E. J. POTGIETER (1808-1875)

EEN PROSPECTUS.

Rembrandt van Rhijn hield welligt een praatje in de eene of andere taveerne, achter misschien maar een kanne peurzelaer, op den oogenblik waarin we, om den wille van het nageslacht, gewenscht hadden, dat hij op het stadhuis te Amsterdam, – dat hij in Burgemeesters-kamer toeschouwer ware geweest. Ondanks meer dan zestig jaren levens – en arbeidens! – die zijne vroeger zoo donkere lokken al reerds in vloeijend zilver hadden verkeerd, zou hij er met jongelingsijver naar papier en potlood gegrepen, zou hij er een regentenstuk hebben ontworpen, karakteristieker dan eenig, dat het Gemeenebest ons naliet. Of, wat dunkt u, zou het te veel van hem gevergd zijn geweest, dat hij voor eene poos van het genot des gezelligen verkeers met zijns gelijken – hoe lief het hem zijn mogt, – dat hij er voor dien morgen of dien middag hadde afgezien, om eene groep te schetsen, van welke het weeldrigst vernuft geen achtergrond geven kon, beter de waardigheid der hoofdpersoon uitdrukkend, dan dien, welken het vertrek zelf aanbood: – wichtjes met bondelpijlen, voor welke adelaars den spiegel beurden, – marmeren, corinthische zuilen, ter wederzij van een schoorsteenmantel, in wiens fries de zegepraal van Quintus Fabius Maximus was uitgehouwen, – hier en ginds eindelijk festonnen, waarop de beitel fortiter en prudenter te lezen gaf? Het is waar, onze grootste schilder vermeidde zich zijn leven lang slechts in sprekende gelaatstrekken, zoo als de heffe des volks er in onverbasterde oorsponkelijkheid dikwijls verrassend en krachtigst aanbiedt; vermeidde zich vooral, ten gevolge zijner lievelingsvoorstellingen uit de gewijde geschiedenis, in die wijken der ten top van welvaart gestegen wereldstad, in welke de laauwe zon van het West voor den nakomeling IsraŽls ballingschap bescheen, zoo dragelijk als die ooit verdrevenen van haard en have vallen mogt! Maar al boden dan de gestalten, die hij in Burgemeesterskamer zou hebben aangetroffen, niet al de verscheidenheid aan, waarmede het volks leven op straat, voor iemand van zijne fantasie, kwistig, overkwistig heeten mag; toen men zestienhonderd acht en zestig schreef, spraken geest en gemoed uit de physiognomiŽn onzer patriciŽrs nog te eigenaardig, om der studie van beide niet iets belangrijks te geven; – het was immers eerst achttien jaren nadat Constanter – zich eene toekomst denkende het toenmalig heden waard! – den stichters van het achtste wereldwonder wenschen dorst:

Is ’t ook soo voorgeschickt, dat dese marm’re muren
Des Aerdtrycts uytterste niet hebben te verduuren;
En werdt het noodigh dat het Negende verschyn’
Om ’s Achtste Wonderwercks nakomeling te zyn;
God, uwer Vadren God, God, uwer Kind’ren Vader,
God, soo naby u, zy die Kind’ren soo veel nader,
Dat hare welvaert noch een Huys bouw’ en besit’
Daer by dit Nieuwe sta, als ’t Oude stond by dit.

Rembrandt van Rhijn zoude op den 10den Augustus van voornoemde jaar aan de langwerpig vierkante tafel als Burgemeesteren hebben zien aanzitten: Mr. Lambert Reynst – Cornelis van Vlooswyck, Heer van Vlooswyck, Diemenbroeck en Papenkoop, enz., – Cornelis de Vlaming van Oudshoorn, ridder, heer van Oudshoorn en Gnephoeck, enz., – en Dr. Gillis Valckenier. Het zijn namen, der veelvuldige lijsten van Amsterdams regering niet vreemd; maar hoe zoude zijn penseel onze veder hebben achter zich gelaten, indien hij het viertal voor u vereeuwigd had, indien wij van uwe verbeelding niet het aanvullen van verspreide trekken behoefden te vergen. We beginnen met wat er gemeens was tusschen deze mannen; wij doen het te eer, dewijl het andermaal het tijdstip herinnert, waarin wij hen voor ons zien; alle vier behooren zij tot „degenen, die hier ter stede den eed op ’t Eeuwig Edict hebben gedaan.” Zoo zegt de Historie, en nu, opslaande wat zij van ieder in het bijzonder heeft geboekt, treffen wij het eerst Mr. Lambert Reynst aan, in dat jaar voorzittend Burgemeester, die van 1656 tot 1666 het schout-ambt bekleedde, en van wien wij, – zoo het ons veroorloofd is den tijd vooruit te loopen – u nog kunnen mededeelen, dat hij, „tegen het einde van Julij 1672, geraden vond op de hoofdwacht van het stadhuys zijne nachtrust te nemen, om te beter te zorgen voor de sleutels” (der stadspoorten), „welker bewaringe hem aanvertrouwd was.” Laat ons er mogen bijvoegen, dat hij den 10den September van hetzelfde jaar, bij een brief van Z. H. Willem III, uit het leger bij Bodegrave afgezonden, „ontslagen werd van de regering,” niet, als ook beschreven staat, dewijl de Prins-Stadhouder hem of een der overige ontslagen heeren, „verdacht hield, van plichtverzuim,” neen, alleenlijk uit staatkundige insigten, van „welker redelijkheid en gegrondheid hij zelf goed vond te oordeelen.” – Het zijn maar schrale airen, die wij lezen mogten; zal de oogst voor Cornelis van Vlooswyck overvloediger zijn? Vast eene eeuw vroeger namen zijne voorzaten reeds op de kussens met drie kruisen plaats; hij zelf bekleedde de burgemeesterlijke waardigheid ten derde male in het jaar 1660, en hoe dikwerf hem ook later die eere nog weÍrvoer, in geen volgende vaag zijns levens bragt zijne betrekking hem met mannen in aanraking, die zoo grooten invloed op hunnen tijd oefenden, als zij deden, welke hij in het genoemde, namens Amsterdam, begroeten moest. Het waren, wij hebben er reeds in ťťnen adem van gewaagd, hoe hemelsbreed zij ook van elkander verschillen, het waren Karel II en Willem III – de weder opgaande zonne van den Huize Stuart, bestemd om spoedig andermaal, en dan voor altijd, onder te gaan, en het rijsje uit den afgehouwen tronk der Oranjes voortgeschoten, dat op zou wassen ten boom, lommer genoeg gevende, om allen, die de hitte der geloofsvervolging ontweken, vrijheid te gunnen en vrede! – Amsterdam zond van Vlooswyck, met Huydecoper en van Beuningen en Pieter de Groot naar ’s Hage, om er Karel II geluk te wenschen, dat Engeland nog eenmaal den schepter aan zijn geslacht had toevertrouwd, – van Vlooswyck was burgemeester, toen het tienjarig weesje, Willem III, aan het hoofd der Amsterdamsche ridderschap, door de stad een „keer te paarde deed,” en de knaap, door zijn moed en zijne minzaamheid, voor het minst het hart der burgeren mijnde, al mogt zijne moeder er niet in slagen de vroedschap over te halen, haren „jongen zoon voor te schikken tot de hooge ambten, door wijlen zijnen vader bekleed.” – Eene enkele mededeeling nog, en wel deze, dat, wie ook in het jaar 1672 door Willem III uit het bestuur werden geschrapt, Cornelis van Vlooswyk niet, en wij gaan over tot den Heere van Ondshoorn en Gnepboeck, den Ridder Cornelis de Vlaming van Oudshoorn. Een ouder, een voor het minst vroeger reeds aanzienlijk geslacht dan dat der Vlooswycken, treft gij de Vlaming van Oudshoorn alreede voor het Geusworden van Amsterdam onder de regeringspersonen aan, was Cornelis Jansz. van dien naam al in 1500 Schepen. Waartoe echter andermaal de lange lijsten des bestuurs doorloopen, om onzen Cornelis van l649 tot 1655 schout der stad te zien? een schooner, een schaarscher nog verdiende lof dan de aanzienlijksten te zijn geweest, komt den Oudshoornen der zeventiende eeuw toe; de lof, eene in die dagen zeldzame deugd in beoefening te hebben gebragt: tot de verdraagzaamsten van hunnen tijd te hebben behoord. Geen geslachtsboom der leden van dien huize is in ons bezit, en wij kunnen u dus ook niet mededeelen, welke de betrekking was van den Pieter van dien naam, uit den jare 1621, op den Cornelis van denzelfden stam des jaars 1672; maar hetzij ze tot elkander stonden als vader en zoon, of als oom en neef, er was verwantschap van zielen tusschen hen. Of herleeft de eerste, die zich met ontzag met Rem Egbertszoon Bisschop, uit de ballingschap teruggekomen, openlijk te wandelen en te verkeeren, herleeft hij niet voor u in den laatste, als deze den Oud-burgemeester Andries de Graef van het stadhuis af tot naar de Haarlemmerpoort, tot op de trede van den postwagen naar ’s Hage toe vergezelt, om hem voor de woede des graauws te beveiligen? Beide bij twee wisselingen van regering in het bestuur gehandhaafd, de eerste door Maurits, de andere door Willem III, aagen zij zich na de verandering herhaalde malen tot burgemeesters herkozen; – boven den t7wist zijner tijdgenooten te staan, wordt bij wijle toch door de eene als door de andere partij gedoogd, geŽerbiedigd en gehuldigd; er schuilt iets ontzagwekkends in, het voor den verdrukte te durven opnemen! – Dr. Gilles Valckenier is aan de beurt, de vierde der burgemeesteren, die wij zien aanzitten, de man, door Sir William Temple geschilderd, als met Hendrik Hooft Amsterdam regerende; Gillis Valckenier, – „peinsachtig, – loos, – bevlekt,” – vergeet niet, dat het een voorzigtig staatsman was, die hem deze onbeminnelijke eigenschappen toekende! Verdient hij er om beklaagd te worden, dat de historie niets van hem berigt, dan dat hij het Eeuwig Edict uitdacht? de karikatuur, in een woord, van den steller der acte van Seclusie! Eer men het toegeve, toone men ons in hem de groote gaven van geest, die bij den laatste het verlangen, zelf den staf te voeren, zoo niet wettigden, ten minste verontschuldigden! Wij, nakomelingen, zijn maar te zeer geneigd. voorbij te zien, dat wij der eigenliefde van Joan de Wit schier het onmogelijke vergen, als wij eischen, dat zij in Willem III een genie zou vermoeden, waarvoor de luister van het hare tanen en onder moest gaan.

Rembrandt van Rhijn zoude, wij erkennen het gaarne, u niet enkel, als wij tot nog toe deden, in die vier mannen historische figuren hebben geschetst, – de krijtlijnen waren onder de doodsverf, en deze op hare beurt onder zoo donkeren toetsen en zoo hooge kleuren schuilgegaan, dat gij, dank zijn meesterschap over licht en scha‚uw, menschen hadt aanschouwd, dat ge, dank zijn zin voor gemoedsuitdrukking, ieders verscheiden aard bij den eersten blik hadt doorgrond. Eene onsterfelijkheid, als hij hun had kunnen verleenen, viel hun niet te beurt; maar de poŽzij dier dagen heeft om hunne vast vergeten of verloren beeldtenissen – van mindere band dan die des meesters – kransen gestrengeld, die na bijna twee eeuwen nog frisch mogen heeten, en vergunt ons, hoezeer in sommige, opzigten even weinig burgerlijkwaar als hare zuster, helaas! ten minste een blik op hun huiselijk leven te werpen. Of wat dunkt u van een bijschrift als het volgende:

Op den E. Heere

LAMBERT REINST,

Schout, van wegen de Graeflykheit van Hollant, Zeelant, en Westvrieslant, t’Amsterdam.

TEMPERAT IRAS

Was d’eer aen Tacitus, of ’s weerelts hooftstadt Rome,
    Toen hy het Schoutendom bekleede, wys en trouw?
    Aen bey, sprak Themis, die dit vonnis vellen zou.
Is ’t billyk dat het Reght alle ontught regle ea toome,
    Zoo blijf ’s lants hooftstadt Reinst, en hy ’s lants hooftstadt waert,
Daer geen Domitiaen, maar wyze burgerheeren,
Tot heil der Graeflykheit, de burgery regeeren
    Door zyn gezagh, en mont en ’s Graven wettigh zwaert.
Dus zien wy ’t Recht door hem, den Schout door ’t Recht verheven.
Dus wort hy afgebeelt, om na zyn doot te leven.

 Hier hebt ge zijn pendant, tot in de hoofdgedachte toe:

Op Mevrouw

ALEIDIS BIKKER VAN ZWIETEN,

Gemalin van den Heere Lambert Reinst, Schout der Stadt Amsterdam.

PUDICITIAM SERVAT.

Aldus verquikt de lieve Aleidis in haere armen
    Den Heer, die al den dagh, ten dienst van al de stadt,
    In ’t overlastigh ambt des avonts afgemat,
    Zyn zon bedankt die hem komt koestren en verwarmen.
        Gelyk een dochter voeght van Swieten, die het volk
    Verdadigde, en verdiende eens Vorsten haet te draegen,
    Toen hy den Aemstel quam beleegren en belaegen,
        En dreighde ’t edel bloet met zijnen blooten dolk.
    Men ziet goedaerdigheit gemengt in zedige oogen.
    Dat zijn ze, die zijn hart tot haere min bewoogen.

Het lijdt geen twijfel, dat beide onder den indruk van Willem II’s aanslag op Amsterdam werden geschreven, – maar niet altijd was de poŽet, zoo politiek. Gij weet het, een deftig zeventiende-eeuwsch huishouden prijkte op zijn zaal, niet slechts met de portretten van mijnheer en mevrouw; een familiestuk plagt er tegenover te hangen, en beider huwelijkszegen aan te biÍn. Ook bij Reynst droeg de pronkkamer roem op het, nakroost van Lambert en Aleida, – het was Joan Lievensz., die hun drie zonen en twee dochteren op het doek had gebragt; – hoe? dat zegge u andermaal de poŽzij:

Dry zoonen wijken geen Troiaensche jeught in ’t rennen
En paerderijden.

We zouden durven werMen, dat de Reynsten flinke jongene’ zijn geweest; de gang der verzen getuigt er van:

                                Elk schijnt zonderling begaeft.
    Hetzy de ridder springt, of keert, of langzaam draeft,
Of weghspoet met een vlucht, of in den ringh wil rijden;
Hy toont zich afgerecht, en weet gevaer te mijden,
    Kort op te houden, en te steigeren met kunst,
    Te zwaeien rechts en slinx, en doorgaens met een gunst
Zich zoo te maetigen, en op de maet te passen
Dat hy natuurlijk uit den zadel schynt gewassen.
    Aldus plagh Chiron op te passen en de jeught
    Gedurigh t’oefenen in ridderlijke deught.
Zoo plaghten Kastor en ook Pollux op te zitten.
Men ziet den klepper zich in ’t oefenperk verhitten,
    En hoort hem brieschen. O doorluchtigh tijtverdrijf!
    Den allerjongste springt het strijtbaer hart in ’t lijf,
Als hy zijn’ broederen een kans heeft afgekeeken.
Het oorlogh is zijn lust. Dees borst, op alle streeken
    In ’t vechtperk afgerecht, kan slagh en steek voorzien,
    En zou het wilde zwijn de tanden durven biÍn,
Indien het in een bosch schuimbekkende aan quam streven.

Het hachje! – welks voorstelling, ondanks al de verdienste dier verzen, nog in waarneid van voorstelling zou hebben gewonnen, indien de schilder ons, in plaats van eene uitheemsche: natuur, het oord waarin wij geboren werden had doen zien, – indien de dichter van het Hollandsch verkeer partij had getrokken in stede van den Griekschen beeldenschat te plonderen. Een wandelrid door de Spanjaardslaan, een zeiltogtje op het Y, hadden zij minder gelegenheid aangeboden, om strijd het kloeke en het koene dier knapen te doen uitkomen? We zouden ons in dien lommer te huis hebben gevoeld, we hadden in dien golfslag ons wiegelied gehoord, – met de torens van Haarlem in het verschiet ware voor de poŽzij het verledene herrezen en van het Holland harer dagen had zich het heden uitgebreid, niet den spiegel der zee! Daartoe de gisping, vraagt men misschien, eener overigens zoo gelukkige proeve 7 Ons antwoord zal zich niet doen wachten: Lambertus Reynst en Alida Bikkers van Swieten haddea twee lieve dochters; maar wij bidden u, waarom van vrouwelijke voortreffelijkheid slechts ťťn type gevierd, waarom al de eigenaardigheden van andere eeuw, van amlere luchtstreek, anderen volksaard voorbijgezien en verloocbend; waarom vooral den gezegenden invloed des Christendoms op de schoone helft van het menschelijk geslacht moedwillig miskend! Luister ter regtvaardiging onzer klagt, luister naar zulken lof:

Maer om de dochters af te beelden naar het leven,
    Gelijk Apelles hant haer schilderde in ’t saizoen
    Van ’s levens lente, waer hier geest en kunst van doen.
De schoone Elizabeth zou prijs op Ida winnen
Voor Paris vierschaar, of by negen Zanggodinnen,
    Den ganschen zanghbergh met haer keele en cymbelsnaer
    Ten reie aanvoeren. Zet dees schoonheit op ’t altaer
Zy zal het kerkgewelf van Venus rijk stoffeeren,
De minnaer haer met myrte en roozekransen eeren.
    De zuster weet haer’ galm te volgen, of zy maelt
    Gebloemt tapijtwerk, als een Pallas, met de naelt,
En toont wat kunst vermsgh en leerzaeme gewente
Wanneer ze bloemen tart en verwen van de lente.
    Gelukkigh is de hant die zulk een puikbloem plukt,
    Waervoor de keurighste zich neight en nederbukt.

De verzoeting moge groot zijn, de dochteren van Reynst in tegenstelling dezer godinnen, hollandsch, hervormd, huiselijk te schilderen: een paar lieve gezigtjes, waarop roode en witte rozen hare kleuren schakeren – bruine kijkers vol geestigheid, of blaauwe oogen, een hemel voor wie er in staren mag lippen, in frischheid den meikersen gelijk; – levenslustige, openhartige troniŽn: zedig, al weten zij van geen veinzend voor zich zien; gevoelig, al schittert heur blos van gezondheid u tegen; vrolijk, ofschoon – neen dewijl de vreeze des Heere in hare harten woont, – die verzoeking moge groot zijn, herhalen wij, het is aan ons haar weerstand te bieden. De poŽzy heeft u nog slechts den Oud-burgemeester voorgesteld – wij gaven hem dien ochtend, om de groep in veelzijdigheid te doen winnen, het gezelschap zijner drie ambtgenooten, – heeft zij ook dezen gedacht?

Vlooswyck voor het minst, Vlooswyck is voor vergetelheid beveiligd, indien het kracht van taal gegeven is zulks te doen.

Op den Edelen en Gestrengen Heer

CORNELIS VAN VLOOSWIJK,

Heer van Vlooswyck, Diemerdam en Paepekoop, Burgemeester en Raet van Amsterdsm.

PULCHRA PRO LIBERTATE.

Men ziet hier Vlooswyk niet, gelyk zyn jeught te paerde
    In ’t heir der Staeten, voor Rynberk en voor Maestricht,
Gewapent heenedraefde, en Aemstels eer bewaerde,
    Maer ryper, naer den eisch van ’s burgervaders plicht,
Gelyck hy stadt en lant en burgerrecht verdaedight,
    Of yvert om de Sont t’ontsluiten met een vloot.
Terwyl de zeedraeck raest, van bloet noch roof verzadight,
    En gansch Europe dreight met dierte en hongersnoot.
Apelles druckt hier uit wat geest en verf vermoogen,
Een vroome rustigheid in ’s Burgermeesters oogen.

En wŤl van harte wenschte de dichtkunst dier dagen zijner echtgenoote hare hulde toe te brengen:

Op Mevrouw

ANNA VAN HOORN.

Gemalin van den Heer Cornelis van Vlooswyk, Heere van Vlooswyk en Burgermeester der stadt Amsterdam.

INCESSU PATUIT DEA.

Geen Paris oordeel’ wie van dry den prys zal winnen:
    Dry GodtheÍn smelten in dit eenigh schoon in een.
Apelles zat verruckt, hy zou het werk beginnen,
    Het fier en wys en schoon, en ieders voeglykheÍn
En zwieren naer den eisch in Anna t’zamenvatten:
    Maer ’t scheen dat vrouw Natuur hem heimlyk inneblies:
Gy overlaedt uw’ geest: dit zwaere werk zal spatten;
    Ik was in ’t scheppen van die schoonheit al te kiesch.
Hy maelde en vreesde ’t beelt de leste streek te geven.
Behaegt de schaduw elk, hoe schoon is dan het leven!

Er is iets gelukkigs in den laatsten regel, en der gedachte, die het gansche bijschrift beheerscht, valt geene bevalligheid te ontzeggen; maar, des ondanks, hoe getuigt ook weder deze proeve van Helleensch-Hollandsche poŽzij, dat dergelijke navolging, al wat er oorspronkelijks in andere tijden en andere toestanden schuilt, doodt; dat deze dichtkunst haar eigen vonnis velde, in haar eigen vers:

Wie zich aen iemant bint, blijft eeuwigh ieders slaef.

Immers, het beeld, der Grieksche godenleer ontleend, veraanschouwelijkt u in Anna de degelijke Hollandsche huismoeder der zeventiende eeuw niet, die„twee paar lieve kinders” voor beeldig opvoedde, – van wie armen en kranken getuigden, ndat zij haar hart voor niemand sloot,” – wier geest beschaafd genoeg was, om van „uitheemsch letterooft” het keurigste te kunnen genieten. Immers, het zou u niet invallen te gelooven,’ dat dezelfde poŽzij aan dezelfde vrouw regelen rigtte als de volgende, dat Anna van Hoorn, gade van Cornelis van Vlooswyck, als Maria Tesselschade Roemersz., de eere genoot zich een treurspel door Vondel te zien opdragen.

Gij vindt de verzen voor Jephta, of Offerbelofte:

Het heilighdom des bybels is behangen
    Met beelden, die Messias, hoogh gewyt,
Uit beelden, en gemoeten met verlangen,
    Eer hy verschijnt ten offer op zijn’ tijt.
Zijn offerampt was uitgebeelt door dieren,
    En menschen. Zoo verbeeldde ons Abels lam,
Verteert op ’t eerste altaer in smoock en vieren,
    d’Onnozelheit, die ’t kruishout op zich nam.
Aldus verbeeldde ons Isack, offereede
    Op ’t berghaltaer, des eerstgeboren zoon,
En eenigen, die ’t al verzoende in vrede,
    Wat knielen kon voor dien genadetroon.
Het eenigh beelt van Isack kon verdoven
    Alle offermans, en offers van de wet!
Maer deze maeght gaet al de mans te boven
    En geeft een kracht aen dees tooneeltrompet.
De sterckste zwicht voor d’allerzwackste kunne.
    Gewis zy hoeft blancketsel noch cieraet.
Schoon ’t mansbeelt haer den offerpalm misgunne,
    Noch staet het stom voor d’uitspraek van haer daedt.
Als zy den eedt des vaders komt te hooren,
    Verschrikt ze niet, maer antwoort offerreedt:
Heeft vader dit belooft, en Godt gezworen,
    Voltreck, voltreck uw woort en hoogen eedt.
Dewijl u Godt aen Akmmon quam te wreecken,
    Bezegel uw belofte: gun me alleen
Dat ick bedruckt mijn maeghdom vier paer weecken
    Met speelgenoots in eenzaemheit beween.
Gehoorzaem komt ze aldus in hooghe brozen
    Ten heiligen tooneele en outer treÍn.
Graftjoffers, stroit nu leliŽn, stroit rozen
    Voor ’t morgenlicht, daer ’t kruislicht op verscheen.
En ghy, Mevrou, die Franschen, Italjaenen,
    Als neÍrduitsch dicht, in hunne spraeck verstaet,
En menighmael tooneelen zaeght in traenen,
    Gewaerdigh toe te luistren naer dees maet.
Ghy zult de zon van zege, hier betogen
    Met eene wolck van druck, niet zonder gunst,
Zien schilderen tapijt, en regenbogen
    Van beeldewerck, te schicken naer de kunst.
Magh deze maeght op uw behaegen stappen
    Ten offer, tot een’ spiegel van de jeught,
De Schouburgh zal in zijne handen klappen,
    De rou des volcks verkeert in volle vreught.

 

Anna van Vlooswyck-van Hoorn aan het krankbed van een arme, of met hare wichtjes om haar heen, over den Statenbijbel gebogen, zich in de voorafschaduwingen des Heilands verdiepende, ziedaar eene voorstelling, die bijdraagt om ons de eenvoudige, eigenaardige grootheid van het Gemeenebest te verklaren; Anna van Vlooswyck-van Hoorn als eene Arcadische herderin, wat is zij anders dan maar een figuur te meer du SiŤcle de Louis XIV?

Onze derde Burgemeester – het wordt tijd dat wij er toe overgaan – onze derde Burgemeester, den man van „ridderlycken naem en stam, wiens overoude luister”, toen, „al omtrent dryhondert en vijftigh jaren geblonken” had, „in den heere Willem van Outshoren, en zijnen broeder Jakob, tot de hoogheit en eer des bisdoms van Uitrecht verheven: een stam die sedert eene lange ry van brave mannen uitleverde, waer onder zijne voorouders, grootvader en vader met lof gesteld” werden, „naerdien zy het vaderlant en de stad” Amsterdam, „door getrouwe diensten aen hunne nakomelingen eeuwigh verbonden,” onze derde Burgemeester werd door de poŽzij zijns tijds als gelukkig vader vereeuwigd. Of, wat dunkt u, mag hij trotsch geweest zijn op eene dochter, de volgende lofspraak waard:

Op d’afbeeldinghe
der Hoogh-Zdele Mejoffer

MARIA VAN OUTSHOREN,

door Filips Koaing.

SURGENS AURORA.

Zoo leliblank verrijst met heldre morgenstraelen
    Opluikende Marie, in ’t scheiden van den nacht,
t’Outshoren uit den droom, op zang van nachtegaelen
    En leeurik, daer in ’t groen de zangres haer verwacht.
De jonge Ridders, die in haegh en laenen duiken,
    Aensehouwen ze met lust, en vraegen onderling
Wie dees geslote roos ter goeder tijt zal pluiken:
    Wie zulk een blanke hant vereeren met den ring.

Tot dus verre – want we wijken niemand in lust, ook in die minder oorspronkelijke dan ontleende poťsie galante, wat zij waarlijk schoons aanbiedt warm te bewonderen en, om dit onverdeeld te kunnen doen, bepalen wij ons tot deze inderdaad allerbevalligste groep.

Ons blijft nog over den omtrek van Mr. Gillis Valckenier aan te vullen; maar van hem heeft de dichtkunst zijner dagen gezwegen – wat nood? is er iemand order onze lezers, wien het niet heugt, hoe die der onze hem heeft gekastijd? Het Holland der zeventiende eeuw zou eene tiende muze hebben begroet in haar, die de vergetelheid te ligt een vloek achtte, voor zooveel middelmatigs aan zooveel zelfzuchtigs gepaard, – dat der negentiende huldigt in haar eene even begaafde als beminnelijke fee, ook wanneer zij, als voor Valckenier, den tooverstaf slechts opvat, – om te tuchtigen.

En nu, wat dunkt u, was het wenschenswaard, dat Rembrandt van Rhijn ons van die vier mannen, – den strengen Reynst tegenover hen kunstlievenden Vlooswijck, en den hoffelijken Oudshoorn dubbel innemend bij den sluwen Valckenier, – dat hij ons van deze een flinke groep had geleverd, een groep, zoo als er op den 10den Aug. 1668 voor zijne hand in Burgemeesterskamer op het doek te brengen viel? We vleijen ons, dat uw antwoord toestemmend zal zijn, – ge zoudt ons anders niet zoo verre zijn gevolgd. Maar wij hebben tot nog toe slechts van vier mannen gesproken, en toch was er een vijfde in het vertrek, een vijfde, op wien de schilder misschien het hoogste licht had doen vallen, al stond hij maar van verre, halfweg tusschen de tafel en den drempel, al wachtte hij tot het woord tot hem zou worden gerigt, eer hij, na de zwijgende groete, den mond opdeed. Echter was die man ouder dan een her aanzittende burgemeesteren; – de tachtig reeds voorbij, hadt gij er hem, om regtheid van schouders en vastheid van knieŽn, bij den eersten blik naauwelijks zeventig toegekend, – een flinke, fraaije type des ouderdoms, als zich de waardigheid, hem door de natuur verleend, daar niet had moeten buigen voor de waardigheden, door de zamenleving aan geboorte en fortuin verknocht. Rembrandt van Rhijn zou hem op den voorgrond hebben gebragt, dewijl zijne gelaatstrekken het in uitdrukking wonnen van die der vier burgemeesteren, dewijl de weinige witte lokken den kalen schedel sierlijke stonden, dan een der grillige hoofdtooisels den getabberden; wij mogen het eerst later doen, want de voorzitter Reynst heeft in een bundel bescheiden nog het stuk niet ter hand, dat den oude betreft. De oude! – dien viermaal twintig jaren levens niet het eenige goed hebben gewaarborgd, dat op zijn leeftijd nog lust tot leven geeft: – de onafhankelijkheid. Grijsheid heet ’s levens kroone, en wie is er, die het wederspreken zal, mits men haar niet in gebogen houding voor menschen hebbe te dragen? – voor God buigt zich de tachtigjarige ervaring niet slechts gedwee, maar gewillig!

Er waren onder de tijdgenooten, onder de vrienden diens ouden, wier levensavond benijdbaar heeten mogt; niet slechts mannen van stand en mannen van studie, die, met het zesde kruis, kabinet en katheder voor eigen haard of eigen hoeve hadden vaarwel gezegd, maar ook lieden van de beurs, lieden van allerlei bedrijf zelfs, vermogend geworden eer hunne vingeren verstramden – het eerste was hem zoo min gegund als hij in het laatste was geslaagd. De beklagenswaardige! – Hij had rondgewandeld onder hoog geboomte, op het stille land de kruin eens staatsmans voor de zonnestralen schuttend, minder dan de zijne vergrijsd. Hij had dezen welsprekend hooren worden bij de beschrijving der weelde, eindelijk geen anderen doolhof meer te kennen, dan den vrijwillig ingeslagenen des wouds, waarin de wildzang het wijlen lust maakte, – waaruit de klok der kleine kerk van verre, op den noen, den weg huiswaarts wees. Hij had hem vergezeld in zijne kweekerij, de gewassen van vier werelddeelen aanbiedende, en het gebloemte aller jaargetijden rijk; en eerst als de gastheer, die, wat hij ook aan het hof mogt hebben achtergelaten, zijn hart in de afzondering had medegebragt, eerst als deze den lof van het landleven besloot met de opmerking, dat de natuur, anders dan de mensch, naauwelijks van teloorstellen weet, eerst dan had onze gast gezucht, diep gezucht, – maar niet van nijd. De belangwekkende, dunkt ons. – Hij had aangezeten in de zaal eens handelaars, die zijn gelijke was geweest, die zijn meerdere was geworden, aangezeten in een dier vertrekken, wier vorstelijke stoffering niet louter verbaasde door pracht, maar tevens bij het algemeen den zin voor de wonderen van beitel en penseel ontwikkelde, en hij had zich in beide verlustigd, verlustigd met al het vuur van een keurig kenner der kunst. Gezond van gestel, – opgeruimd van aard., – blij van geest, had hij, zonder sombere tegenstelling van zoo veel welvaart met eigenen wederspoed, de geneugten van den overvloedigen disch gesmaakt, tot de heer des huizes zich de feestbokaal brengen liet, tot hij stilte verzocht en verkreeg. „Het welzijn van mijn afwezigen zoon” mogt de vader dan tot zijne gasten zeggen, mogt het zeggen met diep bewogen stem, daar het een zoon gold in den verren vreemde nieuwe bronnen voor hunnen handel opsporende, nieuwe volken cijnsbaar makende aan Holland, – wat deerde onzen oude, dat de beker, tot hem gekomen, beefde in zijne hand, – dat zijne borst van de teug dreigde te stikken? – Voorwaar, beklagenswaardig en belangwekkend tevens. – Hij had den kring van zijn gezellig verkeer zien inkrimpen met de spanne levens, die hem waarschijnlijk nog overschoot, maar waar hem, onder de gegoede burgerij, op bruiloft of doopmaal bestevaÍr of bestemoer, waar hem, op zijn dagelijkschen weg langs de straat, ons lager volksleven verraste met een woord of blijk, dat een gelukkigen ouderdom teekende, gelukkig ondanks middelmatigen zegen, gelukkig ondanks gebrek zelf, dewijl liefde aanvulde, liefde schoorde, liefde verdroeg, – daar schoten hem de oogen vol tranen, daar werd hij somber te moÍ!

Hoe menigh vader lijdt in zijnen zone alleen.

Het was zijn geheim, het was de oorzaak zijner armoede en zijner afhankelijkheid: het kind naar hem genoemd, had hem zijn vermogen gekost, na hem da beste jaren zijns levens te hebben vermeld. Leeg’ van hoofd en los van zinnen beloofde reeds het jongste hem weinig vreugd en was de borst voor zijn bedrijf maar ten halve bekwaam geworden. Nering, handel, wetenschap, wat men zich wijde, zij eischen den geheelen mensch, – de ligtzinnige gelooft, dat eene vlugtige opvatting er toe volstaat. Een vroege echt, – een weduwenaarschap met drie kinderen, – een tweede huwelijk, dat hem al verder aan ’t hollen hielp, welke moest de afloop van zulk een leven zijn? Wat anders dan een verhaaste dood, nadat eerst van den vader het offer zijner fortuin was gevergd geworden, om eene schandelijke bankbreuk te verhoeden, – nadat deze zich, zwaarder strijd nog! – verpligt had gezien den zoon, die al zijne verwachtingen had verijdeld, „maar toch zijn kind bleef,” naar de Oost-IndiŽn te zenden, neen, dit slechts door middel van een bevel des bestuurs, dit niet zonder ingeroepen dwang had kunnen doen. „Hij storf „op de reize,” – onbeweend? wie het u zegge, geloof hem niet. Er komen oogenblikken, waarin die tachtigjarige zijns gedenkt en zijne ziel Gode beveelt, al rolt dan ook bij de heugenis van vergeefsche vermaningen van beden, door geene boete beantwoord, de klagt van zijne kippen:

Wat is de kindediefde krachtigh
En oudersliefde kout en kil.

Wij keeren terug in Burgemeesterskamer, zoo ge wilt, waar onze oude nog altijd tusschen tafel en drempel staat, waar zijn blik, verre van onze vier bekenden te bespiÍn, langs de historie-stukken aan den wand en van Marcus Curius naar Tabricius zwerft.

„Eilieve!” wenkt Reynst den jongsten zijner ambtgenooten, – en onze grijsaard heeft naauwelijks het afbreken der stilte opgemerkt, of het klinkt hem toe:

„TreÍ nader, Vondel!”

„Als ge het mij gunt, heer Valckenier!” antwoordde de grootste man, dien Amsterdam binnen zijne muren had, – want het was inderdaad Joost van Vondel, dien wij voor u opvoerden, geroepen in burgemeesterskamer, in meer dan tachtigjarigen ouderdom. Onder het naderen streek de regterband, die zoo menig meesterstuk schreef, zachtkens de weinige overgebleven haren uit het gezigt, want aandoenlijker dan bij GŲthe, golden bij hem de woorden van dezen:

Ach! die Scheitel umwallt reichlich die Locke nicht mehr:
Da bedarf man der Kranze, sich selbst und Andre zu tšuschen;

Maar welk een krans had Holland voor hem gevlochten? welk een krans vergunde het hem, dat hij zich zelven om den naakten schedel wond? Suppoost in de Banck van leeninghe, stond hij daar in eerbiedige houding voor mannen, die zijne zonen hadden kunnen zijn! De dichter van „Lucifer”, sedert tien jaren suppoost in den lombard, door voorspraak van Anna van Hoorn, vrouwe van Vlooswyck.

„Vondel!” sprak Reynst, „het deert mij het u te moeten zeggen, maar de vroegere klagten over verzuim in het boeken der panden hebben zich herhaald, – uwe jaren klimmen.” –

Eere hebbe het hart des Oud-burgemeesters: hij verweet hem, in het gezigt van Fabricius en Marcus Curius door hem in dat vertrek bezongen, ten minste niet, dat hij in de Banck van leeninghe verzen schreef.

„Vast een en tachtig, heeren!” trilde het.

„En dus hebben Burgemeesteren besloten u te ontslaan.”

Reynst hield op, Reynst zag zijne ambtgenooten een oogenblik aan; zij waren, als hij, getroffen door de uitdrukking van het gelaat van Vondel bij die woorden. – Wat er in het gemoed van dezen omging, wie beschrijft. het u? Broodsgebrek in den ouderdom, de dankbaarheid van een Gemeenebest! – was het wonder, dat de nog altijd forsche wenkbraauwbogen, dat vooral de hooggewelfde van het regteroog, zich een omzien fronsten, met al de verontwaarrliging, die den hekeldichter in zijn krachtigsten tijd had gekenmerkt? Toch was het maar een voorbijgaande wolk, – daar gloeide uit die bruine kijkers het zelfbewustzijn der zege, hem bij het nageslacht gewaarborgd, het bewustzijn der onsterfelijkheid door hem verdiend, als zij, die hem brood onthielden, als de patriciŽrs voor wie hij al de medegedeelde lofdichten had geschreven, zouden vergeten zijn! Rembrandt van Rhijn! op, van uit uwe taveerne, op, van achter uwe kanne peuzelaer, wat mart gij ons dien blik te vereeuwigen? Het is te laat: de gloed verflaauwt reeds, Vondel buigt zich voor het besluit van Burgemeesteren, neen, voor de beschikking Gods! Hij herinnert zich zijne eige woorden:

Al wie door ootmoed wort herboren
Is van het hemelsche geslacht.

„Het zou kwalijk passen, heer van Oudshoorn!” zegt hij den stoel afwijzende, dien deze, opgesprongen, voor den getroffen grijsaard bijschoof, „maar het aanbod teekent uw heuschheid.”

„Burgemeesteren ontslaan u, doch met behoud uwer wedde, vader Vondel!” vertroost hem de niet slechts adellijke, maar ook edelaardige man.

„Hebt dank, heeren! hebt dank!” en onwillekeurig strekte hij de handen naar hen uit, –,Gillis Valckenier, die ter zijde ging, gevoelde zich niet waardig ze te drukken, –„hebt dank voor dat ontslag uit mijnen kerker!”

Hij had tien jaren in den lombard gezeten! „Spijs overmorgen ten onzent,” besloot van Vlooswijck, „ge zult mijner huisvrouw en mij genoegen doen.”

En Vondel was voor de laatste maal zijns levens in burgemeesterskamer geweest.

 

Holland had zijn eersten dichter niet duur, voor eene jaarwedde van zes honderd en vijftig gulden, ingaande in een en tachtigjarigen leeftijd; zoo min de prinsen van Oranje als de mannen van Joan de Witt hebben ’s lands penningen verkwist, om zich lof te hooren zingen. Echter deed Vondel het bij beurte beiden, – de overtuiging, waaruit zij ontsproot, meer nog dan al hare overige verdiensten, is het geheim der tooverkracht zijner poŽzij. Als schier ieder groot genie het kind van een grooten tijd, spiegelt hij, aan staats- noch aan stadhouderlijke partij uit belang verbonden, al de wisselzucht, al de worstelingen van regerings- en godsdienstbegrippen der zeventiende eeuw eigenaardig af. Het is niemand verboden te wenschen, dat hij er boven hadde gestaan, mits men billijk blijve erkennen, hoe hoog hij zich vast verhief. Open oor en open zin werd het ruwe speeltuig des voorgeslachts door zijne vingeren opgevat, en hoor, niet enkel smelten de vroeger schorre snaren eensklaps zamen tot weergalooze harmonie, maar de meesters staan verstomd bij dien vollen vloed van toonen eener nieuwe harpe, en de wereld geeft der Hollandsche zangster eene eereplaats onder haar tal van talen, Open oog en open harte beleeft, hij den bloeitijd van ons gemeenebest, en zie, zijne werken worden niet slechts gedenkstukken der stoffelijke en zedelijke grootheid eener vrijgevochten natie, neen, over het eene als over het andere halfrond, en in het veld als op de zee, zweeft Vondel’s dichtkunst de overwinnende vanen en vlaggen voor!

Liefde voor het land, dat zijner vervolgde jeugd veiligheid had veleend, liefde voor de kunst zijner keuze vooral, niet enkel met opoffering van tijd, ruste en goud, maar tot zelfverloochenens toe aan den dag gelegd; ziedaar wat de tachtigjarige ons aandoenlijk veraanschouwelijkt. Wij hebben vergeefs geschreven, als het iemand verbaast, dat de vernieuwde voorstelling ons tot de vraag leidt, of ten minste de nakomelingschap den meester heeft vergoed, wat de tijdgenoot jegens den mensch te kort schoot? Vondel’s naam, antwoordt men misschien is vermaard genoeg, – alsof een ijdele’ galm zoo hoog en heilig eene eerzucht bevredigen kon. Vondel’s geest – men aarzelt, Cats te lezen ging nog aan, hij is zoo bevattelijk; – Huyghens beloont ten minste hier en daar door de aardigheid; – Hooft is voor de liefhebbers; – Vondel – maar wie heeft een Vondel? de oude uitgave wordt zoo schaarsch.

Er waren, die een Vondel hadden en hun loon vonden voor de liefde, waarmede zij zich de studie zijner werken wijdden; uit den jongsten tijd heugen er ons drie; eischt gij, dat wij ze u noemen? Het eerst, – niet alphabetisch, maar naar dagteekening is dan de beurt aan Sybrandi, die zich de ondankbare taak getroostte eener onmogelijke vergelijking van Shakspeare met Vondel, en er door Teyler’s genootschap voor werd bekroond. Ten tweede, – maar er zijn weinig opstellen in dit tijdschrift geplaatst, die zoo lang in heugenis zullen blijven als de Vondel met Roskam en Rommelpot van Bakhuyzen van de Brink, dat ge straks weder ter hand, zult nemen, om onze bijdrage te vergeten. De derde – het graf heeft zich over hem gesloten, maar ook in het rijk der dooden voegt der waarheid het woord; – de derde, die den smaak voor Vondel tracht te verlevendigen, was Lulofs, en zoo een zijner werken bestemd is om vrucht te dragen, het moet dat zijn, con amore geschreven.

Wij willen volgaarne den aanvankelijk gunstigen uitslag dier verscheiden pogingen zien in het prospectus eener nieuwe uitgave van de „Werken van J. van Vondel, met verklaringen en aanteekeningen door Mr. J. van Lennep,” in 1849, te Amsterdam, bij M. H. Binger uitgegeven. Wij begroeten dien vooral in het groote getal inteekenaren, dat de verwezenlijking van het ontworpen plan waarborgt. En niemand geeft liever gehoor aan de bede des begaafden schrijvers, die de verklaringen en aanteekeningen op zich nam, om zijne uitnoodiging aan allen, die hem daarin zouden kunnen bijstaan, algemeen te maken, dan wij het ter dezer plaatse doen. Het is ons een welkom bewijs, dat, tot hoe weinig die vurige bewonderaar van Vondel zich, blijkens de proeve bij het prospectus gevoegd, ook verbonden hebbe, hij zich met geweten van de taak denkt te kwijten, dat het zijn wensch is meer te geven dan hij beloofde. Van Lennep ziet volkomen in, vertrouwen wij, dat hij daardoor slechts de verwachtingen vervullen zal, die ons volk regt heeft, van hem bij dezen arbeid der liefde te koesteren. Immers, waaraan anders dan aan zijnen naam, valt de ruime deelneming dank te weten? – de glyphographie der negentiende eeuw blijft te diep beneden de etskunst der zeventiende, om haar te verklaren; en ons publiek moet nog eerst weder tot Vondel worden gebragt, eer het belang in hem stellen kan. Van Lennep achtte het zich eene eere dit te doen, – zijn stand sluit hem de archieven van Amsterdam open; zijne studie onzer historie en onzer poŽzij geven hem elken schuilhoek bloot. Vondel worde gekend, Vondel worde genoten, en terwijl het volk onder zijnen invloed wast in burgerzin, burgertrouw en burgerdeugd, blijke, door van Lennep, voor ieder Bilderdijk’s wonderspreuk waarheid:

Lees Vondel duizend maal, gy leest hem telkens ’t eerst.
Ziedaar, waar de echte kunst of ijdle rijmzucht heerscht!

 

1850.