E.J. POTGIETER (1808 – 1875)

DE EERSTE SCHILDERIJ

VAN

REMBRANDT VAN RHIJN.

Een huisselijk tooneel in 1628.

(TOT PROEVE VAN SCHETSEN UIT ZIJN LEVEN.)

Dan wegen uur en oogenblikken;
Het minste windtjen doet haar schrikken,
Door hare vrees tot storm gemaakt.

Jonkheer O. Z. VAN HAREN.

La gloire est le reve d’une ombre.

LA MARTINE.

 

„Doe ic om dit joncxken badt, so heeft de Heere mijne bede gegheuen: die ick van hem badt.
„Daarom gheue ick hem den Heere weder sijn leefdaghe, denwijle hy van den Heere ghebeden is.”

De stem des krachtvollen mans, die deze woorden, op eenen schoonen herfstavond van 1688, in de molenaarswoning tusschen Leiderdorp en Koukerk voorlas, beefde onwillekeurig, als hadden zij eene droevige herinnering opgewekt. Hij aarzelde nog het Hoofdstuk te eindigen, toen een diepe zucht, in het stille vertrek luid hoorbaar, hem van zijnen stoel deed oprijzen.

„Mijn eenige!” klonk het uit de bedstede; en die toon teekende eene moeder, want zulke smart kent slechts haar gemoed.

„Neeltje! Neeltje!” sprak de man, zachtelijk vermanende, terwijl hij behoedzaam de groene gordijnen slechts ter helfte openschoof, en zich dus nederzette, dat de bleeke stralen der ontstokene kaars de zieke niet konden hinderen, schoon zij het hoofd uit de witte kussens had opgeligt.

„Waar Rembrandt zoo lang verwijlen mag!” vroeg zij angstig: „voor den noen zoude hij uit den Haeghe gaan. Wat baart die konste mij al kwelling!”

„De borst heeft zijne vijf zinnen bij elkaer, en is vroed genoeg voor zijne jaren,” verzekerde de gade, met zijne ruwe vingeren de teerlere hand drukkende, wier ongewone warmte bij de lijderes eene verheffing van koorts verried.

„Dat we hem den Heere gewijd. hadden, Harmen! ik zoude mij minder over zijn uitblijven ontrusten. De knaap was in heiligheid opgevoed, eer hij naar Lastman ging. Wat eene krachtige bazuine van Gods woord zoude hij voor de Kerke geworden zijn. ’t Was al aŕrs sints zijne wederkomst. Ofte vond ik niet in de kist, die wij van Brechtje-moei (God hebbe hare ziele!) voor drie jaren urven, vond ik er niet allerlei Heidensche afgodsbeeldekens in, die Rembrandt van Amsteldam medebrocht?”

„Heeft hij die niet voor zijne schilderijen noodig, Neeltje? Hebben dijne oogen niet gezien, hoe treffelijk hij den Moriaan op het stuk afbeeldde; hoe de speeren glansden, alsof er het zonnelicht op blonk, krek zoo als uwe koperen schotels het doen? De valsche goden grijnsden zoo natuurlijk, dat ik er verveerd van wierd. Grom dan niet over die ijdeltuiterijen; hij kan er zoo min buiten, als ik buiten de wieken van mijnen meulen.”

„En dat ondeugdelijke schilderij met alle die naakte vrouwen; en dat boeksken dat Friesche Lusthof heet, en Satans Lusthof heeten moest, waaruit de kwant menig liedeken kweelde, totdat ik het vond en ’t in ’t vuur wierp? Harmen! Harmen! wij hebben de ziel van ons kind te ligtveerdiglijk gewaagd!”

„Blaauwe bloemen en korenairen wassen op denzelfden akker, Neeltje! en alle jeugd, is tot mallen gezind: maar geene eunjers hebben Rembrandt bekold, en schilderen is zoo eerlijk eene nering als eenige officie. „Rubens is een groot heer en een deugdelijk man, al hanteert bij het penceel, en al slaat hij een kruisken, eerzame Harmen Gerritsz!” sprak de geleerde Petrus CunŠus, toen ik hem over Rembrandts lust voor de konste raad vroeg. Liever had ik hem, naar dijnen wensch, een brave trompetter in het heir des Heeren zien worden; maar ik ben er de man niet naar, om mijn eenig kind te dwingen; een onwillige dienaar is een doorne in het oog zijnes meesters.”

„Altijd dijn Petrus CunŠus! „Een groot Jurist, een booze Christ,” zeg ik met Orbert-oom. Ge zoudt het een godzalig man gevraagd hebben, zoo als Do. Festus Hommius is. Wilde ik dan van Rembrandt een stokebrand in de helle maken! Lacy! wij hebben advocaten te veul; het bevoer er ons naar.”

„Vergeet wat achter is; de Heer heeft ons mildelijk gezegend!” viel de echtgenoot in, het vertrek rondstarende, dat inderdaad van de welvaart getuigde, en deftiger gestoffeerd was, dan het onaanzienlijk uiterlijk der woning beloofde. De zware noteboomhouten stoelen met roodlederen zitting en rug, op welken de koperen nagels schitterend blonken, – de heldergele vloermatten, uit bezorgdheid voor de ziekelijke huismoeder op de roode vloertegels gelegd, – de breede zilveren sloten van het opengeslagen bijbelboek, zij zouden de huiskamer van een aanzienlijker burger, dan Harmen Gerritsz was, in die dagen van het Gemeenebest niet hebben ontsierd. Een kleine spiegel van Venetiaansch glas hing tusschen een paar kopijen, door Rembrandt geschilderd; de breede schoorsteenmantel prijkte met een twaalftal keurige borden; het veelverwig tafelkleed., door het kwijnend kaarslicht zacht beschenen, geleek een doolhof van kleuren: de huisvader mogt met regt tevreden rondstaren.

„Waar Rembrandt zoo lang blijven mag! mijn hart klopt sneller van angstige vreeze. De wagen is zeker reeds in Leyden aangekomen. Rembrandt, mijn eenige!”

„Stel u gerust, Neeltje!” antwoordde Harmen, de gordijnen digtsluitende, daar de verhoogde drift der zieke hem wezenlijk bekommering voor haren toestand inboezemde. „Stel u gerust; de maan schijnt helder; de borst is misschien buiten op den molen.”

„Dat geloof je niet, man!” dacht en fluisterde de bezorgde moeder, en oordeelde niet onjuist; want alleen om haar gerust te stellen, had Harmen in die onwaarschijnlijke gissing eene uitvlugt gezocht, en verliet hij ter harer bevestiging de kamer. Wel verre echter van den trap op te klimmen, die naar den molen voerde, ging hij met behoedzame schreden langs de huismanswoning het pad over, dat naar den grooten weg geleidde. Daar gekomen, staarde hij lang in het verschiet, dat door de zilveren stralen der van geene wolken omsluijerde maan helder verlicht was. Hij staarde te vergeefs: zoo min Rembrandt, als de door hem in stilte naar Leyden gezonden knecht keerde terug; de weg bleef eenzaam!

„Zoo hij niet op den Haegschen wagen was, Claes zoude zijn wedergekomen,” dacht hij, en de vrees voor eenig onheil, den geliefden zoon bejegend, rees ook bij den vader op.

„Hebt gij ’t gehoord, Harmen Gerritsz?” riep hem een der schippers toe, die voor zijne woning in hun klein scheepje het zeil opheschen: „de Hae~sche wagen is zonder voerman te Leyden aangekomen. Van Voorschoten af hebben de meeren gehold; een ruiter des Prinsen, die hier fluks voorbij rende, verhaalde ’t ons.”

„En de reizigers, Wouter!” vroeg Harmen met eene ontsteltenis, die zich ligter gevoelen dan beschrijven laat.

„Een enkele moet half geledebraakt naar het Pieters-Gasthuis zijn gedragen; maar de ruiter had het zelf niet gezien,” was het antwoord.

„Wees mijner genadig, lieve God!” zuchtte de doodelijk verschrikte vader, en wilde naar binnen stuiven, om zijne vrouw te verwittigen, dat hij oogenblikkelijk zelf naar Leyden dacht te gaan; maar zijne knieŰn wankelden, en slechts met langzame schreden bereikte hij zijne woning.

Geen angstig: „Wie daar?” klonk hem, toen hij de klink optrok, uit de bedsterle tegen; geene vermagerde vingeren openden verschrikt de gordijnen; alles bleef stil, en Harmen sidderde, toen hij zorgvuldig een derzelve opligtte. De eerste blik overtuigde hem, dat de kranke sluimerde; in breede plooijen viel het witte nachthulsel om de strenge gelaatstrekken, door Rembrandts etsnaald later vereeuwigd. Enkele, vroeg vergrijsde haren kronkelden langs de bleeke wangen, en verhoogden den ernst, der huismoeder eigen; Harmen was een te braaf echtgenoot, om er het weinig bevallige van op te merken. Hij zag hare kalmte, zag de zaarngevouwen handen op bet witte laken liggen, niet witter dan zij, en zuchtte diep. „Waarom zoude ik hare rust storen? een Jobsbode komt altijd te vroeg!” dacht hij, en verliet de legerstede. Driftig drukte hij een breedgerande hoed op het hoofd, sloeg in allerijl een donkerkleurigen mantel los om de schouderen, en was gereed den voet over de drempel te zetten en Aal de zorg voor hare meesteresse aan te bevelen; daar deed een welbekende stap zich in de verte hooren. „Hij is ’t!” juichte Harmen – en inderdaad, hij was ’t; vrolijk een lederen buidel in de hoogte houdende, snelde zijn zoon hem te gemoet.

„God dank, dat ge leeft, kind!” fluisterde de verrnkte vader, terwijl een traan op het eerwaardig gelaat glinsterde. Hartstogtelijk drukte de krachtvolle man den bloeijenden knaap aan zijne breede borst, en toen de lange lokken van den eersten Rembrandts donkeren kroeskop overschaduwden, kuste de varler zijn kind met hooger vreugde, dan toen hij den pasgeboren zoon uit de handen der baker overnam; – Rembrandt was hem uit den dood wedergeschonken!

„Hoe weet ge, mijn vader?”

„Ge zijt het gevaar gelukkig ontkomen!”

„De hollende meeren bragten mij snel genoeg de Wittevrouwenpoort binnen, en ik ware lang hier geweest, zoo de gemeente mij niet had aangegaapt, even of ik... ”

„God is met hem, waar hij wezen mag,” klonk het uit de bedstede.

„Dijn droom is waarheid, vrouwe!” sprak Harmen, zijne gade wekkende. „Rembrandt is hier, al was uwe vreeze niet ijdel.”

Levendige vreugde straalde uit de oogen der kranke, toen de zoon hare legerstede naderde; moederlijke bezorgdheid volgde die spoedig op.

„Hadden de Haegsche floddermoŕrs dijne onnoozelheid verstrikt, of hebt dy met troefspul den tijd verkwist? Fy! die verleidelijke plaatse! Rembrandt, Rembrandt!”

„Zoo ik niet meer en doogde, dan uwe wantrouw mij weerd acht, moedermijn!...” hernam de jongeling, en een blik der vrouw, in welke hare liefde al het harde des verwijts verontschuldigde, deed het overige op zijne lippen besterven.

„Verhaal ons dijn wedervaren,” sprak Harmen bevredigend.

„Een treffelijk man, voorwaar! die vriend, waaraan Nicolai mij een brief medegaf, vader! Wel mogt hij zeggen, dat hij te huis den hoveling uitschudt, en met zoeter onderhoud dan redenen van staal den minderen moed geeft. En al evel popelde beiden, Jan Lievensz en mij, het harte van ontsteltenis, toen wij, met onze schilderij onder den arm, in den hoogen gang der deftige woning in ’t Voorhout stonden te wachten. We mogten om de malle jonkers lagchen, toen wij ze in de lindenlaan voor ons zagen uitdrentelen, de lokken vol asch, ’t lubbentuig overeen gefrommeld, of het een heele web was, met rozen op de schoenen, grooter dan zonnebloemen, de manteltjes bonter van verwen dan de vogels, die in ’t groene woud kwinkeleerden; alle vroomheid begaf ons, toen de dienaar voor ons uittrad. „Heer!” dacht ik, zoo zulk een gekskaproen over onze komst vonnis zal vellen!”... maar meteen zagen wij van verre het hooge ’zelschap in den hof onder eenen grooten olmboom gezeten, breeder in omtrek dan het hek om onzen molen.

Nieuwsgierig hief de moeder het hoofd op. „De Overigheid is van God, Rembramlt! Ge waart wel onderdanig, naar ik hope!”

„Jan Lievensz stiet mij voort, moeder! „Den ouderdom zuldy eeren!” sprak de schalk, al is hij geen zes maanden ouder dan ik. „Mijne schoenen zijn meer beslikt dan de dijne!” had ik haast gezegd; maar blooheid was nooit mijne kwaal: zijn wij niet allen creaturen Gods? Een oud Heer, die zich in de zon bakerde, en dien ik, omdat hij den brief in de hand, had, voor den vriend van Nicolai hield, wenkte mij bij hem te komen. „Laat zien dijne konste, jonkman!” sprak hij minzaam. Ware hij alleen geweest, ik bad hem mijn werk met vrijmoedigheid doen beschouwen. De statelijke man had geen mooijer witte lokken, dan mijn hoogepriester. Maar mijne priesteressen – o wee! hoeveel leelijker waren zij niet dan de beide jonkvrouwen, die zich over zijnen stoel heenbogen; heur witte halskraag was geel, bij het blanke vel der blozende wangen. In ’t einde waagde ik het de plank op te ligten. „Nicolai heeft je niet te hoog opgevijzeld,” zeide hij; nadat hij het stuk had bezigtigd, schoof hij de zwart fluweelen muts, die sierlijk op het grijze hoofd stond, ter zijde, en zag mij aan, of hij mij van hoofd tot voeten wilde opnemen. Dat was de blik van een hoveling. „Gij zijt de oude Heer Huygens,” dacht ik, en vergiste mij niet. „Constantia!” sprak hij tot de jongste joffer: „Constantia! roep Constantijn hier; hij zal zien, dat onze jonge vernuften voor vremden in abelheid niet onderdoen.”

„Hoe liefelijk zouden die woorden in mijne ooren klinken, zoo je het zoo verre in de godzaligheid gebragt hadt, Rembrandt!”

„Moederlief! moederlief! is het dan zonde Godes werken op het doek na te volgen, en de gedachtenis van treffelijke mannen alle tijden te doen verduren? Om dijnentwille moge leering en konst bij mij hand aan hand gaan, en de schrift de wel wezen, waaruit ik mijne vermaardheid put. Rembrandt de schilder zal langer leven dan Rembrandt de leeraar het zoude hebben gedaan; het deftige kleed zou kwalijk bij zoo olijk een trony passen!”

En in den vrolijken glimlach der jokkernij smolt de geestdrift weg, welke bij de gedachte aan zijnen toekomstigen roem uit de donkere oogen tintelde.

Het was slechts een oogenblik van trotsche zelfbewustheid, maar dat oogenblik verkondigde den meester: want der vervelende middelmatigheid verdriet het nimmer, hare blakende eerzucht achter het masker der nederigheid te verbergen: slechts de ware kunstenaar ziet in zijne jeugd de hoogte, welke hij geroepen is te beklimmen, bereids van verre. Zoude hij zonder dit besef moed of kracht hebben, om het doornig pad des roems op te treden?

„Eer de jonker buitenkwam,” vervolgde Rembrandt, „was ook de schilderij van Jan Lievensz bezigtigd. De deftige vrouwe, die tegenover den Heer Huygens aan den tot eene tafel omgeschapen boomtronk zat, stond op, om het stuk in het licht te bezien, daar de olm te veel lommers gaf; jonkvrouwen konden er het oog niet afwenden. „Bylo! eene geestige schetse, Susanna!” sprak de bestevaŕr, en in het lebbige Vlaamsch antwoordde zij hem: Plaisaint veurwaor! fameus plaisant, de pluym op sijnen caproen is vol gr˘cie!” Eerst deed het mij leed, dat zij mijne schilderij niet bezien had; maar toen zij dat het schoonste van Lievensz arbeid vond, en het vuur niet prees, dat aan den haard glom, en van het fraaie bijwerk zweeg, dat ik in geen tien dagen zoo goed zou hebben kunnen schilderen, toen dacht ik: „Die kenner is je gejond, Lievenszmaat! maar het oordeel der Italiaansche vrouwe van Nicolai weegt meer!”

„Wie zou gelooven, dat mijn kind. zooveel met die Paapsche vrouw op heeft!”

„Fy, Rembrandt! fy!” sprak de vader, juister aanmerking makende: „een vriend benijden! ik deed het Goossen Ebbertz mijn leven niet, al gingen tien zakken graans mijn meulen voorbij, om op den zijnen te worden gemalen.”

„En ik had het pas gedaan, vader!” verontschuldigde zich deze, „of zocht het dubbel weder goed te maken, hoe weinig Jan Lievensz het noodig heeft, want zijn werk prijst hem best. Met jonkvrouwe Constantia aan den arm, kwam jonker Constantijn de breede trappen af, die naar den hof leidden; een vlugge windhond, dien hij zcker uit Engeland medebragt, sprong lustig voor hen uit; een oranje-halslint was uit joks om zijne gladde haren gestrikt. Een schoon paar, bylo! zoo het geen broeder en zuster geweest was. Lievensz vond, dat zijn eenvoudige kleeding hem wonder wel stond: al wat ik weet, is, dat hij Hollandsch blaauw laken droeg; want ik sloeg het meest zijne bruine kijkers gaŕ. Die zal ik niet vergeten, als ik vonkelende geestigheid schilderen moet. Hij scheen zijne oogen alleen voor mijne schetsen te hebben. „De ordonnantie,” zeide hij, „was vol leven, en het licht even treffelijk gekozen, als stout uitkomende.”

„Zijnen lof hebt dy niet vergeten, Rembrandt!” viel Harmen in.

„Toen hij mij zoo hoog prees, vader, greep ik het stuk van mijnen vriend, en toonde hem aan, wat er mij meest in geviel; maar, voorwaar! die Heer had alle wateren bevaren, en alle boeken doorsnuffeld. Wat abel of geestig aangebragt was hij had het bemerkt eer ik er aan dacht het te zeggen. Als onze Jonkers in hunne jeugd al zoo veel weten, is het geen’ wonder dat hunne vaderen ons van den Spanjool gevrijd hebben; het moeten mannen geweest zijn, tegen bare duivels in alle wetenschap opgewassen!”

„En Jonker Constantijn kocht dijne schilderije?”

„De vader zeide dat hij beide behouden wilde, en floot op het krukje, dat aan zijne zijde stond. Een rustende leeuw, in goud treffelijk gedreven, versierde den knop van den stok; ik had hem wel willen uitschilderen. Fluks bragt een andere die: naar dan die ons binnenleidde, het geld, waarvoor ik mijne eerste schilderij missen moest.

„Gij eischtet hond.erd. guldens, Rembrandt?” vroeg de huishoudelijke vrouw.

„En kreeg ze, moeder! Maar toen ik de daalders in mijn buidel borg, werden mijne oogen vochtig. „Waarom grijnt ge?’ sprak Jonker Constantijn, die het bemerkt had, schoon ik de waterlanders met mijn ruige muts wegwischte, als ware er stof, in mijne oogen gewaaid. „’t Scheiden valt bitter,” mogt ik antwoorden: „het werk was me lief, toen ik het aanving; toen het af was, verdroot het mij; nu eerst schiet het mij in, hoe’; dikwerf ik ’s ochtends een uur vroeger uit het bed. sprong, om,” het weŕr te zien. Dit is misschien de laatste maal dat ik het zie; ’t gaat mij aan ’t harte.”

„Dwaze grillen!” sprak de moeder, toen de jongeling een oogenblik ophield.

„Ik moest het u niet verteld hebben; ge hebt de kunst niet lief, moeder! Nu moogt ge ook het verdere hooren. De Jonker dacht er anders over en lachte minzaam. „Het is dijne eerste dacht er liefde!” sprak hij: „maar penceel en penne zijn bijster vruchtbaar; wij worden in ’t laatst onverschillig voor die kinderen der verbeelding.” – „Dan zoude de konste ons niet meer alles wezen,” viel ik in, „en dat verhoede God!” – „Dy zult een groot meester worden, Van Rhijn!” verzekerde de Jonker. Dat hij waarheid gesproken hadde!

„En waarom, Rembrandt, – want het hoofd klopt mij van dijne vertelling – waarom kwaamt gij niet vroeger uit den Haeghe terug?”

„De Jonker wilde dat wij eerst eene fluit Spaanschen wijn zouen ledigen, en dronk ons zelf op en bloei der edele kunst toe. Eer wij vertrokken, vermaande hij ons in den Haeghe het merkwaardigste te gaan zien, en in Scheveningen versche lucht te scheppen. „Jonge voeten plegen rap te zijn,” voegde hij er bij, „zoo geene zee van barnend zand ulieden verschrikt; Aemstel noch Rhijn mogen in ruimte van uitzigt bij de voorstad van onze Haege halen!” Wij lieten het ons geen tweemaal zeggen: maar mogt het een lustig gezigt heeten, de bruine pinken aan de kust en de groote schepen in de verte op de witte baren te zien dobberen, het was eene bijster vermoeijende reize, voorwaar! Bij de hooge Klift joeg de wind het witte zand in wolken voor ons uit. „Lustige gezelle!” zeide Jan Lievensz tot een visscher, die met de zware ben op het hoofd, dapper voor ons uit stapte. „De droes is een lustige gezelle!” antwoordde de maat: „wien zoude de lustigheid op zulk een weg niet vergaan!” En, bylo, had de kwant geen gelijk? Hij gende van den togt, kwamen wij naauw in tijds op den wagen.”

„En te Voorschoten?” viel de vader in.

„Gingen allen,” vervolgde Rembrandt, „in de herberg, waar een zwaan uithangt, maar die niet meer op dat dier gelijkt, dan een henne op een end. Ook Jan Lievensz sprong van den wagen, om een glas bier te drinken; maar mij raasde de wijn nog in het hoofd; ik bleef rustig zitten. „Pas wel op dijne verdufte schatten!” riep mij guitige Faes de staljongen toe (hij had zeker gezien, hoe ik naar mijne beurs voelde), en stiet de krebbe weg: daar gingen de meeren door, of de nikker ze, gezweept had. Omzonst stak ik het hoofd door de lederen behangsels; mijn schreeuwen deed de paarden niet stilstaan” brieschende vlogen zij voort. Het dwarrelde voor mijne oogen; ik zag boomen noch huizen meer. „Het is met dy gedaan, Rembrandt!” dacht ik in mijzelven, toen mij op de hobbelige keijen hooren en zien verging. „Als de tigchelsteenen verdubbeld worden, staat Mozes voor de deur!” plag moeder te zeggen, en zoo was ’t ook hier. De paarden stonden roerloos voor de staldeur van Pieter Florisz stil. Wat al gerels ik in Leyden aan moest hooren kunt ge denken; aan ’t vragen was geen einde. Wist ik hoe het toekwam, dat de meeren holden? Zoodra ik kon, spoedde ik mij weg: de beurs is hier.”

En de jongeling stortte de blanke schijven over het bonte tafelkleed uit, die een oogenblik met welgevallen beziende; het, was de eerste noemenswaardige vrucht van zijnen arbeid.

„Wees Gode dankbaar voor uwe redding, mijn kind!”

„Dat geld is dijn eigendom, Rembrandt! maar zoo ik de daalders noodig hadde, om graan te koopen...”

„Ze zijn ten uwen dienste, vader! slechts twee zoude ik er gaarne voor mij behouden.”

„En waartoe?”

„De eene voor kostelijke verwen, waarover ik met Jan Lievensz gesproken hebbe; de andere voor Anna Neelisz, – de sloof is oud en arm.”

„Dy meugt ze alle behouden, Rembrandt! het was mij alleen om den wil te doen. Bewaar zelf wat ge door uwen ijver verdiendet: zoo gij het wel aanlegt, zult ge eens een rijk man worden.”

„Armoede ende rijcdom geeft mij niet; laat mij danoch mijn bescheyden deel spijse wechnemen!” merkte de moeder met Agurs woonlen aan.

„Zoo ik slechts een groot schilder worde!” eindigde de jongeling.

De bede der ouderen werd niet vervuld. In zekere hoofdstad, Amsterdam geheeten, verkochten Commissarissen der Desolate-Boedelkamer, drieŰndertig jaren later, in de verkoopplaats van Bernt Jansen Scheurman, eene allerzonderlingste verzameling van roerende goederen, voortkomende uit het huis van eenen schilder, die op de Breestraat bij de St. Antonies-sluis woonde.

Die schilder was Rembrandt Harmensz van Rhijn; de schuldeischer, op wiens verzoek de inboedel, uit kracht eener schepenkennis op het huis, openlijk vertocht werd, Mr. Cornelis Witsen, Burgemeester van Amsterdam.

Welk eene tegenstelling van het lot van Rubens te Antwerpen, de gezant van Vorsten, – van dat van van Dijck te Londen, de gunsteling van Karel den Eersten! Is er niet iets vertroostends in, dat Rembrandt even onsterfelijk is, als zij?

Nederl. Volksalmanak 1836.