkeur gegeven aan eene schets naar het leven, boven eene schepping der fantaisie; maar geloof niet dat ik tot de verdichting mijne toevlugt zou behoeven te nemen, om u somberder tafereel op te hangen, hoe menig klerk de vermetelheid koopman te spelen heeft geboet. Waarom zoude ik het verzwijgen, dat de figuur van Haeften mij, om het harmonische, dat zij den indruk des geheels geeft, beviel? Er is, in de bescherming, welke hij den kinderen toezegt, iets, dat ons met het lot des vaders verzoent. En echter, hoe zeldzaam is de afloop van verbintenissen van dien aard zoo weemoedig-bevredigend! Hoe vele heb ik er niet gekend, die mij het oude spreekwoord: „alle compagnisachappen beginnen in den naam des Heeren, maar eindigen in den naam des duivels,” voor den geest herriepen! Het was altijd de vennoot, die luttel had ingebragt, aan wien de kwade afloop geweten werd; hij was te dit of te dat; genoeg, een man, die geen geld heeft, en wat dan ook te is, wat is hij anders dan een verloren man? Le succs justifie tout, zegt de wereld; maar ik beschuldig den armen kantoorbediende niet van gebrek aan moed, als hij zich laat terughouden van eigen zaken, door een grijnzend gebouw, dat het verschiet verdonkert, – door de gijzeling!

Voor haar huivert de klerk van middelbaren leeftijd, wanneer de gedachte aan een tablissement bij hem opkomt, zoo dikwerf hij zich ergert aan het vrolijke leven der buitenlandsche volontaire, welke zijn chef, – commissionnair – zeehandelaar – bankier – bijna als zijns gelijken, als zonen van den huize behandelt. Inderdaad, uitheemache vrijwilligers hebben zich slechts fatsoenlijk te gedragen, om in de gezelschapzaal des patroons als gasten te worden ontvangen; noch in het fransch, noch in het duitsch, noch in het engelsch, heeten de jonge lieden, die op het kantoor werkzaam zijn, bedienden. Onze patenten zijn in dit opzigt waar, tot krenkens toe. – Als er iets aardigs of geestigs in die vreempjes schuilt, zijn zij overal welkom, – als ze vlugge beenen hebben, introduceert men hen alom, tot op het Casino toe, – en waarom zou men niet? Eens zullen zij zelve een huis van negotie oprigten, en de herinneringen uit de jeugd geven aan de handelsbetrekkingen, ten gevolge van deze aangeknoopt, iets duurzaams, dat latere mededinging tart. Voor de gijzeling, voor den kerker, waarin hij misschien zijnen ondernemingslust boeten zou, huivert de gesalarierde kantoorbediende terug, als hij de uitspanningen zijner kinderen vergelijkt met het geld stuk slaan der onbezorgde trekvogels. O, geloof niet, dat de schaal effen hangt, wanneer hij hen voor „een bok op een’ ezel” uitschelt, als zij hem te paard voorbij rijden en hem noode groeten; – geloof het niet, als hij u verzekert, dat zij er in hunne nieuwe kleren uitzien, „als apen dat ze zijn,” terwijl hij zijn’ kaal geschuijerden jas humoristisch digt heeft geknoopt, om zijn vuil linnen te verbergen. Hoe pijnlijk gaan hem zijne aardigheden tegen fransche comedie en italiaansche opera af, – als hij niet te zeer verstompt is om eenigerlei malligheden te bedenken, om zijn’ nijd achter schimp te verbergen, om spijtig te zijn. Immers, uitvallen van dien aard onderstellen nog een besef van vatbaarheid voor genot, – hoe dikwijls gevoelen de ongelukkigen niets dan het wigt des juks, dat hunne schouders nerkromt!

„Zoo ik nog vrij man ware!” zeiden wij, „wanneer ik nog alleen in de wereld stond!” Inderdaad, wie zou dan de afhankelijkheid willen dulden, in een’ leeftijd, die zoo weinig plooibaars meer heeft; wie zou zich op veertigjarigen ouderdom willen voegen naar de begrippen van nieuw aankomende chefs, naar de grillen van jongere patroons! En echter – het gezin, dat zich reeds zoo erbarmelijk behelpen moet, het zou tot den bedelstaf vervallen – zoo de plaats werd opgezegd. Verwondert het u, dat de bedaagde bediende slaafscher kruipt dan een dienstbode, dat het jammer met elk jaar ergerlijker wordt? O graauwende hairen, gebogen om den wille van een karig loon! De meiden van het huis voeren hooger toon dan hij. Op het bekende: „er is geene hand vol, maar een land vol,” die nave verklaring van het beginsel, waarop de wisselzin der vrouweu steunt, antwoorden de deernen luchtig weg: „Er zijn meer diensten dan kerken!” Hoe andere ontrust zich de bejaarde klerk over een onwillekeurig verzuim, over eene vergeeflijke vergissing, dan zij het zich over het grofste vergrijp doen. Het heugt mij, een’ vijftigjarigen Correspondent te hebben zien beven van verkropte gramschap, toen een lafbek van een’ Associ de pen haalde door een’ vier zijdjes langen brief, – en echter ging de man naar zijnen lessenaar terug en schreef eenen anderen. Nooit zal ik de dankbaarheid vergeten, waarmede een Kashouder den eerlijken borst de hand drukte, die hem het geld werom bragt, dat de laatste te veel had ontvangen, dat de eerste hem te veel had betaald. De tranen stonden den grijskop in de oogen, en toch waren het maar – vijf en twintig gulden. De volgende morgen zag beide, zoowel na het eene voorval als na het andere, weder op het kantoor, weder aan den arbeid, briefschrijvende en geldtellende; maar wat moet er in die harten zijn omgegaan, toen zij, den avond te voren, in den schoot der hunnen, ieder het zijne, hun gezin gadesloegen! „Dat leed ik om u,” dacht de Correspondent; en welligt relde zijne vrouw hem aan de ooren over een’ uitgang voor de kinderen, om het zien van een spel op de Botermarkt, – de bloeden waren nog nergens geweest! „Wanneer er dat eens bij was gekomen,” zei de andere, terwijl hij, misschien zuchtende, de rekening van den schoolmeester wegborg. Verg hem niet, dat hij zijn kroost op die der armen zende: zijn buurman, de blikslager, doet het niet eens!

„Als de armoede de deur inkomt, dan vliegt de liefde het venster uit,” zeiden onze vaderen, maar men went niet aan den ruwer toon, dien zij invoert. Maar men komt niet tot de onverschilligheid, die haar dragelijk maakt; maar men leert het leven niet dulden, ondanks dat het lijden is geworden, dan door ongevoeligheid door versteening. Dirk, de kashouder, of Daan, de correspondent, zijn zoo min dezelfde Daan of Dirk meer, welke zij vr twintig jaren zijn geweest, welke zij, behoudens de natuurlijke overgangen van den leehijd, beloofden te zullen blijven, als het paard, dat altoos een paard wordt geheeten, hetzelfde dier is, wanneer het in jeugdigen overmoed de lucht van gehinnik doet daveren en heiningen overspringt en stroomen klieft, en als het in een tuig gespannen, dat het voor jaren zou hebben gescheurd als rag, den molen rondstrompelt, bIind en lam, met den vilder in het verschiet. Het is even zeldzaam voor een van beide, deernis aan te treffen; maar hoe verdienstelijk het zijn mag dierenapostel te wezen, mensehen hebben hooger aanspraak op ons mededoogen. En zoo lang ik niet geloof, dat iemand tot dergelijke bestemming geboren wordt, zoo lang ik niet wankel in de overtuiging, dat de wijsheid des Scheppers, welke in de Natuur aller behoeften bevrediging waarborgt, zich af moest spiegelen in onze beschaafde maatschappij, zoo lang zal ik de ziekelijke verschijnselen van dezen aard bewijzen eener krankte achten, die genezjng eischt.

„Gierige feeks !” mompelde Doorne, in zich zelven, terwijl hij, op een’ zondag-avond in den laten herfst, den trap van zijn bovenhuis opstommelde, „gierige feeks! het is hier zoo donker, dat men hals en beenen breken kan!”

Deze liefelijke toespraak gold niemand anders dan zijne vrouw, die toch eens de liefste zijner jeugd, zijn mooi Kaatje was geweest, – die met hare drie kinderen had zitten voortschemeren, terwijl hij door een’ zijner confraters van het kantoor – den expediteur – was vrijgehouden op een heeren-diner; – de man was zoo aardig – buiten ’s huis. Ik geloof niet, dat het zijn doel was haar het verwijt toe te duwen, en echter hoorde zij het. Op het portaal staande, had zij zelve, door een’ ruk aan het smerige touw, de deur opengetrokken, en zag, trots het duister, waarover hij zich beklaagde, aan zijn struikelend klimmen slechts te duidelijk, dat hij meer dan ontnuchterd was. Verwacht dus niet, dat zij hem verbeidde, dat er eene ontmoeting plaats greep, zoo als herderszangers er schilderen, bij de tehuiskomst van eenen daglooner, een vriendelijk welkom, een kus als eene klok. In stilte hare smart verkroppende, dat wrevel, louter wrevel in zijn gemoed alle vroegere, zachtere, edelaardige aandoening had vervangen, trad zij de kamer binnen en had licht ontstoken, eer hij over den drempel was gezwaaid.

„Al wer roode oogen,” gromde hij, haar opgewonden aanmende, „al wer roode oogen; als je meent dat het grienen je mooi maakt, Kaatje, dan heb jij het mis; danig mis, kind!”

De vrouw antwoordde niet op den uitval; de beide meisjes, en hun zoontje, zagen vader vreemd aan.

„Huilen en pruilen,” voer hij voort, „men zou waarachtig voor zijn pleizier t’huis komen. Was ik maar met de jongens megegaan – maar me dacht, dat gaf voor een’ getrouwd man geen pas! Hm, een getrouwd man! Wie een fatsoenlijk meisje neemt, is er toch maar ongelukkig aan toe, dat moet ik zeggen. Als het hem niet meloopt in de wereld, als ze een beetje de handen uit de mouw moet steken, dan zucht zij, dan steent ze –”

Het verwijt was onbillijk, want het gansche vertrek getuigde, hoe veel netheid vermag om behoefte te verbergen; en Kaatje – brave vrouw als zij was – beproefde te verhelen, hoe diep de smadelijke woorden haar griefden. Zij deed het om der kinderen wil.

„Maar, het is waar,” voer hij voort, als tergde hem haar stilzwijgen, – en toch zou het haar onmogelijk zijn geweest, iets uit te brengen, al had haar leven er aan gehangen, – „het is waar, je was het anders gewend. Als jonge juffrouw, hadt je een meid om je aan te kleeden, en schoon er zie dt niet bij je oude lui is overgebleven, toch was het Mijnheer en Mevrouw, ja wel! –”

Hij moest veel gedronken – hij moest, zoo als het gemeen zegt, een’ kwaden dronk hebben, om den toon aan te slaan; om Kaatje in hare omstandigheden, in zulk een’ oogenblik, aan hare jonkheid te herinneren, toen betrekkelijke weelde haar deel was geweest, toen zij de pozij des levens genoot: – achting, vriendschap, liefde – zij, die nu tot zulk een laag proza was gedaald: – vergetelheid, armoede, smaad. –

„Gaat naar bed, kinderen!” sprak zij tot de kleinen, zoo bedaard ze zijn konde, – zij had de oogen eene wijle ten hemel geslagen.

„Nacht, paatje,” mogten de meisjes zeggen; „paatje!” grinnikte hij, „wel zeker, paatje! het was immers ook groot-papa von Habernichts!” Kaatjes lippen sloten zich krampig; – de jongen was aan de beurt, een borst van een jaar of tien.

„Goeien nacht! –.”

„Haal me eerst mijn pijp, Bram!”

„Ze is stuk, pa!” zei de knaap.

„Stuk!” was het antwoord, „mijn meerschuirnen pijp stuk! haal me mijn pijp, zeg ik, of ik sla je de ribben stuk.”

„Doorne!” – viel de moeder in – „de kindaren hebben van middag achter gespeeld, en het roer gebroken.”

„Dat komt er van, dewijl jij ze altoos t’huis houdt; – mijn pijp, jongen! zeg ik.”

„Als wij het: ruimer hadden, als we ze konden kleden –” het was olie in het vuur, – die laatste hoogmoed van Kaatje, de hoogmoed van eene moeder op haar kroost!

„Wt ruimer! andere vrouwen kunnen er meer van doen dan jij, maar die zijn groot gebragt om den pot te koken, om – –” Bram was van de achterkamer wergekomen, met het corpus delicti in de hand: het viel den jongen aan te zien, dat niet hij zich aan den afgod had vergrepen. De drift, waarmede Doorne de zenuwachtig trillende hand naar het gebroken roer uitstrekte, onttrok Kaatje aan zijne opmerkzaamheid; het laatste verwijt was haar te zwaar gevallen.

„O God!” zuchtte zij, terwijl hij, bulderde:

„En wie hadt dat gedaan?”

Bram zweeg.

„Spreek op, jongen!”

Bram bleef zwijgen.

„Als je niet antwoordt, dan houd ik het er voor, dat jij de deugniet bent. –”

„Houd het er voor, pa!”

Het was z ver gekomen in het huiselijk verkeer, dat het kind den vader trotseerde, – schoon de knaap het uit een edel beginsel deed, dat vergolijkt het niet.

„Doorne!” borst Kaatje uit, terwijl zij hem de hand zag opheffen, om zijn kind te slaan, „Doorne! ge zijt u zelven niet, – straf Mietje, die ze gebroken heeft, – maar doe het morgen, niet nu! –”

De laatste woorden voegde zij er bij, dewijl Doorne opwaggelde, om naar de achterkamer te gaan.

Er is nog een Goudsche pijp in den bak,” zei Bram, instinktmatig naar een’ afleider zoekende.

Toen het kind andermaal uit de kamer was. sprak Kaatje, met tranen in de oogen, en smeekend zaamgevouwen handen: „Doorne! er was een, tijd dat ge mij lief hadt – toen waart ge nooit beschonken, – moeten wij nog ougelukkiger worden?”

Het werkte.

„Er wae een tijd dat ge mij liefhadt!.” O grootheid der vrouw die alles geduldig had gedragen, bekrimping, ontbering, vernedering, behoefte, armoede, gebrek, – zoo lang zij aan zijne liefde gelooven mogt, – die ook thans nog niet bezweek, al kon zij zch naauwelijks langer diets maken, dat er nog eene vonk van het heilig vuur in de asch gloeide. – „Toen waart ge nooit beschonken!” Er werd zedelijk verval, verstomping, versteening toe vereischt, om op zijnen leeflijd de gezochte makker te worden van een hoop losse jonge lieden, om genoegen te vinden in het zwelgen met deze, terwijl vrouw en kinderen te huis zaten, en treurden en teerden op de herinnering van blijder dagen. – „Moeten wij nog ongelukkiger worden?” Kaatje voorzag slechts te duidelijk, hoe weinig er in eene stemming, als die van dezen avond, na tooneelen als het geschetste, toe vereischt zou worden, om hem mede te slepen naar die plaatsen, waarop, ter beschaming onzer hooggeroemde zeden, niet enkel de weelderige wulpschheid der jeugd hare gezondheid, en in deze haar geluk: de kracht des ligchaams en de krachten der ziel aan den wellust offert!

Helaas, versteening des harten is zoo naauw verwant met verdierlijking in genot.

Het werkte, zeide ik; maar of het op den duur zou hebben gebaat, als Doorne denzelfden slentergang was blijven gaan, aan, een kantoor, waarop hij automaat was geworden, naar een te huis, waarin hem slechts toenemende ellende verbeidde, wie weet het’? Welligt ware hij, „om zich wat op te beuren,” al dieper gezonken; doch grooter onheil, dan hij zich ooit had voorgesteld, trof hem: de Firma, in’ wier dienst hij arbeidde, failleerde! Verslagen kwam hij op zekeren ochtend bij Kaatje, vroeger dan gewoonlijk, te huis, en deelde haar mede, dat het met hem gedaan was! Op zijnen leeflijd scheen hem het vinden eener andere betrekking iete onmogelijks; hij was letterlijk wanhopig!

„Een christenmensch wanhoopt nooit,” hernam zijne vrouw, in haren aandoenlijken eenvoud; „en allerminst onder rampen, die ons buiten onze schuld overkomen.”

„Wacht maar tot de raven het u brengen!”

„Foei, Doorne! er valt geen muschje op aarde, zonder den wil van onzen Hemelschen Vader, – als wij de handen aan den ploeg slaan....”

„Maar ik ben te oud voor de expeditie; maar ik schrijf niet mooi genoeg voor de boeken; maar –”

„Ik zal toch doen, wat mijne hand vindt om te doen, – niet waar, man?” vroeg Kaatje.

„Zou het mijn pligt niet zijn?”

„Daar hoor ik mijn’ ouden Doorne weer,” begon zijne vrouw, bemoedigd; ijlings viel hij haar in de rede:

„Maar het kwartaal is al eenige dagen verstreken – de patroons betaalden nooit, tenzij men er om vroeg – wie weet hoe lang het duren zal eer wij het krijgen? Daarbij, in deze kleren zie ik er zoo schooijerig uit, dan niemand me nemen zal; en een’ hoed en een vest te koopen – crediet heb ik niet, vrienden die leenen, nog minder, – neen, met mij is het afgedaan. – Ik kan bakker noch slager betalen...”

„Als het dr slechts aan hapert,” hernam Kaatje, „dan weet ik raad, geld zult ge hebben,” en zij riep Bram, die op de achterkamer zijn zusje schrijven leerde. „Jongen!” sprak zij, en met bevende handen sloot zij eene latafel open, waarin een bijbeltje lag, in vloei gewikkeld, – dat vloei had dertien jaren dienst gedaan, het was een bijbel met een gouden slot! O! de traan, die er op viel toen zij het nog eens bezag, eer zij het haar zoontje overreikte! „Brammetje?” zei zij, „op de – – gracht, – het – huis van de – – straat, is een Bank van leening. –”

Zij had die toevlugt zeker menigmaal van verre en in het voorbijgaan aangestaard, daar zij zoo juist de ligging, daar zij schier het nommer van het huis wist, – en was er echter tot op dezen dag altoos nog gekomen, zonder haren bijbel te verpanden.

„Het zal niet gebeuren, Kaatje!” viel Doorne in, „het is het laatste aandenken aan uwe moeder. –”

„Dank voor het woord,” zeide ze en reikte hem hare magere hand; „maar zij zou me niet anders geleerd hebben, als zij er man en kinderen me had kunnen redden. Ge hebt eene ordentelijke plunje noodig en wij allen moeten eten! Bram! die groene deur ga je in – en – dan zal iemand je vragen, wat je hebt –”

Kaatje, die van buiten was, zoo als de Amsterdammers zeggen; Kaatje, die in het hoofdstadje van eene onzer landprovincin. was geboren en opgevoed; Kaatje wist niet, hoe alles dr stil toegaat, het handuitsteken naar het voorwerp, – het overreiken van het pand, – het beschouwen – het waardeeren – heet het, geloof ik, stil, als ware de bank van leening het graf der bedrogen hoop. Slechts de som, die men eischt, slechts de naam van den verpander, wordt gefluisterd, of het een misdaad was.

„Dan vraag je zeventig gulden op het slot, het heeft honderd en vijf gekost; doch als ze maar zestig of vijftig geven willen, dan neem jij ze ook. –”

Doorne hield de hand voor het gezigt. Beschaamde hem de moed zijner vrouw, – kwam hij tot inkeer? Het knaapje zag zijne moeder aan, of het zijne ooren niet geloofde.

„En als ze vragen van wie je komt, dan zeg je van eene oude jufvrouw.....”

„Een leugen, Maatje?”

„Om best-wil, kind! Van Jufvrouw Effen. –”

„ Toe, jongen, ga dan toch,” voer zij voort. Het kind was blijven staan, blijven staan, vader en moeder beurtelings verbaasd aanziende.

Bram ging met looden schoenen – niet dewijl het kind al welk eene droevige ervaring er in het woord der behoeftigen schuilt: „het gaat er heen als eene ver, het komt werom als een steen,” neen, dewijl ook hij een’ instinktmatigen afkeer had van de schuine deur, die men niet binnengaat, maar insluipt.

„O Doorne!” zei Kaatje, toen de borst de trappen af was, zoo lang ze zijne voetjes hoorden, hadden beide gezwegen, – „! Doorne! al kwam het ook nooit wer in mijne kanden zoo noode als ik het zou missen, zoo graag heb ik het veil, als gij wer de oude wierdt, als ge mij lief hadt als weleer, als ge begreept, dat ik maar zuinig was om bestwil! –” Doorne ware een onmensch geweest, als hij het niet had beloofd; – hij deed meer, hij hield woord. Zoodra het jongske was teruggekeerd – met geld; – zoodra de angst voor dadelijk gebrek, – tot welken prijs dan ook – geweken was, zoodra hij zich de vereisehte kleinigheden had aangeschaft, om als sollicitant uit te kunnen gaan – de kleederen maken ook van den smeekende den man – trok hij de stoute schoenen aan. Hij beriep zich op zijn ongeluk, – hij sprak van de familie zijner vrouw, de familie, waarop hij gesmaald had, die, schoon geene rijke, echter fatsoenlijke, eerlijke brave lu waren geweest, – en hij slaagde. Eer eene halve maand verstreken was, zag hij zich weder geplaatst, en wel beter dan te voren, bij den echtgenoot eener vroegere, jongere vriendin van Kaatje. Als deze haar bij wijlen des zondags uit de kerk een bezoek brengt, – de vriendschapsbetrekking is door de heusche rijkergehuwde weder aangeknoopt,– als Kaatje te harent komt, het geloste bijbeltje in de hand, en Amalia dan het slot beziet, waarop zij weleer, aan de knie van Kaatje’staande, Mozes en Aron leerde kennen, en haar verzekert, hoe haar dat alles nog heugt, dan denkt de vrouw van Doorne, en wel mag zij:

„Als gij eens wist, wat er sedert met dat boek gebeurd is, en hoe veel ik er aan ben verpligt!”

Gelukkig loopt het geen gevaar, andermaal in den Lombard te komen. De betere mensch, de mensch, die hoopt, die verwacht, die uitzigt heeft, en, daardoor geprikkeld, werkt, en zich beijvert, is is Doorne weder ontwaakt. –

Wat Brammetje. zijn volgend leven vergete, nooit doet hij het de jufvraouw met mooije linten op de muts, die binnen chocolade zit te drinken, en hem geene zeventig gulden op het bijbeltje van zijne moeder wou geven; – „maar vijftig, het is zoo dun ! –”

Wie is er die eischt, dat ik nog dieper afdale, dan ik het in het schetsen van Doorne deed, eer de val van het huis, waaraan hij zijn lot verbonden waande, het middel tot zijne oprigting werd? Een verwaarloosd huishouden, – een schot kinderen – als de term is – voor wier verstandelijke vorming even weinig; zorg wordt gedragen als voor hunne zedelijke; – eene ellende, die overgaat van geslacht op geslacht? Men zou mij beschuldigen van overdrijving, van zware toetsen naar willekeur aangebragt. Ik zal er mij voor hoeden, hoe dikwijls dat alles ook het lot is der ongeluldigen, van welke ik vermogende lieden, die aanspraak maakten op humaniteit, en wie het in andere opzigten niet ontbrak aan menschenkennis, heb hooren beweren: Zulke lui zijn er aan gewend, zich te behelpen,– zij weten niet anders of het hoort zoo.” Jammer voor deze wijsgeeren, dat zij van tijd tot tijd uit hunnen zoeten waan worden wakker geschrikt door het nieuws, dat een kantoorbediende zich aan het goed zijns meesters heeft vergrepen, dat een kashouder op de vlugt is gegaan, dat, de verzoeking dezen of genen klerk te zwaar is geweest. Dagelijks zagen zij weelde, en dagelijks leden zij ellende; geene heuschheid beurde hen op, geen uitzigt bevredigde hen – en zij vielen! – Veroordeel, – de maatschappij eischt het, de wet geeft er u het regt toe, – maar beklaag tevens. Gelukkig zoo gij u zelven bevredigend kunt antwoorden, als ge u gemoedelijk afvraagt: „Schoot ik niet te kort in belangstelling in het lot van dien huisvader? – heb ik door het vertrouwen, dat ik dien arme schonk, hem niet op te zware proef gesteld, zijne omstandigheden in aanmerking genomen?”

Wie het er op waagde, dat hij in zijn’ heer en meester zulk een witte raaf sehieten zoude, Hammink wachtte zich wel voor een onberaden huwelijk, Hammink, de vertegenwoordiger van een talrijke soort kantoorbedienden, oud-vrijr per systema, en egost bij gevolg. Maar de mensch moge eene bijdrage tot de natuurlijke historie leveren, zelfs een klerkenslag laat zich niet generaliseren als een vogelensoort b. v., laat zich niet afschepen met enkele trekken, zoo als: zulk een kop, zulke veren, zulke pooten en zulk eene vlugt. Hammink behoorde, om dadelijk een bewijs te leteren, in hoe vele species ook dit genus moet worden verdeeld, Hammink behoorde even weinig tot de overgroote klasse van hen, die in hunne vrijheid – vergeef mij het woord, het feit verdient geen beter – verliederlijken, als tot de zeer kleintallige, welke in hun eentje vergierigaarden – ik vind de uitdrukking eer juist dan mooi. Ook was hij geen sentimental bachelor, in onze tijden meer in de wereld der verdichting, dan in die der wezenlijkheid aan de orde van den dag, maar waarvan toch enkele voorbeelden zijn op te duiken. Ge hadt jaren lang groot gevaar geloopen, hem evenzeer voor den gelukkigste, als voor den welgedaanste van den gilde te houden: Hij was rond als eene ton, want hij hield veel van een goed maal en een gullen dronk. Alle table-d’hte-houders wisten, dat hij geene lijst voor een’ maaltijd, ter viering van wat het zijn mogt, ongeteekend terugzond. Hij wilde voor eene geboorte, voor een’ veldslag, voor een vijfentwintigjarigje; hij wo voor alles me eten, al had hij geen plan ooit te trouwen – geen plan, voor zijn vaderland ooit eene vin te verroeren, – geen plan voor eenige maatschappij ooit een driegulden af te schuiven. Ge stemt mij toe, dat de man in geen gelukkiger leeftijd dan in den uwen en den mijnen kon zijn geboren; wat het aantal diners betreft, meen ik. Behoef ik er bij te voegen, dat hij habitu van elk koffijhuis was, en nergens minder te huis op zijne kamer? Het was er dan ook eene kamer naar. Doch wat maakte het uit? Vrienden zag hij niet, om de doodeenvoudige reden, dat „een jonge heer zich met al dat gesnor niet kan ophouden.” En bovendien, man! hij was het zoo veel beter gewend, dan zijne meeste gehuwde kenniseen opdischten. Welk een poespas ! Dan at hij anders in de – en bij – en aan –; allemaal middelmatige logementen, op mijn woord!

Laat mij voorzigtig zijn – ik ga den man in een scheef licht voorstellen; hij was niet ontbloot van gevoel; hij had eene plaats in den bak van den (toenmaligen) Stads-schouwburg te Amsterdam.

Vijf en twintig jaren lang was hij er elken Zaterdag-avond, z trouw met den klokslag, als de souffleur in zijn hok; vijf en twintig jaren, in de eerate tien van welke het parterrepubliek, geregeld ns in de week, – en wel op zijn’ avond – in tranen zwom, bij de vertooning van een treurspel. Al zijne mewarigheid, al het vrouwelijke in zijn gemoed, al de verteedenng waarvoor hij vatbaar was, plagt zich dr des winters lucht te geven; het was eene soort van veiligheidspijp voor aandoeningen, welke hem anders duurder zouden zijn te staan gekomen. Dries, Jans of Trui – (de heer Snoek en mevrouwen Wattier-Ziesenis en Grevelink) – ontlokten hem tranen: waarachtig, iets dat maar tranen zweemde; – hij had er de gansche week geen’ last meer van. Vooral wanneer hij in de pauze een stevig glas punch had gedronken bij Casje, en daarna een ballet gezien, dan waren alle sporen van verweekeling weer glad uitgewischt.

Probatum est!

Als een arme drommel van een’ confrater, met een zwaar huishouden belast, hem in de volgende week tien gulden ter leen vroeg, dan antwoordde hij: „Jongen, je weet, dat ik het nooit doe; en herinnerde zich te gelijk, hoe het hem, eergisteravond, bij het tooneel tusschen Ninus en Semiramis, op nieuw gebleken was, dat zijn hart wel op de regte plaats zat. Zoo iemand, hij trok partij van zijne liefhebberij voor de kunst! – Als hij in den zomer, op zijn gewoon zondagstogtje naar Haarlem, eens bij toeval van Piepenbrink was afgedwaald, – hij zag er het bekende uitstapje zoo gaarne in natura – en hem eenearme vrouw in de Spanjaardslaan verraste, dan zou hij misschien in den zak hebben gegrepen, als hij er niet juist aan gedacht had, hoe Phedra wenschte in de lommer van het bosch te zitten, om een’ wagen na te oogen, in wolken stofs gehuld! „Loop naar den drommel!” riep hij der vrouw toe, zij stoorde zijne illusie. – En bewijs nog, en gij schenkt mij de overigen. Wanneer zijn patroon hem eens wat hard viel – het moest erg zijn eer hij het voelde, – dan troostte hij er zich mede, hoe diep de man, trots al zijne schatten, toch nog beneden Augustus stond; Augustus, die tot Cinna zeide: – wie weet niet wat? – Verwondiert het u nog, dat het klassieke treurspel op zoo vele ongeroepen aansprekers bogen mogt?

Ik heb de nige poetische zijde van zijn karakter in het licht gesteld, men vergunne mij te zeggen, de nige plek aangewezen, waarop eenige soort van pozij vat op hem had – behalve het epicurisch genot der tafel. Ge begrijpt wat hij leed, toen het treurspel uit de mode raakte. Houd het er echter voor, dat hij, het zou zijn overgekomen, als bij niet, langzamerhand, een dagje ouder geworden, eene kwaal had gekregen, die hem van tijd tot tijd hulp, toespraak, gezelschap, onontbeerlijk maakte. O obstructica! o hemorrhoides! Hammink – het motief was het vreemdste, het ongehoordste niet – Hammink dacht inderdaad aan een huwelijk, hij zat zoo alleen – hij was zoo vlug niet meer – ter been altoos. – Vrienden? hij had er geene. – Kennissen? die komen naar geen’ grommert omzien. – Een huwelijk dus. Maar wie zoude hij vragen? wie kende hij?

Deze – die – dat – vul al de fraaije benamingen, waarmede een oud vrijer vrouwen en meisjes bestempelt, zelf in, – neen, het, ging niet. De dagen om er eene speculatie van te maken waren voorbij. Voorbij? had hij er dan ooit plan op gehad? Kwade tongen relden wel, dat hij in zijne jeugd – vroeg – heel vroeg – naar een weduw had gevrijd, die rijk, zeer rijk was, – maar dat hij er met een blaauwe scheen af was gekomen. Hoe konden de menschen het zeggen? O logen! Had hij dan niet op hare bruiloft gedanst, ik meen, gegeten, voor zes? En dan te verspreiden, dat hij verliefd was geweest, – verliefd – de kwaal, waarvan men bleek ziet, al is men zwart als Ogosman,” – verliefd – dat ding, waarvan de helden den mon vol hadden, tot Titus, den zoon van Brutus toe, maar waarvan hij, ondanks al hunne tirades, nooit het verhevene had begrepen. Het was laster; schandelijke, zwarte laster. Doch, dat mogt zijn zoo het wilde, hij had nu behoefte aan oppassing. Hoe dit de kring beperkte, waaruit hij kiezen kon! Van eischer was hij er waarlijk toe gebragt te overleggen, welk voordeel een huwelijk met hem, zelfs een burgerzelfs een minder meisje aanbood. Een meisje? ja! – want wat hij over ’t hoofd mogt zien, op twee voorwaarden moest hij aandringen, slechts om deze huwde hij: zij moest jong, zij moest vlug wezen. Het wsa ligter die beide vereischten te vinden dan den steen der wijzen: maar bij had toch in geen zijner treurspelen ooit iets gezien, ooit iets gehoord, dat naar een’ echt zweemde, als dien, welken hij zat te beramen. Het was iets ongehoords in de zoogenaamde klassiek, en ook de romantiek leverde er maar weinige voorbeelden van op. Zelfs de historie van het Spaansche Herderinnetje maakte beter figuur dan de zijne zou doen.

Goden en menschen! – hij trouwde de meid vau zijne commensales.

Arme stakker! Op zijn vijfenvijftigste jaar heeft hij het pleizier aan het wiegetouw te trekken, – en bitter weinig oppassing op den koop toe; – zelfs de meid vindt niet, dat zij fortuin hadt gemaakt met een’ kantoorbediende.

Het valt moeijelijk ernstig te blijven bij een figuur, bespottelijk als deze; – en echter was het mijn doel niet, uwen lachlust op te wekken; eehter zijn Hammink’s gelijken beklagenswaardiger dan gij gelooft. Van alle gewaagde echtverbintenissen schijnt mij die van ongelijke standen – een jammer, waartoe meer klerken vervallen dan onze tooneelkijker – de meeste kwade kansen op te leveren. Het strijdige der begrippen van beide echtgenooten over allerlei menschen en allerlei dingen kweekt een eindeloos verschil van meening. Wat vertrouwelijks, wat innigs is denkbaar, waar sympathie in wijze van zien faalt? Stel u een paar voor, bij het welk zoo min verstand als gevoel ongeveer in dezelfde mate zijn ontwikkeld en beschaafd, en zeg mij, of de band niet los zal springen, zoodra verzadiging op genot volgt? Hebt ge ooit huiselijk heil benijd of bewonderd, waar de eehtgenoot in eene geheel andere wereld van gedachten en gevoelens leefde, dan de gade, of omgekeerd ? Het is veel, als het bij louter koelheid, louter vervreemding blijft; als de ongelijkheid geene walging, geen’ werzin opwekt. Verscheidenheid moge tot nheid voeren, van elkander afkeerige elementen kampen tot het sterkste overwint, Enkele malen, het is waar, trekt de man zijne vrouw tot zich op, of haalt de vrouw haren man tot zich ner; maar gewoonte, die was van kindsbeen af bootseerde, is eene onhandige herschepster, zij doet het volwassenen slechts pijnlijk, stuksgewijze, en niet zonder herhaalde wederinstorting. liefde is almagtig; – doch is de liefde van een’ klerk voor een meid, is dat de hartstogt, die, veredeld, het onmogelijke mogelijk maakt? Helaas, neen, hoe weinig is zij in harmonie met zijne jeugd, zijne opvoeding zijne herinneringen, – hoe wreken deze zich, als hij zijn kroost aanziet! Kinderen uit zulk eenen echt zijn geene strikken, welke het paar naauwer aan een sluiten, het zijn struikelblokken, die den dagelijkschen omgang verzwaren. Hoe verscheiden is het oordeel van zulke ouders over hunne vorming niet? Wie schetst de ergernis eens vaders, die in zijne dochters dezelfde onbehouwen stukken vleesch ziet opgroeijen, als waaraan hij zich verslingerde; wie het leed eener moeder, die zoo gaarne uit hare jongens iets ars zag opwassen, dan het evenbeeld des timmermans, wien zij in een zwak oogenblik hare hand gaf? Ziedaar de wroeging naar het ligchamelijke; dat het naar den geest beter ginge! Maar hetzij de man of de vrouw ophebbe met een weinig meer beschaving, met ietwat opener zin voor het welvoegelijke, het bevallige, het edelaardige, het verhevene – het zijn alle zusters van het schoone – hoe dikwijls grieft het hem of haar, bij melieve, of bij mijnlief, in plaats van eene ijverige hulpe in de ontwikkeling, onverschilligheid of wederstand aan te treffen! Men begrijpt elkander niet, – men voelt verschillend, – men doet zeer zonder het op te merken, – men kwetst eer men het weet, – men ergert elkander,– men kwijnt weg, – men geeft het op; – arme kinderen, wat wordt er van u?

Vernedering in de jeugd, als bij Rivers; verloochening in de jongelingsjaren, als bij Vreese; afhankelijkheid in den middelbaren leeftijd, als bij Gerrit en Aagje; verval naar ligchaam en geest in den vrherfst, als bij Doorne; vervreemding van den kring, waarin men geboren, voor wien men gevormd werd, als bij de beteren uit de klasse van Hammink, – of de avond van het leven van een’ kantoorbediende, de ellende van ochtend , en middag opwoog! Vlei er u niet mede, tenzij de klerk reeds vroeger getracht hebbe boekhouder te worden,– bij een’ komenijsman, bij een’ winkelier, bij een tweedehands huis, bij wie hem nemen wil, in n woord, – de wijssten doen dit het vroegst. Het geeft aanleiding, met meer menschen in betrekking te komen; het bewaart voor den vloek, van een’ enkele af te hangen. Ik ken er, die zes, zeven pezen van die soort op hunnen boog hebben, en er hun wit me beschoten: eenige huisjes, een effect of wat, en kroost, des noods in minderen, maar toch degelijken stand geplaatst. Z behoort het – genadebrood is altijd hard, maar hardst uit de handen van jongeren van dagen. Waan daarom niet, dat allen z gelukkig zijn. Al ziet gij zeldzaam een man, die al grootvader is – en toch nog kantoorbediende – des middag naar de beurs strompelen, om dezen of genen jongen mensch in een’ anderen hoek dan dien van het huis op te sporen, en hem te verzoeken, eens bij den patroon te komen, – daar zijn er, voor wie de schaduwen zieh verlengen, zonder dat zij hun ruate aankondigen. Daar zijn er, die ’s ochtends naar het kantoor sukkelen, traag van voet en stijf van leden, – die binnenkomen, met het hoedje in de hand, schoon kaal of grijs van schedel, – die den rok aan den kapstok hangen, schoon de hand hem naauwelijks meer beuren kan, – die de pen versnijden met bevende: vingers. Aan uwe taak, oude stumper, of gij en uw besje hebt gebrek! O, hooggeroemde vrijheid onzer instellingen! wat wist de oude vassal van zulke ellende? Plagt hij niet voor de deur zijner hut, in de lommer der eiken gezeten,’ rustig toe te zien, hoe zijne kinderen en kleinkinderen feest vierden op het groene gras; had hij geene bete broods en geen glas melk over voor den moeden pelgrim, dien zijne oogen in het verschiet niet meer konden onderscheiden, maar die den grijze met een: „de heilige maagd zegene u!” genaderd, door dezen „welkom!” werd geheeten, onbekommerd welkom? Het is waar, als de trompet werd gestoken, als het strijdros op het vrplein van den burg trappelde als de ridder, de heer, zich het harnas om de leden gespte, dan moest zijn zoon, zijn kleinzoon, den ploeg den ploeg laten, om de morgenster of den strijdakst op te nemen, om te velde te trekken, voor, neen! met zijnen meester; want voor wat andere vochten deze, dan voor het stuk gronds, dat hunnen oogst droeg, dan voor de kleine woning, wier dak de grijsheid en de jeugd, het verledene en de toekomst, hunne ouders en hunne telgen herbergde? De dagen der grafelijkheid leverden geene wedergade op van het jammer onzer handelseeuw.

Eene vergelijking uit onzen tijd!

Er gaat in den ganschen lande maar ne stem op over de bureaucratie, welke ons uitmergelt; doch schoon de jongste wet op de pensioenen werd verworpen, hoe luttel leden der Tweede Kamer loochenden de billijkheid van het beginsel, dat dertig of veertig jaren trouwe dienst aanspraak geven op een onbezorgden ouden dag! Eere den minister, die menschenkennis genoeg had, den staat noch eerlijke, noch ijverige dienaren te durven beloven, als alle uitzigt op pensioen den ziekelijken of bedaagden werd ontnomen. Maar wie waarborgt dit den kantoorbediende, den klerk, die meer van zijnen patroon inschikt,dan de ambtenaar van zijnen superieur; den pennelikter, die niet, als de geemploijeerde, gegronde hoop koesteren mogt op bevordering? Waarlijk, de laatste valt naauwelijks onder de automaten te betrekken; want er was een prikkel, die hem aanvuurde; want, vergelijkenderwijze gesproken, had hij, veel vrijen tijd; want er blijft voor hem eene rust over, als de Heer zijne dagen rekt. In den toestand, dien wij beschouwen, schemert geenerlei licht den donkeren nacht door, dan de bleeke toorts des medelijdens van een jonger geslacht; bouw daar uwe hoop eens op! Het is hartverscheurend, dat ik er bij moet voegen, dat eene kleinigheid, „te veel om van te sterven, te weinig om van te leven,” slechts zelden wordt toegestaan, zeldzamer nog met die genegenheid, waarop de dienst van een gansch leven regt geeft. Er is iets verschoonlijks in de aarzeling, waarmede men er toe komt, eenen ouden klerk van zijne werkzaamheden op het kantoor te ontslaan. schoon men hem zijne bezoldiging blijft uitbetalen. „Wie weet hoe lang het met den ouden man nog duren zal?” heet het, soms, „in de laatste jaren hadden wij toch reeds zoo weinig dienst van hem.” En echter, och, dat ge liever bedaeht, dat zijne beenen verstramd zijn, door het opklimmen van uwe trappen, – dat zijne oogen verglaasd zijn, bij het licht van uwe lamp, – dat iijn hoofd suf is geworden, door het optellen van uw vermogen – uw vermogen! – Hij heeft stellig dat uw’s vaders, misschien dat van uwen grootvader gekend – hij heeft geweten, hoe deze begon – overlegde – groote winsten had. Al die jaren bleef hj de oude knecht; of was uw voorganger milder dan gij, zijne kleine douceurs werden wel vereischt, om zes of zeven kinderen groot te brengen. Hij heeft meer voor u gedaan, dan al die dagen en maanden en jaren der zaken uws vaders te wijden, – niet meer dan hij schuldig was, als ge wilt, maar dat u niet minder aan hem verpligt: – hij hadt gezwegen, gezwegen met voorbeeldige trouw, toen een onderneming van uwen grootvader faalde, toen zijn crediet hem staande hield, terwijl de schaal van zijn vermogen wankelde. Als gij, die toen welligt nog in de wieg laagt, of zorgeloos speeldet of stoeidet, getroeteld kind als gj waart, rijke jongheer als gij heettet, wanneer gij er toen begrip van hadt kunnen hebben, hoe uwe toekomst, hoe de middelen van herstel afhingen van de stilzwijgendheid van dien eenvoudigen, burgerlijken man, dan hadt gij hem gaarne een’ onbekommerden ouden dag beloofd, ten prijs zijner geheimhouding. Die oude getrouwe! Als hij voor zich en de zijnen bad, dan bad hij ook voor u, want het huis uws vaders was schier zijne Voorzienigheid, en hij wiens naam gij draagt, wiens vermogen gij erfdet, wien gij uwen rang in de maatschappij verschuldigd zijt, hij had dien eenvoudigen, burgerlijken man lief!

„Waar blijft Loman toch?” vraagt de nog jeugdige patroon, eene plaats aan den lessenaar ledig ziende.

En het antwoord is niet: „Loman is ongesteld,” want het is ongeveer eene halve eeuw geleden, dat de man in den leeftijd was, waarin deze of gene uitspatting op kermis of partij met een’ dag te huisblijvens wordt geboet, – ook is het hem tusschen de twintig en dertig misschien geene drie malen gebeurd. En het antwoord is nog minder: „Loman heeft verlof gevraagd, om naar buiten te gaan;” want noch zijne betrekking, noch zijn salaris, hebben hem ooit vergund boven Utrecht te kpmen, en sedert hij getrouwd is, heeft hij, even als de aartsvaders naar het paradijs dikwijls maar vergeefs, naar Haarlem uitgezien; de slatuintjes en de Amstelveensche weg, – ziedaar al de schoone natuur, welke hij in twintig jaren genoot. Sloten of Ouderkerk is zijn Ultima Thule geworden. En het antwoord is allerminst: „Loman viert de bruiloft van een zijner kinders,” want dat feest zou de man op zondag hebben geschikt, als er van zijne vier dochters meer dan ne enkele gehuwd was. Stel u gerust, de overigen winnen’ zelve den kost, door mutsen opmaken, door kleedjes verstellen, enz. enz. – de middelen, waardoor eene oude vrijster ten minste voor bewaard wordt, van honger om te komen.

Het antwoord is: „Loman heeft de jicht!”

De jicht! Vreeselijke kwaal voor een’ geest, die nooit had geleerd in lectuur afleiding te vinden, door nadenken; – die, in het huiselijk tooneel om hem heen, niets opbeurends aanschouwde, – die maar wenschte, dat hij zich op het kantoor wer van zijn pligt kwijten kon, – die de ziekte verergerde door het ongedakd.

„Het is lastig,” zegt de patroon. De man meent voor hem, aan den zieke denkt hij niet.

Er verloopt eene week, en de chef herhaalt de vraaq, en het antwoord is hetzelfde. Jan (de knecht) is in het voorbijgaan bij den oude aangeweest, – de boodschip blijft „pijnlijk!” – Voor twintig, voor tien jaren noq, toen de man, zoo al niet meer in zijn’ fleur, echter nog vrij kras mogt heeten, zou de patroon zelfs eens hebben gaan zin, hoe hij het maakte, deels uit belangstellng, deels uit belang; Maar nu! De oude zaak; die Loman zou napluizen, moet dan maar wer een veertien dagen rusten; – de jicht, wat is daartegen te doen? Weleer – ja, toen zond mevrouw eene flesch wijn voor den herstellende, nadat zij een potje gelei had gestuurd, om op de bittere medicijnen toe te memen, – doch thans, er is voor den ouderdom geen kruid gewassen, het einde is toch de dood.

Duid het menschen van jaren eens ten kwade, dat zij gierig zin, als ge zoo vaak ziet, wat grijsheid is zonder geld!

Het eindje was bij Loman niet de dood; op een’ maandag morgen, later dan anders, maar toch niet over kwartier over tien, kwam Loman, vermagerd en amechtig, zijne plaats achter den lessinaar hernemen, eene schaduw van hetgeen hij nog voor een jaar was geweest. De jicht heette geweken voor het zoele weder, voor het roode flanel, dat de knie nog omzwachtelde, voor – waatom het verzwegen? – voor den ijzeren dwang der behoefte; de man steende bij iedere beweging en zijne borst „was niet vrij.” Als gij er aan getwijfeld hadt, dan had zijn kuch er u van overtuigd.

Het werk ging drie dagen lang zoo als het kon.

Den vierden ontmoette mevrouw hem toevallig bij den trap – hij zou haar voorgaan – ik spaar u het overige.

Den vijfden zei de patroon:

„Je kunt in ’t vervolg wel t’ huis blijven, Loman, we hebben toch weinig meer an je.”

Het ging mij door de ziel – want de chef liet een paar minuten verloopen, eer hij er bijvoegde:

„Je salaris blijf je trekken.”

O die oogenblikken, eer dat woord het afscheid verzoette, wie schetst ze? De oude voelt niet vlug meer; het trage bIoed sluipt slechts door de aderen; de verdroogde, gerimpelde huid schijnt aan te kondigen, dat het tijdvak der gewaarwordingen met dat der driften voorbij is; – maar wegzinking van oogen en waggeling van knieen; maar beving der handen en trilling der lippen; vergete haar wie het kan, mij heugt de ergernis, of ze mij heden eerst tegen de borst stiet. De ergernis, zeide ik, het ergerlijkste volgde eerst. Naauwelijks was de toezegging gegeven, of de stumper drukte de handen van den patroon, die zich dezer gemeenzaamheid schaamde. Het was een tooneel, om aan de woorden van Pius VII te denken, toen ligtzinnige jeugd de handenoplegging weigerde van den naar Parijs gevoerden vorst der kerke, toen smaad en spot hem ballingschap en kerker verzwaarde. „Jonkman!” zeide de paus, dat oogenblik grooter dan zijne voorgangers het mij schijnen, toen keizers hunne muilen kusten, „jonkman, de zegen eens grijsaards heeft nog niemand geschaad!”

Loman niet aldus; hij bemerkte ter nood den gruwel, hij ging heen, schreijende heen van het kaatoor, waarop hij jeugd, middelbaren leeftijd, bedaagde jaren en ouderdom ten offer had gebragt voor weinig loons en veel ondauks.

Welk een leven!

Welligt zal ik, die u in deze schets den ruwen omtrek van het liaatste bedrijf des treurspels leverde, de beschuldiging niet ontgaan, dat ik eene satyre op den handel heb geschreven, dat ik de klerken idealiseerde, ten koste der kooplui. Het eene was zoo verre van mijn doel als het andere, – ik haast mij, den verkeerden indruk vr te komen.

Ik zou mij kunnen beroepen op de voorgaande bladen; ik heb het regt te vragen, of ik nigen patroon met eene zwarte kool heb geteekend, dan dien, van Aagje’s echtgenoot. Liever breng ik uit mijne weinige ondervinding eenige voorbeelden bij, hoe onbillijk de voorstelling zou zijn allen in zulk een donker daglicht te stellen. Ik ken huizen – het zijn meest oud-hollandsche – waarin alles nog iets burgerlijks ademt; waaruit de vroomheid der vaderen – eene praktikale – nog niet geweken is; – in welke een band van vertrouwelijkheid den meester en de leerlingen omsluit. Er wordt den laatsten in deze nog een huiselijk feest des patroons. De verjaring van een’ der chef blijft er geen geheim, dat zij slechts uit den toestel maaltijd – uit den geur der spijzen in den hoogen en langen gang – uit de komst der gasten, gissen. En hetzij gij al of niet gelooft, dat een glas water, aan een’ dorstige gereikt, den prijs van het eeuwige leven kan zijn, ik ben er zeker van, dat ge u als ik zoudt verlustigen, wanneer ge bij dezen of genen eene verrassende versnapering op het bord van het twaalfuurtie zaagt, wanneer gij de koffij ietwat sterker rookt dan gewoonlijk! Het zijn kleine teekenen van groote deugden. Die aanvullingen slechten de maatschappelijke klove niet, het is waar; doch wie eischt dit? er heersche onderscheid, afstand, zoo ge wilt, mits men elkander, mits vooral de mindere den meerdere kunne beroepen, als hij in nood is! Welnu, die onbeduidendheden waren schier overal zoo vele waarborgen eener echt menschelijke betrekking. Het was of het hoofd des huizes, dat z zijn’ feestdag vierde, de jongelui van het kantoor tot zijn gezin betrok, niet alleen als zijne hand den beker der vreugde ophief, maar ook en vooral wanneer zij den kelk der smarte ledigden. Er waren onder deze, die toezagen, die voorkwamen, die bijstonden, als de jongheid van het pad afdwaalde, als de middelbare leeftijd onder onverwachte slagen schier bezweek, als de ouderdom den last des gezins verdubbelde, Wie het mij euvel duiden, dat ik er goedrond voor uitkwam, dat het niet algemeen zoo is, dat te dikwijls louter de band des belangs partijen verbindt, dat geen inmengsel van heuschheid het straffe der bevelen tempert, – zeker doen zij het niet. Alleen op hun oordeel stel ik prijs.

Het verwijt, dat ik af wilde keeren, was tweeledig. „Idealisatie der klerken!” hoorde ik mij van verre toeroepen. Eilieve, welke dan de natuurlijkste en meest alledaagsche wenschen heb ik hun toegekend, – eene niet al te drukkende afhankelijkheid – een huiselijk geluk, zoo matig in zijne eischen, dat het ten prijs van de eerste behoeften des levens te smaken valt – een’ ouden dag, door schrikbeeld van hofje of gebrek bedreigd? Wat wilt ge redelijkers? Wie is er onder de zes of zeven klerken, welke ik opvoerde, die geblaakt werd door een’ overgrooten zin voor eenige wetenschap of kunst? Heb ik n’ hunner zweem van aanleg bedeeld, waardoor hun toestand – de bekrompene, de gesmade, de vergetene – dubbel pijnlijk werd? Schetste ik eene liefde voor natuurschoon, sterk genoeg om iemand achter pen lessenaar en vis vis brievendekkers en loketkasjes te verteren, iets gelijkende naar de folterhg van een’ landschapschilder in den dop, achter de toonbank of bij de ijzeren kist? Zaagt gij een’ der zeven ter prooi aan kennisdorst, die, door geene studie beurtelings te leur gesteld en geprikkeld, in den blinde om zich grijpt naar boeken, en slechts te feller martelt, hoe duidelijker het den arme wordt, dat al zijne lectuur tijdverlies is, tijdverlies, dewijl hem opleiding ontbreekt? Ten derde en ten laatste: schilderde ik u een’ Tollens, verzen schrijvende in het hatelijke boek, dwars door de dwarrelende cijfers heen – een’ Vondel eindelijk in de bank van leening? Het zou onedelmoedig ten opzigte der kooplui, het zou onwaar jegens de maatschappij zijn geweest. Genie komt aan het licht – het schitterende als de zon, –. f kwijnende als de maan, – f schemerende als eene ster, – f – wanneer lot, leven, omstandigheden, gebeurtenissen, wanneer alles zich vereenigt om het te omhullen, te verbergen, te verstikken, – onverwacht en bij vlagen als de bliksem uit de zwangere wolk. Dat het in den laatsten toestand even voorbijgaande, even vlugtig is als deze, behoort thans niet tot mijn onderwerp, – genoeg, – het was er, en het blonk. Zie, ik ben slechts bij gewone menschen gebleven, wier bete te vaak bitter, wier dronk te dikwijls wrang is – of behoeft men tot de minder bedeelden te behooren, om als knaap uitdooving, om als man vernedering, om als grijze gebrek bard te vinden, om een leven ondragelijk te achten, doorgebragt onder de dubbele bedreiging van donkere wolken, een: „ik kan niet helpen dat je op straat staat!” bij de bankbreuk van het huis; – een: „ga henen en wordt warm!” als de patroon er zijne zaken aan geeft?

Gij zoudt ondanks deze verdediging regt hebben, u te verbazen, dat ik u zoo lang bij den heloot der handelswereld liet stilstaan, als ik ten slotte niets anders had te doen, dan voor hem een weinig menschelijkheid in te roepen. Al geef ik er me door bloot aan den schijn, als twijfelde ik aan den indruk, dien mijne schetsen en groepen op u hebben gemaakt, ik doe het en van harte (waarom het verheeld?) voor hen, die zich in deze betrekking gelukkig zouden achten, als zij allengs een weinig wierden opgebeurd in de schatting des publieks. Daar zijn menschen, door de natuur tot bedienden bestemd, bekrompen hoofden, koele harten, „medeklinkers, niet allen kunnen vokalen zijn,” beweert een mijner goede vrienden. Het zij zoo! – men gebruike er zoo vele men behoeft, „slechts neme men liever de italiaansche dan de russische spelling tot voorbeeld,” is mijn antwoord. En waar ik vooral op zou willen aandringen, – men sluite toch niet onbarmhartig in eene kooi, wie in staat zou zijn eigen wieken te kleppen. Ik moet oppassen of de eene leenspreuk volgt de andere op, zooals Isac Abraham en Jacob Isac; en mijn onderwerp eischt alles behalve oostersche weelderigheid; het geldt eene handelskwestie, eene geldzaak. „Voedsel en deksel – huis en hof – vrouw en kroost – genoegen en geneugten voor allen –” zou ik Jan willen toeroepen, „maar voor wie in staat zouden zijn, zich zelven meer te verschaffen, wanneer allerlei kleingeestige belemmeringen hen niet verpligtten t’huis te blijven en stil te zitten, voor hen gelegenheid ter ontwikkeling van wat er goeds en groots in hen schuilt. – Immers ons volk is er niet te beter aan toe, dewijl we er thans onder ons zoo velen hebben, die geduldig den schimp: „’t Is maar een pennelikker!” verduwen, – die zich hun leven lang bekrimpen, omdat men geen: „oude sloffen mag weggooijen eer men nieuwe schoenen heeft,” – uithoofde dat een groot gedeelte onzer vermogende lieden zweert bij het woord: „Ver van je goed, digt bij je schade!” – louter dewijl wij, eer we ooit den neus buiten de deur staken, al leerden napraten: „oost west, t’huis best!”

En voorbeeld schildert treffender dan tien vertoogen. We hebben op met den vermogenden handelaar, die voor een vijftiental jaren al zijne bedienden met de tijding verraste: „Ik schei er uit’ met mijne zaken: maar jullie, jonge lui, blijft je jaarwedde behouden tot je dood.”

Een rara avis in onze streken; – het zij in het voorbijgaan opgemerkt – waar een jaar vooruit opzeggens, gepaard aan de waarschuwing: iets anders te zoeken, in zulk een geval al eene zeldzaamheid is – de man leeft nog! Welligt heeft hij van al zijne schatten – al zijne weelde – al zijnen glans, nooit wer z groote voldoening gesmaakt, als op dat oogenblik, in den zoeten waan, dat hij gelukkigen maakte.

Ik vermeet mij niet te beslissen, of wij regt hebben er ons z onvoorwaardelijk op te goed te doen, dat afkeer van zaken, uit overdreven mededinging geboren, te onzent meer aan de orde van den dag is dan halsbrekerij ten gevolge van gewaagde ondernemingen – het is eene keuze tusschen tweeerlei kwaad,’ welke eene prijsvraag onzer geleerde of geletterde maatschappijen verdient uit te lokken: „wat is beter, lusteloosheid of overmoed?” – Maar het acht of tiental klerken, dat zich, volgens de overlevering, boog, en verblijdde en heenging, zonder een’ patroon, die zoo groote welwillendheid aan den dag legde, te verzoeken, hun de behulpzame hand te bieden tot het beginnen van een eerlijk beroep, liever dan hen door dit genadeblijk te verpligten, die jongelui zijn verre van mij levendige sympathie in te boezemen. Waarschijnlijk waren er eenige bedaagden onder; – maar zij, wier schouders zich nog niet kromden, wier knieen nog niet knikten, maar de overigen, die zulk eene gelegenheid niet aangrepen om zich zelve onafhankelijk te maken, hoe duidelijk bewezen zij het verval van den volksgeest, die Jan weleer van zijne naburen onderscheidde!

Wij zijn met eene plaats uit een’ der dichtera van de gulden eeuw onzer letterkunde begonnen: eene vraag, die ons reeds bij den aanvang van dit opstel voor den geest zweefde, besluite dit opstel. Onze voorouders schiepen hunnen handel onder veel ongunstiger omstandigheden, dan die, waarin wij verkeeren; waarom blijven wij met onze meerdere middelen zoo verre onder hen? Terwijl het krijgsvuur binnenslands nog niet had uitgeblaakt, terwijl men den vijand met moeite van de grenzen dsa jongen staats keerde, ontwierpen de broeders en de zonen der verdedigers van het vaderland het plan voor togten door de noordelijke zeen; in spijt der natuur, bereidden zij de verovering van een ander werelddeel voor en voerden die uit. Niemand heeft minder lust dan ik, de gruwelen te verdedigen, ter oprigting eener factory, – ter aanlegging eener stad, – ter verwerving van een gebied, onder de mildst bedeelde hemelstreken, door onze voorzaten gepleegd. Maar wien het voegt, uit dien hoofde den staf over hen te breken, ons, hunne erfgenamen, wel het minst van allen; gezwegen, wat er ter verschooning dier onmenschelikkheid zou zijn in te brengen, de begrippen der eeuw, de gewoonten hunner mededingers in aanmerking genomen. Wij willen het niet; wij gewagen er slechts van, ten einde, na dit blijk, dat wij niet blind zijn voor de schaduwzijde van het tafereel; ons in het licht, dat er ons van toestraalt, te verlustigen, meent ge, te schamen, zeggen wij.

Wat is er geworden van de zucht tot reizen, die weleer een eigenaardig hollandsche karaktertrek plagt te zijn? Lust ter koopvaardij te varen, bij den minderen stand, – lust, ontdekkingstogten te ondernemen, bij onze rijke kooplieden, – lust, het land der zon te bezoeken, bij de zonen der kunst, – lust, eenigen tijd asn de beroemdste hoogescholen in den vreemdte verwijlen, bij onze geleerden, – lust, tusschen de bouwvallen van oud-Rome om te dolen, bij onze patriciers lust in n woord, andere landen te zien, andere volken te leeren kennen, anderen tongval te hooren, andere zeden gade te slaan, – lust, den kring zijner denkbeelden te verruimen, de som zijner kennis te vermeerderen, het gevoel te verfijnen, den smaak te vormen, – lust, door wrijving te streven naar licht, hoe is die uitgedoofd en verflaauwd! Roem zoo hoog gij wilt, de versnelde gemeenschap tusschen, de vlug verbreide berigten van de afgelegenste deelen der aarde; – „met eigen oogen zien,” zeiden onze vaderen, „gaat voor alles,” – en beweerden het te regt. Wat hebben wij bij het stilzitten van lateren tijd gewonnen, dan eenzijdige lofspraken op ons volk, onze inetsllingen, onze deugden, – zonderling afstekende bij de onpartijdigheid, waarmede men in de zeventiende eeuw in Nederland de verdiensten van vreemdelingen erkende en huldigde. Beweer, dat de algemeene studie van talen, dat de onvermoeibare, drukpers, alles, wat wetenschap of kunst, bij de afgelegenste volken merkwaardigs opleveren, tot u brengt, zoodra het in het oosten of westen het licht ziet: „Vreemde oogen maken menschen,” zeiden onze vaderen, en de uitslag bewees, hoe juist zij hadden gezien. Het is of men schroomt, onze jongelieden den toets te doen doorstaan, waarop het verkeer met verre vreemden hunne zeden stellen zoude. Waarlijk; de moed van het voorgeslacht, de jeugd aan die vuuren waterproef te onderwerpen, pleit voor de beginselen, welke zij deze inscherpte.

Eene uitweiding over de levensbeschouwing die het vroede en het kloeke in haar karakter zoo vroeg had ontwikkeld, dat men geene teleurstellingen duchtte, het gevolg van eigenliefde, of zelfbewondering – eene uitweiding van dien aard zoude hier misplaatst zijn – tot den handel terug, als gij wilt. Wie er voor vreeze, ik ducht geen oogenblik, dat onze jeugd ontaard zoude blijken, als haar de middelen ter ontwikkeling niet faalden, zonder hare schuld en tegen haren wensch. Waardoor ontbreken deze? Welligt zal eene wedervraag het kortst tot beantwoording leiden: Wat geeft Engelands handel het overwigt op dien van alle overige volken? – Kolonin? – we hebben even rijke, zoo ziet in evenredigheid nog rijkere dan Albion. – Industrie? – de gevaarlijke boom droeg te onzent reeds meer vruchten dan wij behoeven. – Landbouw, veeteelt? wie weigert hollandech zuivel den welverdienden lof ? – Vermogen ? – we zijn houders van schuldbrieven van schier alle natin, en van die der onze niet het minst. – Hoofden en handen? – we zouden niet klagen, als wij er geene te over hadden. – Een kreet gaat op tegen de Nederlandsche Handelmaatschappij, dewijl zij schier de nige groote zeehandelaar mag heeten onzer beide koopsteden; doch bedenk, eer gij er mede instemt, wat er van Java zou geworden zijn, bij de slaperigheid van vr het jaar 1830, als koning Willem I den interest der actin bij de oprigting niet had geguarandeerd, en jaren lang voorgeschoten. Ik huiver te beslissen, maar ge zult mij vergunnen de vreeze te opperen, dat het effectenspel den goederenhandel verstikt, even als de schuldenlast der nieuwere staten het krijgszwaard der koningen onzer dagen in de scheede houdt: zoo gaan goed en kwaad in deze wereld hand aan hand. Sir Robert Peel’s Income-Tax bedreigt, treft alreeds de bezittingen en portefeuille; – de hooggeroemde papieren, welke rente geven, al sluimerende en al nederliggende, die uitvinding van den nieuweren tijd, welke staatsschuld synoniem acht met volksrijkdom. – Sir Robert Peel’s Income-Tax zal navolging vinden op het vaste land, en wij zullen zien – doch ik mag niet wer afdwalen, ik herhaal liever mijne vraag: wat geeft Engelands handel het overwigt op dien aller volken, wat heeft hij zigtbaar boven den onzen vooruit? – Wijs mij eene koopstad in de vijf werelddeelen, zou ik u willen antwoordeu, waarin geene engelsche huizen gevestigd zijn, jonger zonen, die den vreemde bestudeerden en doorsnuffelden, en zich de dubbele kennis ten nutte maken!

Er is nog iets.

Engelands handel heeft een tooverwoord, dat al zijne betrekkingen regelt. Fair heet het. Vertaal het met „billijk” of met, „gepast,” met „eerlijk” of met „teregt,” het drukt al die gedaehten uit; het is eene lofspraak, het is eene wet, Waar men haar toepast waar men haar nakomt, waar zij beginsel is geworden, dr heerscht verband tussehen het werk, dat men doet, en het loon, dat men geniet, bij inkoop en verkoop, in commissie en courtage, in handel en wandel; tusschen de kennis, welke men zich verwierf en de onderseheiding, waarop zij aanspraak geeft, het vertrouwen, dat men bewijst waardig te zijn, en de aangelegenheden, wier behartiging men ons opdraagt. Ik wil Jan niet in de school brengeu bij John Bull; maar hij heeft eenige reminissentin van de dagen, toen hij monopolist was,– factors aan de graanmarkt, overdreven makelaars-loon in aantal van artikelen, refactie-meesters in de tabak b. v. – die hij wel zou doen te vergeten; want als men een’ mededinger heeft gekregen, is het wijsheid toe te zien, eer het te laat is.

Zonen van goeden huize, vermogende jongelui, die klaagt over gebrek aan zaken te onzent, leert den vreemde kennen, vergelijkt, spoort op, wat belet u ? Lokken oude en nieuwe wereld niet om strijd uwe blikken aan? – het uitstapje, de togt zal u goed doen. Er ligt nog zoo menig veld braak, er schuilt nog zoo menige mijn onder den grond, er vloeit nog zoo menige bron vergeefs. Ontdekt ze, en honderdvoudige renten zullen uw loon zijn. Ge wilt u niet alleen in den vreemde vestigen ? welaan, uws gelijken in aanleg, maar niet in vermogen, vloeijen over in het moederland, verstikken en kwijnen weg in de bedompte kantoorlucht; waarom zoudt gij hun aan uwe zijde het spoor niet onttsluiten? Hoeveel edeler zou het zijn, zoo ge, dus strevende voor Holland nieuwe betrekkingen aan te knoopen, den overvloed van levensgeesten, der jeugd eigen, ten nutte van u zelve en anderen besteeddet, dan die te wijden aan dubbelzinnig genot, aan spel en aan min, – hoeveel edeler dus een flink burger te worden, dan een vroeg-oude couponnen-knipper! Of beschamen Hamburg en Bremen ons niet reeds in het uitbreiden harer betrekkingen met veel geringer middelen? – Hoe ons volkskarakter winnen zoude bij dergelijke pogingen, alle sluimerende krachten op te wekken, vroegere degelijkheid te doen herleven, nieuwe bronnen van welvaart en glorie te openen voor tijdgenoot en voor nageslacht! Hoort gij de stemme niet, die er u toe aanmaant, zoo dikwijls gij u, op de hofsteden uwer ouderen, in het schoon der natuur hebt verlustigd, en, de duinen opgestegen, de zee vr u ziet, de zee, waaraan ons voorgeslacht alles verschuldigd was, zijne vrijheid, zijn’ voorspoed, zijne vroomheid misschien, – want niet te onregt zegt een oud spreekwoord: Wie wil leeren bidden, die vare ter zee!

Het is in den handel als in alle standen, wie zich de kunst te bevelen eigen wil maken, die oefene zich eerst in het gehoorzamen! Zoo rampzalig als het is, altijd op den laagsten trap te blijven staan, zoo goed is het van de eerste sport op te klimmen. Het vormt – het prikkelt – het brengt alle gaven aan het licht. – Maar de leerjaren moeten eens een einde nemen; hij moet het vooruitzigt hebben meester te kunnen worden, die zich deze ten nutte zal maken. Altijd de oude knecht te blijven is een ondragelijke vloek – Aldus begrepen het onze vaderen, die hunne jonge lieden uitzonden in oost en west en in noord en zuid, maar hun na volbragten togt ook de behulpzame hand boden om zich te vestigen, ten einde van de verkregen kennis partij te trekken. Aldus begrijpen het nog de degelijksten onder ons. Waarom mag ik hier geen loffelijk voorbeeld aanhalen, dat allen, die in de hoofdstad beurs en raad kennen, voor den geest komt; waarom den man niet noemen, die op zee voor zijn beroep gevormd, thans een hooger roer heeft aanvaard?

Laat Hooft uitdrukken hoe ik wenschte, dat al onze aanzienljjken ons vrgingen, zoo als hij: – de dichter ziet zijne vaderetad ten top van voorspoed gestegen, ter prooi aan de duizeling, der weelde eigen, en waarschuwt haar: ach! dat zijne pozij geene profetie ware geweest:

                               Want nergens is zoo veil
De niet verwachte val, als op de toppen steil;
Zoo slibbrigh staan, als op de kruin;zoo te bedinken
Het gypen? als voor wind, en zoo gereed het zinken.
Gelijk ik zie, uit wenst tot weelde, te gemoet
Al wat verbastering der oude zeeden goedt;
En, om het snood gewin, in last de goede wetten.
Doch zullen daar de best’ hun voorgang tegens zetten,
Uitblinkendt als in goudt het heldere gesteent.

1842.