E.J. POTGIETER (1808 – 1875)

HET RIJKS-MUSEUM TE AMSTERDAM

I

Er was een tijd, waarin de weegschaal der volkeren van Europa door hare vorsten niet ter hand werd genomen, of de hollandsche maagd, aan hunne zijde op het regtsgestoelte gezeten, wierp er mede haar oorlogszwaard of haren olijftak in en deed door deze bijwijlen den evenaar overhellen; – gij, die het leest, als ik die het schrijf, wij waren er getuigen van, hoe zij, vr luttel jaren, met hare partij voor de vijfschaar gedaagd, vonnis ontving van wie haars gelijken, hare minderen zijn geweest. – Er was een tijd, dat de hollandsche vlag werd begroet als de meesteresse der zee, waar ook ochtendof middagof avondlicht de oceanen van beide wereldhalfronden verguldde; een tijd, waarin hare vlootvoogden den bezem op den mast mogten voeren, dewijl zij, naar de krachtige uitdrukking dier dagen, de zee hadden schoongeveegd van gespuis; – in eene der jongste vergaderingen Hunner Edelmogenden, hebben welsprekende stemmen de roemlooze ruste van Janmaat beklaagd. – Er was een tijd, waarin de hollandsche handel den moed had, de boeijen te verbreken, hem door den beheerscher der beide Indien aangelegd, en, stouter nog, de ongenade van ’s aardrijks uithoeken braveerde, om eenen doortogt te vinden, „door natuur ontzegd;” een tijd, waarin de winzuctht een’ adelbrief verwierf, door hare verzustering met de wetenschap: – stel u voor, God verhoede, dat het ooit gebeure! – stel u voor, dat Java ons niet langer zijne schatten in den schoot stortte, en zeg mij, werwaarts de dienstbare vloot der Handel-Maatschappij dan hare zeilen hijschen zou; waar de ondernemingslust harer reeders, in Noordof in Zuid-Amerika, betrekkingen heeft aangehouden; waar men zich onzer in China nog herinnert; wie ons in Australi kent? – Er was een tijd, dat Holland naar kennis dorstte, kennis waardeerde, kennis liefhad, en in menig vak van studie de vraagbaak der beschaafde wereld werd, – waarin het de beoefenaren der wetenschap huldigde, zoader ander aanzien des persoons, – blond van lokken of grijs van haren, – landzaat, en dus het voorwerp van zijnen regtmatigen trots, of balling, en dus het voorwerp van zijnen edelaardiger eerbied, – handhaver van het oude, en daardoor wachter bij den reeds verworvenen schat, of kampvechter voor het nieuwe, en daardoor borg voor zijn deel in de aanstaande verovering; – thans, o het zij verre van mij, oningewijde in haren tempel, uitspraak te doen, als de blinde over de kleuren! maar leen den twist harer priesteren het oor, en loochen, zoo gij kunt, het vermoeden, dat de offeranden, in de dagen, die wij beleven, te onzent op hare altaren gebragt, met luttel uitzonderingen, schaarsch en schraal zijn, – schraal en schaarsch tot verklarens, tot wettigens toe der onverschilligheid, waarmede de nabuur den ijlen rook ziet opgaan. – Er was een tijd, waarin het door zijn beleid geerbiedigde, om zijn goud benijde, en voor zijne kennis gevierde Holland door deze driedubbele kroon de rozen der kunst vlechten mogt; waarin het gehoor voor muzijk, waarin het zin voor pozij had, en zich in beider liefelijke bloesems verlustigde; maar Europa’s bewondering wegdroeg door zijne schilderschool, de oorspronkelijke, met zijnen strijd voor de vrijheid geboren, en die de helden van deze heeft veraanschouwelijkt en vereeuwigd; eene eerzuil, door dat geslacht zich zelf gesticht; – eene eerzuil, welker meesterstukken we ten minste niet alle voor het goud des vreemdelings veil hadden, – hoe onverschillig onze achttiende eeuw de nalatenschap bewaarde, die, in welsprekend zwijgen, het vonnis der erfgenamen wees; tot welk eene hoogte, in den aanvang der negentiende eeuw, de druk des geteisterden volks stijgen mogt; – eene eerzuil, voor welker luister het ons past het hoofd veler te buigen van schaamte, als zij al de gaven, al de krachten, al de deugden van het voorgeslacht, als een spiegel werkaatst, tot we, voelende wat we eens geweest zijn, en wat we werden, ons aangorden... Vergeef mij, ik wilde u in deze bladzijden slechts uitnoodigen tot bare beschouwing, mits ge vergunt, dat liefde aanvulle, waar talent te kort schiet.

Onwillekeurig verkeerde mijn aanhef in eene lofspraak op de verzameling schilderijen van het rijks-museum te Amsterdam; op die der eerste zaal, de historile portretten, zoo ge wilt. Ik vraag er niet voor om verschooning. Of zijn iederen Hollander, die meermalen de breede trappen van het Trippenhuis opklom, niet dergelijke gedachten door het hoofd gegaan; of klopt het hart van den inheemschen liefhebber niet sneller bij de voorstelling, in welker midden hij zich daar weder bevinden zal, dan wanneer hij in den vreemde zijnen cicerone in eene galerij van antieken, in een kabinet der zuidelijke school vergezelt? Sta mij toe, den onderscheiden indruk door vlugtige trekken in schets te brengen, ten einde de poging me vrijware van de blaam van partijdigheid. O het is een beurtelings weelderig stemmend of huiveringwekkend genot, den blik te laten rusten op de vergoddelijking des ligchaams, aan den beitel der Grieken, in de verwezenlijking hunner idealen van kracht en van schoon, gelukt; – de heron van Homerus treden aan het licht, tot voor ons, misdeelden, wien ze in alle vertalingen duister bleven; – de studie der oude, de schier eenige beeldhouwkunst, deelt eenen zin voor volkomenheid van vormen mede, welke u levenslang dreigt te martelen, als gij dien te eenzijdig botviert. Eere, wien eere toekomt! Waar hij ook de som uwer genietingen verminderen zou, vrees dit bij de Italianen niet. Rafal bevredigt dien, Rafal, wiens scheppingen de graveernaald u slechts behoeft te hebben vertolkt, om u te doen erkennen, dat de vlugt des kunstenaars hooger stijgen kan dan tot zedelijk wordens gelouterde zinnelijkheid. Ontzag greep u aan bij de standbeelden dier goden, wier verhevene rust het bewustzijn hunner kracht aanschouwelijk maakte; maar hoe het de moedig gebogen hoofd der madonna alle verheffing onzer natuur beschaamt, in zijne verkondiging van het beginsel des geloofs! Zie den Christus, en de katholieke kunst overwint de heidensche; de liefde, het noodlot, en echter, Hollander, hervormde, als ge zijt, aanbidder in geest en in waarheid, als gij streeft te worden, weigert ge u prijs te geven aan den indruk van afschaduwingen, die, waartoe het verheeld? op u geene onbetwistbare zegepraal kunnen behalen; welke gij slechts wantrouwend geniet. Anders dan als eene openbaring van het hemelsche, hadt de kunst zich het eerst aan uwe blikken vertoond; andere snaren dan die, welke een voorspel van het toekomende ruischen, pleegde zij in uw gemoed aan te roeren; en zoo ik aarzel, het van alle bekrompenheid vrij te pleiten, dat gij haar, als stemme uit den hoogen, gehoor ontzegt, uw prijs stellen op de vervulling van hare aardsche roeping, is deugd. Den oude zijne schoone wereld, en zijn nog schoonere Olympus, door zijne dochters gedroomd, door zijne wijsgeeren gedacht; – den zoon van het zuiden eene kunst, die zijne eeredienst schoort, die zijne zinnen in prikkels van godsdienstig gevoel verkeert, ontvankelijk als het volwassen kind levenslang voor de eerste blijft; – ons daarentegen, ons natuur, maar gezien met de oogen der liefde; ons waarheid, maar beschouwd met zin voor het schoone; ons voorgeslacht, vaderland, vrijheid, het hoogste, waar voor ons harte blaakt, uitgezonderd het goddelijke, waarvan wij geene afbeeldsels dulden. Hoe onbruikbaar wordt, van dit standpunt, de ijdele theorie van het hooge en lage in de kunst; of wat zijn hare duizenderlei vormen anders, dan zoovele uitdrukkingen van behoeften, welke zij bevredigt? Allen regt doende, vreest ge niet langer voor den glimlach des medelijdens, voor het verwijt van opgewondenheid, schoon ge, zoomin als ik, de hand ooit zonder aandoening aan den knop der deur hebt geslagen, die u toegang tot onze oude school verleenen zou.

Welligt heb ik, onbescheiden genoeg, u reeds te lang voor deze doen toeven; en echter, al verzwaar ik er mijn vergrijp door, ik heb u, eer wij de zaal binnengaan, eenen wensch mede te deelen, welken ik noode onder de vergeefsche tel, schoon ik mij met zijne vervulling naauwelijks vlei. Hij geldt niets minder dan een’ voorhof voor dien tempel, dan ne groote schilderij, welker aanschouwing ons stemmen zou, om de overige volkomen te genieten. Beslis over het gegronde van dat verlangen, als ik u gezegd zal hebben, wat ik haar gaarne voorstellen zag. 1

Eene herfstzon zou hare stralen werpen door de hooge vensterramen der vergaderzaal van ’s lands Staten, te Brussel, als verlustigden die gulden boden er zich in, haren glans werschitterd te zien door goud en door staal; als gingen zij gaarne in de plooijen van damast en fluweel ter ruste. Immers, ik zou u door mijn tafreel in die oude huizinge willen verplaatsen, omstreeks het midden der zestiende eeuw; zoude u die wanden doen aanschouwen, op eenen oogenblik, dat zij verblindden door pracht van wapenpraal en hofsieraden, door allerlei zinnebeelden van grafelijke, koninklijke, keizerlijke waardigheid. Toch zoude ik de voorstelling slechts kwalijk geslaagd achten, wanneer ge u lang in die ijdele flikkering vermeiddet; wanneer de schilder, uit vrouwelijken zin voor tooi uwe oogen geboeid hield aan den opschik, door dezen beheerscht, in plaats van dien te beheerschen; wanneer harnassen, en tabbaarden, en halskragen, en ordesteekenen luider spraken dan het doel, waartoe de mannen, met deze uitgedost, door hem werden gegroept. En daarom zoude ik, als mij magt over hem gegeven was, daarom zou ik vergen, dat de uiterlijke glans al aanstonds minder onze opmerkzaamheid tot zich trok, dan de hooge zin der plegtigheid; dat de onderscheidene volken, in de zaal vertegenwoordigd, in houding en gebaar lieten doorschemeren, wat er omging in hun gemoed. – Achter den staatsiestoel, den troon, zoo ge wilt, midden in de zaal opgerigt, achter dezen zou hij spaansche grandes en duitsche rijksvorsten moeten plaatsen, door verschil van kleeding, gemakkelijk genoeg van elkar te onderscheiden, en zelfs niet moeijelijk te contrasteren, door de statelijkheid, waarmede de donkere oogen der eerste toezagen, terwijl nieuwsgierigheid uit de blaauwe kijkers der laatste lichtte. Of dit alles ware! Of hij ook hun oordeel over hetgeen in hunne tegenwoordigheid plaats greep, niet in beeld had te brengen, gewijzigd als dit wierd naar hunne meerdere of mindere gehechtheid aan de kerkleer dier dagen.... Doch waar zal ik eindigen, als enkel de stoffaadje van den achtergrond mij zoo lang bezig houdt! Vr op de schilderij – ik kom uw ongeduld ter hulpe – vr op de schilderij ware het: mij lief, ter slinke van den zetel, onder eenen weidschen drom van Bourgondischen adel, menigen grijzen wimper te zien glinsteren, voor de eerste maal zijns levens vocht, en zich die zwakheid, die trouw niet schamende. Ter regte van den troon – stel u gerust, we zijn er spoedig – ter regte van den troon moest ons ernst in het oog vallen op de rustige aangezigten der Nederlandsche Staten, voor de plegtigheid zamengeroepen; ernst, die waardigste uitdrukking van het gelaat eens mans. O driewerf benijdenswaardige kunst, die ons dat alles in nen blik zou doen omvmen, en tevens de hoofdgroep aanschouwelijk maken: keizer Karel V, afscheid nemende van heerschappij en wereld – met zijne zuster – de landvoogdesse Maria – aan de eene; met zijnen zoon – den troonopvolger Philips – aan de andere zijde; zij, die deze gewesten vijf en twintig jaar bestuurde; hij, die ze levenslang beheerschen zou!

Het verledene, – het oogenblik, – het toekomende, – hoe schakelen zij zich in onze beschouwing, als in de werkelijkheid, onwillekeurig aaneen, den schilder tantaliserende, die zoo gaarne den driedubbelen indruk zou grijpen en wedergeven; die zich doorgaans met slechts n der drie, met het oogenblik vergenoegen moet, als hij de waarheid der voorstelling aan geene symbolen opofferen wil. Gelukkige, die dit onderwerp te eeniger tijd op het doek brengen zult, gevoelt gij, hoe zeldzaam gunstig de geschiedenis uwer verbeelding bij deze stoffe vleugelen gunt, ja, leent; hoe weinig pozij ze van u vergt; pozij, als hare veder zelve, is de overdragt der Nederlanden schijnt te schrijven?

Het verledene? Wij lezen het in de trekken der vorstelijke weduwe van Hongarije, die, volgens eenen onzer trouwhartigste historici, onze vaderen „wel en wijsselijk had geregeerd” – die, vraag het der schare van geestelijken achter haren stoel, – die het uitslaan van de vlam der ketterij heeft verhoed, schoon de vonken nog smeulen onder de assche. Langer dan tweemaal twaalf jaren hebben hare vingers hier de teugelen des bewinds gevoerd, en slechts nmaal zag ze zich verpligt de zware hand haars broeders in te roepen, om Gent te tuchtigen; Gent, onrustiger gedachtenisse! De bloei des overigen lands is de schoonste lofrede op haar bestuur. – Het verledene? De geest der ridderschap schijnt met den chevalier sans peur et sans reproche te zijn verscheiden; – de doldrieste, maar grootmoedige staatkunde van Frans I verloor haar pleit tegen de volharding des schranderen overlegs van Karel V – een dichterlijke tijd gaat onder, een wijsgeerige tijd breekt aan; – wat zoekt gij naar eene type? Maximiliaan van Egmond, Grave van Buren, in doodelijke krankte van zijne legerstede opgerezen, moge de laatste geweest zijn, die stierf, zoo als het een’ ridder past, – na de toediening des heiligen oliesels, geharnast en gespoord, het zwaard aan de heup, den mantel om de schouders, het gulden vlies op de borst, den brekenden blik op de ijzeren handschoenen, en den helm met pluimen vr hem gevest; – Maximiliaan, die zijne jongste oogenblikken doorbragt, of sterven slechts reizen ware naar een schitterend tornooi, even moedig van zijne vrienden afscheid nemend – heuschelijk zijnen getrouwen gedachtenissen uitreikend – levenslustig met zijn’ ouden valkenier over zijne lievelingsvogels koutend – dankbaar den gastmaalsbeker ter eere zijns keizers ledigend – den geest gevende ouder de verklaring, dat hij nimmer met ketters klonk; – Maximiliaan moge voor uwe schilderij te vroeg zijn gestorven, rest u zijn grooter stamgenoot niet? Vertegenwoordig riddereed, riddermoed, riddertrouw, vertegenwoordig ze in Lamoraal, die veldslagen voor zijn aanstaanden meester winnen zal; – Gthe heeft de figuur niet beneden zijn genie geacht; – ons megevoel zal te luider spreken, hoe gelukkiger gij in de schitterende voorstelling slagen zult; hoe bloeijender hoofd, des te killer onze huivering voor den bijl die het bedreigt. – Het verledene? O als het waar is, dat ook de kunst hare geregtigheid heeft, dan verwaarlooze uw penseel de stof niet, door de nieuwe wereld zoo mild aangebon; want Ferdinand en Isabella vergolden Columbus de eerste ontdekking niet wreeder, dan Karel het Hernan Cortes der verovering van Mexico deed: een vergeten dood voor den stichter van Vera-Cruz, voor den vinder der gouden zilvermijnen! Ten zij ge, door edeler sympathie geblaakt, is die ondankbaarheid zelve vergelding ziet voor den ondergang, een volk berokkend, de bouwvallen van welks tempels drie eeuwen later Europa’s bewondering wekken.

Welk een oogenblik! Er staat geschreven: „IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid!” Zoo iemand er nog aan twijfelt, hij kome en zie! Ken spelend jongsken, erfgenaam van de Nederlandsche Staten en prins der Asturin; – een krijgshaftige knaap, troonopvolger van Arragon, en Napels, en Sicili, en Sardini, en Navarre; – een zestienjarige, koning van zoo vele rijken, in Europa en Amerika, dat de zon in zijn gebied niet ondergaat; – een twintigjarige, keizer van Duitschland; zie daar Karel V. Als de toekomst voor hem nog iets in den schoot droeg, wat anders kon het zijn dan de wereldheerechappij? Des nachts droomde hij er van; des daags streefde hij er naar – hoe zeldzamer vereeniging van gaven en krachten er toe vereischt werd, hoe eerder zijne hoop steigeren mogt! Het ware dwaasheid geweest, er zich mede te vleijen, ten zij men doorluchtigen rang aan uitgebreide magt huwde – en de vorst, wien zijne eeuw den wijze noemde, had om afkomst en gebied zijn jeugdig hoofd aangewezen, als het waardigste van alle voor Karel den Grooten’s diadeem. Onuitvoerbaar mogt die taak heeten, ten zij voor het schranderste beleid – en hij, de nieuweling in de staatkunde, hij was behendig genoeg, om Wolsey te verschalken; hij was voorzigtig genoeg, om de hand niet aan Luther te slaan. Voorbeeldeloos krijgsgeluk scheen de onontbeerlijke borg ter vervulling van dat verlangen. „Tout est perdu, fors l’honneur!” schreef zijn mededinger op het slagveld van Pavia, en zuchtte die woorden in gevangenis te Madrid over; – des keizers christelijk leger plunderde Rome en des ondanks zette de heilige Vader hem de dubbele kroon op het hoofd; – als de schaduw zich grijpen liet, de wereld ware vijfden Karel’s voetschabel geworden. „IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid!” – dertig jaren lang heeft hij er, sinds dien oogenblik, voor gewaakt, voor gezorgd, voor gevreesd, voor geoorloogd, om gebeden misschien, onloochenbaar er voor geboet, – aanschouw die vr den ouderdom gekromde gestalte, zie dien vr den winter besneeuwden baard! O tal van aanslagen, koen gedacht, – lang beraamd, – snel volvoerd, – en echter slechts kwalijk geslaagd, – en toch ten letste mislukt, – hoe verwenschen u de slapen, die u broedden! Alles wat hem overblijft van de dagen zijner kracht, wat is het dan uwe verbitterende heugenis? schitterend omzweefdet gij hem, toen de banier des kruises zich voor de zonne van Afrika schaamde; Tunis mogt wee roepen over Europa, om den gruwel, aan weerloozen gepleegd, – hij, de christenkeizer, had tien duizend christenslaven verlost; – wie onder de monarchen der aarde was hem gelijk? –

Schaterend vervolgdet gij hem, toen de storm de toortsen bluschte, ter vlugt uit Insprck ontstoken; schoon hij kermde in zijnen draagstoel, Maurits van Saksen joeg hem in hollen nacht de Alpen over; – hij, de schranderste staatsman des tijds, was door zijnen leerling vergaauwd; – zucht naar wereldheerschappij, welke marteling, die bij de uwe haalt? Geneugten des levens, gezondheid des ligchaams, geweten zelfs had hij voor u veil: – de daglooner, te zelfder ure in luren of lompen gewikkeld, toen de erfgenaam van zoo vele Staten den volke werd vertoond, die daglooner zou zijne kroon niet willen, ware zijne krankte er aan verknocht; hij werkt nog vrolijk, hij eet nog hartig, hij kust zijn wijf, hij slaapt goed. Een klooster voor dezen zesenvijftigjarige, een rozenkrans voor de hand, die den keizersstaf droeg; „ijdelheid der ijdelheden,” – de rustelooze hijgt naar rust!

Een woord over de toekomst: aanschouwt ge haar niet in Oranje en Granvelle? De hand zijns keizerlijken vaders kussende, valt u Philips in het oog, tusschen prins Willem, – op wiens schouder de aftredende graaf leunt – en Atrechts bisschop – gereed het antwoord des aanstaanden graafs voor te lezen, – en de groep leidt u tot de vraag: Wat die gunstelingen des ouden meesters, voor zijnen opvolger zullen zijn? Sla Philips gade, bid ik u! Als ooit een vorst mensch mogt blijken, deze ure ware die voor overstelping des gevoels; – maar al buigt hij zich haastelijk naar de hem toegestokene vingeren, die drift verraadt slechts lust naar heerschappij, want koeler hebben nooit lippen de handkus gegeven, dan hij zich van het ceremoniel kwijt; – maar al kromt hij de knien, daar de grafelijke wrong den voetval waardig is, terwijl het allen aanwezigen voor de oogen schemert, blijven de zijne droog. Er zijn blikken, die het opmerken, blikken, welke elkander bij die opmerking zoeken, ontmoeten en verstaan – behoef ik u te zeggen, dat het die van Oranje en Granvelle zijn? dat ik hen dus op de schilderij wenschte te zien? Oranje en Granvelle, „zoo zeer verslingert op onderling gezelschap, dat meenighmaals, d’een den anderen in ’t bedde overliep;” Oranje en Granvelle, schrijft Hooft, tusschen welke de vriendschapsband, door belang gelegd, „vaster” werd, „geknoopt door de gelykheit van die twee harsenen, in dapperheit van vernuft;” Oranje en Granvelle, die den dag hunner scheiding voorzien. Het ware te veel van den schilder gevergd, als we dit alles op hun gelaat wilden lezen; maar zou het niet de hoogste lof zijner voorstelling wezen, als zij toekomstige gebeurtenissen voorafschaduwde, als ze dichter maakte wie de groep zag? Ons vermeidende in de voorstelling, welk genot vertrouwelijke, verstandelijke omgang was geweest voor mannen, die elkander zoo wel op prijs wisten te stellen, als zij; – eene weelde des geestes, door het verschil in beider leeftijd te prikkelender; – eene weelde des geestes, nooit in ijverzuchtigen wedstrijd ontaard – ons vermeidende in die voorstelling, worden ons de gedachten duidelijk, welke hen aangrijpen, welke hen huiveren doen. Staatkundigen als zij waren, schenen zij, wat de ontwikkeling hunner gaven betrof, tot die ure onder het gelukkigste gestarnte geboren was ooit de gezigteinder van ons werelddeel wisselzieker, dan toen de zonne des keizers, in den opgang van hun leven, hare schitterende middaghoogte had bereikt, en allengs in nevelen schuil ging, en thans vroeg ter kimme zonk? – Karel de Vijfdes politiek, – welk eene studie voor Granvelle, in hare doolhoven te huis, voor Oranje, die er zijnen weg in zocht! Verbaast ge er u nog over, dat „de prins, als hy tot Brussel quam, dikwils eerst ten huize van den bisschop ging afzitten?” dat beide den dag huns levens verloren achtten, waarin zij elkander niet hadden gezien, niet van gedachten hadden gewisseld, d’een den ar niet hadden gewet? O benijdenswaardig, die het smaken mag, welker wetenschap, welker kunst hij zich wijdt, het zeldzame voorregt eene ziel te vinden, die als de zijne denkt, of als de zijne voelt – werklank harer opmerkingen, spiegel harer gewaarwordingen; – die zich door den bijval des vriends als door den hoogsten lof voelt gestreeld, of, de vlugt van dezen bewonderende, ligt meer nog geniet, beurtelings verrassende en verrast, altoos beider wit sneller naderende! Van zulk een’ omgang der geesten zouden zij hebben af te zien; – schoon elkander nog waarderende, schoon d’een den ar nog achting toedragende, zouden zij vijanden worden; – Karel was de geliefde meester geweest van Oranje en Granvelle; – Philips verdeelde hen voor het eerst, voor altijd. Hoe de wieken der verbeelding ons voortdroegen naar het tijdstip, door beider schranderheid voorzien; – keizer Karel’s leven had de waarheid zijner opmerking gestaafd: „zoo vele talen men spreekt, zoo vele malen is men mensch;” Philips sprak slechts Spaansch; – keizer Karel wist, naar de lievelingsuitdrukking des landzaats, van „geven en nemen” – Philips’ wil was wet. En om de toekomst met eenen enkelen trek aanschouwelijk te maken, Luther’s geest staarde onverwonnen uit den hoogen op den uitgeputten, op den teloorgesteld afscheid nemenden kampvechter om de wereldheerschappij; wat zoude Philips vermogen tegen hem? Menschenkenners als ze waren, hadden Oranje en Granvelle in de woelingen hunner dagen, in die worstelingen van begrippen, verschijnselen van ernstiger aard gezien, dan louter verlangen de kerk te zuiveren van wat zij onreins had. Het was het tijdstip der meerderjarigverklariag van den menschelijken geest. Beide zouden partij moeten kiezen, ieder hunner; liever, de keuze des eenen zou die des anderen niet zijn. Beginselen naar belangen te plooijen, moge aan de orde van den dag wezen, in onzen tijd; wie zou Granvelle het onregt willen aandoen, hem te verdenken, dat hij in zijne eerzuchtige droomen de tiara van verre zag ’t – wie Oranje willen lasteren, als had hij eenen benijdenden blik geslagen op den gravenhoed voor hem? – al omklemde de eene, bij de gedachte aan de naderende gebeurtenissen, zijnen bisschopsstaf vaster; – al beschuldigde de laatste zich bij deze van te groote deernis, die megevoel dreigde te worden? Voor de eerste maal huns levens gevoelden beide „de ongelykheit der harten.” onloochenbaar, smartelijk, voorspellende; – gevoelden zij die tot ontwaarwordens toe der „wyt verscheide wetten,” naar welke zij voeren moest. Als ge weten wilt, welke die waren, als mijne schilderij haar doel heeft bereikt, treed de zaal binnen: Hollands roemrijkste eeuw geeft u het antwoord.

II

HISTORILE PORTRETTEN.

Als ware het afbreken hun lust geworden, beijveren eenige historische critici onzer dagen zich, om feiten, waarop de aloude geschiedenis roem draagt, te ontzenuwen tot fabels, ons vergunnende in den volksgeest des verledens eenen dichter te groeten, waarbij geen van Isral zieners haalt. Het stoute, het groote, het reine schijnt voor hunne opvatting het vermoeden van onwaarschijnlijkheid me te brengen; en hoe dikwijls ook de verdichting een begaafd ongeloovige hadt het gezegd – in verrassende uitkomsten voor de waarheid onderdoe, bij hen vindt het edele slechts gena als een droom als een wensch der verbeelding. Of er onder dezulken zijn, die het bejammeren, dat het licht hunne wieg eenige eeuwen te vroeg bescheen, om eene mythe te meer te hebben in Hollands strijd tegen Spanje, om den eersten Willem te kunnen verflaauwen tot een blijk van productieve phantasie? Ware het tijdvak verwijderd genoeg, welke gebeurtenis zou er meer naar gelijken; welk karakter had er grootere kans op? Hoe! de aanslibbe der Noordzee zoude uit de nevelen, waarin de onherbergzame plek gronds ligt gehuld, heiren hebben zien verrijzen, door helden aangevoerd? heiren, in staat aan de keur der leger: benden van het strijdhaftige schiereiland het hoofd te bin? helden, voor welke de grootste veldheer des tijds week? Het is maar de helft van het wonder; het geloofelijkste der ongeloofelijkheid. Een vreemdeling van vorstelijken bloede zou n van ziel en zin zijn geworden met dat vrijheidzieke volk; de staatsman, wiens bijnaam onder zijne vijanden van hunne bewondering zijns verstande getuigde, zou regten hebben verdedigd, welker uitoefening op eenen ommekeer der maatschappij had kunnen staan – de wijze een waagspel hebben gespeeld! En die hoop boeren en burgers zou huis en have, zou goed en bloed hebben veil gehad voor eene andere wereld dan die des vleesches, en van dat stipje op de kaart van Europa zou licht zijn opgegaan over alle rijken, tot over de afgelegenste gewesten des aardbodems toe?

Ik heb van den geest des twijfels gewaagd, om er dien des geloofs tegenover te stellen; we staan voor Miereveldt’s beeldtenis van Willem van Oranje.

Indien het Trippenhuis tot nog toe iets andere was geweest dan eene bergplaats van schilderijen, toebehoorende aan het Rijk, een beter licht dan de schemering van eenen hoek zou den Vader des Vaderlands zijn aangewezen. Laat ons hopen dat de dag niet verre is, waarop Nederland der kunst invloede genoeg zal toekennen, om meer van den bewaarder harer schatten te eischen, dan te zorgen, dat regenscherm noch wandelstok in den tempel kome; – ter zijde geschoven als de eerste Willem werd, beheerscht toch voor ons de Zwijger de zaal. Staar ze aan, die eerbiedwaarde trekken, door het penseel des meesters vereeuwigd; staar ze aan, tot uw hoofd zich onwillekeurig buigt; tot uw harte van dank overvloeit, en ge zult eindigen met om u, met op te zien! Om u zien, zeide ik; want als ooit gezigten der toekomst, gelijk er den aartsvaderen op de stervenssponde werden bedeeld, eenen veegen verrukten, welke zaligheid zou bij de zijne hebben gehaald, indien hij de schare had aanschouwd, die hem langs deze wanden omringt: de edelen, in den zin door hem aan dat woord gehecht? Ge zult opzien, herhaal ik. „Heere Godt! wees myner ziele en dezen armen volke genadigh!” waren zijne laatste woorden, na een leven, aan de verdediging der regten, aan de ontwikkeling der krachten onzer voorvaders gewijd; van God achtte hij er zich toe geroepen; van God gevoelde hij er zich toe gesterkt, en de Heer heeft zijne verwachting vervuld, vervuld boven mate. Een vorstenhuis, dat zich der dienst der vrijheid wijdde – een klein volk, dat eene groote zending vervullen mogt – zietdaar de wonderen, door de geschiedenis geboekt, welke de kunst ons hier veraanschouwelijkt; een uur, in deze zaal doorgebragt, kan geen verloren uur zijn voor wie betreurt, dat op de gulden eeuw de dagen van Jan Salie zijn gevolgd.

Onvolledig als deze verzameling in menig opzigt heeten mag, is de indruk, dien zij maakt, echter volkomen juist: Holland had zijne grootheid slechts dank te weten aan zijne burgers en aan Oranje. Vroed en vroom als hij was, wiens hoofd in helderheid geene werga had, en die, des ondanks, nederig bij zijn harte leefde, onderscheidde hij in het ruwe maar ronde volk al de kiemen voor eenen krachtigen staat. Opgevoed in den dampkring van het keizerlijke hof en aan de weelderige landschappen van ’s lands zuiden gewoon, gevoelde hij toch menschelijk genoeg om deernis te hebben met verdrukten, was zijn oordeel te veelzijdig ontwikkeld, om de voordeelen onzer ligging voorbij te zien. Vol geloof aan den adel der menschelijke natuur, en tevens overtuigd van hare behoefte aan schuldvergiffenis, erkende hij haar onvervreemdbaar regt op vrijheid van geweten, begreep hij welk een hefboom er op ernstige gemoederen in dat beginsel school. En de uitkomst, wie eischt dat ik haar schetse! De feiten heugen u van kindsbeen af; gij wilt de burgers zien. Helaas, waarom zoeken wij hen hier te vergeefs? Waarom ontbreken in deze zaal, in dit huis, de afbeeldsels van de eerste martelaren der heilige zaak, vergeten, verwaarloosd misschien, voor den schoorsteen eener raadzaal, of op de bordessen van een stadhuis? Immers, Willem I en zijne broeders, schier zij alleen vertegenwoordigen te dezer plaatse den aanvang der worsteling met Spanje, en, noch de eenvoud der zeden des tijds, waarin niet allerlei onbeduidendheid zich liet uitschilderen, noch de geringe afkomst der dapperen, helden verwekt uit de heffe des volks, volstaat, om aller afwezigheid te verklaren. Voorzeker, geen bloed van edelen was het cement onzer vrijheid; maar wie gelooft het, dat men, buiten Egmond en Hoorne, hier de bloem van belgischen en hollandschen adel, dat men Hendrik van Brederode hier vruchteloos zoekt? We weten het, de Zwart Jan’s noch de Jan Haring’s hebben voor eenen schilder gezeten, uit de smidse toegeschoten, of ten masttop opgeklouterd, om den lande trouw te blijken tot den dood; maar provincialismus en urbanismus, en onverschilligheid en geldsgebrek misschien nog meer dan deze, staan de voltooijing eener nationale galerij in den weg. – En echter kenden we dezer zaal het vermogen toe, den indruk te weeg te brengen: – Oranje en de burgerij; – en echter nemen we geen woord van het geschrevene terug. Of treft gij hier eene reeks dier onbekende gezigten aan, waarvan andere vorstelijke kunstverzamelingen overvloeijen: eene reeks, die zich voldoende vermelden laat onder de algemeene benaming: „hovelingen uit de dagen van – ge hebt naam en cijfer slechts in te vullen?” Of vindt gij niet iets treffends, niet iets karakteristieks, in de bijzonderheid, dat onder de weinige personen, uit Willem den Eerste’s tijd op het museum aanwezig, Kenau Hasselaar, en Dirk Volkertsz Coornhert behooren? Kenau Hasselaar, die de heldhaftigste vrouwen der oudheid waardiglijk op zijde streeft; Dirk Volkertsz Coornhert, wiens verdraagzaamheid der nieuwere eeuwen tot voorbeeld strekken mag? Of ging het u niet als ons, zoo dikwijls het gemis der overigen u deerde? Was er dan geene stemme, die u antwoordde op de vraag: „Waar bleeft ge?” – „Om het geloof op het schavot onthalsd” – „onder de vanen der vrijheid bij Heiligerlee gesneuveld” – „bezweken, na den vruchteloozen togt over de Maas” – „juichende verscheiden, daar de zege op de Zuiderzee was behaald” „spijt het verdrag, binnen Haarlems wallen vermoord” – „uitgehongerd op de vesten van Leijden” – onsterfelijk in het harte eener dankbare nakomelingschap! – En wenddet ge u dau niet andermaal naar het beeld des vorsten, wiens gerustheid scheen te groeijen met het gevaar, dewijl hij geenerlei middel verzuimde, menschelijken moed vergund, menschelijke magt verleend? En duizeldet gij niet bij het besef, welk een beleid er in dat brein schuilen moest voor de elkander opvolgende onderhandelingen met don Johan, met Matthias, met den hertog van Anjou? onderhandelingen, welker mislukken hij zich getroosten kon, op eenen beteren bondgenoot dan alle uitheemsche vorsten vertrouwende. En werd het harte u niet warm, bij de overtuiging, dat louter gaven des geestes eene zelfopoffering als de zijne niet verklaren; dat hij, die zijner eeuw in ieder opzigt vooruit was, tevens in zijn gemoed die godsvrucht omdroeg, welke het grootste en het goede n maakt? Eene lofrede eischt diepere studie; eene opmerking vinde hier hare plaats. Er is onder al de titels der troonopvolgers van Europa’s oudste koningshuizen geen schoner, dan die, den erfgenaam onzer dynastie bedeeld: prins van Oranje, door de herinneringen aan den eersten Nassau van dien naam, ons harte heilig. Maar ook, welke pligten legt hij op; tot welke eischen geeft hij regt!

Rubbens is de schilder der vorsten geprezen, ik zou Miereveldt dien der groote mannen uit Hollands heldentijd willen noemen. Prins Maurits overtuige er u van. Welk eene opvatting van vorst en veldheer; welke eene uitdrukking van magt en moed! Och, dat onze catalogus meer ware dan louter eene naamlijst van den schilder en het geschilderde, dat eene geschiedenis dier stukken ten langen leste wierde geschreven! 2 Een talent als dat, waarvoor wij ons hier buigen, is geenen jeugdigen kunstenaar onverschillig; hij wenscht het te bespieden in zijne ontwikkeling; hij rust niet, vr hij het tijdstip van zijnen hoogsten bloei kent: maar wat zult gij hem antwoorden, als hij u vraagt, of Miereveldt reeds in zijn zeventiende jaar gindschen Willem I heeft geschilderd, welligt jonger nog, daar het boeksken van ’t Museum ’smans geboorte in 1568 plaatst, en de dood des prinsen, als ieder weet, 1584 schandvlekte? Draagt dan slechts een enkel der stukken van dien meester, draagt schier geen der overigen van deze verzameling een jaartal; is aan niet n eene toelichtende overlevering verknocht? IJdele vragen! even ijdel als die, waardoor, wanneer, van waar, hoe deze schilderijen de eigendom des Rijks zijn geworden; waarop zelfs een man, wiens voorgeslacht in de geschiedenis der kunst beroemd is als dat harer erfelijke beschermers, mij het antwoord schuldig bleef. De klagte over zoo groote onverschilligheid voor onze oude kunst moest me van het hart, door de meesterlijke voorstelling een oogenblik van ons historisch terrein verlokt; waarom roept Huig de Groot,, waarom roept Oldenbarneveldt, beide door onzen Delftenaar geschilderd, er ons op terug?

Eene afdanking van waardgelders te Utrecht – eene voorstelling des prinsen te paard, aan het hoofd der leden van zijn geslacht, en eene andere aan de spits zijner krijgsbevelhebbers – een paar portretten van deze – zijn afrid ter jagt, omstuwd van hovelingen en paadjes – en eindelijk eene allegorie op zijn leven – ziedaar alles, wat het tijdvak van Maurits hier vertegenwoordigt. Leycester’s beeldtenis schuilt onder die der onbekende meesters, het is waar; doch te vergeefs wenscht gij hen in elkanders tegenwoordigheid te zien: den eerzuchtigen vreemdeling, die naar de heerschappij dezer landen dong, en den begaafden achttienjarige, ter verijdeling van dat ontwerp, door de Staten met den hoogsten rang bedeeld. Hebt gij onder de schilderijen, uit het begin van den vrijheidsoorlog, hier naar een gedenkstuk omgezien voor de dapperheid der Zeeuwen, toen Medina-Celi hunne kusten bedreigde, en werdt ge teleurgesteld, ondanks al de treffende toestanden welke Van Haren’s genie aan onze ontluikende zeemagt boeiden, een ander gemis uit de dagen van Maurits verbaast, grieft ons nog meer. De Nederlanden, Engeland, Europa, hebben van de Armada van Philips gewaagd; het kleine Zeeland liet gedenkpenningen slaan op den ondergang der onoverwinnelijke; Schiller wijdde aan die stof zijne lier. En echter blikt ge vruchteloos deze wanden rond, of gij er eenige heugenis van mogt aantreffen; onder den overvloed van zeestukken uit lateren tijd zelfs geen enkel, dat het onvergetelijke feit herinnert. Parma ontbreekt; Albertus en Isabella vindt gij, als ge ze zoekt, maar geene trofen der overwinning bij Nieuwpoort; – ge aanschouwt in de tente des veldheers zoomin den Admirant van Arragon, als den koning van Sumatra; – misdeelde Maurits, die slechts Oldenbarneveldt tegenover u hebt! – misdeelder burgerij! Of schuilt er voor menig aardig tafereel niet stoffe te over in de Houtman’s dier dagen, in een portugeesch handelshuis de geheimen der Indische zeevaart bespiedende? Of wenschtet ge u niet verplaatst te zien in eene burgerlijke woning van Middelburg, van dien tijd, in de woning der Moucheron’s, om hunnen ontdekkingslust tot in het verre Noorden vermaard? Of zou het uitzeilen van eenen der eerste walvischvangers, – God zij met hen in eene zee, uit welke de Biscayers het spreekwoord medebragten: „Wie vaart, leert bidden!” – of de tehuiskomst van eenen der vroegste Oostindivaarders, beladen met de weelde van het morgenland; – God was met hen geweest, al hadden zij ook meer dan twee jaren reis! – of zouden zulke voorstellingen u hier niet welkom zijn? Wie heeft regt op de plaats der eere in eene verzameling als deze, zoo niet onze wereldontdekkers, op den oceaan geen minder gevaar braverende dan Maurits aan de spits des legers tarten moest, – deze in het harnas voor ’s lands veiligheid, gene voor ’s lands welvaart aan het roer? Willem Barendz, Olivier van Noord, Jacques le Maire – en wien al doe ik geen onregt, uit een twintigtal jaren slechts deze noemende, van hen, welke door het Noorden eenen weg naar China zochten; die den aardbol omzeilden; wier hoop in de Stille Zuidzee zich vleide met land? – wat aandoenlijke stoffe biedt gij om strijd het penseel aan! Of mishaagt iemand de somberheid van het sterven van den eerste? – al leverde hij er eene fraaije schets van, die onze oude meesters begrijpt, door de liefde welke hij hunner kunst toedraagt; – of weigert men zoo droefgeestig te worden gestemd, als de beeldtenis van den laatste mij maakt? – een jongeling, die den roem van zijnen togt niet oogsten mogt, op de tehuisreize overleden van hartzeer over het verlies van zijn schip. – Welaan, de dagen van Maurits waren die der grondlegging onzer Indische heerschappij; voorbeeldeloos geluk bekroonde voorbeeldeloozen moed; werelden werden veroverd – ach, dat ge er hier geen blijk van vindt! Het penseel eens Vlamings verlustigde zich in het schilderen van Willem Bontekoe, over eenen der woudstroomen van Sumatra, door inlanders voortgeroeid; de graveerstift van een Yankee schetste ons Henry Hudson en zijne togtgenooten, op den vloed, aan wiens oever Nieuw-Arnsterdam verrijzen zou. Doch staar deze zalen rond, tot het u schemert; noch de weelde van het West, noch de gloed van het Oost lacht u aan, of lucht u toe. Geene ongerepte bosschen der nieuwe wereld, eene maagdelijke natuur; geen morgenlandsche ochtendstond, louter vuur en vlammen. Eer gij onze klagt overdreven noemt, herhalen wij, dat wij spraken van vroegere en latere kunst, en brengen gaarne nog een paar voorbeelden bij. Onder Willem’s heldhaftigen zoon werd de Oostindische Compagnie opgerigt; maar zoomin Gerardt Bicker als Reinier Pauw vertegenwoordigen binnen deze muren den ondernemingslust onzer patricirs – en toch twijfelen we er niet aan, dat tijdgenooten hunne gelaatstrekken hebben bewaard. Onder Maurits is het octrooi ter Groenlandsvaart verleend; maar geen enkel stukje veraanschouwelijkt ons die lievelingsschool der ruwste gasten uit het plebs, – en toch was de vangst nog wergaloos voorspoedig, toen de kunst voor zulke onderwerpen niet langer te schoolsch zag. Verlies de onderscheiding niet uit het oog: we vroegen slechts wat de tijdgenoot voortbragt, wat de nakomelingschap aanvullen kon. Overdreven, onredelijk zou ons verlangen zijn geweest, als we voorstellingen uit het volksleven hadden geeischt, die buiten het kunstbegrip van de schilders des tijds lagen, of van latere eeuw hadden gevorderd, wat met vroegere te loor ging. Wilt ge het nog duidelijker uitgedrukt? we zochten geenen Jan Steen, in de dagen toen van Mander aan Miereveldt het portretteren naauwelijks ten goede hield. „Door winste verlokt of door behoefte gedrongen,” zegt hij, „slaan de meesters dien zijweg in, zonder lust of tijd te hebben, om de heirbaan der historie en der beelden te zoeken.” Wat zou hij wel van de studie van lager leven, van geuzen bij den beker, of lansken bij den kroes, hebben gezegd? Het was de zuurdeesem van het katholicismus, antwoordt ge, dat slechts naar altaarstukken streefde; het was de zoogenaamde klassiek der akademie, voege ik er bij, die gaarne alle kunst in nen vorm gieten zou. Maar wat baat het ons, de bekrompenheid te laken? zij was aan de orde van den dag. Wat al schalkheid, wat al boert, wat al jok dierven wij er door! Hij, die een volk slechts van zijne deftige, van zijne zondagszijde ziet, kent het maar ten halve. Driewerf jammer, dat de schade onboetbaar is, – of waardoorwilt gij het verlies vergoeden? Kieskaauwer noch pilaarbijter, loop ik hoog met de brabbeling van eenen onzer oudste dichters, als schets der zeden eener burgerij, met moeite aan velerlei dwang ontworsteld, en alreede geprikkeld tot velerlei lust, – onderscheide ik, wat meer zegt, er die wijsbegeerte van het gezond verstand in, welke weldra de hollandsche worden zou, – biedt zij stoffe te over aan voor studie – maar zou ik toch de laatste zijn, om iemand uit te noodigen, er genrestukjes aan te ontleenen, – al spijt het mij, dat de tijd er zulke niet gaf. Zoo iets, het komische moet uit het leven zijn gegrepen, moet op de daad worden betrapt. Eerst toen de tint kleur was geworden, had de kunst er oog voor. Of wie waren de voorloopers van. Ostade en Teniers, die dichters van de grepen der minne, bij de vel en bij de kan? Als iemand er kent, als iemand er in zijn kabinet overheeft, hij sta iets van zijnen schat aan ons museum af, dat Maurits als veldheer alleen laat staan, dat Maurits als landvoogd naauw kennen doet, dat niet eens gezegd mag worden, zijn tijdvak af te schaduwen. Waar bleef Hendriek Spieghel, waar bleef Roemer Visscher? waar de beide zeehelden, door Tollens en Bogaers waardig bezongen? – waar de stoet van buitenlandsche vorsten, die den krijg kwam leeren bij den oorlogsman, die alle overigen wijken deed? Lodewijk Philips heeft een deel van zijn vermogen veil, ter aanvulling der kunstzalen van Versailles. „Sympathie pour toutes les gloires de la France!” is zijne spreuk, en de natie juicht hem toe; – of het mij gelukt ware vorstelijke kunstliefde en burgerlijke helangstelling ter aanvulling dier leemten van ons panthon op te wekken! Oranje en de burgerij, zeiden we bij den aanhef; – maar hoe verdienstelijk de beide familietafereelen zijn mogen van de Keyzer en van Cuyp, de blik, dien zij op het huiselijk leven dier dagen vergunnen, mag slechts ter sluik geworpen heeten; het is een aller-eenzijdigst kijkje op den bemiddelden stand. Bovendien, er heerscht in de beelden van den laatste eene rust, der gemeente van dien tijd vreemd; er is aan den naam van het gezin, door den eerste geschilderd, eene herinnering verknocht, die de schets van stil geluk schier in een schimpdicht verkeert. Dat gezin heette Hogerbeets, en die vader was Rombout van dien naam... – Maurits, schreven wij straks, staat in deze zaal slechts tegenover Oldenbarneveldt!

Vr twintig, vijf en twintig, dertig jaren, bragt de geest des tijds mede, geenen blik op dat tweetal beeldtenissen te slaan, zonder onze eeuw te prijzen; als waren de vergrijpen van het voorgeslacht slechts bestemd vrucht te dragen in de zelfverheffing der nakomelingschap. „Eendragt” predikte men, „eendragt” zong men, tot voorbijziens toe, of deze haren oorsprong nam uit overtuiging of uit onverschilligheid. Als de fakkel der partijschappen maar werd gebluscht, mogt ook de vonk der belangstelling uitgaan. Verheugen we ons, dat die stemming voorbijgaande was, als de vermoeijenis na de vrijheidskoorts, als de krachteloosheid onder het keizerschap! Verheugen we ons, dat eene billijker beschouwing die bekrompene heeft vervangen; wij waardeeren de voordeelen van een nhoofdig bewind, al houden wij aan om vrijzinniger vertegenwoordiging. Ontwikkeling aller gaven en krachten, scheen ons de leuze der hollandsche historie, toen we Oranje en Granvelle in den voorhof van dezen tempel wenschten aan te treffen; bij wien van beide zoude de wijze van zien, vr twintig jaren onzer jeugd aangeprezen, de levendigste sympathie hebben gevonden? – Het is haar vonnis. Was het u ooit, onder eene mijmering in deze zaal en starende op de beeldtenissen van den veldheer en den staatsman, was het u dan ooit te moede, of de geest van den grondlegger onzer vrijheid, en die van den voorstander van Spanje en van Rome, ze omzweefden? Wij verbeeldden het ons bij wijlen Granvelle lachte, Oranje zuchtte. Doch reeds leenden wij het oor aan beider gesprek, en weigerden in te stemmen met den bisschop, dat het beter ware geweest, het juk der onderwerping te blijven dragen, en vonden rust bij het gevoelen van den Vader des Vaderlands, dat er stormen vereischt worden tot zuivering van het zwerk. En zoo we bevredigd den blik elders wendden, wij waren het niet zoo als men het vroeger plagt te zijn, dewijl alle verschil van gevoelen is ondergegaan in traagheid van geest, – neen, dewijl het hoe langer hoe zeldzamer wordt dit door het zwaard te zien beslissen, ook bij hemelsbreed verscheidene begrippen over de toekomst van kerk en staat, – dewijl de meening veld wint, dat hij tot de slechtste burgers behoort, die naar de bevrediging der behoeften des volks, naar den vooruitgang van allen ter goeder trouw niet streeft.

Geen der vorsten uit het huis van Oranje is, wat de veraanschouwelijking van zijn tijdvak in deze zalen betreft, gelukkiger te prijzen dan Frederik Hendrik, indien gij u aan het kleine anachronisme niet ergert, dat ik den stukken, ter. gedachtenis van den vrede van Munster vervaardigd, plaats geve in zijn gulden vierde eener eeuw. Wij zullen slechts regtvaardig zijn, zoo we dus om zijne beeldtenis niet enkel de lauwertwijgen vlechten, welke hij zieh verwierf; zoo wij om deze tevens de olijftakken strengelen, die hem aanlachten op zijn sterfbed, die gepast hadden bij zijne baar. Het is andermaal Miereveldt, die den voortreffelijke heeft vereeuwigd; hij slaagde in deze afbeelding minder gelukkig dan in die van Maurits, zou ik er bijvoegen, als de schemering, in welke zij hangt, mij het uitbrengen van een oordeel niet verbood. Honthorst leverde hier op zijne beurt ook eene beeldtenis van Willem’s derden zoon; maar van vergelijking dier stukken kan geene sprake zijn, zoolang het eerste, als ik zeide, zelden licht ziet, en het laatste ter zoldering streeft, hooger dan ooit reus reiken kon. Doch waar zouden onze klagten een einde nemen, als wij die, bij iedere ongelukkig geplaatste schilderij, uit de dagen van Frederik Hendrik, lucht wilden geven? De eene hangt tegen den dag, de andere hangt onder de knie; – buig u, wend u, krom u zoo veel ge kunt; de derde valt niet met eenen blik te omvamen, valt niet te genieten, want aan uwe slinke of regte werkaatst zij den dag; – de vierde – maar twijfelt dan iemand er nog aan, dat de zalen van het Trippenhuis, in haren tegenwoordigen toestand, niet geschikt zijn tot eene tentoonstelling onzer oude school? Neen, maar hoe verre is het er nog van, dat overheid en gemeente beide zich den gruwel zouden schamen, de laatste glorie uit onze gulden eeuw geene gelegenheid te gunnen allen toe te stralen, den vreemde te overschijnen! Eerst als dit besef in dat des algemeens verkeert, eerst dan zullen de Frederik Hendrik van Miereveldt en de Frederik Hendrik van Honthorst, tot welke wij terugkeeren, zigtbaar worden; zigtbaar als de overige stukken uit den tijd van dien vorst, zigtbaar als de schilderijen van welke ik u nog de opgave, in welke ik u nog het bewijs, waarom ik hem gelukkig prees, schuldig ben. Het zijn de afbeeldingen der grootste vernuften, op welke Hollands letterkunde in de dagen van Hollands heerschappij roem droeg; het is Cats, door Miereveldt; het is Huygens, door Netscher gepenseeld; het is Hooft, om strijd door Bramer en door de Keyzer veraanschouwelijkt; het is Vondel, wiens hoofd wij aan Jan Lievensz zijn verpligt – Cats, Huygens, Hooft, Vondel, in wier werken de zeventiende eeuw herleeft. Het zijn de burgers, voor welke zij dachten en zongen; de burgers van eenen krachtigen tijd, mannelijk moedig in hunne uitspanningen, en goedrond bij den beker; de burgers, die Spanje in drie werelddeelen hadden overwonnen, ons door Govert Flink, Rembrandt van Rijn en Bartholomeus van der Helst aangebon.

Niet ne toespeling, zegt men welligt, niet ne toespeling herinnert hier stedemaagd, bij stedemaagd, die Frederik Hendrik aan zijne voeten buigen zag, welke hem als overwinnaar binnen hare muren ontvingen; – slechts Piet Hein vertegenwoordigt er de eerste triomfen onzer vloot; haar vader zelfs, Maarten Harpertszoon Tromp, ontbreekt; – wat verleidde u toch te beweren, dat het zegel, door dezen vorst op zijnen tijd gedrukt, hier viel te zien? Als ware louter oorlogsroem het doel zijns levens geweest, neen, als hadde het hem voldaan, de grenzen des vaderlands te veiligen en uit te zetten; als hadde hij slechte naar den stoffelijken voorspoed des volks gestreefd! Stel zijne verdiensten als krijgsman zoo hoog gij wilt, ik ken haar met u gaarne den rnan toe, die zich aan de zijde zijns broeders, aan die van den groot sten veldheer zijns tijds, reeds als jongeling onderscheidde, en in rijperen leeftijd de taak van dezen, het vrijvechten onzer gewesten, roemrijk heeft voltooid; maar huldig tevens – de vier door mij vermelde vernuften vergen het van u – huldig tevens in Frederik Hendrik andere gaven, hoogere deugden, durf ik zeggen, dan aan Maurits ten deele vielen, dan Maurits in beoefening bragt. Beslisse hij, wiens studie van ons verleden dieper gaat dan de mijne, beslisse hij, of Willem’s derde zoon ’s land taal niet slechts zuiver sprak, maar ook de bloesems, ook de vruchten, die onze letterkunde in zijnen tijd aanbond, te waardeeren wist; er is veel, dat ten voordeele van ons gunstig vermoeden pleit, in de bijzonderheid, dat de anders zoo verscheidene talenten, welke hem hier omringen, eenstemmig zijn in den lof zijner heuschheid, dat ieder hunner hem betreurde als eenen vriend. Weifelt gij nog toe te stemmen? leen ons verder het oor. Het zou vergeeflijk geweest zijn, hadde Frederik Hendrik hollandsche: proza, hollandsche poezij maar half verstaan, – vergeeflijk, zeg ik, den vroegen dood zijns vaders, de uitheemsche afkomst zijner moeder, en de aan beide die oorzaken toe te schrijven voltooijing zijner opvoeding in den vreemde, in aanmerking genomen; – al bleek het morgen, dat Willem’s derde zoon dit niet eens deed, zijn tijd, zijn toestand zou het verontschuldigen, hij zelf zoude er niet minder de gevierde beschermer onzer litteratuur om zijn. Immers, het zou er slechts te duidelijker door aan het licht komen, dat hij verstandig genoeg was, om geene uitheemsche der inheemsche voor te trekken; beschaafd genoeg, in den echten zin des woords, om de behoefte zijner landgenooten aan de laatste te begrijpen. Dat de jongere tak der Nassau’s, die den zijnen verving, hadde opgemerkt, welk een voorbeeld hij in dit opzigt. gaf – dat verlicht eigenbelang, dat kennis onzes tijds, het volgen deed! Hoe vurig heeft de ontluikende, de in de dagen zijner jeugd nog onbeschaafde dichtkunst, de gunsten, welke Frederik Hendrik haar bewees, hem bij tijdgenoot en nakomelingschap dank geweten; hoe honderdvoudig heeft hij alles, wat hij voor onze letteren veil had, weder ingeoogst, in hare vermelding van de wijsheid van zijn hoofd, van de goedheid van zijn harte, in haren lofzang op de beschaving van zijnen geest, op de verdraagzaamheid zijns gemoeds! Zie, de oorlogsroem, welke Maurits’ oogappel was, zij te regt elk, die den naam van Oranje draagt, dierbaar; maar de liefde, welke zijn jonger broeder zich verwierf, de liefde des volks, die oorsprong nam uit zijnen zin voor verstandelijke verlichting, gelde het hart der nazaten van den eersten Willem nog meer! Europa’s voorkomen is sedert tot onkenbaar wordens toe verkeerd; onze naburen zijn ons boven het hoofd gewassen; Engeland heerscht op den oceaan, – Frankrijk verwezenlijkte een oogenblik het droombeeld, dat het heel het vasteland tarten kon, – de kolossus van het Noorden is ontwaakt. – en de markgraaf van Brandenburg een der monarchen van ons werelddeel geworden; – van de beide kransen, weleer om dekruinen onzer stadhouders blinkende, is er slechts n meer binnen het bereik van hun nageslacht. Dat het zich trooste: hetis. de zeldzaamste, het is de schoonste tevens. Frederik Hendrik’s tijd was onze gulden eeuw van kennis en kunst, – ge zult niet ongeduldig worden, hoop ik, zoo wij bij iedere der beeldtenissen, die beide vertegenwoordigen, een oogenblik stilstaan.

De Cats van het museum, de Cats van Miereveldt, is niet de eerwaardige grijsaard, ons door Ravestein veraanschouwelijkt, niet de twee en tachtigjarige, dien ge voor Feith’s uitgave zijner werken ziet; – ik wenschte, dat hij het ware! „Vader Cats,” zegt het volk; „vader Cats,” zong zelfs Bilderdijk, die het anders zelden met het volk eens was; „vader Cats,” zeide menigeen, het hoofd schuddende bij vroegere opstellen in de „Gids” welke niet van onvoorwaardelijke sympathie met dezen volkszanger van het voorgeslacht getuigden; – vader Cats, vadere men zoo veel men wil, waarom zouden wij aarzelen, bij deze gelegenheid andermaal voor ons gevoelen uit te komen, dat we, spijt onzen eerbied voor zijne verdiensten, Vondel boven allen, en Hooft schier dezen gelijk, en na beide, zelfs Huygens op de ontwikkeling vau wat er voortreffelijks in onzen volksaard schuilt grootere aanspraak toekennen, dan het hoofd der Dordtsche school? Vader Cats... inderdaad, wij hebben behoefte aan de sneeuwwitte lokken; aan de kruin, door het fluweelen kalotje voor wind en weder gedekt; aan de hooge jaren en den ernst, dien zij medebrengen, om geduldig het oor te leenen aan den lof voor wijsheid, hem zoo kwistig toegezwaaid. Bij den man van middelbaren leeftijd, ons door Miereveldt hier veraanschouwelijkt, bij dit bloeijende, blozende gelaat, grijpen wij moed tot de vraag: „welk deel hij genomen heeft aan de bewegingen zijns tijds, woelig als die was, welke rigting hij voor den geest zijns volks de wenschelijkste achtte?” Op de eerste blijven zijne vurigste bewonderaars evenzeer het antwoord schuldig, als de schilderij voor ons; op de tweede vinden wij het in zijne werken, in de voornaamste van deze, in Huwelijk en Trouwring, zoo ge wilt. Intusschen, hoe waar wordt zijne afbeelding door Miereveldt, als gij haar met ’s mans leven vergelijkt: alle sterk sprekende individualiteit ontbreekt in beide. Zoo gij niet wist, dat de eerste Jakob Cats voorstelde, zij zou u nooit om den wille des geschilderden hebben geboeid – zoo het laatste aan zijne werken niet voorafging, dat van den Raadpensionaris zou luttel belang inboezemen. Eer ge mij van onbillijkheid beschuldigt, bid ik u, de karakteristieke gelaatstrekken van Huygens, van Hooft, van Vondel, beurtelings met die dezer schilderij te vergelijken; ook zonder een Lavater te zijn, merkt men het onderscheid der physiognomin op. Eer ge heiligschennis roept, verzoek ik u den uitslag der gezantschappen van den Heere van Zorgvliet over te stellen tegen die der zendingen van den Heere van Zuylichem. Of acht ge deze te zeer verscheiden, welnu, doe het dan den stijl, waarin de eene als de andere ons in hoogen ouderdom er vertrouwelijk verslag van gaven. Hooft bragt als Drossaard dezelfde verdraagzaamheid in beoefening, die hem als dichter, als denker onderscheidde; wanneer gevoelde Cats eene liefde voor vrijheid, als op iedere bladzijde der Nederlandtsche Historin blaakt? En denk u Vondel eens, in de plaats van den Raadpensionaris, in het kabinet van Willem II, toen deze den laatste kennis gaf van den aanslag op Amsterdam. Zou de dichter van Palamedes zich vergenoegd hebben met des vorsten afscheping: „Schrijf, secretaris!” Waartoe heeft Feith toch van Cats getuigd, dat hij ons, ook als staatsman, „altijd onzen eerbied ontweldigt,” terwijl hij zich verpligt gevoelt er op te laten volgen: „dat deze nergens schittert,” en dit dan weder goedmaakt met: „maar ook overal vinden wij hem grooter, dan hij schijnt te zijn; mogelijk is dit laatste het zekerste kenmerk van ware verdiensten?” Waartoe heeft de Vries in den overvloed der gedichten van Cats naar een schaars te vinden bewijs gedoken, dat hij belang stelde in ’s lands roem ter zee, terwijl datzelfde vers ieder, die het leest, koel laat, middelmatig, redeneerziek als het uitviel? Waarlijk, wij, die den werzin niet verheelen, welke ons de figuur inboezemt, die hij tegenover de krachtige bewindslieden zijns tijds maakte, wij doen zijner nagedachtenis geen onregt, als zij, die hem verdiensten opdringen, welke hij niet bezat. Indien Cats van ganscher harte man van zaken, man des bedrijvigen levens, man onzer glorierijke zeventiende eeuw was geweest, met de dichterlijke gaven, hem bedeeld, had hij niet enkel de pligten en regten dea huwelijks gezongen, ware niet louter de minne scheering en inslag zijner schriften geweest. Een blik op de schilderij voor ons, en gij verbaast er u niet langer over, dat zijne liefde meer van drift dan van togt had, zoo ge met ons het laatste woord de uitdrukking acht, welke voor iets hoogers dan instinct past; – dat hem iets grof zinnelijks aankleefde, ’t geen ons minder ergert, wanneer Huygens het in de volkstaal lucht geeft, wanneer het Hooft in zijne liedjes dartel doet worden, wanneer Vondel er in enkele bruiloftszangen tot wulpschheid door wordt verleid, dan als Cats het ontleedt en verklaart en toelicht, de natuurlijke historie van ik weet niet wat al! Onze oude kluchtspelen worden walgelijk gescholden door de kieskeurigheid dezes tijds; maar het ontsluijeren van iedere geheimnis schijnt in Cats niemand te stuiten, dewijl hij daardoor slechts „waarschuwen wou,” Houde men ons de vraag ten goede, welke soort van nieuwsgierigheid er gescholen hebbe in de gretige lezing zijner werken gedurende de laatste helft der zeventiende, gedurende de eerste der achttiende eeuw? Het zijn bedenkingen, gedachten, vragen, die ons van het hart moesten, als zoovele indrukken van Miereveldt’s beeldtenis, vergeleken met vele verhalen uit den Trouwring, afgewisseld als deze worden door dissertatin, die ons wel eene verleid hebben tot den wensch: „Ach, hadde Cats maar liever eene tweede vrouw genomen!” En nu de keerzijde van den penning, den goeden invloed door hem uitgeoefend, de schare van lezeressen, die hem gegronde aanspraak geeft, met de drie overige vernuften den gulden tijd van Frederik Hendrik te vertegenwoordigen. Trots het vervelende zijner verificatie, onvergeeflilijk als die was, daar Hooft’s gedichten vr de zijne het licht zagen; trots het leuningstoelige eener dichtsoort, die doorgaans vertelde, allerbegrijpelijkst, het is waar, maar ook a b c’swijze, zonder verwikkeling van knoop, zonder vragen, of de lange redenen in den mond der sprekers pasten; – trots al het achterlijke van de theorin der Dordtsche dichtschool, in n woord, tegenover die der Amsterdamsche, maakte Cats opgang, voorbeeldeloozen opgang, opgang, door dien van Vondel zelfs niet gevenaard; – het waarborgt. verdiensten, welke al die gebreken overtroffen. Mogt het mij gelukken deze regt te doen in de omtrekken van een genreschilderijtje, dat begaafder hand dan de mijne op het doek overbrenge! Gedurende de laatste jaren van het bestand met Spanje, bood eene landhoeve bij Grijpskerke in Zeeland dikwerf eene schoone groep aan: een jeugdig echtpaar en hun spelend kroost. Laat de kleinen, jongens en meisjes, vier, vijf in getal, laat ze rondspringen naar het hun lust, ik wensch uwe aandacht te vestigen op de oogen der moeder, die over hen gaan, terwijl zij het oor leent aan haren gade; ik wensch u vooral hm te doen zien. Eene veder ter hand, een blad papiers voor hem, leest hij met welluidende stem verzen voor, verzen, even zoetvloeijende als de beek, maar neen, die faalt ongelukkigerwijze aan het landschap, even zachtkens ruischende als het hooge geboomte, in welks lommer de dichter zit. Immers, hij is het, al ademt zijn werk de kalmte van het oord, al hebben de toestanden, welke hij schildert, zoomin iets hartstogtelijke, als de natuur, welke het paar omringt, iets verhevens heeft. Het eigenaardig karakter des geheels, van de groep als van het gedicht, is huiselijk, is hollandsch te zijn. Behoef ik u nog te zeggen dat Cats zijner vrouw het houwelyck ofte gantsch beleid des echten staets hooren doet? Hoe karakteristiek is dat toevoegsel, dat gantsch beleid, in den mond van dien man! Tweemalen is hij verliefd geweest, vr hij der vrouwe, die naar hem luistert, hart en hand bood; tweemalen op het punt te huwen, en echter deed hij het niet dan met haar. Laat mij het u als episode mogen vertellen, op de schilderij zoudt ge er niets van zien. Wat zijnen eersten liefdehandel deed afbreken – het woord past voor den tweeden, of het er voor gesmeed ware – verhaalt hij u als ge het hem vraagt. Hij kreeg in den Haag, waar het meisje woonde, de koorts; men ried hem, om haar kwijt te raken, de koorts namelijk, verandering van lucht, een uitstapje naar Engeland aan. Hij verliet den Haag en zijn liefje. Waarom hij het laatste niet weder opzocht, toen hij naar Holland terugkeerde, vertelt hij u niet – daar hij dan fluks van zijnen tweeden liefdehandel ophaalt. Het geviel, dat hij te Middelburg in de Fransche kerk minder naar de predikatie luisterde, dan naar een mooi meisje keek is het u nooit zoo gegaan? – mij weleens, al ging ik, te huis gekomen, zoo verre niet als Cats, om fluks een’ hupschen minnebrief te schrijven. Het spijt mij in n opzigt nu, dat ik het niet deed; immers, de tijd is thans voorbij, om de proef te nemen, of ik even gelukkig zou zijn geweest als hij was. De jonkvrouw gaf der eerste bede dadelijk gehoor; op het bescheiden uur kwam zij des avonds voor de deur, zoo als hij haar verzocht had. „Het was of hem de hemel opging,” zegt hij. Zij bloosde, ze zag hem aan; ik wil niet ondeugend genoeg zijn, eenige stippen te laten volgen. Genoeg, hij vroeg haaar; hij zou haar hebben gehuwd, als een gedienstig vriend hem niet had verhaald, dat haar vader om zijne bankbreuk werd veracht. Arm, mooi meisje! Cats nam haar niet – het gantsch beleid, zeiden we. Hij beweert, dat hij voor haar in den dood zou zijn gegaan; maar, praat door, en gij zult hooren, dat hij haar zitten liet. Hier zette ik tittels.... En leenen wij nu met zijne gade het oor aan zijnen zang. Zij heeft geest, zij heeft gevoel, zij leest Plutarchus, zij leest den bijbel het liefst van alle boeken, en zoo er godsvrucht in het harte van Cats is geweest. haar zij de eere! Wie weet, of zij hem het onderwerp niet aan de hand deed? Er is niets, hetgeen onze gissing onwaarschijnlijk maakt, dat zijn vroegere arbeid (de Sinneen Minnebeelden) haar minder geviel, al was het eene eerste poging, partij te trekken, tot van de dwaasheden der jonkheid toe; – dat zij den dichtstukken over den echt de voorkeur geeft boven den Spiegel van den Ouden en Nieuwen Tijd. Uitgebreide geleerdheid en levendige opmerkingsgave, zij weet het, doen historie en natuur Cats om het zeerst ter dienste staan, en zijn hart – ik hoop het – kent zij beter dan wij het achten zouden, uit de beide vrijerijen, – waarvan zij waarschijnlijk niets weet. Doch wij zouden luisteren; maar naar wat? naar de maeght, naar de vrijster, naar de bruyt, naar de vrouwe, naar de moeder? Hij heeft haar, vertrouw ik, het laatste het liefst voorgedragen. Maar sla gij, – want ik laat mijne schets een’ schilder over, – sla gij ieder der stukken op, en ons oordeel zal niet veel verschillen, vlei ik mij. Verscheidenheid, dat groote middel tegen verveling; verscheidenheid – vooral in gelijkenissen en tegenstellingen, – wie is er rijker aan dan Cats, die zondigt door overmaat, doch misschien aan dat gebrek eene afwisseling van gedachten heeft dank te weten, welke is dit boek ten minste het eentoonige zijner manier vergeten doet? Vlugheid van verbeelding, die zich in allerlei toestanden des harten te verplaatsen weet, en door aanschouwelijkheid van voorstelling vergoedt, wat haar in diepte van opmerking ontbreekt, wie zal hem haar ontzeggen, in wien Feith objectiviteit huldigde, dien Bilderdijk het verstand overredende, het hart overmeeeterende, prijst? Vol van zin voor huisselijk heil – tot waarschuwens toe voor struikelblokken, die het storen kunnen, en van welke het welligt wijzer ware geweest te zwijgen; – vol van liefde voor het landleven – al had het een weinig van natuur gaslaan, om daarmede profijt te doen; – vol godsdienstig gevoel – schoon dan ook riekende naar de regtzinnigheid van zijnen tijd, bezat hij alle vereischten, om zijne toehoorderessen te boeijen, daar hij haren toestand volkomen begreep. En nu wenschte ik, dat het mij gegeven ware, niet die Phylissen voor u op te voeren, door zijne Anna’s maar half bekeerd, noch die Sybillen, welke het, trots het talent des schrijvers, niet van zijne Rosettes wonnen, maar u de bruiden te doen aanschouwen, welke in zijn werk menigen wenk vonden, dien zij ter harte namen; maar u vooral de vrouwen te doen zien, zoo als hij ze deels vond en deels vormde: heusch, bloeijend, aanminnig, ingevlogen, huishoudelijk, verzoeningsre, – getrouw, geduldig, godsdienstig bovenal; vrouwen, welker wedergade de wereld buiten Holland niet had. Doch wat wenschte ik? Hangen hier de beeldtenissen niet van haar, die zijne idealen verwezenlijkten? Blikt ons de bitter beproefde Maria van Utrecht, Oldenbarneveldt’s weduwe, niet aan? Bewondert ge met mij de beminnelijke Maria van Reigersbergen niet? Weest gegroet, degelijke echtgenooten, degelijke moeders, die misschien eerder de studies verdient te heeten, naar welke Cats schetste, dan de treurenden door zijnen zang vertroost, doch om wier wille wij niet mogen voorbijzien, hoevele zwakkere zusteren, dan gij, hij heeft opgewekt, aangespoord, overreed, om u, al was het van verre, te gelijken in huwelijksliefde, in moedertrouw! – Vergeef ons de vervoering, lezer. Ligt dat zij, die er ons toe verlokten, zedig als ze waren, de eersten zouden geweest zijn, er het hoofd bij te schudden, dewijl we daardoor den schijn op ons laden, van de verdiensten van Cats nog die ne te willen afdingen, door zijne verzen onze vrouwen te hebben gevormd, daar de voortreffelijkste, eer zijn dichtstuk het licht zag, bet voorbeeld aller deugden gaven. Op ons woord, wij kennen ons van dien toeleg vrij. Alles wat wij tegen Cats inbragten, wijte men der onoordeelkundige ophemeling zijner talenten, welke aan verhevener vernuften te kort doet; vernuften, welker karakter en kunst mannelijker waren dan de zijne, welker leven en lied om strijd getuigden van kracht. Dulde men voor het minst onze meening, dat het volksleven der vaderen van zijne dichters bij uitnemendheid veelzijdiger sympathie eischen mogt, dan Cats aan den dag heeft gelegd – dulde men die, zeggen wij, als we opregt betuigen, dat wij eerbied voor hem koesteren, om het megevoel, dat hij der bedaegde huysmoeder betoont – dien hollandschen winter welks hemel zoo helder is.

Een leerdicht ter zijde te leggen, om over een liedje te spreken, gaat nog aan; maar u uit een klaaghuis te willen overbrengen in eene kroeg, schijnt gewaagder, en echter verzeker ik u, dat gij het u niet beklagen zult, zoo ge u uit de binnenkameren van de eerzame burgerij der steden van Holland laat medetroonen, tot waar de frissche krans in het leger der Staten op de grenzen buiten hangt. Zie, dr wuiven de wingerdranken, door de vingers der knappe herbergsdeerne zamgestrengeld; dr wuiven zij van verre den krijgslieden te gemoet. Een likkebror, dien zij den beker volt, beweert, dat hij hare blanke beentjes heeft bespied, toen zij op de bank wipte, om tot den stang op den hoek des huizes te kunnen reiken. Maar wat schort er aan, dat zijne scherts geen’ bijval vindt, dat het kwinkslaan geen kaatsspel wordt, al drentelen er Friezen om hem henen, die Starter’s liedeboek van buiten kennen; al brengt hij het een’ Hollander toe, die Brero op zijn duimpje heeft? Jong, jolig als deze is, stoot hij stil aan, ziet hij voor zich als de overigen. Eer iemand het er voor houde, dat het aan de dubbelzinnige aardigheid zelve haperde, zegge ik hem, hoe darteler bi, hoe daverender juichen haar pleegt te volgen; – wie heeft ooit van kieskeurige krijgslin gehoord? Zelve onze nuttigheidseeuw levert ze niet. Naar terwijl ik de overbodige opmerking maakte, viel het u in het oog, dat er verslagenheid heerscht in het gansche heir; dat de grombaarden grimmiger zien dan gewoonlijk. Een hunner, mede voor de huismanswoning gezeten, die in herberg is verkeerd, een hunner heeft van Nieuwpoort opgehaald. „Stil, Floor! stil!” voegde hem een spitsbroeder toe; „Prince Mouringh is dood! – „En Breda over, ” zuchtte Floor, dien de jongelingsjaren des veldheers heugen, toen het vrije, vrolijke leven der lansken hem aanlachte, toen hij niet voorzag, dat er een tijd komen kon, waarin hij arm,, en oud, misschien zou moeten bedelen om zijn brood. Er ging sprake van afdanken; – de wapenen der Staten. waren in den laatsten tijd niet gelukkig geweest; de fortuin had den vorst, die in zijne jeugd haar gunsteling scheen, bij het graauwen zijner haren, den rug gekeerd; – er ging sprake van afdanken, de gezeerden het eerst, dacht onze grombaard. En wonden had Floor, wonden in menigte, maar geene enkele in den rug. De oude lansknecht hief den grijzen kop onwillekeurig op, toen zijn hart bij die gedachte joeg, als het plagt te jagen vr vijf en twintig jaar. O, als de wereld een’ anderen Mouringh opleverde; – als zijns gelijke hem aanvoeren mogt, wat maakten dan jaren, wat wonden uit? Trots beide, zou hij met zulk eenen veldheer slechts te moediger wer in het vuur gaan; de dood en hij hadden elkar zoo dikwijls in de oogen gezien, – dat Floor van geen vreezen meer wist. Hola! wat was daar te doen? Een liedjeszanger, om wien men kanne en kroes in den loop liet, om wien men zamendrong, tot hij van zijne ton, over helmen, hoeden en hoofden loopen kon, als het hem lustte; Floor lachte de dwazen uit, Floor legde zijnen beker. Maar, „hoezee! hoezee!” klonk het; „hoezee!” en onze oude rees op, als zij, die rondom hadden gezeten; – die deun moest iets ars gelden dan mooije meisjes, zoo als hij er had gekend en gekust, niet bij het dozijn maar bij duizenden – in Vlaanderen; – die deun moest iets ars gelden dan wijn, zoo als bij had gedronken, niet bij den kroes, maar bij de kruik, uit de kelders der aartshertogen en abten – in Braband. „Hoezee! hoezee!” wat mare bragt die borst toch? Floor trad digter op den zanger toe, en menig vlasbaard week ter zijde; Floor stond midden in den kring, eer hij het wilde of wiet; Floor zag opgeruimde gezigten om hem henen. – „Eens nog, ele baas!” riep een der ruiterhoplieden. En andermaal galmden de forsche klanken uit de forsche keel. Mijn grombaard luisterde. Hoe hij de ooren opstak, – acht mijne vergelijking niet smadelijk, – hoe hij die opstak, als een dogge het doet, bij het noemen van den naam zijns meesters. „Mouringh,” begon het liedje. Floor knikte den borst op de ton toe; Floor riep hoezee als de overigen, zoodra het dezen als den onoverwinnelijke prees. Het was het minst aandoenlijke van de zege, die de zang behalen zou: Floor’s hoofd zinkt op zijne borst; Floor’s ruwe hand strijkt schichtig langs zijn ruig gezigt, daar het liedje den dood van Mouringh meldt, onder het beeld van den leeuw, die ingesluimerd is in den eindeloozen slaap. „Hadde ik voor hem mogen sterven!” mompelt Floor, en mijmert, terwijl de zanger den rouwe des volks zingt; den rouw te land en ter zee; Floor mijmert, tot de borst op de ton hem ontwaken doet door de vraag van mooi Heintge: „Of men daarom dutten zal?” Floor ontwaakt, zeg ik, en tot geestdrift ontvlamt zijn gevoel, eer hij het liedje heeft uitgehoord. „Vivat prince Henrik!” klinkt het uit zijn hart, „al moesten we morgen,weer in ’t vuur!” – „Vivat prince Henrik!” roept het heir als hij, en de liedjeszanger legt de hem toegereikte fluit, en tot kroezen en kannen teruggekeerd, vertelt Floor, hoe Frederik Hendrik zich gekweten heeft van den slag bij Nieuwpoort af; – het was in den zang teregt gezegd, „dat hy allerlei gesnor van buijen over sijne muts had zien gaen,” – „Vivat prince Henrik!” – Ik heb maar eenen indruk van het bekende stukje Scheepspraet geschetst; ik zoude den invloed, dien het uitoefende, in tal van andere toestanden kunnen veraanschouwelijken; doch die enkele volstaat, om u een begrip te geven, hoe het hoofd en het harte van Huygens zijn volk en zijnen vorst liefhadden in den bloei der jeugd; hoe hij beider betrekking begreep, menschenkenner als hij toen reeds heeten mogt. „Een liedje,” zegt men misschien, smadelijk de schouders ophalende; „een liedje, ‘t is ook wat!” Zegt het, al schreven Burns en Branger ook maar liedjes; zegt het, en ziet voorbij, dat wij geene eigenaardiger hollandsche voorstelling der staatshuishouding van ons gemeenebest hebben, dan dit stukje aanbiedt; dat zestig regels zulk eenen zanger voldoende zijn, ter bezieling van zijn volk, door een voorstelling, uit zijn leven gegrepen; door de belofte eener toekomst, het verleden, waaraan hij regt doet, waardig. Helaas, waarom ontbreekt ons, gekweld als wij worden met onbeduidende genrestukjes, waarom ontbreekt ons een Constantijn Huygens in het kabinet van Frederik Hendrik, die zijn pendant vinden mogt in Aldegonde bij Willem I? Er zou meer analogie zijn tusschen beide toestanden, dan gewoonlijk bij tegenhangers het geval is. ik weet niet, aan wie der twee vorsten de vriendschap van zulk een vernuft meer eere, deed; ik weet niet, wie der beide vernuften het, meest, regt had trotsch te zijn op de vriendschap van zulk eenen vorst. En toch jongen die stukken, om geslaagd te mogen heeten, eenen geheel verschillenden indruk te weeg moeten brengen; er wys tusschen de ”elkander opvolgende tijdvakken het onderscheid van uitzaaijen en inoogsten,” dat van het worstelende Holland met het Holland dat overwon! Vergenoegen wij ons, bij gebreke van deze, met het meesterstukje, dat het museum ons in Huygens beeldtenis minder aanbiedt dan vermoeden doet. Al klaagden wij vr twee jaren over de plaatsing – misplaatsing zou Constanter hebben gezegd – al wersprak geen der lofredenaars van het bestaande onze klagt: wat baatte het ons? Het schilderijtje hangt nog tegen den dag! Doch, dank zij het talent van Netscher: dank zij den kijker, dien ge te onzent moogt mebrengen, dien men u elders aanbiedt, er valt genoeg van te zien, om hem eene gelukkige grijsheid toe te kennen, zoo als zijn werken beloofden. Hoe opgeruimd, hoe innemend, hoe schoon zelfs! Werken, zeiden wij, en bedoelden daarmede niet enkel zijne schriften, maar verstaan daaronder langer dan , eene halve eeuw vroed en vroom levens, dat der „deege degelijkheid.” Beklaag er u niet over, dat gij hem, dien ik u straks als den dichter der scheepspraat voorstelde, eerst vijftig jaren later wedersiet; in die alle heeft hij door handel noch wandel de beginsels verloochend, hem door eenen voortreffelijken vader, door eene gemoedelijke moeder ingescherpt; vijftig jaren hollandsch, hervormd, verstandelijk, vrolijk, vrij leven! Er is schier geene ure van te loor gegaan; hij is in schier geene zijner betrekkingen, talrijk als die waren, te kort geschoten; – vraagt ge mij, door welk geheim? – door alles wat hij deed, te doen met al zijne magt; door indachtig te wezen aan des levens doel. Hij zelf zoude de eerste zijn, om zich te beschuldigen, als had hij het nog beter kunnen besteden;. maar de vorsten, die hij diende; maar de vrouwe, die hij betreurt; maar de vrienden, die hem resten; maar de kinderen, die de kroone zijner grijsheid zijn; maar de kunst, die hij blijft liefhebben, lief. tot aan het graf, allen beminden en bewonderden hem, bewonderen en beminnen hem nog. Hoe benijdenswaardig is zulk eene grijsheid! Wie onzer schaamt zich niet, zijn leven vergelijkende met eene jeugd, eenen mannelijken leeftijd, eenen ouderdom, besteed als die van Huygens werden; wie onzer schaamt sich niet, denkende aan de vele drukten, die wij voorgeven, aan, het weinige werk, dat wij verrigten! Of zowit gij den trouwhartige geloof weigeren, als hij: betuigt, dat hij vele zijner verzen geschreven heeft, gemaakt heeft voor het minst, in oogenblikken, die anderen onder hunne verlorene hadden geteld? Wandelende, in zijne, geliefde woonplaats of spelevarende in hare omstreken, was hij, oog en oor voor de wereld om hem henen – slapeloos te bed liggende, of verbeidende ten hove, dacht hij na, dichtte hij – en de maatschappij zijns tijds spiegelt zich af in de honderde. van opmerkingen, in die sneldichten, welker wedergade in veelzijdigheid onze letterkunde niet heeft. Het zijn geestige studin des volkslevens; het zijn epigrammen op, de gebreken van den dag; maar de wijze, waarop hij die verzamelde, maar hij zelf, wint het bij ons van deze in belang, Indien Cats aarde en hemel opmerkzaam gade sloeg, om stoffe te hebben voor bespiegeling, wij verbeelden ons, dat hij het wigtig deed; immers, wij zien zijn merk de wijsheid, waarnaar hij streefde, aan, Huygens daarentegen, Huygens schudde, in het dagelijksche leven niet enkel den hoveling, den geheimschrijver, den man van staat uit; aan Huygens smeekte men zelfs den dichter niet. Hij koutte met daglooner, met handswerkman, met winkelier, met handelaar, met kunstenaar, met geleerde, als ware hij een hunner geweest; hij leerde van ieder van deze, wat zijne menschen-, levens-, wereldbeschouwing eigenaardigs had. Iets slechts bragt hij, bij allen mede, dat niet aan hem stond te huis te laten, de geestigheid, die zijn gesprek kruidde, maar van gezochtheid niet vrij te spreken was; die hem geen hoofdbrekens kostte, maar het zijnen hoorders bijwijlen, maar het zijnen lezers bij menigte deed. Praktisch, als, hij gevormd bleek, in de school van zijnen praktischen vader, smolten stadsbeschrijving en redegisping in het Voorhout onwillekeurig zamen; zong hij, gelukkig gehuwd, niet allen echtelingen de les, maar schonk in het Dagwerck een tafereel van zijn leven aan het hof, van zijn leven te huis, dat van innige harmonie tusschen beide tuigt; Wie verbaast er zich over, dat Huygens in zijne zendingen voor zijne vorsten slagen mogt; die de menschenkennis, welke hij zich verwierf, die de genegenheid, welke hij der eerste toedroeg, uit zijne schriften leerde schatten? Hoe anders was de heer van Zuylichem toegerust, om in den vreemde den prince van Oranje te vertegenwoordigen, dan de heer van Zorgvliet, om in Groot-Brittanje de belangen van ’slands staten voor te staan. In braafheid welligt elkaar opwegende, had de eerste boven den laatsten het onmetelijk overwigt, dat bruikbare bekwaamheid geeft. Vraagt gij ons misschien, waarom wij andermaal vergelijken; vraagt gij ons, waarom wij Huygens tegelijk zoo hoog vereeren en zoo hartelijk liefhebben, wij antwoorden u, dewijl zijn tijd geen volkomener voorbeeld aanbiedt, dat gemoedelijke godsvrucht gepaard kan gaan met talent van allerlei aard. Wij noemden hem praktisch, in tegenoverstelling van Cats; wij zouden het willen aanwijzen in het onderscheid tusschen dichtstukken, welke wij beider buitenleven, beider verblijf op het land in de omstreken van ’s Hage verpligt zijn. Hofwyck legt gij mede aan; Hofwyck geniet ge, als waart gij de gast van zijnen heuschen stichter geweest; op Sorghvliet gaat gij gebukt onder bespiegelingen, die geen einde nemen, die hangen blijven als eene wolk tusschen u en de plaats. Heer van Hofwyck, leest Huygens zich zelven de les, in de aanmerkingen der voorbijvarenden in trekschuit bij trekschuit; op Sorghvliet leert Cats u niet slechts luisteren, op Sorghvliet verschijnt ook prins Frederik Hendrik niet dan om er onderrigt te ontvangen. Wij zouden er stelliger bewijzen van kunnen bijbrengen, door eene vergelijking van het Cluyswerk met het Twee en tachtigjaerig Leven, – woorden der wijsheid tegenover kouten en keuvelen – doch van het eerste gaven wij elders verslag; doch liever scheiden wij ditmaal van Huygens met eene verklaring van hetgeen we onder het woord praktisch verstaan, als wij het op hem toepassen, hemelsbreed als het verschilt van hetgeen onze tijdgeest praktikaal pleegt te heeten. Voorwaar, Huygens was er de man niet naar, om me te slenteren, me te sloffen, hoe treuzelig, hoe traag het gaan mogt. herinner u de Zeestraet, door hem gedacht, ontworpen, aanbevolen, tien, twaalf jaren, eer men er ooren voor had; „onmogelijk geheeten,” zegt hij, „als alles dat onbeproefd is!” – en stel zulk een’ aard nu eens over tegen dien der lieden, welke wij bij voorkeur in allerlei besturen zien plaatsen, lieden, met wie het bewindvoeren zoo gemakkelijk zijn gangetje gaat. Voorwaar, Huygens was er verre van, zijnen gezigteinder in kunsten en wetenschappen te beperken tot de enge grenzen van ons vaderland; iedere zijner reizen vermeerderde den schat zijner kennis, die verspreid werd, die vruchten droeg, ook in vak en waaraan gij hem vreemdeling wanen zoudt, – en zeg mij dan of wij vele secretarissen hebben, die zouden voorslaan, eenen anderen Galilei eene gouden keten te schenken, ten einde hij ons het geheim, de lengte op zee te vinden, mogt mededeelen? Voorwaar, Huygens begreep onder mensch zijn een ideaal van ontwikkeling aller krachten en gaven, dat slechts hem duidelijk wordt, hem naar de verwezenlijking haken doet, wiens gemoed het volgend leven eene voortzetting van dit gelooft te zijn, genadig als God zich aan zondaren in Christus heeft geopenbaard. Och, dat de beeldtenis van den goeden en grooten grijsaard er u en mij bij ieder bezoek meer in bevestigen mogt! We zouden dan niet vergeefs zoo lang voor haar hebben verwijld.

„Een musicerend gezelschap uit het begin der zestiende eeuw” hebt ge tot vervelens toe in schier iederen catalogus onzer tentoonstellingen aangetroffen; ik huiver bij de gedachte, dat het der pen misschien evenmin meer een dankbaar onderwerp oplevert als het penseel. Eene ergernis echter, aan die stukjes verknocht, het onbeduidende der toeluisteraars, dat de ouden van dagen, dat vader en moeder plegen te zijn, eene ergernis zal u op het mijne niet ergeren, daar ik u vertellen mag, wat er in beider gemoed omgaat. Heen en wer dribbelende, als de vrouw des huizes doet, de kamer uit, de kamer in, bepalen zich hare gedachten niet tot het lied, naar hetwelk zij naauwelijks luistert; bepalen zich deze bij de kapoenen, die te vuur staan, gesmoord naar het recipe van Jenny de Wael, met schijfjes van oranjes, en eene pint wijns; – als wij me mogten aanzitten, zouden wij moeder harer zorg dankbaar zijn. Toeziende uit het hoekje van den haard, verblijdt de opgeruimde oude heer zich in den voorspoed van zijn huis, in de vreugde der jonkheid, tot hem een versje van Roemer Visscher invalt, het draaijen van het wiel der fortuin: „Vrede, door voorspoed opgevolgd; rijkdom, van weelde vergezeld; hoovaardij, die twist en haat loslaat; oorlog, die armo brengt; ootmoed, die wat spa komt; vre, die alles wer goed maakt!” En nu ik dus mijnen beiden oudjes iets anders te doen heb gegeven, dan louter oor leenen, merk ik nog een voordeel op, dat de schrijver boven den schilder vooruit heeft; het is mij vergund u te zeggen, wat de jonge lui zingen, iets, dat van Mieris noch Ter Burg goedvinden te doen. Een nieuw liedeboek werd medegebragt door den schalk, die bij bet binnentreden de dochter des huizes in de plooijen van zijnen mantel vangen wou, om haar eenen kus te ontstelen; mooi Machteld was hem te gaauw af: een rukje der hand die hij losliet om hare dunne middel te kunnen omvamen, en de kraag ontgleed zijnen breeden schouders, terwijl hij achter zich een gesmoord lagchen hoorde, waarvan hij maar al te goed de oorzaak begreep. Een nieuw liedeboek, zeg ik, waaruit de schalk aanhoudt, dat zij een’ beurtzang met hem zingen zal; „de wijze kent ge,” beweert; hij, „de woorden zijn....” „Laat zien,” valt mooi Machteld in, en terwijl ze die doorloopt, dwalen de oogen van den kroeskop, van de knoopjes op hare mouw” van haren ronden arm meen ik, naar de kap op zijn amsterdamsch gezet, naar de pracht der blonde haren bedoele ik,. die deze milder prijs geeft, dan iedere andere nijdige muts. Hoe mooi Machteld dubbel schoon wordt, door het blosje, waarme zij het liedeboek weromgeeft! „Aelbrecht,” zegt zij, ~„het ging aan dat te zingen als ik Galath heette,” en de schalk mag haar te liever, om den schroom voor dien dartelen deun, al stemt hij voor alle wederwoord zelf de luit; al zingt hij het eerste lied uit den bundel, dat zeker ook niet zedig is;; dat des ondanks in ademlooze aandacht wordt aangehoord, door de vier of vijf overige jonge lui, die ik u een andermaal teekene: thans schiet mijne pen in vaart te kort, om de bewegingen der groep bij te houden. „Schei uit!” smeeken de meisjes; „vaar voort!” roepen Aelbrecht’s vrienden; „een leelijk liedje,” zeggen de schoonen; „honderd rozenobels. waardig!” juichen de knapen; maar mooi Machteld springt van haren stoel, en legt met haar blank handje Aelbrecht het zwijgen op; – om het voorregt dat te kussen, had Pieter Corneliszoon Hooft zelf den zang aan de heilige Venus gestaakt. Immers, het was geen ander liedeboek dan het zijne, dat nieuwe, waarover het oordeel der geslachten, onder die jeugd, zoo karakteristiek uiteenliep; waartoe moeder glimlagchende het zwijgen deed, toen mooi Machteld hare meening vroeg, dewijl vader Aelbrecht gelijk gaf, wijs bij; de lui, mal om een hoekje. Het was het liedeboek dat der hollandsche zangster eene plaats verzekerde aan de voeten, neen, tergde van de muze van Ausoni. Hooft had Petrarcha ea Guarini beurtelings het oor geleend, meesters als hij die achten mogt; maar Hooft begreep teeves, dat hij hollandsche toestanden schetsen moest, als hij de minnedichter onzes volks worden wilde. Het stukje, dat mij ten overgang strekte, is een lofzang op het alvermogen der minne; het speelt in stad, het speelt in de schemering, en schildert ons een bezoek bij avond, bij nacht misschien, der liefste ter sluik gebragt, – het verdient aan het hoofd des bundels te staan, als een triomf van zijn talent. Gelogenstraft wordt daardoor het vermoeden, als hing de noordsche nacht zoo zwaar over ons vaderland, dat de minne in dezen haren weg niet te vinden wist; beschaamd de vreeze, dat onze harde taal geene heerschappij dulden zou van het weelderig wicht. Verwijt hem voortaan gebrek aan gevoel, die onze natuur, ondichterlijk scheldt, die altijd om Arcadi zucht. Of levert het boeksken niet bewijzen in menigte, dat liefde over ons landschap een licht doet opgaan, waardoor zelfs het heirijke Gooi verkeert in eenen hemel van genot? Zoo iemand, onze begaafde, bevallige, twintigjarige dichter, had al den wellust gesmaakt aan de boorden van de Arno. in het doorzigtig duister van eenen zuidelijken nacht, half te denken, half te droomen; zoo iemand, hij had den gouden glans gewaardeerd, die de vorstinne des dags in haren vuurgloed van stralen over het dubbel azuur van de golf van Napels uit giet. En echter ontsnapt hem geen zucht over het gemis van beide, als hij Roozemondt wekt, als hij Klaare beschaamt, door eenen blik op de openhartige bloemetjes. Het is een hollandsche ochtendstond; de musschen suizelen af en aan; de duiven kirren’ in de lommer van het geboomte; de zwanen duiken in den waterspiegel, tot wiekgeklep opgaat uit eene wolk van schuim; langs het gele zand der duinen strijkt de wind den groenen beemd der dalen in, waar de stier zijnen staart schudt, waar zijne hoorns den grond groeven; oosterling, die naar den harem hijgt; oosterling, die brullende van drift, het blok, dat hem boeit, verbrijzelen wil; er rijst gehinnik, er rijst gebriesch op de lucht, daar de hoeven van den hengst de aarde daveren doen; stroomen doorgezwommen; hekken overgewipt; – Roozemondt, rep u, als ge weten wilt, hoe de wereld tot minnen ontwaakt! – Het is een hollandsche avondstond: van vrijers krielt het om de deur van een lief kind, maar geen lachje lokken ze op hare lippen, schoon de linkers eenen schalken blik op haar slaan; schoon de linkers een praatje maken met de pruilster. Mooi meisje als zij is, heeft zij dan ooren noch oogen voor het windje, dat door de elzentakken suizelt, in wier lommer zij zit; dat de elzentakken strookt of hij ze liefhad; voor het water, dat slaat tegen het walletje aan hare voeten, of kabbelen kussen waar? Lustigjes ruischt het, lustigjes bruischt het; de bloempjes wiegelen heen en weer in de dubbele weelde, van avondwind en avondzon, een landschap, dat geuren wasemt, een landschap, dat drijft in gouden luister. Klaare, luister! leer lagchen, leer lieven, als alles om u heen! – Och, het is den doove gepreekt, in dubbelen zin, want Klaare vaarwel zeggende, om den wille van hen, tot wie wij het woord voeren, eed ik, dat er onder mijne lezers zijn, die het eerste liedje wel wat wulpsch achten, die in het laatste den zedelijken zin voor levensvreugde voorbijzien. Anders oordeelden de tijdgenooten van Hooft, die eerstelingen toejuichende; immers, spijt den schroom, dien de schalke zangster mooi Machteld inboezemde, verwierf het geestige boekske de gunst dm publieks, de gunst onzes volks, dat zich had vrijgevochten van dubbele dwingelandij.’ Het voorgeslacht bezat zin voor alles, wat, waar is, voor natuurdrift, als voor togt des harten, voor begeerte als voor beminnen; – hoe het talent zich ontwikkelen en veredelen kon, toen de studie van geenerlei openbaring der liefde het werd ontzegd! Of hebt gij nooit opgemerkt, dat hij, die de dartele drift gloeijendst schetste, tevens gelukkig slaagt, als hij ons de heilige huwelijkstrouw schildert; hoe de vingeren van Hooft even goed de greepen der lier wisten als de greepen der luit? Lees dan zijne klagt van Amelia van Solms over prinsen Frederik Hendrik’s beleg van den Bosch, waaruit al de teederheid, al de trouw van den echt spreekt, al volgt de dichter de ouden, Ovidius, meen ik inzonderheid, na; al schijnt hare Hoogheid te gelooven aan heidensche goden en godinnen. Laat ons billijk zijn in onze berisping; het karakter der kunst van Hooft was oorspronkelijkheid, al herinnert zij u bijwijlen Grieksche, Romeinsehe en Italiaansche modellen. Twee eeuwen zijn sedert voorbijgegaan, en geen onzer dichters ontschaakt den Olympus zijne onsterfelijken meer; doch begrijpt daarom ieder onzer geleerden, dat het thans zijne taak is, de jeugd door de studie der oude wereld in staat te stellen tot ontwikkeling der nieuwe? – „schoon prinsenoogh!’ begint het dichtstuk, dat Frederik Hendrik’s gemalin sprekende invoert, bekommerd over den uitslag van een beleg, door Delprat en Bosscha op nieuw in het licht gesteld, als een der heldhaftigste feiten den stedenwinnaars; – maar sla zelf het meesterstukje in de mengeldichten op. Gij zult het mij dank weten, het u te hebben herinnerd; ge zult met mij hulde doen aan die bevallige beschrijving der geneugten van den echt, tegenover de stoute schildering der gevaren, aan den krijg verknocht; hulde aan de gevoelvolle uitdrukking van den angst, die haar martelt, bij de gedachte, dat ieder schot des vijands op het hoofd met witte veeren is gemunt. Boven alles zult gij den schoonen trek bewonderen, die het besluit: den wensch van Amelia, haren Hendrik ter zijde te mogen zijn, onafscheidelijk ter zijde als zijn zwaard, zoo glorie meer gelden mag, dan leven en liefde beide, dan vrouwe en dan kind, een zoon, een zoon van vaders naam! Bedriege ik mij, is er niet iets vertrouwelijks, vriendschappelijks, vereerends voor prins en poet beide, in die idealisatie der verbindtenis van den eerste, door het vernuft van den laatste. Of zou Frederik Hendrik zich niet gevleid hebben gevoeld, toen Hooft hem het dichtstuk aanbood; Hooft, die niet enkel de eerste meistreel der Hollandsche minne, die ook de voorstander der Hollandsche vrijheid was? Amsterdam, ons vaderland, hadden er reeds van gewaagd, hoe hij, die omstreeks zijne zonnige twintig, de dichter der liefde was geweest, tien jaren later door den bezielenden geest zijns tijds werd geblaakt; hoe zijne zangster in den Geeraert van Velzen en in den Bato der vrijheidszucht had botgevierd, die erfelijk scheen in zijn geslacht. Amsterdam, ons vaderland, verbeidden toen, na verloop van het tweede tiental jaren, de Nederlandsche Historin van zijne hand. Een andermaal welligt een woord over de verdiensten dier treurspelen, in verband met hunnen tijd; thans vergenoege u, na de vermelding van den afkeer van allen dwang, alle dwingelandij, door haar bij ons volk vernieuwd, eene enkele opmerking. Veelzijdig vernuft als hij was, schijnt Hooft zich in de tragische, als in de erotische pozij slechts ten doel te hebben gesteld, door een paar proeven zijnen landgenooten den weg te wijzen. Even als hij in het herdersdicht door eene vrije navolging van Marino, in het kluchtspel door eene verhollandsching van Plautus had gedaan; schijnt hem van jongsaf de gedachte te hebben aangelagchen, door de rozen der liefde en de lauweren der kunst ook de palmen der historie te mogen vlechten. Hendrik de Groote was maar een voorbereidende oefening op een te onzent schier nog te ontginnen veld; het Huis der Medici slechts eene verpoozing van het onderzoek voor het eerste deel der Nederlandtsche Historin vereischt – het is op het laatste werk dat zijn roem rust; het is aan het laatste werk, dat hij de liefde zijner landgenooten van geslacht tot geslacht heeft dank te wijten; – of had ik den verleden tijd moeten bezigen, en „rustte” en „had dank te wijten” zeggen?

Waarom zouden wij het verhelen, dat het beurtelings staren naar iedere der beide beeldtenissen, waardoor op ons Museum Pieter Corneliszoon Hooft werd veraanschouwelijkt, thans andere gewaarwordingen in ons opwekt, dan het hollandsch hart te voelen plagt, waaneer het zich weleer verlustigde in het gslaan der mannelijk schoone gestalte van onzen minnezanger, der hoffelijke houding van hem, die voor een’ onzer schranderste staatslieden gold! De Keyzer’s penceel is even verdienstelijk gebleven: moge de vaag der eerste jeugd voor Hooft voorbij zijn geweest, toen deze hem schilderde, ge ziet den oogen zijne begaafdheden zoo goed aan, als der handen hare bevalligheid-; een weinig verbeelding, en het is u zelfs als gaat gij met hem ten hove, luttel dagen na den druk van zijnen Hollandschen Groet, toen de burgerij, volgens dat vers, Frederik Hendrik, na den overgang van den Bosch, „een zegeboog bouwde van gebogen harten!” Ook Bramer’s voorstelling is onverflaauwd; Hooft’s baard moge grijs zijn geworden, Hooft’s harte is nog groen. Omstuw hem op den huize te Muiden van de genin en gratin zijns tijds, van Casparus Barlaeus en Constantyn Huygens, van Leonora Hellemans en Tesselschade Roemers, van wie meer tot eene camaraderie behoorde, die de geestigste ter wereld heeten mogt, en ik wed, dat ziin vernuft vonken schiet, dat van al de overigen beschamende. En echter, wij herhalen het, ondanks den triomf van het talent dier beide meesters, blijkbaar in ons aanvullen hunner voorstelling, in de schetsen des verledens, waartoe zij ons verlokten, echter grijpt ons bij die schilderijen dikwijls weemoed aan – daar Hollands grootst genie ook voor Hooft zelfs geenen zweem van eerbied betoonde; – dewijl Bilderdijk’s wrevel ook hem haat toedroeg. Er steekt niets verbazends in, dat beider beschouwingen van onzen opstand tegen Spanje verschilden, als beider beginselen; maar er zijn oogenblikken, waarin men twijfelt aan de toekomst onzes volks, wanneer men den lateren geschiedschrijver aanhang verwerven ziet ten koste van den vroegeren, schoon de eerste – de regtzinnige – uit liefde voor het monarchale, zelfs Alva, zelfs Philips in zijne bescherming neemt, ja, deze bij Hollanders verdedigen durft; terwijl de andere – de wijsgeerige – ons gemeenebest „gewrocht” hield, „door de zienlijke hand Gods,” die „den nooit volpreezen prinse Wilhelm, wijsheit en wakkerheit verschafte, om, als schipper en stuurman tevens, in d’uiterste noodt, zoo wel heilzame orde te geven, als geduuriglyk aan ’t roer te staan.” Verre zij het van ons, te beweren, dat Hooft’s begrippen over het regt ter regering helder waren als die van Bilderdijk: „prisse le monde plutt qu’un principe.” Maar de weifeling van die van Hooft schijnen ons uit zijnen toestand, uit zijnen tijd te verklaren, zoo ze, trots de driedubbele scheldwoorden van hoeksche, staategezinde, aristocraat, niet te vergolijken zijn. Heeren heeft beweerd, „dat de Hollanders republikeinen zijn geworden, dewijl zij geenen meester konden vinden;” zoo ik het woord, dat voldingend wederlegd is, hier herhale, het geeft mij gelegenheid op te merken, dat wie ook lust gevoelde iederen vorst, iederen voogd uit den vreemde ter hand te gaan, „de beste bestevar” Cornelie Pieterszoon Hooft onder deze niet te tellen valt. In de dagen van Leycester liep hij gevaar van gevangenis, gevaar van eenen smadelijken dood te sterven, om zijn voorstaan der vrijheid, om zijne verkleefdheid aan het huis van Nassau. Eene beschimping van het burgermeesterschap, door den wel eerlijken grijsaard sedert waardig bekleed, moge lachwekkend, zijn, logenstraffen doet zij het feit niet. Ongezochter verbeelden wij ons, voert het tot de vraag: welke de begrippen waren, die hij zijnen zoon over de betrekking van Oranje tot ons gemeenebest, onzen staat, ons wat ge wilt, inboezemde! Geen geloof aan regt ter regeren van dezen door Gods gratie; geen’ rang van rigter, aaa de Isralitische theocratie ontleend. Hooren wij hoe Hooft zelf ’er zich in zijne opdragt der Historin aan Willem’s derden zoon over uitlaat: „My,” zegt hij, „my heught noch, hoe ik in ” myne kindsheit, mijnen zaalighen vaader hoorde, zeggen, dat hy de nakomelingen van zijnen Heere, den Prinse hooghloffelyker gedachtenisse, niet aanschouwen kon, zonder dat hem de vernieuwing van ’t geen wijlen zijne vorstelijke Doorluchtigheid voor deze landen gedaen en geleden had, tot weenen beweeghde.” Een woord, vol menschelijk vol redelijk gevoel, de getrouwheid uitdrukkende van eenen Hollander, van eenen Hervormde, aan hem, dien hij geloofs-, dien hij gewetens-, dien hij schier iedere andere vrijheid verschuldigd was. Het laat in het midden, zal men zeggen, wat aan de Staten en wat aan den Stadhouder stond; – het verklaart niet, hoe de zoon zich het kroost des Zwijgers verknocht gevoelde. Voorwaar, de staatkundige verlichting onzer voorvaderen geschiedde door geene wonderwerken, alleronverwachtst, allerovertuigendst tevens. Zoo iets, de strijd van sympathin

in het voor het overige bedaarde brein van onzen historieschrijver tuigt, van het tegendeel. Hooft, zeiden we vroeger, had Itali bezocht, Hooft verwijlde eenigen tijd te Florence; de heusehheid er hem door den huize Medicis betoond, deed hem naderhand de rampzaligheden der verheffinge van dat huis te boek brengen. Het werk biedt eenige merkwaardige plaatsen aan, waarop de evenaar van des schrijvers megevoel wankelen blijft tusschen der vorsten zucht naar gezag en der landzaten liefde voor vrijheid. Onwillekeurig wekken zij bij u het vermoeden, dat hij de heerschappij der eersten slechts duldbaar acht, om het goede, dat deze te weeg brengen kan. Hoe het zij, wrangst wordt zij geboet door hen, die er vurigst naar staan. „Huisselijke bitterheden hebben voor David de weelde van het koningschap gezult; weldig is de fortuin van Augustus over den staat, wrevel voor hem in gezin en nakrooat geweest; – wij leeren het eerste uit de heilige, wij leeren het laatste uit de wereldrijke letteren,” heet het. En duidelijk wordt het u, dat hij de redenen van regering besloten hield in „het verkwikken der middelbare, en het intoomen der uitstekende burgeren, in het verwekken van ieder’ in het gemeen tot liefde voor het wettig bestuur zijns vaderlands.” Voeg bij zulk eene beschouwing aller geschiedenis, den wederstand, door Hooft’s vader en de tijdgenooten van dezen den toenmaligen wettigen heer uit gemoedelijke overtuiging geboden; voeg bij deze de studie der oude letteren, welke met de voorbeelden van vrijheidszin, door de Romeinsche republiek nagelaten; dweepen deed,’ Wat wint men er bij, door met Bilderdijk allen, die voor dezen prikkel niet doof waren, om hunne dwaasheid uit te lagchen; of erger, nog, allen die gezet bleken op het behoud der vrijheid, tot welker verwerving zij zich geregtigd hielden, om hunne denkwijze te lasteren? Wat men er bij wint? buiten de zege van een beginsel, eene lofspraak op Maurits, niet dien van Nieuwpoort, maar die, van zestien honderd achttien, – als had Bilderdijk nooit het torentje des Binnenhofs aangestaard, waaruit deze toezag, hoe het grijze hoofd zich bukte, – en eene verguizing van Jan de Witt, niet enkel bij het Eeuwig Edict, maar ook in zestien honderd twee en zeventig – als ware de schim des vermoorden aan Bilderdijk op het Groene Zoodtjen nimmer verschenen. Stel er eens tegenover wat ge er door verliest: Het geloof aan de eerlijkheid van de helft der groote mannen, op welke ons vaderland trotsch was; het geloof aan den zedelijken zin eener verschijning, als die van ons gemeenebest in Gods wereldbestuur. Holland, het hervormde Holland, dat den overigen staten van Europa eene wijle het voorbeeld geven mag, door zijn streven het genie van het oude met het genie van het nieuwe te doen zamensmelten; – Holland, dat vorstenheerschappij en volksvrijheid verzusteren wil, boezemt belang in, al slaagt het slechts ten deele; – maar Holland, hetzelfde Holland, dat bewonderd werd aan het hoofd der beweging in het godsdienstige als in het staatkundige, dat Holland laakbaar te heeten, als strijdige beginselen in zijnen boezem naar bevrediging streven in eene andere gedaante der dingen; dat Holland te doemen tot stilstand, tot achteruitgang.... God zij gedankt, dat de tweede Willem de Eerste slechts grondwettig koning wilde zijn! „God, d’ allerbeste, d’ allergrootste, geve dien heerlijk gekroonden boome,” schreef Hooft in de meergemelde opdragt aan prince Frederik Hendrik van Oranje, „geeve dien heerlijk gekroonden boome, wiens dorren ons met gewisser angst benaauwen zou, dan ’t versterven van den ruminalen de roomsche gemeente, die ’t voor een voorspook van den val des rijx hield; God geve dien gedurighlijk te groeijen, en met zijne bloeijende telgen, alle onderzaaten tegen de Spaansche hitte en allerlei onweeder te beschaduwen en te beschutten.” Wij schrijven, wij zeggen het hem van harte na. Maar wij wenschen tevens met hem, dat zijne historie, zoowel in onze burgerlijke als in onze vorstelijke jeugd eene vlam van ijver naar glorie stoke, eenen gloed van graatigheidt, om de dappere daden van landsluiden, medeburgeren, bloedverwanten, voorzaten en voorouderen te achterhaalen of verbij te streven, dat zij ons volksvrijheid en vorstengezag verzusteren leere, door wetten, welke beiden grenzen aanwijzende, beiden waarborgen; – dat zij dit doe, in tegenoverstelling dier geschiedenis des vaderlands, op welke zelfs de bladzijde, die den lof van de Ruyter verkonden moest, niet vrijbleef van de vlekken des lasters. Onze vroegere geschiedenis behoort tot een gesloten tijdvak, beweerde men, toen achttien honderd dertien het wenschelijk maakte, dat zeventien honderd vjf en negentig wierd vergeten; doch dezelfde vorst, die het voorbeeld gaf, hoe men de heugenis van de geschillen der achttiende eeuw had uit te wisschen, stelde, door den druk der archieven van zijn huis, ter volkomener studie der zestiende eeuw en hare opvolgster in staat. De eeuw van Willem I, de eeuw van Willem III: waarlijk, als de geest der vaderen uit die dagen ons volk onder de regering van hunnen eersten koninklijken nazaat hadde bezield, deze zou roemrijker voor beide gesloten zijn: hij ware gelukkig ten grave gedaald. Bij de hoogere beginselen, dan die van het monarchale, door beide vorsten geerbiedigd; – bij die beginselen, welke den eerste den moed gaven op te treden voor een verdrukt volk, al was die verdrukker Philips van Oostenrijk, heer van Spanje, heer der beide Indien; bij die beginselen, welke den laatste aan Groot-Brittanje eene staatsregeling deden geven, waaraan het anderhalve eeuw van weergaloozen bloei was verpligt; – bij de teleurstellingen der laatste vijf en twintig jaren te onzent eindelijk, in zoo menig opzigt te wijten aan de onverschilligheid der natie, bij dat alles wenschte ik vorst en volk beide te kunnen bewegen tot megevoel voor alles, dat bij Hooft megevoel wekte: vaderland, vrijheid, vooruitgang.

Open zin voor het leven zijns tijds, voor wat er goeds en groots school in den vorst en het volk zijner dagen, wie werd er in mildere mate me bedeeld, dan het genie, tot welks beeldtenis wij u maar schoorvoetend brengen, ons herinnerende, hoe vr jaren in onzen „Gids” aan Vondel met roskam en rommelpot regt werd gedaan, regt als onze eerste, onze schier eenige hekeldichter eischen mogt. En echter, wat is mijne taak ligt, vergeleken bij die des talents, dat vroegere veeten te verklaren, dat overdrijving te ontschuldigen, dat bitterheid te berispen had, terwijl het veraanschouwelijkte, hoe de slagen en steken der satyre doel troffen door de hand, die ieder harer wapenen zoo wel te hanteren wist! Er werd begaafdheid van velerlei aard vereischt, om den vinnigen Vondel op nieuw te doen bewonderen door eenen tijd, die zich verhief op zijne verdraagzaamheid, liever, die zijner eigene laauwheid lof zong, – als de vertegenwoordiger onzer vaderen, tegenover den vorst, welke de geliefdste der grootste mannen uit zijn huis heeten mag, heeft Vondel iets beminnelijks, dat geene aanbeveling behoeft. Toch wenschte ik, dat u de beeldtenis, toenmaals van hem geschilderd, nog voor den geest stond, die beeldtenis met gerimpeld voorhoofd, met gefronsde wenkbraauwen, van verontwaardiging zwaar – tot er vonken uit die adelaarsoogen schoten, op het oogenblik, dat hij gevoelde zijne prooi te hebben gegrepen en vaneengescheurd; waarna hij haar ter zijde wierp, de dunne lippen maar even door den glimlach der wraak gekruld. Vergelijk haar, zou ik dan zeggen, vergelijk haar met dit aangezigt, door Jan Lievensz gepenseeld, louter goedrondheid, louter goedheid zelfs, met oogen, niet in dweepzieke droomzucht drijvende, neen, opziende in vrolijke verrukking, als had het gerucht hem de mare gemeld der inname van eene dier vele vestingen, welker verovering hij bezong; als zag hij in het verschiet de oranjevaandels hunne banen uitslaan op de bestormde bressen van den Bosch, Wezel of Maastricht. De eerste is Vondel, die de, laatste jaren van Maurits gedenkt; de tweede is Vondel, die de zegepralen van Frederik Hendrik toejuicht; Vondel, een goed hater, een beter vriend, vurig in beide, wederzin en genegenheid, doch die, het zij tot zijne eer opgemerkt, in Mouringh nooit den medegrondlegger des Staats, nooit den held uit het oog verloor, die van Frederik Hendrik nimmer eenigerlei geschenk ontving. Lakende en prijzende uit overtuiging, en uit die alleen, doet de eerbied, voor den overwinnaar van Nieuwpoort aan den dag gelegd, liet verwijt, dezen toegevoegd, in de vraag: „Waarom zijn kling zich in den kerktwist had gemengd?” te zwaarder wegen; – wordt de hulde, aan den stedeveroverenden Vrederijck gebragt, te waardiger offer, door het onafhankelijke standpunt, waarop de dichter tegenover dien vorst stond. Onafhankelijk standpunt, zegt men misschien prins Frederik Hendrik had zich in zijn kabinet door den heer van der Mijle Palamedes doen voorlezen, , had er met welgevallen naar geluisterd: ziedaar, wat Vondel’s harte won; prins Frederik Hendrik heette der onderliggende partij niet ongenegen; ziedaar, wat Vondel wist.” Voor het eerste zijn hart nog winnen kon, ja, eer dat treurspel zelfs het licht zag, gaf Vondel blijk, dat zijn weten, wat die vorst voor het vaderland worden zou, verder ging; – of hebt gij nooit gelezen, hoe hij hem begroette, bij de aanvaarding van het stadhouderschap? hebt gij nooit zijn Princeliedt ingezien? O dat wij minder in den vader onzer poziz, ik wil niet zeggen de onbaatzuchtigheid, want wie beweerde ooit, dat iets zoo laags als baatzucht in een genie zoo groot als dat van Vondel, viel? – maar minder de onafhankelijkheid van geest voorbijzagen, waardoor de hollandscbe dichtkunst zich in, niemand edelaardiger vertoonde, dan in hem, en tegelijk in niemand vermogender was, zelfverloochenende en heerschappij voerende tevens. „Prince Frederik Hendrik,” zegt Vondel’s levensbeschrijver, „prince Frederik Hendrik, anders zoo mild jegens poten, wanneer ze zijne overwinningen met hunne dichten vereerden, bewees hem nooit eenige gunst – om zelf ongunst te mijden; – wel wetende, hoe kwalijk de man bij predikanten ep contra-remonstranten aangeschreven stond.” Zeldzaam, zonderling blijk’ zelfs, hoe men boeten kan voor zijnen , invloed, bij de burgerij; – duidde Vondel misschien die veronachtzaming, of wilt ge, die tot onregtvaardig wordens toe vergedrevene voorzigtigheid, den vorst euvel? Laat zegezangen en lierdichten u antwoord geven, luide de Geboorteklock van Willem van Nassau, zoone van Frederik en Amelia, andermaal! Welligt is geen wicht ter wereld ooit dichterlijker welkom geheeten, dan die eersteling der huwelijkskoets van zijn geliefd vorstenpaar. Vondel huldigt in dat lofdicht; even als Hooft het in zijne klagte deed, den smaak zijns tijds, door den Grieken hunne godin der liefde te ontleenen; maar ale gij, kunstregter onzer dagen, voor een oogenblik vergeten kunt, dat het stuk in den Hage speelt, dan nemen de minnegoodjes ook u gevangen, de minnegoodjes, 4die Amelia nog v.riger blaken, nog vuriger naar de verbeide wederkomst van haren gemaal verlangen doen. Vreemd, het is waar, vreemd klinkt het kouten van een cupidootje, vooral wanneer het der princes op haar leger in nen adem verhaalt, en hoe Frederik belaagd en belonkt wordt door zeegodessen, wanneer zijne kiel de schuimende golven klieft, en hoe hij voor Brussel de oorlogsfakkel steekt in Isabelle’s prielen;. eene stuitende mengeling van de denkbeeldige en wereldlijke wereld; maar des ondanks, welk eene aanschouwelijkheid van schildering in den droom, in de beschrijving van het borduursel van Amelia; welk een overvloed van schoonheden! Wij vermelden alleen, dat Vondel genoeg vleijer was, om de liefelijke lente van dat jaar aan de vergevorderde zwangersehap der prinses toe te schrijven;. dat op de geboorte van het wicht en veldtooneeltje volgt, ’t geen den toekomstigen’ dichter der Leeuwendalers verkondt. Het is bruiloft in de weide; het is boter tot den bom; de koe is klaverkiesch, vol visch zijn de fuiken; de leeuwerik kwinkeliert; de vijverberg, vol tiers,’ wergalmt van: „Leve de jonge Welhem!” Doch genoeg, doch te over voor onze grenzen, om u op te wekken, zelf nog eenmaal die pozij te genieten; zelf te zien, op welke wijze Vondel deel nam in eene geboorte, die vorst en volk om het zeerst verblijdde. Zijne krijgsklaroen schettert vast voor Grol; hij zingt den Boschdwinger en Wezelwinnaar alreede zijnen zegezang! „Oordeel heusch van hem,” voert Voudel in den aanhef van het eerste, van zich zelven sprekende, Frederik Hendrik toe; „oordeel heusch van hem, die geen leidstar kent als ’t licht, dat op uw helmtop blinkt!” Waartoe die beden? vragen wij onwillekeurig; – of moest de schim van Mouringh aan zijnen broeder den dichter niet benijden, die zoo de eerste verovering van dezen vereeuwigde? Welk een blik vergunnen beide dichtstukken in het gemoed van Vondel, in dat van zoo velen, als hij uit den volke vertegenwoordigde!

Terwijl het eerste de waarheid verkondigt, dat onze vrijheid gelegd is in het kostelijke cement van dierbaar burgerbloed; terwijl het eindigt met het beweren,: dat de hemel: den groei der mindere vorsten besloten heeft, tot tuchtiging. der groote, verklaart het besluit van het tweede zijne en hunne wenschen nader:, „Dale,” zingt de dichter, „dale de vrijheid, als de zonneschijn, op allen neder; niemands gewisse worde gekrenkt; God, God alleen, zij regter des gemoeds, en ieder vrije ingezeten, ieder burger zal voor Hollands heerschappij ontvonken in liefde; het zal door u, Frederik Hendrik, de wijk aller vromen, het voorbeeld des ganscben Christenrijks zijn!” Stouter moge zijne kunst steigeren, met iedere nieuwe verovering des veldheers; grootscher de greep des meesters zijn, als hij de overgave van Maastricht verkondt, in de vervulde voorspelling, hoe Oranje de strenge zeissen slaan zal in Parma’s rijpen oogst; hooger, heiliger lichtkrans omschittert het hoofd der hollandsche zangster niet, dan wanneer zij in de straks. aangehaalde regelen naar de verwezenlijking van het ideaal streeft, dat de voortreffelijkste onzer vaderen aanlachte: „De grondvesting, de voltooijing van eenen vrijen staat, door een vroed en vroom volk.” Dichterlijke dweeperij, voert men ons misschien te moet, doch vergeet, dat het de eeuw was der groote gedachten, dat we van den tijd, dat we schier van het jaar spreken, waarin Hollanders hunne schatten veil hadden, om den held van Leipzig in staat te stellen, zijnen strijd voort te zetten: Gustaf Adolf, die het werk van Grotius in zijne tente las. – Vondel’s Lijkoffer van Maagdenburg getuigt van zijne sympathie voor den eerste, en wie is waardiger, al zwierf hij balling ’s lands in den vreemde om, wie is waardiger, ons van Vondel’s verhouding tot Oranje, in de dagen van Frederik Hendrik, tot Vondel’s veraanschouwelijking onzer burgerij over te brengen, dan Huig de Groot? Dezelfde veder, die ’s mans vijanden vinnig doorstreek, vereeuwigde zijne verlossing uit den kerker; dezelfde hand, die hun geene ruste gunde, heette hem hartelijk welkom, toen hij, de uitdrukking is welsprekend van waarheid, toen hij het land, dat zijne strenge stiefmor was, den kus des vredes, den kus der verzoening, brengen kwam. Wij willen niet vermetel herhalen, hoe Vondel de schim van Oldenbarneveldt heeft verheerlijkt, noch andermaal de tegenstelling doen bewonderen, waarmede hij in twee trekken Cornelis Pieterszoon Hooft schildert: een hooft vol kreuken, een geweten zonder rimpel; – wij willen hen, die voortdurend vermaak scheppen in het beschuldigen en het belasteren dier burgervaders, slechts afvragen, of zij ons de wedergade weten op te noemen van een tijdvak als dit waarin volgens hun gevoelen, de grootste talenten vreemdst en verst zouden zijn geweest – van goede trouw? Als wij Cats uitzonderen, hadden wij schier alle talenten mogen zeggen: Huygens, de vriend der vorsten, geeft nergens blijk, dat hij de beginselen van de voorstanders der vrijheid verdacht; Hooft – doch laat mij terugkeeren tot de burgerij, zoo als Vondel haar beschreef. Overheid en gemeente, hoe herleeft zij voor ons in zijne lofen lierdichten! – weezen verzorgende, wetende, dat niemand den vader der weezen derft, die weezen in hunne verlatenheid troost; – wapenen zamtastende ter handhaving van ons gezag op zee, die de vrijheid veiligde, toen de vaste grond haar ontzonk; – de erfvijanden van den uitheemschen dwingeland de erfvrienden van den inheemschen vorstenstam verklarende, als zij de keizerlijke kroon den achterkleinzoon biedt; – den krans der kunst haren dichter reikende, wanneer hij een treurspel ten tooneele doet voeren, dat twee eeuwen lang de wisselzucht van den volkssmaak tarten zal; – maar u zou de adem falen, eer mijn volzin einde nemen mogt. Het zijn vlugtige trekken der veelzijdigste ontwikkeling, ooit door een volk aan den dag gelegd; het weldadig, het strijdhaftig, het feestvierend, het kunstlievend Amsterdam, waarbij ik nog, ware het niet honderd malen gedaan, het handeldrijvend zou kunnen voegen, het schilderachtigst welligt van al. En echter, liever dan het te beproeven, weer ik de beschuldiging van Vondel af als hadde hij zich, uit bekrompene voorliefde, louter tot de beschrijving van het leven der hoofdstad bepaald. Schoon hare burgerij het meest zijne aandacht trok; schoon Amsterdam het middelpunt heeten mogt van het hollandsche volksleven zijns tijds, geen gevierde in kennis of kunst, geen geleerde, geen genie, geenerlei grootheid zijner dagen, welke hem koel laat; – al falen hunne beeldtenissen hier in stomme pozij, zijne sprekende heeft hen veraanschouwelijkt. Houd mij de uitvoerigheid der vergelijking ten goede, die mijne meening verduidelijken zal. Er is een hollandsch dichter, wiens verzen hunne eigenaardige beeldtenis vinden in de spiegelgladde oppervlakte van eene onzer vaarten, effen in bijna alle wind en wer, door geenen voorjaarszucht tot darteler golfslag gespoord, door geenen najaarsstorm in brandend schuim op den oever gejaagd; een water in n woord, dat schier geene andere beweging kent dan die der groeve, door de trekschuit bij het hen en wer varen voor een oogenblik gegraven; dan de blinkende bellen, die hare roerpen rijzen doet; dan de kringen, welke de lijn van ’t jagertje vormt. Het is de pozij van Cats, welke, – gelde het onderwerp wat het wil, uitheemsche of inheemsche historie, een’ keizer of een’ koning, een heidinnetje of eene herderin, – geenen anderen indruk op u maakt, dan dien, welken gij in den naauwelijks schommelenden schuurstoel ontvangt; eene volslagen vreemdheid aan alle verheffing; eene kalmte als die de vloeistof, welke u draagt, dr aan den dag legt. Het is eene pozij, welker aanschouwelijkste schilderingen we ons verbeelden, dat we onder het voorbijvaren bespin, in geboomte, welks lommer een oogenblik ter zijde week, in gebouwen, welker vensters wij zagen openstaan. – Ook hebben wij te zamen eenen anderen zanger gadegeslagen, die ons wel op weinig woeliger vlak verplaatst, maar de grenzen van den omtrek des vijvers vergeten doet, wanneer hij bijwijlen de wieken klept als de zwanen, welke wij er zoo statig, zoo sierlijk op drijven zien, als hij er voor ons eene halve wereld in werkaatsen doet, niet enkel aan deze zijde een hofgesticht, en aan gene zijde eene lindenlaan, maar ook hen, die in het eerste bewind voeren; maar ook hen, die in de laatste spelevaren, ten arbeid spoeden en slooven, maar ons den ganschen Haag, maar half Holland in zijne krachtige, kernige korte zinnen wergeeft; Huygens, wiens standbeeld op het eilandje in den vijver staan moest. Of als gij duldt, dat ik de vergelijking verder voortzette, is er tusschen dat vocht en zijne verzen niet de overeenstemming, dat beide zich soms in te engen band voelen gekneld, als de herfstadem over het eerste giert, als de hartstogt zich in de laatste lucht geeft? – Een onderscheid echter voegt het ons evenmin voorbij te zien, het verschil in diepte tusschen die twee; doch wie heeft ooit een beeld geeischt, dat meer dan voor een derde toepasselijk was? En daarom aarzelen wij niet, u voortgaande eene hollandsche pozij te herinneren, beurtelings zachtkens en zoetkens ruischende als eene beek langs bloemrijken boord, beurtelings eenen stouten golfslag slaande, als de Zuiderzee op de zoomen der kust, waar een vervallen torentje het voor ons in aandoenlijk belang van weidscher tinnen wint; – eene beek, al de schalkheid verklappende, van welke zij getuige was, toen de zonnestralen door de bosschaadje drongen, die zich luisterende naar haar gemurmel boog – de binnenzee, al de kracht verkondende, waarvan zij bewustzijn heeft, hoe luttel voor de woeling harer wateren de muur bezwijkt, door haar sedert eeuwen gebeukt. Gij herkent de zangster van Hooft, aan hare dubbele gelijkenis, spiegel van allen lust, geesel van allen dwang; verzen, die ruischen als golfjes, door den adem van het westen gestreeld; verzen, die bulderen als baren, door den schrik van het noorden gezweept; een’ stoet van nimfen, die spelemeit; een verdrukt volk, dat zijne boeijen breekt; doch waartoe meer tegenstellingen, die u van zelve in het oog vallen, overvloed van deze als het weelderig minneliedje en het majestueuze treurspel opleveren? Eene laatste vergelijking toeft ons voor eene veelzijdiger pozij, dan eene der drie vermelde heeten mogt, voor de pozij van Vondel, vaart, vijver, beek en binnenzee overtreffende, – al huwde ook zij op hare beurt zoowel het kalme aan het keurige, als het schalke aan het stoute, – een woud, een wereldstroom! Oneindig verschillende, als het geklank zijner golven, van de plek, waar hij oorsprong neemt, in droppels den bergwand afgesijpeld, tot de plaats, waar hij het dal van zijne donders daveren doet, in waterval bij waterval nerstortende, zijn ook de melodijen van Vondel’s muzijk. Hoe die stroom wegrukt, en mesleept en voortwielt, wat hem werstaat; – hoe hij zich schijnt te verlustigen in het afspiegelen van wat hem aanlacht! Zie, daar kronkelt hij de vlakte in; daar wordt hij de grens van gewesten; daar splitst hij rijken, zong Borger te regt; landschappen zonder tal drenkende uit zijnen overvloed; hoofdsteden de schatting brengende der staten, waarover zij gebin. En echter, geen schoon der natuur, gene pracht der kunst vermag hem te boeijen, die voortbruist over verbreede bedding; voortbruist, beken en vloeden in zich opnemende; voortbruist door de loofzaal der eiken, als langs het koningshof, door geen van beide geboeid, even of er weelde school in de vaart, als gold het de verovering eens nieuwen gebieds. Het wordt zijn heel; andere schatten voert hij mede; andere voorwerpen spiegelt hij af; andere hindernissen wijken – het landvolk aan zijne zoomen, de schepen op zijn glinsterend vlak; de burgerij der steden, welker torenspitsen opdoemen in het verschiet; alles juicht hem toe, alles dankt hem, die de scheidspalen slecht, die de volken vereent; – verder stroomt hij, verder ten onmetelijken oceaan, bij wiens grootheid hem duizelt, in wien hij zich verliest, – als de muze van Vondel het deed, toen zij in den Lucifer het Driemaal Heilig gezongen had. Immers, waar zou ik eindigen, indien ik mij verpligt achtte, ieder vroeger punt van vergelijking als met den vinger aan te wijzen, in elke van de sympathin des dichters, in de eindelooze afwisseling der onderwerpen, door hem bezongen, in de wereld zijns tijds, door zijn werk omvat? Wereld, herhalen wij, want gelijk het vasteland den woudstroom onvoldaan laat, verlangde ook Vondel, in eenen anderen zin dan den straks aangegevenen, naar zee, volgde zijn adelaarsblik iedere verschijning op deze, bragt zijn adelaarsgreep ook van daar allerlei buit me. Willem Schouten aan America’s zuidelijken uithoek, den naam zijner vaderstad vereeuwigende; – Piet Hein, met de voor Spanje bestemde schatting der nieuwe wereld onze havens inzeilend; – Lourens Reael, op reize naar Oostindin onder de keerkringszon zijn kusjens dichtende – gij zoekt hen aan deze wanden vergeefs; luister naar Vondel, als ge wenscht naar hunnen lof; luister naar zijn voorspel van dien van Maarten Harpertszoon Tromp, wiens roem het volgende tijdvak vervullen zou, ware de Ruyter niet reeds geboren, niet reeds aan boord. Of als gij eindelijk, die woelige buitenwereld moede, met den dichter een’ blik in onze binnenhuizen wilt slaan, en niet tot schreijens toe wilt worden bewogen door zijn Konstantijntje, en geen italiaansch penseel waardeeren wilt in zijn meesterlijk Kersliet, verkwik u dan – ik weet niet waarom ik aarzelen zou, de hulde aan den open’ zin van Vondel, met den lof zijner bruiloftsdichten te voltooijen – verkwik u aan zijne zangen der liefde, vol gloeds, het is waar, mits ge vol gezonden gloeds zegt; weelderig, ik geef het u toe, maar zoo als weldige naturen het zijn in den bloei harer kracht! Lofliederen van den echt, in n woord, zoo als een volk er gaarne zingen hoorde, er zingen mogt, dat zich voor het zinnelijke van den band niet schaamde, dewijl het voor al het zedelijke van dien eerbied had. Vondel was ook de dichter van d’Opregtste Vrouw.

Vergeef mij, zoo ik uw geduld op te zware proef heb gesteld, door mijne schetsen der vier vernuften, welke Frederik Hendrik in ons museum omringen; – vinde ik mijne verontschuldiging in het doel, waarmede ik het wagen durfde. Er wordt maar weinig zin voor het schoone in de schilderkunst vereischt, om in Govert Flink’s Doelenstuk een groot talent te genieten, om de zoogenaamde Nachtwacht van Rembrandt van Rhijn te roemen, als nimmer gevenaard, om den Schuttersmaaltijd van Bartholomeus van der Helst, ondanks de schennis, aan het meesterstuk gepleegd, het hoogste der drie te bewonderen. En echter, hoe het genot dier gave in geringe mate, als ze ook mij ten deele viel, hoe het verdriedubbeld werd, telkenmale als de tijd, waarin die groepen uit het leven werden gegrepen, als de toestanden, waarin de meesters iederen dier mannen hadden aangetroffen, als het huisselijk en het openbaar verkeer onzer vaderen, als hunne gedachten en gevoelens in n woord, mij levendiger voor den geest stonden; als ik – val mijner vermetelheid niet hard – in de werken hunner schrijvers eene wijle met hen had geleefd. Het was mij bij ieder bezoek, of wij vertrouwelijker bekenden waren geworden; het was me, – maar beproef het op uwe beurt, bid ik u, onder den indruk van Huygens, van Hooft, van Vondel bovenal. De historische beteekenis dier voorstellingen eener heldhaftige burgerij, in hare wapenpraal; in haren uittogt, om te schieten naar den vogel; in hare tentoonspreiding eener voor den eenvoud des volks voorbeeldelooze tafelweelde, zal u duidelijker worden, dan uit de vermelding in den catalogus, uit zijne waarschijnlijkheden en zijne gissingen. Gij zult gevoelen, zoo als zij het deed, welk een werk voltooid was in de vrijverklaring onzer gewesten, van wege geheel Europa, door den vrede van Munster; gij zult in haar de vereeniging van alles wat groot en goed was veraanschouwelijkt zien. En hare deugden daargelaten, „de wereld zie ze uit uwe werken,” zouden zij tot ons zeggen; „het overige blijve tusschen uw geweten en God!” hare deugden daargelaten, wedde ik, dat het meesterstuk der Hollandsche schilderschool u levenslust leeren zal. Het is slechts eene der openbaringen vau harmonie tusschen hoofd en hart.

Tegenstelling bij tegenstelling dringen zich onzen geest op, als wij in het museum de schilderij gadeslaan, die het overgangsstuk verdient te heeten tusschen het vijf en twintigjarig stadhouderschap van Frederik Hendrik, en de wijle dat Willem II dezelfde betrekking bekleeden mogt. Wij bedoelen Antonie van Dijck’s beeldtenis van prinses Maria van Engeland; „aan de zijde van haren broeder, den hertog van Gloucester,” zegt de catalogus, hoe ongeloofelijk dit ook zij, daar die derde zoon van Karel I pas in 1645 geboren werd, en de schilder al in 1641 stierf. Immers – wij keeren tot onze tegenstellingen terug – immers, dat doek brengt ons niet enkel uit de Hollandsche school tot de Vlaamsche over, – voor zooverre gij in van Dijck slechts den leerling van Rubbens ziet, – het troont uwe fantasie ook in andere rigtingen mede. Onwillekeurig lokt de naam van hem, die het vorstelijk kind penseelde, dat later de gemalin van Willem II werd; onwillekeurig lokt van Dijck u uit, zijn leven te Londen over te stellen tegen dat der drie meesters te onzent, wier werken we u straks ter studie aanbevalen: Govert Flink, Rembrandt van Rhijn, Bartholomeus van der Helst. Gij verlustigt er u in, het .lot van genin in eene monarchie te vergelijken met dat van genin in eene republiek; den gunsteling der Stuart’s, met den vriend van Six. En echter, voor een ander hoofdstuk dezer schetsen, dan dat, ’t welk in zijn opschrift: Historile Portretten, het doel aangeeft, u eenige oogenblikken bij deze verzameling te bepalen, om den wille harer veraanschouwelijking onzer geschiedenis, voor een andermaal blijve de sombere stoffe bewaard: van Dijck in weelde, Rembrandt in armo, beide groot, beide beroemd, beide ongelukkig te doen zien. Het is eene derde tegenstelling waartoe wij ons door het overgangsstuk voelen genoopt. Hoe verre is het er van, dat deze zich maar bepalen zoude tot die, welke bij den eersten blik in het oog valt, onze burgerij den vreugdebeker opheffende, dewijl de vrede is gesloten, dewijl hare onafhankelijkheid werd erkend, tegenover de vorstelijke kinderen, wier laauwe levenslust het gevolg schijnt der schaduw, welke het naderend onweder reeds over hunne hoofden werpt. Er is in de laatste voorstelling al de statelijkheid, al het koninklijke, dat de droefgeestige Karel I liefhad; schoon het om Willem II’s toekomstige gemalin niet wemelt van paadjes, wier leden de spaansche kleederdragt in sierlijke plooijen omgolfde; schoon der schilderij de vurige rossen en de vlugge hazewinden ontbreken, wier bewegingzucht de meester zoo wel te waardeeren wist, bij de deftigheid door dat hof bewaard. Verlaten moge zij daar staan, – indien ge met mij het meisje het meest gadeslaat, – verlaten van edellin en edelvrouwen, door van Dijck in de galerijen der Britsche grooten vereeuwigd; hare houding verraadt hare afkomst, en er is ernst in die trekken, ernst haren leeftijd vooruit. Laat de dag aanbreken, waarop de edellin, die wij thans ongaarne aan hare zijde missen, – al zou de meester ons die maar hebben vertegenwoordigd, opmerkelijk door de kleur hunner handen, de kostbare kant, die zij droegen, beschamende, opmerkelijker nog door de naauwgezette kleingeestigheid, waarmede ieder hunner zich van het hofceremoniel kweet – als mannen zullen gesneuveld zijn in Marston-Moor en bij Naseby; – laat de dag aanbreken, waarop de edelvrouwen, wier blondheid, dank zij den schilder, wereldvermaard is geworden, zich door hare trouw in het ongeluk schooner zullen onderscheiden dan door halskraag, die in keurigheid geene werga had; – laat de dag aanbreken, waarop het voorhoofd van koning Karel I, door van Dijck ons bewaard, in de blankte, die het onderscheidde, voor de eerste maal zijns levens blozen zal, blozen tot de kruin, bij het naderen des beuls: Maria van Engeland, ge ziet het haar aan, Maria zal het ongeluk waardiglijk dragen, waardiger dan de knaap, die haar ter zijde staat, wie harer broeders hij dan ook zij. „Arme Maria!” zegt gij misschien; zegt het, niet geheel door het kinderlijke van haar voorkomen misleid, zegt het, zonder te vergeten, dat zij toen reeds zes jaren met den jeugdigen, overjeugdigen Willem II was gehuwd geweest; dat zij toen aan zijne hand over de burgerij stond, ons hier in drie stukken veraanschouwelijkt, op ieder van welke n der hoofdpersonen f den naam draagt van een der geslachten, die op het leven van dien vorst eenen belangrijken invloed oefenden, f zelf de invloed uitoefenende was. Och, dat eene volgende uitgave van den catalogus, in plaats der slordig gestelde berigten, waarmede in den tegenwoordigen de meesterstukken onzer oude school worden afgescheept, die treffende bijzonderheden toelichtte! Welke was de betrekking, waarin de van Waveren van den Schuttersmaaltijd tot den Amsterdamschen burgemeester, Antonie Oetgens van dien naam, stond; was de geschilderde misschien; de man zelf, die met zijnen ambtgenoot, Pieter Hasselaer, den prins te gemoet werd gezonden, toen de vroedschap besloten had, Zijne Hoogheid aan het hoofd der bezending uit de Algemeene Staten niet te ontvangen? De Frans Banning Kok, heer van Purmerland, hoofdfiguur op Rembrandt’s Vogelschieten, – want Nachtwacht luidt hier kwalijk, – was, het lijdt naauwelijks twijfel, geen ander dan het lid des Raads, dat bovengenoemden heeren met nog vier leden werd toegevoegd, om zich bij den prins te verontschuldigen over het geweigerde gehoor in die vergadering; de commissie, aan welke Z. H. in gramme woede toebeet: „dat hij wel Duitsch verstond, en geenen uitlegger noodig had,” toen een der heeren hem de meening des raads verduidelijken wilde. Welligt was Joan Huydecoper, heere van Maarsseveen, op Govert Flink’s Doelenstuk, dezelfde raad, die grave Willem Frederik van Nassau bij Welna zoo eigenaardig den aftogt ried, dreigende, dat de regering op Zijne Doorluchtigheid den storm zoude loslaten, die haar zelve dreigde; welligt was hij het, zeg ik, hoe zeer het volgens het boeksken van het museum, dat voor mij ligt, onmogelijk is, want naar blz. 22, is Govert Flink in 1616 gestorven, schoon hij dat stuk ter gedachtenis van den vrede van Munster heet te hebben geschilderd. Volsta dit vlugtig woord ter opwekking, om den indruk dier stukken te doen winnen in veelzijdigheid; – wij keeren tot ons onderwerp wer, ons zelven geluk wenschende, dat de scheppingen der oude kunst niet, als het belang, dat het algemeen in haar plagt te stellen, zijn verflaauwd; dat een blik op die schilderijen nog genoeg is, om onze tegenstelling te voldingen. Maria, de dochter der Stuart’s in tegenwoordigheid eener burgerij, die hare vreugde over het sluiten van den vrede botviert aan den disch, van Van der Helst; maar deze tevens veraanschouwelijkt door haar optrekken ter wacht, door hare wake in het geweer, van Govert Flink; Maria, de dochter der Stuart’s, in tegenwoordigheid van burgers, die, in andere woorden uitgedrukt, vaardig zijn, zich uit de armen der weelde los te rukken, om andermaal voor de vrijheid pal te staan; Maria, de dochter der Stuart’s, verkrijgt, in dat licht gezien, eene hoogere beteekenis, dan eene der gemalinnen van onze vroegere stadhouders, – optredende aan de hand van Willem II.

Bilderdijk heeft, in een zijner uitvallen, Honthorst, dien hij een schilder van vioolspelers en ligtekooijen scheldt, onwaardig gekeurd, ons eene afbeelding van Willem II te leveren; – het was de partijschap van den prinsgezinde. die het penseel niet vergeven kon, dat het ook de schaduwzijde van ’s vorsten karakter had veraanschouwelijkt. Hoe zou het des dichters adelaarsblikken zijn ontgaan, dat het bleek van ’s prinsen wangen op de eenige der beide afbeeldingen van Willem II, die min of meer binnen het bereik der toeschouwers hangt, niet alleen aan het doffe harnas valt toe te schrijven, dat de gestalte des vorsten omsluit; dat er onder die zielvolle oogen en om dien fraaijen mond diepten zijn, als bijwijlen maar inspanning van geest, als meer dan deze uitspatting in genot, gelegenheid geeft op te merken? Voor ons, die van geenen maatstaf van zedelijkheid houden, welke zich uitzet, waar het hertog Aelbrecht geldt, welke zich inkrimpt als er sprake is van vrouwe Jacoba; voor ons, die wenschten, dat de tijd gekomen ware, waarin vorsten het beneden zich zullen achten, in dit opzigt met eene andere weegschaal te worden gewogen, dan die, welke voor burgers vonnis wijst; voor ons steekt er niets ergerlijks in de afschaduwing van wat zoo waarschijnlijk waar was, terwijl we tevens Honthorst’s schilderij de verdienste toekennen, vele der groote gaven van den prins te hebben gehuldigd. Er is geen arbeid zoo vergeefsch, als het pogen in woorden terug te geven, wat slechts volkomen mede wordt gevoeld, als men me ziet; doch vergelijk, bij uw eerstvolgend bezoek dezer zaal, den indruk, dien de beeldtenis op u maakt, eens met den volgenden. Anders, dan Honthorst u Willem II aanbiedt, anders ik geef u het toe, anders wenscht ge ’s vorsten oogen te zien schitteren op den zomermiddag des jaars 1650, toen eene sloep dien anderen Caesar en zijne fortuin over de flikkerende golven van het IJ voortdroeg, maar hij het schuim niet opmerkte, dat de roeispanen om zich beenspatten; maar hij met nen blik de wereldstad, welke zich voor hem uitbreidde, te omvamen zocht. Amsterdam, gij weet het, Amsterdam was in die dagen aan de oostzijde nog niet volbouwd; doch achter het mastbosch, dat op de reede lag; doch achter de wimpelpracht, die het ter eere van de komst Zijner Hoogheid wuiven deed, werkaatste toch de gulden zonneglans van torenspitsen zonder tal; verhief de stedemaagd, als ge mij de beeldspraak gunt, zich uit den schoot der wateren, grootsch genoeg, om den prins eenen zucht te ontlokken: „Waart ge mij!” Hij had hem naauwelijks geslaakt, of de blik der verrukking, waarmede hij het schoone schouwspel had aangestaard, ging schuil in rimpeling, des hoogen voorhoofds en fronsing der bruine wenkbraauwbogen. Die stad zou hem toegedaan zijn, trots de winzucht harer inwoners, welke een doorn in het oog zijne vaders was geweest, daar ze, door den vijand van buskruid te voorzien, had bijgedragen, om zijnen toeleg op Antwerpen te verijdelen; trots de staatzucht harer regering, welke geene middelen onbeproefd had gelaten, om te Munster het sluiten van den vrede te bespoedigen, opdat haar invloed op ’s lands zaken in dezelfde mate wassen mogt, als de zijne dan moest ebben! Hoe bitter lachte hij om de genegenheid, waarvan hij droomde, zoodra die wenschen van hoog en laag, die wensch naar gezag, die wensch naar goud, hem weder levendig voor den geest stonden. Vonken van haat schoten zijne oogen uit, terwijl zijne vingers speelden met den knop van zijn zwaard. Honthorst, gij bekent het met mij, Honthorst heeft ons den vurigen jongeling ook niet in zulk een oogenblik geschilderd, toen waarschijnlijk aandoeningen als deze zich in ’s vorsten gemoed vervingen, terwijl de boot nog altijd voortstoof over de blinkende baan. Amsterdam, zoo voer Willem II voort, zijne grieven op te sommen; Amsterdam had hem tot drie malen gekrenkt, door de weigering van hoogere wedde, door de beraamde afdanking van krijgsvolk, door het zenden van eenen gezant naar Cromwell. „Voort!” riep hij den roeijers toe, of zij de spanen te traag in het water sloegen, of hij zelf van traagheid te beschuldigen viel, schoon hunne gespierde armen de slagen verdubbelden; schoon hij de bezending der Algemeene Staten, aan wier hoofd hij de steden van het Noorder Kwartier had bezocht, in het prachtige jagt al verre achter zich liet. Zn digter kwamen zij, het gewoel der vaartuigen, dobberende op de re; digter den bootjes, die van schip tot schip schoten, als pijlen den boog ontsneld; digter der schuiten, met de weelde van Oost en West belan; midden waren zij, midden in den bijenkorf, die gonsde, maar van allerlei tongslag, maar van allerlei taal. ’s Vorsten oor ving de klanken van het Zuiden als van het Noorden; ’s vorsten blik vermeide zich in het gslaan der voortbrengselen van het eene als van het andere halfrond. En ’er was geen Sommelsdijk, er was geen hoveling aan zijne zijde, om dien indruk te verbitteren, door van gelijkenis met Veneti op te halen, door Amsterdams aristocratie harer oligarchie over te stellen. „Een hoop winkeliers,” had Willem II hen meermalen, de inwoners der hoofdstad, hooren beschimpen; en echter dacht hij het dat oogenblik in zich zelven niet. Een betere geest behield de bovenhand. In spijt van zijne liefde voor de oorlogskunst, door zijn’ oom schier tot eene wetenschap verheven, waardeerde de vorst zijns ondanks den handel; de velerlei kennis, die hij eischt; de volharding, die zijne voorwaarde ia; den vrede.... Het zou Honthorst, het zou den eersten schilders zijns tijde onmogelijk zijn geweest, u den ommekeer te veraanschouwelijken, die dat woord den gedachtengang van Willem II nemen deed: den vrede, waardoor men de diensten van zijn geslacht voorbijzag; den vrede, die hem van het staatstooneel dreef! Het was de eerste stormvlaag, die den lieveling der fortuin over het hoofd ging; het was het eerste blijk van geduld, dat den ongeduldige werd gevergd; hij, die, in de vroegste vaag der ontwikkeling, slechts naar de hand der dochter uit een van Europa’s oudste koningshuizen had behoeven te dingen, om zich die toegereikt te zien; hij, die naauwelijks jongeling in het veld, maar te paard behoefde te stijgen, om den lauwer van verre te onderscheiden, om dien te plukken. „Zalig hij,” zegt de Schrift, niet te vergeefs; „zalig hij, die zijn jok in zijne Jeugd draagt.” Te wijken, te wachten, zou wijsheid zijn geweest, zijnen onsterfelijken grootvader waardig. Zoo de geest van dezen over Willem II had gezweefd, hij zou hebben beweerd, dat geen handelsstaat ooit zijne veelzijdige, zijne heinde en verre wortelschietende belangen duurzaam handhaven kon, zonder dat zijn bewind een zwaard op zijde droeg, dat het te regter ure in de schaal wist te werpen. Maar hij had er ’s volks zucht naar verademing niet minder om gevierd; van het voorbijgaande van dat verlangen overtuigd, had hij den dag, die dea zijnen zou mogen heeten, verbeid. Helaas, het vooruitziende, dat den eersten Willem onderscheidde, ontbrak zijnen vier en twintigjarigen naamgenoot, in den schoot der weelde van vleijers omringd. Hij herinnerde zich hunne inblazingen, ook in de ure, die wij poogden te schetsen, en de welvaart, die uit de naderende stad scheen op te gaan, wekte schier zijn’ weerzin; en de onafhankelijkheid, waarop hare burgers roem droegen, heette slechts overmoed; en hij besloot haar te tuchtigen, als zij hem langer tergen zou. Honthorst hebbe er dank voor, dat hij ons den vorst niet in eene dier hartstogtelijke, heerschzuchtige vlagen heeft vereeuwigd, aan welke Willem II een oogenblik later ter prooi was: van de bank in de boot naar den steven gesprongen, staande en om zich ziende, met neusvleugels opgesperd als die van het oorlogsros, dat het krijgsgerucht insnuift; met oogen vonkelende van vuur, als die des leeuws, wanneer hij zijne prooi binnen zijn bereik ziet! En echter eene wijle later, en de vorst zit weder te midden der wacht zijner dienstbaren, en zijne oogen zien zoo zacht, zoo weemoedig om zich heen; de vervoering is geweken; de toekomst, die hij zich zoo glorierijk dacht, schijnt in nevelen schuil gegaan. Als ge ons vergunt te gissen, wat de stemming zijns gemoeds dus wijzigen kon, dan herinneren we u het lot des koninklijken martelaars, dien Willem II’s gemalin zoo dikwijls in tranen gedacht: Karel I, wiens besluiteloosheid zijnen schoonzoon bijwijlen ten spoorslag strekte, om eer naar hooger gezag te grijpen, dan zich het verworvene te laten ontglippen, maar wiens dood niettemin, als een waarschuwend, als een dreigend voorbeeld, soms aan zijne heerschzuchtige droomen een somber einde maakte. Vreeze mogt Willem II’s gemoed vreemd zijn, een zweem van zwaarmoedigheid verduisterde bij de verschijning des vermoorden te met zijn schoon gelaat. Het had dier tempering van den overvloed zijns luisters; het had dier uitdrukking van verholen smart; het had der vraag, die hem op de lippen scheen te zweven: „waarom werd ik tot werkeloosheid gedoemd?” iets boeijends, iets belangwekkends dank te weten, dat geene zijner groote gaven in te donkere schaduw stelde, dat die alle door de wolk heenschitteren deed. Zoo ten minste bespiedde, zoo schilderde Honthorst hem, indien mijne opvatting niet te veel van de uwe verschilt; indien gij, evenmin als ik, ooit zonder aandoening voorzijne beeldtenis kondt stilstaan.

De geschiedenis vermeldt, hoe Willem II Amsterdam invoer, een paar uren vr men hem er te gemoet zag, eer de kanonnen te zijner eere van de Nieuwe Brug konden losbranden, eer de schutterij langs het Damrak stond geschaard; – hoe hij over de naauwelijks voltooide brug bij de Waag aan wal stapte, en den maaltijd, waartoe hij door de burgemeesteren op het Prinsenhof werd genood, afsloeg, met de woorden: „om met elkander te eten en te drinken, zouden wij beter vrienden moeten wezen” dan wij tegenwoordig zijn.” De geschiedenis vermeldt tevens, welke geweldige maatregelen de vruchteloos beproefde bezending opvolgden, in het kerkeren van zee afgevaardigden ter vergadering van Holland op Loevestein, in den aanslag op Amsterdam. Verbaast het ons bij de onvolledigheid dezer verzameling al niet,. dat wij hier geen’ enkelen dier magistraatspersonen aantreffen, welke, met verlies der vrijheid, hunne verkleefdheid aan beginselen boetten, het deert ons, hier ook hem te missen, die aan het hoofd van den werstand stond, door de belaagde stad aan Willem II gebon; die zich zoo waardiglijk opofferde, toen zijn beleid den aanslag had verijdeld. Wij herhalen het, we stellen prijs op Kok en van Waveren en Huydecoper van Maarsseveen; maar welkomer nog zoude ons hier Cornelis Bicker wezen. Hoe dierbaar hun, die er eene eer in mogen stellen zijnen naam te dragen, ’s mans beeldtenis zij, men onthoude hem langer in deze zaal de verdiende hulde niet. Onze eerste geleerden hebben de regtsvraag van den stap des stadhouders voldoende toegelicht, bestreden, opgelost; voor de staatkundige ontwikkeling onzes volks heeft het voorbeeld des burgemeesters weinig vruchten gedragen. Oppositie, hoe eerlijk, hoe belangeloos, hoe gemoedelijk ook, wordt te onzent meer gewraakt dan geschat; om die eerder oostersche dan westersche volgzaamheid bij de menigte te keer te gaan, wenschten wij Bicker hier. Hoe de stomme pozij in zijne afbeelding welsprekend verkondigen zou, dat men zijn hoofd veil kan hebben voor wat men zijne regten gelooft te zijn, zonder daarom zich zelven te zoeken; dat er een tijd was, waarin onzen besten burgers geene verloochening, die hunner eer uitgezonderd, te zwaar viel, als deze konden bijdragen ter bevordering van het , welzijn des algemeens!

Eene huivering overvalt ons, zoo dikwijls wij iemand vermetel de weegschaal Gods zien ter hand nemen; en echter, wie durft ontkennen, dat vergelding zoowel door het leven der vorsten” als door de geschiedenis der volken gaat? Willem II, – Jan de Witt, – Willem III; welk eene opvolging! En hoe gaarne voegen wij er bij, wanneer wij Maria van Engeland, op de schilderij van Van der Helst, verweduwlijkt beklagen: welk eene wijsheid! Het lijdt geen’ twijfel, dat hare oogen, waaraan de vreugdevreemd schijnt geworden, die schikking hebben beschreid. Acht dagen na het verscheiden van haren gemaal werd zij moeder, een zegen, door haar niet alleen in rouwe ontvangen, maar voor een gemoed als het hare vergald, eer zij uit de kraamkoets herrees. Amsterdam mogt zich tot peter van den jong geborene hebben aangeboden; Amsterdam had hem de opvolging in ’s vaders waardigheden tevens ontzegd; Amsterdam achtte het voortaan gevaarlijk, zoo veel gezags in nen persoon te vereenigen. Er was weelde, onbeschrijfelijke weelde voor het moederhart weggelegd in de voorspoedige ontwikkeling des knaaps; maar eer hij vier jaren oud was, eischte Cromwell zijne uitsluiting van de betrekkingen tot den staat, door ’s prinsen voorouders bekleed, en Jan de Witt bevlekte zijn leven om den wille des vredes. Hoe zij in hare verslagenheid het jongsken hartstogtelijk kuste, toen de mare tot haar kwam, dat de gemeente het Wilhelmus had toegejuicht, waarmede die vrede, ten koste van Oranje gesloten, te Amsterdam was gevierd. Een oogenblik van hoop, de aanvang der lange jaren van beurtelings teloorgestelde en beurtelings wer aangewakkerde verwachting, gedurende wier loop zij en haar zoon in de schaduw schuil gingen, terwijl de roem van Jan de Witt, als eene rijzende zon, hare stralen al verder schieten, al vuriger schitteren deed. Laat ons een oogenblik den hoveling spelen, door, mede naar haar op te zien; in deze zaal leverde ons het penseel van de Baan de afbeelding des mans, die in schier nog jongelingsleeftijd „de wijsheid van Holland” heette. Staar naar de hoogte, als ge wilt, en beken met mij, dat Jan de Witt dien schilder wel het bewaren zijner trekken heeft dank te wijten, maar hem geene houding, zijn karakter waardig, is verpligt. „De duurzaamste geschiedenis,” heeft een vernuftig schrijver opgemerkt, „moge in muntpenningen geschreven zijn, de treffendste biographie spreekt ons uit portretten toe. Langer dan de indrukken, door de hoofdfeiten van een historisch leven op u gemaakt, bewaart het geheugen uws gemoeds de gewaarwording, welke u bij het zien van de beeldtenis eens beroemden mans aangreep. Het ware te wenschen,” voegt de geestige vreemdeling er bij, „dat ieder vernuft, ’t geen zijnen naroem, in dit opzigt, een schilder prijs geeft, het bij de keuze van den stand, bij het bepalen der houding, bedacht!” Wie het deed, Jan de Witt niet. Maar tot geluk zijner gedachtenis, hedt hij zich voor de voorstelling van eenige der grootste daden zijns levens; van de glorie, die hij zich door zijne liefde voor ’s lands zeemagt verwierf; van de triomfen, die hij haar in staat stelde te behalen, tot andere, tot grootere meesters gewend. Backhuyzen, Peters, Van de Velde verklaren u in ditzelfde gebouw om strijd, waaraan het toe te schrijven viel, dat Janmaat hem op de handen droeg; waarom deze, „jongen van Jan de Witt”, nog een’ eernaam houdt. Eene volgende schets zal ons, zoo uw geduld mij niet begeeft, tot die schilderijen brengen; eene schets, in welke wij, door de eenvoudige vermelding zijner feiten, tevens den man zullen huldigen, dien ieder onzer het eerst noemt, als de vreemdeling vraagt, om welke historische karakters wij Hollands zeventiende eeuw zijner studie waard achtten; den held, dien Bol ons hier heeft veraanschouwelijkt: Michiel Adriaenszoon de Ruyter. Ons volk heeft hem onlangs een standbeeld opgerigt, dat, zoo men wil, niet naar zee ziet, of men vreesde, dat hij zich onzer onbeduidendheid schamen zoude. Onze eerste redenaar was, bij de onthulling van het metaal, de tolk van het dankbare vaderland. Maar men moet Royer, maar men moet Van der Hoeven zijn, om zich van de veraanschouwelijking, van de waardeering van uit liefde betrachten pligt waardig te kwijten; wat zoude mij voegen, dan eene eerbiedige verwijzing naar Bol’s schilderij? Ik gun u al het genot, aan de gedachte eener zoo harmonische vereeniging van: deugden verknocht. Ik zou aarzelen u uit te noodigen, nog naar iemand anders om te zien, ware de jongeling, dien ik zoek, Willem III niet; hadde ik langer dan voor een oogenblik den hoveling willen spelen. Hoe de werapoed anders vormt dan de weelde; hoe die jeugdige vorst vele der vijanden zijna vaders met zijn geslacht heeft verzoend! Vondel, met het hart op de tong, Vondel, die Willem II der verwenschingen des volks prijs gaf, Vondel heeft hem reeds, als tienjarige knaap, aan het hoofd der Aemstelridders gevierd. En echter – we spraken van Willem III’s jongelingschap – echter is zijne toekomst bewolkter dan ooit; het Eeuwig Edict werd uitgevaardigd; wie weet of zijne moeder niet wanhoopt! Waarom ontbreekt hier eene schilderij, welke hem ons in die dagen veraanschouwelijkt; welke ons Willem III doet zien in tegenwoordigheid van Jan de Witt, hij, die de eerste staatsman zijns tijds is; hij, die de eerste staatsman zijns tijds worden zal; de burger, die half Europa de wet geeft; de vorst, zich in den opgang der jeugd de kracht bewust het roer te sturen, dat de beschikker van zijn lot, zoo ge wilt, geen oogeanlik glippen laat? Ons museum biedt ons niets, dat er naar zweemt, aan – en als we billijk willen zijn, welk schilder zou haar in beeld kunnen brengen, de rustelooze, maar verborgene, de onvermoeide, maar ontveinsde, opmerkzaamheid, waarmede Willem III Jan de Witt gadesloeg, en van iedere zijner zwakheden partij trok, en den oorlog te lande meer in bespiegeling bestudeerde, hoe minder aan dezen om den roem ter zee werd gedacht? Ons museum laat, met uitzondering van Cornelis, de Ruwaard, den Raadpensionaris alleen zijnen tijd vertegenwoordigen; eene toevallige, eene treffende overeenkomst met onze geschiedenis, die ook de verantwoordelijkheid voor de stormen van den avond zijns levens slechts op zijne schouderen laadt. Zet men zijn vonnis wijze, dewijl hij hoog genoeg boven zijne tijdgenooten stond, om Holland naar zijne hand te kunnen stellen, wikke men welk verwijt deze verdienen, zoo verre in ontwikkeling ten achter te zijn gebleven. Het is eene opmerking, die evenzeer van Willem III’s lateren invloed gelden mag. Och, dat ge mij niet beschuldigdet, mijn onderwerp vooruit te loopen, dat ge mij niet werhieldt u voor Willem III’s beeldtenis te brengen, eer ik de gordijn van voor dien gruwel ter zijde schoof!... Ga voorbij, bid ik u; de tijd biedt overvloed van tooneelen aan, waarbij ge u niet te sehamen hebt mensch, niet te schamen hebt Hollander te zijn. Het vaderland was in gevaar; het vaderland eischte een genie, dat de gaven van Frederik Hendrik, van Maurits, van den eersten Willem in zich zou vereenigen; een twijg uit den verworpen’ tronk ontlook, zie! Hoe? hoog in dien hoek, een stuk van Schalken, bij toortslicht den man, die zijn’ tijd door geene fakkels wilde zien bestralen, slechte aan bevoorregte handen toevertrouwd; hoe, Willem III in de schemering? hij, die niet rustte, eer het ieder, die de zon des lichts liefhad, vrijstond, zich te koeateren in de volheid harer stralen; den held, die Holland redde; den staatsman, die Europa hervormen mogt? Vergeef mij de vermetelheid, dat ik hem u anders wensche te doen zien.

III

William Temple heeft in zijne bekende proeve, ter verklaring van de oorzaken van den val der Vereenigde Nederlanden in 1672, vernuftig opgemerkt, dat het verbond van Engeland met Frankrijk, tegen onzen staat, eene dier krankten heeten mogt, „welke, naar het zeggen der artsen, bezwaarlijk te herkennen zijn, zoolang hare genezing ligt zoude vallen, maar door welker verschijnselen de aard der ziekte naauwelijks aan het licht komt, of de wetenschap heeft er ook geen baat meer voor.” Dezelfde staatsman veraanschouwelijkte tevens den toenmaligen toestand onzes vaderlanda nog treffender door zijne schets, hoe die aanvallen van vreemden werden verzwaard door de verdeeldheid, welke binnenslands heerschte, aan te dringen met de gelijkenis van een. ligchaam, aan ongezonde vochtmenging, aan kwaadsappigheid lijdende, voor ’t welk eene kleine wonde gevaarlijk wordt, waarvoor eene groote doodelijk pleegt te zijn. Inderdaad, de geschiedenis van dat rampvolle jaar levert ons op iedere bladzijde bewijzen voor de droeve waarheid, zoo der eene als der andere stelling. Opgeschrikt uit de gewaande veiligheid, waarin hij geloofde te verkeeren, zag Jan de Witt naauwelijks iedere poging, om bondgenooten te winnen, verijdeld, of ook de staf, ter tuchtiging van Karel II tot nog toe zoo roemrijk gezwaaid, schoot ter afwering te kort. Vergeefs scheen de Ruyter bij Sole-bay de eere van ’s lands vlag tegen de beide koningsvloten waardig te hebben gehandhaafd. Schier zonder wederstand te ontrnoeten, schier met vliegende vendels, hadden de mijterdragers van Keulen en Munster zoo Overijsel als Drenthe veroverd, Lodewijk XIV onderwierp zich de reeks onzer grenssteden sneller, dan Boileau hare barbaarsche namen konde doen bukken onder het juk des rijms. Teloorgesteld zonder voorbeeld, daar men de schranderheid des mans zag vergaauwd, die voor den geslepensten staatkundige zijns tijds had gegolden; vreezende voor verraad, daar ieder dag in eene nieuwe jammermare een nieuw blijk der lafhartigheid bragt, waarmede zijne vertrouwdste dienaars het gevaar ontvlon, waren weinige weken genoeg geweest, om een volk der w.anhoop prijs te geven, welks voorvaders tachtig jaren lang in het geweer hadden gestaan, hopende op de hulp van God. Slechts twee gewesten meer tellende, waarin de oogst door de hoeven van de rossen des vijands nog niet was platgetren; met uitzondering van het manhaftig Groningen, tot Zeeland en Holland beperkt, had het in zijne radeloosheid naar eenen redder uitgezien, en het Eeuwig Edict was vernietigd. Helaas, dat ik er moet bijvoegen, had het in zijne woede om eene prooi gehuild, en de gebroeders de Witt waren vermoord!

Vergezel mij, als ge wilt, onder den indruk dier gedachten, ruim zes maanden later, op een Maartschen morgen des jaars 1678, in een der vertrekken van het Binnenhof te ’s Hage, om eenen alanken jongman te bespin, die aan een zijner half geopende vensters stond, den blik op den Vijverberg gevest. Niets zou natuurlijker zijn geweest, dan dat het liefelijke landschap ’t welk zich aan zijne voeten uitbreidde, hem had geboeid. Het westewindje droeg den wildzang van het gevogelte, uit de lindelaan aan ’s vijvers overzijde, te hoof. De eiland-gaarde, waarin de nimf van het oord schijnt weg te schuilen, groende reeds. In den gloor der ochtendzon gingen de golfjes ten dans. Echter zouden wij ons bedrogen hebben, als wij den drieentwintigjarige hadden verdacht in mijmeringen verdiept te zijn; in de lente de godinne der liefde te hebben begroet. Hij trad van het venster; hij staarde de dubbele deuren des vertreks aan, of zijn blik die zou doen openspringen; hij ging peinzend heen en wer, – maar zag de oproeijende zwanendrift niet, die u en mij aan den waterspiegel hadden gekluisterd gehouden, noch verlustigde zich in de vloeibare paarlen, harer hagelwitte wieken afgeschud. Verbaast het u? Als ge een’ blik op zijn gelaat hadt geslagen, ge zoudt met mij hebben erkend, dat zijne wangen zoomin werden gekleurd door den frisschen blos, die overvloed van levenskracht waarborgt, als van onder zijne wenkbraauwen de geestdrift straalde, waarin natuurschoon den lieveling der kunst ontsteekt. De hoekige lijnen van het langer dan eironde gezigt; – de zweem van stroefheid, die aan zijne ziekelijke schraalte viel toe te schrijven, – zij zouden misschien een pijnlijken indruk

op u hebben gemaakt, als de adelaarsneus geene kracht had aangeduid: als ge de magerte niet hadt voorbijgezien, door de majesteit van den opslag zijner oogen verrukt. Andermaal toch dompelde de zwanendrift in het vijvervocht; wiekgeklap rees op de lucht; hij luisterde er een oogenblik naar, en zijn blik schitterde. Ik zou u zeggen, dat hij er de ruischende vleugels der faam in hoorde, als ik niet vreesde, dat de gedachte, naar ge wilt, te dichterlijk of te droomziek heeten mag, voor dien slanken jonkman, voor Willem III. Beslis het zelf, na een oogenblik studie der schets, ons van zijn karakter geleverd, eene schets, die ik gaarne overneme. „Die jeugdige vorst,” heet het, „paart aan de groote gaven den koninklijken bloede, waaruit hij sproot, eigen, de deugden, door welke het volk van het land zijner geboorte zich onderscheidt; – vriend van stilzwijgen en van nadenken, leent hij gereedelijk een luisterend oor, en schijnt onderzoek hem lust te zijn. Hij heeft een even gezond als bedaard verstand; standvastig in hetgeen hij voorneemt of afslaat, vol ijvers voor zaken, voor uitspanningen koel; – schoon der godsdienst zijns lands van harte toegedaan, betoont hij zich liefderijk jegens andersdenkenden; – matig, hoe weinig zijn leeftijd en de lucht des lands die ingetogenheid beloven; – huishoudelijk in het dagelijksch leven, en echter onbekrompen waar het pas geeft. Fier van geest en moedig van harte, dorst hij naar krijgsroem, blaakt hem de zucht een groot man te worden; maar zou hij toch die glorie liever verwerven, door zijn vaderland van dienst te zijn, dan zich zijnen medeburgers te onderwerpen; een vorst, in n woord, wiens vele deugden door geen enkel groot gebrek in de schaduw worden gesteld.” De teekening is van de hand eens vriends, zal men zeggen; doch die tevens, voege ik er bij, de vertrouwde van Jan de Witt was. Het zijn woorden des mans, die met dezen de Triple Alliantie stichtte; woorden van Sir William Temple, – schrijf ze niet aan vleijerij toe. Geen minder groot karakter dan dat, in deze regelen aan Willem III toegekend, zoude op drie en twintigjarigen leeftijd den moed hebben gevoeld, in zulk een onweder het roer van staat aan te grijpen; wat meer zegt, het genie hebben geopenbaard, de veege hulk klip bij klip te doen ontgaan, tot hij haar eindelijk in veilige haven loodsen mogt. Vreeze en wanhoop hadden zich van het grootste gedeelte der bewindslieden meester gemaakt; maar kalm mat de jonkman, in wijsheid zijnen jaren vooruit, den ganschen omvang des gevaars; maar koen besloot de held dit het hoofd te bin. De landmagt was ontzenuwd door de keuze van onbekwame bevelhebbers; was veronachtzaamd om den wille der glorie ter zee. Eer luttel maanden verloopen waren, bezielde zijn geest de eerste andermaal, reikte Janmaat die broederlijk de hand, de binnenwateren beschermende. Een leger te scheppen uit luttele hoopen vlugtelingen, en dat leger te verdubbelen, te veredelen, door hun, die op den oceaan nooit gevaar hadden gevreesd, eene nieuwe taak aan te wijzen, in de verdediging van den vaderlandschen grond, dat eischte eene zeldzame vereeniging van oordeel en kennis, en was toch nog het grootste meesterstuk aiet, van Willem III gevergd. Verdeeldheid smeulde onder de puinhoopen van het ingestorte stadhouderlooze gezag. Partijzucht, wrevel, haat, ontzeiden hem, of beloofden hem slechts ten halve, de hulp van menigen arm, van menig brein. Zoo ’s lands redding geene hersenschim blijven zou, moest ieder man er het zijne voor doen, met vergeting van vroegere veete, met toewijding van lijf en ziel. De vervreemde hollandsche harten te winnen, was de beste waarborg, dat het hem gelukken zou, den buitenlandschen vijand af te slaan. En hoe nu uw oordeel uitvalle over het dichterlijke of droomzieke der gedachte, hem in der zwanen wiekgeklep het ruischen van de vleugelen der faam te doen hooren werspreken zult ge mij niet, dat zoo al zijne zucht naar glorie hem daarbij een oogenblik het Sticht voor den geest bragt, der Fransche plage ter prooi, de pogingen, die hij ter bereiking van het laatste doel te ’s Gravenhage had aan te wenden, toch zeldzamer gaven eischten, dan het opwerpen eener verschansing, het beramen van een uitval, het bevel over zijn heir. Hij zelf scheen dat te gevoelen, heen en wer gaande in het vertrek, welks wanden ik mij gaarne voorstel, door een viertal schilderijen bekleed; afbeeldingen van doorluchtige mannen uit zijn huis, ieder van welke zijn blik gadesloeg, om zich fluks tot een’ van deze lang te bepalen. Overmoed was het karakter van den ridderlijken jongeling, door de eerste voorgesteld; overmoed, aanschouwelijk in de fierheid, waarmede dat ideaal van koene jeugd hem aanstaarde. Wie gist niet reeds, dat ik zijn’ vader, dat ik Willem II bedoele, al wiens drift den zoon door de aders vloeide, maar in wien wederspoed deze tot deugd had getemperd? Ken zucht was zijn kinderlijk offer en hij ging voort, en zijn blik aarzelde tusschen zijn grootvar en zijn’ oudoom; tusschen den beminden vorst, die het snoer der eendragt winden mogt om onze onderling verdeelde pijlen, en den bewonderden veldheer, die den evenaar van rijken aan zijne slinke droeg, tusschen Frederik Hendrik en Maurits. Waarom was hem de dubbele taak opgedragen, weleer onder die beide verdeeld: het handhaven van de vrijheid des volks, tegen buitenlandsche vijanden, het verwerven der liefde des volks, in weerwil van binnenlandsche veeten? Waarom..... Hij vroeg niet verder, hij werd zijnen overgrootvader, hij werd Willem I gewaar; en schoon hij zich niet werhouden kon te wenschen, dezen meer dan hij deed te mogen gelijken, in de gave aller harten te mijnen, er was onbeschrijfelijke vertroosting in de heugenis, hoe hij vaak uit schier hopeloozen toestand gered was door God; Eene eeuw lang was de Heer met de afstammelingen van dezen geweest, was nog met hem, uit de verdrukking tot den rang zijner vaderen weder verheven; was dat geweest niet enkel om hunnentwil, maar ook, maar vooral om dien der zending, welke Hij hun toevertrouwde, waartoe ook hij zich geroepen dacht. Slechts z beschouwd, gaat Willem III niet boven mijn begrip.

Bedriege ik mij, als ik me voorstelle, dat oogenblikken van verteedering, van verheffing als deze, behoefte konden zijn voor den jeugdigen vorst; dat zij hem sterkten voor de taak, die hem in dat uur beidde? Niets minder toch gold zij, dan te beproeven twee mannen met elkander te verzoenen, wier pogingen, mits vereenigd, evenveel als zijne eigene konden bijdragen tot de redding des vaderlands. Alles wat het hoofd, allee wat beleid ter bereiking van dat doel vermogt, was door hem overpeinsd en uitgevoerd. Ik herinnerde u straks met een woord, hoe hij van de zeemagt partij. wist te trekken, om den vijand binnenslands afbreuk te doen; ik vermeldde slechte de helft zijner wijsheid. Onder het bestuur dsa mans, wiens wil zijne bevordering had gedwarsboomd, was de oceaan niet alleen onze weg ter glorie geworden, zijne golven hadden den lof van de Witt heinde en verre verbreed. Hoe het voor Willem III’s verlicht verstand pleitte, dat hij het middel geen’ haat toedroeg, waardoor zijn mededinger in staat was geweest, den vorsten van ons werelddeel eene wijle de wet te geven; dat hij het waardeerde, schoon het hem geene gelegenheid ter ontwikkeling zijner gaven bood! Eer ge mij gispt over die hulde voor den vrijdom van eene alledaagsche zwakheid, verzoek ik u op te merken, hoe algemeen zij ook onder groote mannen is. Volgaarne herroep ik het echter tevens in uw geheugen, dat de drie en twintigjarige het niet bij de erkenning der diensten, welke de vloot ook hem konde bewijzen, liet; dat hij den geest, waarmede de Witt haar had bezield, weder zocht op te wekken, door het vernieuwen der verordeningen, die de kennis van dezen had aangegeven en uitgevaardigd; een maatregel, welke den vorst eere aandeed, terwijl hij een verzoeningsoffer aan de schim des vermoorden heeten mogt. Doch ik dreig weder dichterlijk te worden, terwijl ik wilde optellen, wat het hoofd, wat het beleid had beproefd, om den goeden uitslag van eenen nieuwen zeetogt te verzekeren. Ik keer er toe we0r, in het gewagen van de onpartijdigheid, waartoe Willem zich had weten te verheffen, om twee mannen voor de vloot te behouden, tot zijne komst aan het bestuur, door een’ onzaligen twiist verdeeld: een prinsgezinde, die zich gekrenkt achtte, maar wien hij, ondanks vernieuwde benoeming, van vroeger ongelijk te overtuigen zocht; een staatsgezinde .... wat zeg ik? Cornelis Tromp mogt eene partij aankleven, de Ruyter was voor partijschap te groot, – het vaderland ging hem bovenal. Eere wien eere toekomt! De geschiedenis getuigt, dat de vlootvoogd den moord der de Witten met ontsteltenis en droefheid hoorde; dat hij den gruwel verfoeijen dorst, terwijl die zelfde muze vergeefs den vorst zocht te vrijwaren van het verwijt, waartoe zijn verzuim de schuldigen te straffen, der nakomelingschap regt geeft. Niemand moge het Willem III in die dagen hebben gezegd, zijn eigen geweten zeide het hem voorzeker, toen de omstandigheden, die het schenen te verontschuldigen, voorbij waren, toen de smet kleefde op zijnen roem. Helaas, hij was nauwelijks het derde tiental jaren ingetreden, toen het geschiedde, en wat hem van de twee en twintig heugde, waren dagen, weken, maanden, jaren, verbitterd door den man, wiens slachtoffer hij gedreigd had te worden, wiens uiteinde hem geene deernis inboezemen kon. Ook onze voortreffelijkste vorsten waren slechts menschen, zou ik er bijvoegen, alse ge de herinnering behoefdet, als ge om dien gevierden wraaklust zoudt weigeren hulde te doen aan de voorzigtigheid, waarmede Willem III niet eerder aan Tromp het voeren van het Amsterdamsche admiraalschip toestond, voor hij zich in zijne tegenwoordigheid met de Ruyter had verzoend. Tromp aarzelde, zegt de historicus onzer zeetriomfen, tot hij bemerkte, dat het de volstrekte voorwaarde, dat het de vaste wil des prinsen was. En ik weet niet, wat het meest te bewonderen, f het vooruitziende, f het regtvaardige, f het menschkundige van een besluit, door den vorst genomen, eer hij nog op de vervulling van den vermelden eisch aandrong; het besluit, waarbij de Ruyter verheven werd tot luitenant-admiraal-generaal van Holland en Westfriesland. Een maatregel, die driedubbel doel trof: verdere mededinging tusschen de vlootvoogden, die vroeger slechts gelijken titel voerden, te voorkomen – de Ruyter’s wergalooze verdiensten regt te doen – Tromp het uitzigt te geven op de opvolging in deze waardigheid. Het hoofd, herhalen wij gaarne, het hoofd had alles overpeinsd en uitgevoerd, en het beleid was geslaagd, geslaagd boven verwachting. Tromp had toegegeven; thans was het de ure voor de taak van het hart. De beide vlootvoogden waren bescheiden, om binnen weinige oogenblikken hunne verzoening in ’s vorsten tegenwoordigheid te bezegelen; het zou eene andere, eene hoogere eedsaflegging van trouw zijn. Wie durft er Willem III minder om achten, als bij zich zelven gewantrouwd heeft, in hoeverre het hem gelukken zou, den vereischten indruk te weeg te brengen, dewijl hij niet alleen menschenkennis genoeg bezat, om te weten, dat hij Tromp stemmen kon, zoo als hij wilde; maar ook zoo veel zin voor zedelijke grootheid als vereischt werd, om hem te doen opzien tegen de Ruyter? Het is waar, hij was vorst, en de beide mannen, welke hij wachtte, waren maar burgers; doch daargelaten, hoe luttel een hollandsch harte uit de zeventiende eeuw van den aangeboren’ of ingezoge’ eerbied voor menschelijke hoogheid wist, waarop zoo vele vorsten tot het einde der achttiende eeuw vermetel zondigden, onze slanke jonkman streefde te vurig naar eene onderscheiding, die hij slechts zichzelven, en niet den stam, waaruit hij sproot, zou verschuldigd zijn, om zijne geboorte in de weegschaal te werpen. Het is waar, hij had zijne nog niet volkomen verstreken drie en twintig levensjaren voortreffelijk besteed, en zich gedurende de laatste tien maanden niet ten deele, maar met al zijne krachten der dienst des vaderlands gewijd. Doch wat zeiden deze bij den eerbied, dien meer dan eene halve eeuw heldenlevens moest inboezemen; eene halve eeuw, die de Ruyter de bewondering der wereld verzekerde, en hem echter nederig genoeg liet, om in den laatsten slag admiraal, kapitein, matroos, soldaat, om dat alles tegelijk te zijn geweest, om alles te verrigten, wat zijne hand vond te doen! Hoe Willem III dat beginsel: toewijding aan zijnen pligt, opmerkte, waardeerde, hulde bracht; – hoe hij er den oorsprong van ontdekte, in liefde, in dankbaarheid voor een zestig jaren lang bekroond vertrouwen op den bijstand van „Gods almagtigen arm!’ De deuren gingen open, – Tromp en de Ruyter werden aangediend. Ter voltooijing der groep, ten einde drierlei vermaardheid vereenigd te zien, zou ik schier wenschen, dat de grijze Constantijn Huygens hen, als geheimschrijver des prinsen,hmide binnengeleid. Doch hoe dit geweest zij, Willem III sprak met de warmte der overtuiging, met die warmte des getroffenen gemoeds, welke alleen waarachtig welsprekend maakt. Lang van elkander vervreemde handen werden weder ineengeslagen; Holland zou niet van de wereldkaart worden gewischt. Ziedaar het tafereel, waarmede ik de galerij onzer roemrijkste eeuw gesloten wenschte te zien.

Onvoorzigtig genoeg, heb ik in dit opstel de grenzen, mij aangewezen, misschien meermalen overschreden, door te bepaald uit te drukken, hoe ik de voortbrengselen eener zusterlijke kunst ter voltooijing van ons museum verlangde. Er is weinig aan verbeurd, daar ik niet dwaas genoeg ben mij te vleijen, dat het meer dan vrome, maar vergeefsche wenschen zullen blijken; en toch wachte ik mij, en dat niet enkel om den wille der vriendschap, die ik er door krenken kon, het voor dit onderwerp andermaal te doen. Een der weinige onder onze jeugdige kunstenaars, die aan liefde voor den stijl van de Hollandsche meesters de studie der gewigtigste gebeurtenissen in de Hollandsche historie paart, 3 heeft onlangs de stoffe in beeld gebragt, en slaagde, naar het oordeel des algemeens, daarin niet zoo gelukkig als vroeger zijn Barendsz en zijn Vondel regt gaven te hopen. Voor mij, die misschien ook den moed niet zou hebben gemist, hem mede te deelen, hoe weinig zijn Willem III, met opgeheven, met zegenende handen, ons de jonkman schijnt, die onder Jan de Witt geleerd had zelfs zijne gebaren te bedwingen; die niet aanmatigend genoeg was, om den grijzen de Ruyter Gods zegen te durven beloven; voor mij, vergun me dit er bij te voegen, voor mij, ik zou ons verschil over de opvatting niet hebben uitgedrukt, zonder tevens zijn streven te huldigen. Waarom verzwegen, wat mij bovendien op het hart, op de tong ligt? Ik zou Cornet niet hard zijn gevallen over de misgreep eene roode hand te schilderen, waarvan slechts de dichter partij trekken kon, zonder hem tegelijk uit te noodigen voort te varen, door zijn penseel den indruk van het goede en groote in onze geschiedenis evenzeer te verlevendigen en te versterken, als Royer dit door zijnen beitel doet. Voor mij, ik zal niet vermetel genoeg zijn, nadat hij faalde, de groep waarin Willem III en de vlootvoogden mij voor den geest staan, om te trekken en aan te bevelen. Volgaarne erkennende, wat al zwarigheden er in de stoffe schuilen; – hoe hagchelijk eene onderneming het is, den driftigen Cornelis Tromp te schilderen, op een oogenblik, waarin slechts stugheid hem karakter schijnt te geven, ofschoon eene uitdrukking van edeler zielstoestand wenschelijk zoude zijn; – hoe diepe gemoedsstudie er vereischt wordt, om aan de Ruyter’s goedrondheid regt te doen, zonder haar te laten vervallen in eene, ik zeg niet ruwe, maar toch wel naar die schaduwzijde zweemende overdrijving van gebaren, welke men maar te veel met hartelijkheid verwart; – hoeveel gevoel, of wilt gij liever, hoeveel genie ter nood volstaat om de voorstelling te vrijwaren van het gebrek, waarvan dichter en schilder, bij de behandeling van dit onderwerp, om strijd gevaar loopen ophef te leveren in plaats van eenvoud, rhetoriek voor pozij, declamatie, in n woord; – dat alles erkennende, wenschte ik niet minder onze eerste talenten tot een’ wedstrijd over dat feit te kunnen uitlokken. Immers als een hunner er in slagen mop, hoe rijk zou de symbolische zin der veraanschouwelijking zijn, hoe heerlijk zou de groep de reeks onzer groote mannen besluiten! Oranje en de burgerij, merkten wij in de beide voorgaande schetsen op, was de hoofdindruk, door de schilderijen dezer zaal gemaakt. Oranje en de burgerij weder vereenigd, na de wijle verdeeldheid, die in de dagen van Oldenbarneveldt smeulde, welke in die van Jan de Witt tot lichtelaaije vlam uitsloeg, zoude in zulk een tafereel het zegel op onze beschouwing zetten Oranje, voor geenerlei glorie des volke koel; Oranje, de zeemagt waardeerende, uitbreidende, bezielende, schoon hij zelf aan het hoofd der landmagt schittert; – de burgerij, die van hare veeten afstand doet, om zich ’s lands onafhankelijkheid, de wederoprigting des staats uit zijne bouwvallen toe te wijden tot in den dood, ziedaar de tweede les, die ons in beeld zou worden gepredikt. En wel aller verbeelding, aller verheffing van gedachten vreemd moest hij zijn, die op zulk eene schilderij starende, hare wieken niet aanschoot, die zich volgende gebeurtenissen niet dankbaar herinnerde! Of zou het er u niet bij te moede zijn, als zaagt ge den geest van de Witt de Hollandsche vloot in den eerstvolgenden zeeslag op Schooneveld omzweven; als zaagt ge dien dankende opwaarts varen in de ure, toen de Ruyter Tromp te hulp kwam, en uit het hart van den laatste de woorden welden, waardoor hij de edelmoedigheid van zijnen redder opwoog? Of zoudt ge, des jeugdigen Willem III aanziende, die op drie en twintigjarigen leeftijd zijn vaderland redde, niet voorgevoelen, hoe hij bestemd was, het later geheel Europa van de dubbele kluister van Lodewijk XIV te doen, de voortzetting, de voltooijing der taak, aan zijnen onsterfelijken overgrootvader opgedragen, in de bevrijding van:, den menschelijken geest?


Eene klagt over ons volksverval, over ons onbeduidend gewigt in de weegschaal van ons werelddeel, over ous verloren gezag ter zee, over wat niet al? was de aanhef dezer beschouwing. Als ooit. eene herhaling verschoonlijk mogt heeten, hier zoude zij het zijn, waar de afneming onzer glorie onwillekeurig veraanschouwelijkt wordt, niet alleen door de weinige beeldtenissen, welke wij uit den volgenden tijd, welke mij uit de achttiende eeuw aantreffen, maar ook door het gehalte der kunst zelve, dalende tot zij ons portretten van vorsten en vorstinnen uit het Huis van Oranje levert – in pastel. Een hoogleeraar heeft u onlangs willen vertroosten door eene verhandeling, ten bewijze dat wij hooger geklommen waren dan wij kracht hadden te blijven staan; ons is het hier te moede, als waren wij dieper gezonken, dan met zulke voorvaderen, met zulke voorbeelden, in eene reeks van eeuwen te vreezen viel. Intusschen, wij herinnerden hier slechts den aanvang van dit opstel, om den wensch lucht te geven, dat men de stukken uit lateren tijd dan dien van Willem III elders plaatsen mogt. Onze oude meesters hebben geene behoefte aan de vergelijking, waartoe zij gelegenheid bin, om naar waarde te worden geschat. De indruk des geheels, de historische lijdt onder die doellooze vermenging. Of hebben wij geheel ons wit gemist, toen wij na de klagte, waarmede wij begonnen, lieten doorschemeren, dat de hulde, welke wij den vaderen meenden toe te brengen, ons, ja, beschamen, maar ook bezielen moest? Een der kleinste volken van Europa handhaafde tweemalen in ne eeuw de belangen der menschheid tegen de magtigste staten van dat werelddeel, – tegen Spanje, dat bovendien de beide Indin beheerschen mogt; – tegen Frankrijk, dat geene heugenis bewaarde, hoe zijne hervormde bondgenooten het tegen Philips II hadden beveiligd. Gevoelen wij vanwaar wij uitgevallen zijn? Der verschijning van ons gemeenebest in de wereldgeschiedenis, zoo hoog, zoo heilig een doel toekennende, moesten ons vorst noch volk ter harte gaan, als zij het doen, zoo wij ons koningrijk in honderde opzigten niet gaarne meer zagen gelden, dan het tot nog toe doet. Een oordeel, in hoeverre de pogingen, tot dat einde aangewend, gelukten; eene verklaring, of ge u opgewekt gevoeldet, naar het voorbeeld des voorgeslachts, ontwikkeling aller gaven en krachten ten beste des algemeens pligt te achten, heiligen pligt, staat niet aan mij, maar aan u. Slechts dit bidde ik u, wijt het, wanneer ik te kort schoot, om dien indruk te weeg te brengen, wijt het mijner zwakheid, wijt het ons museum niet. „Der grieksche kunst mogt het gegeven zijn,” als een groot man heeft gezegd, „zoowel den voorwerpen der zinnen eene ziel te bedeelen, als den afgetrokken’ begrippen der wijsbegeerte een ligchaam.” Er is geenerlei gebrek, waaraan onze landaard hinkt, voor ’t welk de Hollandsche schilderschool dier eeuw niet waarschuwt; geenerlei deugd des landzaats, waaraan we onze vroegere volksgrootheid zijn verpligt, wie zij geenen onverwelkbaren krans heeft gevlochten. Stelden wij er eenige misschien slechts schemerachtig in het licht, ga die op uwe beurt zelf aanstaren tot ze u toeschitteren. Daartoe te hebben aangespoord en uitgelokt, zal ons roems genoeg zijn. „De oude mythologie der Grieken,” ik haal nogmaals een gezag uit de kunstwereld aan, „leverde overvloed van stoffe op voor plastische scheppingen; de kunst draaide om de spil eener levende nationale pozij.” Beschuldig mij, als ik er niet in geslaagd ben, u Hollands oorspronkelijke schilderschool te doen huldigen als eene veraanschouwelijking dier met de liefde voor bet vorstenhuis gepaarde vrijheidszucht, welke ons volk niet verloor – dan om onder te gaan.

    1844.


Aantekeningen:

1 [Een meer welkom blijk van overeenstemming van gedachten tusschen een schilder en een schrijver die van elkander niet afwisten, heeft ons zelden verrast, dan wij in de fraaie schilderij: l’ Abdication, de Charles Quint, later door L. Gallait geleverd, mogten waarderen. Er is natuurlijk tusschen ons beider voorstellingen niet slechts het verschil van penseel en pen, er is ook het onderscheid in de opvatting van een Belg en een Hollander; en toch willen wij deze gelegenheid niet verruimen om hulde te brengen an Gallait’s genialen greep. Dat het Noorden in den voorhof van het eerlang ts stichten museum Willem I waardig met het Zuiden en zijn Muse Royal wedijveren moge, – wie wenscht het der vaderlandsche historie-schilderschool als wij niet toe?] <Terug>

2 [Vele der hier geuite wenschen werden in 1858 door den heer P. L. Du Bourcq bevredigd. Wij zijn hem eene Beschrijving der schilderijen op ’s Rijks Museum te Amsterdam en eene Notice des tableaux du Muse d’ Amsterdam verpligt, van veelzijgdige studie getuigende. Gaarne brengen wij hem onze hulde, zoo voor hetgeen hij gaf, als voor zijne bekentenis dat hij meer zou hebben gegeven, had het meer dan hem gestaan ons Museum te voltooijen.] <Terug>

3 [Nogmaals verwijzen wij den lezer naar het onder dit opstel geplaatste jaartal. Het verklaart niet slechts het hierboven uitgesproken oordeel over onze jongere schilderschool; maar ook de waarde van geheel den omtrek eener beeldtenis aan wier voltooide uitvoering Macaulay de onsterfelijkheid dankt.] <Terug>