E. J. POTGIETER (1808-1875)

SALAMAGUNDI.

III.

Hoofdstuk II

 

Wij hebben ons pleegzustertje uit het gezigt verloren, sedert wij haar in den mist t’huis bragten, sints de deur voor Hubert van Veere digt ging; – hoe weinig had de poet, die haar bij den schimp des volks in den steek liet, het verbijsterende van haren toestand vermoed!

Een blik te werpen op het mandje, waartegen haar voet stiet, – verschrikt, verrast, verteederd, deernis te gevoelen met het verlaten wichtje, er allerlei gevaar onmeedoogend, neen, onmenschelijk in prijs gegeven, het was het werk eens oogenbliks, het was de onwillekeurige eerste indruk geweest; – eer zij er over had nagedacht, werd de zuigeling al gemakkelijker in zijn schamel dekentje gevlijd. En echter, naauwelijks had zij dus aan de inspraak der natuur gehoor gegeven, of honderde maatschappelijke bedenkingen deden zich gelden; voor velen harer kunne zou het: „wat zal men er van zeggen?” tot de eerste hebben behoord; bij haar heette het: „mag ik het menemen, Neen, had zij in zich zelve gezegd, en rondgezien, rondgetast liever, in de duisternis, tot zij van de keijen op de klinkers kwam, tot zij op eene sloep stond, die haar gelegenheid gaf bij de bewoners van boven- en benedenhuis aan te schellen. „Wat wilt ge?” was het woord geweest, dat men haar toevoegde op eenen toon, die er onzen Mijnheer – aan deed twijfelen, – wij deelden u zijne meening mede, – of ons lager volksleven studie waardig was, of het stoffe voor genreschilderijtjes opleverde. Een bewijs, hoe ook een dichter, in werwil van het:

Est Deus in nobis, agitante calescimus illo,

zich bedriegen kan, – natuurlijk zoo lang hij geene verzen maakt. Immers, indien zijne phantasie had toegereikt, om zich den bitteren strijd voor te stellen, dien zij streed, – hoe het haar gevoel een gruwel scheen, dat kind in zulk weder aan zijn lot over te laten, en haar verstand haar des ondanks vreeze aanjoeg voor de gevolgen, die hare t’huiskomst met dat wicht hebben kon, – hij zou haar te hulp zijn gekomen, tout paysan du Danube qu’il avait l’air. Helaas! hij ging zijns weegs, – en het pleegzustertje, dat van verre naar hem om, dat van digtebij tot hem op had gezien, dat zich vleide met zijnen goeden raad, en door zijne heelheid zoo wreed werd teloorgesteld, zij zag af van meerdere vruchtelooze pogingen om vreemden zich der vondelinge te doen aantrekken. Een oogenblik nadenkens was trouwens genoeg om haar van het overdrevene, het onwaarschijnlijke dier verwachting te overtuigen! Voort ging zij, voort, – half nog hopende tijds genoeg te zullen hebben het gesticht voor ziekenverpleging te kunnen bereiken, eer zij weder te huis werd gewacht, toen de weinige slagen der klok van den – kerktoren haar aankondigden, hoe laat het reeds geworden was; – voort ging zij, maar eer ze honderd schreden had afgelegd, overviel haar de verzwaring van den nevel, waarin wij haar om hulp hoorden roepen, waarin Huibert van Veere haar antwoord gaf. Onder haar gesprek met dezen, onder hun omdolen, – u zoo uitvoerig beschreven, dat gij het u misschien nog beklaagt, – gaf zij het voornemen op, eerst naar de directrice te gaan, hielden zich hare gedachten slechts bezig met het beramen der wijze, hoe zij haren lieven last t’huis medebrengen, t’huis verbergen zou. Plan bij plan werd ontworpen, afgekeurd, wer overlegd, zij was nog niet besloten, toen zij had aangescheld, toen haar open werd gedaan, – en Huibert aan de post van de deur den naam van L. Grave las, wiens lot en leven gij kennen moet, om te kunnen beoordeelen, of de vreeze van het pleegzustertje gegrond heeten mogt, of de voorzigtigheid haar niet verbood zoo menschelijk te zijn?

Het zal ongeveer zeven jaren geleden zijn, dat in het huis van mevrouw de weduwe Willems het feest van zijne verloving met hare dochter, met haar eenig kind, werd gevierd, – doch al liet de kleine woning slechts weinig gasten toe, er waren onder deze, die opmerkten, dat Aafje weinig aanleg had voor eene blijde bruid. Viel het toe te schrijven aan de zware ongesteldheid, uit welke de achttienjarige naauwelijks was herrezen of de derdendaagsche koorts martelde haar gedurende week bij week af, – of zoo niet, school de oorzaak harer somberheid dan in het onzekere van Grave’s toekomst, in het onbepaalde van het tijdstip, wanneer bij zijne eigene zaken beginnen zou? Noch het een, noch het ar. Aafje zou u gezegd hebben, zij zich wl, zeer wl gevoelde, – een overhaast huwelijk zou Aafje slechts schrik hebben aangejaagd. Er was natuurlijk niemand onder de gasten, die zijne bevreemding over het stroeve harer houding jegens Grave, over het stille van geheel van gedrag jegens het overig gezelschap, aan mevrouw Willems verried; maar al ware men zoo onbescheiden geweest, wat zou het hebben gebaat? wie er zich over ontrust had, zeker niet zij! Een jaar later was Grave’s verschiet nog niet helderder geworden, en hadt gij Aafje evenmin voor verliefd aangezien; doch het was als het zijn moest, dacht mevrouw Willems; de jongelu hadden geen haast, en haar kind was niet hartstogtelijk. Hartstogtelijk? – wien kon het ingevallen zijn te beweren, dat hare dochter het was, zoo als Grave, wiens ijverzucht onredelijk genoeg, bij wijle Aafje’s fletsche oogen in tranen drijven deed; maar mogt het daarom eener moeder zijn ontgaan, hoe ze noode deel nam aan zijne gesprekken over hunne toekomst, hoe zij er naauwelijks naar luisterde? Het viel den verliefden Grave te vergeven, dat hij in de onverschillige beminnelijke bloode zag, dat hij van jonkvrouwelijke schaamte droomde, waar onbevangener blik zich over ziekelijke verschijnsels zou hebben verontrust; doch hoe mevrouw Willems zich vleijen dorst het geluk van haar kind door zulk eene verloving, zulk eene verbindtenis

coagestaque eodem
Non bene junctarum discordia semina rerum,

gewaarborgd te zien, het bleef onbegrijpelijk voor wie niet als de alledaagsche vrouw geloofde, dat het toch „voor een meisje maar verreweg het beste is getrouwd te zijn!” Zoo verliep het tweede, zoo verliep schier het derde jaar van hun engagement; Aafje werd niet knorrig, als hare kennisjes plaagziek beweerden, hoe jammer het was, dat haar pretendent niet Jacob heette, daar zij dan zeven jaren konden vrijen; – Grave zou er gram over geworden zijn; zij zag voor zich, zij glimlachte zacht. Eindelijk echter, eindelijk, toen het derde jaar hunner verloving voor hem ten einde was gekropen, voor haar voorbij was gegaan, scheen zich eene gunstige gelegenheid ter associatie voor Grave op te doen, eene gelegenheid, die hem vergunnen zou, door het grooter kapitaal van zijnen deelgenoot partij te trekken van zijn kleiner, van zijne kennis en zijne kunde vooral; hoe hij zich vermeidde in het vooruitzigt van het gelukkige leven, dat zij leiden zouden, in het vooruitzigt van hun zoet tehuis. „Aafje is nooit hartstogtelijk geweest,” ze mevrouw Willems tot hem, toen zij hoorde, hoe hij klaagde over de koelheid, waarmede zij hem, ja, het oor leende, maar zich alleen verheugen liet: „zij is er te godsdienstig toe.” De arme Grave! hij beminde het kwijnende kind niet enkel genoeg om zich aan de onnatuurlijke overdrijving te ergeren; hij beminde Aafje te veel, om die ergernis lucht te geven, – en hij juichte zich zelven toe dit niet te hebben gedaan, toen de uitzigten zijner vennootschap zich onverwacht verijdelden, en hunne verbindtenis weder onbepaald verschoven werd.

En toch werd het hem te sterk!

Hij trad ’s avonds de huiskamer binnen, om de jobsmare te brengen; hij verraste zijne verloofde aan de piano, daar klonk het hem in de ooren:

„Hoe zal ’t mij dan, o dan eens zijn!
Als ik, verlost van smart en pijn,
Ontwaak tot hooger waarde,
Door geene zonde meer misleid,
Ontheven van de sterflijkheid,
Niet meer de mensch van aarde.” –

Wie was het, die zich in dat dichterlijk dweepen verlustigde, die dit zong? Mevrouw Willems, voor wie de schemering gevallen was, voor wie zich de schaduwen verlengden? Och neen, zij breide een steekje; – het was Aafje, het een-en-twintigjarig Aafje, voor wie de lente des levens eerst aanlichtte.

Grave naderde zachtkens haren stoel, Grave legde de hand op haren schouder.

„Aafje! sprak hij.

„Luc! –” was het kalme wederwoord.

Het werkte – als een koud bad:

Rigidum permanat frigus ad ossa.

Bedaarder dan hij een uur te voren geloofd had te kunnen zijn, deelde hij haar de redenen mede, waarom hij zich verpligt had gezien de beraamde vennootschap af te slaan, en echter, er sprak smart, sombere smart uit zijne stem, toen hij er op volgen liet:

„Ik had mij zoo gevleid vreeg in ’t voorjaar te trouwen –”

„Och, wij hebben immers geen haast!”

Grave zuchtte diep, Grave zag haar lang, zag haar beurtelings wantrouwend en ijverzuchtig aan.

„Luc! – wat deert u?”

Er was wel verrassing, maar er was geene verteedering in dien kreet.

„Aafje!” borst hij uit, „zeg het in Gods naam! Gij hebt een ander liever dan mij! O zoo ik wist wie! –”
„Maar, mijnheer Grave!” viel mevrouw Willems in.

„Laat uwe dochter antwoorden, mevrouw!”

Aafje hief de hand, op, waaraan zij den verlovingsring droeg, en staarde dien eene poos aan in het schijnsel der lamp. „Ik dacht dat het wisselen van dezen,” sprak zij op innig overtuigden toon, „de verdenking buitensloot. Evenwel, daar dit niet het geval is –” en het metaal gleed vast van den vinger.

„Aafje!” bad Grave, beide hare handen grijpende, „vergeef mij –” en hij kuste die.

„Luc !” sprak zij ernstig, „eene liefde voor langer dan dit leven heeft zulke hartstogtelijke vlagen niet!”

Zie, zij mogt geene schoonheid zijn, op dat oogenblik had zij voor Grave iets onwederstaanbaars – iets onwederlegbaars tevens! – een zweem van blos deed hare wangen gloeijen, – hoe veel hooger, hoe veel heiliger dan zijne liefde, scheen hem de hare toe! Beide, zijne zinnelijkheid en zijne zedelijkheid, werden verstrikt door haar beklagenswasrdig zelfbedrog. Was het wonder, dat zoowel zijn gewoel als zijn verstand zich gevangen gaven, daar het lijdelijke van haren toestand de ure vertraagde, waarin de werkelijkheid haar pligtbesef en hare zielskracht op den toets stellen zou?

Voor ieder ander, dan voor hare moeder en haren verloofde, zou de koorts, die haar denzelfden nacht aantastte, die haar weken lang verpligtte hare kamer te houden, een weinig gunstig getuigenis van het leven van haren geest hebben afgelegd, een wenk zijn geweest, die niet onopgemerkt ware gebleven. Maar mevrouw Willems was zoo zeker, dat Aafje niet tot de hartstogtijke behoorde; maar Grave verweet zich zoo zeer de verongelijking haar aangedaan, dat geen van beide er aan dacht bij den arts het vermoeden te opperen, of de krankte, die hij aan verkoudheid toeschreef, ook uit gemoedsbeweging haren oorsprong nemen kon. „Het voorjaar en de quinine” – „de quinine en het voorjaar”, waren de twee panacen, waarmede de man de moedeloozen vleide, als de verloofde hem klaagde over de grilligheid zijner geliefde, die hem nanuwelijks, zelfs op haren vrijen dag, den toegang tot hare kamer gunde; als de moeder hem vroeg, of hij de verschijningen aan den voet van het ledikant, bij het opkomen der koortse, „die akelige verschijningen” niet bezweren kon. En inderdaad, het voorjaar en de quinine – of zijt ge scepticus genoeg te beweren, zoo min het een als het ar, maar hare jeugd? – genoeg, wat dan ook, het zegevierde; Aafje verliet haar vertrek wer, Aafje mogt wandelen, Aafje mogt uitgaan – of Aafje beter was, wie twijfelde er aan die het zag? Niemand, ook Grave niet, al verbaasde zich bij wijle zijn gezond verstand over den verschilenden indruk, dien wat zij beide hadden gezien, gehoord, genoten, op hem en op haar maakte:

Duo quum faciunt idem, non est idem;

al had, bij grooter scherpzinnigheid, hem dit tot het besluit moeten brengen, dat hem voor zijn toekomstig huwelijksgeluk geen andere waarborg bleef dan Coquerel’s paradox: que les contrastes promettent un heureux mariage! De blijken hoe hemelsbreed hunne opvattingen van elkander afweken, hij had die slechts voor het grijpen; op allerlei gebied verschilden zij als dag en nacht. Het geviel in the palmy days der Italiaansche Opera ten onzent, dat hij Aafje had overgehaald met hem Don Pasquale te gaan zien, te gaan hooren, – wij vergisten ons haar te huis brengende, was bij uitgelaten geweest over de vis comica der situatin, door de muziek zoo geestig uitgedrukt; – zijne verloofde verhaalde hare moeder slechts hoe heerlijk het maanlicht op het Rokin had geschenen! – Welke verscheidenen had Aafje bij „die geduldige” toch te gedenken, daar haar vader haar zelf niet heugen kon? – Een andermaal wandelde het paar arm aan arm door den Haarlemmerhout; er heerschte leven, licht, lest onder het hooge looverdak, dat zich over hen welfde en waarin het gevogelte bruiloft hield, als op het moschtapeet aan hunnen voet, werwaarts de zonnestralen zich repten. Grave was louter minne, louter mei. „Aafje !” fluisterde hij, „Aafje! wat ik u lief heb, wat wij gelukkig zullen zijn!” Een oogenblik stilte, eene loswinding uit den arm, die haar omstrengelde, en toen eene opmerking: „De dagen des menschen zijn als het gras, gelijk eene bloem des velds, alzoo bloeit hij!” – Hoe onze jonkman de omstandigheden verwenschte, onder wier dwang en druk het hem niet vrijstond uit te varen tegen eene verloochening van allen zin voor vreugde, tegen een somberheid, die haar het wachten, dacht hij, dragelijk maakte! – En weder een andermaal waren zij zamen ter kerk geweest bij, een beroemd redenaar, die aan het bekende: „IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid!” het thema ontleende: het vergankelijke van het aardsche een spoorslag naar het hemelsche. Maar, zoo zij, opgaande, beide wit papier waren, hoe anders bleek, toen de zegen gegeven was, het eene blad dan het ar te zijn beschreven! Gedurende het eerste gedeelte, schilderij bij schilderij der wisselvalligheid van het ondermaansche, was Grave niet overaandachtig geweest; de oude wijsgeer had het in weinige woorden te wl gezegd, om den indruk niet met iedere herhaling flaauwer te doen worden! Slechts bij het tweede, toen de leeraar, op christeljk gebied teruggekeerd, het verband tusschen aarde en hemel had trachten aan te toonen, slechts toen hij het ijdele weder minder ijdel maken moest, om de gevolgen er aan verknocht, – eerste schakels eener eindelooze keten – slechts toen had hij scherp toegeluisterd, had hij minder woorden en meer wereldkennis gewenscht. Aafje daarentegen, Aafje, dieper dan ooit doordrongen van het vlugtige des levens, van het voorbijgaande van al wat de aarde aardsch oplevert, Aafje verbaasde zich hoe Luc aanmerkingen hebben kon, waar zij zoo zeer was aangedaan!

Er grijpen in de werkelijke wereld van tijd tot tijd nog verrassingen plaats, welke in de verdichte naauwelijks langer geloof vinden – het zij het publiek, dat het middeltje, op het tooneel vooral, tot vervelens toe bezigen zag, het kortweg voor versleten verklaarde, – hetzij de kritiek den armen auteur, die er een onoplosbaren knoop me doorhakte, op de vingers tikte, bewerende dat het ware ook waarschijnlijk wezen moet. Het zou echter te veel van ons gevergd zijn, die slechts het dagelijksch leven onze stof dank weten, de onverwachte thuiskomst van een oom uit Oost-Indie te verzwijgen, louter dewijl schrijvers, die naar hooger lauwer dongen, van dergelijke figuren misbruik maakten; – en wij zien te minder reden om ons de verloochening van het afwisselende, dat de verschijning voor eene wijle belooft, te getroosten, daar het dien broeder van mevrouw Willems, helaas! niet gegeven was, als deux ex machina eensklaps het geluk te verzekeren van een paar, dat daartoe nog meer waarborgen behoefde dan een kapitaal, waarmee Grave eigen zaken beginnen kon!

Intusschen, hoe worden wij, ons ondanks, door ons onderwerp beheerscht, wij, die in plaats van voor ne bladzijde ten minste partij te trekken van den dikkert, ons verhaal dreigen vooruit te loopen, en op nieuw de donkere toetsen bezigen waardoor Grave’s vrijerij een droevigen indruk maken waardoor Aafje u misschien te eenzijdig werd voorgesteld.

Wat eischt het eene veelzijdige ontvankelijkheid, het bonte der wereld waar weder te geven!

„En dacht ge dan waarlijk, Jetje !” ze de Oost-Indir, wien het moeite genoeg had gekost zich door mevrouw Willems voor haren broeder herkend te zien, „dacht ge dan waarlijk, dat ik zoo stilletjes zou zijn uitgeknepen? Dat lag immers niet-metal in mijnen aard, daar was ik geen Bram voor gedoopt. Mijn leven lang heb ik dien naam eere aangedaan; eerst mijn geld en goed hier met vliegende vaandels en slaande trom verteerd, en toen in het land van Wingie-wangie de menschenkennis, die mij al mijn dubbeltjes had gekost, op woeker uitgezet –”

„Nog de oude Bram,” viel mevrouw Willems, lagchende, in.

„Maar met geene wilde haren meer; die zijn er uit, Jetje! waarom zou ik er voor u een geheim van maken? uw eerste jeugd, meisje! is ook voorbij. Twintig jaren tellen me, zoowel in deze laauwe Hollandsche lucht, zie ik, als in de warmte, die ik daar ginds heb verwenscht, die hier, nu het toch zomer heet, geen kwaad kon. Twintig jaren, waarin ik u wel geen twintig brieven geschreven heb –”

„Twintig, Bram! – geen tien, geen vijf, geen –”

„Hola, Jetje! den doodbrief van Willems heb ik beantwoord, en sedert – ”

„Sedert –”

„Wel, sedert heb ik vergeefs eene tweede huwelijkscommunicatie te gemoet gezien! Maar geene waterlanders, weeuwtje! daar hou ik niet van. Ik heb veel jegens u goed te maken, hoe weinig goeds mijn zwager mij hebbe gedaan, – daarom alleen had ik gaarne gezien, dat ge hem een opvolger hadt gegeven! – Doch waar is Aafje? – lijkt zij op onze mama, Jet?

Het was of er door het open raam wat stof in Brams oogen woei, schoon de iepenbladen langs de gracht door geen windje werden bewogen.

Aafje werd geroepen, Aafje verscheen, en de zonderlinge ontmoeting zou u, zoo gij er getuige van waart geweest, bij een weinig phantasie, het effect hebben gemaakt, of een zelfde landschap hier een guren April-morgen ter prooi was, en daar een weelderigen October-middag vertoonde. Alle aandoening verdween bij oom, en bij nicht was van aandoening geen sprake. Aafje zag verbaasd den dikkert aan, wiens doekspeld, cachetten en ringen voor een slooper duizenden waard zouden zijn geweest, en dacht: „Welk een nabob!” Bram van Doelen op zijne beurt – Abrabam van Doelen, zoo heette oom – nam zijn slank maar stijf nichtje van het hoofd tot de voeten op, en zeide toen in zich zelven: „Zuur bier!”

Mevrouw Willems hielp hem in dat opzigt eehler spoedig uit den droom; zij deelde haren broeder Aafjes engagement mede,” – het werd vast vier jaren dat zij verloofd. waren, het kon wel vijf worden: Grave was in zijne uitzigten teleurgesteld.

„Vier, vijf jaren! dan zijn zij het al drie te lang geweest, Jetje! dat vervelende wachten deugt nergens toe, het geeft maar nurksche humeuren! Zoekt de pretendent een compagnon.” zegt ge, als ik hem lijk, dan zal de jonkman er de beurs niet langer om behoeven plat te loopen. Ik kon nooit gelegener te huis komen, dan om zulk een paartje gelukkig te maken, immers als nicht mij voor bruidsjonker wil, –”

„Och, mijnheer! – och, oom moest ik zeggen –”

„En er mij een kus op gegeven hebben, die klonk, kind! – Foei, wat een viesch gezigtje! Hoe kan ik het u aanzien, dat mamaatje bang is geweest, dat er een vrouwelijk Brammetje uit groeijen zou, – het zou er gek genoeg hebben uit gezien, maar of ge daarom verpimpeld, vertroeteld –”

„Maar Bram!” viel mevrouw Willems in.

„Stil, Jetje! stil, – eer gij gesproken hebt, geef ik u gelijk, – de opmerking moge waar zijn, ze voegt mij niet wl he? ik had ze binnen moeten houden. Maar toen ik naar de Oost ging, en zeker iemand al mijne zonden nog verzwaren wilde door er ook de weinige bij te voegen, aan welke ik geen kennis had – het heugt mij nog of het gister was – toen zeidet gij: „Neen man! dat niet, hij had altijd zijn hart op zijn tong!” – houd het mij ten goede, Jetje! zoo ik dat in Oost-Indi niet heb verleerd.”

Er viel, na die eerste zamenkomst, tusschen oom en nicht op weinig sympathie te rekenen, maar Abraham van Doelen en Luc Grave begrepen elkander des te beter; „er is land met hem te bezeilen,” ze de Oost-Indir tot mevrouw Willems, eer, hij naar zijn htel-garni terugkeerde. En toen de jonkman hem luttel dagen later de gewenschte inlichtingen had gegeven, welke zaken hij drijven wilde, toen heette het: „Top, maat! dertig duizend gulden geef ik aan mijne nicht ten bruidschat; voor wat gij meer noodig hebt, brengt ge mij als geldschieter te boek.” Luc geloofde zijne ooren naauwelijks, en was toch nog de verwonderdste niet van de twee. Hoe is het mogelijk, dacht Bram van Doelen, hoe is het mogelijk, dat zulk een flinke bol, die garaasd noch gehold heeft, maar gewerkt en gewroet zijn leven lang, dat hij verliefd kan wezen, tot over de ooren verliefd, op mijne zuurziende nicht! De goede oom – had hij dan in oude en nieuwe wereld rondgezwalkt, zonder op te merken, dat de fortuin, wat men haar ook ten laste legge, niet half zoo grillig is als de liefde; – of hoe velen telt gij er onder uwe kennissen, wier huwelijk gij u verklaren kunt? – ook schoon gij zelf geen oud vrijer zijt? Oom Bram was het, weet ge; oom Bram, die er, desondanks, bij mevrouw Willems op aandrong, dat de dag van het huwelijk der jongelui die der eerstvolgende verjaring hunner verloving zijn zou: „Als nichtje getrouwd is, zal zij wel wat minder nurksch worden!” – „Och, Bram!” was het wederwoord der moeder, „gij kent Aafje niet, het kind is opgevoed...” „Om toch vooral geen vrouwelijk Brammetje te wezen,” ze de Oost-Indir, „en zij heeft er geen zier van, zus! maar zij kon daarom toch wat meer belang stellen in de keuze van haar huisraad; ik weet geen ding op aarde, dat zij zich aantrekt – behalve het domin’s-briefje.” Oom Bram zag scherp, te scherper misschien, naarmate het meisje minder strookte met wat hem zou hebben aangelagchen, hem zou hebben bekoord; maar o mevrouw Willems wl deed zijn ongunstig oordeel om den wil van zijn verleden geheel weg te cijferen; of zij wl deed zijne wenken, ook toen hij die herhaalde, in den wind te slaan, wat dunkt u? Iedere schikking droeg Aafjes goedkeuring – iedere beslissing moest niet van haar, doch van mama gaan, – en Luc mogt verrassingen bereiden zoo veel hij wilde, om zich diets te maken, dat zij er vreugde, opregte vreugde over gevoelde, diende men verliefd te zijn zoo als hij, en reikte dit nog niet altijd toe. In weerwil zijner opgewondenheid in de bruiloftsdagen – eene opgewondenheid, die alles aanvulde, optoetste, glans gaf, – en ondanks zijnen eerbied voor haar godsdienstig gevoel, soms door een stillen traan vertolkt, de eenige wereld, waarin de Oost-Indir zich niet met hem waagde, – rees bij wijle ook bij Grave het vermoeden, dat eene opvoeding, die geenerlei zin voor de pozij des levens zuiver had ontwikkeld, toch nog al iets te wenschen overliet. Hare bruidstranen hadden niets van een offer der gedachtenis, eener gelukkige, eener blijde jeugd gebracht; en hoe Luc kouten en kozen mogt, van Aafje viel geen oogenblik met de woorden eens bruidegoms te getuigen:

En haar wang begint te gloren.
Van een gloed, die vreugd, verraadt,
Als hy voor zijn uitverkoren
Van ’t hun wachtend kluisjen praat.

De wittebroodsweken waren voorbij, – Luc gevoelde zich gelukkig – gelukkig in het bezit zijner gade, gelukkig in zijne zaken, die goed gingen, voorbeeldeloos goed; – Oorn Bram wreef zich in de handen, zoo ter regter ure in het vaderland te zijn wedergekeerd! En Aafje? Vergun ons u eene vermaning; uit het Formulier van den Houwelijken Staet te herinneren, die zij in den strengsten zin scheen ter harte te hebben genomen; zij luidt als volgt: „Gij en zult geene heerschappij gebruiken over uwen man, maar stille zijn”; – stille zijn, zij was het tot overdrijvens toe! Maar als gij vermoedt, dat daarover het eerste wolkje aan hunnen huiselijken hemel opkwam, dan bedriegt gij u; truth is stranger then ficton. Grave, die er zich aanvankelijk over ontrustte, die er, schoon bij dit zich zelven niet bekennen wilde, opzettelijk met oom Bram geen woord over gewisseld had, vooruit zeker, dat deze uitspanningen zou aanraden, die Aafje toch geene afleiding verschaften, Grave begon het eerlang natuurlijk te vinden, Grave beweerde weldra tegen den Oost-Indir, dat het wreedheid zoude zijn, haar anders te wenschen; want mevrouw Willems was ernstig ongesteld geworden, want de krachten van mevrouw Willems namen weldra zigtbaar af. Wie durft bepalen, de hoeveelste maal in zijn leven het was, dat hij zich zelven moedwillig misleidde, of dunkt u die uitdrukking te sterk, dat hij zoo gewillig, zoo gaarne een handje hielp om den blinddoek digt te strikken, dien hij weg had moeten werpen, verre weg? Aafje, werd nog stiller, nog somberder; zij bezocht mama dagelijks, en hare gesprekken met eene vrouw, die maar al te zeer gevoelde dat zij verminderde, en toch voor het verscheiden vreesde, waren niet geschikt om geest of gemoed op te beuren. „Geduld!” zeide oom Bram in zich zelven, „de stilte belooft een storm, die de lucht zuivert, – als wij weten, waar we met Jetje aan toe zijn, dan kom ik Luc goeschiks of kwaadschiks over Aafje aan boord.” Maar het werd geene heftige worsteling der krachten en der krankte; de kwijning hield weken, hield maanden aan, en toen eindelijk het veege lijf was gesloopt, vreesde de Oost-Indir slechts te zeer, dat het voor zijne tusschenkomst bij zijne nicht te laat zou zijn geworden.

„De hand aan het roer, maat!” zeide hij tot Luc, toen zij van de begrafenis terugkeerden, „of wij komen die klip niet te boven.”

Echter gunde hij der droefheid bij Aafje haar regt, – hoe veel het zwijgen hem kosten mogt.

Eerst toen zij de kap had afgelegd; eerst toen die ordening des gebruiks hem het sein scheen te geven, dat zij de blikken weder vrijer om zich mogt en moest slaan; eerst toen besloot hij de echtelingen in hun huisvertrek te verrassen, en eindelijk het hartig woordje te spreken, dat hem zoo lang op de tong gelegen had.

Het was een schoone herfstavond; de popels, aan het einde van het tuintje geplant, en die nog door de zon werden beschenen, wierpen een wisselzieke schauw op de wanden der kleine kamer, naarmate zij door iederen ademtogt van den; wind heen en wer werden geschud. De blik des Oost-Indirs viel er bij het binnentreden onwillekeurig op; doch het was niet om den wille van dat grillige lichtspel, dat zijn voorhoofd zich fronste, dat hij de oogen vragende op Grave rigtte. Sedert dat hij het jeugdige paar het laatst in dit vertrek had aangetroffen, sedert het overlijden van mevrouw Willems, waren er drie platen aan die wanden opgehangen, de kruisiging, de begrafenis en de opstanding des Heeren voorstellende. Was Luc zwak genoeg geweest een wensch in te willigen, dien hij hem beloofd had dat hij weigeren zou? Oom Bram had toch duidelijk genoeg verklaard, toen Grave hem dat verlangen zijner vrouw mededeelde, dat de sombere voorstellingen Aafje slechts konden schaden; en tot in de niet toevallige plaats zag hij zijn vermoeden van de indrukken, waarnaar zij streefde, bevestigd: de opstanding was in het donkerste deel des vertreks verscholen.

„Aafje, – nicht!” wilde hij beginnen, toen de gewone groeten waren gewisseld, en hem een kop thee was overgereikt.

Maar Grave kwam tusschen beide; Grave bad hem zijne vrouw te sparen; Grave zelf was zenuwachtig.

„Wat drommel is er dan toch?” vroeg de Oost-Indir.

„Aafje hoopt moeder te worden,” fluisterde Grave.

„Oef!” ze oom Bram, „die streek van den wind strookt niet met al de zeilen, die ik op wou zetten; – maar Luc! ge deelt het mij me, of het een schelmstuk ware; – geluk, maat! en u ook, Aafje!”

De dikkert was opgestaan, na den hartelijken handdruk met Grave gewisseld, om haar een kus te geven, en het ging, ja, iets vlotter dan bij de eerste ontmoeting; maar toch nog niet zoo, of hij beloofde haar, dat het beter zou gaan, als de kandeelstok zou worden geroerd.

„Het is nog zoo verre niet,” zuchtte Aafje.

Oom Bram had zijn leven niet van „uilgekras” gehouden,

Humano generi tristia fata canens;

oom Bram deed of hij ook dit niet hoorde; slechts op Grave, begreep hij, viel voortaan invloed uit te oefenen, en wanneer er maar gelegenheid daartoe zich aanbood, hij verzuimde, die niet. Of het baatte, of Luc hem bij Aafje ten tolk strekte van vermaning en verzoek, om zich toch niet in weemoedig gepeins, in dweepziek voorgevoel toe te geven, wat wenschte bij het vurig, wat vleide hij er zich weinig me! Immers, die pogingen vergenoegden hem niet. Hij zocht den arts op, die Aafje, in de ernstige ongesteldheid, welke haar ontwikkelingstijdperk kenschetste, had bijgestaan; hij wilde van dezen weten, wat er bij hare bevalling te hopen of te vreezen zoude zijn. „Mijne nicht is nooit regt meisje geweest,” drukte hij zich naf uit; „pas toch op, dat zij goed moeder wordt.” Hoe de man van het voorjaar en de quinine en de quinine en het voorjaar hem aanstaarde! „Wat meent u, mijnheer?” – „Wat ik meen,” antwoordde oom Bram, „wat ik meen? dat u mijne zuster in der tijd wel een wenk hadt mogen geven, haar kind niet zoo droomerig op te voeden; beweging, uitspanning, reizen, baden, dat zou haar goed hebhen gedaan!” Schoon in zijn eigen huis, stond de arts vast op; – doch zijn gast wist op zijn tijd oostindisch doof te zijn. „Mijne zuster Jetje had zeker hare eigene begrippen, man! –” voer hij voort; – „maar het komt na voor onze verantwoording, te doen wat er nog gedaan kan worden; anders loopt het met Aatje nooit goed af!” – „Het zal van zelf wel gaan, mijnheer!” ze de man van het voorjaar en de quinine. – Oom Bram moest zijn hoed wel nemen.

„Wat heb ik die scheepsdoctors toch onbillijk hard gevallen,” mompelde de Oost-Indir onder het naar huis gaan; „zijn stadsdoctoren een zier wijzer?

Wie gelijk had, de arts of de oom, de afloop zou het bewijzen, neemt gij, alsof het leven niet veelzijdig genoeg ware, om der aanmatiging van de halve wetenschap den weg tot een eevollen aftogt vrij te laten, – om het gezond verstand niet te nopen soms de uitspraak zijner innigste overtuiging in twijfel te trekken! Ook in dien zin is het waar:

Anguillae similis vita est, sic lubrica fertur.

Er bleef oom Bram over te beproeven, of Luc te bewegen zou zijn, ondanks den arts zijner vrouw, ook het gevoelen van den geneesheer, welken hij vr zijn huwelijk raadpleegde, in te winnen; maar bij den eersten wenk, welken Grave er Aafje van gegeven had, was een stellige weigering haar antwoord geweest.

„Ik wil dien vreemde niet!”

En echter zou de aanstaande moeder hem ten harent zien; echter zou zij aan de uitspraak der lippen van dien man hangen, of hij vonnis over hare toekomst te wijzen had; want, terwijl het leven Grave in ieder opzigt scheen toe te lagchen, – terwijl zijne zaken voorspoedig gingen en hij zich in het verschiet met vadervreugde vleide, greep eene zenuwzinkingkoorts hem aan. Op den dertienden dag, na een zweem van beterschap op den negenden, die hem ten minste vergunde Aafje ten vaarwel de hand te drukken, werd hij in de kracht des levens het slagtoffer der verraderlijke krankte; – oom Bram, zoo min als zijne gade, waren een omzien van zijn bed geweest.

„Help haar!” sprak de verslagen Oost-Indir den geneesheer toe, op Aafje wijzende; „ik ben wel maar wer in het land gekomen, opdat zij niet alleen zou staan!”

Help haar! – Had het in zijne, had het in iemands magt gestaan, het zoude zijn geschied; maar wat was in staat de stomme smart te lenigen dier vrouw, verweduwlijkt eer zij moedervreugde smaakte; de stomme smart, die hare stemme weken later slechts voor eene wijle schier bewusteloos ophief, toen de natuur hare banden slaakte, en er een wichtje geboren werd, dat het licht zag, en was geweest! Help haar!– Wie vermogt het, toen zij, in koortse bij koortse, het eene visioen het andere visioen zag afwisselen, eerst haar verleden ontleend: de plek, waarop zij als kind had gespeeld, – den schouwburg, dien zij met Luc had bezocht, – den Hout, waarin zij aan zijnen arm had gewandeld, – de kerk, waarin haar: alles is ijdelheid! had toegeklonken; – later verwarder: dieren, menschen, dingen, tooneelen, als de ontstelde verbeelding er zich schept. – Help haar! – Wie vermogt het, die haar dan weghuiveren zag, als dreigende gestalten voor haar opdoemden, en de eene rilling de andere inhaalde en voortjoeg! – Help haar! – Oom Bram vleide zich, dat het den geneesheer gelukken zou, toen die verschijnselen allengs iets van hunne heftigheid verloren, toen de kranke, betrekkelijk bedaarder, scheen te berusten met de woorden van Job, dien zij zich in haren weedom gelijk hield: „Ik weet dat gij alles vermeugt, ende dat geen van uwe gedachten en kan afgesneden worden,” en er zoo vertrouwend de belofte des Verlossers op volgen liet: „Komt herwaerts tot mij alle die vermoeid ende belast sijt; ende ik zal u ruste geven.” – Help haar! – Helaas! het was maar het voorspel harer volslagene verbijstering; – in haren waanzin was zij getuige van eene verschijning des Heilands; toen het visioen ophield, bleef een weerschijn der engelen achter, die haar noodden op te varen als zij.

„Moeder! ik zou komen, als Grave genade gevonden had!”

Welk een tweestrijd!

Abraham van Doelen, zittende aan het hoofdeinde van Aafje’s ledikant, Abraham van Doelen, de kussens verschikkende in Aafje’s ziekenstoel, Abraham van Doelen, Aafje aan de hand langs de winterbloemen voor de vensterramen rondleidende, welk een tegenhanger van wat Brammetje voor zijne moeder en zijne zuster was geweest! Er had eene diepe overtuiging ge sproken uit zijn woord tot Jetje: „Ik heb veel jegens u goed maken!” hij kwam de belofte haar gedaan in haar kind na. Hij deed het zonder ophef, hij deed het graag! „Arm schaap!” was alles wat hij tot zijne nicht zeide; maar het scheen dat het arme schaap ten minste wist, hoe wel hij het met haar meende; – wie zij ook met hare luimen lastig viel, wier oppassing zij weigeren mogt, de zijne bleek zij dankbaar aan te nemen; in wat hij wilde, voegde zij zich gedwee. Of het opregte zijner genegenheid, ondanks hare verstandsverbijstering, indruk op haar maakte? Hij zou het hebben verdiend, daar geen offer voor de ongelukkige velatene hem te zwaar woog. Hij nam zijn intrek ten harent, schoon hij er zijn lievelingshond buiten om besteden moest: het geblaf mogt haar doen schrikken! – schoon hij er schier geen manillacigaar door rooken kon, als de dwalm het arme schaap eens deerde! –

Het was deze woning – moge de cirkel, dien wij beschreven, den lezer niet hebben verdroten – het was deze woning, die de pleegzuster met de vondelinge in den arm binnentrad; is hare aarzeling het kind mede te nemen, hare poging, zich er van te ontslaan, geregtvaardigd? Wij vreezen geene tegenspraak; maar zoo er nog twijfelaars overblijven, onze oude kennis uit de bibliotheek, hij, die in zijne jeugd No. 63 had getrokken en het meisje „bij toeval” kende, hij bezocht den volgenden morgen zijne beschermelinge; hun gesprek vulle het ontbrekende aan.

„Mijn hart beefde als een blad, mijnheer Rievens!” zeide het pleegzustertje, nadat oom Frits haar had ingelicht, dat Huibert van Veere hem de ontmoeting in den mist vertelde; „mijn hart beefde als een blad, toen ik naar de kamer onzer kranke ging. Onder weg had ik mij over haar bekommerd, of zij ook om de pappen zou hebben gevraagd tegen de pijnen, waaraan de doctor niet gelooven wil, maar op den trap gevoelde ik eerst regt, hoe onvoorzigtig ik gehandeld had met dat kind me te brengen, en orerlegde ik vergeefs in mij zelve, hoe ik het den heer van Doelen in stilte zeggen zou! De keukenmeid, aan wie ik het wichtje had toevertrouwd, is goedwillig genoeg, maar sedert zij het bij mevrouw heeft verbruid, kan mijnheer haar niet uitstaan. U glimlacht over mijne eenvoudige...”

„Toch niet, ga voort, kind!”

„Daar kwam ik de kamer op; daar zag ik de kleine wieg staan, waarin het kleintje van mevrouw zou hebben geslapen, en die de doctor niet heeft gewild dat weg zou worden gezet. Welk een onderscheid, niet waar, mijnheer Rievens! hier werd een wichtje zoo vurig verwacht, en daar!... Van verre wenkte mijnheer van Doelen mij, met den vinger op den mond,, stilte toe; onze zieke was op haren leuningstoel ingesluimerd, – gelukkiger kon ik het niet treffen! Ik gaf mijnheer een wenk dat ik hem iets te zeggen had; hij ging met mij in het belendende vertrek, na den sleutel uit de andere deur te hebben genomen. –”

Het pleegzustertje hield een oogenblik op.

„Ik dacht dat ik gescheld werd,” voer zij voort: „maar het is voor beneden. Mijnheer van Doelen ging met mij in de andere kamer, zet ik, waar ik hem vertelde, wat mij wervoer.” – „ „Ik mag niet wenschen, dat gij het stumper aan zijn lot hadt overgelaten,” was zijn antwoord; „maar wat wij er hier me zullen aanvangen, weet ik waarlijk niet!” – „Het is zulk een lief kindje, mijnheer !” – „Wel mogelijk, meisje!” – maar daar was de keukenmeid aan den achtertrap: „ Jufvrouw, jufvrouw! er is al wer gescheld, en het kind schreeuwt zoo!” en meteen reikte zij mij het mandje toe. Of het door gebrek aan beweging kwam, ik weet niet, maar het wicht was stil als een muis, zoodra ik het doldijnde. „Zie eens, mijnheer!” mogt ik zeggen, toen mevrouw de deur van de kamer opendeed.”

Oom Frits scheen te schrikken.

„U kan zich voorstellen hoe ik te moe was, maar mijnheer, die schier nooit ontstelt, mijnheer nam mevrouw bij de hand, en wilde haar wer naar haren stoel brengen; – doch zij had het kind gezien en zij moest het kussen. Daar de doctor gezegd heeft, dat men haar niets weigeren mag, wat haar niet deren kon, wenkte mijnheer mij, met het mandje dichtbij te komen. Ik deed het; mevrouw verbeeldde zich zeker, dat het wicht – een meisje van pas een paar weken, – haar de armpjes toestak; zij rustte niet voor het in het wiegje lag. Tot nu toe gaat alles goed, maar het had gevaarlijk kunnen loopen.”

„Zeker, Truitje! zeker,” antwoordde oom Frits, peinzende wat de moeder zou hebben gezegd, zij mogt dan wezen wie zij wilde, indien zij, als hij, had gehoord, hoe het met haar kind was gegaan. „Zeker!” herhaalde hij nog eens, terwijl zijne vingers eene maat sloegen, al miste hij het kussentje van zijnen leuningstoel.

„En ik ben u wel dankbaar, mijnheer Rievens!” liet het pleegzustertje er op volgen, „dat u dadelijk naar mij is komen omzien.”

„Gij hebt immers de plunje van de vondelinge bewaard?” vroeg deze.

„Hier is ze,” hernam Truitje, en ging naar eene kast aan het einde van het spreekkamertje, waarin mijnheer Rievens ontvangen was, en bragt het mandje met de schamele deken te voorschijn; „ik heb alles bij elkander geborgen. Deze rommelzoo aanziende,” voer het meisje voort, „zou men zeggen, dat gebrek de moeder tot hare gruwelijke zonde bragt; maar de kleeren van het kind zelf zien er keurig uit, schoon het goedje, slordig genoeg, niet eens gemerkt is.”

„Stak dat papier ook in het mandje? onderzocht oom Frits, en terwijl Truitje toestemmend antwoordde, zag hij het in. Het was een Journal des Dbats van een der eerste dagen dier maand – (December des verleden jaars) – maar er viel geen adres op te ontdekken – slechts legde het, juist niet ter verfraaijing van het exemplaar, getuigenis af, dat het op het Amsterdamsche postkantoor was gestempeld.

„Het wekt wel vermoedens, maar het geeft geen licht,” merkte oom Frits op.

„De vondelinge heeft een klein gouden kruis aan een bandje van blond haar om den hals hangen,” deelde Truitje nog mede,: rimisschien eene gedachtenis van hare moeder.”

„Het is het liefderijkste te denken, dat deze gestorven is,” was het antwoord.

Een oogenblik stilte volgde, – en toen begon oom Frits een allernaauwkeurigst onderzoek, wr het pleegzustertje eigenlijk het mandje had gevonden; doch de lezer stelle zich gerust: wij, wagen ons met hem niet weder in den mist. Of onze oude heer Rievens zich te regt vleide, dat hem dit voor de nasporingen, welke hij beproeven wilde, baten zou, het zal ons blijken, als wij hem op een dier wandelingen door de hoofdstad vergezellen, welke tot zijne grootste genoegens behoorden.

„Langs de straat loopen een genot!”

Lieve lezer! leg toch niet zoo ongevergd getuigenis af van gebrek aan alle verbeelding. Ge zoudt er ons door nopen een bewijs bij te brengen, dat ook de straat hare dichterlijke zijde heeft, dat het slechts bij u aan de opvatting schort. Als misschien maar tot de voetgangers behoort, als u tienmalen op n dag welligt Branger’s regelen in gedachte komen:

Le char de l’opulence
M’clabousse en passant;

leen dan een oogenblik het oor aan wat een geestig man over het zien eener reeks van winkels geschreven heeft, – ge zult e uw voordeel me doen, indien ge bij wijle droomt zoo als hij:

„Hoe lief ons ook het land zij,” laat hij zich uit, „er zij oogpunten, waaruit wij ook de stad kunnen bewonderen, onder deze is het genoegen, dat het, gezigt harer winkels geeft, het geringste niet. Het is onmogelijk, dat hunne verscheidenheid, hunne schittering, zelfs der traagste opmerkzaamheid ontga; maar hoe bedriegt hij zich, die gelooft, dat zij geenerlei andere gedachten bij ons opwekken. Er schuilen onder die menigte eenige magazijnen, welke wij nooit kunnen aanzien, zonder te denken welk een heerlijk figuur zij maken in de Arabische Nachtvertellingen, met hare bazaars en bezesteins; waarin de schoonste aller onbekenden gesluijerd hare tooisels komt kiezen, en de knapste aller jonge kooplu zich verlokken laat haar geblinddoekt te bezoeken. Hij waagt het, te verliefd van harte om aan het gevaar zijns hoofds te denken, en vindt haar in het midden harer slavinnen gezeten, die ook mooi zijn, heel mooi, maar toch minder dan zij; daarop noodt zij hem uit, naast haar plaats te nemen, en er wordt op de luit gespeeld; waarop hij zucht, en zich niet kan werhouden, haar teederlijk aan te zien; waarop zij in de handen klapt, en men brengt een keurig collation binnen; waarop zij eten, maar niet veel. Er volgt een dans, en de taal der oogen wordt teederder, tot er eene onbegrijpelijk oude vrouw verschijnt, die krast dat de Sultan komt. Helaas! Hoe dikwijls zijn wij in den persoon van den jongen linnenkooper of juwelier verrast, gestoord, gewekt geworden, door die overoude totebel! Hoe gingen wij in onzen winkel de gesluijerde jonkvrouw te gemoed, wier donkere oogen en rozenwangen wij, des ondanks, maar te goed gewaar werden. Hoe hebben wij met kruiselings zaamgevouwen beenen op kussens gezeten, luisterende naar de luit, of de luit hanterende, wier klanken wegsmolten even als onze verliefde blikken. Wat hebben wij menigmalen ons hart en onze linkerhand verloren als een der Kalenders! Of ons oog, als een ander hunner! Of het hoofd, – dat aan het einde der historie wer op den romp werd geplaatst! Of geslapen – neen, niet geslapen – in den hof des Sultans te Schiraz, met de schoone Persiaanrche.

„Maar om tot onze winkels, – zoo goed het voor zulke verliefde persoontjes gaan wil – wer te keeren, wij wandelen over het algemeen honderd malen liever in het vrije veld, vooral zoo wij vrienden bij ons hebben, die, als wij, de natuur genieten; doch er zijn saizoenen, waarin de straat de dreef opweegt. Als gij, bij voorbeeld, een geruimen tijd alleen hebt gezeten, dan is het een genoegen zich wer onder zijn medemenschen te bewegen, al voelt ge ook daardoor, dat zij ellebogen hebben en gij ribben. Indien gij in de stad woont, en het weder buijig is, dan kunt gij tusschen de regenvlagen door uitgaan; en hoe prettig moet gij een spoedig opgedroogd plaveisel en eene reeks van bontkleurige winkels vinden. Zie, wij hebben zelfs in de lente dagen gekend, waarin eene straat ook het liefelijkst landschap overtrof; maar zij deed het alleen als de pennevogeltjes uitvlogen, en het geluk ons gunstig genoeg was, om ons louter heele mooijen of heele lieven te doen ontmoeten. Immers, hetzij wij het ons maar verbeelden, of dewijl zekere dagen de eigenaardigheid hebben, bij voorkeur zekere lieden uit te lokken, vreemd zult gij de opmerking niet vinden, dat u den eenen dag tal van aardige gezigten tegenkomen, en den anderen gruwel op gruwel, gedrochten bij de vleet. Het laatste geldt natuurlijk de schoone zelve niet, ten minste niet alleen, maar aangezigten van beiderlei kunne, die een onaangenamen indruk maken. Wij houden het er voor, dat allen, die naar geld jagen, er den eenen dag op uitgaan, en den anderen enkel zij, die het om een harte te doen is.”

Als gij beweren mogt, dat die prettige dagen dan toch maar tot de uitzonderingen behooren, zie toe of het niet aan uwe stemming hapert, dat gij er zoo vele beleeft, van welke gij met Barbier getuigt:

Il arrive souvent certains jours dans l’anne,
O, comme un vieux chef d’homme, on a l’me incline,
O la jambe trbuche, o l’on marche sana voir,
Et lorsque l’on regarde on ne voit que du noir.
Jours mauvais, car partout o votre pied se pose,
Nature vous grimace une vilaine chose.
L’onde est forte et bourbeuse en passsnt sous le pont,
Le ciel nortre ou gris vous pse comme plomb,
L’arbre comme un corps nu dans sa branche friesonne,
Le vent glace, et dans l’air la cloche qui rsonne,
Semble un mourant qui geint par le mal harass,
Partout un corbillard emmne un trpass,
Partout nombre de gueux qui demandent l’aumne,
Partout des yeux teints et des fonts pleins de jaune.

En als ge naar de overzijde moet, altijd eene opgehaalde wipbrug, niet waar?

Er is echter overal iets beters te doen, geloof ons, dan zuur te zien en zich te vervelen; de wereld vloeit over van stoffe voor opmerking en amusement; wij willen er nog een oogenblik aan de hand van Leigh Hunt de proef van nemen, maar meer verhollandscht dan louter eene vertaling veroorloven zou. Gij zoudt onze theorie, wij bekennen het, op eene wat harde proef stellen, als ge begont met stil te staan voor de deur van dien leerkooper, – de run riekt niet aangenaam – en eer wij ons kunnen verlustigen in de aan zijnen handel verwante pozij uit den verren vreemde – de kudden in volle vrijheid over de vlakten van Zuid-Amerika voortrennende – zouden wij de looijerij hebben te bezoeken met hare kalkkuipen, – ga voorbij, als ge wilt. – Maar gij brengt ons bij een kantoorboekverkooper binnen – houde de man het ons ten goede, dat wij de stijve stemmigheid zijner planken niet kunnen uitstaan. Zie eens om u. Hier zijn ze met allerlei soort van maagdelijk wit postpapier beladen, – waaronder weleer, helaas! weleer – het hollandsche het beste plagt te zijn, – en in de hoeken schuilen pennehouders en potlooden, lou ter scherpte, louter staal; – terwijl zij zich ginds buigen onder het wigt van honderde boeken en boekjes, maar allemaal gelinierd, – en dus te gelijk de verpligting herinnerende, die vol te schrijven en de onmogelijkheid om ze met iets prettigs te vullen, – en ter wederzijde agenda’s en portefeuilles, even leelijk van band als van vorm. – Wij houden het met zijn buurman, den poelier, vooral in den vroegen morgen, wanneer we op zijn toonbank, en beau dsordre, het wild zien liggen, dat onze schilders tot stillevens verlokt, schoon de kunst het minst van alle voorwerpen gevogelte dood afbeelden moest; vleugelen, die niet langer vlug willen worden, missen hun kenschetsendst karakter. En echter, gij hebt ze geen drie minuten ggeslagen, die phaisant, waarom snippen en patrijzen zoo geestig gegroept zijn, die haas daar tusschen eenden en vinken verdwaald, of ge begrijpt hoe veel uittartends er voor het palet in die pracht van „ver en haar” schuilt, hoe vergefelijk de wedijver wordt. „Neen!” roept gij uit, „neen, wij dachten er geen oogenblik aan, maar wij watertandden naar soupe la volaille”; mits ge u slechts hebt geamuseerd: de gustibus non est disputandum. – „Maar die doodsche snuifwinkel aan de overzijde,” zegt gij, „het huis dat te koop is aangeboden, de affaire, die wordt gekwiteerd, wat gaat u die aan!” Helaas! het is alweder een type die verdwijnt; wat hadden wij dat ouderwetsche voorhuis gaarne behouden gezien, – niet dewijl ook wij een doos bij ons dragen, die, ses malen van de zeven, een criterium van den smaak des eigenaars is; och neen, als gij ons de uwe aanbiedt, zien wij ons verpligt u dankzeggende te weigeren, en wenschten dat het anders ware, want zamen snuiven geeft iets vertrouwelijks, dat vast vriendschappelijk wordt. Wij beklagen ons over het ophouden dier raak, daar die zelfde donkere winkel, met zijn twintigtal fransch porseleinen potten, en den franschen naam van zijnen eersten eigenaar boven de deur, ons vijf en zeventig jaren terug verplaatste, toen de petit-matres daar hunne doos deden vullen, toen het wemelde in dat voorhuis van steken met cocardes, kanten lubben en ongerepte degens – toen de soberheid van zijne kleine glasruiten zoo goed harmonierde met zijn koffijkleurig behangsel, en de binnenkamer, die nooit zon zag, zoo passend een achtergrond opleverde voor hunne bonte kleederpracht; omgekeerde verhouding van die onzes tijds, nu de winkels in paleizen des lichts verkeeren, maar een heerengroep slechts ne kleur heeft, en dezelfde zwarte rok voor doopmaal en danspartij, voor bruiloft en begrafenis dient! – En nu de winkel daar naast, gast gij dien ooit voorbij, zonder u te herinneren dat gij jong zijt geweest, zonder te wenschen dat gij het nog eens weder worden kondt, om andermaal met knikkers en trommel, met drijftol en vlieger te spelen! Ons kunt gij dikwijls op die stoep verrassen, starende naar de soldaatjes, – waarin wij echter zeggen moeten dat de industrie eer achter- dan vooruit is gegaan; – maar onze jeugd brak ook aan in de dagen toen Napoleon overwinning aan overwinning schakelde – iederen veldslag, van welken wij hoorden, speelden wij met onze makkers over; – waar toch de kanonnetjes mogen gebleven zijn, die wij elkander betwistten, de kanonnetjes, waaruit de erwten voortstoven, tot de gelederen des vijands gevallen waren, gevallen tot den laatsten man toe? Doch wij wiessen op; doch men bedwong zich om ons niet meer in het klagen over verdrukking; doch het werd onzen geest ingeprent, wat ons vaderland was geweest en hoe diep het was gezonken – o! de dag, toen wij grijsaards schreijen zagen van vreugde, daar de ure der verlossing was geslagen, daar het Oranjevaandel, door onze kleine vuist opgeheven, wer wapperen mogt, hoe heugt hij ons nog! – Maar gij zijt jonger, gij hebt welligt met geen krijgsvolk gespeeld, in u scherpte legkaart bij legkaart vroeg den zin voor vormen op, – misschien, ten gevolge der duitsche waterverf, misschien ten koste van dien voor kleur; – u legde de natuurlijke historie hare schatten bloot uit een doosje, eene spanne in het vierkant; – u gingen alle volken der aarde, in eigenaardige kleederdragt en houding, den nieuwsgierigen blik voorbij; – u onthulde de wereld hare dubbele wonderen vroeg, in. miniatuurhemelen aardglobe? Gelukkigen! die door den vooruitgang, tot in het speelgoed toe, zonder inspanning, zonder moeite, dat alles hebt geleerd, waar wij nog zoo weinig van weten; wat anders dan dankbaarheid kan u op dezen drempel vervullen! Wij hebben u slechts voor een speelgoed-winkel gebragt, opdat ge al uw voorregt schatten zoudt!

Oom Frits, de zestigjarige oom Frits, was in dit opzigt nog misdeelder dan wij, en toch durfden we getuigen, dat eene wandeling door de hoofdstad tot zijne grootste genoegens behoorde; waarin anders school het geheim dan in zijne studie harer geschiedenis? Wagenaar op zijn duimpje te hebben, dat is hetzelfde als het leven van honderde geslachten me te genieten; dat stelt in staat wijk bij wijk te stofferen naar lust, dat heet nooit alleen te wandelen: al wat het voorgeslacht goeds en groots opleverde, gaat met ons me! „One of the best secretes of enjoyment is the art of cultivating plesaant associations.” Oom Frits had er slag van. St. Olofskapel, bij voorbeeld, bewaarde voor hem niet enkel de heugenis onzer eerste buitenlandsvaarders, uit het Noorden te huis komende; hij gedacht er den strijl tusschen heidendom en christenheid hij, door dien grooten Koning met zijn bloed beslecht; hij was er zijne kennismaking met Oehlenslger’s treurspel Olaf den Heillige aan verschuldigd. – Of eene phantastische herinnering wisselde de historische af, wanneer hij de Oude Kerk hare torenspits hoog in de lucht heffen zag, en hij zich de bezeten weeskinderen verbeeldde, in de dagen van Schout Pieter Pieterszoon tegen de steile muren, tot de speelklokken toe opklouterende. Dr waren zij er, daar dansten ze een rondetje de transen om, daar tikten zij met de kneukels op de metalen tongen en er galmde een lied door de lucht, waarvan het referein even verstaanbaar mogt heeten als: heintje pik, flik, flik, flik, iko ik sic! – En dan weler was de indruk een romantische. Stel u hem bij den Schreijerstoren voor, den blik op het Y gevestigd: het wordt avond, het wordt nacht, in den tijd dien Brederode uit Amsterdam de wijk zag nemen; maar wie om schemering of duisternis huiswaarts keert, het vrouwtje niet, dat daar over de borstwering ligt, dat luistert! „Hoor!” zegt zij in zich zelve, „dat is meer dan het kabbelen des waters, dat is „hij!” – en vurig wenscht ze, dat de maan een oogenblik door het wolkfloers brak, opdat zij zien mogt, of hij den boom, of hij de boot aan de andere zijde van dezen zwemmende heeft bereikt, en der vervolging, der vervolging om des geloofs wille ontkomen is in het schip dat naar Emden zeilree ligt. Helaas! de hemel blijft duister en duister wordt het ook in haar harte, zoo duister, tot zij iederen avond wederkeerde, en wuifde of hij nu eerst afscheid nam, en in bare waanzinnigheid op den steen in den muur werd vereeuwigd, met het enkel onderschrift: 1569. – Wat zijn het Water, de Nieuwendijk en de Burgwallen voor de menigte anders dan de Burgwallen, de Nieuwendijk en het Water? voor eene verbeelding sls die van oom Frits daarentegen, verlevendigde plek bij plek van deze de worstelingen van het geus worden van Amsterdam; – met zijne typen van zoo woest een tijd, met de gruwelen der beeldstormerij in de geheimzinnige figuur van Jan Broek; – met zijne typen van zoo grootsch een tijd, met de overwinningen op ’s lands vijand behaald, in de kloeke heldengestalten van Nicolaas Ruyckhaver en Jacob Simonszoon de Rijk! – Er viel voor hem op den Dam iets anders te zien, iets meer te hooren, dan de drukte van den dag, dan het gewoel der menigte; – de klove, die achttienhonderd acht en veertig van achttienhonderd vijftig schijnt te scheiden, was zoo onverklaarbaar niet, voor wie als hij dr dikwijls de zon der aestiende eeuw had zien ondergaan. Immers, ongeveer op dezelfde plek, waar wij zoo log een gevaarte hebben gegrondvest, ten bewijze der magteloosheid onzes tijds, om zijne behoeften door de bouwkunst te bevredigen; daar waar nu de reusachtige zuilen onzer nieuwe Beurs elkanderen in haren voorhof de plaatse betwisten, terwijl wij tusschen deze heenglijden als pygmen, daar waande hij bijwijlen de oude regering te zien scheep gaan, en hoorde hij in de scherts over „den kruiwagen,” dien de Oud-Burgenieester Mr. Henrick Dircksz beweerde „te hebben vergeten,” en in het sarcastisch „huimetuit, hoedt u voor de werstuit,” waarmede deze op den wisselzin der wereld zinspeelde, den spijt van alle behoud bij iedere omwenteling! En ter plaatse waar veertien lustrums later het vredejaar den eersten steen zou zien leggen van een Stadhuis, den lof van achtste wonder waardig, en dat op zijn gevel, boven de triomferende stedemaagd, boven die beheerscheresse der zeen, Voorzigtigheid in top zou voeren, – daar verrees voor hem het bekende torentje van het voormalig, „waaronder Burgemeesterskamer uitkwam;” daar hief Cornelis Pieterszoon Hooft binnen hare wanden zijne stemme op, en hij luisterde naar woorden der wijsheid, het laatste nageslacht gematigdheid in de zege leerende en getrouwheid aan het beginsel, waarvoor de strijd werd gevoerd, – die zoo velerlei vooruitgang voorbijziet en schipbreuk lijdt. – Een blik op de verlaten Hal en „het Moortje;” een blik op de oude Academie, en „de Warenar” stonden hem voor den geest, met hunne weergalooze schetsen eener woelige, werkzame, wakkere burgerij, die in dertig jaren de wallen der stad driemalen had uitgelegd, en voor wie zij des ondanks vast weder te eng dreigde te worden; eene burgerij, die deze vergrooting van gebied slechts eene flaauwe afschaduwing van haren voorspoed heeten mogt, daar hare vlag, de wereld omgevoerd, van de vier hemelstreken schatting eischte; eene burgerij, die den naijver van vreemde en vijand in bewondering kon doen verkeeren, daar zij zich bij dezen op nog meer groote mannen dan nieuwe grachten verheffen mogt: Spieghel of Plancius, – Visscher of Heemskerk, – Hooft of Tulp, om uit allerlei vakken slechts eenigen voor den geest te roepen; – Barlaeus of de Geer, – Hudde of Bicker, – Francius of Huydecoper, – Ruysch of Witsen, opdat ge niet meenen mogt, dat wij den ganschen kring reeds rond waren geweest, – Rembrandt of Vondel, ieder van welke volstaan zou hebben om zeven steden vermaard te maken; – en eindelijk hij, die alleen een heir geldt, de veelzijdigste, de volledigste, de voortreffelijkste uitdrukking van ons volkskarakter: Michiel Adriaanszoon de Ruyter! „Arme oom Frits! zal men zeggen, „wat moet de medaille voor hem hare keerzijde hebben, wanneer hij uit den droom des verledens voor de werkelijkheid van het heden ontwaakt! Het kleine Europa moge nog de wereld regeren, in den raad harer volken zit de Maagd der Vereenigde Nederlanden niet langer voor!” Wij zullen de laatsten zijn het te loochenen, – doch wat dunkt u, mag het ons, moet het ons heugen, vanwaar wij zijn uitgevallen? neen of ja? Wij golden als gemeenebest te veel, heeft een onzer hoogleeraren beweerd; het is onloochenbaar, dat wij als koningrijk minder gewigt in de schaal werpen; maar zoo die ommekeer tot de vraag leidt, of wij er ons in onzen val me hebben te troosten, of er ons uit onzen wederspoed door op te heden, wat is uw antwoord? De tijd is geweest, waarin de Unie Europa, Holland de Unie, Amsterdam Holland beheerschte, en wat wederkeere, de dag zal niet op nieuw aanlichten, die de Burgemeesteren onzer hoofdstad. den Vorsten van ons werelddeel den vrede voorschrijven ziet; – maar van welken geest wenscht gij, bij zulk een verleden, ons bestuur geblaakt, onze burgerij bezield? Enkel van rustigen, welwillenden, ordelievenden geest, die zich bevredigd gevoelt door een zindelijk voorkomen van stegen en straten; door het weren des vervals langs de dubbele kade van gracht bij gracht; door een geregelden gang van zaken in n woord, – doch die u, om den wille eener spaarzaamheid, door de schatkist gebon, niet te minder dwingt allerlei leelijke houten loodsen voor lief te nemen, – doch die er u toe brengt voor de vorstinne van het IJ eene vischmarkt te improviseren, als eene stad van den derden rang zich schamen zou, – doch die u, zoo vaak eene doodelijke krankte de vest verrast, verpligt hare slagtoffers den – wie beslist het? – al of niet besmettelijken adem te doen uitblazen in hetzelfde gebouw, ’tgeen gij der schoone kunsten heet te hebben geheiligd; en dat u echter, hetzij ge het voor het eene of het andere doel gebruikt, te ieder oogenblik herinnert, hoeveel beter het voorgeslacht wist wat het wilde, toen het die stille wijk, die vriendelijke woningen, met haar grasperk voor de deur, met den uurwijzer op de plaats, voor den ouden dag bestemde, den ouden dag, die van de wereld, en hare woeling voor goed afscheid nam? – Of – de vloed van klagten, die wij niet konden bedwingen, gebiedt ons de vraag, waarmede wij begonnen zijn, hier te herhalen, – of, gelooft gij, dat en burgerij en bestuur er beter aan toe zouden wezen, als het laatste zich ten taak stelde de eerste te doordringen van het besef, dat Amsterdam zich in de bedeeling van licht en lucht aan hare armen, ten minste op de hoogte harer opgekomen Europesche zusteren heeft te handhaven? – of behoort het tot uwe overtuiging, als tot de zijne, dat Amsterdam nog vermogend, verstandig, vrijzinnig genoeg blijken zou, om tempelen voor de kunst te bouwen en der wetenscheppen altaren te ontsteken, als de sluimerende vonk der ijverzucht bij de go gemeente door hare overheid werd aangeblazen, als goed voorgaan weder wel volgen deed; – of vleit gij u als hij, dat Amsterdam, wat het ook verloren hebbe, nog de heugenis bewaarde, dat slechts die penningen op lofwaardigen woeker worden uitgezet, welke het vorstelijk vermogen van den een, de gelukkige onafhankelijkheid van den ar, het klein fortuin van dezen, de armoede van genen zelfs, ons vergunnen af te zonderen ter bevordering der beschaving, ter verwezenlijking der idealen van wat waar, wat goed en wat schoon is?

Als gij, – en waarom zouden vrij er aan twijfelen? – het laatste met ons beaamt, dan verbaast het u niet langer, dat oom Frits, bij de aanstaande opwekking van het gemeente-leven, en starende naar het schoonste – zouden wij willen zeggen – der basrelifs, waarmee Quellyn ons voormalig Stadhuis heeft verheerlijkt, er zich in verheugen kon, Vondel’s verzen op die groep van buiten te kennen, en deze in zoo menig opzigt ook nog op onzen tijd te mogen toepassen, dat bij er schier den waarborg eener betere toekomst in vond!:

De westerzon verzinckt omtrent de westkim zachter,
Om zich te spiegelen in ’s gevels prael van achter,
Daer deze hooftstadt draeght den hoedt van Godt Merkuur,
Den graetboogh en kompas en kaertboeck kaert en stuur
Kansster bael en kas ziet slingren voor haer voeten,
Als schatten, die door winst al ’s koopmsns zorgh verzoeten.
Vier weerelden, en elck uit een verscheide lucht
Genaecken de Godin, en offren haere vrucht,
Uit rechte eerbiedigheit. Het goutrijck Amerycke,
’t Wijdltheerschende Asias, het leeuwenvoknde Afrycke,
Het burgerlyck Europe ontvouwen door dien schat
En gaven haere gunst, gedraegen deze Stadt,
Die alle kusten kent, en omzeilt, en bewandelt,
Met geele en zwarten Moor, en alle uitheemschen handelt,
Van daer het gouden hooft des morgens straelt, en praelt,
Of ’s avonts in den schoot van Thetis nederdaelt,
Of ’s middaegs blaeckt, of ’s nachts, bij ’t grimmen van de Beeren,
Geen ys ontdoijen kan, noch sneeuw ea sneeujaght deeren.
Dus schijnt de weerelt heel om Amsterdam gebouwt,
Gelijck men ze, op haer troon gezeten, hier aenschouwt.

Oom Frits, – het wordt tijd, ons weder bij hem te voegen, want hoe bedaard hij voortstappe, hij heeft de plek, waarop hij zijn onderzoek beginnen wil, vast bereikt, – oom Frits is heden niet in de stemming, om zich in het verleden te verplaatsen; de mogelijkheid de moeder der vondelinge uit te vinden, houdt er hem te levendig toe bezig, en echter, oom Frits geniet al wat er omgaat, oom Frits merkt op. Een andermaal zou hij rond hebben gezien, waar hier of daar in den gevel eene spreuk school, een uur mijmerens, over de gemoedsstemming die haar op den steen beitelen deed, waardig; zoo als hij er onlangs op eenzelfde wandeling nog twee had aangetrofen, de eene Hollandsch, de andere Fransch, beide even karakteristiek. Hoe de eene, echt-inheemsch, lijdzaamheid leerde, maar met den blik op de belooning er aan verknocht:

Die verdraeght en swijght
Overvrint en verkrijght.

Hoe de andere, uit de dagen der rfugies, al de voorzigtigheid resumeerde, in vlugtelingen vereischt:

Plus penser que dire.

Heden echter vergenoegt hij er zich mede, den blik te bepalen bij wie voor hem uitgaan, – hier, bij dien jongen, die, terwijl hij naar zijn werk springt, uit louter bewegingslust tegen iederen paal van dat hekje, iederen stijl van die stoepleuning, iedere staaf van dat raster tikt, en hem, nu hij eensklaps begint te fluiten, de woorden op de lippen roept:

And whistled as he went, for want of thought.

Het is het voorregt van zijn leeftijd! – dr hebt ge een andere groep, die droeviger gedachten wekt. Een man, die er bejaarder uitziet dan oom Frits zelf, kruit eene zware vracht tegen de vrij hooge sluis op; – „het gaat stug, vader!” zegt de vrouw, die er naast liep, die al achter den ouden man is, en hare handen in zijne lendenen zet, en hem voortduwt en den last verligt.

Oom Frits zou zijn karakter verloochenen, zoo zijne hand niet in zijn zak greep, zoo hij op het „dankje, heerschap!” van den strammen stumper, geene toepassing tot zich zelven rigtte, met de woorden van den Heere van Hofwyck:

                                „y gut Klaes, hiet dat deele;
Heit ongse lieven Heer ongs allegaer emaeckt
Uyt iene slagh van kley, en worden wy ewraeckt,
En erve wy in ’t goet as Basterde?

Eene communistische gedachte uit de zeventiende eeuw, – wat is er nieuws onder de zon?

Doch wat wil onze vriend in dat winkeltje? Het is er zoo druk, dat wij zijne vraag over de vondelinge maar half verstaan.

„Och neen, mijnheer!” antwoordt die man van achter zijn toonbank, „ik zou het u niet kunnen zeggen, – maar dat gaat mij ook niet aan, weet u.”

En hij vult een mosterdpotje voor een kind, dat twee centen nertelt, en ziet vast naar eene vrouw om, die vier halve-stuivers-broodjes met kaas vraagt.

„Ik dacht soms,” herneemt oom Frits, „of ge ook zoudt kunnen gissen, bij wie zoo iets gebeurd kon zijn, daar ge toch de briefjes voor de geboorte-aangiften uitreikt.”

„Wel, mijnheer! een wijkmeester zou wel dagwerk hebben, als hij dat alles na wou gaan,” zegt de komenijsman, die de vier broodjes al heeft gesmeerd, die de kaas er al op heeft gesmakt, en nu uit een vat groene zeep de vereischte hoeveelheid schept, om, op de schaal, krek een half pond te blijken; „de omgang met het kommetje, en het gezeur om bedeeling, is al last genoeg.”

„Maar ik geloof toch,” liet oom Frits nog niet af, „dat gij acht moet geven op al wie in de buurt komen wonen...”

„Zoo mal niet, mijnheer! na den verhuistijd komen de groote lui wel van zelf bij mij om de kieslijsten; en de kleintjes, die leer ik hier voor mijn toonbank op de kerfstok kennen.”

„Niet genoeg, baas!” hield oom Frits vol, „want anders zoudt ge mij weten te zeggen... –”

De komenijsman werd ongeduldig: „U zal moeten wachten, mijnheer! tot na nieuwejaar, – dat zal een baantje worden, dat buurtmeesterschap, – zij mogen er wel een boekhouder op aannemen!”

„Al weder vooroordeel!” zuchtte oom Frits, en vleide zich, dat men bij die benoemingen den wenk van Wagenaar niet zou hebben voorbijgezien: „Immers, ik vind, op het jaar 1545, al gewaagd van Quartier- of Wijkmeesters, die uit de Regeeringe en deftigste Burgers gekoozen werden, en, bij welken, in dien zorgelyken tyd, alle vreemdelingen, zoodra zy in de Stad kwamen, zig moesten aangeven.”

Werd zijne hoop vervuld?

Amsterdam is rijk aan schilderachtige stadsgezichtjes, en oom Frits geniet ze; hoe druk hij het hebben mag, hij doet dit ook nu. Er wordt zin voor vereischt die op te merken, die ga te slaan; – hij, wien deze ontbreekt, zoekt hun belang in het een of ander groot, gesticht, dat hij voor op zijn doek brengt, of tracht hun een verschiet te verzekeren, door op den achtergrond de gevels tot geveltjes te maken, en bereikt toch zijn doel niet, – eenige huizen volstaan er toe, de kromming van een sluis, de ingang eener steeg. Al wat oom Frits ditmaal ziet, wat zijn het dan de zeilen van een tjalk in de gracht liggende, – eene wereld in het kleen! – de omhoog geheschen zeilen, waarop de middagzon schijnt, maar langs welker beurtelings wegdeinzende en opdoemende bruine en geele vakken, maar door wier tusschen deze overblijvende en afwisselende ruimte, hij vier, vijf woningen aan de overzijde gewaar wordt, die zooveel verscheidenheid aanbieden, dat ze zijn blik boeijen, dat bij stilstaat eer hij het weet. Een deftig toehuis teekent rust, – wat is het druk in die winkelnering, – zie dien eigen stal eens, zonder aan weelde te denken, – een dubbele hardsteenen stoep spreekt van een aanzienlijk geslacht, – hoe dat pakhuis u aan den handel herinnert! Al zijn de luifels, die oude bonne fortunes onzer schalke schilders, verdwenen, al dulden wij luiken noch luikjes langer, wat hebben vier van die vijf huizen nog iets eigenaardig-hollandsch aan hun klinkersteen dank te weten, hier wat poppig opgevoegd, daar wat dof verschoten, maar en masse toch verre te verkiezen boven het pleister-thema onzer naburen, waarvan wind en weder de variatin op zich nemen. „Och! die zeilen,” zucht ge, daar zij u beletten te zien, wie er in die zijkamer aan het raam zit, – of er in die banketbakkerij pats de foies gras voor het venster staan, – welk zilver het zijn mag, russisch of echt, dat van die hoofdtuigen schittert, – wie daar de trappen afwipt en nog eens groeten wil, al is de dubbele deur reeds achter hem digtgegaan, – wat die mannen in hunne witte buisjes, waagdragers, al hebben wij geen Waag meer, daar toch ophijschen; „och, die zeilen!” Laat oom Frits het niet hooren; voor hem geeft hunne bewegelijkheid er het bekoorlijkste aan; hem vernoegt die blik op dat voorbijgaand bonte en bedrijvige; hij zou in staat zijn u met zijn lievelingsdichter te bestraffen:

Dwazen, onbewust hoe ’t halfje meer en beter is dan ’t heel!

Oom Frits denkt er niet aan; hij loopt bij een klerenmaker in, – geen eerste viool in zijn vak, daar ziet het er in zijn voorhuis niet naar uit, – en op het nationale: „wat belieft u, mijnheer? waarmede de men hem ontvangt, is ’t antwoord van onzen ouden vriend:

„U zou mij een dienst kunnen doen.”

Welk eene ommekeer op het gezigt van dien snijder, bij die weinige woorden! – al de karakteristieke zwaarmoedigheid van zijn stand schiet te kort, om de wolk te verklaren, – geen der klanten, die onder zijn slechten smaak gebukt gaan, ziet ooit zoo zuur.

„Ik heb geen tijd!” breekt hij de beleefde inleiding bar af.

„Een oogenblik,” vleit oom Frits.

„Zeg toch neen, Louw!” doet zich eene stem uit de binnenkamer hooren, „zeg toch neen! ge zoudt in geen uur weerom wezen, en ik kan, in mijn staat, niet in den winkel gaan.”

„Blijf bedaard, moeder! – Ga bij mijn buurman, mijnheer! die kan het schikken.”

„Maar, goede menschen!” – zegt oom Frits, want trots haar highly interesting position, is „moeder” reeds achter in het voorhuis verschenen; – „voor wien ziet ge mij dan toch aan?”

„Dat vraagt hij nog,” gromt de kleermaker.

„Of hij hem niet op een haar geleek,” voegt vrouw liefste er bij.

„Wie? wat ben ik dan? herhaalt oom Frits, dien de positie intrigueert.

„Louw! er ging wer een halve dag me heen.”

„Om een dankje te verdienen,” klaagt de snijder, spijtig.

„Maar zeg mij ten minste dan toch, voor wien ge mij houdt, en ik ga,” barst oom Frits uit.

De kleermaker vat de schaar wer op, verstokt in zijne zwaarmoedigheid; maar vrouw liefste moet toonen dat zij het weet.

„Alsof men het aan uw neus niet kon zien, mijnheer, dat u een notaris is; die een getuige zoekt!”

Oom Frits brengt onwillekeurig de hand aan zijn schralen arendsneb; „notariel,” zegt hij in zich zelven, „notarieel, wie had gedacht dat gij daartoe zoudt worden gepromoveerd?” en geeft daarop lagchende den goeden lin de vznekering, dat hij slechts een testament, zijn eigen, heeft laten maken, dat hij geen boedel beschrijven kan, maar weten wilde, of zij hem welligt over eene vondelinge konden inlichten.

Vrouw liefste was omgekeerd als, een blad op een boom, – vrouw liefste wilde dat hij binnen zou komen, ten einde zij zelve, – in haar staat, – ook mogt gaan zitten; – vrouw liefste hield hem een vierde uurs aan de praat. Eene vondelinge; dat was wat anders dan eene acte, een inventaris, een testament, – eene vondelinge, als de moeder in die buurt school, dan zou hij haar door de inlichtingen van vrouw liefste vinden.

De straat uit, – den hoek om, – de steeg in, – den gang door,” – zoo, had vrouw liefste gezegd, „en dan het pleintje op,” daar moest het wijf wonen, dat de hand had in allerlei verdachte verbindtenissen, – oom Frits is er; wat aarzelt hij eene wijle, of hij dien trap op zal gaan? „Ik ben er oud genoeg voor,” zegt hij met een zonderlingen glimlach in zich zelven; „maar zal ik haar gewassen zijn?

Hij heft den regtervoet op, – tot oom Frits toe, we zijn allen de speelbal onzer eigenliefde!

„Wat zij er bij winne, weelderig woont ze niet,” mompelt hij in zich zelven, in den duister opklimmende langs het touw, dat geen einde dreigt te nemen, dat tot geen bordes te voeren schijnt.

Een bordes! ’t welk de grootte van een voetmat heeft, en toch driedubbele dienst doet, naar vooren achterkamer en bovendien naar den tweeden trap te leiden.

Oom Frits tikt aan.

Er wordt niet „binnen” geroepen; maar een jong meisje doet ijlings open; een jong meisje, dat, van haar handwerk opgestaan, oom Frits met aangeboren beleefdheid, begroet:

„O, mijnheer! is u daar, – moeder heeft zoo naar u verlangd!”

Het is een tronietje als Six bezong:

Men ziet heur hartje door haar oogen.

La journe des surprises! – onze oude vriend moge zijn gezigt in stroeve plooijen hebben gebragt, om „het wijf” wat ontzag in te boezemen, hij kan zich toch niet werhouden voor de vriendelijke verschijning den hoed van het hoofd te ligten.

„Wil u niet een oogenblik gaan zitten, mijnheer!”’ noodt het meisje hem uit, een der stoelen aanschuivende, die, buiten den derden, voor eene bedstede geplaatst, de eenige in het gansche vertrek zijn; „ik zal u dan zeggen, hoe het moeder gaat, de goede ziel is er zelve te zwak toe.”

En oom Frits zet zich even verrast als verbaasd neer; een blik, door de kleine kamer geslagen, heeft hem van de armoede, maar te gelijk ook van den zin voor orde, van wie haar bewonen, overtuigd, er is geen twijfel aan, dat hij hier niet te regt is. En oom Frits leent geduldig het oor aan een lang verhaal van lijden, want geen enkel woord ontglipt het meisje, dat niet den eersten indruk, dien zij op hem maakte, versterkt: wat heeft dat kind hare moeder lief!

Wij zouden beproeven het u in nen adem getrouw wer te geven, indien wij er u n zijne ooren en zijne oogen bij konden bedeelen; daar het gemis van deze ons toch telkens tot afbreken en aanvullen verpligten zou, mogen enkele trekten volstaan.

„Moeder was het anders gewend, mijnheer!”

Er is, zeldzame gave, er is muzijk in de stem van het meisje, en het honderdmaal gehoorde woord gaat daardoor oom Frits dieper dan gewoonlijk ter harte! Maar hij ziet het tevens bevestigd door een notenboomhouten kabinet, dat op zulk een kamertje niet thuis hoort, en ’t geen echter nooit gladder gewreven kan zijn geweest dan nu.

„En toch was moeder tevreden, zoo lang zij maar tot dit venster gaan kon.”

Om het uitzigt te hebben op een handvol hemels in den winter, – op een handvol loovers van een iep in den zomertijd, dat ziet oom Frits. En dat weinige had niettemin toegereikt om die beide vrouwen betrekkelijk gelukkig te doen zijn, dat hoort oom Frits.

„Maar moeder is nu bedlegerig,” vaart het meisje voort, en voegt er fluisterend bij: „moeder heeft de kanker, doch weet het niet, zoo als de buurvrouw u zeker heeft gezegd.”

Oom Frits staan de tranen in de oogen; – hij was dien trap opgeklouterd om het uitvaagsel der maatschappij te zoeken; hij vond haar voorbeeld!

„Wie is daar? klinkt het zachtkens uit de legerstede.

„Mijnheer de magnetiseur, moeder!”

„Toch niet, vrouwtje!” zegt oom Frits, aan het hoofdeinde der kranke getreden, „er heeft hier eene vergissing plaats; maar ik zal daarom niet te vergeefs gekomen zijn, als ik u van dienst kan wezen, – geeft de doctor geen hoop?”

„Och, die heeft al eens – omdat hij toch niet vorderde – een professor megebragt.”

„En wat heeft die gezegd? vraagt oom Frits.

„ „Een mensch is geschapen voor eene eeuwigheid!” ”

„Wat?” roept oom Frits, groote ooren opzettende.

Het meisje herhaalt de woorden: „Of hij dacht dat het ons troosten zou,” laat zij er op volgen, „weet ik niet; maar wel dat wij sedert, op buurvrouws raad, om den magnetiseur hebben gestuurd.”

„Leg daar niet me aan,” zegt oom Frits ernstig; doch wie, die met ons zijne kennis heeft gemaakt, begrijpt nog niet, dat hij betere hulp belooft; dat hij het borduurraam aan het venster bezigtigt; dat hij werk bestelt, en hij afscheid neemt? Slechts voor hen, die dit zonder onze verzekering niet zouden gelooven, behoeft er te worden bijgevoegd, dat hij te kiesch dacht, om op dat kamertje zelfs den naam te noemen van haar, die hij gemeend had er aan te treffen; oom Frits droeg er die beide vrouwen vast te veel eerbied voor toe.

Toch is hij niet zoo verre gegaan om onverrigter zake terug te keeren; een enkel kwalijk begrepen woord kan oorzaak zijner teleurstelling zijn geweest; „op het pleintje” dat ontgeeft hij zich niet, maar hij verwarde boven het oud-roesthuis waarschijnlijk met er over. Uit den vloed der klanken van vrouw liefste den eenen voor den anderen op te visschen, wat is mogelijker, wat is vergefelijker? Het uiterlijk van dat huisje, – ’t geen hij nu gslaat, – is echter te stemmig, zou men zeggen; de smalle franje der vlaamschlinnen gordijnen raakt schier aan het hoofdje der net geplooide neteldoeksche diminutiven; daar woont zeker eene eenzame burgerjufvrouw; maar „schijn bedriegt,” weet oom Frits. Er hangt een bordje buiten de groen geschilderde deur: – „een gestofeerde kamer te huur;” – het zal hem ongezocht gelegenheid geven een gesprek aan te knoopen; – maar neen, geene omwegen meer, hij heeft reeds te veel tijd verloren.

„Alsof ik dien beter besteden kon,” laat hij er in zich zelven op volgen, „dan door wl te doen aan ongelukkigen, als die ik daar even heb bezocht.”

Hij gaat het pleintje over, – drie dreumissen, de verwachting van de buurt, loopen hem voor de voeten.

„Jongens!t woont daar jufvrouw Bruze?

„Zie me zoo’n verklikker van de belasting eens aan,” grinnikt de oudste der straatboeven, en springt de steeg in; – zijne makkers blijven dobbelen.

Oom Frits heeft intusschen aangescheld; oom Frits liet zich door een kornetje opendoen.

„Jufvrouw Bruze?

„Om u te dienen, mijnheer! wat is er van UEd. Believen? maar hoe kan ik het vragen? UEd. is hierover geweest, bij die brave, arme menschen, och ja! die maar een gebrek hebben, het hart wat hoog, mijnheer! maar wie is zonder zonde, zeg ik altijd! – UEd. is zeker een diaken, die met mijn zwager spreken wil over een kamertje op het Corvers-hof, – UEd. geeft de wetten van het gesticht in die boeken onder den arm, – gaat UEd. toch binnen, mijnheer! UEd. zal er den man vinden.”

Oom Frits werd het zijvertrekje ingeraffeld, – vind het woord niet te vreemd – want onze rustteekenen staan er meer om den lezers behulpzaam te zijn in het begrijpen van den zin, dan om tusschenpoozingen aan te duiden.

„Arendbror!” vaart jufvrouw Bruze voort, het, hoofd keerende naar een stevigen vijftiger, alles behalve reeds een kandidaat voor stil leven, „Arendbror! sta daar niet te dutten en te droomen; ho nu tegen mij vol, als gij hart hebt, dat de meubeltjes boven niet mijn eigendom zijn, – och, mijnheer! hij een bestedeling op het Corvershof, waar zou hij alle week den rijksdaalder vandaan halen? – als ik mijn man nog in zijn graf niet zoo lief had, hij stond al lang op straat. – Maar nu het zoo ver gekomen is, dat het bordje voor de deur hangt, omdat hij me heeft durven dreigen, mij in de wijde wereld alleen te laten, ziet UEd., nu zal het gebeuren ook, nu zal die kamer verhuurd worden aan eene christelijke weew, zoo als ik, of eene eerbare jonge dochter.”

En jufvrouw Bruze meent, terwijl zij oom Frits van het hoofd tot de voeten opneemt, hem op een stoel ner te raffelen, – maar hij legt de hand op de rugleuning; hij blijft staan, al zet zij, zittende, de voetjes op eene warme stoof.

„Want het blijft bij wat ik gezegd heb, Arendbror!” – zal zij dan nooit ophouden? – „geen manspersoon wer mijn trappen op; dat loopt de meiden nog na, begrijpt UEd., al zouden zij bestedelingen willen worden op het Corvers-hofje! Wie zijn neus schendt, die schendt zijn aangezigt, zegt het spreek-woord; maar een zwager is maar aangetrouwd, mijnheer! waarom zou ik het voor UEd. dan verzwijgen? Diezelfde man, die nu geen tien kan tellen, maar die ’s ochtends in de schrift leest, och ja! heele kapittels, die is bij de vrouwtjes geen zier te vertrouwen! En daarom heb ik hem van morgen nog op zijn nommer gebragt, hoort UEd., toen hij wer zijne oogen in den Brief van Timotheus had: „wat, schaam jij je niet, oude rekel!” ze ik zoo, „jij moest nooit in Timotheus lezen, dan met je oogen toe!”

S’il tousse, il est perdu!” luidt de vertelling, – jufvrouw Bruze hoest, – misschien dewijl het oogenblik gekomen was, waarin zij weten wilde, welken indruk hare woorden hadden gemaakt, misschien ook ten gevolge van het gebruik van een glaasje anijs of een krentenkoekje, – er stond een karafje met twee kelkjes, er stond een trommeltje met allerhande op tafel. Wie zich echter aan het paroxisme bekreunde, oom Frits niet; verontwaardigd, daar hij, onder haar gegons, in gedachte de warmte in hare kamer en den geur van het middagmaal in haren gang vergeleken had met het armzalig verblijf der eerlijke armoede, Ale hij zoo even ten troost was geweest, sprak hij straf:

„Houd op met dat gerel, Chrisje Bruze! ik geloof er geen woord van. Zoo min als ik een diaken ben, zoo min zoekt die kerel een kamertje in het Corvers-hof; wie gij zijt, weet gij zelve best. Er komt een tijd, waarin het u berouwen zal, dat te zijn geweest, – maar daar hebt gij nu geene ooren voor. Kort en goed dus: er is gister ochtend een kind te vondeling gelegd; ik geef u honderd gulden als ge mij de moeder aanwijst; u noch haar zal de politie leed doen.”

Oom Frits bragt het bedaard uit, zoo bedaard ten minste, dat het hem niet ontging, hoe wakker Arendbror voor een oogenblik werd, toen hij de premie uitloofde, maar ook slechts voor een oogenblik; want jufvrouw Bruze, die blikte noch bloosde, sloeg eerst de oogen ter zoldering, of zij wenschte dat er een schicht uit mogt nerschieten, maar liet toen de handen, die zij ten hemel had opgeheven, zachtkens in den schoot, zinken, – een beeld der vedrukking gelijk.

„Wat ik doolde in mijne onnoozelheid, ziet UEd.,” zuchtte zij, toen oom Frits zweeg en haar aanzag, of hij haar antwoord wachtte, „wat ik doolde, toen ik UEd., mijnheer! voor een diaken aanzag, die hierover bij die arme, brave menschen, och ja! uit een goed oogmerk, een bezoek had gebragt, en nu met Arendsbror, weet UEd., over een kamertje in het Corvers-hof kwam spreken! Het mogt wat! de wereld wordt met de jaren boozer; ook de kerkhofsbloemen zijn niet meer te vertrouwen, hoort Ued.; dat geeft zich op zijn ouden dag met vondelingen af, dat zoekt mooije jonge dochters op, als de moeder aan den kanker ligt!”

„Wijf!” riep oom Frits, – oom Frits, die tegen haar opgewassen meende te zijn! – „honderd gulden, honderd vijftig gulden, als het zijn moet, voor het geheim, of eene aanklagt –”

„ Tegen eene christelijke weew!” besloot jufvrouw Bruze. „Arendbror als mijnheer den weg naar de deur niet meer weet, wijs hem dien dan.”

Oom Frits hoorde de laatste woorden naauwelijks, want hij had besloten french leave te nemen, zoodra hij gevoelde, hoe gram hij geworden was; hij schudde het stof reeds van zijne voeten; hij was de steeg al uit. Het leed echter niet lang, of die drift bedaarde; wien verrast het, bij een karakter als het zijne, dat verbazing haar opvolgde, verbazing over de gereedheid, waarmede hij den wenk van vrouw liefste had gevolgd? Iets anders toch was het wel te doen, onbekrompen wel te doen, wanneer en waar er hem de gelegenheid toe geboden werd, en zich in een waarschijnlijk vruchteloos onderzoek toe te geven, dat hem met zulke wezens in aanraking brengen kon. „La folle du logis!” zeide hij in zich zelven, onwillekeurig tegen zijn voorhoofd tikkende; zijne verbeelding had zich gisteren den ganschen nacht met die vondelinge bezig gehouden; door de beschrijving van het pleegzustertje waren zijne vermoedens bepaald. En dat diezelfde dwaalster hem nog beheerschte, dat deze nog haar spel met hem dreef, wie twijfelt er nog aan, als wij mededeelen, dat hij zich, voortstappende, minder de zonderlinge ontvangst bij die christelijke weduwe zoekt te verklaren, dan den verschillenden indruk, door zijn aanbod van honderd gulden, blijkbaar op Arendbror en Chrisjezus gemaakt? Het kamertje in het Corvers-hof – waarheid of dichtsel? – week geheel op den achtergrond voor de waarschijnlijkheid, dat het paar, zoo als vrouw liefste zich had uitgedrukt, „van den moord wist!” Jufvrouw Bruze had zich volstrekt niet verontschuldigd, had hem slechts op hare beurt beticht, dewijl hij het doel, waarmee hij tot haar kwam, onvoorzigtig verried; de blik van den kandidaat voor stil leven, die begeerige blik gold oom Frits een bewijs! En toch volstond een oogenblik nadenkens, om hem te overtuigen, dat hij er niet in slagen zou om dat kluwen, louter door den dennen draad dier geldzucht, te ontwarren, dat de zaak van meer zijden moest worden toegelicht.

Wie er hem de behulpzame hand in zou bieden?

Wij hebben ditmaal te lang met oom Frits heen en wer gewandeld om den lezer niet een deel des wegs te schenken; – eerst waar onze oude heer Rievens eene wijle van zijne omdoling uitrust, zetten wij ons verhaal weder voort.

Er ontbreekt weinig aan het kleine vertrek – waarin wij hem daartoe gaarne zouden verplaatsen – er ontbreekt weinig aan, om het een dier heiligdommen te doen zijn, wier drempel, volgens Miss Martineau, geen handelaar, geen staatsman, geene vrouw zelfs ooit overschrijdt, of zij benijden hunne gelukkige bewoners: – eenige boeken schuilen langs de wanden achter saaijen gordijnen, bescheiden, ter helfte weg; op eene kleine schrijftafel ziet ge een lessenaartje, – de eenige armstoel in de kamer staat er voor, – en sieraden heeft zij niet, dan wat vroege tulpen in vollen bloei, op een paar guridons voor de vensters in de zon gezet, en een portret van Thorbecke, in mahonyhouten lijst, aan den wand, – Thorbecke, niet als minister, maar als professor. Er ontbreekt weinig aan, herhalen wij, zoo als de staathuishoudkundige schrijfster zegt, om ieder, die dat vertrek binnentreedt, als hij zelf niet academisch gevormd. werd, te doen wenschen, dat men in de plaats van dien bevoorregte onder de gunstelingen der Alma Mater behoorde; er ontbreekt weinig aan, en echter in dat weinige schier alles; – hij, die deze kamer bewoont, is geen student meer – hij is reeds advocaat!

Comment en un plomb vil l’or pur s’est il change?...

Of heeft het enkele woord niet al uwe belangstelling uitgedoofd in de boeken over die schrijftafel verspreid; in de brieven, die gij daar op dat lessenaartje ziet liggen? Er waren weleer ook onder de eersten, die gij eerbiedig zoudt hebben digtgeslagen, zoodra gij die geopend hadt; maar de meerderheid bestond toch toen uit werken, waarover gij gaarne met den aankomenden geleerde hadt gekout; de bloesems van het vernuft ontloken teen ook voor hem; wat zijn het nu anders dan wetboeken? en slechts in Meijer wist er een boeijend boek over te schrijven, slechts een Montesquieu en fit de l’esprit. Er waren vroeger onder de laatsten, die hij in zijn rokzak zou hebben weggefrommeld, als gij hem in hunne lezing hadt verrast; brieven der gulden jeugd, blijken van vriendschap, boden van minne; maar al vouwde hij de epistels, die hij dezer dagen ontving, bij uw bezoek niet toe, gij zoudt noode in verzoeking geraken, er een onbescheiden oog in te slaan, – de kronkelpaden van het belang, de doolhoven des onverstands, de sluipboeken der misdaad, wat zoudt gij er u in wagen?

O what a noble mind is here o’erthrown!

Niet te haastig, lezer! – de pozij is geen waassem, die voor den adem der werkelijke wereld zwicht.

„En hoe gaat het, Joan?” vroeg oom Frits aan den voor anderhalfjaar gepromoveerden jeugdigen regtsgeleerde, die den armstoel van voor zijn schrijflessenaartje naar hem had toegeschoven, vroeg het op eenen toon, die bewees, op welk een vriendschappelijken voet zij gewoon waren te verkeeren; „ge moet het wel druk hebben, daar ge mij in weken niet zijt komen zien, – hoe gaat het?

„Zoo een practiserend advocaat het land mogt hebben, mijnheer Rievens!” – lachte de jonkman, die, ongehuwd, met eene oude nicht zamenwoonde, – „dan zou ik zeggen...”

„Och, het zou met den practizijn wel schikken,” beweerde oom Frits, „indien er het ongeduld van den poet niet bij kwam; maar ge weet, Joanl mijn troost luidt:

Mden amartein esti Jevn cai pana catorJoun

De jonkman boog zich.

„Monsieur! avec du Grec on ne peut gter rien,”

hervatte hij, „maar heet dat „niets te missen,” als de schel in een paar maanden maar driemalen overgaat: „er is iemand om mijnbeer te spreken, –”

„Mits ge in die drie zaken „slaagt?” viel oom Frits in.

„U heeft mij te veel goeds gedaan, om er u geen kijkje op te gunnen,” – antwoordde Joan, – „misschien zult ge mij dan toestemmen, dat zekere meester Joan Maes wel het land hebben mag. Sedert wij elkander het laatst zagen, zeide ik, is mijn raad tot drie keeren toe ingeroepen, – de eerste maal, – het is een mooije zaak, – door Huibert van Veere, voor het kantoor zijns vaders; – tien zulke, ziet ge, en ik zou niet klagen! De advocaat, die hun huis anders bedient, was naar Londen, – u weet, die uitstapjes zijn aan de orde van den dag, voor de Spaansche schuld of de Spoorwegkwestie – en Collega *** die zijn praktijk zou waarnemen, viel niet in hen smaak van den ouden van Veere, – ik val nog al in dien van Huib.”

„Een flinke jongen,” getuigde oom Frits.

Et me voil au bout de mon latin,” – voer Joan voort, „wat de goede zaken betreft, – het fransche citaat, mijnheer Rievens! moge u bewijzen dat ik reeds onder den indruk van de tweede ben. Zij begon allerinteressantst met een geparfumeerd briefje, aux armes van eene vrouw, die ik voor het minst pour une baronne hield; – ik verzocht nicht mij een fauteuil en een trpied uit, de zijkamer af te staan, voor den morgen, waarop zij belet had gevraagd. „Waarom haar in uw celletje ontvangen? ze de hupsche vrouw, „ik zal wel achter gaan zitten; vr staat immers eene causeuse?” maar mij dacht, het tte tte zou meer val hebben onder het oog van al deze deftige getabbaarden.” – En Joan wees naar foliant bij foliant. – „Het sloog n ure; ik hoorde een rijtuig stil houden; gracieuser werd er nooit binnen deze vier muurtjes gebogen, dan zij het deed. „Vous tes jeune”, was de inleiding, „gij zult niet al te onverbiddelijk gestreng zijn pour une amie de mon enfence.” Zij kwam dus niet voor haar zelve; ze kwam mijn gevoelen inwinnen voor eene vriendin, die aan een der kleinere tooneelen van Parijs was gengageerd geweest, qui avait rompu son engagement pour une liaison, die daarvoor vervolgd werd, die zich nu hier ophield, – ik was andermaal te jong, „pour tre rigidement svre.

„Die, deftige getabbaarden deden niet veel effect,” lachte oom Frits en wees op zijne beurt naar foliant bij foliant.

„Maar mijn ernst des te meer,” – hernam Joan, – „veuillez m’en tenir compte; want hoe gaarne ik ook dat allerliefste gezigtje voor hare vriendin gerust had gesteld, verzwijgen mogt ik haar niet, dat de veiligheid van deze slechts in den berooiden toestand van de zaken des directeurs school, dat hij zijn vonnis, als hij geld genoeg had voor de registratie, transporteren kon. „Ah mon Dieu!” borst zij uit, „je ne saurais voyager plus loin!” – zij was dus zelve the frail beayty? – ik staarde mij op de papieren blind; zij liet het mij niet lang meer doen. „Vous avez mon secret,” hoorde ik er op volgen, „mais votre honneur me le garde;” ik beloofde het haar volgaarne. Tien tegen een, wil ik wedden, dat ze uit Parijs met een van onze landgenooten vlugtte, want u had eens moeten hooren, wat er al in l’honneur d’un hollandais steekt.”

„En gij riedt haar? vroeg oom Frits.

„Et elle a dit: je reviendrai!”

zong de jonkman, op de melodie van het air uit Guido en Ginvra. „Maar,” voer hij voort, „maar „zij schreide om er medelijden me te hebhen,” ze nicht, die haar in de vigilante zag stappen, – „het was zonde van zulk een lief schepsel,” ze mijne anders strenge nicht; maar de meid, die den volgenden dag de kamer stofte, vond twee gulden op mijn schrijftafel, tusschen een boek geschoven, en het schijnt wel que je ne lirai qu’une seule page de ce roman.

„En uwe derde zaak!”’ vroeg de oude heer Rievens, terwijl de schrale vingeren eene maat sloegen op zijne knie.

„Het was een bezoek van mijnheer Thoossens, – u kent hem?”

„Willem noemt hem „de eeuwige kandidaat voor de Tweede Kamer;” en Huibert...”

„Is doodelijk, zegt de wereld, van zijne vrouw, „het mooije Creooltje,” en de wereld toont daardoor juist, hoe weinig zij Huib kent,” – viel Joan in, en voegde er bij: – „maar genoeg, dezelfde Thoossens heeft mij bezocht; wat meent u dat den onbeschaamde tot mij bragt? Een proces over de vertraagde, over de vergeten uitdeeling voor deze of gene zijner plantaadjes, denkt u; maar dat zou zijne schuld niet zijn geweest; dat had tot de legaten van de dwaasheid der achttiende eeuw behoord; de propositie betrof iets personeels. Doch u zou missen, hoe vaak u ook giste. Hij bragt mij zijn vuile wasch over „de emancipatie der slaven,” – een hieroglyphen-handschrifg, – opdat ik er schoon linnen van maken mogt! Hij had geen tijd om die vlugtige gedachten te ordenen, zeide hij; hij had weinig slag om die behagelijk in te kleeden, hm! Hm! – maar als ik hem een handje helpen wou, dan zouden, ja, zijne vrienden wel zien, dat hij iemand, die zijne zaak maakte van stellen, in den arm had genomen, maar het groote publiek zou dupe wezen, „en dat was hem, haar hij er eene goede zaak me bevorderde, wel een bankje van drie honderd gulden waard!”

„En gij hebt: „dankje!” gezegd, „dankje, Thoossens!” borst oom Frits uit. – Joan knikte: „ja!” – en de oude heer Rievens riep: „Bravo, bravissimo! – als hij het kunstje bij een ander beproeft, en het boekje komt uit, dan is ook de kritiek klaar:

„Il est assez de Geais deux pieds comme lui,
„Qui se parent souvent des dpouilles d’autrui,
           „Et que l’on nomme plagiaires.”

„Maar, jongenlief! ik heb nu naar het lijden van een practizijn zonder zaken geluisterd, –”

„En het is groot,” zeide Joan, ernstig.

„Maar belust van een poet nog grooter, niet waar! – en Gthe heeft gezegd:

„Es bildet ein Talent sich in der Stille.” ”

„Aan de laatste hapert het mij hier niet,” zuchtte de jonkman.

„Waaraan dan,” vroeg oom Frits, „aan stof! – ik zie wel, dat ik en den practizijn, n den poet, wiet weder zes weken uit het oog mag verliezen; dat ik voor beide zorgen moet.”

En onze oude vriend deelde aan mr. Joan Maes zoowel de ontrnoetingen in den mist, als zijne ontmoetingen van dien morgen mede; hij droeg dezen de taak op hem behulpzaam te zijn in het opsporen der moeder van de vondelinge, – „het lijdt, door het verschil tusschen de kleeren van het kind, en de schamelheid van mand en deken,” – besloot hij, – „bij mij geen twijfel, dat hier een gruwel is gepleegd!” En onze oude vriend nam eindelijk het pakje boeken van onder zijn arm, dat ge misschien al vergeten hebt dat hij bij zich droeg, – het waren twee deelen: – „Nerlands Bededagen en Biddagsbrieven”, door N. C. Kist. – „Bestudeer dat werk eens!” sprak hij, die Joan overreikende, „en zeg mij, bij uw eerst bezoek, of er heerlijker handboek onzer historie geschreven is, of er geen stoffe voor honderd verzen in schuilt.”

Het was intusschen vier ure geworden; oom Frits spoedde zich huiswaarts, – maar op zijn stoep staande, trok een jongen zijne opmerkzaamheid, een jongen, dien hij meer meende te hebben gezien; hij bedroog zich niet, – het was de straatboef, die hem voor „den verklikker van de belasting” had uitgemaakt.

Of jufvrouw Bruze verspieders nahield?

Wij zullen het zien, als uw geduld ons niet begeeft.

Hoofdstuk IV