E. J. POTGIETER (1808-1875)

SALAMAGUNDI.

IV.

Hoofdstuk III

 

Huibert van Veere was van het bal bij de Bleekhorsten, – ofschoon het niet laat meer heeten mogt, ofschoon het vast vroeg begon te worden, – in de gelukkigste stemming ter wereld te huis gekomen:

Pleased with himself, whom all the world could please,

De drukkende dampkring in de zaal, de waterkoude van den winternacht, hem had de eene noch de andere gedeerd, – hij ontwaakte den volgenden ochtend vrolijk en vlug.

„Men bewijs van een sterk gestel –”

En van onverdorven jeugd, en van matiging in het genot, en van eerste liefde, professor! zouden wij er willen bijvoegen; want, hoe geestig Byron gezongen hebbe van de weelde, die er in schuilt, na een nacht zwelgens met hoofdpijn opgestaan, rhijnschen wijn en sodawater te drinken, – een genot, Xerxes waardig; een genot, bij ’t welk, altoos volgens den dichter, noch de gezegende sherbet met sneeuw getopt, noch de eerste stralen eener bron in de woestenij, noch oude bourgonje, waaruit de glans der ondergaande zonne u toevonkelt, halen mogen – de eerste de beste, die er de proef van neemt, zal alles behalve climax vinden in de twee toestanden, door de bekende regelen geschetst:

Let us have wine and woman, mirth aad laughter,
Sermons and soda-water the day after.

Huibert ontwaakte vrolijk en vlug, zeiden wij, – te vrolijker, dewijl de eerste blik, dien bij, opstaande, over de tafel wierp, hem bewees, hoe dwaas hij zich in zijn droom had gekweld, als ware hij door Maria in den cotillon voorbijgegaan; daar lag het strikje, waarmede zij hem tot haren danser koos. Hij beleefde in gedachte het laatste uur van het feest, – dat over zijne toekomst beslist had, hoopte hij van harte – nog eens; en toen hij de deurknop van zijn slaapvertrek omdraaide ten einde naar de ontbijtkamer te gaan, toen sprak hij in zich zelven:

„Frisch gewaagd is half gewonnen!”

Het valt ligt te gissen, welk hagchelijk waagstuk Huibert meende te bestaan; maar of hij het even kloek als koen uitvoerde, dat moge de lezer zelf beslissen. Het ontbijt stelde zijne verwachting, dat het er hem gelegenheid toe bieden zoude, te leur, het is waar; – papa was al naar het kantoor gegaan, eer hij beneden kwam, en mama vroeg naar twintig dames, waaronder heele mooije, en heele lieve ook, maar vroeg naar Maria Hudde niet. Waarom echter, als, des ondanks, keer bij keer, het besluit om over haar te spreken bij hem opkwam, waarom zag hij er even dikwerf weder van af? Die naam, hem anders de liefste ter wereld,

Hij wilde hem de keel niet uit.

Op het kantoor viel er natuurlijk niet van op te halen; doch waarom bleef hij, varen wij vragende voort, toen het twee ure geworden was, nog achter den lessenaar zitten blokken, en liet papa ouder gewoonte naar Doctrina trekken, of hij hem geen wigtiger nieuws had mede te deelen dan eenige buiten- of binnenlandsche courant brengen kon? Het was geen onderwerp om bij het huiswaarts keeren van de beurs op straat te behandelen; maar het middagmaal was ten einde, en nog had hij er met geene sylbe van gerept, ofschoon het bal bij mama niet in het vergeetboek was geraakt. Wij zouden kunnen beweren dat Huibert aanleg had diplomaat te worden, dat hij opzettelijk met zijn voorstel wachtte tot de (gesloken) patrijzen de koude ossenrib hadden vergoed en de cte-rtie hare werking deed; maar we zijn te opregt om niet te getuigen, dat zijne stem haperde, toen het hooge woord er uit moest:

„Ik heb jufvrouw Hudde gevraagd!”

„En zij?” viel mevrouw van Veere in.

„Maar, mama!” hernam Huibert, weder de flinke bol, nu hij voelde dat die verwenschte kleur bedaarde, „zou ik er van gesproken hebben, als zij mij een blaauwtje had doen loopen? Slechts kende ze mij „nog niet genoeg”; slechts wist ze niet of hare ouders haar zouden vergunnen mij nader te leeren kennen; – en daarom wilde ik papa verzoeken –”

„Huibert!” nam de oude van Veere het woord, „ik heb twee bedenkingen,” en hij tikte de asch van zijn geurige havana, die hij om den wille van het schrale winternageregt – wat chinasappelen en een beschuitje met kaas – niet getoefd had op te steken.

Onze minnaar luisterde te ingespannen, om anders dan met zijne oogen te vragen: „welke?”

„Op een bal niet verliefd te worden, als men nog geen vier en twintig jaar is, dat zou wat veel zijn geischt; maar na de kennismaking van n avond een meisje ten huwelijk te vragen –”

„U zoudt gelijk hebben, papa! doch ik heb Maria al zoo lang lief!”

En mevrouw van Veere waande zich vijf en twintig jaren, waande zich dertig jaren jonger, toen Huibert opbiechtte, waar en wanneer hij Maria het eerst had gezien, hoe dikwerf hij Maria in het publiek had weten te ontmoeten, hoe goed Maria al voor maanden geweten had, dat hij haar beminde.

Papa gaf zijne eerste bedenking prijs, maar deed nu de tweede gelden. „De Huddes zijn hoog in hun wapen,” zeide hij.

„Van Veere? dat mag zijn,” viel mevrouw in, „maar wij gaan immers met huns gelijken om?”

„Wij, Antje!” lachte de heer des huizes; „man en vrouw zijn n, zegt men; doch behoor ik daarom tot „de fijntjes” van uw aanzienlijken krans?”

„Spot niet, van Veere! ik wenschte dat gij u half zoo veel over uwe ziel bekommerdet als over uwe zaken.”

„Antje!” was het ernstig wederwoord, „wanneer gsf ik u aanleiding mij in dat opzigt van onverschilligheid te verdenken?”

„Gij kiest geen partij, van Veere!”

„In kerkgeschillen?”

„O, het geldt meer dan een enkel leerstuk!”

„Antje!” ze de man des huizes, „ik heb die zelfde klagt al honderdmalen gehoord; ik heb haar al wel honderdmalen beantwoord. Waarom ik geen behoefte heb mijn geloof in woorden te laten luchten, zoo als uwe vrienden doen? De beginselen, naar welke wij handelen, komen onwillekeurig in onze werken aan het licht, komen aan het licht, eer wij het vermoeden, in goed en in kwaad. En daarom vrage ik u nog eens, waardoor heb ik u reden gegeven –”

„Ge scholdt op „de fijntjes.” ”

„Toen gij de Huddes woudt opwegen met uwe aristocratische kennissen, Antje! toen heb ik gelagchen over den hoogmoed, die vrienden aan het hof meende te hebben, – ik reken er zoo weinig op, dat ik niet eens durfde zeggen: quelque chose malheur est bon! – Of vleit gij u, dat ge in eenig ander opzigt, dan om voor allerlei genootschappen bij te dragen, pour une des ntres geldt?”

„Waarom zou ik ze wantrouwen, – dewijl ze vroom zijn?”

„Allemaal menschen, Antje! rationalisten, groningers, orthodoxen, – de een spreekt van volmaakbaarheid, de ander van heiligmaking, de derde van dankbaarheid, in goede werken aan den dag gelegd, – wat zou het eene heerlijke wereld zijn, als die boomen de vruchten droegen, welke zij beloven, als er niet zoo vele wurmstekige onder liepen. Onze buurman, zegt men, ziet die eer in onzen hof dan wij zelve, en daarom, wijfjelief! spaar mij niet...”

Mama zag zwijgend voor zich, maar zuchtte er niet minder om; – was het wonder, dat Huibert, toen wij zijne kennis maakten, door zijn woord tot oom Frits weinig bleek op te hebben „met de orthodoxie, die hoe langer hoe meer in de mode komt?”

Gij hadt het er voor gehouden, dat mevrouw van Veere iets van „werkheiligheid” mompelde.

Huibert echter wachtte er zich wel voor dit te doen; Huibert maakte zich het oogenblik stilte ten nutte, om het gesprek eene aangenamer wending te geven, door zijne ouders dank te zeggen voor hunne blijkbare goedkeuring zijner keuze.

„Het is een heel lief meisje,” betuigde mama.

„Heeft Huib goed uit zijne oogen gezien?” vroeg de oude heer, en vulde de glazen van vrouw en zoon, en toen ook het zijne, met zekere plegtigheid.

„Jongen!” sprak hij, „ik heb niets dan vreugde aan u beleefd, God zegene uw voornemen?”

En hij reikte Huibert de hand.

„Word zoo gelukkig,” liet de vader er op volgen, „als ik met uwe moeder ben, – al zijn wij het over „de fijntjes” niet altijd eens.”

Men ziet het, bij gezond hout deert het niet, of het snoeimes soms wat diep gaat!

„Och, Jacob! gij meent het zoo goed,” schreide de vrouw, maar Huibert was opgesprongen, Huibert kuste die tranen weg.

En er werd geklonken, en er werd gekout, langer dan het ooit anders gebeurde; mama wilde nog allerlei bijzonderheden weten van het bal bij de Bleekhorsten; papa beraamde vast hoe hij bij de Huddes belet zou doen vragen; – en er werd gekout en geklonken tot de wijzer op de pendule voor den schoorsteen acht ure wees, en de eerste klerk van het kantoor kwam vragen, of mijnheer de brieven voor de Engelsche post ook wilde nazien, en een der oude getrouwe dienstmaagden het theewater maar „in de voorbaat” binnenbragt, al was het dessert nog niet afgenomen.

„Aanstaanden grootouders is het te vergewen, dat zij van klok noch klepel meer weten;” ze papa lagchende, terwijl hij zijn zoon volgde.

Drie dagen later zou de heer Hudde „de eer hebhen, den heer van Veere tusschen een en twee ure af te wachten.” Het was eene zware proef voor Huiberts geduld geweest, en toch had hij die zegevierende doorgestaan; maar toen zijn vader was vertrokken, toen hij zich voorstellen kon, dat een enkel woord over zijn wel of wee zou beschikken, toen beproefde hij vergeefs zijn werk achter den lessenaar voort te zetten; de koortsige spanning vergunde het hem niet. Beweging, dacht hij, zou hem afleiding geven, en een, twee, drie, had onze krullebol den winterjas aan, en den hoed, op; – beweging zou hem goed doen, en besluit en uitvoering volgden elkander zoo snel, dat hij de brug van het – eiland was overgegaan, dat hij voor het poortje van de werf de Zeemeermin stond, in zes malen korter tijd, dan waarin hij anders den langen weg zou hebben afgelegd.

Beweging alleen baatte niet, hij had ook behoefte aan gesprek.

Immers, in iederen meer bedaarden gemoedstoestand zou hij gelegenheid te over gevonden hebben, zich met zijne eigene gedachten bezig te houden; zou het hem onmogelijk zijn geweest, zoo onopmerkzaam, zoo overijld dat levendige schouwspel langs te vliegen, ’t welk, dank zij den open winter, ons entrepotdok ook dien middag aanbood. Hoe gaarne toch sloeg hij het anders gade, al vermaakte hij er zich mede het „de verwarde landkaart” te noemen, dewijl zijne pakhuizen, die de namen der steden van het (voormalig vereenigd) koningrijk der Nederlanden dragen, door de alpbabetische opvolging van deze, Noord en Zuid, en de Oost op den koop toe, kris en kras door elkar om u heen doen dwarrelen. Wat plagt het hem in die „verbijsterde wereld” wl te zijn, waar de voortbrengselen aller luchtstreken, die van den uchtend en van den avond, – de weelde van de warmte en der koude kracht, – waar zij zamenvloeijen, waar zij worden vergaderd, waar zij boven, onder, om en bij elksnder bijeen liggen, alsof onze spanne gronds al die duizenderlei vruchten droeg; of ze nooit gescheiden waren geweest door oceaan bij oceaan.

Qui dubiis ausus committere flatibus alnum
Quas Natura negat praebuit Arte vias.

Hoe Huibert zich verlustigde binnen deze muren in eene spraakverwarring, welke aan die van Babel herinnerde – een mengelmoes van europesche talen, maar om strijd gebrekkig vertegenwoordigd, en soms geheel in tegenstelling met de karakteristiek, waarop ieder der mededingsters zich te goed doet. Hij hoorde er duitsch en fransch, doch het eene noch het andere zweemde naar de portretten, ons door Tegnr van de beide meisjes geleverd; – eene schoone jonkvrouw, zoo schetst hij de eerste, eene schoone jonkvrouw, in het frissche woud flink opgewassen, sterk van leden en smijdig van vorm; – slechts wat de schilder gispte bleek waar: de breede mond, de trage uitspraak, het phlegma! – eene onttroonde vorstinne, zoo beeldt hij de tweede af, eene onttroonde vorstinne, gezelschapsdame geworden, maar naar wier geestigen kout de wereld nog gaarne luistert; het mogt wat! zij snaterde, zij beet af, zij vloekte, zij loog, zij had al hare hoffelijkheid verleerd! – Huibert had van: „nieuw Roomsch” en van „prachtig Madridsch” gelezen; – maar het verwonderde hem niet, dat die vroegere wereldbeheerschers van hunnen hoogen zetel waren vervallen, als bij hun smerig nakroost zich in ons dok in het slijk zag wentelen; als hij hoorde, hoe mond bij mond de talen radbraakte, waarop het zangerig Zuiden zich zoo hoogmoedig verheft! – Huibert leende er beurtelings aan Denen en aan Zweden het oor, en hield den naijver, die de zonen van Scandinavi verdeelt, er te kleingeestiger om; hij vond, als hij vonnis wijzen dorst, noch in de eene noch in de andere taal die kracht, welke de pozij zoo gaarne aan het Noorden toeschrijft. – „Waar blijft het Russisch?” vraagt men welligt, – houdt het Huibert ten goede, dat hij er geen woord van verstond, dat de moed hem ontzonken was, de studie dier taal te beproeven, sedert hij telken reize, als hij met Petersburger vrienden het bekende huisje aan de Zaan bezocht, de Russische opschriften anders hoorde vertolken. – „En Poolsch!” Al wat hij er van wist, lieve lezeres! – het is geen zeevarend, het, was een ridderlijk volk – al wat hij er van wist, bepaalde zich tot drie woorden, welke hij Maria Hudde, maar in het hollandsch, toegefluisterd had, welke wij gaarne wenschen, dat gij ook eenmaal van uwen uitverkorene hooren zult: „Upadam do nog” (Ik valle u te voet). Doch als we dus voortgingen, wij zouden afdwalen; we zouden verzuimen te spreken van die taal, welke zich daar, na de onze, het luidst hooren doet, die vast veel verder gaat, dan deze, die de wereldtaal dreigt te worden, al vond Huygens, – toen wij in ieder opzigt Groot-Brittanje’s mededingers waren, – nog vrijheid haar te vermelden, als:

het Engelsch quett’ren
De Tael van alle Tael, die nergens t’huys en hoort,
En all om boortigh is.

Anderhalve eeuw later, na eene ontwikkeling als die van het volk, welks behoeften zij bevredigen bleef, deed Tegnr haar onregt, door haar eene spraak te schelden, voor de stamelenden gemaakt, – bij elk woord een embryon is, – die de eene helft uitstoot, die de andere helft inzwelgt, – en niets beters heeft te doen dan zich ook voor hare tong eene dier stoommachines aan te schaffen, waarme toch alles in haar vaderland gedreven wordt. Een droevig blijk, hoe weinig bijwijle ook de eerste onder de nieuwere dichters het potische in den vooruitgang der nijverheid weten op te sporen en te huldigen; hoe vaak zij dien, om den wille hunner verjaarde schoonheidsbegrippen, voorbijzien – en beschimpen! Stamelen! in welk opzigt stamelt het Engelsche volk? in huiselijk, maatschappelijk of staatkundig leven misschen, – of wel in zijne litteratuur? – In zijn eenvoud onze Huibert juister dan het groote genie; waar hij Engelsch hoorde, daar hief hij gaarne den blik naar boord op, verzekerd orde, tucht, pligtbesef te zullen vinden waar de vlag van Albion waait; verzekerd die te zullen aantreffen en tot bij de nakomelingen der Britten in Amerika toe!

Huibert, wij herhalen het, Huibert had er echter thans oog noch oor voor; wat meer zegt, zelfs de dichterlijkste schepping van den handel, zelfs een schip op stroom, dat hem anders, hoe honderdmalen gezien, altijd op nieuw verraste en verrukte, altijd weer anders en toch weer aangenaam mijmeren deed, boeide hem nu niet. Een schip op stroom, die wondere wedergeboorte van den eik en de hennepstruik, – welke beide, hoe ongelijk overigens, in het hart van Europa wortel sloegen en opwiessen – de eene in eene eeuw, de andere in een enkelen zomer, – welke beide, als de zonneschijn van den middag te heftig werd, uitzagen naar de frissche koelte, die van de Oostzee zou aanwaaijen; naar den regen, door het wolkje aan de kimmen der verre kust beloofd, – een storm voor wie de kruin in de wolken hief, een stortvloed voor hem, wiens bladerenkroon geslachten in zijne schaduw nam; eenige droppels voor de wiegelende plant, door het zuchtje, dat langs de aarde zweeft, vast verfrischt; – welke beide gevallen zijn in volle rijpheid, vollen bloei – de eene voor de vereenigde krachten van honderde armen, het, andere voor een enkelen zwaai van de zeis, – welke beide, schoon gestorven, niet ophouden te leven, slechts wisselende van plaats, van gestaltenisse en van doel! Een schip op stroom, de wondere wedergeboorte van den eik en de hennepstruik, – maar niet langer aan het harte van Europa geboeid, maar niet langer door de laauwe zon van het Westen gestoofd; een schip op stroom, dat uit den nacht van noord- of zuidpool ten onzent weder het licht ziet, of de keerkringhitte nog in zijn binnenste voelt, al dreigt het water, dat het draagt, ten iederen avond om boord te stollen – dat geleefd, gekampt, geleden, overwonnen heeft op andere oceanen, dan die aan onze kusten knagen, in andere orkanen, dan onze hemel kent. Een schip op stroom, eene wereld in het klein, met al haar gebrekkigs en al haar goeds met wat zij gruwelijks heeft en wat zij groots oplevert, – ontbering, die de manschap verpligt is zich te getroosten, uitspatting, die de overheid toejuichend schijnt aan te zien; – een blijk onzer wetenschap, die de golven in hare dienaressen verkeert en de winden tot hare dienaren maakt; eene beschaming van onzen hoogmoed, als de schipbreukeling ons de gevaren schetst, aan welke hij ter nood ontkwam; – de welkome waarborg, dat geene der behoeften, waarin de weelde onze geneugten heeft vergeefs bevrediging zal eischen; de bode der beschaving aan verre volken, maar die, helaas! niet enkel haar zegen, die ook haar vloek den vreemde brengt; – het onwaardeerbaar middel tot ruil van den wederzijdschen overvloed van werelden, door zee bij zee gescheiden; maar ook het afgrijselijk middel om het eene menschenras in slavernij van het andere te slepen; maar ook het hartbrekend middel om, na vaderland en vrienden voor altijd goeden nacht te hebben toegeroepen, elders het stuk brood te zoeken, hier den schamele ontzegd. Een schip op stroom! – eene wereld in het klein, met al hare verborgenheden van leven van den geest, leven van het harte vooral; – door de bewondering des Scheppers, waarin de eerste zich vermeidt bij ieder nieuw natuurschoon, en in de stilte als in den storm; door het lijden, maar ook door de liefde, die de eenzaamheid gezellig maakt, daar zij der gedachte vleugelen leent voor het tegenwoordige en het toekomende, voor de aarde en voor den hemel! – een schip eindelijk, waarvan het lied Schiller’s teregt beroemd meesterstuk von der Glocke had kunnen evenaren en overtreffen, indien Bilderdijk voor het onderwerp warm ware geworden, wanneer zijne sympathie voor ons volk, n in onzen voorspoed n in onzen val, inniger ware geweest.

Huibert was de werf de Zeemeermin intusschen opgestapt; behoorde hij tot de leden dor Nederlandsche Zeil- en Roei-Vereeniging?

Waarom niet?

„Tot in onze uitspanningen toe, apen van den vreemde!”

We zullen de eerste zijn u een handje te helpen, als gij er oorspronkelijke voor in de plaats weet te geven; maar zoo lang deze niet overvloeijen, zoo lang het, helaas! waar blijft, dat onze opvoeding de ontwikkeling van het ligchaam verzuimt, om den wille der beschaving, der overprikkeling van den geest, zoo lang mogen wij een middel, om ons van dien verkeerden weg terug te brengen, niet afwijzen, louter dewijl onze buurman het eer bedacht dan wij. Al wat onze volkstrots eischen mag, is: dat men ons met geen Yacht-Club kwelle in eene stad, die langer dan honderd jaren reeds uit hare jagthavens Admiraal-zeilen zag; – op dat punt kunt gij niet kittelooriger zijn dan wij; – hebt ge wel ooit, zoo als het ons bijwijle gebeurde, den courantiers de jicht in de vingers gewenscht, wanneer dezen, in plaats van het hollandsche hoezee, het russisch hra of hoer, of het fransch en engelsch hurrah schreven? Is er iets dat ons ter harte gaat, het is het bewaren, het is het verlevendigen van de heugenis, dat onze Republiek dien drietand der zeen voerde, eer Brittanje haar dien ontwrong, – dat, bij den aanvang der zestiende eeuw, die zelfde voormalige mededingster, nu in beheerscheresse van den oceaan verkeerd, slechts twee oorlogschepen had, – zoo als gij het in de oude ballade van 1511 lezen kunt, in de wnorden van Lord Howard tot Hendrik den Achtste:

„Sir Andrew’s Shipp I bring with mee
„A braver Shipp was never none;
„Now hath Your Grace two shipps of warr
Before in England was but one.”

„Om tot eene worsteling op te wekken, die gelukkig onmogelijk is, maar zoo zij mogelijk ware, er niettemin hopeloos om wezen zou?”

Verdenkt gij ons in ernst van die dwaasheid? – alsof er uit Engelsch vooruitgang niet te leeren viel, hoe ver hij het brengen kan, die zijnen buurman datgene afziet, waarin deze hem de baas is! – wij keeren er tot onze volksvermaken me wer. Geene anglomanie geene anglicismen, waar het inheemsche bruikbaar bleef; waar onze eigene taal ons een oorspronkelijk woord aanbiedt; maar a welcome, a hearty welcome for every yacht van de overzijde op Maas of IJ gekomen, als de prikkel ons in roeijen of zeilen verder brengen kan. Wij waren ten achter geraakt, schromelijk ten achter, – onze boeijertogtjes met trekpaarden van Amsterdam naar Utrecht verdienden door Bles te worden geschilderd en gehekeld, – maar dat is n voor zijn talent, – al wat er mannelijks in de worsteling met meir of stroom schuilen mogt, werd ontweken om gemakkelijk te genieten, om zuipende te zitten en zittende te zuipen; Jan! nog een langhals! En zouden wij dan weigeren de hand wer aan roer of roeispaan te slaan, dewijl het de vreemdeling binnen onze poorten is, die ons tot inspanning opwekt, die ons het bewustnijn onzer krachten hergeeft?!

Foei, van de bekrompen nationaliteit, voor wie al wat uit den vreemde komt verdacht is, die al wat de vreemde ons brengt versmaadt, – wat zouden wij ongaarne onze op duitschen leest geschoeide zanggezelschappen missen, al wenschten ook wij, dat men het nonsensicale woord liedertafel op de grenzen had aangehouden en teruggestuurd!

Huibert, – als Mohammed niet tot den berg gaat, de berg zal niet tot Mohammed komen – Huibert is vast met den oudsten zoon van den eigenaar der Zeemeermin in gesprek geraakt over een tentjagt, door hem, voor pleziervaart, buiten op – besteld.; maar wat er heden aan Claes Govertsz hapert, Huibert weet het niet; het is kortweg: „neen, mijnheer!” en „ja, mijnheer!” al wat hij ten antwoord krijgt, en zoo min het werken als het praten gaat den anders vluggen borst van harte.

„Schort er iete aan, Claes?”

Het zonderlinge antwoord luidt:

„Daar komt vader, mijnheer!”

Indedaad, een flink gebouwd man, dien gij nog geen zestig jaren geven zoudt, stapt de deur uit van de ouderwetsche maar benijdenswaardige woning op de werf, – eene woning, die in den zomer half wegschuilt achter eene linde vier, vijf, welke haar voor de ochtendzon beschutten, maar zoo geleid en gesnoeid zijn, dat men ook dan door hare kleine glasruiten hetzelfde heerlijke gezigt op het IJ heeft, ’t geen er nu onbelemmerd uit te genieten valt, – doch de eigenaar der Zeemeermin komt al nader en brengt de hand aan de muts, en tracht tegelijk een vriendelijk gezigt te zetten.

Maar zoo goed als het eerste gaat, zoo weinig grif lukt het laatste; hij gaapt als een oven.

„Goeden dag, baas!” komt Huib hem ter hulpe.

„Zoo, jongeheer!” is het antwoord, en de oude Govertsz geeuwt onwillekeurig wer – er blijft bij Huibert geen twijfel dat hij den man in zijn middagslaapje gestoord heeft; de ietwat hooge kleur zijner wangen zou het verraden, als de gaaplust het niet reeds aan het licht had gebragt.

„Ik wilde eens zien of het tentjagt wat vorderde, – maat gij hadt daarom wel binnen kunnen blijven, baas!

„Binnen blijven! –” de geeuwzucht is voorbij, er spreekt drift uit het antwoord, – „binnen blijven, jongeheer!” – Als de lezer door dien titel reeds gegist heeft, dat baas Goverts, Huibert van kindsbeen kende, dan heeft hij het geraden. „Binnen blijven, neen, dan moet Govert Govertsz eerst nog een dag ouder zijn.”

„Claes had mij immers wel kunnen zeggen...”

„Ja jongheer! als die zijn hoofd niet zoo vol muizennesten had –”

Maar de vader bedwingt zich, – want de zoon zag van zijnen arbeid op, en zweeg echter.

„Wil u eens zien, hoe verre wij met het tentjagtje gevorderd zijn?” vraagt baas Govertsz na eene pauze.

„Gaarne,” zegt Huibert, en volgde den flinken zestiger reeds de werf op, tusschen eenige houtstapels door, een scheepje dat op de helling gebragt was langs, en een paar bootjes in aanbouw om, – voorwerp bij voorwerp, die de oude hem vroeger zou hebben aangewezen, waarvan hij hem vroeger de historie zou hebben verteld. Heden echter niets van dat alles; heden geen enkel blijk der zelfvoldoening die het vooruit was gegaan, die hei nog verder vooruit wilde brengen; – Huibert had ook baas Govertsz wel willen vragen: „schort er iets aan?”

Maar de eigenaar der Zeemeermin gaf er hem niet op nieuw aanleiding toe; zij waren bij het tentjagtje, en voor een omzien kwam de man van het vak boven: „het hout was van het beste, en het zat goed in elkar ook, – probeer maar eens hoe plezierig u er in varen zal!”

Huibert nam een oogenblik plaats; Huibert dacht zich Maria op hun buiten aan zijne zijde; Huibert zuchtte.

„Al is het maar een kleinigheid, het zou op de grootste werf niet beter worden gemaakt,” brak Govertsz des jongelings mijmering af.

„Papa zegt dat gij het verre gebragt hebt, baas!”

„Buurman Laats bragt het nog verder, jongeheer! maar die had ook een mooije stuiver gelds met zijne vrouw getrouwd.”

„En ge hebt hier een leven als een koning, – een uitzigt, waarvoor ik ons huis op de Keizersgracht gaarne geven zou. –”

„Hm!” had de eigenaar der Zeemeermin gekucht bij de eerste opmerking, en eenig leed moest hem waarlijk diep ter harte gaan, want bij de tweede volgde bij Huiberts blikken op de spiegelende oppervlakte van het Y niet. Toen deze zich eene wijle in het spel der golven, in het staren naar de zeilen, die, in het verschiet opdoemden, in het stuiven van het schuim voor den boeg van een beurtman had verlustigd, en hij omzag, toen was het voorhoofd van baas Govertsz gerimpeld, toen staarde hij stokstijf op den grond.

„Schort er iets aan?” lag andermaal op de lippen van onzen jongeling, maar de flinke zestiger kwam hem voor met de vraag, of hij „bij moeder de vrouw ook eene cigaar wilde opsteken?”

„Ik wil ten minste wel eens zien hoe de jufvrouw het maakt,” ze Huibert.

En even stil als zij naar het tentjagtje waren toegewandeld, even stil keerden zij nu een anderen weg terug, maar kwamen toch Claes weder langs, die noode van zijn werk opzag om onzen vriend te groeten. Daar waren zij bij den kippenloop, die tot Huiberts vroegste herinneringen zijner kindschheid behoorde; daar bij den duiventil, waarnaar hij zoo vaak als knaap was opgeklouterd.

„Oude bekenden,” mogt hij zeggen, terwijl hij bij hun naderen een paar de blaauwe lucht invliegen zag.

„Die zijn nu Coo’s liefhebberij,” was het antwoord.

En zij waren bij de thans dorre haag, tusschen de woning en de linden, die in Mei wer geuren zou, – de haag om het tuintje, dat Huibert zoo dikwijls in bloei had gezien.

„Ga binnen, jongeheer!” sprak de baas, toen zij de klinkertjes over waren, die van het poortje in de straat tot voor, de deur der woning leidden.

En Huibert trad in het bekende vertrek, dat hem, als vroeger, al had het van weelde geen zweem, vriendelijk toelachte door de zorg, waarmede vrouw Govertsz het eenvoudig huisraad zindelijk onderhield. Het was in het hartje van den winter, doch helder waren de gordijnen, – helder als een brand, de stoelen hadden jaren lang dienst gedaan, maar er ontbrak geen sport aan, en de matten zitting was heel; – het gezin, Huibert wist het, zat den eenen dag vr, den anderen dag n, om die tafel aan; toch waren er geene gaten in gebrand, toch rafelde het zeildoek niet eens. Het glom hem tegen; maar wat was er binnen deze muren; dat het niet, deed? wat zoudt gij het glimmendst hebben geprezen, de eikenhouten linnenkast, waarmede het echtpaar zijn huishouden was begonnen, of het wortelboomhout van de groote gang-, hier kamerklok, die het zich, toen het hun zoo gezegend ging, had aangeschaft? Gij zoudt geaarzeld hebben, wedden wij, en na eene poos vruchteloos vergelijkens, zoudt gij geindigd zijn met te weifelen tusschen het staal van het ouderwetsche vuurhaardje in de schouw, en de koperen sloten van een folio bijbel, die op eene ltafel lag met Vader Cats in de buurt.

Alles was als van ouds; slechts zag vrouw Govertsz er niet zoo opgeruimd uit als zij plag.

Huibert had zijne cigaar al opgestoken; Huibert hoorde voor de eerste maal van zijn leven in die kamer het tikken van de klok, zoo zeer stokte het gesprek; „alleen Piet Hein is dezelfde,” dacht hij, toen de werfhond, die mee was binnengegaan, den kop op zijne knie vlijde, en hij in de trouwhartige oogen van het dier zat te kijken, wie weet hoe lang.

Hij dacht het – en weg was de hond, de deur, die maar aanstond, reeds uit; hij had den stap van een vreemde de werf op hooren komen.

„Vader!” kwam Coo zeggen, „daar is schipper Pik.”

„Mijne groete t’huis, jongeheer!” wilde baas. Govertsz afscheid nemen.

„Maar, man! kan Claes hem niet spreken?”

„Och, wat,” ze de baas, en was de klinkertjes al af.

Huibert stond op, – en ging toch nog niet heen.

„Mietje!” sprak vrouw Govertsz eensklaps haar veertienjarig dochtertje toe, het kind, haar geboren tusschen Claes en Coo, dat al dien tijd zoo ijverig had zitten breijen, of het er den kost me winnen moest; „Mietje!” sprak zij, „ga even naar buurvrouw Nierdels en vraag, of zij te avond eens bij mij komt.”

Maar zoo ge nu met Huibert, gedachtig aan haar woord tot den baas, of Claes schipper Pik niet spreken konde: „O dochter Eva’s!” hadt uitgeroepen, toen zij hem, zoodra het kind hare hielen had geligt, zoo vriendelijk vroeg: „Een woordje, jongeheer!” – ge zoudt het haar, als hij, in het volgend oogenblik,” hebben vergeven, toen hij hare bruine kijkers vol tranen zag schieten, en zij snikkende uitborst:

„Och, we zijn zoo ongelukkig!”

„Als papa u helpen kan....” sprak Huibert.

„Dat weten wij, jongeheer! – dat hebben wij ondervonden ” toen wij ons huishouden begonnen; wij zijn er hem nog dankbaar voor.”

„Maar wat is er dan nu?”

„Oneenigheid, jongeheer! oneenigheid tusschen mijn man en mijn kind, het bitterste kruis,” snikte vrouw Govertsz, „och, laat mij mijn harte maar eens lucht geven. Wie weet of mijnheer van Veere bij den baas niet meer vermag dan wij, want ik kan er Claes toch niet hard over vallen....”

„Maar, jufvrouw! ik weet nog niet waarover zij verschil hebben –”

„Over Leentje, jongeheer! – doch het is waar, het kind zal u niet meer heugen, de dochter van den horlogiemaker de – straat – zij plagt hier heele dagen te komen spelen.”

„Leentje!” viel Huibert in, „Leentje Veeling, die zoo lief zingen kon?”

„Dezelfde, jongeheer! heugt zij u nog? dezelfde, een zoet kind, niet waar! dat een mooi meisje is geworden – de baas zou er ook niets tegen hebben, dat Claes er zijn zinnen op heeft gezet, als zij maar niet arm was, doodarm. Maar hoe zou u het weten, dat die goede lu achteruit zijn gegaan, tot zij wegteerden van gebrek? De man bleef met een vijfentwintig beste horloges zitten, zij waren uit de mode geraakt; de man leed een zwaar bankroet aan een groot heer, dien hij tien of twaalf huisklokken leverde, veel duurdere dan de mooije die dr staat, die ook van hem is, – het heette dat zij naar Oost en West zouden gaan, daarom kon het speelwerk niet te kostbaar wezen! O die afzetter! – Er kwam haast geen cent van te regt, jongeheer! maar het zou den man nog den dood niet hebben gedaan, als het verdrriet hem niet op de oogen was geslagen, als Leentje maar een jongen was geweest.”

De uitdrukking mogt naf heeten, en toch lachte Huibert niet. „Veeling had geen zoon,” voer vrouw Govertsz voort, „geen zoon, die hem helpen kon, om het verlies te boven te komen, en van sparen alleen rookt de schoorsteen niet; er wil ook winnen toe; – zijn vrouw bekromp zich voorbeeldig, maar wat baatte het? Was Leentje al vlug met de naald, Veeling zag wel, dat twee te veel waren voor wat zij verdiende! Geloof daarom niet dat hij morde, jongeheer! hij verbeidde maar met verlangen! Spoedig nam hij van week tot week af; ieder keer als we wer bij hem kwamen, vonden wij hem minder geworden; want de baas, die lang met Veeling op en ner had gegaan, bleef als de meesten niet weg, toen de man arm was geworden, met wien hij het zich eens eene eere had gerekend te verkeeren. Govertsz was toen nog niet z aan den Mammon verkocht, jongeheer! we bragten altijd eene verkwikking me; schoon de zieke ze haast niet meer nuttigen kon, was Veeling er toch heel dankbaar voor. „Waarom zou ik er aan twijfelen, dat God mij genadig zal wezen?” sprak hij vaak, „Hij die mij in al mijn leed zulke vrienden, zulk eene vrouw, zulk kind geeft, zal ook in het dal des doods wel met mij wezen!”

Huibert wreef zich in de oogen.

„Leentje wint nu, op een armoedig kamertje, den kost voor hare moeder – of het kind ook alle ongeluk treffen moest, heeft die de kanker! – de baas heeft al wel tienmalen aan Claes gezegd, dat het meisje zich niet zoo zou behoeven af te sloven, als hij naar zijn raad luisteren en haar bedenken wou. Maar dan is het of de jongen dol wordt: „Waarom zou ik mijn woord breken?” roept hij, – en ik kan mijn kind geen ongelijk geven. – „waarom zou ik mijn woord schenden? wat heeft zij mij gedaan, dat ik haar den dood aan zou doen? Ik heb haar liever dan mijn leven, vader!” – och, jongeheer! het zou een steenen hart breken, maar geldzucht heeft geen hart; de baas blijft er bij, dat hij geen arme schoondochter wil. „Armo is geen schande,” mag Claes dan zeggen, – en dat is ze ook niet, dat zij verre! – wij zijn er niet zoo veel beter om, dat wij nu wat meer hebben, dan toen wij begonnen, – mijn man roept maar dat hij het in de wereld ver heeft gebragt, en zoo graag zou zien, dat zijn oudste het er niet bij blijven liet. „Er zijn meisjes met geld genoeg, die geen neen zouden zeggen, als Claes Govertsz er zijn oog op sloeg,” en de noemt er vier of vijf op – dochters van brave lu, jongeheer! en knap van lijf, en len ook, – maar Claes monstert ze, eene voor de andere na, uit. Liever met Leentje mijn leven lang droog brood, dan met een van die leelijkerts alle dag gezoden en gebraden.” Och, wie had ooit gedacht, dat er dit huis woorden zouden worden gewisseld als er dan vallen! „Droog brood!” barst de baas los, „droog brood! ’t is al ik zulk een werspanneling gun,” – en Claes vat vuur, zoo hij om mijnentwille den mond houdt, ik hoor mijn man mompelen: „O dat mijn oudste een nagel aan mijn doodkist moet wezen, de jongen dien ik dacht dat Buurman Laats de loef zou afsteken!”

Vrouw Govertsz schudde mismoedig het hoofd, terwijl Huibert zich de woorden herinnerde, waarin de ijverzucht van den eigenaar der Zeemeermin zich zoo blijkbaar lucht gaf.

„Die man is de Mordechai aan zijne poort, jongeheer! – ik heb hem al dikwijls gevraagd: „maar Govertsz zou Laats zoo veel gelukkiger wezen dan wij zijn geweest?”’ maar hij doet of hij het niet hoort; – ik heb hem in vader Cats de woorden gewezen:

„Onthoudt mij deze les, die groote dingen jagen,
„En vangen dickmael niet als onverwachte slagen;”

hij gaf mij geen antwoord, – en eergister ochtend, toen hij onder het bijbellezen aan den tekst kwam: „Armoede noch rijkdom en geeft mij niet: voedt mij met het brood mijnes bescheidenen deels,” toen zag hij wel een oogenblik voor zich, maar het ging er den ganschen dag niet beter om, – de Mordechai bleef aan de poorte. Schoon hij het niet bekennen wil, hij lijdt er onder, de lust gaat er door uit zijn leven, bij eet weinig, hij slaapt slecht; – Claes, die zijn regterhand plagt te wezen, doet niets meer naar zijn zin, en er is geen knecht op de werf, die niet weet, dat er tusschen den baas en zijn oudste onwer broeit! Wat plagt hij vroeger ’s middags rustig een uiltje te knappen, daar hij altijd voor dag en dauw op was geweest – nu moet Coo hem na de non wekken, wie er ook komt, want Claes is vrolijk noch vriendelijk meer, alles gaat hem stroef en stag af. Hoe ik den jongen onder handen zou nemen, als ik hem ongelijk geven mogt; maar mijn hart breekt, als ik aan Leentje denk, als ik mij voorstel, dat Govertsz’ moeder hem had afgeraden mij te nemen, toen ik even weinig in de wereld had als zij!”

Huibert greep de hand der brave vrouw, wie de voorspoed niet had doen vergeten wie zij was geweest.

„Vader moet eens met den baas spreken.”

Het was ookt Huibert onmogelijk, met getroffen gemoed, in de afwezigheid zijns vaders van papa te praten, – het hart handhaaft de regten der taal.

„God geve dat het bate!” ze vrouw Govertsz.

Mietje was de werf wer opgekomen – onze Huib stak de uitgegane cigaar andermaal aan, en groette en ging; op het – eiland heerscht te weinig toon, om er ook des middags om half drie ure niet te mogen rooken.

Half drie! het was over kwartier voor drie ure, toen Huibert, die bij de klagt van vrouw Govertsz niet slechts geen getik van de klok in die kamer meer had gehoord, maar wien het zelfs niet ingevallen was, naar haren wijzer om te zien, op weg zijn horloge uit zijn vestzak ligtte – weinige minuten nog, en hij zou weten wat er over hem was beslist! Welke bezwaren de oude heer Hudde ook opperen mogt, het zouden niet dezelfde zijn, als die het huwelijk van den jongen scheepstimmerman in den weg stonden, – geld, Huibert wist het, geld had het huis van van Veere genoeg! De wijze, waarop zijn vader voor vijf en twintig jaren de echtelieden Govertsz te hulp was gekomen bewees dat dit toen reeds het geval moest zijn geweest. Maar indien de oude heer Hudde eens even stokstijf op geboorte stond, als de baas uit de Zeemeermin money eischte, en zijner arme Maria een lot wachtte, naar dat van den vroeger zoo vrolijke Claes zweemende, – o, zij zou hem trouw blijven, dat leed geen twijfel! maar ten koste van welk verdriet! Waarom schoot hem juist nu de regel in de gedachte:

The course of true love did never run smooth!

Eene waarheid van alle tijden, in alle standen, – och, wat maken die weinig verschil in aangelegenheden des harten! Toen hij straks tcgenover Claes Govertsz hiad gestaan, – de gunsateling der weelde tegenover den kweekeling van den arbeid, – toen zoudt gij niets gemeens tusschen hen hebben gezien, en echter, in het hoogste en heiligste gevoel, der menschelijke natuur bedeeld, waren zij gelijk; – mogten zij het ook niet daarin blijken, dat gedwarsboomd te zien!

Het was gelukkig voor onzen Huib, dat de schare, die ter beurze spoedde, om hem heen vast aangroeide; dat hij, deze gewaar wordende, aan zijne cigaar dacht; – haar wegwerppende, hief hij zich uit zijne zwaarmoedigheid op; geheel in zijn geest zag hij onder de menigte eens rond, of er iemand bij was, van wien het te vermoeden viel, dat ook deze ter beurze het antwoord op zijn accesvragen ging vernemen? Geen enkele, antwoordde hij zich zelven op den grilligen inval. Niet enkel varen de meesten, die zich met hem naar dien akker repten, den akker, dien Vondel zoo eigenaarclig aanspreekt:

Het gantsche jaer is uw saizoen:

niet enkel waren zij lang den leeftijd te boven, waarin de liefde bij uitsluiting het hart beheerscht; – het bleken (de buurt bragt het mede) het bleken zonen Jacobs bovendien: dat groot getal onbemiddelde Isralieten, van ’t welk gij getuigen zoudt:

De beurs heeft ook haer martelaren;

indien gij voor een enkelen middag, zoo als zij het alle dagen zijn, verpligt waart, schreeuwende, dringende, joelende, stootende, gierende, maar schreeuwende bovenal, handel in fondsen te drijven, zonder een zweem van vermogen; dat is, onder al dat rumoer al rekenende te zorgen, dat het bedrag uwer inkoopen en verkoopen sluite? neen, dat de differentie tusschen beide, – daar schuilt de kunst! – u en den uwen voor heden (voor morgen ook ware wat veel geischt) den kost verzekert! Het schijnt, u heksenwerk; we zullen de laatste zijn te loochenen, dat er voor minder vlugheid van bevatting, minder vaardigheid van besluit menschen zijn gevonnisd en verbrand maar spaar uwe deernis, als ware het gevaar, waaraan zij zich blootstellen, indedaad groot; er valt met een achtste, een zestiende, een twee en dertigste ten honderd, als de kans tegen loopt, uit te springen! De eigenlijke speler schuilt onder hen niet, en er is dus geen reden ter wereld hun toe te roepen:

De terling geeft u zes of een:
Wie weet wat kans u zal gemoeten?

Vondel sprak met die woorden over den „verzekeraar” tot „den verzekerde”; wij wenschten, dat het Huibert inviel den assuradeur, met wien hij thans voortstapt, er eene verklaring van te vragen; er is geen soort van handelslu, die zoo veel, die zoo alles weet, als zij, die in het vak van verzekeringen zijn opgeleid; – deze deftigheid kent zeker de historie van zijnen handel van buiten, – och, Huibert! vraag het hem eens! Onze held hoort ons niet; zijn hart klopt luide van onrust,” – twee, drie schreden nog, en we zijn op de Nieuwe Beurs, die met hetzelfde regt als de Oude mag worden aangesproken:

O vruchtbare akker, gront van steen,
Die zich, ten oorbaer van ’t gemeen,
Laet alle middagen bezaeien
Met koopzaet, el en milt van aert,
Dat goude en zilvere oesten baert,
Daer duizenden genot van maeien;

Huibert is haar reeds opgegaan; hij ziet naar zijnen vader om. Hunne plaats is nog ledig.

Twee, drie makelaars volgen elkander, een praatje houdende, op de vierde heeft over eene belangrijke zaak te spreken; Huibert is louter aandacht, – doch de beursbengel houdt op te luiden, doch de oude heer van Veere is er nog niet.

„Papa niet aan de beurs? – Mijnheer is toch wl?”

„Ja,” zegt Huib, en echter weet de makelaar niet, hoe hij het heeft; zijn jonge patroon vraagt hem naar bijzonderheden, die hij zoo even al heeft verteld.

De man herhaalt die.

„Excuseer, – een oogenblik,” zegt Huibert; hij ziet zijn vader de plaats naderen, hij vliegt hem te gemoet.

„Aangenomen!” – bijt deze hem in het oor, – „aangenomen, mits de informatie goed zij;” – en laat er tot den verrasten, verrukten, verbijsterden jonkman luider op volgen: „kom me naar de plaats, Huib! ik ben mo, zoo heb ik mij gehaast, en toch heeft, het mij nog een kwartje gekost.”

En de makelaar weet niet waaraan hij de bijzondere beleefdheid heeft dank te weten, waarmede Huibert zich verontschuldigt; Huibert, die hem, die de heele wereld wel zou willen omarmen van vreugde:

Maria Hudde de zijne!

„Onder eene voorwaarde,” zegt men misschien; maar Huibert’s gerust geweten bekommerde zich daarover volstrekt niet. Er waren geene uren in zijn verleden, wier gedachtenis bij zich voor zijne verloofde behoefde te schamen; herinneringen, die hem een blos in het aangezigt konden jagen, zij bleken hem vreemd. „Haast vier en twintig jaren oud?” Inderdaad, lezer! „Haast vier en twintig jaren oud,” had de levenslustige, dien een verstandig vader geenerlei genoegens weigerde, alles genoten wat de jaren der jeugd voor hem, dien de dubbele zegen van gezondheid en vermogen ten deel viel, ten gulden droom maakt; doch was hij tevens door het vertrouwen in hem gesteld, door zijn voortrefflijk gemoed vooral, bewaard gebleven voor die uitspattingen, welke slechts walging zouden wekken, als de ontwikkeling van den smaak voor het schoone minder schaars moet heeten; voor die ongebondenheden, in welke eene beklagelijke verbastering van begrippen het bewijs van de opheffing der voogdij begroet. Het is het vonnis van onzen tijd, zoo het vreemd klinkt; maar Huibert van Veere was op zestienjarigen leeflijd niet la fanfaron geweest des vices qu’il n’avait pas; – Huibert van Veere had op achttienjarigen niet de vrijheid van den volwassene gezien in het verwerven der gunste van de veile; – Huibert van Veere had op twintigjarigen ondervonden, dat in geslachtsleven la force obit tandis que la faiblesse commande, – en onze Huib, nu „haast vier en twintig,” had er eene onbedorvenheid van verbeelding, eene onschuld des harten door behouden, die in iedere jeunesse orageuse onherroepelijk verloren gaan, die het slagtoffer van. bacchanalin en orgin te laat betreurt of benijdt, die zelfs de rou, maar te vergeefs, werwenscht, prooi dier zonde:

The sin, of all, most sure to blight, –
The sin, of all, that the soul’s light
Is soonest lost, extinguish’d in.

Wij hebben in den beginne dezer vertelling met Huib eene wijle voor de aanzienlijke huizinge der Huddes stil gestaan; het wordt tijd, dat wij met hare bewoners nader kennis maken.

Gij belooft u waarschijnlijk niet veel van het gezin, als gij u „de zwakke moeder”, als gij u „het blinde nichtje” herinnert; de kans op een belangrijk huiselijk verkeer, vindt gij, wordt er niet grooter door, wanneer wij u mededeelen, dat Hudde eene der eerste regterlijke betrekkingen bekleedt; – zuur zien, – niet zien, – stroef zien, – hoe kan Maria geworden zijn, vraagt ge, wat wij u willen doen gelooven, dat zij is: de aanvallige, de opgeruimde, de beminnelijke bij uitnemendheid?

Je connais bien ces deux hommes et moi,” zeide Lodewijk XIVde, toen hij eene boetpredikatie had gehoord en deze hem had getroffen; – maar buiten die twee menschen, – de goede en de kwade – welke in ons allen schuilen, biedt gij, als wij, voor wie ons opmerkzaam gadeslaat, hopen we, er meerdere aan; en doet, in dit opzigt mogen wij stellig spreken, de vader van Maria het in den volsten zin des woords. Hudde, het hoofd des gezins, is een ander dan Hudde de regter; – voor zijne vrouw, voor zijn kind, voor zijne verwanten, voor het verkeer, heeft Hudde niet de strengheid van dien laatste, heeft hij van dezen slechts de deernis met de zwakheden der menschelijke natuur, die ook tot dat karakter behoort, en, op vriend en vreemde toegepast, meer tot verhooging der genoegens van den gezelligen omgang bijdraagt, dan men bij den eersten oogopslag gelooft. Wij houden er onwillekeurig eene lofrede door, minder op de strekking zijner studie, dan op zijn gemoed. Er zijn die een vonnis stellen, – erentfeste, eerlijke lin, – koel, koudweg zelfs, dewijl de wet dus wijst; voor wie die taak nooit iets treurigs heeft; die nimmer wenschen dat zij minder wreed mogten zijn. Er zijn ook mannen, die, menschelijk, melij blijven hebben, tot met wie wij booswichten heeten toe, – die, onder het uitspreken der straf, noode een zucht weerhouden, noode hunne hoop verbergen, dat eens de dag zal aanlichten, waarin de maatschappij minder bekrompenheid zal hebben te doen boeten, minder vergrijpen, uit gebrek geboren, onverbiddelijk te tuchtigen hebben zal. Als Hudde – en ge twijfelt er niet aan – als Hudde tot de laatsten behoort, dan kan er bij hem geen sprake zijn van stroef zien, wanneer hij de stukken, die tot de zaken van den dag betrekking hebben, geschift en gerangschikt heeft, na volbragten arbeid, wanneer de bureau is digtgeschoven en de sleutel omgedraaid; – dan gelooft gij gaarne, dat die man in het huisvertrek ontspanning zocht en vond, want immers bragt hij er alles in mede wat haar zekerst waarborgt: niet enkel kennis, ook gevoel, en bij een hoofd vooral ook een harte!

Gezondheid, hoogste schat, maar schatbaarst door ’t ontberen!

zong Bilderdijk uit innige overtuiging, en daarom zoo welsprekend, – als iemand het hem na ze, het was mevrouw Hudde, aan eene dier kwijningen ter prooi, welke hare lijderessen te wl laten om ziek te zijn, en toch te zwak doen worden om het gezellig leven te genieten. Waar was de tijd, de blijde tijd, toen de wind, niet enkel de weste, maar ook de noorde, in Gelders dreven met hare lokken dartelde en – haar niet deerde? – Waar waren de dichterlijke dagen van jeugd, en van min, toen zij aan den arm van Hudde, zoo vaak hij haar, uit den vergeten postwagen van het voorgeslacht, was te gemoet gesprongen, wandelen kon, wandelen, uren verre; wandelen, hetzij het zand in wolken opstoof, hetzij de sneeuw onder hare voetjes kraakte; wandelen, werwaarts hunne verliefdheid hen dolen deed, en – zij toch van geene vermoeijenis wist? Wat was er geworden van de bloeijende bruid, die Hudde over den drempel der kleine dorpskerk had geleid; van de schoone jonge vrouw, door de schitterende kringen der hoofdstad om strijd bewonderd en benijd; van de gezonde, gelukkige gade, die hem Maria schonk? Eene verzuimde verkoudheid had die dagen der jeugd, had die eerste huwelijksjaren in eene smartelijke herinnering verkeerd, – had haar doen verwelken, tot schaduw wordens toe. Ziekte en zwakheid, zij waren een geruimen tijd door haar geloochend, – om zijnentwil; want als zij die erkende, dan zou Hudde afzien van dat drokke deelnemen aan de uitspanningen van den dag, ’t geen hun door hunne fortuin werd veroorloofd, waaraan zijn gestel behoefte had, dat, ter afwisseling zijner studie, zoo weldadig op hem werkte. Eene wederinstorting, door geene volkomene beterschap gevolgd, had hem echter de oogen geopend, en er was ernstig door hem op aangedrongen, dat het getal hunner gasten moest worden beperkt, dat de uitnoodigingen zouden worden bedankt, dat zij stiller dienden te leven! Het had haar meer gedeerd dan heel hare krankte, dat hij zich dat alles ontzeggen moest, ontzeggen wilde, alleen om haar. Voortreffelijke vrouw, zoo zij eindelijk het offer niet langer weigeren mogt, zij had er hem voor schadeloos gesteld! Het was weinig, dat er nooit eene eigenbatige klagt over hare lippen kwam; hare kieschheid kwelde er haren arts niet eens mede; maar het was veel, dat zij het in de zelfbeheersching weldra zoo verre had gebragt, dat zij opgeruimd, geestig, schalk bleef, ook als zij leed. Slechts eener liefde als de hare valt het in, hare ziekenkamer in het vrolijkst verblijf voor een kleinen kring te herscheppen; niet hij, maar zij, heette het, wilde van tijd tot tijd toch iemand zien, en er moest immers zorg worden gedragen, dat, wie er eens zoo eenvoudig ontvangen was gewillig, zoo niet gaarne, wederkwam? Een enkele trek nog, en hare beeldtenis is voltooid; – zij was het, die Hudde overhaalde, hun blinde nichtje, de weeze zijns broeders, van het instituut tot hen te nemen, „opdat Maria eenig gezelschap van haren leeftijd hebben mogt, opdat het pianospel van het lieve kind bij wijle hare lectuur mogt afwisselen,” – alsof zij niet gegist had, welk eene mijn zij hem openen zou in het dagelijks gslaan van den even bijzonderen als belangwekkenden en beklagenswaardigen toestand eener blindgeborene. „Uitgangen?” ze Hudde ten leste, „uitgangen, buiten mijn krans, en een enkel diner, daar ik niet af kan, waarom zou ik ze zoeken? Om dien ziekenstoel heen vinde ik mijn beste vrienden, vinde ik, ook als wij alleen zijn, al wat ik wensch: vernuft, verstand, gevoel... toen wij vroeger zoo druk menschen zagen kwam het toch meest op verstrooijing neer!”

Ge begrijpt dat mevrouw Hudde er zorg voor droeg, dat dit, als zij bij tusschenpoozen dragelijk wel was, van tijd tot tijd toch ook nog eens gebeurde!

Verbeelde zich niemand, dat die zelfverloochenende toewijding mevrouw Hudde altijd even gemakkelijk viel; – maar geloove men evenmin, dat ook daarin de eerste schrede de tweede niet ligter doet vallen; dat men op den moeijelijken weg niet soms geschoord wordt, waar men dit hel minst vermoedt! Het had haar, om harer ijdelheid wille, geen strijd ge kost, die groote gezelschappen vaarwel te zeggen, waarin zij zoo weinig kennissen harer jeugd had ontmoet, waarwan zij een enkelen winter de koningin was geweest, om er eenige volgende slechts een sieraad van uit te maken. Eene andere ontbering echter kostte haar strijd, zwaren strijd, die van het genot, den grond harer geboorte, haar geliefd Gelderland wer te zien; het berusten in die beschikking kwam zoo noode. Eer men er haar hard over valle, stelle men zich voor, hoe zeer haar landleven een ander was geweest, dan het naar buiten gaan van den Amsterdammer, die van zaterdagavond tot maandagochtend „de stad uit is,” om leeg te loopen en lekker te eten en te drinken, – of die een bekrompen optrekje voor een paar maanden huurt, dewijl de lucht hier of daar zoo gezond is, en zich voor drievierde van de week thuis een kluizenaarsleven getroost, terwijl vrouw en kinderen op het veld verwilderen, – of die, eindelijk, een goed heeft gekocht of gerfd, dat naam mag hebben, maar het nooit bezoekt, dan om aan de poort „door verveling te worden ontvangen!” – dan om naar logs uit te zien! Voor alle drie zijn bij-dingen, zijn het logement, de muziek in het bosch, de beau-monde aan het badhuis, de societeit in de tent, zijn de disch, de wijn, de gasten de hoofdzaak; mevrouw Hudde dacht aan niets van dat alles, als zij er in stilte om schreide, dat zij de plek, waar zij jong was geweest, niet weer zou bezoeken. Het was haar Gelderland, – niet het onze, – dat haar voor de schemerende oogen dreef; niet Velp of de Steeg, niet de Oorsprong of de Doornweerd, niet Billioen of Rozendaal, waar wij elkander eenige dagen lang op den voet zijn gevolgd, – waar wij, Amsterdammers, heel Amsterdam weer om ons heen hebben gezien, tot we eindelijk met Moore uitriepen, waar wij een afgelegen plekje meenden te hebben gevonden, waar wij geloofden de stilte van het bosch te kunnen genieten, waar wij ons vleiden alleen te zijn, alleen met die wergalooze natuur, en het toch niet bleken:

And, is there then no earthly place
Where we can rest in dream Elysian
Without some cursed, round English face,
Popping up near to break the vision?

Het was het oord, waarin mevrouw Hudde het licht had gezien, – het goed, dat van geslacht tot geslacht haren vaderen had behoord, – de huizinge, aan elke van wier vertrekken voor haar eene overlevering was verknocht, – het landschap, ieder van welks boomen haar eene heugenis uit haar eigen leven voor den geest herriep, – het was dat wat zij betreurde. Het waren velden, die zij had zien wisselen van dos, tien, vijftien, twintig malen, telkens met nieuwe gewaarwordingen; het waren bosschen, in wier lommer het eerste zoet gevoel haar hart had doen trillen van vrees en van vreugd; het was een verschiet, waarop zij gestaard had, tot zij de vlugt harer eigene gedachten niet langer volgen kon, tot zij zich verloor in het bewustzijn van God. Het waren een paar zerken, in schaduw eener oude linde, waarop zij zoo gaarne nog eens zou hebben gelezen: „In den Heer ontslapen,” – het was de doopvont, waarnaar hare moeder haar had opgeheven, en boven welke – de kleine kerk had er geene andere plaats voor, – Hudde de hand der trouwe had toegereikt.

Dat alles ook niet maar ns nog, dat alles nooit weder zien, – het was hard, zoo hard, dat het gemor ook in het gebed niet zweeg!...

Daar viel haar blik op het blinde nichtje, op de arme Louise, die zij, om Hudde afleiding te geven, ten harent had ingenomen, de arme Louise, die nooit iets van dat alles genieten zou, en toch zoo tevreden was; – hoe zij God voor de beschaming dankte, waardoor het berusten haar voortaan zoo veel ligter viel!

Wij hebben u de betrekking, waarin het blinde nichtje de familie stond, reeds aangegeven; wij werden haar uiterlijk door den mist een oogenblik gewaar, – haar gemoedsleven zal u duidelijk worden door eene schets van het huiselijk verkeer der Hudde’s. Alreeds van de vreeze voor „het stroef zien” en „het zuur zien” genezen, hebt ge slechts nog die voor „het niet zien” te overwinnen. en woord neme die weg: er was genegenheid, hartelijke genegenheid tusschen Maria en Louise, tusschen de wreed misdeelde en de rijk begaafde; – wie vereerde deze het meest, haar, die zich in ieder opzigt in de schaduw zag gesteld, of haar, die zoo ligt misbruik van hare meerdere voorregten maken kon? Wij beslissen het niet, maar in onze oogen helt de schaal ten voordeele der eerste over.

Maria was van het bal wergekeerd, wergekeerd onder de hoede van een mijnheer en mevrouw, die de geestige auteur van de Camera Obscura onder den naam van Mr. en Mw. Meedoen zou hebben aangeduid, – ze zijn ten onzent even talrijk als de Stastokken, de van Naslaans, en, vooral hen niet te vergeten, die door Schller tot Peursum aan het licht werden gebragt en wergaloos gelukkig gedoopt: de Dosons.

Maria was met hare kamenier op het vertrek gekomen, dat zij met het blinde nichtje deelde, – overbodige zorg, dat zij beide zoo zachtkens gingen; Louise had zich nog niet ter ruste gelegd.

„Maar, beste! waarom zijt gij opgebleven? ge moet het hier koud hebben gehad?”

„Het was een prettig bal, Marie!”

Er lag iets zoo zekers in den toon, waarop de blinde die woorden sprak, en te gelijk iets zoo vreemds aan allen nijd, iets zoo verheugds van harte, dat de dochter Hudde’s hernam:

„Gij raadt gelukkig, Louise!”

„Raden, Marie? raden! ik weet het –”

„Van wie, beste?”

„Van u zelve,” was het antwoord; „ik hoorde het uwe stem aan, ge zijt in lang niet zoo wl te mo geweest.”

Het was gelukkig, dat Maria het kamermeisje had weggezonden, dat de blinde niet konde zien, want zij kleurde tot over de ooren.

En ze liet zich zwijgend die kleine diensten welgevallen, in welke het nichtje voor geene Abigal ter wereld onderdeed, zoo goed wist zij door het zintuig des gevoels dat van het gezigt te vervangen.

„Gij hebt er zeker weer allerliefst uitgezien; maar wie waren er meer mooi, Maria!”

En Louise luisterde eene poos naar loftuitingen, die wij wenschten dat de mededingsters van Maria hadden gehoord:

The sweetest praise – a rival’s praise.

Wat Louise zijn mogt, dat was zij niet, en echter oefenden zij op haar iets van den invloed uit, dien zij op deze zouden hebben gehad: zij werd al vrolijker.

„Wat gist gij nu wer, stoute?”

„Er is niemand geweest, die mijne Maria overtroffen heeft – geraden, h?”

„Ik zeg niet ja.”

„Ge zegt ook geen neen, – en, welke heeren hadden we?

„Bleekhorst danste niet.”

„Ondeugd! alsof mij die suffisance wat schelen kon.”

„Engelbert, de huzaren-luitenant, was er.”

Maris ze niet: „van Boreel,” – maar wij behouden het anachronisme, dat hem veiligt voor vingeraanwijzingen.

Louise deed of zij den laatsten naam niet gehoord had, terwijl zij speelde met de los golvende gouden lokken haar vriendin.

„En dan professor Rievens –” voer de dochter Hudde’s voor

„Om den wille van Amelie,” viel de blinde in.

„Geraden!” antwoordde Maria, en scheen de lijst daarme te willen besluiten.

„Er was nog iemand,” schertste Louise.

„Gis eens,” hernam Maria.

„Driemalen heb ik het geraden, de vierde mogt het mis zijn.”

„Maar wie dan toch, stoute?”

Bonne nuit, ma belle! – en doux rve!” besloot de blinde.

En toen een uur daarna die wensch voor Maria werd vervuld, lag de arme Louise nog wakker; – alles walste om haar heen slechts zij walste niet....

Het was maar een onbewaakt oogenblik – vier dagen later toen oom en tante Hudde haar het aanzoek van Huibert hadden medegedeeld, was zij deelnemender, was zij drukker dan ooit, al beweerde zij, dat ze het Maria nooit zou vergeven, zoo geheim te zijn geweest met iets, dat zij even vroeg geloofde te hebben geweten als het meisje zelf. „Ik voelde het aan uwe arm,” plaagde zij haar, „toen wij Huib het eerst tegenkwamen; ik hoorde het aan uwe stem, toen ge zijnen naam onder die der balgasten verzweegt, en ik merkte het aan uwe ontsteltenis, die meende dat ik om een glas water gevraagd had, toen oom tot u ze: „Maria! komt ge fluks eens bij mij boven, kind!”

En heden, nu liet feest der verloving van Huibert en Maria door eene soire zou worden gevierd, – de ingewonnen berigten maren gunstig geweest, en mevrouw Hudde was wl, wonderwl, door het geluk van haar kind – heden sprong het dartele ding door het huis, op zelf gevonden melodij een liedje van Staring neurinde; van Staring, tante’s lievelingsdichter, als Geldersman; van Staring, dien Louise zoo hoog bewonderde, omdat het verstandskind hem zoo geheel begreep:

„Twee achjes,
„Twree lachjes,
„Hij ’s binnen, de Guit!
„En duizend sermoenen...
„Hij is er niet uit!”

„Louise zingt er den ganschen dag van,” lachte mevrouw Hudde der moeder van onzen Huib uit de voor haar met kussens aangevulde chaise longue op de zaal toe.

„En mag ik, moet ik mij niet doen hooren voor twee, lieve tante! – wie zou zeggen, als hij het niet wist, dat Maria en Huib hier in de kamer zijn?”

De gelukkigen! – de vreemde gasten waren nog niet verschenen; – zij zaten in een hoekje, niet van den haard, dien lieten zij den beiden ouden heeren over; zij zaten te kouten en te kozen; – al bleef het door Louise onbemerkt, den wederzijdschen vaders herinnerde het de gelukkigste vaag van hun leven. Er volgt stilte op den storm, tot in de liefde toe; doch de zekerheid. heeft haar zoet, al mist zij het vervoerende der verrassing, Huibert was oom Frits, was Joan Maes, was wie al niet? ook dien hij half maar kende, den ochtend, toen de verloving hem werd toegestaan, te gemoet gesprongen; – hij had allen staande gehouden, allen in zijne blijdschap doen deelen: hij had het weder het liefelijkste ter wereld gevonden, al liep zijnen vrienden en kennissen van den snerpenden wind huivering bij huivering door de len; hij was bij drie bloemisten om een bouquet geweest, en had zich bij allen verbaasd dat het winter was, dat hij geen moschrozen krijgen kon. Die roes des geluks was voorbij! maar was hij er minder zalig om? – Maria, aan de voeten harer moedler geknield, Maria had bij de verstandige raadgeving, bij de hartelijke wenschen van deze eenige dagen te voren beurtelings gelagchen en geweend; traantjes en lachjes, zoo als de dichter zegt, waren gegaan en gekomen, als kenden zij elkander niet; maar beide waren blijken geweest harer verrukking, harer behoefte de overstelping van hare vreugde lucht te geven! Thans was zij betrekkelijk bedaard; maar slechts de blinde kon beweren, dat het was of zij en Huib zich niet in het vertrek bevonden: – de eerste blik de beste op het paar riep u Schiller’s woorden voor den geest:

O zarte Sehnsucht, sszes Hoffen,
Der ersten Liebe goldne Zeit,
Das Auge sieht den Himmel offen,
Es schwelgt das Herz in Seligkeit –
O, das sie ewig grnen bliebe,
Die schone Zeit der jungen Liebe!

Het zoete gefluister had echter en eensklaps voor eene wijl een einde – want de gasten kwamen binnen; het regende wenschen.

Welke van deze, uit heel den drom, den verloofden de liefste waren! Maria zou u die van mevrouw Bleekhorst en Amelie hebben genoemd; Huibert had u op Joan Maes en Willem Rievens gewezen. Gij ziet, wij blijven onder kennissen, het was maar een miniatuur van een soire. Het gezelschap telde hoogstens twintig leden, van welke wij er u vier of zes niet eens voorstellen, dewijl zij, ondanks al hunne respectabiliteit, naawwelijks iets tot het genoegen van den avond bijdroegen; dewijl hunne gesprekken van dien aard waren, dat het u even zoo vervelen mogt die te lezen, als het ons verdrieten zou daarvoor de pen op het papier te zetten. Niemand twijfelt er aan, dat deze de bij voorkeur fatsoenlijke wereld hare nulliteiten heeft; maar deze in al hare naaktheid ten toon te stellen, kan slechts het doel der kunst zijn, wanneer zij naar karikaturen streeft; voor ons, wij beproeven liever te idealiseren.

Mevrouw Hudde valt in onzen geest, door de wending, die zij het gesprek geeft; door het onderwerp dat ze kiest. „Heeft u Scheffer’s schilderij gezien?”’ vraagt zij der douairire, die Amelie weder vergezelt.

Een beleefd hoofdknikje werd gevolgd van een deelnemend: „Het is waarlijk te beklagen, dat ge dat genot missen moet; maar ik weet niet of ik daar wel het juiste woord kieze; de indruk, dien het stuk maakt, is er te ernstig toe.”

„Er heerscht eene stilte onder de schare,” vulde Amelie aan, „of het wereldsche eensklaps week.”

Waarorm, – er stak niets aanmatigends in de opmerking, – waarom bloosde zij wer? Was het misschien dewijl Henry West tegenover haar zat; Henry West, dien wij u wel hadden mogen voorstellen; Henry West, dien wij den beschaafdsten, beminnelijksten jonkman ter wereld zouden noemen, als hij niet tevens tot de beruchtste losbollen der stad had behoord! Amelie, die het laatste natuurlijk niet wist, Amelie, die hem bij Hudde, een harer voogden –, voor het eerst ontmoette, Amelie werd welligt verlegen over den verwonderden blik, dien hij op haar wierp: zoo veel ernst, scheen hij te denken, bij zoo veel jeugd en schoon!

Haar bondgenoot kwam haar ter hulpe, eer het rozenwaas weer van hare wangen was geweken.

„En toch,” zet Willem Rievens, een toch geloof ik niet, dat mevrouw Hudde bij die onmogelijkheid, le Christ Rmunrateur te kunnen gaan zien, zoo veel verliest, als het geval zou zijn, zoo het ons gegund ware geweest le Christ Consolateur te aanschouwen, – u kent de gravure?”

„Zij hangt op mijne kamer,” antwoordde de lijderes, die er in zoo menigen strijd naar had opgezien.

„De indruk van het eene meesterstuk is veel bevredigender dan die van het andere,” sprak Hudde; „maar zou dit niet aan de verscheidenheid der gedachten schorten, er in aanschouwelijk gemaakt! „Ik zal u ruste geven, voor uwe zielen,” getuigt van dieperen blik in de behoeften der menschelijke natuur, dan de voorspelling van den somberen boetgezant; zij is meer in harmonie met de verwachtingen van een Messias-rijk.”

„Scheffer is zeker het minst gelukkig geslaagd in zijne tegenstelling van het lot van goeden en boozen,” ze Willem.

„De verloren zoon is wergaloos waar.” Het was Henry West, die het zeide, Henry West, die er Amelie vorschend bij aanzag.

Maar zij beantwoordde den blik niet; zij bood mevrouw Hudde haar flacon aan.

„Het is duidelijk te zien,” viel van Veere in, „dat hij met de boozen geen weg heeft, geweten; ook zien zij er zoo verschrikkelijk uit, dat het mij verwondert, dat zij elkander niet vervaren.”

„Scheffer’s poging, eindelijk eens als protestantsch kunstenaar bijbelsche onderwerpen te behandelen,” merkte Joan Maes aan, „heeft zeker hare hooge verdienste, maar, als men zijne meening geheel zeggen mag...”

„En waarom zou men niet?” vroeg Hudde, die met den jonkman, wien het om waarheid te doen was, ophad.

„Dewijl men ten onzent elke bedenking betweterij scheldt, mijnheer! vergetende dat ook hij, die zich het regt toekent te bewonderen, beoordeelt, –”

„Honig glijdt zoo glad,” schertste Willem.

„Maar wekt walging,” hernam Joan Maes; „het is waarlijk wonder, dat wij het prijzen nog niet moede zijn; wat hebben wij er in de laatste vijftig jaren weinig groote mannen door gekregen! Vergeef mij,” wendde hij zich tot Hudde, „wij spraken over Scheffer’s schilderij; u heeft, als ik, over het eene en over het andere stuk opgewonden artikelen en middelmatige verzen gelezen; maar hebben een van beiden u de vragen beantwoord, welke zeker bij het zien zoowel bij u als bij mij zijn opgekomen? Het zijn maar vragen, doch die ons verder kunnen brengen, geloof ik, dan het verkwisten van lof, – het zijn maar vragen, die ook een leek voegen. Hoe komt het toch, dat zich bij den protestantschen schilder op het godsdienstig gebied hetzelfde – hoezeer ook gewijzigde – verschijnsel herhaalt, dat bij de catholieke even dikwijls opgemerkt als gegispt is: de dooreenhutsing van typische, historische en allegorische figuren? De middeleeuwsche kunstenaar bragt den abt van het klooster aan de voeten der Madonna; Scheffer schroomt niet naast Magdalena de Polen op het doek te voeren! – le Christ rmunrateur geeft ons tegelijk St. Paul, l’enfant prodigue en la rvolte te zien. Er was in ieder zijner vroegere scheppingen strenge studie van tijd, plaats en kostuum; er was, nog zeldzamer voortreffelijkheid, diepe opvatting van den gemoedstoestand zijner personen, – hoe komt het, dat hem thans onderwerpen bevredigen, die buiten den kring der schilderkunst liggen, die eigenlijk maar visioenen zijn, waar aanschouwd weet niemand, wanneer evenmin. Als Lessing nog leefde, hij zou hebben aangetoond, dat het zich niet op n doek laat brengen, hoe het Christendom der menschheid twintig eeuwen lang ten hefboom strekte; hij zou...”

Eensklaps hield Joan Maes op, – hij had te dier plaats lang – te lang gesproken.

„Lieve Louise!” zeide hij, zich tot de blinde aan zijne zijde wendende, „ge hadt mij wel mogen waarschuwen, dat de piano wacht. Mevrouw Hudde! houd het mij ten goede.”

„Dat van harte, Joan!”

„En wat niet, mevrouw?”

„Uw weinig gevoel voor de stichting, die men bij Scheffer’s schilderijen heeft.”

„Wees billijk, lieve!” viel de heer des huizes in, „Joan heeft die niet geloochend.”

„Werk uwe gedachte eens uit,” ze Willem.

„Na die proeve hoe zij ontvangen worden!” dacht Joan, met de overigen naar de piano gaande; – Henry West bood Amelie reeds de hand.

Amelie, het was bekend, fantaiseerde fraai; doch, ondanks al de toejuichingen, welke er haar vroeger voor waren ten deel gevallen, waardeerde zij die gave zelden zoo zeer als dien avond, daar zij haar in staat stelde om mevrouw Hudde een genot te verschaffen, als deze in lang niet had gesmaakt.

Een volksliedje was haar thema.

De kwijnende beurde er eensklaps het hoofd bij op: het was een Geldersch!

En nu – hoe weinig reiken woorden toe, om die wel wat onbepaalde, maar toch zoo zoete indrukken der muzijk weer te geven! – nu wenschten wij, dat we u al de gewaarwordirigen konden schilderen, welke zich op dat bleeke gelaat afwisselden, – eene herinnering aan den bel des hamels op de heide, aan het geruisch der beek door het bosch, aan eene verre dorpsklok, die in het verschiet hare zalige uren telde... Weder het motief, weder het schalke volksliedje.

Louise boog zich half over de kranke heen, al fluisterende:

„Ik ben uit Geldersch bloed!
„Opregt is mijn gemoed;
„Aan eenvoud heb ik lust:
„Met pracht en weeld komt zorg;
„Genoegzaamheid baart rust.”

Daar ruischte eene woudmuzijk, of het vorstelijk Loo u in zijne schaduw nam, of het u der geheimenissen van zijn park inwijdde: geboomte zonder weerga – gevogelte z gerust – zwatelen en zingen als ge nergens elders hoort; het verraste, het verrukte.

„Dank, Amelie! dank,” „riep mevrouw Hudde.

„Benijdenswaardige!” borst Willem Rievens uit.

Wedr hief Amelie den wijsvinger dreigende op. – „Wie der heeren geeft ons eene afwisseling?” vroeg zij.

„~Maes!” antwoordde Huibert, eindelijk n oogenblik eens niet louter voor Maria oog en oor.

„Volgaarne,” ze de jongeling.

Hoe? roept de lezer, hij maakt zelf verzen, en hij liet zich niet noodigen, niet tot nuffig wordens toe bidden! Och neen, hij ze gewillig, hij ze gaarne op; maar, ten einde gij hem niet van eene mindere soort van ijdelheid verdenkt, dan die waaraan hij hintte, hier hebt gij het geheim: bij las nooit zijn eigen verzen voor.

En hoezeer wij met hem zijn ingenomen, hoe lief ons zijn werk zij, wij erkennen volgaarne, dat men er ditmaal ten minste niet bij verloor. De soire werd gegeven ter viering van het engagement zijns vriends; wat kon hij beter kiezen dan het meesterstukje, waarme Bilderdijk de Echt besluit?

We schrijven er de twee laatste coupletten van af; of zij u mogten uitlokken, zelf de voorgaande op te slaan, zelf de tegenstelling van minne en liefde, welke zij aanbieden, te genieten!

„Anders,” droeg Joan Maes de fraaije verzen des dichters voor, anders dan dier dierlijke driften,

„Anders heeft u God beschoren,
„(Telgen uit een’ hooger stam!)
„Die de Vrouw, voor u geboren,
„Uit uw’ eigen’ boezem nam.
„Hy verdeelde tot hereenen;
„Hy hereent voor de eeuwigheid.
„’t Laatste licht heeft uitgeschenen,
„Eer het echte paar zich scheidt.
Hallel Hem, die ’t stof verengelt,
„De aard verhemelt, door een echt
„Die de zielen samenmengelt,
„Niet in breekbre snoeren vlecht!
„Juicht, gelukkige Echtgenooten!
„Wat de zaligheid voltooit,
„Is in eenen band besloten,
„En die band ontbindt zich nooit.”

Hudde herhaalde de laatste woorden voor Maria nog, te wijl hij den blik naar zijne gade wendde, en het lieve kind gaf er hem een kus voor, toen mevrouw Bleekhorst en Henry West al aan de piano stonden; de eerste accoorden van een duo klonken door het vertrek.

„Wat is dat?” zeide een der door ons in de schaduw laten nulliteiten tot zijn wederga.

Je ne sais quoi.” – Willen wij haar maar geen ijs laten voortleppen?

Het was een duo uit Adolphe et Claire, eene opera uit dagen, toen de muzijk minder gedruisch maakte dan tegenwoordig, maar meer melodij had; – de beide dilettanten kweten zich voortreffelijk en deden de piquante situatie – zij heug u immers? – volkomen regt.

„Bravo, bravissimo!”

Huibert plaagde Maria met leur avenir, in die operette, beweerde hij, geschetst; – zij wondt zich uit zijnen arm los, zij plaatste zich voor Willem Rievens.

„De beurt is aan u, professor!”

„Och, ge weet het ik zing niet, ik maak geen verzen.”

„~Maar u leest toch,” voegde zich Amelie bij het groepje, want Huib was zijner lieve vast gevolgd.

„U wil het –” zeide Willem, ernstig, – „welaan, Maes heeft ons met Bilderdijk’s woorden de liefde in het algemeen geschilderd, mag ik het, met die van Alfred de Musset, dien hartstogt in een geheel bijzonderen toestand doen?”

Amelie antwoordde niet, – Rievens zag Maria aan:

„Vergunt gij het, verloofde?”

„Wat heb ik den vriend van mijn toekomstigen heer en meester te weigeren!” lachte de schalke.

Het versje is getiteld: „a Ninon!” begon Willem, en zeide toen, niet enkel met eene schoone stem, maar ook met al de nuances van toon, die het eischt, de geestige regels op:

„Si je vous le disais pourtant que je vous aime,
„Qui sait, brune aux yeux bleus, ce que vous en diriez?
„L’amour, vous le savez, cause une peine extreme;
„ C’est un mal sans piti que vous plaignez vous-mme;
„Peut-etre cependant que vous m’en puniriez.
„Si je vous le disais, que six mois de silence
„Cachent de longs tourments et des voeux insenses,
„Ninon, vous tes fine, et votre insouciance
„Se plait, comme une fe, deviner d’avance,
„Vous me rpondriez peut-tre: Je le sais.
„Si je vous le disais, qu’une douce folie
„A fait de moi votre ombre, et m’attache vos pas,
„Un petit air de doute et de melancolie,
„Vous le savez, Ninon, vous rend bien plus jolie;
„Peut-tre diriez-vous que vous n’y croyez pas.
„Si je vous le disais, que j’emporte dans 1’me
„Jusques aux moindres mots de nos propos du soir,
„Un regard offense, vous le savez, madame,
„Change deux yeux d’azur en deux eclairs de flamme;
„Vous me dfendriez peut-tre de vous voir.
„Si je vous le disais, que chaque nuit je veille,
„Que chaque jour je pleure et je prie gnoux,
„Ninon, quand vous riez, vous savez qu’une abeille „Prendrait pour une fleur votre bouche vermeille;
„Si je vous le disais, peut-tre en ririez-vous.
„Mais vous n’en asurez rien.

Henry West, – wij wenschen hem geen onregt te doen, – Henry West had tot dus verre niet enkel niet zoo veel belangstelling toegeluisterd, dat hij er n zijne boucles n zijne moustaches, beide onberispelijk krullende, beide glanzig kastanjebruin, om vergat; hij genoot blijkbaar die, naar het scheen hem nog geheel nieuwe pozij, ptillant comme du Champagne. Maar toen Willem den aangevangen regel in het midden brak en een oogenblik poosde, werd zijn scherp oor verrast door een kwalijk bedwongen zucht, een zucht van Amelie, die in gepeinzen verdiept was geraakt, maar nu hare partij koos nu den declamator scheen uit te tarten voort te gaan. Wat deed hij het gaarne:

„Je viens, sans en rien dire,
„M’asseoir sous votre lampe et causer avec vous;
„Votre voix, je l’entends, votre air, je le respire;
„Et vous pouvez douter, deviner et sourire,
„Vos yeux ne verront pas de quoi m’etre moins doux
„Je rcolte en secret des fleurs mysterieuses;
„Le soir, derrire vous, j’coute au piano
„Chanter sur le clavier vos mains harmonieuses,
„Et, dans les tourbillons de nos valses joyeuses,
„Je vous sens, dans mes bras, plier comme un roseau.
„La nuit, quand de si loin le monde nous separe,
„Quand je rentre chez moi pour tirer mes verrous,
„De mille souvenirs en jaloux je m’empare,
„Et l, seul devant Dieu, plein d’une joie avare,
„J’ouvre, comme un tresor, mon coeur tout plein de vous.
„J’aime, et je sais repondre avec indfference;
„J’aime, et rien ne le dit, j’aime, et seul je le sais;
”Et mon secret m’est cher, et chre ms souffrance;
„Et j’ai fait le serment d’aimer sans esperance,
„Mais non pas sans bonheur; – je vous vois, c’est assez.
„Non, je n’etais pas n pour ce bonheur suprme,
„De mourir dans vos bras et de vivre a vos pieds.
„Tout me le prouve, hlas! jusqu’ ma douleur mme...
„Si je vous le disais pourtant que je vous aime,
„Qui sait, brune aux yeux bleus, ce que vous en diriez?”

„Eene aperte declaratie,” mompelde Henry West onder de loftuitingen voor de voordragt.

„Indedaad, een allerbijzonderste toestand,” keerde Maria de plagerijen van Huibert af.

„Slechts in Frankrijk en in het Fransch te schilderen,” meende Amelie.

En Joan Maes was dupe genoeg het haar toe te geven; „geen Hollander voelt dus,” beweerde hij.

„Maar zou mijnheer Rievens het ons dan hebben voorgedragen!” herstelde de stoute zich volkomen.

Daar gleed de douairire haar langs, Louise naar de piano geleidende, – wat was zelfs die rouwdragende grijsheid nog benijdenswaardig bij zulk eene jeugd!

Gij spreekt het tegen; want Louise’s talent, Louise’s genie, zijt gij geneigd te zeggen, verrast u, nu hare vingeren over toetsen glijden, en zij zoo gevoelvol, zoo geheel ziele, de worden van Gthe zingt, waardig door Beethoven te worden paraphraseerd:

„Himmel hoch jauchzend, zum Tode betrbt,
„Glcklich dass ist nur die Seele die liebt!”

Maar als gij al den weemoed kendet, die er haar onder aangrijpt, die er hare wimpers door doet glinsteren van een bitter vocht, ge zoudt uw woord terugnemen; – het is eene schoone gedachte, dat dergelijke tranen paarlen zullen zijn aan de kroon hier boven!

 

Hoofdstuk V