E. J. POTGIETER (1808-1875)

SALAMAGUNDI.

I.

Er zijn weinig toestanden denkbaar, wier veraanschouwlijking zoo zeer buiten het bereik der beeldende kunsten ligt, als die, waarin zich een der hoofdpersonen dezer vertelling op het oogenblik, waarin wij hem voor u wenschen op te voeren bevond. Voor een beeldhouwer zou de voorstelling iets vols onmogelijks zijn geweest; voor een schilder eene opgave – om er wanhopig van te worden. Ge verbeeldt u... de hemel weet wat! – alles, behalve de waarheid voorzeker. Of viel het u in te vermoeden, dat wij u kennis wilden doen maken met een jongeling, wiens vlugge en vrolijke geest in staat was de gunstige gedachten te regtvaardigen, die zijne kloeke gestalte, die zijn koen gelaat u bij den eersten blik zouden hebben ingeboezemd! Wees opregt genoeg te getuigen, dat gij eer verwacht hadt een bogchel te zullen zien, misschien een dwerg. Maar hoe zou het dan in ons opgekomen zijn, de beeldende kunsten ten staat te verklaren, dien toestand wer te geven; ie er iets mismaakts, dat beitel of penseel onzer dagen er voor zijn terug gedeinsd? Immers neen! Zoo hapert het dan, denkt gij, niet, aan de figuur, maar aan het feit, – en toetst, eer gij het weet, doch te vergeefs, den aardvan uw eigen phantasie door den greep, dien gij uit de reeks der mogelijkheden doet, – want die jonkman wandelde slechts, maar verlustigde zich in dat wandelen even afwisselend, als onschilder-, onbeeldhouwbaar, – hij wandelde op een Decemberdag des vededen jaars – in den mist.

Amsterdam is bekend voor zijne misten – eene eigenaardigheid, die der hoofdstad ook door de naijverigste provincialen niet wordt benijd, eene idiosyncrasie, waarvan wij zelfs den Helder gaarne een goed deel zouden gunnen; – Amsterdam is bekend voor zijne misten, die, – alles, uitgenomen angel-visits, – nooit few and far between genoeg komen; – maar een schouwspel, zoo als het den blikken van onzen jonkman op dien zondag aanbood, hoe wij verlangen zouden het nog eens te mogen zien, „indien men,” – zoo als de courantiers zeggen – „er geen menschenlevens door te betreuren had gehad,” eene echt-Amsterdamsche locutie! Welk een hart toch zoo’n redacteur hebben moet, om voor het gansche publiek rouw te klagen! – voorbeeldig, – voorbeeldeloos! Als iemand door onze vertelling er in, wij willen zeggen, in het water kon loopen, hij zou het ons nooit kunnen vergeven, dat wij de gedachtenis aan dien mist vedevendigden, dat wij die wuivende sluijers op nieuw wenschen te zien heen en werzweven. Omstreeks den middag echter leverde de nevel nog geen andere dan aardige schouwspelen op; – wat dunkt u, willen wij het er voor houden, dat zoowel de redacteur van de oude als de nieuwe Amsterdamsche courant ons een vrijbrief geven voort te gaan, onder belofte, hun „de akeligheden” over te laten?

Verbeeld u dan een mist zoo digt, dat ge op straat of gracht geen drie voeten verre voor u uit kondt zien, maar opkijkende, de gevels der huizen zoo goed gewaar werdt, dat gij er het vers van Tollens op hadt kunnen maken, – onder eene enkele voorwaarde – het talent van Tollens te bezitten. Verbeeld u onzen jongeling – maar wij hebben hem reeds voorgesteld, en van alle weder is een nevel wel het oneigenaardigste om eenig kostuum te doen uitkomen; dit blijve dus tot later bewaard, – verbeeld u hem, uitgegaan, niet zonder waarschuwing van mama, en oppassende, ja, maar volstrekt niet om volgens haren raad den voet in ons Noordsch Veneti slechts op vasten wal te zetten. De bekommerde vrouw! Wel had zij het „onverantwoordelijk” gevonden, dat papa in zulk weder „toch naar Doctrina trok” maar sinds de man beweerd had, dat hij, voor dertig jaren in veel erger mist met haar een grachtje had omgewandeld, was het golijk gezigt door een lachje wer in den effen plooi gebragt; alleen in een hartelijk – „Pas op, Huib!” – gaf zich hare moederlijke bekommering voor den zoon lucht. En waarlijk Huibert paste op, ijverig op, maar louter om te zien, wier eruit de tastbare duisternis om hem heen, als hij voetstappen hoorde, opdagen en even snel wer weg wezen zou; hij neuride onophoudelijk:

„Alles is verschijning,
Alles is verdwijning,
Op de levensbaan!”

„Wie drommel mag dat gedicht hebben?” vroeg hij zich zelven, „die man liep zeker veel in den mist,” – en niet opwaarts ziende, kreeg de wereld om hem heen – maar welk een mal woord, er was geen wereld. te kijk! – kreeg de stad – geen zier beter gezegd, want waar waren de huizen? – kreeg het oord, – doch zelfs de vaalstammige iepen bleken zoek, – kreeg de kring, we zijn er eindelijk, want zijne oogen zagen drie vierde van een cirkeltje nevel – kreeg de kring iets onbeschrijfelijk-primitiefs. Er werd niet heel veel verbeelding vereischt om zich voor te stellen, dat het er hier zoo had uitgezien, toen de Batavieren herwaarts de wijk namen – doch om zich te verklaren, waarom zij er bleven, daarvoor reikte die van Huibert niet toe, dat bleef hem raadselachtig als de mist zelf.

Dewijl zulk een weder ook ten onzent zeldzaam is.”

U heeft ge]ijk, Professor! volkomen gelijk; want als dergelijke nevels niet de uitzonderingen op den regel waren, wij zouden het geboekt vinden, dat Batavieren en Romeinen elkander in zulk een schemering verrasten en versloegen – het zoude ons vermeld zijn, dat Hoekschen en Kabeljaauwschen de daggen trokken zonder dat zij glinsterden – Nerlands romancire zou hare zware taak, Leycester uit den mist aan het licht te doen treden, in dubbelen zin hebben uit te voeren, – en enkelen onzer zou het nog heugen hoe Prinsen Staatsgezinden de een den ar oorvijgen gaven, al zagen geen van beide het stof uit de pruiken vliegen.

Alles is verschijning. –

Huibert zong het andermaal, want hij dacht alleen te zijn, – oost-, noord-, west-, zuidwaarts om hem heen, niet starende, maar schemerziende werd hij op het oogenblik nog aiemand gewaar, bleek hij alleen, hoorde hij geen voetstappen, – en echter, daar blikte hem een lief blond of bruin kopje aan, daar lachten hem geestige kijkers en frissche lippen toe, zoo als zij het nooit op vollen dag, nimmer o neen! nimmer bij vriendelijken, vrolijken zonneschijn zouden hebben gewaagd; – wie was er, die het zag, die het gispte? Ons gezellig verkeer heeft iets vervelend-lamzaligs, – dewijl we schaars den moed hebben waar te zijn! – maar in dien mist werd het oogenblik gewaardeerd, – nu of nooit! – een voetstap verder, en men had elkander uit het gezigt verloren, voor altoos welligt! – immers zelfs om de tien jaren valt op zulk een nevel niet te rekenen. Vraagt gij nog of Huib zich vermaakte? Hoe de hoed van den krullebol ging, hoe er kwinkslagen werden verkwist! Verkwist zeggen wij, want daar gingen er te loor bij dozijnen, want eer zijn lagchend hoofdknikje van onder satijnen of kantoren hoedje, van onder beurtelings stemmig of sierlijk geplooid kornetje werd beantwoord, waren bij wijle muts en hoed, waren de vlugge voetjes, waarop de slanke leest voortzweefde, schuchter weggeijld, of zachtkens weggeruischt, – werwaarts wist hij niet:

„Alles is verdwijning,
Op de levensbaan!”

Huibert wandelde voort; „maar als hij geen kennis aanknoopte, als hij geen meisje den arm bood,” zegt eene lieve lezeres in zich zelve, „dan had zijne wandeling een doel;” en inderdaad, hare scherpzinnigheid heeft geraden, wat hij zich zelven nog niet had bekend. Onder voorwendsel den mist te willen gadeslaan, nu eens in eene enge straat, dan weder van eene hooge sluis – het geviel, dat in de eerste volstrekt geen nevel hing, en bij, van de laatste opziende, slechts den blaauwen hemel zag, – zich zelven diets makende, dat hij op gindsche gracht – bij toeval een der breedste – louter over het water zweven, maar echter keijen en klinkertjes vrijlaten zou, was hij haar opgegaan, en stond hij, schoon hij geen hand voor oogen zien kon, toch niet eene enl-ele schrede te vroeg of te, laat voor eene woning stil – die hij zoo gaarne zou zijn binnengetreden, indien de wil om met „de oude lui” kennis te ”’ maten, voor een jonkman volstond om welkom te zijn. Het was eene aanzienlijke huizinge; Huibert had haar voor u tot in den droom toe kunnen schetsen, met het wapenbord in den gevel, uit den glorietijd onzer patricirs, met de spreuk onder het schild, die hare tegenwoordige bewoners nog het regt hadden te voeren; Huibert had het kunnen doen; ongelukkig voor u en voor ons zag hij er nu niet naar om. Al verhief zich de witte wolk naauwelijks ter hoogte van de vensterbanken der boven-voorkamer aan de regterzij, die boven-voorkamer, naar welke hij wel eens des middernachts had gestaard, gestaard zoo lang het waslicht de dunne gordijnen schemeren deed, gestaard zoo lang eene slanke gestalte er langs heen en wer zweefde, hij beurde thans het hoofd niet naar haar op. De mist om hem heen was zoo digt, dat hij met kloeken stap de dubbele stoep naderen durfde; in de eene zijkamer was niemand te zien, – als men te avond menschen wachtte, stond de kans schoon, dat het huisvertrek onder de andere gelegenheid, geven zou tot een groet! Arme lezer! die reeds oud genoeg zijt, om de hoop op zoo klein eene gunst te glimlagchen, gij hebt meer verloren dan uwe jeugd, gij dierft ook uw hart! Hoe dat van Huibert klopte bij het nader treden! – alles, tot de hand toe, bij voorbaat aan den hoed gebragt, verried zijne aandoening; hij keek, en de teleurstelling sprak uit zijn gansche gezigt, uit de mooije bruine oogen wel het meest! Evenwel hadden deze werk te over; want wie is er, die gelooft dat Huibert een twee drie verder ging, dat Huibert der verzoeking weerstand kon bieden – hoe de mist toch onbescheiden maakt! – een oogenblik stil te staan? Hij had immers slechts een paar schreden achteruit te deinzen, om dadelijk schuil te zijn?

Welk een begeerige, benijdende blik!

Het was eene huiskamer zoo als bij zich had voorgesteld, vol van de tallooze geriefelijkheden, welke in het hollandsch geen naam hebben – alsof men die in Holland niet te waarderen wist – maar welke de vreemde echter voor hollandsch geld gaarne ruilt! Houd het ons ten goede, dat wij daar het woord namen, in plaats van het den minnaar te laten; onvoorzichtigen dat wij waren! wat zouden onze oogen hebben gezien, in vergelijking met die van een’ vediefde? – Al was er menig foli rien, dat ook aan Huibert ontging, hij waardeerde toch in de enkele, die hij op kon merken, de schikking, den smaak zijner lieve. Voor hem ontbrak overal het meisje, dat in zijne’ oogen de scheppingen van Mieris en Netscher, langs de wanden prijkende, in aanvalligheid overtrof; de winterbloemen mogten frisch staan, waar was zij, die ze had gekweekt en verpleegd? Het bleek een vruchteloos staren, maar waarin des ondanks genot school; want voor hem zweefde haar geest er niet minder over; alleen aan haar was het dank te weten, dat de overvloed niet tot overlading had verleid: dat alles, wat er plaatse had gevonden, die plaats waardig was! Hoe rustte zijn blik met welgevallen het langst, het liefst op eene kleinigheid, op: de wijze, waarop drie stoelen voor een der vensters waren gezet, een halven cirkel vormende: de zachte, breedarmige, hoog gerugde harer zwakke moeder het digtst bij het vrolijk brandend, vuur, niet marmeren stoof er voor; tegenover deze het tabouretje, waarop zij, de dochter des huizes, aan hare voeten scheen te zitten, en tusschen beide, of het weinige licht des daags, er te voller op vallen mogt, den stoel voor het blinde nichtje, dat geloofde toch nog iets te zien, dat daar op dit oogenblik tegenover Huibert zat, maar hem zoo min gewaar werd, als zij, den mist bemerkte; „ik heb er nog niets van gevoeld,” zou zij u zoo gelaten hebben gezegd.

„Waf! – wof – – waf !”

Het klonk maar uit de verte, doch Huibert deinsde onwillekeurig achteruit – want de blinde had bij het geblaf niet slechts het langlokkige hoofd opgeheven, maar het breiwerk op de kleine,. tafel gelegd; – al zag zij niet, hare eerste beweging deed, Huibert zich schamen over zijne bespiedende rol, of, wilt gij, joeg hem vrees aan, dus te worden verrast. Op rees zij, op, de kleine, blanke handen vooruitstekende, al was ieder voorwerp in die kamer haar volkomen bekend, en zachtkens zette zij de voetjes op het smirnsche tapijt voort, zachtkens, of zij voelen moesten wat den oogen ontging; maar Huibert was de woning al voorbij, de sluis al op. En heil onzen vediefde! want de new-foundland-hond zou hem het stilstaan voor de deur verrassend hebben doen boeten; gezwegen van den livereiknecht, tot wien het dier, ’t geen den weg in dat omzien al heen en wer had afgelegd, waf-wofend terugkeerde, om andermaal mee naar huis te gaan.

Geen geneurie, – geen spotternij meer over den man, die in den mist liep en poet meende te zijn, – maar gepeins, – maar gezucht, – gelukkig voor u kwalijk te vertolken, gelukkig voor ons van geen zeer langen duur. En echter niet zoo kort, of het was Huibert’s opmerkzaamheid ontsnapt, dat de mist eensklaps digter was geworden, dat hij thans, naar den raad van mama, wel oppassen mogt.

Hoe het hem herinnerd werd?

„Ha!” hoorde hij dankbaar uitroepen, „daar is iemand,” en dezelfde stem voegde er angstig bij: „weet u ook waar wij zijn?”

Een lach vloog over Huibert’s gelaat, toen hij zich zelven bekennen moest, diep genoeg te hebben gedroomd, om wakker geschrikt te moeten worden; doch zijn toestand verkreeg iets pijnlijks, zoodra hij bemerkte zelf niet te weten, werwaarts hij gewandeld, was, en de woorden zoo onachtzaam te hebben opgevangen, dat hij aarzelen mogt, in welke rigting te antwoorden.

„Weet u ook,” – klonk het andermaal, en het leed geen twijfel, de vragende was eene vrouw; – het viel niet enkel aan den toon der stem te hooren, het bleek ook uit het ongeduld, dat de vraag herhalen wilde, uit den schroom, die haar halverwege werhield.

„Ik kom,” hernam Huibert, met zijne badine den weg om hem heen voelende, – voor de eerste maal deed het ding goede dienst, – en schreed vijf of zes voetstappen voort, en werd eene gestalte gewaar, als slechts de jeugd heeft, en zag een, eenvoudig gekleed meisje voor zich, met een pak in een mandje: – wie onderscheidt in den mist zoo naauwkeurig? – op den arm.

„Mejufvrouw!” begon hij, „als ik u van dienst lran zijn...”, Een zweem van blos tintte het lieve maar bleeke gezigtje; in verwarring had zij de oogen neergeslagen, de toestand was zoo zonderling! Het bleek iets anders te zijn, in den digten nevel verschrikt den eerste den beste toe te roepen, en in dezelfde zigtbare duisternis met een onbekende, een jongen onbekende bovendien, een gesprek aan te knoopen. Langer stil te zwijgen, ging echter ook niet aan – een omzien hief zij de blonde wimpers op, – en Huibert mogt zich gevleid gevoelen door den gunstigen indruk, dien hij had gemaakt; er sprak vertrouwen uit den toon harer stem.

„Ik dank u, mijnheer! – ik weet nog niet, hoe de angst mij, den moed heeft gegeven, maar ik vreesde verdwaald te zijn, – als mijn pligt mij niet riep, ik zou in dit weder niet verder gaan – is het hier niet het – plein?”

Wat zou Huibert antwoorden, – dat hij het evenmin wist als zij? Pas si bte! Hij geloofde dies maar: „ja!” – en dacht minder na over het onware zijner verzekering, dan over den pligt, die haar op zondag-morgen zelfs geene rust gunde.

„Verpligt, mijnheer!” hervatte het meisje, „dan heb ik de – gracht links, dan zal ik den weg wel vinden.”

„Wij zullen hem zamen zoeken,” viel Huibert in, bij wien thans het ligtzinnige zijner bevestiging begon te wegen; „immers, als u het mij toestaat, – uwe ouders zullen zeer ongerust zijn.”

„Ik ben weeze, mijnheer!”

Een oogenblik stilte; – Huibert verweet zich zelven, eene opwelling van nieuwsgierigheid te hebben botgevierd, die haar blijkbaar op zoo droevige herinnering stond. Hij aarzelde, of hij er op zou laten volgen: „uwe familie dan?” maar de vrees, andermaal zeer te doen, werhielrl hem, – eerbiedig vroeg hij:

„Wil u mijn arm nemen, mejufvrouw?”

Daar klonk de kreet van een kind, – een flaauwe maar klagende kreet van een zeer jong wicht, uit wat straks een pakje in een mandje scheen!
„Ik dank u,” hervatte het meisje, blijkbaar verlegen, – „sus, sus, stumper!” voegde zij er, den zuigeling aansprekende, bij, – en toen weder tot Huibert: „de mist klaart ook reeds o?” – („zie zoo,” dacht Huibert in zich zelven, „in gebret aan waarheidsliefde zijn wij quitte,” want de nevel bleek ver van te dunnen), – „ik was daareven zoo ontsteld, daar ik onverwacht op de – „sluis” (zij ging intusschen voort, en luisterend ging Huibert mede) – „voor de paarden van een rijtuig stond...”

„En toch heeft u het gewaagd voort te gaan?”

„Ik mag niet op mij doen wachten, – maar verschrikt door de ruwe woorden van den koetsier, die mij meer hoorde dan zag, vreesde ik verdwaald te zijn; – op het plein stiet mijn voet tegen...”

Er deden zich voetstappen hooren; – was het daarom, dat het meisje den zin blozende afbrak? Huibert had den moed niet het te vragen, maar besloot, wie de naderende zijn mogt, zich te zullen vergewissen, of zij op den regten weg waren.

„Vriend!” vroeg hij den op zijn zondags uitgedosten sjouwerman, dien wij liever in zijn werkpak zien, maar dat dan ook zonder gaten of scheuren – een fiksche lap getuigt, van de zorg der vrouw, – „vriend! gaan wij hier niet naar de –?” Het antwoord luidde zoo teleurstellend mogelijk, vlak de tegenovergestelde rigting van die zij meenden, waren zij ingeslagen!

„Ik ben een onhandig leidsman, mejufvrouw! maar u moet mij vergunnen mijne dwaling goed te maken,” zeide Huibert hartelijk, „ik stel er prijs op, uwe familie –”

„Ik heb geene familie, mijnheer! – ik ben pleegzuster...”

„Zoo jong,” viel Huibert in, en hield, wat hij er op wilde laten volgen, binnen.

Maar niet aldus het meisje aan zijne zijde.

„En zoo ongelukkig, wilde u zeggen,” vulde zij aan, en glimlachte zacht, en stilde de kreten van het kind, dat zich weder kreunend hooren deed.

Zij had zijne gedachte geraden, – welk eene tegenstelling school er in beider lot! Daar gingen zij naast elkander denzelfden weg, – maar hoe verschillend bedeeld! Voor hem, de gevierde zoon van goeden huize, geleek het leven een bruischen den beker, overvloeijend van genot, – voor haar, de verlatene onder vreemden, scheen het een bittere kelk, dien zij, lijdende, ledigen moest. Het waren de twee uitersten der maatschappij, – maar die toch iets gemeens hadden – de jeugd. Dat was het, wat hem trof.

En dan dat kind – in die armelijke deken, – in die havelooze mand!

„Zoo jong,” hervatte hij, – „en den ganschen dag in eene ziekenkamer –”

„Eene wereld als eene andere, mijnheer! die haar eigen heeft, het is maar al te waal doch ook haar eigen lief, geloof mij. – U is wel nooit ziek geweest?”

„Niet dat mij heugt,” antwoordde Huibert.

„En u heeft ook nooit zieken opgepast?”

„Wat dunkt u, zou ik er voor deugen?”

„Och, daar deugt ieder toe – die hart heeft!” En, als viel het misschien overijlde woord wer in te halen, repten zich de voetjes der pleegzuster vlugger; „ik zie daar ginds den hoogen – „toren,” liet zij er op volgen, „en vind mijnen weg dus ligt, – mag ik u nu dank zeggen voor uw geleide, mijnheer!”

„Alsof ik zoo weinig hart had, u niet eerst veilig te huis te willen weten, mejufvrouw! te huis, waar niet enkel uw pligt u roept, ik ben er zeker van –”

Onwillekeurig viel zijn oog op het mandje; maar wie bloosde, het meisje niet.

„U heeft gelijk,” zeide zij vertrouwelijk, als wilde zij, wat er te strafs mogt geweest zijn in hare vroegere uitdrukking, vergolijken, „en God zij er voor gedankt, dat ik het zoo gelukkig getroffen heb, dat ik lief mag hebben, waar ik hulp bewijze. „O, het zou hard wezen, zoo het anders ware, – hard voor mij vooral, die zoo geheel alleen sta!”

Hare stem beefde, maar hare schreden vertraagden niet; – Huibert volgde slechts de rigting, die zij aangaf, doch deed het niet lang meer.

„Hier is het huis,” riep zij blijmoedig, en wachtte niet tot haar geleider de hand aan de schel bragt, „eene pleegzuster heeft geen regt u binnen te nooden, maar des te meer is ze u verpligt –”

„Geen dank, mejufvrouw! dan de mijne voor uw gezelschap, en een verzoek. Als ooit iemand, voor wie ik hart heb, krank mogt worden” – er was aandoening in zijne stem – „en ik een te onhandig oppasser bleek,” zijn gelaat had weder de gewone blijgeestige uitdrukking, „zou dan mijne lieve moeder, mevrouw van Veere, uwe hulp mogen inroepen?”

„De hemel beware er u voor!” hernam het meisje, de kieschheid waarderende, waarmede hij haar zijn naam noemde, „maar de gang in den mist zal mij heugen –”

De deur ging open.

„En uw dolende leidsman u immers ook?” vroeg Huibert toen de pleegzuster zijn afscheidsgroet beantwonrdde.

De deur was digt.

„Alles is verschijning,
Alles is verdwijning,
Op de levensbaan!”

Zoo neuriede onze jonkman andermaal, terwijl hij den naan las, onder de knop van de schel geschilderd, en zich dien in het geheugen prentte – of de dag komen kon, waarin hij wensechen zoude, dat het versje in omgekeerde orde voor hem waarheid wierd.

Het was spoediger gedaan dan wij het beschreven, maar het staat aan ons revanche te nemen. Rapper dan hij het kan doen, leggen wij den weg langs twee of drie grachten af, wippe eene sluis over, en zijn, eer nog ne der bedaarde dienstmaagden, die niet in den mist is geweest, en dus zuur ziet, hem de deur van de woning zijns vriends heeft geopend, al bezig de kamer op te nemen, waarin hij ons fluks wer inhalen; waarin hij zoo gaarne een uur koutend doorbrengt.

Een vertrek op de eerste verdieping, maar des ondanks hoog genoeg, om u te verpligten het hoofd achterover te slaan, als gij het gouden loofwerk wilt zien, aan de eikenhouten zoldering uitgehouwen. Een vertrek op de eerste verdieping, door drie vensters den dag vangende, maar dat echter ook bij den heldersten zonneschijn noch licht, noch luchtig wezen zou, zoo breed zijn de beide dammen, zoo ver van de ramen is de deur, die wij zijn binnengegaan. Een ruim, zeer ruim vertrek, dun u, maar dat gij nog eens zoo ruim noemen zoudt, als die wand vrij waren, als er regts en links en achter ons, en ja, vr ons ook, tot tusschen de ramen toe, geene kasten en kastjes stonden. Wij hebben tot dusverre en gros beschouwd, – willen wij nu en dtail gslaan! De kabinetjes, tegen de dammen geplaatst, zijn het eerst aan de beurt, – gij haalt de laadjes van het eene uit, wij draaijen het sleuteltje van het andere om... Goede hemel! waar zijn we verdwaald? – eene verzameling van munten en penningen, – een stel schelpen en horens, de knutselarijen der vorige eeuw! Schuift die in – schuift die in, – wij deden de deurtjes al wer digt, – wie zou die liefhebbers-aardigheden verwacht hebben onder de geestige gipsbeeldjes van Voltaire en Rousseau, karakteristiek uitkomende tegen het donker behangsel? Wie ze verwacht zou hebben? Een satyricus, in staat de antithese te waarderen van het deftig dommelen van zoo velen onzer eerzame voorouders, zich met die beuzelarijen onledig houdende, – voor zulk werken een mooi woord, – terwijl de wereld eene omwenteling te gemoet ging, die nog aller hoofden draaijen doet! Maar ge bleeft er niet bij stilstaan; ge moogt die lange reeks van kasten aan de linkerzijde der kamer wel, en het valt niet te loochenen, op hare eikenhouten deuren doen de jaren een aangenamer effect dan op saaijen gordijnen of in papier nagebootst traliewerk. Doch, als ge kiezen mogt tusschen de schelp en de parel, hoe ge „mijn!” zoudt roepen bij dat onafzienbaar boekental, in allerei talen, zoo sierlijk in een zelfden lederen band gebonden, – in dat opzigt was de achttiende eeuw degelijker dan de onze! Er is al de eenvormig-, al de eenkleurig-, al de schijnbare eenparigheid in van een hoop krijgsvolk, van een heir, zoo ge wilt; – maar van binnen schuilt er grooter verschil van hoofd en hart, dan ooit op een slagveld in dezelfde gelederen stond. Het, wordt, al zijn de sprongen wat groot, niet onaardig aangeduid door de bustes, die ge hier uit het midden der kamer met nen blik kunt overzien: Cicero, Socrates en Seneca regts; Herder, Gthe en Schiller links, en vlak tegenover ons, tusschen Grieksche en Duitsche wereld, grillig genoeg, Pope met de slaapmuts op het eene oor.

Wij hebben, bij het binnentreden, ter wederzijde van de deur, de breede vakken voorbijgezien; wij mogen er ook nu maar een vlugtigen blik op slaan. Hoe het tal van voorwerpen, in de, kasten van het eene, achter glas geplaatst, door grillig-, door geheimzinnigheid van vormen de oogen pijnlijk aandoet, en den geest een onaangenamen indruk geeft! Het zijn de instrumenten van een’ natuurkenner, wat zeggen wij? van een’ proevennemer, van een’ goochelaar. Ondanks al de bewondering, welke ons publiek in den jongsten tijd bij afwisseling voor Robin, Bosco en Pritel veil had, – terwijl er intusschen op het terrein der politiek veel aardiger passe-passe werd gespeeld! – heeft toch bijna niemand een oom of neef meer, die ook liefhebbert in de gaauwigheid, – die mode is voorbij! – De stoffaadje van het andere vak – waarom zouden wij het; loochenen? – is hier bijna een hors d’oeuvre: eene verzameling van jagtgeweer, buksen en weitasschen, trofeen van allerlei aard, hertshoornen, vossenstaarten, enz. En echter, wat schuilt er eene tooverkracht in de gedachten, die zij voor den geest roepen, – het vrije veld, – de frissche stroom, – het donkere woud., – eene kluft patrijzen voor u opvliegende, een haas op de he. Maar waartoe zouden wij die optellen? ge blijkt meester te zijn in het edele weispel. Ge ziet het dien rijkdom van wapentuig aan, dat lust het wild te verschalken in het geslacht van den eigenaar erfelijk moet geweest zijn van vader op zoon, en bij het ontwaren van gereedschap, o! zoo lang al verouderd, toen de haarzak eerst in zwang kwam, watertandt ge naar de de tradities er aan verknocht.

En nu de regterzijde des vertreks, als ge wilt, de zij van den schoorsteen, die er pittoresker uit zou zien, als een engelsche haard de koperen zijplaten niet verborg, als er, in stede van een sissenden, spattenden kolenhoop, een honderdltal turven in brandde met een paar eikenblokken er kruiselings overgelegd.

Fraaijer zon het zeker staan, maar of de dampkring om ons heen dan dragelijk wezen zou, voor ons, verweekelijkte ontbijters met eene dunne snede broods en eenige koppen laauw water, voor ons, stilzittende suffers of suffende stilzitters, dat blijft de vraag. Gelukkig is het onze taak niet haar hier te beantwoorden; wij vreezen, dat gij er niet eens ooren voor hebben zoudt. Immers ge zaagt naauwelijks in dezen hoek des vertreks de statuetten van Willem den Eerste, en ter wederzijde van haar, ietwat lager geplaatst, die van Vondel en Rembrandt, of gij raadt, welker letterkunde hier hare plaats werd aangewezen, der onze „bij uitnemendheid” willen wij zeggen, opdat niemand ons van uitsluiting der vroegere, der midden-Nederlandsche verdenke. Er is ruimte ook voor de laatste in deze bibliotheek, als in ons hoofd en ons harte, mits men ons in die overblijfselen van wie weet hoeveel vorige eeuwen slechts onze kindsheid waarderen leer, mits men er geene sympathie voor eische, als voor de voortbrengselen uit de dagen onzer kracht. Twee bustes, ter regteren ter linkerzijde dezer bibliotheek, op sierlijke voetstukken gezet, vertegenwoordigen de waardige wachteren van onzen dierbaarsten volksrijkdom gedurende langer dan eene halve eeuw, van der Palm en Bilderdijk! Op die onderste planken schuilt de arbeid onzer tijdgenooten, onzer schrijvers van den dag, – wij willen u niet in verlegenheid brengen door u te verzoeken om hen te noemen, die gij gelooft kans te hebben op den krans der nakomelingschap! De hooge schouw voorbijgaande, zijn wij, aan een der in dit vertrek zoo schaarsche nieuwerwetsche meubelen genaderd, een breede kunstkast, wier overvolle portefeuilles u door de afbeelding der meesterstukken uit galerij bij galerij zouden verrukken, als we den tijd. hadden die op te slaan. Eene reeks van wonderen der graveerstift, waarbij het uw hart goed zou doen, ook onze schier verloren etsnaald niet vergeten te zien. Maar al blijft het beloofde land voor heden uwen blikken verborgen, om die kunstkast heen is nog genoeg te kijk. Wij spreken niet van de beide familiestukken, ter harer wederzijde opgehangen, – droevige bewijzen, dat dergelijke martelingen des penseels in ieder tijdperk der kunst worden geischt en getrotseerd, – wij staren dien wand aan, in een museum van gipsbeeldjes herschapen. Te talrijk als ze misschien zijn, tuigen ze niettemin voor den veelzijdigen kunstzin des schikkers. Op breede consoles tegen den dam en tegen den schoorsteen geplaatst, zien wij Jean sans Peur en Karel den Stouten slechts en profil, – wat is er nog plaats op die zijwanden open voor figuren uit onze historie, voor figuren, op welke wij naauwer verwantschap zouden gevoelen dan op dat leeuwenpaar uit het Bourgondische Huis. Wie zal haar aanvullen, zoolang de beeldhouwkunst slechts in den vreemde wordt gewaardeerd? Immers, dat niet enkel het naakt, niet enkel de volmaakt schoone vormen, niet enkel de ouden verdienden den beitel te bezielen, het blijkt hier voldingend, waar ge ze naast elkar ziet, de antieke en de moderne galerij, de kunst, die in ieder opzigt den blik des kenners bevredigt, naast de kunst, die ook andere gewaarwordingen dan zinnelijke wekken wil. Scheld ons geene barbaren, als waren wij den Apollo en de Venus, moede, – wij huldigen de onvergelijkelijke meesters, die goden aan het licht riepen, tot in hunne laatste navolgers toe, – tot in dat weergalooze beeldje, la Nuit geheeten, – waardig hier in het midden dier grootsche scheppingen te worden opgenomen; wie die het loochenen durft? Maar leg uwerzijds dan ook de bekrompenheid af, den grooteren rijtdom van gedachten voorbij te zien, die in nieuwere toestanden schuilt, – er ontsluit zich wereld bij wereld voor u in die groepen uit allerlei luchtstreken en van allerlei landaard, aan wier voet Sancho Panza gezegd mag worden the real te vertegenwoordigen, terwijl Don Quixote aan hare spits the ideal te verzinnelijken schijnt.

Er staan twee bureaux in deze kamer tegen elkar geschoven, tusschen de groote tafel voor den haard en de kleine aan het middenvenster in, de eene ouder-, de andere nieuwerwetsch. De eene is een bemiddeld burgermens overgeriefelijke gelegenheid, om al zijne papieren in tal van kastjes te schikken, om bovendien in verborgen laadjes bij de vleet allerlei gedachtenissen voor het oog der nieuwsgierte weg te bergen, om eindelijk de voeten, in de rondom beschotene halve celle, op een koperen stoof aangenaam warm te houden, den leuningstoel er in geschoven. De andere is eene misteriele schrijftafel, zoo men zegt, met bitter weinig gemakken, maar op vier sierlijke pooten rustende, tusschen welke een pelzen voetzak ligt, die echter niet beletten kan, dat de blootgegeven beenen elken togt vatten. Er staan – maar waartoe al verder een catalogus voortgezet, die vergeefs begonnen zou zijn, als ge nog niet vermoeddet, dat wij in deze bibliotheek, in plaats van een enkelen, eenzaam studerende, er twee aantreffen, die gezellig zamen doen, maar zoo zeer verscheiden zijn in leeftijd en daaraan verknochte begrippen en smaak, als zoo menig contrast, onder het rondzien in de stoffaadje opgemerkt, reeds aanduidde. Daar zaten zij om het tafeltje, tusschen de kabinetjes, waarop Voltaire en Rousseau eene plaats vonden: Oom Frits, den wel wat matten blik op den digten nevel gerigt, Neef Willem – een flink dertigjarige – aan zijne regte, en tegenover dezen onze goede vriend Huib, lang reeds binnengekomen en vriendschappelijk begroet. Er was teekening te over in de groep, al kwam oom op zulk een oogenblik het minst voordelig uit. schijnbaar mijmerende, als hij daar zat, terwijl zijne magere vingeren eene maat sloegen op het kussentje van den leuningstoel, hadt ook gij hem al de trage bloheid aangezien, welke het gerucht hem nagaf; waardoor hij, zoo men wilde, nooit in de werkelijke wereld was opgetreden, noch als geleerde, waar voor hij in zijne jeugd heette te hebben gestudeerd, noch als handelaar, waartoe hem later, in het huis van zijnen onlangs overleden broeder, gelegenheid geboden was. Het zou echter een: onbillijk oordeel zijn geweest, als zoo menig, dat de maatschappij”; op weinige gegevens wijst! Willem, die hem van kindsbeen af kende, en voor wien zijn beminnelijk gemoed schier geene schuilhoeken had, Willem zou opgestoven zijn, als hij ook in u „alweer een verongelijker van oom Frits” had aangetroffen; opgestoven, zeggen wij, ondanks al de zachtheid van aard, waarmee gij u, bij zijne donkerblaauwe oogen en ligtblond haar, gevleid zoudt hebben, en dat niet zonder regt. Er was iets zuidelijk-levendigs in die overigens echt noordsche figuur, iets, zuidelijk-levendigs in de drift, waarme hij op dat oogenblik een vel papier, folio formaat, minder oprolde dan ineenfrommelde, en op het tafeltje wierp, onder den uitroep:

„Oef! wat een balans!”

Was Willem koopman? neen! – was Willem advocaat? evenmin! – hij was voor ongeveer drie jaren bevorderd tot hoogleeraar in het vak zijner lievelingsstudie, une science exacte, „eene afgetrokkene wetenschap”; – maar schoon gij thans van hem vernomen hebt, wat Huibert lang reeds wist, wij willen wedden, dat gij, – even als deze deed, toen het vel papier,,: loswikkelende, op zijne knie stoof, en zijne bewondering van! een paar geestige hazewinden in pleister afbrak, – dat gij verrast zoudt hebben gevraagd:

„Welke?”

„Geen geldelijke,” ze oom Frits; „die pleegt men op den een en dertigsten December stilletjes op het kantoor af te sluiten, en wij hebben heden den twintigsten eerst, – ook geene zedelijke, – die behoort tot den oudejaars-avond na de preek, en wordt nog stiller geboekt.”

„En toch is het eene balans der middelen ter ontwikkeling van geest en gemoed, oom!” viel Willem in, en liet er op volgen: „Zie eens hier, Huibert!” terwijl hij het weggeworpen folio-vel wer ter hand nam, gladstreek, en op het tafeltje nerlegde; daar hebt gij de lijst der boeken, door ons leesgezelschap – onder o, zoo’n wigtige spreuk – in dit jaar gelezen; – wat oogst verwacht gij van zulk zaad?

An imitari agros fertiles, qui
Multo plus efferunt quam acceperunt.”

„Hm! – hm!” mompelde oom Frits.

Huibert zag terwijl de lijst eens in.

„Treft gij onder die boeken kennissen aan?” vroeg Willem hem.

„Weinige,” was het antwoord.

„Gelukkige, ge zijt geen directeur, zoo als ik; – maar mogt ik het weigeren, toen men mij, na vaders dood, verzocht dien last op mij te nemen? Als ik geweten had wat al kwelling er in de keuze steekt, ik zou mij toen reeds verontschuldigd hebben, zoo als ik nu op de eerste vergadering de beste voornemens ben te doen. Oom gaf er dadelijk de brui van – ”.

„Ook in dien zin, Willem! is het waar:

Wer dem Publicum dient ist ein armes Thier,
Er qult sich ab, niemand bedenkt sich dafr.”

„Het was mij om geen dank te doen, oom! – voor een kring van kennissen goede boeken te kiezen, kon, dacht mij, weinig bezwaar in hebben.”

Que sais-je? zouden wij er tusschen hebben gevoegd, wanneer ons eene stem in het kapittel ware gegund, en hadden misschien nog minder verbazing aan den dag gelegd over het vermetele, van voor zoo velen eene keus te durven doen, dan voor de onverschilligheid, die voor zich laat kiezen... Hoe, de huismoeder duldt noode de bemoeijenis van eenig lid des gezins met hare regeling van den disch, en mijnheer, hoe weinig huishen hij zijn moge, hoe zeer hij die loffelijke eigenschap overdrijve, tot niet eens visch te koopen, mijnheer proeft toch zelf zijn ’ wijn! – maar hunne lectuur ontvangen mijnbeer en mevrouw, zoo als zij hun te huis wordt gezonden; die is in de handen, in de harten der jongelu, eer er de ouderlijke oogen over zijn gegaan; eer het bezadigd verstand den invloed gewogen heeft, dien prikkel of breidel kunnen, neen, ongetwijfeld moeten maken!

Als het Willem duidelijk was geworden, zou hij voor de zedelijke verantwoordelijkheid niet nog eer zijn teruggedeinsd, dan voor de verstandelijke?

„Hoe veel leden telt uw leesgezelschap?” viel Huibert in.
„Vijftien,” ze Willem, „maar onder die vijftien schuilen de heterogeenste bestanddeelen ter wereld.

„Serpentes avibus geminantur Tigribus agui.”

„Ge begrijpt,” schertste oom Frits, „een jong professor aan het hoofd –”

„Plaag mij maar, oompje! met de mooije figuur, die ik maak, tusschen een effecten-makelaar en een grossier in droogerijen, of vis vis van een scheepstimmerman en een wisseljood – ”

„Een prettig avondje,” lachte Huibert.

„Met mijnheer Maelstede, –” voer Willem voort.

„Die zulke keurige diners geeft, – ”

„Met mijnheer van Tricht, –”

„Die zoo’n mooije dochter heeft,” klonk het er wer tusschen.

„Met den advocaat ter Zwaag, –”

„Wiens vrouw zoo allediefst zingt,” ze Huibert schier benijdend.

„Ik geloofde,” voer Willem voort, „dat al die menschen ten minste daarin overeenkwamen, behoefte te hebben aan lectuur, die hun van een jaar lezens eenige aangename, vruchtbare herinneringen zoude achterlaten; – hoe durf ik er mij me vleijen, als ik dat zondenregister inzie!” En het vel papier, folio formaat, zwierde heen en wer. „Wel hengt het mij, oom! hoe u mij van den beginne af waarschuwde, dat ik in de lectuur te veel plan bragt, dat ik de zaak te duitsch opvatte” ...

„Willem!” viel oom in, „dat was dan eer eene op- dan eene aanmerking,

For though their meerschaums much the nose provoke,
I doubt if all their doctrines end in smoke,

weet gij.”

„En echter,” voer Willem voort, „nu ik nazie wat ik rondgezonden heb, schaam ik mij schier – ”.

„Vrij wat stichtelijks,” merkte Huibert aan.

„Is het mijne schuld,” vroeg Willem, „dat er schier niet anders uitkomt?”

Eilieve! mogt gij aan de juistheid der opmerking twijfelen, verzoek dan uw boekhandelaar om de „algemeene lijst”, of Tideman’s nieuw blad, enz., en ge zult verbaasd staan over de betrekkelijk groote evenredigheid van „godsdienstige” boeken, welke iedere maand aan het licht brengt, vergeleken met de „Regtskundige”, „Natuur- en Geneeskundige”, „Geschied- en Aardrijkskundige” en wat al „kundige” rubrieken meer. Ge zult u niet kunnen voorstellen, dat er nog hongerigen zijn bij zoo vele „Mannakruikjes”, – nog ordeloozen met des „Christens Cassaboek”, – nog bekommerd stervenden met „Christen-Zieketroosters” en „Woorden in Treurkamers” bij den hoop! En pour la bonne bouche toeft u, of dat alles nog niet genoeg ware, onder de „Mengelwerken” een exemplaartje van „de Instellingen der Jezuten”, en de „Afscheidsklanken van een stervenden proseliet!!

„En wie eischt dat gij er u over schamen zoudt,” hernam, oom Frits, „mits het inderdaad stichtelijk geweest zij?”

„Och, mijnheer,” ze Huibert, „u neemt toch al dat gepreek niet in uwe hoede – ”.

„Ik sla er zelden een oog in,” hernam oom, met een fijn glimlachje, „maar een bestuurder van een leesgezelschap heeft den volkssmaak raad te plegen, en ik vind het geen ongeluk, dat die ten onzent naar het ernstige overhelt. Godsdienstzin is een eigenaardig-hollandsche karaktertrek – ”.

„Maar die dan toch waarlijk niet zal ontwikkeld worden,” er was vreemd vuur op het altaar van onzen Huibert, – „door de orthordoxie, die hoe langer hoe meer in de mode komt – ”.

„Lieve vriend,” klonk het waardige wederwoord, „ik heb immers tot voorwaarde gesteld, dat die lectuur niet maar in naam stichtelijk zijn zou, – en kan er dan sprake wezen van mode? Ik ken de aardigheid van het oude porselein; maar als ge mijne jaren hadt, ge zoudt haar valsch vernuft heeten. Er spreekt uit dien terugkeer tot verouderde voorstellingen eene te lang geloochende, te lang miskende behoefte. Naturam expellas furc, tamen usque reccurrit.

„Ge zijt onpartijdig, oom, tot zelfverloochenens toe!” viel Willem in; „u weet, hoe ge door die ouderwetschen verketterd wordt – ”

„Alsof ik daarom de waarheid loochenen moest, zonder welke geen dier ijveraars in staat zou wezen, eenigen invloed op de menigte uit te oefenen. – Huibert!” voer hij ernstig voort, „selbst der Irrthum hlt sich nur gerede durch die Elementen des Wahren mit denen er sich durchflieszt,” – ik heb den tijd gekend, waarin we, in het godsdienstige, in een noordschen winternacht schenen verplaatst, – het was alles helder: om ons henen, maar kil ook, ijskil! slechts de rede werd gehoord, slechts de rede gebood! Dit was overdrijving! Verbaast gij er u over, dat men het thans, op zijne beurt, misschien de woorden des dichters doet:

Gefhl und Glaub’, ich will sie hher halten
Als was das Glas des Klglings mir thut kund.

ik doe het mij niet, – eene harmonische ontwikkeling al onzer faculteiten zal nog lang tot de pia vota behooren.”

En oom Frits sloeg weder de mast op het kussentje van zijnen leuningstoel.

„Even als waarlijk-stichtelijke lectuur,” hervatte Willem; „wat heb ik al boekskes verzonden, die te vonnissen waren geweest met het woord van Hooft, oom!...”

„ „Twist vertwist,” ” zeide deze; – en Willem wreef zich in de handen, als verheugde het hem, dat hij de mijmering des bedaagden had afgebroken.

„Of Vondels uitspraak, jongenlief!

Och, papen-ijver is in ’t raetslaen onbesuist.”

„Helaas! ja, oom!”

„Gij verzondt veel romans,” zette Huibert zijne studie der lijst voort.

Le romancier occupe une grande place dans la littrature moderne,” schoof de man er tusschen, wiens veelzijdige lectuur en verwonderlijk geheugen hem zelden voor eene citatie in den steek lieten; „et cette place est lgitime.”

„Het zijn de baten mijner rekening,” lachte Willem; „maar,” liet hij er droevig op volgen, „bet grieft mij, dat de beste, de eenige die ik mij verbeeld dat goede indrukken zullen achterlaten, vertalingen waren.”

„Uit het Engelsch,” viel zijn vriend in; „ik zie hier de Caxtons van Bulwer, Vanity-Fair van Thackeray, David Copperfield van Dickens, Jane Eyre –”

„Welk een bodem,” merkte oom aan, „die den boomen na lang vruchtdragen vergunt op nieuw zoo weelderig uit te botten en den jeugdigen heesters zoo prachtige bloesems geeft!”

„Wat ik die Caxtons met genoegen gelezen heb!” ze Huibert

„De vertaling is getrouw, maar wat stijf,” hernam Willem, „dat het meest hindert, waar de auteur, zoo als Geel het noemde. rag spint.”

„En met wien hebt ge u wel het liefst bezig gehouden, me oom Roeland of met oom Jan?” rigtte onze bedaagde het woord tot Huibert, terwijl hij zijn zwart fluweelen kapje een weinig van het voorhoofd schoof, en enkele grijze haren langs de slape zichtbaar werden.

„Mijn hart kreeg met oom Roeland te doen,” antwoordde Huibert naf, „maar mijn hoofd had plezier met oom Jan,”

„Jammer maar, dat er voor al zulke plannenmakers,” ze papa, „op Java geen plaatse is.”

„Daar sprak de koopman,” – riep Willem uit; „mij heugt de moeder het meest, die haren man slechts gelukkig kon maken, die hem niet groot kon doen worden; hoe zij sympathie zal gevonden hebben bij de dames!”

„Van uw scheepstimmerman en uw wisseljood,” scherts Huibert.

„Hola, jongeheer!” viel oom Frits in, – „wij leven in eene maar zeer burgerlijke maatschappij, doch daarom sluit zij niets, dat waarachtig goed of groot is, buiten; geest en gevoel zijn: Goddank! algemeen menschelijk, – overbeschaving verstompt ze; – geene airs, Huib! Onze letterkunde is er mij niet te liever om, sints onze jongelui voornaam zijn geworden tot hunne verhalen toe, – voor n „Maurits Lijnslager geef ik u tien dandy’s prijs, voor eene Saartje Burgerhart een dozijn lionnes.”

„Oom is op zijn stokpaardje,” lachte Willem golijk.

„Maar zal het van daag nog niet doodrijden, – al kwam Loosjes en Wolf en Deken op de proppen.”

„Ik dacht dat wij eindelijk,” hervatte Huibert, „de lang beloofde herinneringen van uwe lievelings-auteurs zouden krijgen.”

„Als Willem maar 8en moed had,” besloot oom Frits, „hunne werken eens wer rond te zenden; – doch hebt gij Vanity-Fair gelezen?

Nog niet, mijnheer!”

„Hoe is het mogelijk, Huibert! – de effectenmakelaar en de grossier in droogerijen zullen u voor zijn,” plaagde Willem zijnen vriend; „Opinor omnibus et lippis notum et tonsoribus esse.”

„Maar slechts in de vertaling,” ze oom, edie zich niet aanbeveelt door haren titel: „Het schouwtooneel der wereld;” – hoe veel juister zou het geweest zijn met Philarte Chasles te zeggen: les Marionettes Anglaises, oo, Tout ce qui reluit n’est’ pas or, ou, les Coulisses de le socit britannique; want al is er veel onwaars, veel gehuichelds ook bij ons aan de orde van den dag, Rebecca’s hebben wij, heeft de heele wereld nog niet.”

„Maar toch wel Cant, oom!”

„Geef er een hollandsch woord voor,” vroeg Huibert.

„Het is zoo gemakkelijk niet,” antwoordde oom, „Chasles heeft heel wat woorden noodig gehad om het te omschrijven: „Ce n’est pas le calvinseme, ce n’est pas l’hypocrisie, ni la religion, ni l’affectation, ni la pruderie, ni l’anglicanisme, ni 1e puritanisme, ni la rgularit; c’est un peu de tout cela.” De „fijntjes” lijden er bitter aan, zou ik willen zeggen; maar, jongen! er is ook zooveel Cant, die niet onder den mantel der vroomheid schuilt!”

„En dat zien zij,” merkte Willem op, „die tegen de eersten bij ons te velde trekken, meest allen voorbij;”

Lynx envers nos pareils et taupes envers nous.

Wat zou „Het Leesgezelschap van Diepenbeek” een ander boek zijn geworden, als de schrijver niet zoo eenzijdig ware geweest!”

And overshot the mark,” liet oom er op volgen, „zoo als Dickens het in bijna iedere zijner karikaturen der boosheid doet.”

„Ik geef u Uriah Heep en Rosa Dartle prijs,” viel Huibert levendig in, „maar met de overige figuren uit David Copperfield moet u ophebben, ingenomen wezen van het begin tot het einde. Wat is dat omdwalen in den doolhof der jongensliefde waar!” –

„Toch!”’ lachte oom, bijna schalk.

„Ik ben haast vierentwintig jaar, mijnheer!”

„En is de Agnes gevonden? want „nunc solis bene jurat esse maritis” vroeg Willem.

Huibert beantwoordde de vraag niet, al tintte een blos zijne’ wangen, maar weidde uit over het nieuwe meesterstuk van den onuitputtelijken schrijver, dat inderdaad zoo voldingend bewijst, hoe weinig hij zijne toevlugt tot overdrijven behoeft te nemen; – dat op elke eenvoudig geschreven bladzijde treft en boeit door blijken zijner heerschappij over geest en gemoed. Oom luisterde bij de lange lofrede welgevallig toe; – slechts met eene enkele vraag brak hij haar af.

„En het huwelijk met Dora dan?”

„Het werd er mij bang bij te mo, mijnheer!” was het opregte antwoord.

„Of gij u ook eens zoo vergissen zoudt,” hernam oom Frits: „dat is van uwen leeftijd. Op den mijnen mag ik er van getuigen, dat het mij de aandoenlijkste elegie onzer dagen schijnt, – de proza heeft middelen gevonden, die buiten het bereik liggen der pozij, zoo als men haar bij ons begrijpt.”

Een oogenblik werd het gesprek – moge het u niet hebben verveeld! – gestaakt; – oom, neef, Huibert, allen rezen op, allen stonden aan het raam van het middenvenster. Tot nog toe had de mist er zijn floers voor gesprek, digt genoeg om, alle uitzigt te beletten. Maar nu, daar kromp hij eerst eene handbreedte, en toen weldra vier, vijf, eer gij het op kondt merken, tot blootgevens van de boomen aan de waterzijde der gracht toe. Een omzien scheen hij langs hare wallen ingesloten. Het was eerst het begin van een verrassend schouwspel. Eensklaps hief hij zich van de golfjes op, daar rees hij, twee, drie mans lengte hoog en hooger nog, al hooger! tot hij tusschen hemel en aarde heen en weer zweefde, van boven door de doorbrekende zonne bestraald., naar beneden den grond wel bedreigend, maar niet aanrakende, – telkens hier hernemend wat hij ginds verloor, – alom, altijd worstelend, als iets zoo zwaars van iets zoo ijls te zeggen viel, – liever af en aan zwevend, – deinzende en dreigende tegelijk. Maar de pen is zoo min in staat, die eindelooze wisseling van vormen te beschrijven, als het aan het penseel wordt vergund, dat spel van licht en schauw op de daad te betrappen; – eene afschaduwing van het ijdel gewoel der menschenkinderen tusschen den trans boven hun hoofd en het graf onder hunne voeten. Willem dacht aan zijne reis in Zwitserland; oom zeide in zich zelven op:

„When Israel, of the Lord beloved,
Out from the land of bondsga came,
Her fathers’ God before her moved,
An awful guide insmoke and flame.
By day, along the astonish’d lands
The cloudy pillar glided slow.”

Huibert gaf zijn avontuur van dien morgen prijs.

Oom Frits had er naauwelijks ooren voor, zoo lang het verhaal slechts het grappige effect gold, door den mist op de gemoederen gemaakt, – de verrassing van den new-foundlander bleef, even als het onbescheiden stilstaan voor zekere huizinge, natuurlijk buiten het boekje; – maar toen Huibert de verlegenheid van het meisje schetste bij den kreet van het wicht; toen het woord „pleegzuster” over zijne lippen gekomen was, daar werd, oom wakker, daar vroeg hij:

„Een blond, bleek gezigtje, niet waar?”

„Ja, mijnheer!”

„Eer klein dan groot, en eene zeer zachte stem?”

„Die heeft zij.”

„Een blaauw japonnetje, blaauwe hoed, bruine omslagdoek?” „Dezelfde, mijnheer!”

„En zij nam dat kind mede in huis, waar gij afscheid van haar naamt?”

„Zoo als ik u zeide, mijnheer!”

„Vreemd, al heel vreemd, Huib! voor haar.”

„U kent het meisje?” vroeg neef, die weder zijn vel papier, folio formaat, in elkar frommelde.

„Toevallig, Willem!”

„Weet gij wel, oom! dat ik voor een kijkje op al uw kennissen: „bij toeval!” de beste bijdragen zou geven uit, de jaarboekjes voor 1851, – die ik ook al heb rondgezonden? – zulke tijdverdrijven, hm!

Oom antwoordde niet; oom bleef eene poos mijmeren; – hebben wij voor onze pleegzuster belangstelling genoeg opgewekt, om zijn stilzwijgen te mogen, te moeten aanvullen? Bij de lezeressen vreezen wij geen teleurstellend antwoord; bij de lezers daarentegen! Alsof het hun niet vrij stond een bladzijde over te slaan, en fluks den draad des gespreks weer op te vatten.

Er zijn menschen, die waarachtig-dichterlijk denken en voelen; al schrijven zij hun gansche leven lang geen vers; even als verzenmakers bij de vleet zijn, waarin geen aasje pozij vlamt. De laatsten vallen met den vinger aan te wijzen, terwijl de eersten zich schuil houden; – met de eenen hebt ge misschien reeds meer dan u lief is kennis gemaakt; de anderen ontmoet gij te zelden; als gij er eens eenen oom Frits hadt aangetroffen? De volgende trek doe u oordeelen.

Het zal zeven-, acht-, negenendertig jaren misschien geleden zijn, dat een Amsterdamsch handelaar eene bange ure doorbragt, eene ure, met geen goud te vermijden of te verkorten, de ure, waarin de met zooveel moeite gevonden remplaant van No. 63 werd – gekeurd. Eindelijk echter, eindelijk had de trage wijzer den langen weg op de groote huisklok in den gang weder afgelegd, en juist toen zij de twaalve genaakte en het speelwerk zich hooren deed, ging ook de schel over, – daar was het bewijs van goedkeuring: No. 63 bleek vrij! – Het overige vond zich van zelf. – De bepaalde som lag gereed, – een zilveren zakhorloge, een dito tabaksdoos enz. er nevens, – het contract werd geteekend, – „dat is, Goddank! achter den rug,” ze de Amsterdamsche handelaar, toen de remplaant het hem competerende naar zich gestreken had en uitgelaten was.

Hij zou er niet dikwijls weer aan gedacht hebben, indien sedert, eenige jaren lang, om de zes maanden, eene oude vrouw niet den kantoortrap was opgestommeld, om het geld te beuren, waarvoor „haar jongste jongen zijn lieve leven had verkocht!”

Het arme moedertje! – zij mogt het zoo zeggen in de eerste maanden na zijn vertrek, toen ter sprake van was, dat haar Teunis mee naar Rusland, zou moeten, – het kwam allengs zeldzamer over hare lippen; zij werd minder bitter, zij berustte schier. Viel het louter aan den tijd toe te schrijven, dat zij haar lot dragen leerde? Ongelooflijk; – maar wat mogt dan toch de oorzaak zijn, dat haar mond zich voor dezen kreet, zich voor de vroegere verwenschingen wachtte, ook toen de mare van den slag bij Waterloo haar hart ontroeren deed, ook toen zij voor goed geloofde, dat zij wel tot hem zou gaan, maar hij niet tot haar zou wederkeeren! Wie de verandering te weeg had gebragt? Wie anders dan No. 63 zelf, voor wien Teunis den ransel op den rug had genomen, – dan No. 63 zelf, die

in de overeenkomst iets meer had gezien dan une transaction en chair de canon, – die er bij had gedacht en bij had gevoeld! Voor No. 63 waren de trappen, die naar het keldertje der oude vrouw voerden, nooit te glibberig geweest, – voor No.63 had zij nooit te luide geklaagd, nooit te lang geschreid!

Hoe No. 63 er voor beloond werd, toen hij haar de tijding brengen mogt, dat Teunis nog leefde, dat hij op het slagveld bevorderd was tot sergeant!

Een geestige omtrek, No. 63 voorstellende, jaren later der best uit het Oude-Vrouwenhuis een brief voorlezende – een brief van Teunis! – zou gelegenheid geven al zijne humaniteit te doen uitkomen; maar daarom toch nog niet volstaan, vreezen wij, om het potische der situatie regt te laten wervaren, tenzij het onderschrift den lijnen van het potlood ter hulp kwam. Al het dichterlijke, dat er in No. 63 gloeide, behoorde tot zijn innerlijk leven, – het verschool zich in zijn gemoed! Wie zag het hem aan, dat Teunis voor hem een ander-ik was geworden, dat het hem zonderling te moede werd, toen hij, een epistel die geen eind dreigde te nemen, eene beschrijving van zijne bruiloft in Vlaanderen kreeg? Wie vermoedde de mijmeringen, waarin hij zich verdiepte, toen Teunis, uit den Tiendaagschen Veldtogt teruggekeerd, bij het metalen kruis een ridderorde droeg, de orde voor moed, beleid en trouw? Niemand voorzeker, zelfs zijne huisgenooten niet; – of was het ooit Willem ingevallen te gissen, als oom met zijne magere vingeren de maat sloeg op het kussentje van zijnen leuningstoel, dat hij dan peinsde, wat er van hem zou geworden zijn, als hij, No. 63, – zelf het geweer geschouderd., zelf den slag van Waterloo bijgewoond had? Immers neen; want dan zou Willem ook hebben geweten, wiens hand Teunis de oogen had toegedrukt, toen deze zijne vroeg gestorven vrouw volgde; – hem de laatste ure ligter had gemaakt door de belofte, zijn kind niet uit het oog te zullen vediezen; – dan had hij, eindelijk, niet de beste bijdragen uit de Jaarboekjes veil gehad, om de betrekking te kennen, die oom „toevallig” aan dat pleegzustertje verbond.

„Het is niet veel geboden,” schertste Huibert, „sints jufvrouw Toussaint naar China verdwaalde...”

„Ook al om te bekeeren,” zuchtte Willem; quantum mutates ab illo!”

„Een miskennen harer roeping, waarvan zij niet lang dupe zal zijn,” meende oom Frits; „een prijs geven van haar verstand aan haar gevoel. Il y avait de quoi, – millioenen bij millioenen de blijde boodschap te brengen. Waarom zouden wij er aan wanhopen, dat zij zal inzien, hoe weinig het vooral hare taak is, ons belang in te boezemen voor toestanden, die niemand door intuitie raadt, welker kennis naauwelijks voor de studie van een leven veil is? Onder al onze pitisterij, – gerijmde en ongerijmde, zoowel als in rijm en onrijm, – heeft zij er zich van weten vrij te waren; – dat zij den eersten misslag goed make, door zich eene nieuwe verdienste jegens ons te verwerven, door eindelijk een greep uit ons dagelijksch leven te doen!”

„Oom! het is zoo ondichterlijk.”

Fudge, Willem!”

„Zoo eenvoudig.”

Fudge, Willem!”

„Zoo leg.”

Fudge, Fudge, en nog eens Fudge, Willem!”

„Ik ben het van harte met u eens, mijnheer! – het schort enkel aan de opvatting; – wilt gij een voorbeeld, vriend?”

Willem knikte ja.

„Een jong mensch,” voer Huibert voort, „tusschen de twintig en vijfentwintig jaar, brengt het grootste gedeelte van den dag op de kruk achter den lessenaar door, al cijferende, nul, ik houd een bokje; – wat wilt gij dat ik van zoo’n pennelikker make, – heeft; dat ding een hart? – Hij is niet arm genoeg, het is waar, om zich het deelnemen aan de uitspanningen van den dag, concerten en comedies, te moeten ontzeggen, – ook worden er ten huize zijner ouders, van tijd tot tijd, diners en partijen gegeven, – maar ons publiek heeft immers geen smaak; en onze zeden zijn zoo stijf!”

From Dan to Bersheba all is barren,” ze oom Frits, die in den inval van Huibert plezier had.

„Maar al heeft uw onderdanige dienaar geduldig voor model van dat saaije standje gezeten, Willem! het zal droevig met hem moeten verloopen, als de medaille niet langer hare keerzijde heeft. Mijn leven leg! – hij kent mij niet, die mij dat nageeft! Gij hadt geen lust in zaken, gij wildet studeren en ge hebt den wil van de reis gehad, vriend! – maar hoe gij gewerkt moogt hebben, geblokt misschien, geloof mij, Willem! de handel onzer dagen vergunt ook niet, dat men de hersens braak laat liggen. – „Om winst?” vraagt dan de schrijversbent smadelijk, „om winst!” herhaalt zij, alsof goud in onze maatschappij niet de spil was, waar alles om draait, alsof wij in de geleerde wereld de ooms Frits, – houd mij de gemeenzaamheid ten goede, mijnheer! – bij dozijnen telden. „Om winst?” ja, maar niet louter om het gierigaardsgenot van bijeen te schrapen, – om te kunnen, om te mogen verteren, zoo ge wilt, maar ook om eene onafhankelijke keuze te doen, om zijnen kinderen eene goede opvoeding te geven, om zijne liefde voor wetenschap of kunst bot te vieren. Wie onzer is onedelmoedig genoeg, al het goede dat wij der studie hebben dank te weten, op rekening der eerzucht te schrijven? En echter wordt den handel, mir nichts, dir nichts, eene gewetenlooze geldzucht nagegeven, die, als er de helft van waar was, Holland al lang uit de rij der volken had gewischt!”

Je vois que 1’injustice en secret vous irrite,”

zeide oom Frits.

„En dan die eenvoud onzer zeden, waar en wanneer is hij toch te zien? Aan de Beurs misschien, waar honderd hartstogten zich in eene enkele ure afwisselen, kruisen en verdringen, hoe vele hoofden van huizen er ook staan mogen, voor wie men met lust den hoed ligt, als voor een eerlijk man!”

„An honest man ’s the noblest work of God!”

klonk het er tusschen.

„Of wel buiten, waar wij, vreemd genoeg, doorgaans wat weelderiger leven dan in de stad, dewijl gasten dr mama altijd welkom zijn, dewijl het geen zondag zou wezen zonder toertje in de omstreken, dewijl ik in den jagttijd ook des woendags vrij heb?”

„’k Heb lust bij wijlen ’t wilt zija rust in duin te steuren,
Met brack, en hazewint;”

zong oom Frits Vondel na.

„Ondichterlijk? – maar, vriendlief! het moet dan individueel haperen, en masse hapert het niet, – als ik voor een specimen der menigte onzer jongelu mag gelden, welnu dan, mij valt geen avond nog lang; – hier boeit mij het gesprek, – daar een paar mooije oogen, – elders de kunst, – een klein maar keurig souper en exquise wijn, – wat dunkt u, zou ik zoo’n ondichterlijke type wezen, hoe men zich amuseert! – Er wordt passie vereischt, om het potisch te maken, maar, beste Willem! ik ben hier niet in de biecht; over veertien dagen heb ik een bal in het verschiet, waarop ik ook u hoop aan te treffen.”

„Al worde ik genood, ik geloof dat ik bedanken zal,” was het antwoord; „van de „virgo matura” heet het:

Mots doceri gaudet Ionicos.”

Daar ging de deur der bibliotheek open, – daar diende de zuurziende dienstmaagd een bezoek aan van mijnheer – „indien er geen belet was.”

„Laat mijnheer – boven komen,” zeide oom Frits.

En weldra nam mijnheer – in den kleinen kring plaats, met een overtollig, half op wigtigen, half op zangerigen toon, uitgebragt: „Stoor ik de heeren ook?” – Verbeeldde bij zich, dat hij zelfs in dat geval zou zijn ontvangen?

Maar hoe heette dan toch mijnheer –? vraagt onze lezer ongeduldig, en wij vergen van onze verbeelding een geschikten verdichten naam, en uit de honderd, die zij ons aan de hand geeft, gevalt ons geen enkele! Ce que c’est que d’avoir le got difcile! Och neen, daar schort het niet; – maar de schrijvers van dit opstel verlangen vrede te houden met alle menschen, en wie is er, die zich daarmede zou durven vleijen, indien men, verpligt het genus irritabile onzer poten den glimlach prijs te geven, onvoorzigtig genoeg ware een naam te noemen, dien de spotzucht te huis brengen kon, dien de ijdelheid in staat ware zich aan te trekken? Doch er zijn zoo veel namen! Eilieve, zijn er minder dichters? Wij hebben er onder onze patricirs en onder onze plebejers, – bij wie soms de stijl in omgekeerde verhouding staat met den stand. Wij, zien er vliegen in de haute vole, die slechts voor hunne vrienden laten drukken, – en in de basse, wier geestvruchten ge om ulevelletjes gewikkeld vindt. Wij kennen er, die uit het volk zijn, maar niet voor het volk schrijven; en wij kennen er ook voor het volk schrijvende, maar die door dat volk niet worden verstaan. Eene ware arke Noachs, zoo ge wilt, rein en onrein, och ja! rerum concordia discors. Waag u eens onder dien hoop!”

Mijnheer – dus, mijnheer –, – want eene type heeft geen van; – mijnheer – had zich neergezet met de vraag: „of hij de heeren ook stoorde”, en oom Frits was heusch genoeg te antwoorden:

„Integendeel, u kon nooit gelegener komen; wij verschillen hier van gevoelen over een onderwerp, dat voor u geen „bovenwerp” zijn kan.”

„U zal zien, mijnheer!”

„St, st! vriend!” brak Willem de zedige betuiging af; „gelooft gij, dat ons dagelijksch leven voor een auteur mijnen beeft, die het ontginnen waard zouden zijn?

Nulla placere diu nec vivere carmins possunt,
Quae scribuntur aquae potoribas.”

„Wij zitten hier in den mist, als u merkt,” lachte oom Frits.

„Alleronaangenaamst weder, mijnheer! dat verzeker ik u,– ik had een paar digestie-visites af te leggen –”

„Maar de kaartjes zijn gepousseerd,” hernam Willem.

„En de nieuwe invitatin zullen volgen,” schertste Huib; „doch intusschen laat u ons wachten – ”

„Vergeef mij,” zeide mijnheer – zich tot oom Frits wendende, „maar als ik eene vraag met eene wedervraag mag beantwoorden, de heeren kennen immers allen onze huiselijke pozij, dien eigenaardigen rijkdom onzer letterkunde –”

„Willem kent ze,” vermaakte oom Frits zich, „en toch heeft hij beweerd, dat ons dagelijksch leven te ondichterlijk, te eenvoudig, te leeg was, om zelfs het genie van jufvrouw Toussaint te vergunnen, er een gelukkigen greep uit te doen.”

„O, jufvrouw Toussaint,” zeide mijnheer –, „dat verandert de vraag, die schrijft geen verzen –”

„Ik sprak van een auteur,” ze Willem.

„Vriendschap, liefde, echtgeluk,” voer mijnheer – voort, „de lichtzijden van ons volksverkeer zijn in pozij volkomen gedealiseerd, zullen de heeren mij toegeven, –”

„En de schaduwzijden?” vroeg oom Frits, „de donkere achtergronden, die Rembrandt liefhad, opdat zijn voorgrond schitteren mogt?”

„Het is moeijelijk daarvan partij te trekken, tenzij in den vorm van een verhaal.”

„Leve die vorm!” riep Huibert, „ik vraag er uwe verzen vergiffenis voor! – leve de vorm, die iets nieuws, iets waars belooft.”

„En onder de vingeren des meesters iets schoons,” voegde; oom Frits er bij.

„Het is de vraag,” ze Willem, „of mijnheer – dat toegeeft.”

„Het zij verre van mij, vonnis te wijzen,” trok zich de type terug, „over wat nog niet geleverd is. Maar –” en hij hield op,

„Maar mijnheer – !”

„Ik vrees, dat ons volksleven er schaars stoftfe voor zal leveren, de behandeling waard; daar schiet mij een tooneeltje te binnen, waarvan ik heden morgen getuige was, het pleit voor mijne meening. Trots den mist uitgegaan, kwam ik op het – plein. Vier, vijf mannen schaterden van lach; „daar heeft eene mooije meid een kind gevonden,” heette het. Ik spaar u wat er volgde.”

„En gij gingt er op toe?” vroeg oom Frits met blijkbare belangstelling.

„Ik kwam er van zelf bij, mijnheer! – het meisje, dat er nog al ordentelijk uitzag, schoon eenvoudig gekleed, een blaaw hoedje, een bruinen omslagdoek, verzekerde, aan wie het hooren wilde, dat zij met den voet tegen een mandje had gestooten, en er een kind in had vinden liggen. Maar de buurt had geene ooren voor haar verhaal; de eene deur voor, de andere deur na, waar zij scheen te hebben aangescheld, ging digt, onder schimp en spotternij. „Wel nu nog mooijer,” riep een oud wijf haar uit den kelder na, „wat een mensch al beleeft! – het kan niet meer misten, of men wordt met koekoeken gekweld!” Ik geloof dat het meisje er wel en wijs aan deed, zich uit de voeten te maken, ’tgeen haar te eer gelukte, dewijl de mist nog altijd aanhield –”

„En u, mijnheer!” – vroeg oom Frits, terwijl het fluwelen kapje half weg van het hoofd ging.

„Ik, mijnheer! ik? – ik ging mijns weegs, en dacht na –”

„Over den barmhartigen Samaritaan?” „Toch niet, mijnheer! over het diepe verval onzer zeden, over den groven toon van het gemeen –”

„Actas parentum, pejor avis, tulit
Nos nequiores, mox daturos
Progeniem vitiosiorem.”

zeide Willem, maar oom viel in:

„En viel er dan niet over iets anders te denken, mijnheer – ? Over de mogelijkheid, dat het meisje waarheid sprak, over de hulp, die gij haar hadt kunnen bieden…”

„Ik, mijnheer?”

„Vriendschap, liefde, echtgeluk te bezingen, och, u heeft gelijk,” sprak oom Frits ernstig, – terwijl Willem en Huibert bij de wending, die het gesprek nam, beurtelings voor zich zagen, of in den mist keken; „dat is ten onzent gedaan, bewonderenswaardig gedaan, – tot verslijtens van den vorm toe, die eens aller blikken boeide. Maar diep door te dringen in de ellende van het volk, dat is beneden onze schrijvers beneden onze dichters vooral, – die gaan zij voorbij, zoo als u dat meisje deedt, eene arme weeze, maar wie het toch niet van het harte kon den vondeling met den voet te stooten!”

„Maar kent u dat meisje dan?” vroeg mijnheer –, op zijne beurt verbaasd, „als ik dat geweten had... ”

„Stel u gerust,” ze oom Frits, „zij werd te huis gebragt. – Huib! mijn jongen, vertel mijnheer – wat u wervaren is.”

„Om er weinig beter af te komen dan mijnheer,” begon Huibert ten tweeden male zijn verhaal.

„Maar gij bestudeert ook de volkstoestanden niet,” mompelde oom Frits.

Was het woord door mijnheer – verstaan? Het viel hem niet aan te zien, zoo aandachtig leende hij Huibert het oor. En oom Frits? De goede man scheen vast berouw te gevoelen, dat hij zoo bar was geweest, – hij schelde, en de zuurziende dienstmaagd moest madera en portwijn brengen; – viel het, dan van mijnheer – te vergen, dat hij buiten, dat hij boven; zoo vele onzer vernuften zou staan, die geen lust gevoelen den gezigteinder van ons publiek te verruimen, en daarom het zoo, dikwerf bezongene nog maar eens wer bezingen? – wie heeft ooit het goede te veel gehoord?

Huibert had den ouden vriend begrepen, Huibert had peu peu de harmonie hersteld; Huibert beweerde, dat de madera de linie had gepasseerd, en dat Willem op het bal zou komen.

„Bij de Bleekhorsten,” herhaalde hij.

„Toch niet,” was het wederwoord.

„Waarom zoudt ge t’ huis blijven?” vroeg Huibert, verwonderd, – „het mooije Creooltje zal er wezen.”

„Gij weet immers, dat ik mijnheer Thoossens niet uit kan staan!”

„Mijnheer, – dat is mogelijk, – mais madame, c’est une autre affaire.”

Die eeuwige kandidaat voor de Tweede Kamer, that dull House!

„Het Creooltje, Willem?”

„Och kom, Huib! – ook dans ik niet meer, – als gezegd, ik blijf t’ huis. Een stil avondje, een cigaar, – wat doe ik in, al dat gewoel? Ik verveel me maar. Egon’ auditor semper.” –

„Ta vie a trop de sve
Mais, ami! 1’age enlve
L’ivresse et le dgout!”

lachte oom Frits.

„En een goed boek, directeur van het leesgezelschap!” plaagde Huibert hem, „doch het zal in het begin van de maand zijn; de tijdschriften dus...”

„Welke?” vroeg Willem.

„Wel, die gij rondzendt, – laat ons de lijst nog eens inzien, – ik grijp bij den tast, – de kunstjournalen...”

„Met houtsneden en lithographin om van te beven.”

De Tijdspiegel,” –

„Die goed geschreven zou zijn, als hij grenzen kende tusschen ernst en scherts op het gebied des geloofs.”

Dat kon alleen oom Frits zeggen.

Nederland dan?” vroeg Huibert.

„Dat een verleden heeft, waarop het wijzen kan, omdat het mengelingen heeft gegeven, sints de Gids er van afzag, – dat over een heirleger van domins beschikt, en nog zoo weinig gemoedstoestanden treffend uit deed komen.”

„Ten minste eene poging om de mijn van het dagelijksch leven te ontginnen,” ze de poet.

„Maar waarin ik frissche natuurtafereelen zou willen aantreffen, ten bewijze dat die menschen in vollen zin op het land leven; waarin ik bekentenissen des harten zou willen hooren, ten blijke dat de studie der Schrift er den sleutel toe geeft.”

„Gij eischt veel,” getuigde mijnheer –.

De Gids, misschien –” vroeg Huib, – „al is hij vaak vervelend – en half Engelsch?”

„En steeds te scherp,” dacht de poet, en, het zij ter zijner eere gezegd, dacht het overluid.

Ils sont passs ces jours de fte;” ze oom, „maar toch soms nog den waren weg wijzende, niet waar, mijnheer – ? schoon hij in opstel bij opstel met den vorm worstelt, waarvan. de vreemde meesterstukken aanbiedt.”

„Wat de wetenschap er bij winnen zou,” viel Willem in,. „als zij zich wat behagelijker wist voor te doen; maar: decipimur specie recti.”

Une pillule dore,” lachte Huib.

„Waarom niet?” hervatte oom, „mits men haar slikke; en bovendien, er wordt afwisseling geischt: wie wil altijd onderwezen worden? Zelfs het practicaalsche volk ter wereld, zelfs de Engelschen niet. Onlangs trof ik, in een der Reviews, geloof ik, eene bijdrage aan, die me meer dan half nog heugt; die een model van behandeling van een schijnbaar onbeduidend boek verdiende te heeten. Een vernuft als de steller van dat stuk tot medearbeider te hebben, zou une bonne fortune voor ieder onzer tijdschriften zijn. Het gold de aankondiging, –, niet de beoordeeling, Huibert! – a nice distinction – van een paar handboeken voor reizenden (Dialogues nad Vocubaluries, meen ik), ENgelsch en Fransch en Fransch en Engelsch. Wat zou een onzer gemoedelijke recensenten er van gezegd hebben? Mij dunkt als volgt: „Twee ezelsbruggen, zoo als men ondankbaar genoeg is, boeken van dezen aard te noemen, nadat dezelve ons over den stroom hebben geholpen, maar waardoor het gezellig verkeer tusschen de beide groote volken wederzijdsch gemakkelijk en genoegelijk wordt gemaakt.” En dan hadt gij een dwarreldans want drukfeilen te zien gekregen, ten blijke, dat de boeken, van de eerste tot de laatste bladzijde, waren doorgesnuffeld.”

„Het is of ik ze voor mij zie,” ze Huibert.

„Ons vreempje neemt eene andere vlugt,” voer oom voort: „Hij vertelt, dat een van die werken het beroemde gezegdeva Baco tot motto heeft: „Wie een land bezoekt, zonder eenige kennis van de taal te hebben, die gaat op school en niet op reis,” en herinnert zich dan, hoe Lavater beweerde, dat iemands karakter niet slechts bijna even zeker, maar dikwijls veel zekerder, uit de onbeduidendste gebaren, uit den gewonen toon zijner stem, uit de wijze hoe hij een snuifje neemt, of een pen versnijdt, valt op te maken, dan uit groote dingen, of uit zijn gedrag in hevigen hartstogt, die alle fijne tinten en toonen wegwischt. En daarop haalt hij een paar versregels aan, – er zijn meer menschen, die dat zwak hebben, Huibert! maar ze zijn niet altijd. zoo gelukkig...”

„Oom! u hengelt om een compliment,” plaagde Willem hem.

„En ik ving bot, jongen! zoo als ik verdiende,” was het antwoord.

„Een looper, oom! maar dien ik aanhoude voor den Navorscher.”

„rEene speculatie op de schrijfjeukte van ons publiek,” – hernam Huibert, – „vergeef ons, dat wij u stoorden, mijnheer!”

A perfectly polite Dutchman,” zou mijn vreempje van u zeggen, Huib! Ik ben wel verpligt hem bij u regt te doen; hier hebt ge zijne aanhaling;

Love levels ranks; lords down to celler bears,
And bids the browny porter walk up stairs.”

„Aardig, he? Als we toestemmen,” vervolgt ons vreempje, „dat deze kleinigheden den waren sleutel van een individueel karakter geven, dan volgt er uit, dat zij tevens de onbedriegelijkste kenteekenen van onderscheiden volksaard moeten zijn; – geen wonder dus, dat de beste geschiedenis eener natie in haar woordenboek geschreven werd.”

„Bij ons, bij voorbeeld, Siegenbeek of Weiland, oom?”

Maar Huibert wenkte hem stil te zwijgen, en oom deed of hij het niet hoorde.

„Er is een sprong in de redenering, of een vacuum in mijn geheugen, maar hier komt het op ner: kies uit de eerste taal de beste eene algemeene uitdrukking, een woord of wat, die, een wensch of eene vraag inhouden; vergelijk die met de daarmede overeenkomende, in welke andere taal ge wilt, en ik zal verbaasd staan, als gij geene menigte van karakteristieke trekken gedaguerreotypeerd vindt, in de meest gewone wijze van begroeten!”

„Dat kan wel aardig zijn,” ze de poet.

„Oordeel,” antwoordde oom, „wij beginnen, „als alles,” zoude d’Israeli zeggen, „met het Oosten.” Daar spiegelt een, groet even getrouw de uitwendige natuur als den maatschappelijken toestand, af, en heeft tevens nog iets van aartsvaderlijken eenvoud. Half nog wilde volken zijn natuurlijk pligtplegend beleefd; een onvoorzigtige blik of woord. wordt bij hen met een stoot van den ataghan of een steek van de lans geboet. En wie herkent den stilstand. niet, dier streken eigen, aan het eenzelvige van den vorm over een onmetelijk gebied, eeuwen lang; onveranderd? Op godsdienstig gevoel berustende, houden zij in de formule eens gebeds allen den wensch in, dat „Vrede” uw’ deel zij! Vrede, het summum bonum, de eerste voorwaarde, de hoogste wensch! Een herderlijk volk moet altijd gereed zijn, den staf met de knods te verwisselen, en door den ganschen, Bijbel doet zich dezelfde zegenwensch in den groet hooren: Sjalm!”

„Oom!” vroeg Willem, „vergeet de aardigheid. van Carlo Buffone niet.”

„Ik vind die niemendal aardig; maar heugen doet ze mij Eenige dier Hebreeuwsche wijzen van begroeting getuigen van groven zinnelijken aard,” zegt ons vreempje, „men hoort het den wenscher aan, dat hij leefde in een land glimmende, druipende van vettigheid, – het is een overvloeijen van melk en honig, – olie en boter worden te lijf geslagen, alsof men aan eene Duitsche table d’hte zat. „Geen wonder,” zegt Carlo Buffone, „dat aan dit onbeschaamde, hardnekkige geslacht het gebruik van zwijnenvleesch werd ontzegd; want hoe zouden zij zich aangesteld hebben, vetgemest aan varkensribbetjes, die tegen hunnen Maker durfden morren, onder het genot van knoflook en uijen!” ”

„U is te streng,” beweerde Huib, lagchende.

„Omdat de man dergelijke geestigheden niet behoeft,” antwoordde oom, „omdat zijne tegenstellingen kunnen treffen, zonder te ergeren. Ik ben te zeer Westerling, om zijne opmerkingen over de verscheiden Oostersche volken te durven oververtellen, – om te kunnen beoordeelen, of de Arabier inderdaad door een zweem van fatalismus werhouden werd, zijn wensch in den vorm eens gebeds uit te drukken, en daarom het: „Zoo God wil,” kiest; – of waarlijk de trots, de deftigheid en het laconismus van den Ottoman aan het licht komen in het vast vertrouwen, zoo noode van een veiligheidsklep voorzien: „Wees onder Gods hoede, mijn gebeden gaan voor u op, –” „of de Perzer u, als hij ons verzekert, niet enkel heil wenscht, maar met een stortvloed van hyperbolische complimenten overstelpt, niet zeggende: Vrede zij met, maar „Vrede zij over u!” als moest die zigtbaar uit den hemel nerdruppelen,

En den zegen
In den regen
Uitgestort;

Of de Egyptenaar inderdaad een groet bezigt, die van zijn koortsig klimaat getuigt: „Hoe gaat het met de uitwaasseming?” „Hebt gij lekkertjes gezweet?” en dat, zoo als Rabelais zegt, „pour cause”, dewijl iemand, die in dat gloeijende zand niet voortdurend in diaphoretischen toestand verkeert, levend-smeltende onder het laaije vuur dier zon, groot gevaar loopt geheel weg te smelten, weg te teeren, weg te droogen, in n woord, in een brandende alledaagsche-derdedaagsche koorts!”

„Mijnheer! hoe onthoudt u het,” viel mijnheer – in.

„Het is waar, het rijm komt mij niet ter hulpe,” antwoordde oom Frits, „maar het verband der gedachten des te meer, en dat alleen maakt het memoriseren gemakkelijk. Intusschen, ik voel nu hoe onbillijk ik geweest ben, mij straks aan die aardigheid van Carlo Buffone te stooten: „Moge uw schaduw nooit inkrimpen!” een echt schilderachtige uitdrukking, een, echt-oostersche groet legt immers tevens getuigenis af van den eerbied, dien men aldaar gewoon is zwaarlijvigheid, dikte, vet toe te dragen! „Die typifieert niet alleen,” zegt mijn vreempje „als in een onverdelgbare Babylonische fries, een brandend klimaat, waar scherp licht en zware schauw u van de wieg tot het graf de oogen zeer doen, – een klimaat, waarin de waaijer en de zonnescherm teeken en tolk zijn geworden van vorstelijken rang, – (als onze schepter, oorspronkelijk slechts een staf, „de derde voet in ’t gaan”, voor de grijsheid, en daarom het zinnebeeld van ervaring en gezag), maar verkondigt ook de eer en den roem, aan een dikken buik verknocht in eene luchtstreek, waarin het slechts den rijken en grooten gegeven is, door lui en lekker te eten, en door niets te doen, het benijdbare toppunt te bereiken, dat is, twee honderd pond te halen.” ”

„Welk eene overeenstemming,” schertste Huib, „tusschen die Oosterlingen en onze oude Hollsnders. „Hij staat voor geen ton op, ” plagt men te zeggen, – wat moet zulk een dikkert gelukkig zijn geweest, als hij zat!”

„De beurt komt aan Grieken en Romeinen,” voer oom Frits voort. „Hellas wordt met een enkel woord geschilderd, maar waaruit zijn levenslust u toelacht, en waaruit al zijne weelde u tot genieten noopt: Caire , – „Verheug u, wees vrolijk!” – Rome daarentegen met twee, maar even karakteristieke: Salve en vale, „Wees gezond, wees sterk!” „geen minder gelijkend portret”, zegt mijn vreempje „dan „Sjalm!” Welk een volk moet het geweest zijn, waarbij deugdzaam en manhaftig wezen hetzelfde was, en valor (letterlijk sterkte) tegelijk waarde en moed beteekende, waar de man slechts gold naarmate hij dapper bleek.”

„Zoo had bij onze vaderen,” merkte Willem aan, „vroom eene dubbele beteekenis, en pius Aeneas bij Virgilius.”

„En we hebben er niet bij gewonnen, vriend!” was het wederantwoord van Huibert, „sinds ze in tegenstellingen zijn verkeerd.”

„Bij pius Aeneas uit de tweede kamer, Huib?”

„Maar als de Genueezen uit de middeleeuwen,” voer oom voort, „ons met hun „Sanit e guadagno” – gezondheid en winst, – tot de nieuwere volken hebben gebragt; dan valt er een vuurregen van vernuftvonken. Hebt gij veel gereisd, mijnheer – ?”

„Ik wenschte dat ik ja mocht zeggen,” hernam de poet, „maar...”

„Willemt” viel oom in, „ge zijt nog al van honk geweest, n „qui mores hominum multoram vidit et urbes”, gij behoort tot de gelukkigen, die beweren mogen:

„Menschen lernten wir kennen und Nationen;

al blijft u de zwaardere taak over, den dichter te kunnen nazeggen:

„So lasst uns
Unser eigenes Herz kennend, uns dessen erfreun;”

„kom gij mij ter hulp, de Italiaan is het eerst aan de beurt.”

Onder een levendig gebarenspel; – want neef voegde zich gaarne naar ooms luim, – kwam de bekende vraag over Willems lippen:

Come sta? come state?

„Daar hoort ge,” ze oom, „daar hoort gij de twee bijna tegenstrijdige rigtingen, welke het Italiaansch in zich vereenigt: eene schier ziekelijke, zenuwachtige bewegelijkheid in het come, gekoppeld aan het van allen vooruitgang bijna warsche, behagelijk rustende state. Dat volk is niet voorbestemd tot eene even duurzame als plotselinge ontwikkeling van levenskracht!”

„Itali is het land van het far niente.”

„Geraden, mijnheer – ! geraden, – ga voort Willem!”

Vaya con Dios, Senor Caballero!

„Verstaat ge ook Spaansch, Willem?” vroeg Huibert.

„Een weinig,” was het antwoord.

„Het is zeker de heugenis van den tachtigjarigen oorlog,” viel de poet in, „waardoor de liefhebberij voor het Spaansch, is verflaauwd...”

Vaya con Dios!” herhaalde Willem, en deed al de kracht van de taal der vroegere wereldbeheerschers gelden.

„Wat zij, die dus spreken, een eerbied voor zich zelven aan den dag leggen,” ging oom voort, „zonder daarom van eerbied voor God vervreemd te zijn. Mijn auteur merkt het aardig aan! trots al zijne godsdienstigheid,” zegt hij, „zet de Spanjaard echter niet, als de Oosterling, de godsdienstige gedachte voorop!” Hem zou het niet invallen, met den eerlijken Dogberry te zeggen: „En noem God eerst, want God behoede ons! God, dient toch voor zulke rekels te gaan!” „Verveelt het u, Huib?”

Oom zag hem al het genoegen aan, dat de levendige voordragt den bruinen krullebol smaken deed, – Willem kreeg werder een wenk.

Comment vous portez vous?” vroeg hij, of hij nog in Parijs was.

„Iedere lettergreep verdiende door een Bopp of een Grimm te worden bestudeerd., en iedere bladzijde er over dan ten minste met een rol echten Varinas beloond te worden. IJdel volkje! alles komt op het hoe aan! En van wat? Van gedragen, – van het uiterlijke, louter oppervlakkigheid, klinkklare kunstenarij. Fransch is Latijn, maar minus alle Romeinsche majesteit en muziek; Latijn, maar dat geschoren en geknipt werd als een hulstboom in het park van Versailles. Denk een oogenblik na over de verwantschap in afkomst van Fransch en Italiaansch, en stel u dan eens voor, welk een verschil van idiosyncrasie er in dezelfde plastische stof moet gescholen hebben, om twee zoo verscheiden verschijnselen op te leveren. Vergelijk als ge wilt, – Willem! is uw geheugen u nog getrouw?”

Pacem, Salutem et Fraternitatem,” zeide hij, met den echten, breeden, Trasteverijner klank der vokalen, door den Engelschen Humorist verlangd, heerlijk rollende orgeltoonen, waaruit zich het oude Rome hooren deed.

„Vergelijk die,” liet oom er op volgen, met: Paix, salut et fraternit, die ik nog niet eens hedendaagsch genoeg radbrake. – Of is dat te bar gezegd van een volk, dat zich verlustigt in: comment a va-t-il?” – ’tgeen onmogelijk volkomen te vertalen valt, als men eenig begrip wer wil geven van den ongelukkigen, rampzaligen t, euphoniae gratia tusschen het werkwoord en den tweeden nominatief ingestoken. „ What a truely Gallic flippancy the a!

Wie geht’s?” riep Willem.

„Jean Paul heeft te regt gezegd,” vertelde oom verder, „dat den Duitschers, – dewijl er, eer zij kwamen, over elk ander gebied reeds was beschikt, – het rijk der lucht werd bedeeld. Hoe zij er in opstijgen, hoe zij er zich in verliezen, dat tuigen bijwijle hunne letterkunde en hunne dichtkunst, – hoe zij er in te huis zijn, dat leert hunne metaphysica, hoe zij er den staf in weten te zwaaijen, hunne suprematie in de muziek.”

„Hij vat de koe niet bij de hoornen,” merkte de poet op.

„Bravo, bravissimo,” – ze oom; – „zijn gewone groet, als hij u des morgens in de Kartoffelgasse, of in de Amalienstrasse, om het even waar het zij, ontmoet, is altijd: „Wie geht’s en niet: Hoe gaat het met u? maar es, de dingen in het algemeen, eene loutere abstractie, ein reines Vernunftwesen. En echter is er in zijn toon iets eenvoudig-hartelijks, volmaakt overeenstemmende met het vriendelijk, gemeenzaam verkeer der Duitschers van allen rang, bij wie gij, vr de jongste omwentelingskoorts althans, verbazend weinig onderscheid aantroft in uitspraak, woordvoeging of denkwijze tusschen den prins van Saxen-Pumpernickelhausen en Harer Doorluchtige Hoogheids Postillon. Uit dat korte „wie geht’s?” spreekt een gemaklievende voetje voor voetje voortgaande, goedaardige geest, volkomen te huis aan het poppenkastige hof en in het lilliputsche stadje van het oude, gemoedelijke, grilzieke Duitschland. Valt er wel iets anders te zeggen van het afscheidswoord, van het „Leben Sie wohl” van onzen doorvoeden vriend, uitgedost in pruimkleurigen pantalon en bijna grasgroenen rok, met de wat vale, wat vettige katoenfluweelen pet op het hoofd, en het door overvloed van vochten verschoten regenscherm in de hand; – want in de Amalienstrasse zijn van ochtend- tot svonddauw, – in alle weer en wind, – bij stortvloeden, maar ook bij zonneschijn, – en niet enkel in den zomer, maar in het hartje van den winter even zoo goed – parapluies te kijk, parapluies aan de orde van den dag:

„Umbrellas pass of every shade of green
And now and then a crimson one is seen –
Like an umbrella ripened.”

Gud dag, Herre! – hur mar mi?” rigtte Willem het woord tot den poet.

Of gij ’s mans verbazing gezien hadt!

„En u vertaalt uit het Zweedsch,” – schertste oom; – „ Willem vraagt u in die taal: hoe vaart ge? of met andere woorden: zijt ge krachtig, zijt ge sterk? „Meer kracht om den elleboog te roeren,” zegt mijn vreempje er van; maar merkt er bij op, dat het niets van dat wild-fantastische heeft, van den echt Milesischen wensch: „God speed you; – ook hebben de Zweden, mijnheer – !” voegde oom er bij, „nog ieder oogenblik: „ Gud ske lav!” in den mond, ofschoon zij te zeer de Franschen van het Noorden zijn, om regt dankbaar te wezen. Hun Far-wal eindelijk,” liet hij er op volgen, „hebben zij met Engelschen en Hollanders gemeen, terwijl het Deensche: Lev vel! „Leef wel!” in dat volk een meer tehuis blijvenden geest aanduidt dan bij de noordelijke Scandinaven.”

How are you? – How do you do?” vroeg Willem aan Oom.

Pretty well – thank you,” was het antwoord; – „die Engelschen zijn toch een volk, dat men ondanks al zijne gebreken eerbiedigen moet. Geen praatjes, geene vertooning, geen geknutsel, geen uitgekraam, maar doen is de zaak, en dan niet wat doet gij, maar hoe doet gij wat ge doet? Theorie en praktijk in volkomen harmonie. Dat verklaart Trafalgar en Waterloo, – de stoomwerktuigen en de spoorwegen, – een dagblad als the Times zoo goed als Exeter-Hall, – de wereld-tentoonstelling en zelfs Punch; – indien Thomson, zegt mijne autoriteit, indien Thomson bij zijne zinnen was geweest, hij had van: „How do you do?” schering en inslag gemaakt van Rule Brittania!

„Even flink als fier!” juichte Huibert.

„Een miniatuurtje nog van Engelschen en Amerikanen, jongenlief! en ik heb gedaan. – Dickens heeft opgemerkt, dat het seinwoord, waarop in de Vereenigde Staten koets, stoomboot en spoorwegtrein afgaan, „Go a-head!” is (Vooruit!), – terwijl in Groot-Brittanje daarentegen „All right!” (Alles in orde!) wordt geroepen, – zijn het geene daguerreotypen van Oom Sam en John Bull?”

„Worden wij alleen niet gedacht!” vroeg de poet.

„Het is er verre van, dat Jan zou worden vergeten; maar of gij u gevleid. zult voelen, Mijnheer – ! door de wijze, waarop men melding van hem maakt, dat blijft de vraag. De dikbuik heeft geen gevoel, heet het, geene oorspronkelijke pozij, ofschoon Southey er anders over dacht, sedert Bilderdijk de zijne vertaalde. Hoe zou hij ze hebben, man in den mist, op het lage land levende? – wat valt dit weder er vandaag, in ons Hollandsch Bootie, ook ongelukkig in! – Jan heeft dus geene litteratuur; het is al heel veel, dat Jan eene schilderschool heeft, wier Cuyps nog niet gevenaard. zijn, wier Backhuyzens de wereld verrukken, Maar is ook dat niet natuurlijk? Wat zegt Jan, als hij u aanspreekt; wat anders dan: „hoe vaart ge!” Varen, man! varen, met zijn nuchter gezond verstand, in de trage trekschuit, langzaampjes aan, dan breek de lijn niet; – maar ook varen, varen in verweerden notendop, met dunne, verdroogde zeilen, tegen den mousson in, tusschen de geurige kusten der half fabelachtige specerij-eilanden, Ternate en Tidore, met heel den schat der Molukken bevracht. Varen, het eindje goudenaar in den mond, van het eene welvarende dorpje naar het ar, terwijl heel het landschs om hem heen naar een lusthof, naar een tuintje zweemt; – varen, verre van have en huis, om de noord en om de zuid, met vroeg vergrijsd haar, en van rimpels gegroefd voorhoofd, maar gerust op de trouw van zijn wijf, en in den stillen nacht Gode’ zijne kinderen bevelend! – Varen, ik dwaal vast af van mij vreempje, en toch, het had ook hem moeten heugen, varen met den bezem op den mast! varen, –” en oom Frits hief den blik op naar een bronzen standbeeldje van de Ruyter – Royer’s heerlijk werk! – tegen de bureaux aangeplaatst, „varen tot naar Chatham toe, niet om rijkdommen te rapen, of werelden te veroveren, maar om de vrijheid te handhaven van een verdrukt volk, maar om de regten des gewetens te doen gelden voor half Europa, voor den nieuweren tijd! O, welk een ander antwoord dan wij mogt het voorgeslacht geven, als het zich zelven af vroeg: „hoe het voer?”

Als gij er getuige van waart geweest, zoudt gij met Willem en Huibert, met den poet zelfs, oom Frits hebben dank gezegd voor het bewijs van zijn gelukkig geheugen, voor het blijk van zijn hollandsch gevoel?

„Het mist nog, mijneheeren!” maakte de man er een einde aan, weder de maat slaande op het kussentje van zijnen leuningstoel; – maar de poet had wel geene digestie-visite meer af te leggen, doch moest toch afscheid nemen; maar Huibert herinnerde zich het waarschuwend woord zijner mama.

„Ge komt op het bal bij de Bleekhorsten!” vroeg hij Willem andermaal.

„Ik blijf t’huis,” herhaalde deze.

„Ook niet als Amelie –,” fluisterde Huib.

„Komt ze in de stad?” vroeg Willem driftig, maar zacht.

„Gister gekomen,” beet Huib hem in het oor.

„Misschien dan ja,” ze Wiliem, den wijsvinger op den mond leggend.

En de krullebol knikte, dat hij het geheim bewaren zou.

Hoofdstuk II