E. J. POTGIETER (1808-1875)

SALAMAGUNDI.

V.

Hoofdstuk IV

 

„Laure!” fluisterde Thoossens, en herhaalde: „Laure!”

Mogt het nog geen middag zijn, het was toch over elf u maar wie ontwaakte, de West-Indische niet.

„Het zou wreed zijn haar te wekken,” dacht de echtgenoot; „zij zegt, dat ze onder dezen hemel slechts gelukkig is als zij slaapt,” en hij liet de gordijn van het ledekant, die hij even had opgeligt, weder digtglijden, en keerde terug naar het belendend vertrek, waarin op het eene tafeltje het overschot van zijn ontbijt stond, waarin op het andere alledei papieren de bladen en brieven van den dag door elkander lagen; hij zette zich aan het laatste neêr.

Als iemand hem, om dat blijk van deernis, voor een al te teêrhartig gemaal houdt, hij bedriegt zich; het leed weinige oogenblikken, en „de eeuwige candidaat voor de tweede kamer vergat alles, vergat tot Laure toe, om den wil zijner politieke plannen. Wij, die de laatste liever in de vrucht zouden genieten dan in den bloesem gâslaan, wij zijn u eenige inlichtingen over het vededen van het paar schuldig, welke kwalijk vallen meê te deelen, zoo wij den blik slechts op zijne toekomst vestigen, maar die hier hare plaats kunnen vinden, indien wij Thoossens eene wijle laten voortmijmeren naar lust.

Een kijkje, een vlugtig kijkje op de kamers, door hen bewoond, volstaat om u den indruk te geven, dat het er bij onze schoone slaapster anders zoude uitzien, zoo dit huis haar eigen ware. Tapijten, dikwijls genoeg geschuijerd om met het stof ook de wol te doen wijken; meubelen, in den medelijdenswaardigen toestand van dingen, dien te lang dienst werd gevergd; overgordijnen, door zoo menige zon gebleekt, dat zelfs uit de plooijen de oorspronkelijke kleur niet meer aan het licht valt te brengen; al wat gij ziet is shabby genteel; gist ge nog niet, waar we zijn? Enkele détails dan, die zoo vele contrasten zullen blijken. Een ledekantshemel, door overlading van sieraden, zoo vallen als kwasten, le bon vieux temps de Louis XV voor den geest roepende, met Madame de Pompadour of Madame du Barry; eene console, wier soi-disant antieke vormen het bewijs leveren, dat men zelfs in de dagen van het keizerrijk toch der republiek nog gedacht; eene ongemakkelijke canapé met zwart juchtleder bekleed, uit den tijd der Kozakken, waarschijnlijk voor een’ liefhebber van deze vervaardigd; en, wat ons het eerst van al in het oog had moeten vallen, langs de wanden, op het kleurloos behangsel, „keurige zwarte konstprenten”, zou de catalogus zeggen, „in heldere glazen en vergulde lijsten”; Hoogkamertjes, gelooven we, „de Ramp van Leyden” voorstellende en „de Aankomst van den Souvereinen Vorst”; die laatste trek geldt alleen een heir, het lijdt nu ook bij u geen twijfel meer, dat wij ons in de bovenvertrekken van een hôtel garni der hoofdstad bevinden.

Hôtel garni, – de vreemde klanken verkondigen het luide – dat ongelukkig middelding tusschen een huis en een herberg, heeft bij ons niet inheemsch willen worden; – „gestoffeerde kamers,” wij hebben er voor alledei stand, alledei vermogen vooral; – maar hótels garnis, smaakvol genoeg gemeubeld om er een’ Franschmen den uitroep te ontlotken: „quelle élégance!”, geriefelijk genoeg ingerigt om een Brit zelfs maar een zweem van comfort te waarborgen, gij vindt ze niet, zoekt gij ze met een’ lantaarn op helderen middag, – eerlijke liên moogt gij aantreffen, maar zulke hótels garnis? neen!

De arme Laure! – zij had zich echter een prettig verblijf van dien aard. gedroomd, toen zij, de drukte en de engte der Amsterdamsche logementen moede, aan Thoossens verklaarde daarin den uitslag van kandidatuur bij kandidatuur niet te kunnen afwachten; – aan den oever van het Y, in de buurt van den Amstel moest wel eene gestoffeerde woning te vinden zijn, die hier het uitzigt vedeende op frisch water, die dáár den tragen plantengroei van ons werelddeel aanschouwen liet. Vruchteloos zoeken, ijdele hoop, in den laatsten zomer dag aan dag voortgezet, en telkens beschaamd. Slechts door eene omwenteling in de begrippen van ons volk over zij koloniën zou de inrigting zulker huizen op grootschen, kostbaren voet eene veilige speculatie kunnen worden. Indien niet enkel in Suriname het tal van directeuren vervangen werd door de gezinnen van eigenaars, zelve de plantaadje tot woonplaats kiezende; indien de Javaansche archipel vooral in vollen nadruk in een Holland van het Oosten verkeerde, onzen overvloed van geld gelegenheid gevende ter voordeelige, zekere belegging, onzen overvloed van handen werk verschaffende, werk en loon, – de vertiendubbeling eener fortuin, of het middel om er den grondslag van te vestigen, – Amsterdam zou hótels garnis zien verrijzen, weelderiger dan een Nabob er wenschen kon. Wat anders echter zijn thans ten onzent familiën, die uit de volkplantingen eens weder naar het moederland komen omzien, wat anders dan witte raven, te schaars aanschouwd, om zich op eene vlugt van deze voor te bereiden, en die dus maar zelven mogen zorgen, onder dak te komen, waar plaatse overbleef, in de spleet van een’ afbrokkelenden kerkmuur of in de holte van een verweerden torentop? Hoe Thoossens het invallen van het herfstsaizoen had gezegend, daar het Laure allengs minder aan de voorwaarde van een dubbel uitsigt hechten deed; een verwelkende hof begon haar eene huivering aan te jagen en de wind, die vast snerpende werd, wat had. ztj niet van hem te vreezen, als de wateren zouden stollen voor zijnen aêm? Het geviel op eenen Octoberdag, toen hij zich uit het oosten gelden deed, het geviel op eenen Octoberdag, toen de bel étage dezer woning – maar midden in de stad gelegen, en die slechts de gewone suite van zijnen binnenkamer had aan te biên, – zich door invallend zonnelicht niet onaardig voordeed, dat het mooije Creooltje haar ter bezigtiging binnentrad, en haar harte ijlings door de hospita werd gewonnen, die reeds vuur hal doen aanleggen.

„Quatre appartements, c’est bien mesquin; mais, faute de mieux loues les, – ça sera fini.”

En Thoossens liet het zich geen tweemaal zeggen, en deed het toch maar, al zuchtende.

Vraagt iemand: „waarom?” hij zou zich bedriegen, zoo hij het toeschreef aan ingenomenheid, met het logement, dat zij tot nog toe hadden betrokken; zoo hij geloofde, dat Shenstone ooit van een der Amsterdamsche zou hebben gezongen:

Who e’er has travell’d life’s dull round,
What e’er its stages may have been,
May sigh to think that he has found
His warmest welcome at an inn.

Dat valt van geen hôtel, gasthof, logement in eene groote stad te zeggen, al passen twintig knechts er op uwe wenken, al is de Oberkellner de voorkomendheid zelve, al buigt de baas van ’t spel, bij uwe aankomst en bij uw vertrek, als een knipmes. Dat is eene hulde des harten, die slechts der herberg op het stille land toekomt, waar ge nog gaarne eene wijle aan den gemeenen haard kout, waar ge tot den jongsten dreumis van het gezin van uwen hospes toe leert kennen, waar „de vrouw” vooral, u als een lid van het hare beschouwt. In de stad zijt ge maar nommer zoo veel, die met den trein van tienen kwam, – die vier uren lang eene vigelante had – die eene der vijftig plaatsen aan tafel vulde, – die misschien meê champagne dronk, – die uit is gegaan, men weet niet waarheen, – die we om zal komen, men vraagt niet wanneer – nommer zooveel, die morgen voor de boot van zessen moet worden gewekt. Buiten daarentegen, buiten zijt ge enkel voor eene wijle de heer met den witten hoed, of de heer met den witten jas; – zou het aan de lucht liggen, dat gij eensklaps zoo spraakzaam, gezellig zijt geworden? – gij hebt een vriendelijk woord over voor de vlugge deerne, die u dient; – gij knoopt, het landschap ingedoold, om het even werwaarts, als waart gij zeker in elke rigting stof genoeg te zullen vinden om geest en gemoed bezig te houden; gij knoopt er een gesprek aan met, ouderdom en met jeugd; – gij verlustigt u onder het geboomte als tusschen de graanvelden, in de warmte der ochtendzon als in luwte der middagschaûw, langs de heuvelhelling der bruine heide als in het spiegelend vocht van den stroom, die de wereld in koningrijken splitst; – en als gij weêrkeert van uwe eerste wandeling, dan begroet gij van verre, of gij naar oude kennissen gingt, den rook, die opblaauwt uit de linden, waarin het lage maar lieve huis verscholen ligt; – een dag verkeers in de vrije natuur heeft van u een ander, als de beschaving het duldde, zouden wij zeggen, heeft van u weder een mensch gemaakt. Wat gaan u in het logement, dat gij in de stad betrokt, de waard en de waardinne aan? gij kwaamt slechts om met een kwaden debiteur, zoo mogelijk, af te rekenen; – gij kwaamt slechts om, erger nog, bij een professor raad te plegen over eene hopelooze kwaal; – gij kwaamt slechts om, wij toetsten wat donker, als gij een ijdel auteur zijt, eene spreekbeurt te vervullen, met een stuk, dat, dank zij uwer voordragt, eene toejuiching zal verwerven, die de druk het niet bezorgen zou; – gij kwaamt slechts om, niets zeldzaams in onze dagen, eene veiling bij te wonen, waarop de makelaardij den handel voor de honderd en eende maal verschalken zal; – gij kwaamt slechts, om het gevoelen van een beroemden regtsgeleerde te hooren, of gij kans hebt in de loterij der appellen een’ prijs te winnen; – gij kwaamt eindelijk slechts om, trekvogels als onze tijd van ons maakt, voor den nacht de wieken neêr te strijken, en morgen verder te vliegen naar Havre, naar Londen, of naar Hamburg; – wat gaan waardinne en waard u aan? Op het land echter, op het land –

Oh, mais c’est autre chose!

Daar zijt gij gezond of gij wordt het; dáár zoekt gij genot en ge vindt het; – als gij raadpleegt, dan is het over eene verrassing; als ge peinst, dan geldt het een vermaak. Het togtje door die bergachtige streek zou voor vrouw en kroost te voet wat verre zijn, en gij neemt den zoowel gullen als gaauwen herbergier in den arm, en hij bezorgt u een ezel of een hit, als kon hij die met een tooverstaf doen opdagen. Ge zijt uit voor plezier, en wat prettig zij, hongerlijden is het niet, en haast hebben evenmin: – het „mogt wat laat worden,” zegt het goêlijk wijfje van uw hupschen hospes, en brengt een mandje aan, dat zij onder de bank van het rijtuig in het kistje zet, en moffelt er een paar flesschen in het stroo bij weg; zij is even voorzigtig als vlug. Er heerscht bij uwen afrid iets van de drukte eener karavaan, en waarlijk, zoo als gij daar heentrekt, hebt gij wat aartsvaderlijks; – ge wandelt naast het wagentje, gij stapt het vooruit of gij volgt het, een paar vrienden, die uit stad tot u zijn overgekomen, aan uwe zij, en ge praat en ge kijkt, en ge kijkt en ge praat, en wat het genoeglijkste is van beide, gij weet het, gij vraagt het niet. Hetzij de hit wat driftig valle, hetzij de ezel wat traag blijke, de wagenmenster blijft er even vrolijkt om, of zij hebbe in te houden of aan te sporen; er wordt nog meer gelagchen, durven wij beweren, als vracht bij wijle voor den luijen langoor moet worden verligt, dan wanneer de koppige kortstaart in vollen draf voortstuift of het berg op of berg af ga. Daar zijt gij het eikenbosch u hoe frisch suist dat windje; – daar gaat het den heuvel op: hoe warm is dat zand; – daar staat gij, hooger en hooger gestegen, een oogwenk stil, en ziet eens om: hoe schilderachtig glooit de afgelegde weg door het aan alledei tinten en toonen zoo rijke landschap heen. Maar ge duldt geen poozen, want boven zal het gezigt nog schooner zijn, en zelfs de vermoeijenis wordt zoet; immers ginder lacht de ruste u aan: onder die beuken is het mos zoo zacht, dat geen dons er bij haalt. En ge zijt er, en uwe verrukking vindt geene woorden, of zij mogt die des dichters leenen, waar hij het paradijs van het morgenland in het golventemmende westen waant weer te vinden. Maar als de eerste verrassing is voorbijgegaan, dan doen de behoeften, dan doen de gevolgen der frissche lucht, der sterke beweging, dan doet vooral de graagte der jeugd zich gelden, en wie zich beklage, ook in dat opsigt maar mensch te zijn, wij niet: hare bevrediging is ook genot. Gij helpt wie u lief zijn het wagentje uit of het wagentje af; ge bindt ezel of hit, van het tuig bevrijd, niet zoo digt aan den boomstam vast, of het blijft hun vrij te grazen, en ge looft eene versnapering uit voor hem of haar, die het eerste eene wel, die het eerste een mooi zitje opspoort en aanwijst. „Hier!” klinkt het u toe, „hier!” en ge daalt af naar de schaaûwrijke plek, en ge legert u met vrienden en verwanten, arcadisch of nomadisch naar het hun lust, in den lommer. Open gaat het mandje, en op gaan de jubelkreten; er komen met het brood blankgebraden hoenders, er komen donkerbruine kersen aan het licht; paf zeggen de kurken, en al zijn er onder het gezelschap die beweren, dat het water het nog van den wijn wint, gij zegent het wijfje van den waard, dat er aan dacht, u de flesschen meê te geven, want de kout zou zoo vrolijk niet zijn, als het vocht het vernuft niet een weinig prikkelde; lach, lust en liefde dartelen er in dat loover door om!

Shall I not take mine ease in mine inn?” zegt gij, aan den avond van zulk een dag met, Fallstaff, in de herberg onder de linden teruggekeerd; zegt het, hoe weinig gij overigens op Fallstaff gelijken moogt; zegt het, al gaat gij zelfs, in tegenstelling met Fallstaff, vroeg ter ruste. En ge slaapt als een roos, om als deze den volgenden ochtend tot nieuw genot te ontwaken; is het wonder, dat, wanneer de saizoenen elkaêr hebben vervangen, wanneer het op nieuw lente geweest, weêr zomer geworden is, ons harte naar het zoetste welkom ter wereld hijgt, het welkom uit de herberg onder de linde?

Wij weten niet, of de lezer het onder de voorregten van den vorm zal tellen, door ons voor deze vertelling gekozen, dat hij ons zijsprongen veroorlooft als die, welken wij daar even hebben gewaagd; maar, mogten we zijn geduld op te zware proef hebben gesteld, hij houde het ons ten goede: Thoossens treedt weêr op den voorgrond, Thoossens, die zuchtende het viertal appartementen huurde in het hôtel garni. Wat was het dat hem vreezen deed? Laure klaagde over de engte der Amsterdamsche logementen, – die indedaad schijnen gebouwd te zijn tot proeve der oplossing wan het vraagstuk, het grootst mogelijk getal gasten in het kleinst mogelijk gegeven bestek te bergen; – dat ongerief, het leed geen twijfel, zou verholpen worden door de wisseling van verblijf, hoe verre het overige beneden hare wenschen blijken mogt. Maar het was de eenige oorzaak harer ontevredenheid met onze hotels niet. Laure klaagde ook over de drukte, doch, als „het mooije Creooltje” niet zijne gade was geweest, Thoossens zou geglimlacht hebben over dat bezwaar van het bewegelijke schepsel; Wat was er huiselijks, wat was er stils aan haar? Niets ter wereld dan de siesta en het sluimeren tot op vollen voordemiddag toe. Het is waar de eene slaap als de andere liep in het logement dikwijls gevaar te worden gestoord, maar zij vulden toch de vier en twintig uren niet! Thoossens wist het te wèl, Thoossens was haar echtgenoot en hij zuchtte – bij gemis der afleiding, welke thans, van tijd tot tijd, nieuwe gasten aan de table d’ hôte haar gaven, bij het afzien van de gelegenheid tot het aanknoopen van een gesprek, tot het beramen van een pic-nic-togtje, welke deze aanboden, zou hij alleen haar hebben bezig te houden, ofschoon zij hem zoo min langer intrigueerde als hij haar! – tenzij hij haar nog meer mogt liefhebben dan men bij den eersten blik zou hebben geloofd, toen hij die bede inwilligde, toen hij met haar deze woning betrok.

„Tik! – tik!”

„Binnen,” roept Thoossens, in zijne couranten-lectuur gestoord.

„Hoe laat moet ik vóór zijn, mijnheer?”

Het is geen koetsier in liverei, die het vraagt – helaas! De dagen zijn voorbij, waarin onze West-Indiërs zich rijtuig aanschaften, zoodra zij den voet aan wal hadden gezet, en een bluf sloegen, wat ben je me! met schimmels voor en negers achter. Als het snuffelen in oude papieren niet zulk een stoffig baantje was, wij zouden aardige détails hebben meê te deelen, hoe veel die pracht omstreeks zeventien honderd vijf en zeventig bijdroeg, om er de eene leening vóór, de andere leening ná, vlot te doen ingaan!

„Sta even buiten, Jan!”

En Thoossens gaat weder naar het ledekant, maar roept ditmaal de schoone slaapster wakker.

„Hoe laat wilt gij uitrijden?”

Fait-il beau?

„Och, Laure! in Februarij! – maar wij dienen eene visite af te leggen bij de van Veeres, – Huibert is geëngageerd; het paartje heeft al voor eenige dagen kaartjes gepousseerd, – wanneer wilt ge dat ik zegge...”

As you like!

„Hm!” zegt Thoossens, – is die onderwerping hem door hare vaardigheid zelve verdacht! – „hm!” en gaat heen, eer Laure het bruine kopje uit het hagelwit der kussens heeft opgeheven, om hem het second thoughts na te roepen.

„Om twee ure voor, Jan!” klinkt het op het portaal.

En Thoossens is alweêr in de dagbladen verdiept, in de inheemsche dagbladen, lieve lezer! verwondert gij er u over? Wedijveren zij dan niet met elkaêr om der goê gemeente het wetenswaardigste uit alle oorden der wereld het spoedigst meê te deelen; wedijveren zij vooral niet in de wijze, dit even krachtig als kort, even keurig als kiesch te doen? Wie twijfelt er aan? Als de kunst te vertalen ten onzent te loor ware gegaan, wat nood? een blik in die bladen, en het zou blijken, dat de hoofden harer redacteurs er de heugenis van bewaarden; valt het een enkel dier artikelen aan te zien, dat het uit het Fransch of uit het Duitsch werd vertolkt? Het is Hollandsch, weêrgaloos welsprekend Hollandsch, al wat gij leest: onze eerste vernuften grijpen, ter mededeelin hunner gedachten, dat middel aan, om de schare tot hen op te heffen; geene vraag van den dag, die gij er niet van alle zijden in ziet toegelicht, die gij er niet van de verschillendste standpunten in hoort bepleiten, die gij er niet volledig in beantwoord vindt. De wetenschappen worden door haar populair, en zoo zich de zin voor kunst onder alle standen verspreidt, haar is het dank te weten.

„Steek er den draak maar meê, – wat eischt gij dat ons landje dagbladen oplevere als le Joureal des Débats, als the Times!

Maar, professor! moet men dan altijd Klein Duimpje blijven?

Thoossens tracht intusschen uit die, bij wijle troebele, wateren op te duiken, wat het volk wil; hij moet er wel de diepte om dompelen, want van zwemmen is geen zweem te zien, dat zou van ijver, kracht, lust tuigen; – als er nog maar een wensch bovendreef! Ook dat niet! Wij hebben behoudende en wij hebben vrijzinnige bladen; wij hebben er, die noch het een noch het ander, die beurtelings zoo wat van beide zijn; allen vinden lezers om den wille der berigten; wat de beginselen betreft: „och, het is maar een courant!”

Thoossens is er nog zoo geheel oor en oog voor, dat hij het belendende vertrek niet eens de schel hoort gaan, als stond het hôtel garni in volle vlam – het mooije Creooltje moet zich; bij gebreke van tien slavinnen, met een enkel kamermeisje behelpen; – dat hij, eene wijle later, een anderen gedienstigen geest ter nood de chocolade voor mevrouw ziet binnenbrengen, – Laure zal hem de eer aandoen, tête à tête met hem te ontbijten.

Hij leest zeker in de Nederlander – (een blad, dat wel weet wat het wil) – de artikelen die u en ons deden uitroepen

When Greek meets Greek then comes the tug of war.

En echter, er suizelt iets om hem been. „Trêve de politique,” klikt het, en al zijn de wittebroodsweken lang voorbij, Laure ziet er in haar smaakvol ochtendgewaad te lief uit, dan dat het dagblad hem niet uit de vingers zou glijden, dan dat hij niet op zou springen, dan dat hij haar, hoe schalk ze ter zijde wippe, niet om het middeltje vatten zou:

Lieve Odilde! wist ge dat,
Wist ge wat een kus bevat
Die met regt een kus mag heeten;
Lieve Odilde! dat ge ’t wist...
Maar, waar woorden toe verkwist?
Reik me uw mond, gij zult het weten!

Thoossens biedt haar de chocolade aan; terwijl zij er het biscuitje indoopt, neuriet ze:

Et 1’on revient toujours, toujours.

Het is een aardig groepje.

„We gaan dus Huib geluk wenschen,” zeî Thoossens.

„En waarom Maria niet eerst?

Er komt een wolkje aan den gezigteinder: „neen, niet naar Hudde,” valt de echtgenoot in.

Tout pourquoi a son parceque, mon ami!” schertst Laure.

„Gij zoudt niet gelukkiger zijn, als ge ’t wist!”

Mais je suis fille d’Eve, mui; gij priktelt mijne nieuwsgierigheid door uwe weigering.”

„We gaan naar de Van Veere’s.”

„Naar de Hudde’s,” is het wederwoord.

„Dan gaan we niet.”

Het mooije Creooltje fit la moue.

Thoossens nam het dagblad van den grond op, en hield zich of hij zijne lectuur dacht voort te zetten.

Maar de chocolade heette genuttigd te zijn; Laure rees uit den leuningstoel om zich te kleeden.

Ma mie!” riep Thoossens haar na, toen zij den dorpel der andere kamer overzweefde.

Zij keerde tot hem terug, zij zag hem schalk aan.

„Geen grillen,” zeide hij.

„ Wat luidt dat Hollandsch toch leelijk!” hernam ze schertsende, of de bui over woû drijven.

Point de caprices, als ge liever wilt,” klonk het echter ernstig; „gij geeft er u tegenwoordig vreesselijk in toe, dat verdriet me.”

Tu as décovert que j’ai des caprices? – ah! il me prouve que tu ne m’aives plus, – je m’en doutais! Capricieuse! – je le fûs toute ma vie!

Het waren weinige woorden, maar er verrieden zich alledei aandoeningen in: verrassing, geraaktheid, smarte, minnenijd, uittarting zelfs.

Toch bleef het er niet bij.

Tu ne me les reprocheras pas long tems,” besloot ze. „J’y sans le soufle de l’hivier.

En geveinsd of gemeend, genoeg, er dreven tranen in haar oogen, en, weg was zij, – de kleedkamer ditmaal voor goed ingegaan.

Thoossens hoorde van tijd tot tijd een gesmoorden zucht.

Hij luisterde dus?

Laure la capricieuse, wel mogt zij zoo heeten; maar had hij het regt haar over hare grillen hard te vallen? zij had er hem door geboeid, – hij had die gevierd, – ziedaar de gedachten, hem door het hoofd gingen, al bleef hij werktuigelijk op blad staren, dat bij andermaal in de hand hield. „Om ’t even,” antwoordde hij zich zelven, „il faut en finir,” en zocht zich te verdiepen in een betoog, dat ongelukkig niet onder de boeijendste behoorde; hij hervatte de lezing tot, driemalen toe; hij begreep er even weinig van; hij was, eer hij het vermoedde, in zijne mijmering Holland uit, den oceaan over, het verre Westen van Amerika in. Daar zag hij, op de kleine stoomboot, voortvliegende over een onlangs nog maagdelijk meir, daar zag gij op den steven een paar, een jeugdig paar staan; of zoudt gij geaarzeld hebben beide dus te noemen, dewijl de jonkman tien of twaalf jaren meer telde dan het meisje? Wij vreezen het nauwelijks, wanneer we er bijvoegen, dat deze tot de blonde zonen van het Noorden behoorde, terwijl de bruid aan zijne zijde – maar daarvoor drong zij zich te digt aan zijne breede borst, – terwijl zijne gade – maar dat was zij dan nog geene weten geweest, want hoe schroomvallig sloeg zij de oogen voor zijnen blik neêr, – terwijl die bruine schoone onder de zengende zon van den keerkring het licht had aanschouwd. Wat behoeven wij vele woorden, om dat vizioen eener niet eens vurige verbeelding weêr te geven! Thoossens zag dat paar op den steven der stoomboot staan, zeiden we; den avond te voren had het, arm in arm rondwandelende, den ondergang der zonne bespied achter heuvelen, verkwikkende door de frischheid van heur groen; was het te moede geweest, als wijlde de zomer nog; en thans, thans wees die dochter van Amerika den Europeaan den wonderbaarlijken ommekeer aan, door een enkelen vroegen winternacht in de wouden van het westen gewrocht! Het eerst van alles maakte zij hem opmerkzaam op den alleenstaanden, op den van verre in het oog vallenden aristocraat dier wildernis, den bloedrooden suikerahornboom, wieas blaêren in helderheid van tint en keurigheid. van vorm de lippen eener circassische beechamen, – hier en ginds uit het bosch oprijsende, geleek hij de heilige vaan des profeets, wuivende over het heir – maar, helaas, hoe was zijn luister verbleekt! En toen vielen hem, op den wenk van die lieve, kleine hand, toen vielen hem de berken in het oog, de berken met hun schimmig loover, die wel geesten van de verscheiden zomer mogten heeten; die, als wachters uit woud wijkende, het bosch met een zoom van zilver omgaven. Verder schoot de kleine stoomboot, verder, de groene schemering in, en daar zagen zij den breeden wilden vijgenboom de waaijergelijkende catalpa, hun saffraangeel gebladert naar het zonnelicht opbeuren, hun gebladert, hier en daar getint met goud als de wiekjes van den lievenheersworm. Dáár gaf de koning des wouds het kaal geschudde hoofd den ochtendwind prijs, al omgolfden de digte en breede plooijen van in kostelijke kleuren gedoopte gewaad den majestueusen stam nog zoo statig, dat hij een gewond monarch geleek, die zich den krooningsmantel om de leden slaat, ten einde in het vorstelijk purper te verscheiden. Hoe waren de slanke populieren, die men gister nog voor minaret bij minaret zou hebben begroet minarets met zilveren tongen, hoe waren zij thans lafaards geworden, als ieder geslagen leger er oplevert, – verbleekt den val van het bosch verkondigend, elken ademtogt des winds in een bode van hun gezucht en gesteen herscheppend. Verder schoot de kleine boot, verder nog, en nieuwe slagtoffers der ongenade van een enkelen nacht traden aan het licht; ondanks zijn onverwelkelijk groen, was de glans van den okkernoot boom geweken; de bezien van den bergesch zagen er vervaarlijk bloedrood uit; den pronkzieken tulpenboom, die sybariet van het plantenrijk, waren zijne gouden kelken ontroofd; maar nog veelverwiger wingert der kwistzieke wildernis, verwelkende als het grootscher geboomte, waarom zij hare ranken en bladen had gewonden, en in welks weêrgaloos weelderigen zomer had gedeeld, de wingert overtrof allen tot in haar verval even als in den dood de vrouw iets liefelijkers, iets meer hemelsch heeft dan het sterke geslacht, waarop zij leende haar levenlang. Een enkele trek nog, en voltooid is het boschtafereel: er waren eenige weinige boomen ongeschonden overgebleven, eenige weinigen, die alleen stonden, die geen deernis gevoelden met den algemeenen ondergang; maar minder aanlokkend dan ooit, scheen het donker en somber, scheen het hier vast grijzend groen van scheerlingdennen en schrale vuren in tegenstelling met de kwijnende kleuren, met het bestorven bleek van dat wijkende, welkende woud!

Een gezigt als het beschrevene ging den blikken van den starenden Thoossens voorbij; doch de gedachte, wellr.e het bij hem opwekte, was niet die, waarin zich de schilder vermeidt, van wiens dank wij het op het onze overbragten, – door intuïtie alleen raadt men natuurverschijnsels niet. Het is of zich eene myriade van regenbogen, zegt hij, door het geboomte heeft gewelfd, van top tot top, van tak tot tak; het is of de gloed en de glans aller zonsondergangen van een ganschen zomer goud, purper, karmozijn – blijken zaamgevloten in den smeltkroes van het Westen, en weêr, in een nieuwen vloed van licht en kleur, over de wildernis werden uitgestort. Hei is alsof ieder blad dezer tallooze boomen, in toon en tint, in bonte pracht, de tulp wil overtreffen en beschamen; alsof, door een electrisch wonder, alle verweg uit het harte der aarde werden te voorschijn gedaagd; of hare kristallen en ertsen, hare saphyren, hyacinthen en robijnen eensklaps hun geboeiden luister hadden vrijgelaten, om door de wortelen des wouds op te schieten; om, als de engelen, die van ouds in het ligchaam der stervenden voeren, het verwelkend gebladert op nieuw te bezielen, en zich voor eene wijle in hun weêrgaloozen wedijver te verlustigen.

Er is pracht in die beschrijving, – maar de indruk, door de vedevendigde heugenis van dat schouwspel op Thooseens gemaakt, bleek van ernstiger aard, – hij zag nog altijd het paar, het jeugdige paar op den steven der stoomboot staan.

Hij kende beide maar te wèl.

„Een enkele nachtvorst deed die weelde der wildernis den dood;” – het was hem, of hij het nog hoorde zeggen, – op denzelfden somberen toon, die hem toen bij dat meisje verbaasd en verschrikt: – „het eerste harde woord uit uwen mond sera pour moi ce soufle de l’hiver.

Laure had zelden een blijk van zoo veel gevoel gegeven, als op dat oogenblik; het geviel in de wittebroodsdagen van hunnen echt.

En Thoossens had haar gezworen...!

Verbaas er u niet over, dat ook zijn geweten zich een wijle gelden deed!

„Laure!” borst hij uit, met groote schreden de kleedkamer ingesneld, die echter nog geene appréts de toilette had zien maken, waarin zijne gade van de canapé, waarop zij zich geworpen had, in stille smart naar het tapijt staarde; „Laure!” borst hij uit, hare hand grijpende, toen zij het gelaat van hem afwendde, „Laure! ne me boudes pas, pardonnes!

Verrast, verrukt zag zij tot hem op, hem was al vergeven! – en echter ze twijfelde nog:

Si c’était de la pitië!

„Ik heb u lief;” zwoer hij; „lief als op dien ochtend –

Tu t’en souviens?” riep ze.

„Als ik vergiffenis vrage!”

Laure wierp zich aan zijne borst; maar terwijl zij naar hem opstaarde, terwijl zij hem diep in de oogen zag, moest de naam over hare lippen, die de oplossing was van het raadsel, waarom zij zoo zeer op het bezoek bij de Hudde’s had aangedrongen; die een einde zou maken aan de spanning, waarin zij sedert haar overhaast vertrek van het bal bij de Bleekhorsten verkeerde:

„Amelie!” fluisterde zij, vragende en vreezende.

Elle ne mést rien – qu’un remords; épargnes moi le rest,” bragt Thoossens met moeite uit, en Laure beloofde het niet, Laure deed meer, Laure beantwoordde zijne omhelzing hartelijk.

„We gaan niet naar de Hudde’s,” zeî zij.

„We gaan werwaarts gij wilt,” sprak haar echtgenoot.

Fraiment?” vroeg zij schalk.

Hij knikte.

Devines donc où nous irons?

„Een psysche koopen, die hier ontbreek.”

Encore un reproche?” vroeg zij, maar ditmaal schertsend, „ik heb me al maanden voor die idée de glace gekleed; ik meende er niet kwaad uit te zien.”

„We gaan naar eene modiste,” zeide hij.

Du tout,” schudde zij het bruine kopje.

„Naar een juwelier?!

Non – non – non, non!” zong ze, „nous allons acquitter une dette de coeur,” en zij sprong uitgelaten naar de schel; Thoossens vreesde een oogenblik, dat zij met hem naar Amelie wilde gaan „restes ici,” voor zij voort, „Hercule aux pieds d’Omphale, je veux être bien mise” – en een vloed van bevelen verraste het binnengestoven kamermeisje, – „plus de politique aujourd’hui; si je l’avoissû si ennuyante!

Thoossens glimlachte en zuchtte tevens:

Wist daervan eenigh mensch, hy wist er van te spreken.

Onder den indruk der algemeene deelneming, in de Vereenigde Staten der aangelegenheden des volks gewijd, had hij zich verbeeld, dat ten onzent een dergelijke zin voor staatkundig leven was ontwaakt; had hij er niet aan getwijfeld, op het minste blijk dat die keuze hem welgevallig zoude zijn, als eene specialiteit voor de tweede kamer te worden benoemd. „Gelukkig dat ge bij uwe aankomst in het vaderland juist volle dertig jaren zult zijn,” was het afscheidswoord van zijnen schoonvader geweest, luttel tijds nadat bij van zijne huwelijksreis in Noord-Amerika naar Paramaribo was teruggekeerd; zijn schoonvader, in wien wij u den edelman hebben voor te stellen, die eerwol ontslag uit de dienst van Z. M. Willem I had verzocht en verkregen, toen de Belgische omwenteling aan de kimmen dreigd, en men hem voor een krijgsman te vrijzinnig dacht. Suriname mogt eene zonderlinge keuze hebben geschenen voor zijne vrijwillige ballingschap, het geslacht, waartoe hij behoorde, bezat er plantaadjes, die weldra niet langer louter lastposten waren toen hij er zich op had gevestigd, – toen zijn echt met eene Mexicaansche alle ontwerp om naar Holland terug te keeren op den achtergrond wijken deed. Hij had de beminnelijke nakomelinge der hidalgo’s, welke Prescott der onsterfelijkheid heeft gewijd, leeren kennen op een dier reizen, in de nieuwe wereld uitstapjes geheeten, schoon de oude haar onder de togten zou tellen, die volstaan mogen voor een leven; – hij had zich in haar bezit zoo gelukkig gevoeld, dat de gedachte geen oogenblik bij hem was opgekomen, de opvoeding van hun eenig kind in Europa te doen voltooijen. Maar de mare van achttien honderd acht en veertigs-werelds ommekeer, was ook in de West-Indiën doorgedrongen, en Thoossens, door Laure betooverd, en met Laure gehuwd, had er het oor geleend aan gesprekken met dien edelman, gesprekken, in welke de loyale liberaliteit het vaderlijk gevoel van dezen had beheerscht. Een zachtere hemel dan de onze was hem te zeer behoefte geworden, om er aan te denken zelf terug te keeren; maar door den echtgenoot zijner dochter bij te dragen tot het zegevieren van beginselen, welke hij welligt te onvoorsigtig had beleden, om wier wille hij geloofde te zijn miskend, het lachte hem aan, het deed hem het offer van het gezelschap zijner kinderen brengen, hoe lief hem dit, sedert het verscheiden zijner gade vooral, was geworden. Of het geen vergeefsche verloochening zou blijken; of zijne vaderlijke verwachting zich niet in het middel bedroog; of men onbillijk was, wanneer men zijn scboonzoon onder dat legio politici onzer dagen telde, welke Barbier heeft geschetst in zijne vijfde jambe:

aujourd’hui que personne
Ne peut chez soi rester en paix,
Et que de toutes parts 1’ambition bourgeonne
Sur les crânes les plua épais?

Ziedaar vragen, ziedaar bedenkingen; op welke ons antwoord ligt te gissen moet zijn, maar die Thoossens niet invielen, en aan welke Thoossens toch, zijns ondanks, regt liet weêrvaren, als hij zijner Laure zoo naïf klaagde: „qu’il tâtonnait toujours, – jamais toucher.

Eindelijk, – wij keeren in de kleedkamer weê – eindelijk was het gewaad. voor dien dag gekozen; de echtgenoot wist waarlijk niet uit, wèl hoe vele...

Comment me-trouves tu?

Mignonne,” zeî Thoossens.

D’un goût?

Parfait,” lachte hij.

Laure was weder gelukkig!

Een blik dans cette idée de glace, en het kamermeisje moest nog iets aan het kapsel verschikken.

Thoossens vreesde dat het toilet geen einde zou nemen; – als de hoed als het bont, als le mantelet et les gants even veel zorg, even veel tijd mogten eischen.

Hij bedroog zich echter; Laure’s zin voor kleur was te zeer ontwikkeld, om in dat opzigt, als het gewaad gegeven was, een oogenblik te aarzelen.

De abigaël hoorde, de abigaël gehoorzaamde; – naauwelijks had zij de opperkleederen gebragt, daar was ook het rijtuig voor.

Chez de Witte, si tu veux,” zeî Laure, „pour mon portrait” liet zij er op volgen, „je l’ai promis à Papa.”

„Naar de Witte,” herhaalde Thoossens op de stoep tot koetsier.

En zij reden voort, voort naar den schilder de Witte, „pour le portrait que j’ai promis à papa.”

Oh! quel bon état,” zegt Töppfer, in la Bibliothèque de mon Oncle, den schilder, „qui avait le grand talent de faire les gens à la fois resemblants et agréables – quel bon état, quand on le pratique ainsi! Quel appât merveilleux, ou se viennnent prendre carpes, brochets, carpillons,et jusque’aux loutres en aux veux marins, et de plein gré, et sans se plaindre de hameçon, et en remerciant de pêcheur!”

Souvenes-vous de bourgeon,” gaat de geestige humorist voort, en wie nog niet weet, hoe en waar hij dat kenteeken onzer ijdelheid heeft ontdekt, die mate kennis met zijne Nouvelles Génévoises, hij zal ons voor de introductie dankbaar zijn, „Souvenez-vous du bourgeon. Une fois que vous êtes devenu aisé, riche, n’est pas un des premiers conseils qu’il vous donne, que de fair reproduire sur la toile votre intéressante orginale, et à haut prendre, si aimable figure? ne vous dit-il pas que vous devez cette surprise à votre mère, à votre épouse, à votre oncle, à votre tante?” De onbarmhartige! – niet waar? Maar: maakt het nog erger! „S’ils sons tous morts,” gaat hij voort, „ne vous dit-il pas qu’il faut encourager l’art, faire gagner un pauvre diable? Si le pauvre diable est riche, n’a t-il pas mille autres rubriques? Orner un panneau, fair un pendant… Car enfin, que vent-il le bourgeon? Il veut que vous vous voyez sur la toile, joli, pimpant, frisé, lingn fin, gants glacés; il veut surtout qu’on vous y voie, qu’on vous y admire, qu’on y reconaisse en vos traits, et votre richesse, et votre noblesse, et votre talent, et votre sensibilité, et votre esprit, et votre finesse, et votre bienfaisance, et vos lectures choisies, et vos goûts, délicats, et tant d’autres choses exquises, qui font de vous un être tout à fait à part, rempli de mille et une qualités charmants, sans compter vos défants qui sont eux-mêmes de qualités.” Hoe het ons deert, dat in het vaderland der etskunst illustratie synonym is geworden met teleurstelling! Wat zouden er anders bij deze bladzijden te leveren zijn! Burgerlijke huismoeders op het doek gebragt met bloote boezems, en tulbanden om het hoofd, of zij sultanes waren geworden; – zedige auteurs, maar die toch het beeldje of de buste van den grooten man, aan wien zij hunne veder wijdden, lieten plaatsen op den achtergrond; – lange jufvrouwen zonder poëzij, in de beschouwing eener bloem verdiept; – heeren, die nooit lezen, een boek ter hand; – vul zelf de lange lijst verder in, il y a de quoi. Wij gunnen Töppfer wederom het woord. „Voulant tout cela,” voltooit hij zijne satyre, „est-il étonnant que le bourgeon vous presse au nom de votre père, au nom de votre mère, par votre épouse et par nos enfants, de vous faire peindre, repeindre enpeindre encore? Bien plûtot je m’étonnerais du contraire.

L’art du portrait est donc éminenment lié à la théorie du burgeon, et beaucoup de peintres, pour avoir méconnu ce principe, sont morts à l’hopital. Ils faisaient le brochet, brochet; le marsouin, marsouin. Grands peintres, mauvais portraiteurs; les gens sount éloignés, et la faim les a détruits.”

Tot welke van beide dier twee schildersoorten de Witte verdient te worden geteld, wij zullen het u zelf weldra doen beslissen, want ons echtpaar rijdt nog altijd voort, – zij, door menig te voet gaanden oud vrijer bewonderd, hij, door menig te voet gaanden oudvrijer benijd, – met even veel regt, wat dunkt u?

Göthe heeft, – het gebeurde hem meer, – in een zijner kleine gedichten een rijkdom van gedachten gelegd, van welke wij den ganschen omvang eerst volkomen gewaar worden wanneer wij in het werkelijke leven een toestand aantreffen zweemend naar dien, welken hij schilderde; wanneer overeenkomst en afwijking beide ons tot nadenken uitlokken; wannner wij, in één woord, een waren dichter genieten, zoo als hij verdient, niet zonder studie. Als het u bij den eersten klank niet te vreemd luidt, dat het noemen van den naam van den schilder de Witte ons op die wijze zijn meesterstukje Der Wandrer voor den geest roept, dan zouden wij u willen uitnoodigen de proeve eener beschouwing van dien aard met ons te wagen; al loopen wij gevaar, dat u, duidelijkst van al, slechts verschil tusschen proza en poëzij in het oog zal vallen, het verschil tusschen eene navolging van ons dagelijksch verkeer en eene idealisatie der schilderachtigste natuur.

Wij beginnen met Der Wandrer.

„God zegene u, jonge vrouw! en den zuigenden knaap aan uwe borst!” laat de dichter zijn vermoeiden voetganger onzer dagen in hartelijke eenvoud aanheffen, terwijl deze, in schaduw van den olm, tegen den rug van de rots, zijnen last nededegt, en zich zelven een oogenblik naast haar ter ruste vlijt. Geen wonder, de avond moge vast neigen, door het zand heuvelwaarts op te gaan moet hem zwaar zijn gevallen, zeer zwaar. „Wat dreef er u toe, de hitte te trotsen?” vraagt het wijfje, „brengt ge waren uit stad?” – „ Toch niet,” herneemt de voetganger glimlagchende; wat zou zij begrijpen van de waarde welke hij, vreemdeling, hecht aan gedachtenissen, door hem in het land der kunst opgegaard? „toch niet, maar wilt gij me eene dienst doen, wijs mij dan den weg naar de bron, die u drenkt; al wordt het wat koeler met den avond, mij dorst niet te min.

„Hier,” zegt de vrouw, „hier gaat de w’eg, het rotspad op, ga maar vooruit,” wenkt zij den schalk, en hij doet het; „hier door den lommer gaat het pad naar de hut, waarin we wonen.” – Hij is niet louter liefhebber, onze vriend de voetganger, niet louter liefhebber in de kunst, hij is kenner tevens, Göthe heeft er weêrgaloos tact van, door eene enkele opmerking aan te geven, op welken trap van ontwikkeling zijne figuren staan. De wijsgeerige opmerker, – was hij het vroeger niet in onze oogen, hij wordt het er door, – de wijsgeerige opmerker ziet naauwelijks tusschen de struiken de sporen eener orde, als slechts de hand des menschen te voorschijn roept, of hij zegt in zich zelven: „deze steenen hebt gij niet gevoegd, mildstrooijende natuur!” – woorden, den meester waard, maar waarvoor het wijfje geen oor heeft. „Hooger op,” wenkt ze, terwijl haar gast stilstaat, stilstaat, daar hij onder het mos een balk, een bovendorpel gewaar wordt, en een hooger blijk van beschaving begroet in de bouwkunst, die haar zegel heeft gedrukt in den steen. Maar de vrouw begrijpt niets van zijn marren; „verder,” roept zij, „verder;” waarom wijlt hij nog? – Waarom? hem verrast iets nog zeldzamers, hem verrast een uitgewischt inschrift op een dier steenen; – vergeefs heeft zich de vrome meester, die het beitelde, verbeeld dat nog het laatste nageslacht door die spreuk hooger, heiliger zou worden gestemd! Voet bij voet is er in de dagen des vervals over heen geijld, over heen gegleden, tot de letteren na niet langer leesbaar zijn. „Verwondert ge u al over dat puin?” vraagt de vrouw onzen voetganger, „dan zult ge boven nog meer opzien, daar liggen andere brokken om onze hut.” Al wat de peinzer herneemt is: „Boven?” en het wijfje voert er hem in een oogwenk heen, ter slinke omslaande, het boschje uit. „Gij, Muzen en Gratiën!” roept de verraste gast, – terwijl de vrouw hem t’ huis brengt met: „Dat is mijne hut! – en zijne verbazing zich lucht geeft in: „Het is de bouwval eens tempels!” – „Hier, ter zij, is de bron,” vaart het wijfje voort, maar hij denkt aan. zijnen dorst niet meer, maar ons ontzinkt de moed voort te vertalen, waar de uitdrukking, door de weinigte der woorden in het oorspronkelijke, slechts verwaterd zou zijn weêr te geven:

WANDRER.
Glühend webst du
Ueber deinem Grabe,
Genius! über dir
Ist zusammengestürzt
Dein Meisterstück,
O du Unsterblicher!
FRAU.
Wart’, ich hole das Gefasz
Dir zum Trinken.
WANDRER.
Epheu hat deine schlanke
Gotterbildung umkleidet.
Wie du emporstrebst
Aus dem Schutte,
Säulenpaar!
Und du einsame Schwester dort,
Wie ihr,
Düstres Moos auf dem heiligen Haupt,
Maestätisch trauernd herabschuut
Auf die zertrümmerten
Zu euern Füszen,
Eure Geschwister!
In des Brombeergesträuches Schatten
Deckt sie Schutt und Erde,
Und hohes Gras wankt drüber hin!
Schätzest du so, Natur,
Deines Meisterstücks Meisterstück?
Unempfindlich zertrümmerst du
Dein Heiligthum?
Säest Distels drein?
FRAU.
Wie der Knabe schlaft!
Willst du in der Hütte ruhn,
Fremdling? Willst du hier
Lieber in dem Freien bleiben?
Es ist kühll nimm den Knaben,
Dass ich Wasser schöfen gehe.
Schlafe, Lieber! schlaf!
WANDRER.
Süsz ist deine Ruh!
Wie’s, in himmlischer Gesundheit
Schwimmend, ruhig athmet!
Du geboren über Resten
Heiliger Vergangenheit,
Ruh’ ihr Geist auf dir!
Welchen der umschwebt,
Wird in Götterselbstgefuhl
Jedes Tags genieszen.
Voller Keim blüh’ auf
Des glänzenden Frühlings
Herrlicher Schmuck,
Und leuchte vor deinen Gesellen!
Und welkt die Blütenhülle weg,
Dan steig’ aus deinem Busen
Die volle Frucht
Und reife der Sonn’ entgegen.
FRAU.
Gesegne’s Gott! –

Wij willen wel een oogenblik adem halen, na die hulde het vededen, na die wijding der toekomst!

Het wijfje keert, voor ons gaauw genoeg, weêr; maar de meester verloochent ook dan zich niet: zij is geheel moeder, gedenkt eerst haren gast, als zij haar kind weêr op haren arm heeft. „Slaapt hij nog?” vraagt zij, en laat er fluks op volgen „ik heb niets om u bij den dronk aan te biên, dan een stuk brood.” Onze bedenke, onze vriend, verlangt het niet; hij verlustigt zich in het heerlijke schouwspel, dat het hooge landschap oplevert; „hoe groeit en bloeit hier alles!” Het wijfje weet dezen toon meê aan te slaan; de stille wordt eensklaps spraakzaam; „blijf hier,” zegt ze, „mijn man komt straks thuis, eet te avond eene bete broods meê.” En eene enkele vraag van den vreemde, die haar kind gezegend. heeft, is genoeg, om hem hare geheele geschiedenis te vertellen; al blijkt die arm aan feiten, het zij verre, dat ze daarom arm zou zijn aan geluk. „Hier wonen wij,” zegt ze; „die hut heeft mijn vader gebouwd; hij huwde mij aan een landbouwer uit; hij is in onze armen gestorven.” En als ge nu het gevoel niet te waarderen weet, dat uit die kortheid sprak, hoor het dan in de innigte, waarmede zij zich tot haar kind keert. „Hebt gij geslapen, lief hart! wat is hij vrolijk, wat is hij speelsch; o gij schelmpje!” De gast voelt volkomen meê:

WANDRER.
Natur! du ewig keimende
Schatfst jeden zum Genusz des Lebens,
Hast deine Kinder alle mütterlich
Mit Erbtheil ausgestattet, einer Hütte.
Hoch baut die Schwalb’ an das Gesims,
Unfühlend, welchen Zierrath
Sie verklebt;
Die Raup’ umspinnt den goldnen Zweig
Zum Winterhans für ihre Brut;
Und du flickst zwischen der Vergangenheit
Erhabne Trümmer
Für dein Bedürfniss
Eine Hütte, o Mensch,
Genieszest über Gräbern! –

Eene beschouwing, eene bewondering der natuur, den vroegeren blik op vedebn en toekomst waardig!

„Vaarwel, gelukkig wijfje!” roept de gast baar toe, die zijnen dorst heeft gelescht; en als zij hem nogmaals vraagt: „wilt gij niet marren? dan beveelt bij haar aan Gods hoede, dan wenscht hij om Zijnen zegen over haar kind. „Het ga u goed,” is haar dank, en hij roept voor de laatste maal: „Leb wohl!” als zij hem gezegd heeft, werwaarts het pad voert, dat hij van verre op het gebergte gewaar wordt, dat naar Cuma leidt, „volle drie mijlen vandaar.”

Hoort nu de bede, waarmede de dichter zijn meesterstukje door den voetganger besluiten laat; de bede, wier vervulling eerst het geluk voltooit van een leven der studie van wetenschap of kunst gewijd, de bede om echtheil en vadervreugd.

WANDRER.
O leite meinen Gang, Natur!
Den Fremdlinge-Reisetritt,
Den über Gräber
Heiliger Vergangenheit
Ich wandle.
Leit’ ihm zum Schutzort,
Vorm Nord gedeckt,
Und wo dem Mittagsstrahl
Ein Pappelwäldchen wehrt.
Und kehr’ ich dann
Am Abend heim
Zur Hütte,
Vergoldet vom letzten Sonnenstrahl;
Lass mich empfangen solch ein Weib
Den Knaben auf dem Arm!

Onze lofspraak op Göthe’s gedicht is volkomen geregtvaardigd, gelooven wij; moge onze vrees het weldra niet insgelijks blijken, nu de beschrijving aan de beurt ligt, hoe anders jeugd, als die, wier glorie hij voorspelde, zich in de werkelijkheid ontwikkelt?

„Geen wonderlijker wereld,” – vertelde ons de schilder de Witte wel eens, als wij samen over de eerste indrukken koutten, die wij als kinderen ontvingen, – „geen wonderlijke wereld dan die, waarin ik ontwaakte; alles om mij heen was Chineesch! U heugt uit uwe wieg misschien een rinkelbel, – of gij ziet op de knie uwer kindermeid den hansworst nog voor u; – en u is het nog niet vergeten, dat ge een zweep hadt;” – hij was er den kring vertrouwde vrienden meê rond geweest; de laatste zet gold den criticus van de groep begrijpt ge; „ik herinner mij slechts mijne moeder in het midden van Chinezen, – Chinezen voor, achter, om, tot boven ons toe. Schotels, borden, kopjes, het kleine huisje was er zoo vol van,” – zei de Witte dan, en gevoelde zich groot genoeg om er bij te voegen: „mijne ouders waren er geene menschen naar, om een magazijn van oudheden te hebben; een winkeltje was al wat zij het noemden, – de nering eischte zoo veel ruimte, dat er voor de bewoners schier geene plaats over bleef. „ „Voorzigtigheid is de moeder van de porseleinkast,” wat heb ik het honderd malen gehoord, zoowel eer ik het begreep, als nadat ik er al de waarheid van gevoelde; wij waren er maar op den koop van het poreelein toe. Gaan en staan, jonkers en juffers, ruitertjes en visschertjes, alles werd mij duidelijk gemaakt die blaauwe figuren op witten grond, welke mij zeker alle begrip van afstand en diepte zouden hebben doen verliezen, als de natuur mij, toen ik opwies, niet te hulp was gekomen; er bleef zooveel buiten mijn bereik, en ik brak van tijd tot tijd –”

„Zelfs lange lijzen,” lachte een onzer.

„Tot de zes merken toe,” – hernam de Witte; – „maar die wildheid was mijn geluk, zij bragt mij in eene andere wereld over; zij bragt mij bij vader in de loods, waar alledei antiek huisraad stond, alledei antieke kleeren hingen, alledei antieke wapenrustingen bewaard werden; de man was begonnen er in te doen, zoodra een tweede kind zijn huishouden verzwaarde, een meisje, dat niet leven mogt om het met mij beter te hebben,” – er waren tranen in de stem des sprekers, al hield hij zich groot. – „Neem den bengel toch meê,” plagt mijne moeder te zeggen, „hij brengt mij hier alles ia rep en roer,” alsof er met de Chineezen iets anders aan te vangen ware geweest, dan hun den hals te breken; en vader zou het gewilliger hebben gedaan, als ik hem met mijne vele vragen niet zoo lastig ware gevallen. Het was alles niet slechts nieuw voor mij, het had alles kleur; en toen ik eindelijk naar school ging, en – het was maar een beetje! – vaderlandsche geschiedenis leerde, toen werd de loods mij grooter heiligdom, dan mij later menig museum is geweest. Er waren kannen en glazen, er waren kisten en spindes, er waren bogen en buksen, er waren hoeden en huiken, er waren muilen en mantels in, – mijne wakker wordende phantasie bragt ze in verband met iederen beroemden naam, ieder bekend feit, waarvan ik gehoord had; ik leerde mijmeren. Vader vond mij, die hem eerst te druk was geweest, weldra te stil voor mijne jaren; ik zat bij de beeldjes der weinige schilderijen in de loods te turen, of ik sufte, zeî hij.”

„Tot hij weêr last genoeg kreeg van den terugkeerenden geest van onderzoek? vroeg de criticus van de bent.

„Mis,” lachte de Witte, „mis, die vergezelt slechts dieper studie, dan waarvan ik toen begrip had; al wie last van mij had,” – weêr rimpelde zich zijn hoog voorhoofd, – „al wie last van mij had, was mijn lief zusje: Grietje moest meê in de loods; Grietje moest zich laten toetakelen met al het moois, dat er in lade bij lade van zijde en kant verborgen was. Hoe weemoedig lachte het bleeke kind, als zij Ada van Holland of Jacoba van Beijeren heette voor te stellen; – wat legt het een gunstig getuigenis van ons volk af, dat uit zijne grafelijke geschiedenis twee ongelukkige vrouwen het langst in zijne heugenis voortleven! – Ada zat aan het venster, er was één enkel in de loods dat uitzag op eene gracht; en Jacoba had een kannetje ter hand, al mogt het dan ook geen teylingsch zijn. Of ik liet haar voor Kenau Hasselaar of Brecht Proosten spelen; maar het eerste ging haar niet grif van de hand, zij had er geen plezier in, met het vaandel te zwaaijen, en als de laatste was het mij vaak te moe, of zij na zich een wijle groot te hebben gehouden, niet enkel uit joks bezweem: „neen, Grietje! niet zoo,” riep ik dan verschrikt, „het is of ge sterft!” Maar wat ons het beste gelukte, wat zij het liefste deed, wat haar gemoed zoo geheel gevoelde, het was Maria van Reigersberg te wezen bij de kist van Huig de Groot; toen ik haar de historie verteld had, zag ik, hoe goed ze die begreep; ze moest bij de kist bidden, dacht me, en zie, zij bad er bij. Wel heugt mij de morgen nog, toen een rijk heer, die van moeder een stel kandeelkoppen had gekocht, – eene verrassing voor de vrouw van een zijner vrienden, zeî hij, die voor het eerst vader geworden was, – ons bij die vertooning overviel en mij tot mijne bestemming bragt.”

Verwonderd zag het drietal luisterenden den spreker aan.

„Moeder wilde hem een bokaal laten zien, die ook al in de loods werd bewaard; „daar zijn de kinderen weêr bezig,” zeî ze, toen zij in den achterhoek een geeldamasten gordijn gewaar werd, waarmeê ik het licht van den ingang plagt af te sluiten, als de zon door de dakraampjes scheen; het bruin van de kist en het blaauw van het kleed kwamen alléén in den rooden glans wel eens zoo mooi uit. „Mijnheer!” riep moeder „mijnheer!” zij had de bokaal al gekregen; zij had, hem al op het tafeltje voor in de loods neêrgezet; ze verlangde weêr in haar winkeltje te wezen; – maar die heer hoorde niet, die heer bleef door een reet der gordijn gluren. Grietjes gezigtje had hem zeker getroffen, hoe zij in het gebed een engeltje geleek! Eindelijk kwam moeder naar hem toe. „Laat die bokaal maar staan,” hoorde ik hem zeggen, en ze waren bij ons; – „Leert dat jonkske teekenen?” vroeg hij haar, en wilde toen het blad papier zien, waarop ik zoo wat met een potloodje had zitten krabbelen. „Hij gaat wel naar school, maar teekenen leert bij niet, mijnheer!” was moeders antwoord; „waartoe zou hij? het gaat mijn man in zijne zaken goed, al kan hij maar met een krijtje aanhalen, wat hij ontvangen heeft; ik alleen heb rekenen en schrijven geleerd. Wil u eens zien of die bokaal...” – „Gij hebt haast, moedertje! ik wil u niet uit uw winkeltje weêrhouden; ga gerust heen, straks kom ik met de kleinen.”

„Gij waart toen –? viel een onzer, vragende, in.

„Ongeveer elf jaren oud,” hernam de Witte; „Grietje was nog maar negen, doch mij verre vooruit in ontwikkeling van gedachte en gevoel, – ook had de kooper der kandeelkoppen ijlings met haar op. Toen moeder was heengegaan, vroeg hij baar, of wij prettig speelden? „Ja,” zeide ze; maar hij liet het er niet bij; hij wilde weten of zij er magtig graag zoo mooi uitzag, en met een wierp hij een blik op haar, of hij die plunje van oude zij en kant heel kostelijk vond. „Omdat het Wouter zoo’n plezier doet,” antwoordde het lieve kind – „Maar al ben ik nu Wouter niet, hernam daarop de hupsche heer, „ge zult mij toch ook wel een genoegen willen doen?” Grietje knikte, en zie, hij had in een oogenblik een ouderwetsch stoeltje en een spinnewiel aangeschoven: „Ga nu zoo eens zitten,” zei hij, en Grietje deed alsof zij den draad in de vingers hield, of het raadje snorde. „En na, gij, jongeheer!” en met een gaf hij mij een spade in de hand, gaf hij mij een zak op schouder. „Maar,” zeî ik. „Laat hooren, jongetje! – of denkt ge dat boer en boerinnetje ook geen mooi is ?” – „O, dat mag zijn, mijnheer! maar...” maar dan toch, jongelief?” – „Wel, mijnheer! als wij allebei spelen,” zeî ik, „wie zal dan toezien? want teekenen dorst er niet uit. „Ik zal teekenen,” antwoordde hij, en hij had er slag van –”

„Maar nog meer slag,” beweerde de criticus van de bent, „om met kinderen om te gaan; want hij had zich door dat oogenblik schikkens vergewist, dat het bij u beiden meer dan ijdel spel was: bij uw zusje genegenheid, bij u – aanleg.”

„Geraden, ditmaal geraden,” lachte de Witte; „want zoo ik hem dankte, toen hij ons zijne schets gaf, ik zou hem meer, ik zou hem alles verpligt worden. Hij kwam weêr, en hij sprak met vader, en hij bezorgde mij op de Academie; – toen ik prijs had behaald, nam hij mij naar het Rijks-Museum meê. O welk een andere school van het voorgeslacht werd mij dat aan zijne hand,, dan niet enkel slechts de loods, in welke ik tusschen allerlei bouwvallen opwies, en de eerste leesboekjes, die mij met beroemde namen gemeenzaam hadden gemaakt, dan mij ook de latere, ijverige studie onzer historici is gebleken! Wij stonden nooit voor vele stukken op eenen ochtend stil, maar bij iedere herhaling des bezoeks wist hij mij op den toets te stellen, of ik den indruk der vroeger beschouwde had bewaard. Zoolang ik maar teekende, wachtte hij er zich wel voor, de verdiensten van opvatting en uitvoering te spreken, hij zou boven mijn begrip zijn gegaan; maar toen de tijd, dat ik het penseel ter hand mogt nemen, gekomen was, toen lagen kleur en karakter aan de beurt; toen gingen mijne oogen voor de schoonheden onzer oude schilders eerst regt open. Slechts een geest als de zijne kon al het degelijke van hun streven regt doen; een geest als de zijne, die niet enkel de meesters, die ook de mannen, welke zij op het doek bragten, lief kind!”

„Lief heeft, tot dweepens toe,” merkte een onzer aan.

„O zeg het niet,” beweerde de Witte, warm wordende; „maar hebt gij geduld genoeg gehad, zoo lang naar de geschiedenis mijner ontwikkeling te luisteren, ge moet mij nog een oogenblik het woord gunnen, om u te bewijzen, hoe vreemd hem eenzijdigheid is, bij al zijne liefde voor ons vaderland en onze voorzaten; – straks zal de beurt van opbiechten aan u wezen,” voegde hij er tot den criticus bij, die vroeg, of hij dan een zweem van verveling liet blijken. „Gij weet allen, dat ook ik, het is jaren geleden, meê heb gedongen naar den grooten prijs; dat een ander dien behaalde,” – hij bragt het haperende uit en zijne hand, gleed over zijne oogen, want zij waren vochtig geworden. „Houd het toch niet voor gekrenkte eerzucht,” – bad hij, – „die nog door de herinnering pijnlijk wordt aangedaan; wat zou zij misplaatst zijn! mijn toen gevierde mededinger, mijn overwinnaar, is geen meester geworden. Slechtst blijft er, – waarom zou ik het hier verzwijgen? – slechts blijft er aan dien kamp, aan het ongunstig oordeel, over mijn werk toen geveld, eene heugenis verknocht, die mij tot schreijens toe beweegt, maar die ik mij niet heb te schamen. Het onderwerp, dat ons werd opgegeven, was uit de Heilige Schrift genomen, – was, ik wil nu niet eens zeggen, eene stof te hoog en te heilig voor jongeliên van dien leeftijd; was, ik laat daar dat zij huiselijk noch hollandsch mogt heeten – twee eigenschappen, waaraan ik nu geloof, dat men beter zou doen inheemsche talenten van die jaren te toetsen; – was, – de Opwekking van het Dochterken van Jaïrus! – Een ander droeg den prijs weg.; – „gij zoudt dien hebben behaald,” heette het tegen mij, „als het kind op uwe schets er niet te verklaard uitzag; het is geene opgewekte, het is een engel!” – het verwonderde mij niet; Grietje was weinige dagen voor den wedstrijd gestorven; ik had het dochterke geschilderd, zoo ik mijn zusje het laatst goeden nacht had gekust!”

„Gij verzweegt het?”

„Hij is niet waarlijk bedroefd, die zijn rouw luchten luchten laat,” hernam de Witte; – „slechts mijn vaderlijke vriend mogt het weten, waarom mij de prijs was ontgaan; hij had Grietje weinig minder lief dan ik! – En zoo gij het nu verneemt,” – besloot hij zijne vertrouwelijke herinneringen, – „het is al ter zijner verdediging, – hij zou eenzijdig zijn, hij vooringenomen met onze kunst, tot miskenning der uitheemsche toe? Wie anders dan hij was het dan toch, die mij weinige weken later in staat stelde in den vreemde te reizen; die mij, het hem uit onzen briefwissel bleek, dat ik Parijs niet vergeefs had bezocht, schreef: – „Verder, vergelijking vormt!” – wie andere dan hij, die er credieten en recommandatiën,, naar Rome toe, bijvoegde? –”

„Maar die er dan nu ook het genoegen voor smaakt, dat in u de geest van wat het veledene goeds en groots had, herleeft,” bekeerde zich de vriend, die zoo even de bedenking had geopperd.

„Stil,” viel de Witte in, „gij overschrijdt de voorwaarde, onder welke, gij dwaalt af van het doel, waarmeê wij elkander onze vroegste herinneringen zouden mededeelen.”

„Erkentenis,” zei de criticus, „voor allen en voor alles, dat tot onze ontwikkeling bijdroeg –”

„En genezing van den eigenwaan, of wij deze slechts aan ons zelven zouden verpligt wezen,” eindigde de schilder.

Er zullen onder onze lezers zijn, hopen we, voor wie de overeenkomst in den toestand, de tooverkracht, die eene ondergegane wereld uitoefent, en hare wedergeboorte door de kunst, gene vingeraanwijzing behoeft; – er zullen ook zijn, dien de geene afwijking niet ontgaan zal tusschen de poëzij, zoo als zij profetisch het voortleven van den geest des verledens doet verzachten, en de proza, zoo als zij practisch de worstelingen met het heden aanschouwelijk maakt; – er zullen zijn, die meer en die minder opmerken; – maar het grootste getal vraagt; waarschijnlijk het bewijs, dat de bede, waarmede Göthe zijn dichtstukje besloot, ook voor de Witte werd vervuld; – willen zij met Thoossens en Laure, die voor zijne woning stil hielden, hem in zijn atelier een bezoek geven?

Hoe waar is het, tot bij hem toe:

The child is father to the man.

Immers, er moge dáár ginder, waar Laure zich vast gemakkelijk op een phantaisiestoel neêrvlijt, er moge dáár, om die keurig gebeeldhouwde tafel, op dat velvet-carpet gelegenheid wezen pour récipier son monde comme il faut, hier in dezen hoek van het atelier, hier zijn nog heugenissen uit de loods, – de schemering, het hooge licht, de ouderwetsche wereld om ons heen. Van vreeze, dat wij in Wouter de Witte maar een modeschilder zouden aantreffen, wijkt alle zweem; of durven dezulken over hunnen arbeid het oordeel inroepen van het onsterfelijk drietal hier vertegenwoordigd? Gij groet een meesterstuk van den gelukkige, die de schilder der vorsten en de vorst der schilders mogt heeten. En nu boeit u eene schilderij, – gij ziet hel de meer dan deftige, de edele houding, den belangwekkenden blik, de niet enkel welgevormde, de hooggeboren handen bij den eersten oogopslag aan, – die wij het penseel van den dertigjarige verschuldigd zijn, aan wien de natuur zoo groot een zin voor wereldsche beschaving had bedeeld, dat hij het slagtoffer harer weelde werd, dat hij, in den bloei des levens, den overvloed harer genietingen, aanzien, minne, vermogen, roem, adeldom, liefde zelve, bestierf! – Laatste, maar liefste der drie, – doch ge zijt ons al vooruitgesneld, ge verlustigt u vast in die eigenaardige wereld door onzen schepper van licht en bruin gedacht en geopenbaard; – de Witte heeft begrip zijner taak; Rubbens, van Dijck, Rembrandt, verkondigen hem die!

Opdat ge niet over eenzijdigheid klagen moogt, er zijn hier heugenissen uit het land,

Che astura dall’ altre ha divisa,
E ricinta oll’ Alpe e col mar;

doch zoo ze schaars blijken, wenschtet gij dan, dat ze zijne modellen waren?

Intusschen, Laure is gekomen om „uitgeschilderd” te worden; Thoossens heeft het aan de Witte verteld.

„Zonden wij niet eens een paar portretten van u mogen zien?

„Ik heb er slechts – die nog onder handen zijn,” antwoordt de kunstenaar.

En hij neemt een pas aangelegd, een nog half in de doodverw wegschuilend stuk den ezel af.

Ah! Le monstre,” zegt Laure, er een blik op werpende, eer het tegen den wand wordt gekeerd.

L’ébouche ou le visage?” vraagt de Witte lagchend; hij behoefde het mooije Creooltje maar te zien, om te begrjpen, dat de ouderdom haar schrik zou aanjagen. En hoe juist hij haar had beoordeeld, het is u gebleken, want liet stuk droeg de trekken onzer Douairière; als hij het voltooijen mag, zoo als het hem voor den geest staat, zal hij het voor geene tien Laures willen missen.

Het zij verre van hem, dat hij daarom onbillijk jegens haar zoude zijn. Toen zij binnenzweefde, heeft hem het keurige harer kleeding, de schaarsche smaak in de keuze der kleuren onwillekeurig verrast; hare oogen verraden geest en gevoel, van welke soort zeggen wij niet; de Witte zou voortdurend biechten!

„Een andere toets,” zegt hij in zich zelven, terwijl hij de beeldtenis aan het licht brengt van eenen vriend, in een gelukkig oogenblik geestig opgevat; een der weiuige, waarover hij zelf tevreden is.

„Een muzicus!” roept Laure.

„Kent u den componist?”’ vraagt de Witte.

Du tout,” is haar antwoord; „maar men ziet het den man aan; het is minder

„The poet’s eye, in a fine frenzy rolling,

dan een oor, dat met liefde luistert naar the sweet sounds, die slechts hij hoort –”

„Ik wenschte, dat mijn vriend hier ware,” valt de Witte verrast en gestreeld in; – och ja, kunstenaars zijn ook maar menschen, ook maar mannen! – „het zou hem moed, gewen, dat hij zijne roeping volgt in het streven naar eenen roem, die hem de begeerlijkste ter wereld schijnt. Een muzicus is ten onzent maatschappelijk niet te benijden; middelmatigheid in zijn vak is het ergste martelaarschap; de onafhankelijkheid is schaars zelfs den meester weggelegd.!...”

„Het getuigt, van uw talent,” deed Thoossens zich hooren, „dat mijne vrouw dadelijk de specialiteit van dien kunstenaar ried.”

„Het getuigt voor den kunstzin van mevrouw, maar – voor mij... minder dan gij gelooft, mijnheer!” keerde de Witte den lof af, „het gelaat geeft doorgaans getrouw den gemoedstoestand. weêr; zoo er veel onbeduidende portretten zijn –”

„Er ziin ook veel onbeduidende personen, –” had Thoossens het gezond verstand zelf aan te vullen.

Laure weêrhield noode een glimlachje.

Willis verkondigt slechts waarheid in zijne klagt, dat zoo menig uitstekend man door zijn portraitteur werd mishandeld, en heeft alle regt vernuften den wenk te geven, in dit opzigt, om den wille van het oordeel, dat de nakomelingschap over hen vellen zal, niet onverschillig te zijn. Indien de opmerking juist is, zegt hij, dat de onvergankelijkste geschiedenis in munt wordt geprent, – de sprekendste biographie, – wie, die ze ziet, durft het loochenen? – schuilt in portretten. Lang nadat het boek, en de indruk des karakters, dat het u tracht te verduidelijken, uit uw geheugen is gewischt, blijven trekken en houding van den held of den dichter, zoo als u die door eene schilderij voor den geest staan, onverflaauwd, en wordt de meening, door de laatste opgevat, de heerschende. En wie zoude dan gaarne daarnaar worden beoordeeld, als het penseel of onhandig of ondeugend geweest is? Zelfs Bilderdijk niet, getuige zijn versje op zes of zeven zijner afbeeldingen! Maar als wij tot dusverre met den Amerikaan instemden, het schort toch ook waarlijk niet alleen aan de schilders onzer dagen, dat ge tentoonstelling bij tentoonstelling kunt bezoeken, zonder verrast uit te roepen, als ge deedt, toen ge voor een Miereveld of van der Helst stondt: „Er schuilt gedachte in dat brein, er is ge in dien blik!” Schrijf het toe waaraan ge wilt, aan de verbastering van ons volk, of aan onze veelzijdiger vorming, maar de krachtige, de kernige karakters worden zeldzaam, en ongelukkig de kunstenaar, die zich geroepen ziet om allerlei halfheid vereeuwigen, om onze flaauwe figuren aan de onsterfelijkheid op te dringen.

Weêr beurde de Witte, maar ditmaal zonder voorbedachte rade, een ander stuk, dat tegen den wand gekeerd had gestaan, den ezel op; want toen hij den indruk gewaar werd, dien het maakte, bleek het, dat hij juist niet dit had willen kiezen; hij mompelde:

„Is het nog niet naar boven gebragt!”

Laure hoorde hem niet, Laure staarde het verrukt aan.

Attente!” zeide zij, en had het op nieuw geraden; die schoone beidde in dat landschap blijkbaar haren minnaar; maar deed zij het in hoop of in vrees? Gij zoudt het u zelven onwillekeurig hebben afgevraagd; want het bevallige beeld boeide niet slechts, het boezemde ook belang in. Een ogenblik starens, en ge twijfeldet niet langer: zij vreesde meer dan zij hoopte!

„Eene phantasie?” vroeg het mooije Creooltje.

„Vergeef mij, mevrouw! een portret –”

„Ik heb het origineel gezien,” zei Thoossens.

„Waar? – wanneer? riep de Witte.

„Het wil mij niet invallen, – maar lang kan het kwalijk geleden zijn –”

„Hoe ik wenschte, dat ik uw geheugen te hulp kon komen,” zeî de schilder; „mij is het onaangenaam, dat stuk nog in mijn atelier te hebben.”

Artiste!” viel Laure in.

„Mevrouw!” hernam de kunstenaar, „verdenk mij niet van meer onvoldaanheid met mijn werk, dan mij voor menig voltooid schilderij onverschillig maakt...”

Hij hield eensklaps op.

„Maar gij wenscht slechts, dat men dit stuk ware komen afhalen? vulde Thoossens aan.

Laure zag naar de Witte op, of ze in zijne oogen het geheim lezen mogt.

Je suis curieuse!” vleide zij, met meer gemeenzaamheid dan eene Hollandsche zich na eene maand verkeers zou hebben veroorloofd.

„Er schuilt mogelijk – niets achter,” zei de Witte; „doch daar mijnheer meende zich te herinneren, die dame te heb gezien –”

Attente,” herhaalde Laure peinzende.

Attente!” zeide ook de kunstenaar; „het waren zulke zonderlinge zittingen: décence, grâce, mystère, ik heb ze nooit zusterlijker vereenigd gezien.”

Het mooije Creooltje deed of zij het niet hoorde, en echter haar ontging geen woord; maar zij zou den sleutel van dat raadsel heden niet vinden.

De Witte zag om naar de deur.

Een knecht kwam binnen en diende een ander bezoek aan.

„Doch voor mijnheer is er geen belet; – Hein! ik heb het u immers eens voor al gezegd –” knorde de meester.

„Ik wilde mijnheer binnen laten gaan,” luidde de verontschuldiging, „maar mijnheer zei, ik zou eerst belet vragen, omdat mijnheer gezelschap meêbrengt –”

En wie is dan toch die mijnheer, die vrijen toegang schijnt te hebben in het atelier? Ook wij rigten nu den blik naar den ingang, – wie het eerste binnentomt, is geen mijnheer, is Maria Hudde, gevolgd door – laat zien, of uwe devinationsgabe niet zijn naam reeds ried – gevolgd door oom Frits.

Het spreekt van zelf, dat de inséparable van de jonkvrouw hem op de hielen treedt.

„Excuseer,” zegt de Witte tot Laure, – „een oogenblik”, wil hij er tot Maria op laten volgen; maar alle verontschuldiging is overbodig, de dames blijken bekenden.

Ce que femme veux, Dieu le veut,” lacht het mooije Creooltje, terwijl zij aan Huibert’s verloofde vertelt, hoe zij hare geukwenschen bij de Hudde’s had willen beginnen, hoe haar heer gemaal s’y opposait, en hoe zij nu toch den voorrang geven mag à qui de droit.

„Maar het was mijn pligt, het was mijn plan geweest toe te geven, ma chère!” vaart zij voort, „vanhier zouden we naar de van Veeres zijn gereden; oh, j’en fais tant de bous projets!”

Thoossens ware er de man naar geweest, aan te merken: l’enfer en est pave!” naar hij hoort het niet; door Huib aan oom Frits voorgesteld, heeft hij de onvoorzigtigheid te betuigen, dat bij lang reeds verlangde de kennis te maken van een man,

Een man, en zelfs een men.... een man, die daarenboven....

„Een man, die geenerlei invloed heeft, mijnheer Thoossens!”

„Maar, mijnheer Rievens!”

„Die niet voor geleerde heeft gedeugd –”

Maar, mijnheer!”

„Waaruit niet eens een koopman groeijen wilde –”

„Maar –”

„Doch die, al zegt hij met Huygens:

„ „Veel hebb ick willen doen, meer hebb ick moeten dragen,”

er zich zijn leven lang te zeer vrij van hield, om op zijn ouden dag –”

„Zóó zuur te zien,” – viel de schilder in; – „iemand, wiens gansche geschiedenis in de weinige woorden valt zaam te vatten:

„And learnd the luxury of doing good.” ”

De Witte had, slechts goed gezien, hoe pijnlijk het onzen ouden vriend onder dien onverwachten aanval der beleefdheden van Thoossens te moede werd, hoe streng hij er hem misschien voor straffen zou – om straks de eerste te zijn, die er deernis, die er wroeging over gevoelde.

„Wouter! ik dank u,” – was het antwoord van oom Frits, – gij weet den waren weg in te slaan om mij van mijn stuk te brengen,” – en voegde er zachtkens bij; – „uwe overdrijving is gemeend!” Luide liet hij er op volgen: „Ook kwam ik om heel iets anders hier dan om te knorren; maar mijnheer en mevrouw zijn eerst aan de beurt...”

C’est une affaire arrangée,” zeî Laure, „si Monsieur veut bien m’accorder la grâce de se charger de mon portrait?

De Witte boog zich.

A vous le choix de jour, comme celui de ma pose,” voer Laure voort, à vous même celui de costume.”

De Witte betuigde dat hij, in dat opzigt, alles gerust aan haar kon overlaten.

„U is toch maar de populaire schilder,” meende Thoossens te vleijen.

„Mijnheer!” hernam oom Frits, „zeg dat nooit weer, als wilt dat de Witte van mevrouw een mooi portret make – populaire schilder, populaire kunstenaar, populaire dwaas! „My art flatters nobody by imitation; it courts nobody by smoothness; it tickles nobody by petiteness; it is without either falde-lal or fiddle-de-die: how then can I hope to be popular?” zeî Constable, „en het is de Witte’s glorie, al levert hij portretten, dat hij het dien landschapschilder na kan zeggen.”

„Ik wilde slechts opmerken,” antwoordde „de eeuwige kandidaat” weêr linksch, „hoezeer de kunst van mijnheer ook de moeijelijksten weet te voldoen – ah, certes, Laure! Tu es difficile, très-difficile! – en daarom dacht me dat iemand, die zoo goed den smaak des publieks weet te treffen...”

„Smaak des publieks,” viel oom Frits in, „smaak des publieks, weet u wèl hoe de Witte daarover denkt?”

„Ga uw gang,” zei de kunstenaar.

„We zullen straks quitte zijn, Wouter! Het gaat hem als Horace Walpole; „public taste,” zeî die, „public taste is the taste of the public, and it is a prodigious quantity of no taste, generally gouvernes by some very bad tast.

As witty as true,” lachte Laure.

„En daarom tracht hij zijn eigen weg te gaan, in de historie als in het portret, verzekerd dat de menigte wel volgen zal, als hij de kunst maar verder brengt, – en is gelukkig niet de eenige die dat doet! Gudin waagt het op zee, Edwin Landseer in de dierenwereld, Calame in het landschap – Wouter! zou de rekening effen zijn!”

„Als er in uw lof de helft der waarheid school, waarmeê ik uw karakter aangaf...”

Oom Frits reikte hem de hand.

„Hoe de kunst u begeestert, oom!” zeî Huib.

„En het hart, jongenlief!”

„Is begeesterd wel Hollandsch?” vroeg de onverbeterlijke Thoossens.

„Ik moet u al weer de les lezen,” lachte oom Frits; „u heeft Southey bestudeerd?

„Bestudeerd? dat is wat kras, mijnheer Rievens! maar gelezen, ja!”

„En dan zeker de plaats overgeslagen, die ik allen puristen onder de oogen zou willen duwen, als zij er zich aan ergeren, dat wij onzen verwanten een woord ontleenen, voor wat zij beter gevoelen dan wij. „I can tolerate,” zegt Southey, „a Germanism for family sake; but he who uses a Latin of a French phrase, where a pure old Enlish word does as well, ouhgt to be hung, drawn and quatered for high treason against his mothertongue.” Of we zoo verdraagzaam en onverdraagzaam wierden!”

„En mag ik nu eindelijk weten,” plaagde de Witte onzen ouden vriend, „wat anders dan knorren...”

„Ik bezorg u een buitenkansje, lachte oom Frits; „gij hebt zeker tien malen van uw leven verdriet geschilderd tegen eens vreugde, en toch zijt ge in dat opsigt nog de ergste nieuwere school niet. –”

De Witte schoof voor zijn ezel, ten einde de blik van oom Frits niet op Attente vallen mogt.

„Onze ouden begrepen dat beter, voor ben was leven lust; al wisten zij het zoo wel niet uit te drukken, zij bragten het in beoefening:

„Nicht in Rom, in Magaa Gräcia;
Dir im Herzen ist die Wonne da!
Wer mit seiner Mutter, der Natur, sich hält,
Find’t im Stengelglas wohl eine Welt.”

Ma foi! je n’en comprends goutte,” zeî Laure.

„Het is ook te germaansch voor u,” schertste oom Frits; de Witte, ik kom u gelegenheid geven geluk te schilderen.”

En hij bragt Huibert en Maria tot elkaêr.

„Hier hebt gij uwe modellen:

„ „Wij zijn in ’t soetste van ons jeught.
In ’t klaerschoonste van ons tijd,” ”

haalde oom Frits uit een onzer oude minnedichters aan.

„Geluk in den knop,” zei de kunstenaar; „ik zal mijn best doen; maar of ik er in slagen zal, als toen ge mij geluk in vollen bloei opgaaft –”

„Mag ik, de Witte?” vroeg oom Frits, naar eene schilderij gaande, waarvoor eene groene gordijn hing, – die door de magere vingeren van onzen ouden vriend werd ter zijde geschoven, toen de dankbare kweekeling antwoordde: „Wat heb ik u te weigeren?”

Geluk in vollen bloei! – eene beeldschoone moeder speelde met twee kinderen, – het meisje lag aan hare borst, het jonkske hield, zijn zusje een paar rijpe kersen toe, waarnaar het mollige bandje greep, – en, zich over die groep buigende, staarde van uit den achtergrond de benijdenswaardige man en vader de weêrgalooze weelde aan – het was de Witte zelf.

„Als ik geïnspireerd wil worden, gaat die gordijn op zij,” getuigde hij.

Thoossens alleen brak het stilzwijgen af met een onverdragelijk: „Uitstekend!” – Laure, zij zuchtte naauw hoorbaar, maar zij zag toch eens naar Attente om; – Maria wischte met hare slinke hand de blonde wimpers af, terwijl Huib hare regte hartelijk drukte, – en de laatste, de gelukkige, dacht aan Claes Govertsz en Leentje Veeling, voor wie een dergelijk verschiet bewolkter was geworden dan ooit.

„Wat zouden zij zeggen, zoo zij dat wijfje zelf zagen,” fluisterde oom Frits de Witte toe.

„Zij zouden vinden, dat ik haar te veel had geïdealiseerd,” schertste de schilder; „het is immers nog altoos waar:

Denn der wunderlichsten Richter
Ist die liebe Welt so voll.”

Hoofdstuk VI