E. J. POTGIETER (1808-1875)

SALAMAGUNDI.

II.

Hoofdstuk I

 

Hendrick Laurentsz Spieghel heeft voor twee en een halve eeuw ’t lof van dansen gezongen; de vedel bleef er bij onze vaderen niet minder om in den ban; – arme poëzij! zegt men. Maar hoe vele onzer lezers hebben die dertig stancen ingezien; hoe weinige, laat ons liever schrijven, haar doorgeworsteld? Wie het deed, hij verbaast er zich niet over, dat de voorstelling geene sympathie vond, het is eene pleitrede in rijm; ’t is schier een preek! „Ick heb alleen willen bewysen, dat men wel eerlyck te dans mach gaen,” luiden de laatste regelen van het betoog, dat de halve oudheid en den heelen Bijbel plondert; – overtuigt het u van iets anders dan van de latijnsche kluisters, die men zich in de rhetorica aanlegde, dan van den puriteinschen zuurdeesem, die tot den schrijver toe, zijns ondanks, doordrong? „Castor en Pollucx,” die „constighe dansers” zijn „gheweest,” – „Cicero”, die „Roscium dapperder acht om ’t volck te beweghen” door zijn flikkertjes, dan hij „de oratoor door cloecke reden,” – de zuster van „Mozes; die gedanst heeft en gesprongen,” – „David, die de Philisteen d’Arck had benomen;” – „Neptholemus”, – „Herodias”, – ja zelfs „de Verloren Soon”, toen hij „was weder ghecomen” natuurlijk, drijven u in den vloed van woorden.” voorbij; – maar van het gezellige des genoegens, van het behagelijke der beweging, van de liefde in den lust verneemt gij, geen sylbe, – en er is zoo min sprake van het schilderachtige der groepen, door het costuum van dien tijd gewaarborgd, als van het schalke, dat de min iederen dans, aan de polka als aan het patertje, en der menuet zoo goed als der mazurka,” te geven weet. Redenering, rederijkersredenering, in plaats van; vereeuwiging der vreugde, in woorden weelderig als zij; – zou Spieghel het niet hebben gevoeld, dat alleen de laatste een lof zouden zijn geweest, het gesmaakte genot waard?

Hoe onze bouwtrant van onze burgerlijkheid tuigt! – hoe onze vertrekken het verkondigen, dat de dans onzer zeden vreemd is geworden! Al zijn de fortuinen misschien nergens ongelijker dan ten onzent, – de millionair woont naast den man, wiens kapitaal slechts in nijverheid schuilt, – het valt der huizingen niet aan te zien. Tienmalen grooter oppervlakte gebouwd eigendom te bewonen dan de meeste zijner stadgenooten, is reeds eene zeldzaamheid – hoe zou het verschil van vermogen, waarvoor eene schaal van honderd graden te kort schiet, er door worden verzinnelijkt? Gelijkheid behoort tot het gebied. der droomen, maar voor zoo verre eene menschelijke maatschappij haren stempel kan dragen, heeft ons gemeenebest dien op zijne gedenkstukken gedrukt. Wandel de grachten om, in de dagen hunner weelde door onze vaderen in de hoofdstad aangelegd, hoe weinig koetspoorten merkt gij op, – een huis met een binnenhof, aan de vier zijden bebouwd, – die laatste heugenis van een burgt, – is eene witte raaf! Een, twee, drie kamers gelijkvloers, eene binnenplaats tusschen de tweede en de derde, ziedaar de regel, – een tuin, achter de dusgenoemde zaal, valt slechts den bevoorregten ten deel. Of hebt gij u niet vruchteloos gevleid, toen gij meendet, ook anders dan bij wijze van uitzondering, die reeks van in elkaêr loopende vertrekken aan te treffen, ter ontvangst van groote gezelschappen vereischt? Treed ze binnen, zelfs die dubbele woningen, zoo gij genezen wilt worden van den waan, dat zij gelegenheid zouden bieden ten dans, dat deze nog tot de vermaken behoort, waarvoor, ja, de deftige burgerij den zin door de hervorming heeft verloren, maar die in de hoogere standen worden gewaardeerd. Overal toeven u mollige tapijten – brusselsche, engelsche, smirnsche, tot zij, die de laatste alom moesten verdringen, tot deventersche toe; maar waar langer een ingelegde vloer, den voet verpligtende te zweven, – waar langer, in stede van het onnatuurlijk gebloemte, ook der keurigste patronen – onnatuurlijk bij de gansche overige stoffaadje, die niets van een bruiloftsstoep heeft, – waar langer die ruiten en vakken, van veelverwig hout, het is waar, doch dat volkomen harmonieerde met het eikenbeschot van deurpaneel en vensterboog, met de sieraden, er door den beitel aangebasgt? Het kleed valle op te nemen, en, dank der degelijkheid van het voorgeslacht, zij de grond gelijk genoeg, om den reijen een effen baan te bieden, – maar de ruimte, die de beweging vordert, en de versche lucht, voor zulk eene menscheamenigte noodzakelijk, waar vindt gij haar? hoe voert gij die toe?

„Och neen! – al wat ge wilt; drie diners in eene week, als het zijn moet; maar geen bal – het zou wezen om te stikken!”

Eene weigering als deze is over de lippen van menige lieve lezeres gekomen – gelukkig kwam zij over die van mevrouw Bleekhorst niet. Hare uitnoodigingskaartjes waren rondgezonden, kwistig rondgezonden; – en haar naam was er door gezegend in een geheel anderen kring dan dien, waaruit zij hare gasten koos.

Een bal in de groote wereld – een genot van weinige uren – wordt voorafgegaan door eene drukte in die der modistes van allerlei slag, – een arbeid van dagen en nachten. – Het is geen stijl meer zich voor den schouwburg te kleeden; slechts een concert, het Cecilia-concert vooral, gedoogt nog toilet; maar een bal, een bal als dat der Bleekhorsten, eischt schittering, om het gemis van schoonheid op te wegen; eischt frischheid van tooi, tot van wie geen tooi behoeft om bekoorlijk te zijn tot zelfs van de jeugd. – Ten bewijze: – „Uit, meisje! uit, met die dozen,” heet het in winkel bij winkel; „de lijst is lang, pas op dat gij er geene overslaat,” en het zestien-, zeventienjarig kind draaft door dik en dun naar de dames toe, die zoo keurig zijn in het kiezen! – Eene verandering des tooneels: – „Un bouquet, madame! – non, des rubans? Ah! je viens d’en recevoir de Paris;” en er is waarlijk slag in de wijze, waarmeê de hand die veilt, – we zijn in een magasin, in een bazar misschien – de veelkleurige linten, zonder ze, te kreuken, plooit, pliseert, zoo ge wilt, – „voici la dernière nouveauté: des flears de lis!” – En pleine république? – „Voort, kind!I voort!” – Het meisje, waartoe de vermaning wordt gerigt, liet de naalde een oogwenk rusten; een zweem der winterzon drong tot het achterkamertje door! – zij, die ze gaf, is hare moeder, is eene weduwe; „voort, morgen moet het gepast!” – o moge het wèlstaan, dat kleedje, waarvan kiesche weldadigheid het maken aan haar, die betere dagen kende, opdroeg! – Ons scherm valt om ijlings op nieuw omhoog te gaan. – „Laat dat lampje maar branden, moeder! straks, als de kleinen te kooi zijn, ga ik weer aan het werk,” klinkt het elders, klinkt het later; en al slaat de klok middernacht, al sluimeren vrouw en kroost om hem heen, de juwelierswerkman weet van geen rust, eer die steenen gezet, eer die sieraden klaar zijn; „dubbel loon, mits in tijds,” was de afspraak, was de prikkel! – En nu staan wij voor eene sleperij en luisteren naar eene bestelling: – „Eene vigilante voor mijne vrouw, morgen voor en na den middag, – het is nog de vraag of zij het af zal kunnen, zooveel dames als zij te kappen heeft,” en inderdaad, morgen wipt het wijfje de vigilante uit, de stoepen op, de stoepen af, voor dien dag met meer verlangen te gemoet gezien, dan op een der overigen een medicus, die een malaise verdrijven moet. – Vermenigvuldig de voorbeelden à plaisir; – onze vijf volstaan, verbeelden wij ons, om onze stelling te staven, dat een bal als met een tooverstaf honderden in beweging zet, die niet genoodigd zijn er deel aan te nemen, maar er niet minder vurig om wenschen, dat er meer werd gedanst! Wat schildert men, uit louter liefde voor tegenstelling, in de poëzij onzer dagen toch bij voorkeur altijd de armen, berooid en bibberend den nijdigen blik naar de verlichte vensters eener aanzienlijke huizing opheffende, – de honger, die verkleumd buiten staat, tegenover de weelde, die zich daar binnen in genietingen baadt! Het is maar de uitzondering in de maatschappij, – wij voegen er noode bij, soms de schuldige uitzondering – hoe kan zij aller opmerkzaamheid tot zich trekken, waar zooveel aangenamers, zooveel aardigers valt te zien? Of wat dunkt u van eene vergelijking des geluks in die daar even naauwelijks aangegeven huisgezinnen – in den ouderwetschen, maar overbeklanten modewinkel, of in het spikspelder hedendaagsche maison de nouveautés; op het achterkamertje des vervals, of bij den goudsmidswerkman, of bij het wijfje van den kapper, – wat dunkt u van eene vergelijking der vreugde daar door het in omloop gebragte geld verspreid, – wat dunkt u van eene vergelijking der tevredenheid met die winst of dat loon, beide door inspanning verkregen, zij het ook zuur, daardoor te zoeter! met het vermaak van hen, voor wie al die weelde, al die tooi slechts de moeite, van het wenschen, van het toetasten kost?

„Ook maar eene tegenstelling! –”

Wij hebben te veel met de kritiek op, mijnheer! – om niet te bekennen dat wij den speldeprik hebben verdiend; maar antithese tegen antithese, schijnt de onze u niet veelzijdiger dan de uwe; belooft zij niet vruchtbaarder te zullen zijn! Gij behoort niet tot de bewonderaars der middeneeuwen, en het is er verre van, dat de économie politique uw cauchemar zou wezen, – denk dus een oogenblik over onze tegenstelling door. Bij u brengt de gedachte aan het gebrek vis à vis den overvloed eene opwelling van deernis te weeg, die, minder schilderachtig in hare bevrediging dan in le bon vieux tems – toen zij den haveloozen zwerver in de halle eene plaats aan den haard zou hebben ingeruimd, – zich bepaalt tot het tasten in uwe beurs – wie weet hoe dra dat stuk gelds in de kroeg zal zijn gewisseld? Bij ons daarentegen, die opmerkzaamheid vergen voor den ruil van een voortbrengsel, van welken aard dan ook, tegen circulerend medium – circulerend medium, door eerlijkheid ter kwijting van vroegere verpligtingen bestemd, door orde ter vervulling van eerste levensbehoeften aangewend, door liefde voor een honderdste deel ter veraangenaming van het zoet te huis uit te geven, en door alle drie, gelooven wij er te mogen bijvoegen, genoten, genoten onder dankbaar opzien naar omhoog, – bij ons, zouden wij gaarne zeggen, brengt het de verpligting in beeld, den vermogenden opgelegd, te verteren!

Als het niet tijd werd eindelijk bij de Bleekhorsten ten bal te gaan, de lezer liep met geen blad uitweidens over dit onderwerp vrij, – Holland, het van oude en nieuwe wereld renteheffend Holland, biedt er stoffe toe. Hij waardere onze zelfverloochening; hij doe dit vooral, er bij bedenkende, welk eene bespiegeling wij hier zouden kunnen inlasschen, ten bewijze dat het geluk aan geenen stand bij uitsluiting is verknocht, dat de lagere kringen voorzeker niet de minst levendige, minst loffelijke genoegens smaken.

Het was over negen, het werd vast half tien ure, en nog rolde rijtuig bij rijtuig aan, den sleep van koetsen en koetsjes – hoe weinige van die dingen hebben een hollandschen naam! den sleep verlengende, die, van voor den ingang der huizinge af, de gansche gracht langs, tot over de sluis toe, heenzwierde: – eene fantastische verschijning, daar het ongeduld der rossen het licht der lantaarnen geen oogenblik dezelfde plaats bewaren liet, daar de trein zich rusteloos bewegen bleef. Ten leste echter, ten lange leste, is de beurt van uitstijgen ook aan ons; het portier gaat open en de trede gaat neêr; – wij volgen u, als ge wilt, de breede marmeren trappen op, – ieder bordes in de hoeken met bloeijende heesters prijkende die bij den gloor van het gaslicht volkomen te genieten zijn, eene alleraangenaamste verrassing in den winter, eene voorspelling, dat ons boven eene herschepping der saizoenen wacht!\

Er is geen twijfel aan, de bouwheer van dit huis heeft in zijnen tijd. Italië bezocht en bewonderd als het verdient; want het smaakvolle dezer vestibule streelt u te zeer, dan dat er aan denken zoudt de pracht te prijzen. Hoe heerlijk kom deze vier standbeelden van vlekkeloos statuair tegen de zachtroode tint van het marmer der nissen uit, waarin zij tusschen die zuilen eene plaats vonden, de schier vorstelijke woning waard. Hij is vergeten, de degelijke, die geloofde dat Amsterdam den handelstaf van Venetië had geerfd; maar hoe diep hij het gevoelde, dat de dochter, om der moeder te mogen opvolgen, haar gelijken moest, dat tuigt de harmonie van tooneel met de groepen van oranjeboomen, hier voor de avond van buiten ontboden, en, helderder nog dan door zuidelijken zomernacht, wat zeggen wij? a giorno verlicht.

Wat de dames in dat woonvertrek nog tijds te verbeuzelen nog toebereidselen te maken hebben! zucht ge; – willen beproeven u die oogenblikken te korten? Lang als zij schijn worden ze vereischt, ter verzekering van een beslissend gunstigen indruk, die bij het binnentreden moet worden gemaakt; – waardeer toch al uw geluk, dat gij geldt voor wat ge zijt uwe lieve, uwe schoone, uwe betere helft slechts voor wat men haar vindt. Gij velt mede vonnis over ieder harer zusteren in elk van uws gelijken treedt voor haar een regter op. Last haar dan voor dien spiegel verschikken en verplooijen naar lust; entre nous, zijt gij minder moeijelijk, als ge de vruchten van uwe studie of uwen smaak aan het oordeel algemeens prijs geeft, – als ge, wat gij gesteld, geschilde geschapen of geschept hebt – hoe vervoegt de aanmatiging die de beoefenaars der vrije kunsten scheppers heet? – voor zult lezen, of laten zien?

„Alsof preeken ooit den tijd had gekort!”

Vergeef het ons, – wij wenschten u de wijle af te wisselen, door een woord over gastheer en gastvrouw in het midden te brengen; de Bleekhorsten, die een bal geven, bleven in ons vorig hoofdstuk bijna in den mist verborgen. Wie ter wereld er aanleg voor hebbe dat op den duur te doen, niet zij – een echtpaar, dat de tweeërlei aristocratie onzer hoofdstad vertegenwoordigt, de aristocratie van geboorte en de geldaristocratie. Het is niet louter galanterie, zoo wij, dus sprekende, mevrouw voor mijnheer hebben doen gaan; we zouden er ons weinig aan hebben bekreund, que c’est madame qui invite, que c’est madame qui reçoit, als wij niet meer sympathie gevoelden voor de eerste dan voor de laatste – de patriciërs are sadly on the decline, but how glorious was their past! – de plebejers, ça pousse comme des champignons, ça disparaît de même! Er zijn historische herinneringen verknocht aan na men, overbekend als die, welken de gastvrouw droeg, eer zij de gade van Bleekhorst werd, wier tooverkracht geen vorstelijk vermogen opweegt, wier indruk al de onbeduidendbeid van het nakroost nog niet geheel heeft uitgewischt! „Die geslachten,” werd van hen getuigd door een even vernuftig als voorzigtig vreemdeling, die ten onzent in hunne kringen verkeerde toen zij ten toppunt van magt waren gestegen, „die geslachten, het bestuur van stad en land gewoon, brengen het zelden tot grooten rijkdom, daar het loon, aan openbare bedieningen verknocht, en de rentestandaard hier niet hoog zijn, en de inkomsten van landerijen nog lager, schaars twee ten honderd, te boven gaande. Zij vergenoegen zich met de eere, het algemeen nuttig te zijn, de achting hunner stadof lamlgenooten weg te dragen, en van hun wermogen gerust te leven, – iets dat zeldzaam mist, door den eenvoudigen voet, waarop zij zich hebben ingerigt, en die algemeen geworden zijnde, daar hij in het eerst pligt was, allengs onder hen tot eere werd gerekend.” Wij weten, dat er op dien lof af te dingen valt, dat nepotisme een leelijke vlek op menig vroeger luisterrijk wapenschild heeft geworpen; maar als er nieuw bloed in dat verstervend ligchaam was te gieten; als de jeugd van zulken huize, „na ten onzent vlijtig te hebben gestudeerd,” weder als hare voorzaten „eenige jaren van voorbereiding in den vreemde” ging doorbrengen, „om zich te bekwamen tot het bestuur;” om, zelf op de hoogte gekomen der volken, die thans aan de spits der beschaving staan, ook het onze te doen voortschrijden, vooruit te leeren gaan, – hoe hun naam hun tot aanbeveling strekken zou, hoe het Holland der negentiende eeuw zich gevleid zou gevoelen, als het, in dit opzigt de voortzetting, de voltooijing van dat der zeventiende heeten mogt. Jan de Witt was van dien bloede; Jan de Witt, de type, die bij elke nieuwere toetsing van latere tijden slechts gewonnen heeft, – il y a peu de grands seigneurs dont on puisse dire autant.

Vrees niet, dat wij, dus voortvarende, verre van ons doel, verre van Mevrouwe Bleekhorst afdwalen. Waardige dochter uit een huis, een van welks vaderen Amsterdam door zijne zelfverloochening heeft gered, waren haar alle gaven ten deel gevallen, waardoor de telgen onzer burgemeesteren weleer de vorsten uit den vreemde om strijd verbaasden en verrasten, aanvalligheid van gestalte, heuschheid van gemoed, beschaving van geest!

„En die vrouw had mijnheer Bleekhorst gehuwd?” vraagt gij – en geeft ons daarvoor het regt op onze beurt te vragen: Waarom niet? – of hebben wij, der aristocratie van geboorte de voorkeur gevende boven de geldaristocratie, de laatste zonder uitzondering veroordeeld, of haar den aanleg ontzegd, flinke figuren op te leveren, de hand van het liefste meisje ter wereld, den lof van den scherpzinnigsten opmerker waard? Het komt er slechts op aan, hoe het vermogen verdiend werd. Een enkele, stoute, schitterend gelukte speculatie is een begin van fortuin, dat met spoedigen ommekeer bedreigt; ze kweekt een lust voor waaghalzerij, die in halsbreken hare straf vindt. Doch een piano ma sano verworven kapitaaltje, in het tweede geslacht verdrie- of zesdubbeld, om in weer een volgend eindelijk een vermogen te mogen heeten, ziedaar den hoeksteen eener opkomst, wier heugenis ook eerbied eischt! Foei van den bankier, die zich schamen zou dat zijne genealogie met een marskramer begon! Waarop heeft hij meer regt zich te verhoovaardigen, dan juist daarop, dat het marskraampje een winkel werd, de winkel eene grossierderij, de grossierderij een koopmanskantoor, het koopmanskantoor eene zeehandelaarszaak en de zeehandelaarszaak een huis, welks handteekening aan de beurzen der gansche wereld eere geniet, dewijl het nog dezelfde beginsels huldigt, die het van klein groot hebben gemaakt, omdat van geslacht tot geslacht de kring van betrekkingen werd uitgebreid als die, der begrippen, maar beide, voor- en nazaat, de eenige ware bronnen van welvaart huldigden in eerlijk en nijver te zijn, nijver en eerlijk. „Napoleon deed nooit iets dommers,” heugt het ons ergens te hebben gelezen, „dan de Engelschen uae oation rk boutiguiere te schelden. Een volk van louter winkeliers zou een zedelijk monsterding zijn; het voortdurend bestaan zulk eener natie eene zedelijke onmogelijkheid.” – Eene handeldrijvende bevolking, dat is wat anders; en waarom? – Ten gevolge harer uitgestrekte en ingewikkelde belangen, moet deze een zwaard in de weegschaal hebben te leggen van genoegzaam gewigt, om zich in den vreemde te doen eerbiedigen, – wij hebben in de opmerking eene aanspraak op de ontwikkeling van eergevoel doen gelden, den winkelier vreemd. Maar om eene handeldrijvende bevolking te blijven, dient zij in de stellige wetenschappen gelijken tred te houden met den vooruitgang. des tijds; moet zij hare uitvindingsgave dag en nacht scherpen, om de mededinging van naburige natiën te verijdelen, te beschamen; wat wordt dat tas des boutiquiers een ander volkje, dan de veroveraar zich dacht! Om eenig genot te smaken vanhet gelukken harer ondernemingen, van het aanwassen harer welvaart, mag die bevolking geene vreemdelinge wezen aan beoefening der schoone kunsten; – om door weelde niet tot overdaad, door overdaad niet tot verzuim en vergrijp, door verzuim en vergrijp niet ten val te worden gebragt, moet haar zedelijke zin, onder dien voortdurenden voorspoed, algemeener en inniger, dieper en fijner worden, met iederen de een den anderen opvolgenden toestand, met ieder nieuw tijdperk! – Als de Bleekhorsten die allen hadden doorloopen, waarom zou dan de afstammeling van „een menschenslag, zoo vol merg en pit als zulke winkeliers zijn moeten,” niet de hand en het hart hebben kunnen winnen der dochter uit een huis, dat er in elken zin prijs op stelde, hollandsch, ja, liever nog, amsterdamsch te zijn?

Oordeel zelf, of wij uwe verwachting te hoog hebben gespannen.

De deuren der receptiezaal gaan open; ge wordt sleehts een wemelenden drom van gasten gewaar; doch de kring laat u werktuigelijk door naar de vrouw des huizes, – leg uwe pligpleging af. Och, dat zou het zijn, als gij uwen groet hadt brengen aan eene dier dames van rijperen leeftijd, welke haar, statig als die matronen zich houden, schijnen te lijfstaffieren; maar bij haar wacht gij u wel voor de banale beleefdheid, het van buiten geleerde lesje, even gedachteloos afgerabbeld als aangehoord. Er moge in hare houding al het rustige zijn, dat de gewoonte gehuldigd te worden geeft, er is, benijdenswaardiger voorregt! er is in de uitdrukking van haar gelaat tevens iets onbeschrijfelijk innemends; – waar toch heeft zij het aan dank te weten, dan aan den wensch van haar hart, dat het u ten harent wèl moge zijn? Een verpligtend woord tot dezen, een bevallig glimlachje voor genen, bij afwisseling een enkel blijk van geest of gemoed, wij weten, dat die te bestuderen zijn, wij hebben er effect meê zien maken, al wisten wij, dat ze berekend waren, berekend à la minute. Hoe anders is het hier, waar hoofd en hart, harmonisch ontwikkeld, geen oogenblik in verlegenheid laten, welke snaar moet worden aangeslagen, die des vernufts of des gevoels; waar het groote geheim om te behagen, de deelneming, op iederen binnenkomende zijnen tooverinvloed uitoefent, daar zij het ware woord op de lippen legt, naar verscheiden leeftijd en lot; waar tact den toon raadt, die welluidenden weerklank vindt; – où le vase déborde, parcequ’il est plein!

Onze opmerking heeft mevrouw Bleekhorst een offer gebragt harer waardig, door haar toilet om de gaven van haren geest voorbij te zien; – dat het keurig heeten mag, bewijzen de kritische blikken van een paar dames uit den drom, die zich niet rimpelen tot een „maar”. En toch laten deze niets ontsnappen; doe voor een oogenblik zoo als zij. In het ragfijne weefsel der coiffure onzer gastvrouw, die nog van den rijkdom der weelderige vlechten tuigt, welke voor eenige jaren de filets d’amour uitmaakten, waarin het hart van Bleekhorst gevangen bleef, geurt eene natuurlijke bloem; – zoo het iets te moet zijn, wat anders zal het wezen dan te zedig? Haar gevulde hals en de matwitte schouders verschuilen zich kwalijk, zou men in zinrijk oud-hollandsch hebben gezegd, onder het kanten weefsel eener berthe, laag nedervallende op de parelkleurige zijde van haar kleed, – zij houdt er het midden door tusschen een balcostuum en stemmigen tooi; zij houdt dat midden vroeg, te vroeg misschien; – gisp er haar over, als ge durft. Gij zoudt er den moed toe hebben, beweert ge; want al heeft hare leest de eerste tengerheid der jeugd verloren, bij de breede plooijen, waarin haar gewaad neergolft, wint zij de waardigheid, die eener vorstin voegen zou; want hare schoone armen, door de zware zijde niet bedekt, want haar vlug voetje, even te voorschijn tredende, ze zijn nog zoo verre, zij hebben nog geen zweem van zekeren onzekeren –

„Alweêr een lachje,” merkte daar eene dier dames op.

„Wat heeft ze ook mooije tanden!” zegt de andere.

o Magtelooze kritiek van den nijd!

Zonder dat zij haar deert, zet de vrouw des huizes hare receptie, haren triomf voort, – wij maken gebruik van dit oogenblik, waarin de bedienden met het theeblad beginnen te circuleren, waarin

„de losse zwerm van jonge danszaalbrommers!”

elkander hunne flaauwe opmerkingen over de dames in het oor, fluisteren – gonzen ware te luid, – om de groepen eens rond te zien, of wij onder de genoodigden ook bekenden aantreffen.

Wij bewegen ons eene wijle door het digt gewoel; wij ontmoeten eenige gedecoreerde vermaardheden van den dag, een enkel commandeurslint, – aardig, uithoofde der afwisseling van het hagelwit linnen der overige heeren, – wij wisselen eenige groeten en gaan voort. Ha, hier is een hoekje, waaruit zich veel laat gâslaan, waarvoor menige jeugdige schoone, zonder dat zij het vermoedt, poseert; een oogenblik gedulds, en ge zult die flikkering van gewaad bij gewaad gewend zijn, – waartoe die opschik! bijt gij ons in het oor. Wij herhalen waartoe? Louter om in het oog te vallen voorzeker niet; waarschijnlijker om, de opmerkzaamheid tot zich trekkende die te blijven boeijen, om te worden bewonderd, – alsof dit er de weg toe ware! Het gaat uwen oogen als den onzen, de wenden zich van al dat blinkende af, om lang te blijve rusten op het eenvoudig-smaakvolle; om, iedere andere verrassing of verlokking moede, er toe terug te keeren, lief als wij haar vast hebben, die den moed bezat, der mode van den dag de ontaardende overdrijving van deze ten minste, weêrstand te bieden. Hoe die zucht zich uit te dossen in een costuum, qui a fait l’admiration de tout un salon, hoe die wensch boven allen uit te schitteren comme la reine du bal, gestraft worden, als de heeren slechts opmerkzaamheid blijken te hebben voor wat inderdaad even zeldzaam is als betooverend: overeenstemming tusschen tooi en teint, tusschen kleeding en karakter vooral!

Onwillekeurig leveren wij zelven het bewijs op voor de waarheid eener aanmerking, die de dames ons noode ten goede zullen houden, vreezen wij; want gij als wij, alweder verlustigen wij ons in de lieve blondine, die daar, schijnbaar met gespannen aandacht, de azalea’s en maandrozen bewondert, in de bloemengroep voor een der damspiegels geplaatst. Welk een vleijend getuigenis van haar oordeel spreekt er uit de keuze van de kleur haars kleeds, – het lichte blaauwe, – zoo fijn en zoo ijl, dat de glans van het satijn, d’un ton plus clair, er liefelijk doorheen schijnt. Hoe het sneeuwblank van haar boezem, hoe het fluweel der mollige armen er dubbel door wordt gewaardeerd! Wie zag juister dan zij, toen ze opmerkte, dat geen bont tooisel van gebloemte of pailletten passen zou in dier lichte lokken golvend goud? Het is daarom, dat er zich maar een bloesem van het teederste rozenrood, – de tint eener lelie, door de avondzon beschenen, – bescheiden in verschuilt; het is daarom, – doch ons bespieden dreigt geen einde te nemen. En toch rust ge niet, voor wij het, als gij, hebben gezien en genoten, hoe de strengheid van den balruiker, die haar corsage versiert, hoe de spaarzaamheid, waarmede zij de lintstrikken tot le noeud de rigueur bepaalde, de eenheid van haar sprekend gelaat verhoogen, en de bevalligheid van haar lachje en de zachtheid van haren oogopslag in liefelijkheid winnen doen.

Wat mag er toch in die maandrozen en azalea’s schuilen, dat zij er nog den blik niet van afwendt? Is zij dan louter om deze te bewonderen op dit bal verschenen, dit bal, waarmede zij zich in gedachte zoo lang reeds bezig hield?

„Elle y pensait trois jours – trois nuits elle y rêvait!”

Als het u gegeven ware in haar harte te lezen, hoe het u verrassen zou te zien, dat ze zich bijna beklaagt te zijn gekomen, dat ze niet bij hare zwakke moeder, bij haar blind nichtje te huis bleef!

Waar het aan schorten mag? Is zij niet genoeg ten dans genoodigd? – maar louter het vermoeden is eene beleediging!

„Lieve Maria!” klinkt het haar toe, en het blonde kopje heft zich op, – het blijkt een vriend des huizes van haren vader te zijn, die haar een zijner goede kennissen onder de jonge heeren wil voorstellen.

„Mijnheer van Veere, jufvrouw Hudde!”

Wie de verwardste is van beide? – onze vriend Huibert, die in zijn harte het bal, dat onzijdig grondgebied, zegent, ’t geen hem eindelijk de vurig gewenschte gelegenheid geeft, haar te spreken, naar den zoeten klank der stemme te luisteren van haar, wier cóterie voor hem gesloten is, – of de innemende Maria, die het maar te wèl heugt, dat zij Huib, eenzelfden ochtend driemalen op de pantoffelparade heeft ontmoet, maar wier hoofdje het zich zelve niet bekennen wil, dat zij door hem veel aan liefde heeft gedacht, toen Boucher zoo welsprekend was over geloof en hoop?

„Décides si tu peux et choisis si tu l’oses!”

Een oogenblik koutens, – en de jonkman heeft op het keurig calpin de enge ruimte gevonden, waar hij zijnen naam mag zetten tusschen die van talrijke feestgenooten, welke hem vóór zijn geweest, die, even als hij, voor een der nummers van de dansorde der schoone den arm zullen biên.

„Als hij!” de kennis is naauwelijks aangeknoopt, of de jaloezij wordt wakker!

En mama, en het blinde nichtje, denkt Maria er aan?

Wij wilden groepen zien, en merkten slechts een paar figuren op; zullen wij elders, voor dien wit marmeren schoorsteen misschien, zoo fraai afstekende bij het donkerrood damast van het behangsel, gelukkiger zijn? Oef, de thermometer op gindsche étagère teekent tachtig graden; wie mag zij wezen, die ook in zulk eene warmte nog het vuur zocht, en er een drom van heeren om zich verzamelt? Er is teekening tot in deze, daar de kleuren hunner kleeding ten minste zich niet tot de twee van la mise obligée – zwarte rok en wit vest – bepalen, – indien de vormen niet zoo volslagen negentiende-eeuwsch waren, dan zou zelfs een schilder hare afwisseling voor lief nemen, en zich stellig geen bontere wenschen. Het zijn officieren, maar van welk wapen? Wilt gij eene quotatie voor eene descriptie ruilen? ge zult er bij winnen, verzekeren wij u, – luister dan:

„Mon envie admirait, et le hussard rapide,
„Parant de gerbes d’or sa poitrine intrépide,
„Et le panache blanc des agiles lanciers,
„Et les dragons, mêlant sur leur casque gépide
„Le poil taché du tigre aux crins noirs des coursiers.”

„Het zijn officieren van de ligte dragonders en van de grenadiers, – de eersten liggen hier in garnizoen, de anderen kwamen uit ’s Hage over –”

Houd ons de botheid ten goede, – de beerenmuts in de hand der laatsten had ons uit den droom moeten helpen; – maar wij waren begeerig, een blik te slaan op de schoone, die hen allen, en ook menigeen qui ne porte point d’épaulettes, boeit, – en verrast, verrukt als zij, hebben wij, met hen, slechts oogen voor „het mooije Creooltje”, mevrouw Thoossens, of zij u nog heugt. Zoo het nog betoog behoefde, dat de bevalligheden in alle werelddeelen hare gunstelingen kiezen, hoe haar smaak het voldingen zou! Wat is het lichte geel van haar kleed, getemperd door het witte satijn, dat daaronder schuilt, volkomen in overeenstemming met den goudgloed van haar gelaat, met die zonnige tinten van hals en arm, waar het onstuimig jagende bloed doorheen schemert! Over de raafzwarte lokken, die altijd nog eenig teeken dragen, dat ze zich aan de wrong, die de mode van haar vergt, slechts onwillig onderwerpen, schittert een gouden siersel, eene bloem, waarvan gij de weergâ in geene Flora vindt, naast een paar airen, die trillen en ruischen bij elke beweging van het kopje, dat van: geen ding ter wereld meer afschuw schijnt te hebben dan van rust. Wat dunkt u, verkondigt die schijnbaar zoo grillige keuze u haar bewustzijn niet, dat zij eigenlijk geenerlei land, geenerlei volk toebehoort, nakomelinge van de zijde harer moeder, het is waar, dier oude hidalgo’s welke onder Cortez de nieuwe wereld veroverden, hollandsche van vaderszijde, zoo de edelman, die twintig jaren van zijn leven onder den laauwen hemel van West-Indie doorbragt, nog Hollander heeten mag? Maar aan hare borst prijkt eene magnolia in vollen bloei, – doch zou zij dan geene heugenis mogen hebben van het oord, zegt ge, waarin zij werd opgevoed? – de tulpenboom wast immers in het zuiden der Vereenigde Staten het weligst. Daar ontwikkelde zich de zin voor het schoone, die haar ried, zoo breede bracelets te kiezen, opdat u de fijne ronding van den arm fluks in het oog vallen mogt, bracelets, in wier edel metaal smaragden gevat zijn; die haar influisterde, dat de gloeijende toon van het goudgeel ceintuur, ’t welk hare slanke leest omspant, volkomen voegen zou bij haar keerkringsgelaat, en hare weelderige vormen. Daar ontwikkelde zich ook die zin voor dat leven van louter lust, waarin droomen en dartelen beurt houden, dat haken naar genot tot hijgens toe, eer uitputting op de overspanning volgt, dat feestige, zouden wij schrijven, als het niet te fantastisch klonk, ’t geen Thoossens huwelijkshemel ten altoosdurenden Aprildag maakt.

Levendigste van allen die haar omringen, tikt haar voetje vast ongeduldig de maat van een wals, terwijl haar balboekje schier van hand tot hand gaat: les adorateurs font file.

Maar er valt eene schaduw ook op dat van zonneschijn schitterend landschap! Verre genoeg van haar verwijderd, om van tijd tot tijd de donkere oogen derwaarts te mogen wenden, blijft eene fiere mansgestalte roerloos denzelfden tergenden afstand bewaren; – het gesnap, het geschater van haren hofstoet dreige vrij een oogenblik te luid te worden, wie er acht op geeft, wie er om nader komt, – niet hij. In staat alles te wagen om haren wil te doen zegevieren – „ce conte, Sire! est intilulé: ce qui plaît aux dames,” – zal zij, eer ge het vermoedt, een voorwendsel weten te vinden, om van terrein te wisselen, om den vijand te gemoet te gaan! Het is te laat, „noodlottig woord in ’t leven”, te laat, – want de flinke dertigjarige, met lichtblond haar en donkerblaauwe oogen, die echt noordsche figuur, waarin u bij wijlen iets zuidelijk-levendigs verrast, en die misschien daarom alleen het mooije Creooltje den lust, eene conquête te behalen, inboezemt, onze Willem – wij verzwegen u tot nog toe zijn Van – Willem Rievens – is onder de menigte verdwenen; aan Jane Eyre de schuld.

„Professor!” zeî mijnheer Maelstede tot hem, „professor! wat hebben wij daar een dwaas boek gekregen!”

Die arme directeur van het leesgezelschap!

Hij vroeg of hij weten mogt welk werk?

Het was de eersteling van Currer Bell, waarover de man, die, volgens Huibert, zulke keurige diners geeft, zoo wreed een vonnis wees, – Willem toonde zich nieuwsgierig te vernemen, wat hem dus oordeelen deed?

„Maar, professor! wat is dat voor een held en een heldin? Wie wel de leelijkste van de twee mag wezen?

„O ik begrijp u, mijnheer Maelstede!” hernam onze vriend, en voegde er schijnbaar beleefd., maar inderdaad bitter bij: „doch dat hadt u op den titel af kunnen raden; eene gouvernante is zelden mooi, men wordt het maar –”

„Als men geen geld heeft,” vulde de man van de keurige ’ diners aan, in zoo geheel anderen zin dan Willem bedoelde, dat deze hem zijn gang liet gaan, toen hij voortvoer: „en daarom juist vinde ik dat boek zoo dwaas, want dat leelijke ding heeft pretensies wat ben je me!”

Stuur boeken rond, – zeide onze jeugdige hoogleeraar in zich zelven, – bekommer u over hunne strekking, zie welk, een indruk zij maken, en word dan toch genezen van uwen waan!

Habent sua fata libelli.

Als die man nog opgekomen ware tegen Rochester’s begrippen, over het huwelijk, dat zou verklaarbaar zijn! maar Jane te miskennen, maar geen zin te hebben voor de frischheid harer figuur, maar doof te wezen voor den kreet des harten, die er u beurtelings blijde of droef, die er u altijd zoo waar, zoo welsprekend uit toeklinkt!

„Mijnheer Maelstede!” hernam hij luide, „als u wist hoe: moeijelijk het is –”

„Boeken te kiezen, die aan elk bevallen, professor! o dat geloof ik graag; ook was ik er wel verre van het u te wijten; wij kennen het versje van Cats: „dat syn wel d’allerraerste saken,” enz. Het gaat met lezen als met eten, professor! men bestelt een nieuwen schotel op den piquanten naam af, maar smaak is geen mode, weet u. O zoo het allemaal koks waren, die lange messen dragen, mijn gehemelte zou mij niet zoo vaak zeer hebben gedaan!”

Willem kon zich niet weerhouden te lagchen.

„Blijf ons dus maar boeken sturen, professor!” besloot de man van de keurige diners.

„U zou mij schier verzoenen met de taak, die voor u te kiezen,” hervatte onze vriend, „dewijl mij de zwaardere niet is opgelegd er voor u te schrijven, mijnheer Maelstede!”

En het lid van het leesgezelschap, – telde het er vele even zoo vernuftige? – boog zich; want Willem had hem medegetroond tot digt bij den ingang der zaal, waar mijnheer Maelstede niets te wachten had, waar Willem daarentegen zich nog altijd vleide haar te zullen zien opdagen, om wier wille alleen hij hier verschenen was.

„Rêver c’est le bonheur, attendre c’est la vie!”

Het duurde slechts eenige oogenblikken. „Amelie van Braams,” fluisterde men elkander in, en aan den arm der douairière, die haar chaperoneerde, trad ze den kring binnen, die voor beide dames, breeder dan voor iemand nog, op zijde geweken was. Te wel opgevoed om verlegen te worden, tintte nogtans een blosje de bleeke wangen der jeugdige schoone; wie haar weinig kende, hij kon immers vermoeden, dat zij zoo laat was gekomen om de opmerkzaamheid tot zich te trekken? Bekoorlijke Amelie! als gij die wenschtet te ontgaan, waarom dan zoo betooverend gebloosd?

Mevrouw Bleekhorst was der lieve gasten een paar schreden te gemoet gekomen; mevrouw Bleekhorst wilde van geene verontschuldiging der douairière weten; zij betreurde het laat komen alleen, dewijl zij er te lang haar gezelschap door had gemist; Amelie’s toilet, beweerde zij schertsende, zou zooveel tijds hebben gekost.

„Of het mijne haar misschien,” lachte de douairière, „want ge weet, chère amie! ik ga zelden meer waar veel menschen zijn, men wordt met de jaren moeijelijker.” –

„En ziet er ten leste het schilderachtigst van allen uit,” zeide de vrouw des huizes.

„Och kom, kind!”

Hoe veel waars er was in dien lof, de douairière geloofde het maar half, doch als een Rembrandt onzer dagen haar op het doek had gebragt, met dat gladgestreken, zilvergrijze haar, onder die wolk van ouderwetsche kant, met die houding gekromd noch gebogen, zoo min onder den last van het zware zwartzijden kleed, als onder den zwaarderen last der jaren of der rouwe, dien zij in het harte droeg; met die nog levendige oogen vooral, die door velerlei lijden heen helder naar boven hadden leeren zien, gij zoudt gejuicht hebben, dat het geheim werd wedergevonden een schoonen ouderdom te schilderen, en een zedelijken indruk den zinnelijken te doen overwegen!

„Amelie heeft zeker hare weinige gunstelingen al gekozen,” beantwoordde de douairière eene vraag, door mevrouw Bleekhorst tot haar gerigt, en op een teeken der laatste gaan de breede deuren der belendende danszaal open, – welk eene afwisseling, welk eene bezieling!

„Uit de schaduw in het licht!” ziedaar het ware woord voor dien ommekeer. Voorbijgegaan zijn de pijnlijke oogenblikkea eener gedwongen tentoonstelling van persoon of kleedij, eens vervelenden geruils van honderde gemeenplaatsen; – de ijzeren vormen van onzen „bon ton”, nooit kwellender dan bij den aanvang eener feestviering, springen los. Op eens verstommen de kwijnende gesprekken, – aangeknoopt, als de eenige belangrijke van het voorspel, als de korte kout over de keuze uit het programma, over de engagementen, zijn afgeloopen, – aangehouden, ten spijt van eenvoud en smaak, om niet stokstijf tegenover elkander te staan. Daar breekt de bevoorrechte danser die eensklaps met eene beleefde buiging af, en de kleine hand zijner danseres grijpt met zooveel drift den aangeboden arm, dat beide lach en blik het u duidelijk verkondigen, hoe zij slechts ademt in het vooruitzigt der genietingen, die het bal haar belooft; – grijpt dien blijkbaar zoo gelukkig, dat gij het haar onmogelijk ten kwade kunt duiden, dat zij u en uwe gedwongen aardigheden in het eerst volgende secondenpaar volkomen zal zijn vergeten.

„Uit de schaduw in het licht,” vergun ons het ware woord te herhalen, of geef er ons een beter voor! De eerste toonen der inleiding van een echten Strauszer gelijken een tooverstaf over de menigte gezwaaid, die harte bij harte onrustiger kloppen, die oogjes bij oogjes van vurig verlangen schitteren doet. Wie nog twijfelt aan de magt der muziek, aan de waarheid der fabel van Orpheus, die in rotsen gevoel wekte, hij aanschouwe, hij verklare ons, anders dan door deze, het leven, op eenmaal zoo vele zwijgende, zoo vele schier doode figuren ingeblazen, dank zij der melodie van enkele accoorden, de aankondiging, de voorbereiding van den wals. Licht, gloed, geuren, muziekI voort, naar de weelde, die daar ginds ons wacht! Voort, naar de halle, waarin de heldere vlammen van tallooze bougies op lustres en kroonen, door het blinkend spiegelglas duizendmalen teruggekaatst, den nacht in schooneren dag herscheppen. Voort, naar den hof, waarin de verkwikkende geuren van bloesem en kruid, die zich langzaam door den laauwen dampkring verspreiden, ons gelooven doen, dat de lente is gedaald. Voort, naar den hemel, waarin de schaterende toonen van het orchest, die hun „brio” als zomerregen over de gelukkige genoodigden uitstorten, de jeugd ten minste voor eene wijle boven het leed des levens verheffen!

Zweef mede de zaal binnen, en zie om u. Wij zouden ons zeer in u hebben bedrogen, als ge u niet andermaal, als wij, genoopt gevoeldet, den bouwheer dezer huizinge uwe hulde te brengen; of hebt gij u ooit in uwe dichterlijkste droomen Terpsichore’s tempel schooner gedacht? „Wit met goud,” roept de schare, en gaapt de groepen aan, in vak bij vak geschilderd, – voorstellingen dier kunst, „welke,” zoo als het in den vreemde treffend werd uitgedrukt, „in hare wentelingen eene levende volkspoëzij tot aspunt had, wier mythologie overvloedige stoffe voor plastische scheppingen opleverde.” Staar ze aan en geniet ze, die gelukkig uitgedrukte gedachten, welke u bijna bewegen, zouden Grieksch te leeren, dewijl ge zelfs door deze verre navolgingen van hare veraanschouwelijking van idealen geneigd zijt met Howard aan Hellas’ kunst den lof toe te kennen, door Gibbon harer taal gewijd: „dat zij den voorwerpen der zinnen eene ziel wist te bedeelen, en den afgetrokken begrippen der wijsbegeerte eene gestalte.” Hier boeit u „de geboorte van Minerva”, ginds „Niobe, verkeerd in steen”; – daar bewondert gij de beroemde groep van Timanthes, „de offerande van Iphigenia” voorstellende; Agamemnon verbergt zijn gelaat! – aan de overzijde lokt u „het gastmaal der Goden” aan „bij de geboorte van Aphrodite”; platonist! haal uw harte opl – Elders is de. strijd, van Minerva en Neptunus veraanschouwelijkt, de strijd over Athene’s oorsprong en naam; – ons houdt Amphion bezig, een onderwerp, dat Hemsterhuys geschikter voor de schilder dan voor de beeldhouwkunst achtte. Maar wat dolen wij in de oudheid om, wat dwalen wij af in eene ondergegane wereld, alsof het heden niet hoogere regten op ons had, het heden, dat veelzijdiger volksontwikkeling vergt, maar waarin de kunst toch ook nog behoeften te bevredigen heeft, waarin ook de zin voor vreugde zich gelden doet! Hoe vieren de feestelingen haar in verrukking bot, verrast door eene nieuwe weelde, die het vermoeden wettigt, dat ook mevrouw Bleekhorst Wilhelm Meister gelezen heeft, dat zij in des Oheims, door velen voor grillig gescholden, maar door allen, die niet enkel ooren maar ook oogen hebben, meegevoelden wensch deelde: „auch bei Instrumentalmusiker, die Orchester, so viel als möglich versteckt zu haben, weil man durch die mechanischen Bemühungen und durch die notdürftigen, immer seltsamen Gebärden der Instrumentenspieler so sehr zerstreut und verwirt werde.” – Het is de introductie van Weber’s kernige Aufforderung zum Tanz, die ons toeruischt; zij die haar uitvoeren zijn, aan het golven der toonen zoudt gij het zeggen, dáár, in het midden der zaal achter een dundoek verborgen. Slechts de balletmeester, dien gij herkent aan zijne excentrieke das, zijne lage schoenen en de bourgeoise snede van zijn rok, aan de onuitstaanbare pedanterie zijner beweging vooral, verraadt nog, dat wij ons niet onwillekeurig dus zullen vermeijen, dat de kunst verre is van in tweede natuur te zijn verkeerd.

Maar de inleiding is afgespeeld, maar de paren staan gegroept, maar de wals zweeft op de lucht, – o wat heeft Göthe een gelukkigen greep uit het dagelijksch leven gedaan, toen hij, in zijn Wechsellied de twee soorten van dansers tegen elkander over stelde. Hier hebt gij:

DIE GLEICHGÜLTIGEN.

„Komm mit o Schöne, komm mit mir zum Tanze;
Tanzen gehöret zum festlichen Tag.
Bist du mein Schatz nicht, so kannst du es werden,
Wirst du es nimmer, so tanzen wir doch.
Komm mit o Schöne, komm mit mir zum Tanze;
Tanzen verherrlicht den festlichen Tag.”

Voor hen is de dans ontspanning, genoegen, pret, – telkens afwisselend, telkens nieuw, – maar bedaard genoten, bevredigend tevens.

Hoe anders is het bij:

DIE ZÄRTLICHEN.

„Ohne dich, Liebste, was wären die Feste?
Ohne dich, Süsse, was ware der Tanz?
Wärst du mein Schatz nicht, so möcht ich nicht tanzen,
Bleibst du es, immer ist Leben ein Fest.
Ohne dich, Liebste, was waren die Feste?
Ohne dich, Süsse, was wäre der Tanz?

Bij dezen heerscht de hartstogt; – bij dezen is de dans maar middel tot zoet verkeer, dat weldra verdriet, daar het geen gesprek veroorlooft.

Gij ziet het eene als het andere den bonten reijen aan; maar om te beslissen, of er onder die dansenden schuilen, die wenschen, dat ook zij – als de verliefden in het schalke liedje des grooten meesters – de helverlichte danszaal uit, het schemerzieke woud in mogten glijden, –

 

Soo duyster is ’t in ’t groen, zoo groen is ’t in den duyster,

zong onze Huyghens, – daartoe is het nu nog te vroeg.

 

„Amor, der nahe”

spant eerst zijn boog; – gij ziet het hem daar ginds, gebeeldhouwd, in die nis geplaatst, over heel deze schare doen!

Indien Amelie van Braams, die gedurende de eerste dansen tot de toeschouweressen bleef behooren, een open oor had geleend aan de vleijerijen, waarmede men haar bewierookte, het zou vergefelijk zijn geweest, zoo hare ijdelheid zich had verbeeld, dat zij slechts behoefde te verschijnen, om te overwinnen. Wekt het verwondering, dat men zich beijverde hare gunst te verwerven, zij, die jong, schoon, rijk tevens was? Voorzeker niet! – ,,Maar wat vreemd mogt heeten, het was hare onverschilligheid voor, meer nog haar afkeer van alle hulde van dien aard. Een glimlachje, ijlings door eene wending des gespreks gevolgd, – of wel een afbreken van het onderhoud, als die wenk, door eene herhaling der douceurs, ongenoegzaam bleek te zijn geweest, – deze waren al de belooningen, die beau bij beau voor hunne propre d’amour ontvingen. En de teleurstelling der jonge heeren gaf zich lucht in het vermoeden, dat zij te heerschzuchtig was, om zich, met haar vermogen, in het juk van den echt te voegen; en de jaloezij der jonge dames, die haar, des ondanks, waar zij verscheen gevierd zagen, gisten une affaire de coeur, die gekleurd werd naarmate het prisma der praatzieke tot de min of meer heldere behoorde. Amelie van Braams wist dat alles; Amelie bleef er even beminnelijk om, even beleefd, maar ook, waar zij het zijn moest, even koel, even kort, – déchiffrez nous Amélie.

Op eene der weinig bezette banken – want mevrouw Bleekhorst bezat te fijnen tact, dan dat men ten harent het onaangename schouwspel zou hebben gezien van overcomplete danseressen; indien de evenaar niet volkomen in het huisje kon staan, dan zag zij liever, dat hij naar de andere zijde oversloeg, „point de tapisserie chez moi”; – op eene der weinig bezette banken had de douairière plaats genomen; Amelie stond bij haar, en eenige heeren om de beide dames heen. Er waren onder de laatsten, die u het costuum der jonkvrouw dans tous ses details hadden kunnen beschrijven: – het zachte rood, der zijde, het keurig gebloemte van het zwarte kanten kleed er overheen; maar zij hadden er ook langer op gestaard, dan wij denken tedoen. Er was een enkele onder dezen, die u den prijs had kunnen bepalen der cameën, die zij in de cheveux crêpés, die zij voor agraffe en ceintuurgesp droeg, maar wij weten niet, of gij er wel nieuwsgieriger naar zult wezen dan wij. Er waren eindelijk onder dezen gelukkig ook twee, die spraken en schier geen acht sloegen op het toilet; – de een, een luitenant der huzaren van Boreel – haar verre neef, was, wij vergaten het u te zeggen, vreezen wij, met de dames binnengekomen, en wist dus hoe Amelie er dien avond uitzag; – de andere heette Willem Rievens, van alle aanwezigen de laatste om een blik te werpen in het Journal des Modes of Le petit Courier, om te durven beslissen, of zij Kruseman’s Aglaja, – niet waar dames? – raadpleegde, ja dan neen.

En echter, wij zouden der waarheid te kort doen, zoo wij niet getuigden, dat het geheel van haar costuum een oogenblik indruk, diepen indruk op hem had gemaakt. Het gaat haar als haar gewaad, was zijne gedachte geweest; er ligt een donkere sluijer over haar zooveel levensvreugde belovend lot.

Wij hebben te lang toegezien, dan dat het niet weder onze beurt zou worden toe te luisteren.

Belle cousine!” zei de huzaar, louter oog voor het gewoel; der dansenden, „dat is toch een ander leventje dan buiten op, den Oldenburcht den ganschen avond den wind te hooren.”

„Het is zeker eene andere muziek, Engelbert!”

„Maar hoe is het mogelijk, dat gehuil muziek te noemen?”

„Het komt alles op onze stemming aan,” beweerde Willem.

„Gelooft u, mijnheer!” vroeg Amelie, en voer voort, onderwijs vragende, waar zij misschien zelve onderrigt gaf, „gelooft u, dat wij in een bijzonderen toestand behoeven te verkeeren, om het harmonische op te merken van wat wij hooren met wat we zien?” – Weer tintte een blosje hare wangen, – scheen haar de keer, dien het kouten nam, te savant? „Het geldt maar het leven op den Oldenburcht, en geen dag en nacht in den Haag, Engelbert!” wendde zij zich schalk tot dezen.

„Le vin, le vin,
Le vin, le jeu, les belles,”

neuriede de huzaar.

„Och, daar zijn we buiten bitter in ten achter,” stemde Amelie in zijnen toon.

Maar Willem was te edelmoedig, om niet te willen bekennen, dat hij teregt was gewezen.

„U heeft gelijk,” besloot hij, „wij allen moesten het waarderen; maar of die zin voor het muzikale in de natuur niet tot, de zeldzaamheden behoort;” twijfelde hij, en zeide zachtkens op:

„’t Zijn trillingenvan een der snaren
En ’t aanslaan van een’ toon, die van het speeltuig vlugt.”

Hoe, – eene aanhaling van ter Haar, – op een bal, – in een gesprek van een professor met Amelie van Braams, – vraagt men, en verpligt ons daardoor, de betrekking tusschen beiden, ten minste ietwat, te motiveren, in eenige woorden mede te deelen hoe de kennis werd aangeknoopt. Heugt onzen lezer het uitvoerig beschreven studeervertrek van oom Frits en neef Willem nog, dan mogen wij ons vleijen, dat die hoek der kamer, waarin allerlei jagtgereedschap hing, zijne gedachtenis niet geheel zal zijn ontgaan. We zijn vermetel genoeg, het te onderstellen, en vreezen niet, dat hij er zich over verbazen zal, dat de jonkman uit dien huize, trots professoraat en studie, als ieder die wil, den tijd wist te vinden, om zich in het herfstsaizoen eenige dagen aan dat hartstogtelijk vermaak te wijden. Het had hem, ruim twee jaren geleden, op het buiten eens vriends, in de buurt van den Oldenburcht gebragt, – de streek vloeit over van wild. Maar er is een allerliefst versje van Uhland, dat, in vier regels, vlugger dan ons proza het zou vermogen, eene kennismaking als die van Willem en Amelie schildert, – wij nemen het daarom over:

„Es jagt’ ein Jäger früh am Tag
Ein Reh durch Wälder und Auen,
Da sah er aus dem Gartenhag
Ein rosig Mägdlein schauen.”

Wat was natuurlijker, dan dat die blik hem boeide, – dat hij waande het lief gelaat nog gewaar te worden, toen het zich lang reeds van het hooge rood der najaarszon, en daarmede van hem, had afgekeerd, – dat hij er zich over verwonderde, er nog aan te denken, toen hij zich zelven betrapte – den vinger aan den trekker der buks, maar het oog op glinsterende herfstdraden gerigt, – dat hij dien middag platzak ’t huis kwam en toch niet knorrig keek? Maar, helaas! wat was ook natuurlijker, dan dat hij niemand iets van die ontmoeting mededeelde, toen hij, door het antwoord op een paar schijnbaar onverschillige vragen, er niet langer aan twijfelen mogt, dat de jonkvrouw dier jagt geene andere was, dan de schatrijke erfgename, dan de aanzienlijke weeze, naar wier hart en hand gedongen werd, of er Holland aan hing?

En echter, een jaar later, toen de zon, zoo als onze herfstdichter zingt, weer hare dwarsche stralen over de verwelkende, maar kleurrijke bladerpracht van lindetop en beukenkruin lichten deed, toen had Willem den moed niet zich zelven het genot der jagt in de omstreken van den Oldenbureht te ontzeggen; toen was het lot grillig of gunstig genoeg geweest, – beslisse wie hopeloos heeft bemind, welk woord hier het beste voegt! – hem Amelie weer te doen ontmoeten, hem de gelegenheid te geven haar van dienst te zijn. Een jong paard, schichtig geworden door het schot zijner buks, dreigde, de moedige amazone den lustrid duur te doen boeten; Willem was toegesprongen, Willem had het oor geleend aan haren hartelijken dank. Hij was de ophaalbrug van den Oldenburcht overgegaan, – en wat hij, naar het buiten zijns vriends terugkeerende, weder had medegebragt, het weinige van zijn harte, dat nog vrij was geweest, niet, – in hoeverre Amelie het vermoedde, blijve haar geheim.

Wij hebben de kennismaking slechts van ééne zijde geschetst, – het vervolg onzer vertelling bewijze, of Willem haar karakter genoeg begreep, om door den toon, dien hij het gesprek gaf, in hare oogen – wat golden hem die der overige balgasten? – geen dwaas figuur te maken.

Wij vatten den draad weder op, na de aanhaling van ter Haar.

„Heden worden wij het niet eens, mijnheer Rievens!” beweerde Amelie, „zulk een zin zou zeldzaam wezen! Maar is u dan nooit in het vroege voorjaar buiten geweest, – heeft u dan nooit den boer achter den ploeg zien stilstaan, als de leeuwrik de lucht insteeg, en sloeg, sloeg, of hij den dank niet hoog genoeg brengen kon?”

„Dweepstertje!” zei de douairière.

Willem echter vulde aan, Willem vroeg, of Amelie dan inderdaad meende, dat die boer begrijpt, hoe volkomen dat loflied past bij het ontwaken des landschaps?

„Als ge van hem vergt er u in woorden rekenschap van te geven,” antwoordde Amelie, „hij zal in gebreke blijven; maar gevoelen is geen begrijpen, professor! Hoe weinig genoegen, hoe weinig geluk zou er ter wereld zijn, als niemand gezegd mogt worden het te genieten, tenzij het waarom hem duidelijk ware!”

„Volmaakt van uwe opinie, belle cousine!” viel de huzaar in, „wie van mij weten wilde, waarom ik mij altijd perfect bij u amuseer, ik zou niet in staat zijn het hem te zeggen. Et cependent c’est un fait, al zijn we bijna nooit van één gevoelen, al wilt ge, in scherts zoo min als in ernst, ooit wat ik wil –”

Amelie hief den wijsvinger dreigende op.

„Maar, luitenant!” kon Willem zich niet weerhouden te zeggen, eer zijn aanvalligheden van gestalte en van geest...”

„Mijnbeer Rievens!” brak de jonkvrouw zijne betuiging af, op te ernstigen toon misschien, om niet ijlings het vermoeden, dat deze wekken kon, uit te willen wisschen, „mijnheer Rievens, mon beau cousin heeft het niet aan u verdiend, dat gij hem als bondgenoot ter hulp komt, waar zijne beleefdheid te kort schiet; – en ook heb ik,” liet zij er op den vorigen vrolijken toon op volgen, „tegen u encore plus de flêches dans mon carguois. Heeft u nooit, op een zonnigen zomermiddag, een mooi boerinnetje, in de schaduw van oud geboomte, zien zitten luisteren naar het gedommel en gegons om haar heen? Heeft u nooit, zeg ik, een mooi boerinnetje in den lommer, omstreeks den noen, zien zitten droomen, onder het zoete gesuis, dat al zachter om haar heen zwierde, hoe warmer het werd?”

Belle cousine!” sprak de huzaar, „wat spijt het mij, dat ik niet blijven kan totdat zij indommelt; maar de wals roept me naar mijne dame, – niet alle zijn zoo onverbiddelijk als gij!”

Allez, allez, et ne m’oubliez pas,” riep Amelie Engelbert na, en zag toen Rievens aan, of zij nog voort moest gaan.

„Ik geef mij gewonnen,” zei Willem, „want uwe geestige schets, hoe het insectenleven, zich het laatste van al ter ruste vlijende, door zijne melodische muziek invloed uitoefent tot op dat argeloos natuurkind toe, bevalt mij te zeer, om scherp te willen schiften... ”

„Professor! ik bid er u om,” daagde Amelie hem stout en schalk uit, – maar Willem leende der douairière het oor, die zich met eene vraag over een paar walsenden tot hem wendde, en naauwelijks had hij deze beantwoord, of daar zwierde een ander tweetal langs hem heen, dat hij op zijne beurt met benijdemlen blik volgde, – het waren Huibert en Maria.

Die gelukkige! – „Der Etikette bange Scheidewand” is gevallen! Voor langer dan voor dezen avond? Het zijn Willems dertig jaren, die vast voor het morgen vreezen; – wat denkt Huibert, die nog geen volle vijf lustrums telt, wat denkt hij er aan! Indien zijn oor eenigen anderen klank opving dan haar gefluister, indien hij u, onder dat gewiekt voortzweven, in de fraaije verzen van Beets hem hoorde toeroepen:

„En wat, wie gaf hem ’t recht, die rijke leest te omvatten?
Wie ’t recht, zich zelv’ den druk dier vingren waard te schatten?
Wie ’t recht haar lang en diep te staren in ’t gezicht,
Den geurige’ adem van haar lippen op te vangen,
En ’t lieve schepsel gansch in d’arm te voelen hangen,
En trotsch te zijn op dat gewicht P”

Hoe zou zijn antwoord, gereed zijn! Vrij van alle vrees voor het qu’en dira t’-on? dat hem gister nog weerhield een hartstogt te bekennen, door verschil van stand met schier onoverkomelijken slagboom bedreigd, zou hij u thans zeggen: „Wat er mij regt toe geeft? – mijne liefde!” Maar wat is hij er verre van, zelfs die vraag maar te vermoeden, geheel verdiept in Maria!

„Non, tout ce qu’a la destinée
De biens réels ou fabuleux
N’est rien pour mon âme enchainée,
Quand tu regardes inclinée
Mes yeux bruns avec tes yeux bleus!

Zie daar wat Willem, nu de dans andermaal het lievepaartje langs hem heenvoert, in zich zelven mompelt; Maria weigert geen gehoor aan de wenschen, welke de wals op de lippen lokt, als het harte die lang heeft verheeld:

„Thoughts that breathe and words that burn!”

Schuchterheid moge haar de oogen bij wijlen neêr doen slaan, schroom, schrik zelfs haar hartje vervullen voor dien: vuurgloed van woorden; als zij met de blaauwe kijkers uit hare verrassing weder naar hem opziet, dan verhelen zij voor niemand, behalve voor den nog altijd twijfelenden Huibert, haar vertrouwen, hare verrukking, – voor ieder ander maakt het paartje slechts eenen indruk:

„Beglückt, beglückt
Wer dich erblickt
    Und deinen Himmel trinket!”

Eenmaal nog zweven zij Willem voorbij, en de wals sterft weg, maar, wie er het gesprek om stake, niet zij; – zou mevrouw Bleekhorst de volmaakte gastvrouw zijn, welke wij haar prezen, indien er ten harent geene gelegenheid ware elders dan in de danszaal van de vermoeijenis te verpoozen? Aan beide zijden is de uitgang vrij; Huibert en Maria hebben slechts te kiezen. Wat zeggen wij? er kan voor den schalk van geene keuze sprake zijn tusschen de beide vertrekken, die den gasten eene afwisseling van het gewoel aanbieden: het schitterende, waarin zij werden ontvangen, en het schemerzieke, dat gij nog niet kent. Het derde der in elkander loopende vertrekken dezer huizinge, – receptiekamer, danszaal, slaapsalet, – werd uit het laatste, om den wil van het feest, al wat van zijne eigenlijke bestemming getuigd, verwijderd; – doch de ledikanten mogen verdwenen zijn, wat de plaatsing dier voorwerpen daar waarde gaf, de liefelijke rust, in de rotonde verzinnelijkt, bleef over. Hoe de bleeke schijn van eene door albasten ballon omgewen lamp, opgehangen aan matzilveren schakels, die uit het midden des plafonds tot halverwege het vertrek dalen, op het glinsterend gaas, waarmede het rozenroode behangsel is overplooid, eene weergalooze werking zou doen, als apn dit tal van candelabres, thans op meubel bij meubel ter verlichting aangebragt, het talloos heir bougies ware gebluscht! Gebluscht, zeiden we, even alsof het hier nu reeds niet nacht scheen, in vergelijking met den dag der danszaal, alsof Maria er niet wèl aan deed te weigeren, zich hier neer te zetten, om in geïmproviseerde eenzaamheid Huibert het oor te leenen for a tale, he tells too well! Hoort, daar noodt de muziek op nieuw, en wel ditmaal ter wilde galoppade. Het is of wij ons, medeafgedwaalden, met de woorden des duitschen dichters door die dansenden hooren naroepen:

Lasz sie nur lieben, und lasz du uns tanzen!
Schmachtende Liebe vermeidet den Tanz.

O het valt ligt voor Huibert, met Maria aan den arm, de naauwelijks meer koele vestibule genaderd, zich in de schaaûw dezer oranjeboomen een bosch te droomen, en den beurtzang te zingen:

Lasz sie zich drehen, und lasz du uns wandlen!
Wandlen der Liebe ist himmlischer Tanz.

Maar wat zullen wij? met hem mijmeren? met hem voet voor voet den weg ter receptiezaal weder afleggen? Voorwaar niet! – er zullen onder onze lezers, even als onder hen, aan wie zij deze bijdrage verschuldigd. zijn – enkelen wezen, voor wie liefde, eerste liefde vast een hoofdstuk hunner herinneringen is geworden, en die daarom, als wij, in staat zouden zijn, Huibert en Maria eenige oogenblikken alleen te laten, om aan de overzijde dezer vestibule eene wijle eene andere wereld in te treden, – en bij eenige speeltafeltjes stil te staan.

Eene vergelijking van het publiek dat over het parquet zweeft, met dat ’t welk zich om den groenen disch groept, leidt op ieder bal tot de opmerking, hoe verscheiden de geneugten zijn van verschillenden leeftijd.: ginds dartelde de jeugd, hier houdt zich de ouderdom bezig; in dat gewoel gebood het harte, in deze stilte heerscht het hoofd. De gasten op een feest, als dat der Bleekhorsten, geven echter gelegenheid tot veelzijdiger beschouwing. In ietwat lageren kring mogt de muziek minder schittering ten dans nooden; of zij het daarom minder schoonheid zoude doen? zie, dat durft zelfs de hooghartigste aristocraat niet driestweg beweren. Doch dat bij een burgerlijker zamenkomst een kijkje in de kaarten dezelfde belangstelling wekken zou als hier, waar het ons allerlei bestuur te zien geeft, dat maakt u ook de driftigste democraat niet wijs. Er wordt geen bal gegeven, waarop de dansenden niet de poëtische, de spelenden niet de practische elementen der maatschappij vertegenwoordigen; maar valt, naar onderscheiden stand, bij de eersten slechts verschil van min of meer goeden toon af te luisteren, bij de laatsten verruimt zich de gezigteinder in iederen zin, met elke sport, die gij er op de ladder der beschaving hooger om stijgen moet.

Willis heeft het, in eene zijner schetsen, scherp doen uitkomen, waarom in de gezelschappen der groote wereld de heeren meer stof voor studie opleveren dan de dames; niet dezelfde angstvalligheid heeft voorgezeten bij de keuze der leden uit het sterke, als uit die van het schoone geslacht. „Och! ge weet: het zoo goed als ik,” laat hij eene zijner heldinnen zeggen, wanneer deze tegen een mariage d’amour waarschuwt, „in onze, maatschappij worden de vrije toegangskaartjes slechts den mannen verleend. Wie anders dan de vrouw is de deurhoedster? en hoe ligt die voor de andere kunne op hare hengsels draaije, voor de mijne, voor hare eigene, gaat zij maar onwillig open. Gij hebt in uwen kring van heeren honderd kennissen, van welke gij zelfs niet gissen kunt, waaraan zij hunne receptie in de eerste huizen verpligt zijn, waarmede zij de gastvrijheid, die er hun verleend wordt, goed maken; maar ik tart u mij eene enkele gehuwde vrouw op te noemen, van welke ik niet weten zou, waarmeê zij den omgang in onze cirkels betaalt, van welke die prijs niet even streng wordt geëischt, als het geld voor de lootjes harer opera-loge. Zij, die op hare beurt niet even prachtige partijen geven [en zelfs deze moeten tevens welopgevoed en weledel-geboren zijn], strekken in de eerste plaats slechts tot sieraad, en dienen, buiten en behalve dat zij mooi moeten wezen, of het talent te hebben van zingen, of den lust om te coquetteren. Er zijn in de fashionable kringen maar twee klassen van vrouwen: zij, die feesten geven, en zij, die jongeluî trekken: voorzitsters en aanloksters. Wilt gij dat ik het u bewijze? Denk aan de mooije Mevrouw –; er is geen schepsel ter wereld, dat eigenlijk weet waar zij woont, anders dan bij wijze van adreskaartje, – en toch ontmoet men haar overal. Waarom? dewijl zij vier of vijf modeheertjes na zich sleept, die niet zouden komen, als zij niet wisten dat zij er was. Wilt gij dat ik er nog meer noeme? Welaan, Mevrouw – die betooverend zingt, en Mevrouw – die niet alleen weêrgalooze oogen heeft, maar eene polyglotte is bovendien, welks alle domme vreempjes den avond kort, en Mevrouw – die alle charades weet op te lossen, buiten dat zij quadrille speelt, zoo lang het u lust.” Wij willen het daar laten, of al de donkere toetsen, door den Amerikaan e.r teekening van het hoogere leven in Londen aangebragt, ook hier op hare plaats zouden zijn; – vele, vermoeden wij, zullen er niet vallen weg te wissschen, daar wij in onze saloms toch maar á la suite van den vreemde loopen; – wat de „losse” heeren betreft, die er zich voor laten gebruiken, die er zich misschien nog door ver gevoelen, genoodigd te worden, waar zij buiten gesloten zouden zijn, zoo zij een gezin hadden, duchten wij geene tegenspraak. Of een paar vlugge beenen echter in dat opzigt ten onzent niet meer dan ergens elders een beter aanbevelingsbrief zijn dan een helder hoofd? – Of het ontluikend talent, voor welks vorming het bestuderen dier groepen eene behoefte heeten mag, of de jeugdige beeldhouwer, musicus, schilder, poëet, zich die gelegenheid in de oligarchische gezelschappen niet te zeldzaam geboden ziet! – Of de letterkundige er niet het meest in wordt gevierd om de betrekkingen, welke het minst tot zijne ontwikkeling bijdragen: eene benoeming, die hem zijn bestaan waar borgt, maar luttel met zijne studie strookt, – een ambt dat u doet uitroepen: „En bekleedt hij dit? – Ieder ander kon het ook!” Of hij er juist uit dien hoofde niet doorgaans te laat in ontvangen wordt, om nog lust te gevoelen er eenigen invloed op uit te oefenen, iets anders te doen dan meê den avond doorbrengen? – Zie daar vragen, welke men misschien te onbescheidener vinden zal, naarmate men zich minder in staat gevoelt die bevredigend te beantwoorden. Beproef het voor u zelven, sine ira et studio; en vergun ons voort te gaan. Welk ook uw oordeel zij, we durven het er voor houden, dat, zoo gij er al geen vrede mee mogt hebben, en wij evenmin, wanneer men u uit de mannelijke jeugd in die danszaal, als Hollands hope, onzen toekomstigen volkstoestand wilde voorspiegelen, gij ten minste geen reden ziet te weigeren, in dien deftigen drom spelenden om ons heen, daguerreotypen te groeten onzer hommes en place, de vokalen van ons Nederduitsch alphabet.

Toen wij deze huizinge binnentraden, waagden wij het een woord in het midden te brengen over de dubbele sommiteiten, der hoofdstad, door gastvrouw en gastheer vertegenwoordigd, in patricische geboorte en plebejisch vermogen; eer wij den voet tusschen de stoelen om die speeltafeltjes zetten, hebben wij over andere aristocratieën en herbe te spreken, die ook op het feest der Bleekhorsten waren verschenen, zonder welke het niet negentiende-eeuwsch zou zijn geweest. Wie weet het niet, dat aan den avond der achttiende, toen Europa zijne koninkrijken afschudde gelijk het woud zijne bladeren, ten onzent aan de Hervormde kerk de heerscherstaf ontviel? De gelijkheid der gezindheden was maar eene der vele wetten, toenmaals den volte verklaard; zij bleek tot de weinige mogelijke te behooren. Te langzaam toegepast, zullen enkelen u zeggen, is zij, na volle vijftig jaren, nog verre van volkomen; zou het niet billijker zijn te erkennen, dat zij zich dagelijks meer en meer gelden doet, dat men allengs minder voor miskenning behoeft te vreezen, naarmate men minder misplaatst blijkt? Eene waarheid in eene wet af te kondigen, dat eischt maar enkele groote geesten; doch die vruchtbaar te doen worden voor het volk, is niet binnen het bereik eener pennestreek. Slechts droppelsgewijze dringt het water den rotswand door.

„Een tournétje!” heet het aan die ombretafel regts van ons; er is rondgepast, – „harten drie, zal u gediend zijn?”

„Pas.”–

„Ik pas!” –

„Pas ook, dan nog eens tourné.”

Voorzigtige lieden die drie – en geen wonder! – een raadsheer uit het Provinciale hof, een lid des bewinds van de Nederlandsche Bank, een wethouder. – Ga in uwe gedachten vijf en zestig jaren terug, en vraag u zelven af, of gij de drie notabiliteiten dan zoo zaam zoudt hebben zien aanzitten, of gereformeerd, doopsgezind, roomsch catholiek dan dus de plaatsen der eere onder elkander zouden hebben gedeeld?

Welk eene stilte heerscht er aan het tafeltje aan onze linkerhand, welk een ernst!

„’t Is overgrootvaêrs Whist.”

Als wij met gedekten hoofde waren binnengetreden, we zouden den hoed ligten voor de inspanning die uitspanning heet! Willen wij nu maar niet buigende verder gaan?

Quatre quarts!

En wij groeten het gezellig quadrille, en we wonen den val bij van eene vóle, dewijl de aide te ligtzinnig doorging. Een algemeen gelach gaat op, waarbij echter de kinnebakken van den doldrieste den indruk geven van een grappenmaker, die kiespijn heeft. Geen der heeren schijnt in zijne zaken geassociëerd; het gesprek loopt, ten gevolge van het verloren spel, over compagnieschappen, die beginnen in den naam des Heeren, en eindigen in dien des duivels.

„Ik zeil liefst mijn eigen mast over boord,” zegt de dikbuik, die viesjes geven moet, omdat zijn maat er hem in deed loopen.

„En in ’t vervolg past ge zeker,” is het wederwoord, „tot met de twee zwarte azen achter de hand toe, zoo als de joodsche bankiers met hunne mooije dochters doen; „bekeeren of niet bekeeren, ’t is tijds genoeg, naar er iemand om komt.””

Schaterlach; – maar zijn er dan geene Israëlieten onder de gasten?

Ten huize van een christenbankier? – kunt gij het vragen Er is allerlei concurrentie in den handel, maar geene zoo naijverig, geene zoo naauwziende als die in den wissel; – heb een makelaar, die u franco provisie bedient, en ge houdt het nog tegen de zonen Jacob’s niet uit. De spoorwegnetten hadden hun prototype in de strikken, door Israël over ons werelddeel uitgezet, – een joodsch huis heeft etablissementen te Londen te Parijs, te Amsterdam, en werkt bovendien met een broeder te Weenen, een schoonzoon te Hamburg, en neven, overal neven, tot in Odessa toe! Alles blijft in de familie, – ook de kleinste provisie valt meê te nemen, – en wat berigten betreft het kan zeker zijn, dat louter belangstelling in de algemeene welvaart die gegeven heeft. Ook een vier en zestigste behoudt dus zijn waarde; tot voor een honderd acht en twintigste toe, loont het nog de moeite te werken. Zouden wij, tehuis zittende Hollanders, geen lesje aan die Oostersche ballingen kunnen nemen, door welke de helft aller kabinetten van Europa wordt beheerscht?

Remise!

Een schrale troost, – maar de recapitulatie van het jongste spel dezer drie heeren gaat voor u, als voor ons, verloren; wij, „leêgloopers, die ons het air van opmerkers geven,” we hebben een gast op zijde gekregen, die aan ieder tafeltje een hand te geven, naar een welstand te vernemen en berigten in te winnen heeft. wie mag hij zijn, cet ami de tout le monde? Vlug in zijne bewegingen, vaardig ter taal, frei ohne frech zu sein, is er echter iets in zijn oogopslag, dat ons wantrouwen inboezemt; phlegmatici, sympathiseren we niet met die prettige plooibaarheid.

Bonsoir, Thoossens! – wat nieuws uit den Haag?

We zijn er; het is de man van „het mooije Creooltje”, onze eeuwige kandidaat voor de Tweede Kamer.

„Och neen! wat zou er wezen? – de vacantie duurt nog voort, de stapel onafgedane ontwerpen wordt al hooger...”

„En er is niemand die aan de emancipatie der slaven denkt,” zegt zijn plaaggeest. „Schuif hier een stoel aan, Thoossens! als ge lust hebt om uwe begrippen eens te luchten; het is eene gelegenheid. uit honderd. Mijnheer –, ofschoon een christen, is nog slavenhouder; – Mijnheer – daarentegen [ook een christen,] draagt bij voor het tijdschrift ter afschaffing; hij is slavenhouder geweest in de Engelsche West, weet ge; – meine Wenigkeit, het is u bekend, is papier blanc.”

„Verpligt,” antwoordt Thoossens, „verpligt voor die inlichtingen; doch, schoon ik geloof dat al die strijdige belangen te conciliëeren zijn met de wetten der menschelijkheid –”

„Maar, mijnheer!” valt de christen-slavenbouder in, „mijn directeur heeft de stelligste instructiëhn om al zijnen blank-officiers de meest menschelijke behandeling aan te bevelen. –”

„O, ik geloof het graag, en toch zouden u de haren te berge rijzen, als u wist, mijnheer! wist, zoo als ik, die uit de West-Indiën kom, hoe er met die ongelukkigen geleefd wordt!”

„Maar de uitzonderingen maken, hoop ik, geen regel,” zegt de man, die door Engeland gekweten werd, een bovendien, het pauperisme neemt te schrikbarend toe, om aan eene vermeerdering van den schuldenlast ten behoeve der eigenaars te denken.”

„Ook draagt die vrijheid zulke vreemde vruchten,” merkt de, christen-slavenhouder aan.

„Alles zou te concilëeren zijn,” zegt Thoossens, „maar het is hier de plaats niet, mijneheeren!”

„En men heeft u ook nog geen lid van de Tweede Kamer gemaakt,” besluit de plaaggeest, hem naziende, – dat ook wij doen, verzekerd hem wel weer te zullen ontmoeten.

We zijn halverwege het vertrek gekomen, waar een mollige divan, onder de kroon geplaatst, aan groep bij groep, die geen lust gevoelen kaarten te keeren, gelegenheid geeft zich gezellig te onderhouden; wij staren die schare eens rond. Wat zijn er weinige tronies onder, waardig door een penseel, als Van der Helst voerde, te worden vereeuwigd; en toch, zoo ergens, dan hier, moesten de types onzer oude regentenstukken aan het licht treden, want het is bestuur van land en liên al wat ge ziet. O rustige koenheid, weleer den Amsterdammers niet te ontzeggen, waar bleeft ge bij dit verweekelijkt geslacht? O heldere opslag der even flinke als fiere kijkers, die verre om u zaagt, en vroom opwaart tevens, wat zijt ge zeldzaam geworden bij een schemer-, bij een stikzienden nazaat! O krachtige klank, onzer taal eigen, toen honderd koperen keelen Hollands grootheid verkondigden van oceaan tot oceaan, hoe krompt gij in tot een flaauw gefluister. Het zijn, helaas! de indrukken, die patriciër bij patriciër op ons – mogen wij zeggen? onbevooroordeelden – maken; laat ons thans hen gâslaan, die door eene reeks van omwentelingen mede aan het roer van zaken werden geroepen. Hoe wettigt het gering getal roomsch-katholieken de opmerking, die wij onlangs tegen een ijverig verdediger dier kerk, en tegelijk een lief vriend, over hare geestelijkheid waagden; mag zij op de hoogte des tijds heeten, vroegen wij hem, als zij nog niet begrijpt, welk gewigt haar stellig geloof in de weegschaal kon leggen, zoo ze bij de schare, waarover zij gebiedt, studie voorstond? Wie er zich over verbaast, dat wij wenschten het haar te zien doen, verklare ons, welk een begrip hij zich vormt van eene nationaliteit der negentiende eeuw, die twee vijfde deelen der bevolking niet medetelt, niet in zich verlangt op te nemen! Ondanks al onze bewondering der zeventiende eeuw, zijn wij de eersten om toe te geven, dat de tijd der uitsluiting voorbij is, dat eene vereeniging aller krachten er ons nog niet te vele belooft! Welkom daarom in dezen kring, lutherschen en remonstranten! die u beide over de vroegere heerscheresse hadt te beklagen; waren uwe gezindheden hare moeder en hare dochter niet? Welkom boven alles gij, wier ernst u nog altijd onderscheidt, al hebt gij uwe eigenaardige kleeding afgelegd, uwe nog eigenaardiger strengheid van zeden, ten minste in wat die voor de maatschappij te stroefs had, getemperd! Er mogen zijn, die het bevreemdt of bedroeft, dat de doopsgezinden niet langer weigeren zitting te nemen op de zetels der eere, wij die in de overtuiging deelen, dat onze tegenwoordige regering geen hooger belang heeft of kent, dan de steden door de eerlijkste en bekwaamste mannen, die tevens het vertrouwen der burgerij bezitten, zonder eenig aanzien van godsdienstige overtuiging te laten besturen, wij verbazen er ons niet, wij verheugen er ons integendeel over, dat zij u in grooten getale kiest. Er schuilt in uw genootschap een schat niet enkel van stoffelijke, maar ook van verstandelijke, van zedelijke kracht vooral, wier verspreiding door het gansche staatsligchaam slechts weldadig werken kan!

Bleekhorst beweegt zich in dien kring met al de gemakkelijkheid, die het bewustzijn van vermogen geeft; maar of hij zich te hoeden weet voor den hoogen toon, die tot in a princely merchand toe misstaat, wat dunkt u?

Er is slechts eene stem over het prachtige van zijn onthaal, – doch waarom laat hij zijne bruine oogen zoo welgevallig rondweiden in die zee van licht, of hij er zich niet genoeg van vergewissen kon? Het zou van fijnen tact getuigen, zoo hij den lof afkaatste door van de laatste partij op te halen, welke hij bij dien staatsraad, heeft bijgewoond. Maar hoe zou het hem invallen? zoo zijne vrouw er hem aan herinnerde, wat anders zou zijn antwoord wezen, dan:

„Hm! het was er maar kaaltjes-knap.”

Hij wandelt den divan eens om, een kenner proeft den wijn, kwistig rondgeboden, en prijst dien bovenmate.

„Waarlijk, hij is zeldzaam –”

„Maar niet ieder heeft ook mijne relatiën,” antwoordt de overvoldaanheid.

Geloof ons, wij zijn niet de eenigen in dezen kring, die haar opmerken, wien zij ergert!

Wat levert toch daar ginds de stof voor dat drokke gesprek? Aan de speeltafeltjes in de buurt houdt het geachuifel der kaarten een oogenblik op, – het gewigt van het onderwerp schijnt algemeen te worden gevoeld. Het geldt het al of niet wenschelijke eener opheffing van de Handel-Maatschappij; wilt gij mede toeluisteren?

„Eerst als die band zal zijn verbroken,” klinkt het, „mag men zich met eene herleving van den handel vleijen. Alle boei belemmert –”

„Ik zal de laatste zijn om die waarheid in het algemeen te loochenen,” antwoordt een bejaard koopman op de declamatie van den advocaat ter Zwaag, – wiens vrouw zoo allerliefst zingt, – zou Huibert zeggen, „maar me dunkt, wij hebben vooreerst aan de proef der vrije scheepvaartwetten en aan de verminderde vrachten genoeg. Indien beide den ondernemingslust onzer reeders en kooplieden – onzer geldzakken, niet waar? – prikkelen, indien die ondernemingslust wordt beloond, – ik heb ook van achttien honderd achttien tot vier en twintig geleefd en handel gedreven, ter Zwaag! – hef haar dan op, we zullen blijken de vrijheid te kunnen verdragen!”

„Waard te wezen, mijnheer! onze handel verdient niet –”

„Onze handel, ter Zwaag! onze handel! – wijs mij tien huizen ter beurze aan, die eigenlijk handel drijven, tegen tal van vrachtvaarders voor de Maatschappij, tal van commissionairs, die teren op de veilingen der Maatschappij, tal van assuradeurs, bestaande van de premiën der Maatschappij! Wie is schuld aan dien toestand? zult ge zeggen, – dezelfde Maatschappij; doch hare actiën hebben lang maar vier en tachtig gestaan, ter Zwaag! al had Willem I den interest geguarandeerd.”

„Het is niet vleijend voor Amsterdam te twijfelen aan den lust nieuwe bronnen op te sporen, – Rotterdam geeft er het voorbeeld van –”

„Vleijend? – maar wat, Rotterdam ons vooruit is, dat heeft het dank te weten aan zijne gelukkiger ligging –”

„En dewijl het geen effectenbeurs heeft –”

What a popular fallacy!” valt Bleekhorst in, „alsof de handel in goederen niet zou kunnen bloeijen naast dien in fondsen; alsof er in Amsterdam geen vermogen genoeg voor beide was! Het is het wisse der rente, dat de voorkeur aan de laatste boven de eerste geven doet, – overtuig ons, dat reederij, scheepvaart, handel meer beloven, en men heeft milloenen veil, – onze oostindische vloot bewijst het!”

„Het beste dat wij gebouwd hebben,” wordt er getuigd.

En tien voor een stemmen het toe, al had het grootste gedeelte dier heeren ons, bij wat meer aesthetischen zin, voor het Paleis van Justitie, de Willemspoort en de Beurs kunnen behoeden.

„Als het een schip gold,” gaat de laatste spreker voort, dan wisten wij ten minste wat wij wilden, – al het overige is –”

Misère ouverte!” roept een spotvogel van het gindsche speeltafeltje, te à propos om het te gelooven; ook houdt hij het boston-kaartje voor zijn gezigt.\

„Waagt gij die?” vraagt hem zijn vis à vis.

Que les gens d’esprit sont bêtes!” is het antwoord.

On le dit.

En de spotvogel declareert Schlem, en wint zijn spel.

Waar is Bleekhorst gebleven? Ginds, aan het einde der zaal, aux petits soins voor een grijsaard; wat zou het ons voor hem innemen, zoo zijne belangstelling uit eerbied voor die zilveren haren ontsproot, zoo hij het harte van dien man even hoog waarderen mogt als zijn hoofd. Het is er verre van, – hij weet wel beter Talleyrand en miniature was die grijze beurtelings prinsgezind, patriot, republikein, royalist, imperialist, oranjeklant, – was hij, wat hij gister heette te zijn, geen omzien te lang, – was hij, wat hij morgen zijn zoude, geen oogenblik te vroeg. – Het eene bestuur voor, het andere bestuur na mogt vallen, hij was van elk geweest, hij overleefde ieder van deze, en wat het wonderbaarst was, met iedere wisseling steeg hij. En echter ontbrak hem aan den avond van zijn lang leven een luister, die het schoonst van allen om den buigenden schedel staat, de luister, dien het lijden voor zijne gewetensovertuiging verleent! Welke had hij lief gehad? welke was hij trouw geweest? welke?

Voor den gastheer is een ombertje met dien grijsaard eene aangename uitspanning; hoe verrassen hem van tijd tot tijd de vonken van een zeldzaam gevatten geest. Maar wie mag hun derde zijn? Herkent gij onzen Thoossens niet, die zich vleit dier rijpe ervaring een soort van staatkundigen cursus te zullen ontlokken, en zich deerlijk te loor ziet gesteld? Een spel twee, drie, en emancipatie der slaven klieft de zwangere lucht, maar de afleider vangt de schicht op.

„Ik had in mijne jeugd ook mijne stokpaardjes, mijnheer Thoossens; wat ze afwisselen! Vondel zeî van de vroomheid:

„Wie met dees gryns niet speelt, raeckt kommerlijk te boven:”

„Vrijheid,was mijne leus, u kiest de philanthropie – wil u troef maken, mijnheer?”

En Thoossens keert spadille troef; maar al wordt hem met den greep geluk gewenscht, wij hebben geen lust hier langer toe te zien of toe te luisteren; Huibert en Maria zijn wis veel vroeger reeds in de danszaal teruggekomen; – die gelukkigen na, – als ge wilt! Schouwspel tegen schouwspel wint het bal het verre van de speelzaal; – verrast, verrukt roept ge met Schiller uit:

Siehe, wie schwebenden Schritts im Wellenschwung zich die Paare
    Drehen! Den Boden berührt kaum der geflügelte Fuss.
Seh’ ich flüchtige Schatten, befreit von der Schwere des Leibes?
    Schlingen im Mondlicht dort Elfen den futtigen Reihn?
Wie, vom Zephyr gewiegt, der leichte Rauch in die Luft fliesst,
    Wie sich leise der Kahn schaukelt auf silberner Fluth:
Hüpft der gelehrige Fuss auf des Tacts melodischer Woge:
    Säuselndes Saitengetön hebt den ätherischen Leib.

Groep bij groep zweeft uwen bewonderenden blikken voorbij; maar gij ziet naar oude kennissen om; een oogenblik gedulds: – daar is Engelbert, de beau cousain van Amelie:

Jetzt, als wollt’ es mit Macht durchreissen die Kette des Tanzes,
    Schwingt zich ein muthiges Paar dort in den dichtesten Reihn.
Schnell vor ihm her entsteht ihm die Bahn, die hinter ihm schwindet;
    Wie durch magische Hand öffnet und schliesst zich der Weg.
Sieh’! jetzt schwand es dem Blick; in wildem Gewirr durcheinander
    Stürzt der ziemliche Bau dieser beweglichen Welt.
Nein, dort schwebt es frohlockend herauf, der Knoten entwirrt sich;
    Nur mit verändertem Reiz stellet die Regel zich her.

De huzaar is gelukkig geweest in de keuze zijner danseres, de schalkste brunet uit heel den stoet van schoonen; welk eene bevalligheid van gestalte, welk eene weelderigbeid van vorm! Een fijn gelaat, van het zuiverst ovaal, waarop de beweging een blosje roept, zonder het te doen gloeijen. Hoe vonkelen hare levendige oogen, door de lange pinkers overschaduwd, van vrolijken geest! Het donker haar, hoog op het effen voorhoofd gescheiden, heeft regt op die roode camelias, in het zwart van haar kapsel gestoken; – de lieve mond, de vochtige lipjes, de glanzig witte tanden, het zijn alle volkomenheden, die hare vriendinnen haar noode zouden vergeven, indien zij niet anspruchslos genoeg ware, om het deze, – maar ook deze alleen! – te doen vergeten, dat zij een accomplished beauty is.

Valt onzen opmerkingen het vlugtige der verschijning niet aan te hooren? – weldra echter keert zij weêr.

Ewig zerstort, es erzeugt zich ewig die drehende Schöpfung,
    Und ein stilles Gesetz lenkt der Verwandlungen Spiel.
Sprich, wie geschieht’s, dass rastlos erneut die Bildungen schwanken
    Und die Ruhe besteht in der bewegten Gestalt?
Jeder ein Herrscher, frei, nur dem eigenen Herzen gehorchet
    Und im eilenden Lauf findet die einzige Bahn?
Willst du es wissen? Es ist les Wohllauts mächtige Gottheit,
    Die zum geselligen Tanz ordnet den tobenden Sprung,
Die, der Nemesis gleich, an des Rhythmus goldenem Zügel
    Lenkt die brausende Lust und die verwilderte zähmt!

Daar zijn Willem en Amelie’t – Hoe zij al de geneugten, welke er in die beweging schuilen, genieten – een paar, welks weêrga ge in de gansche zaal vergeefs zoekt. Voor haar is deze uitspanning, zeldzaam gesmaakt,

„A sunshine in a shady place.”

Voor hem? als hij niet wist, hoe weinig het haar welgevallig zou zijn, het te hooren, hij zou, wanneer bij wijle een wolkje van ernst over haar voorhoofd, zweeft, en zij zich een omzien later zoo zacht door de melodij voelt voortgedragen, hij zou haar toefluisteren wat lord Herbert of Cherbury zoo welsprekend van eene Italiaansche schoone getuigde: „Die when so ever thou wilt, thou needest change neither face nor voice to be an angel!” Voorwaar, voor hen had Schiller zijn meesterstukje niet zoo wijsgeerig behoeven te besluiten:

Und dir rauschen umsonst die Harmonien des Weltalls?
Dich ergreift nicht der Strom dieses erhebnen Gesangs?
Nicht der begeistrende Tact, den alle Wezen dir schlagen?
Nicht der wirbelnde Tanz, der durch den ewigen Raum
Leuchtende Sonnen schwingt in kühn gewundenen Bahnen?
Das du im Spiele doch ehrst, fliehst du im Handlen, das Mass.

En toch is er in de groep, die wij daar vóór ons telkens zien afwisselen en telkens herboren zien, eene enkele, die zelfs geen begrip heeft van de waarheid in die woorden verkondigd, eene enkele, die er bitter voor boet. De huzaar en de brunet oogsten aller toejuichingen in, – hij, voor zijne fiere gestalte, door zijn schilderachtig costuum treffend uitkomende; zij, voor hare onovertroffen aanvalligheid, de gevierde koningin des bals. Willem en Amelie zijn gelukkig door en in elkander, – maar tot nu toe hebt ge slechts de helft van het achttal gâgeslagen, dat daar om ons zweeft. Voeg er Maria bij, die gehoor heeft gegeven aan den wensch van een der zonen van ons Oosten, die den geestigen jonkman tot partner nam, wien en Hollandsch en Javaansch bloed door de aderen vloeit, – eene blonde telg van het Noorden, zoudt ge zeggen, met een vurig ridder uit het Zuid, als Spanjes rijksmonarch nog onze vroegere graven kroon droeg. En, last not least, zie eindelijk onzen Huibert, die het mooije Creooltje heeft opgeleid, – ach! aan welke folteringen is zij ter prooi!

Overschenen door de brunette, heeft zij met afgunstige blikken al de gewaarwordingen van deze vermoed en bespied, gewaarwordingen, die zij zich even weelderig wist voor te stellen, als Beets die heeft uitgedrukt; – zij had ze gesmaakt, thans waren zij het deel harer mededingster, – een genot wèl jaloezij waard:

Eerst was ’t haar of een droom haar zwakke zinnen blaakte;
Droom, als nooit Odaliske in ’t pronkziek Oosten smaakte,
Wen ze, ingesluimerd in de weelden van ’t serail,
Op ’t kussen van sameet, van rozengeur omgeven,
Zich dartle Houri waant, die ’t Eden door mag zweven,
Dat zich geen vrouw ontsluiten zal.

En dan, die wisseling van weelde:

Maar als de klanken op een wilder feestzin duidden,
Dan was ’t haar of, aan ’t hoofd der zwevende Geluiden,
De Geest der Tonen haar vervolgde tot haar straf;
Totdat ze, beurtelings gekweld, verlokt, betooverd,
In ’t eind zich, afgemat, vermeesterd en veroverd,
Den schoonen woestling overgaf.

Hoe zij deze der brunette had benijd, den dans, kalmer genietend dan het haar gegeven was dit te doen; dien genietend zonder dat een kreukje van het borduursel van haar hagelwit kleed blijk gaf van de hartstogtelijke beweging, – na wals bij wals nog even frisch als het rozenpaar aan haren boezem, dat echter met iederen ademtogt daalde en rees.

Lofspraak bij lofspraak, harer mededingster gewijd, had zij moeten aanhooren, had zij doorgestaan. Eindelijk fluisterde men om haar heen:

„Et ses jolies mains de duchesse
„Et son petit pied anlalou;”

Ook dat gold der brunette, het Creooltje wilde de worsteling opgeven! – als Willem er haar ten minste voor schadeloos stelde.

Wat al vergeefsche kunstgrepen om zijne aandacht te trekken, – danste hij dan niet met Amelie?

Een gesmoorde gil, – en aan den arm der laatste werd het mooije Creooltje wankelend het slaapsalet binnengebragt, – de bezwijming week eerst langzaam, al werd het vocht uit flacon bij flacon kwistig leêggegoten.

Il ne m’a point suivir?” vroeg zij, de oogen opslaande.

Wien echter, wien gold dat woord? Een glimlachje speelde om hare lippen, toen zij Willem gewaar werd.

De huichelaarster!

Die zwart joeg mij schrik aan,” liet zij er op volgen, als ware zij eerst nu overtuigd, dat de Javaan haar niet had vergezeld; „in de Vereenigde Staten zou men hem in geen gezelschap dulden.”

O mooi Creooltje! het moge waar zijn, dat daar

The shadow’d livery of the burnish’d sun

ten paria van het Westen maakt; Gods beeldtenis in ebbenhout gesneden, heeft er in Longfellow een verdediger gevonden, die over het vooroordeel zegevieren zal.

Daar gingen de deuren van het slaapsalet andermaal open; daar trad Thoossens binnen, door een der bedienden van de ongesteldheid zijner gade verwittigd, een berigt dat hij beantwoord had, met: „Alweêr!”

Mevrouw Bleekhorst, over het mooije Creooltje gebogen, week op zijde, en plaatste zich naast Amelie aan het hoofdeinde der poseuse, waarop men de bezwijmende had nedergelegd, – Thoossens trad zijner Laure nader.

Maar wat was hem, dat hij, zijne gemalin voorbijziende, achteruitdeinsde, toen bij Amelie gewaar werd, dat hij verbleekte, en ten leste zich vermannende, naauwelijks uitbrengen kon:

„A-me-lie!”

Laure rigtte zich, rillende, op, en viel, ditmaal waarlijk flaauw, weer in den arm van Mevrouw Bleekhorst.

Amelie zag Thoossens niet aan. – „Terug Mijnheer! tusschen ons geen woord,” sprak zij gebiedend, toen hij dreigde haar te naderen; – „uw arm!” bad zij Willem, en ging met dezen de danszaal weder in.

Mevrouw Bleekhorst bleef met de echtgenooten alleen; want, en parfait cavalier, had Huibert aangeboden, voor een rijtuig te zullen zorgen – luttel oogenblikken later bracht hij het bericht, dat het voor was, de sortie de bal van Mevrouw Thoossens op den arm. De gastvrouw wilde nog een mantel doen brengen, om er de lijderes in te wikkelen.

Merci!” zei Laure, „mille gráces!

En toen nu Huibert met de vrouw des huizes het, niet enkel over de emancipatie hemelsbreed verschillend, echtpaar tot in de vestibule had vergezeld, en onze krullebol der gade van Bleekborst aanbood, haar weer binnen te leiden, maar zij zich een oogenblik verontschuldigde, maar zij de trappen opzweefde, die naar eene hoogere verdieping geleidden, toen, meent ge, dat zij nog eenige bevelen voor de voortzetting van het feest te geven, nog eenige toebereidselen voor verdere verrassingen te treffen had? Als ge dus gegist hebt, dan hebt ge gemist; – moge het de eenige teleurstelling zijn, waarmede wij voor heden afscheid nemen. Indien gij eens op eene even uitvoerige beschrijving van het souper hadt gerekend, als van het bal – op eene mededeeling niet enkel van de toasten de rigueur, maar ook op de geestigheden aan den champagne dank te weten; – indien ge u hadt gevleid, thans reeds te zullen vernemen, of Maria zich ook in den cotillon Huibert tot danser koos, of Amelie een lint losstrikte en het Willem aanbood?

Wij vleijen ons dat de volgende groep u verzoenen zal!

Mevrouw Bleekhorst was zachtkens een der vertrekken der tweede verdieping binnengeslopen, en hield de kleine blanke hand voor het nachtlicht, waarmede zij een dubbel ledekantje nader trad. „La femme anglaise,” hebt gij welligt als wij gelezen, „vit pour faire le thé, la femme française pour la coquetterie, la femme allemande pour le menage,” maar de hollandsche vrouw – werd vergeten. Wat dunkt u, als wij mevronw Bleekhorst de schets eens lieten aanvullen, zoo als zij daar bij die met de hoofdeinden tegen elkander geplaatste ledikantjes staat, en zich verlustigt in de beurtelingsche beschouwing van het blonde en het bruine kopje harer beide knapen; als de hollandsche vrouw eens leefde om moeder te zijn!

Wat sluimeren zij rustig – Wat is die prachtig gekleede vrouw dankbaar voor de grootste aller zegeningen, haar in moederweelde verleend!

En toch zucht ze! Er zijn onverhoorde wenschen tot in de woning der Bleekhorsten, lezer! – als zij ook maar één dochterje had, wat zou zij gelukkiger zijn!

Hoofdstuk III