E. J. POTGIETER (1808-1875)

SALAMAGUNDI.

VI.

Hoofdstuk V

 

Een kreet van verbazing weÍrklonk door de kleine maar keurig gestoffeerde zaal, in welke Henry West een vijftal zijner vrienden onthaalde, – wat had hij hun dan toch meÍgedeeld?

„Eer ik dat geloove...” zei de een.

„Over twintig jaar doen wij ’t allemaal,” riep de ander.

„Niet voor St. Jutmes,” beweerde de derde.

„En die is in den kalender zoek.”

Henry West liet het hen uitroepen; Henry West staarde den kring zijner gasten rond, tot hij de oogen van den vijfde ontmoette. Er was geen woord over de lippen van dezen gekomen, en toch leverde hij van allen het sprekendst beeld der verbazing op; – zijne vingers vergaten het gevulde glas op te heffen – het geviel op het nageregt, en de wijn had bouquet.

„Paul! het is zoo, de liefde dreigt mij te bekeeren,” betuigde Henry.

Maar Paul antwoordde daarom nog niet.

„Onmogelijk,” nam de eerste spreker, nam Dirk het woord zich tot den gastheer wendende; Dirk, dien ge dadelijk zijne overvoeding zoudt hebben aangezien; „onmogelijk, ge zijt er nog veel te jong toe, om u nu al op diŽet te zetten.”

Henry vergenoegde er zich mede het hoofd naar dien jongsten der losbollen om te draaijen en hem aan te zien – het volstond voor wederwoord. Immers, zoo we bij onze eerste kennismaking West ijdel hebben geschetst, ijdel op zijne boucles en zijn moustaches, „beide onberispelijk krullende, beide glanzend bruin,” we zouden hem onregt doen, als we nu verzwegen, dat mannelijke schoonheid hem in groote mate was ten deel gevallen, dat hij nog eene fraaije studie aanbood voor mannelijke kracht. Wel verre dat de blik der groote donkere kijkers, van uitputting zou hebben getuigd, straalden deze van een vuur, waardoor het vermoeden van Dirk niet slechts werd gelogenstraft, maar dat Dirk tevens waarschuwde op dien toon niet voort te gaan.

Er was nog geen champagne geschonken; Dirk begreep den wenk. En Henry’s opwelling van geraaktheid bleek al overgedreven; maar, zoo wij haar hadden verzwegen, we zouden een trek hebben gemist, die de twee compagnos de dťbauche verschil toetst; we zouden de gelegenheid hebben laten glippen ieder zijne eigene nuance te geven.

Alle genot, dat Dirk najoeg, was grof zinnelijk; an overflow of animal spritits gaf zich bij hem in losbandigheid lucht. Wanneer hij niet in den schoot der weelde was opgevoed geworden; wanneer hij het licht had gezien in een tijdvak, dat, minder dan het onze, rust waarborgde aan wie rijk is, Dirk zou misschien op zee hebben gezwalkt, en dan zeker zoowel de koenste als de kloekste der maats zijn gebleken; of Dirk ware de eerste geweest, die aan het hoofd der dapperen eene bres binnendrong, en het vaandel op den veroverden vestingwal plantte. Bij den jongen heer onzer dagen echter waren, zoowel op de bank van de kostschool, als op de kruk van het effecten-kantoor, de teugels, die men beproefd, had hem aan te leggen, de teugels van opvoeding en beschaving, te kort geschoten; een aard, die gewoel en gevaar behoefde, als de overvloed van kracht weldadig zou worden afgeleid, was warsch van studie als van stil zitten. Het werd hem gewoonte zich voor den dwang, dien het eene als het andere hem beurtelings aandeed, schadeloos te stellen en te wreken door allerlei uitspattingen; uitspattingen, waaronder er waren, wier gedachte alleen Henry’s walging wekte. Slaaf zijner zinnen als Dirk, maar in meerdere rigtingen ontwikkeld, begreep West niet, hoe deze van genot gewagen kon, waar het eerste goudstuk het beste op dezelfde gunst aanspraak maken mogt, – waar voor Henry’s verbeelding, hoe overigens ook verontreinigd, het geslachtsverkeer nog beneden dat der dieren daalde: de bevrediging van een beestelijken lust aan de eene zijde, de bijwijlen afkeerige, de altijd gedwongen inwilliging aan de andere, louter om het geld.

En echter verkeerden die twee op vertrouwelijken, vriendschappelijken voet?

Wanneer men eene vraag met eene vraag mogt beantwoorden, wij zouden er op laten volgen: of Henry dan zedelijk zoo veel hooger stond dan Dirk? Doch de oplossing van dien twijfel aan het voltooijen onzer schets overlatende, vergenoegen wij ons met een enkelen uitroep, waartoe de bedenking waarschijnlijk reeds enkele onzer lezers heeft verlokt: Alsof alleen het spel bonte groepen zou opleveren, alsof de band der ligtmisserij niet evenzeer de grootste verscheidenheden omstrikte.

De tweede gast levere er ons het bewijs van.

„Jours de paix et nuits d’amour,
„Le diable y perdra son tour;”

zat hij te neuriŽn, met de woorden des volksdichters, die wŤl verbaasd mag hebben opgezien, toen de vriendschap hem die lofspraak op den echt ontlokte.

„Haal Bťranger niet aan,” roept Henry, bevreesd voor de pijlen, welke er in dien overvollen koker steken.

„Maar ik ken Burns niet van buiten,” is het antwoord; dat getuigt, hoe goed, de gast weet, welk dichter het best bij de veranderde stemming des gastheers passen zou; dat beide geest en gevoel verraadt; – Gus werd er indedaad door de natuur mede bedeeld; hoe komt Gus in dezen kring?

Het groote vaarwater der maatschappij levert voor iederen haar blinde klippen zonder tal op, maar de jeugdige arts wordt niet slechts in meerdere mate, dan misschien iemand, anders, door gevaren van dien aard bedreigd; hij ziet zich bovendien aan boord geklampt door de vreeselijkste kwelling, die zijn leeftijd denkbaar is – door de verveling!

Gus, de vijf en twintigjarige, de praktiserende geneesheer zonder praktijk, had getracht het spook bij zijn eerste verschijning te ontvliÍn; helaas! het was hem in de groote gezelschappen, welke hij er om bezocht, op de hielen gevolgd; hij had er meÍ moeten walzen; hij had er meÍ moeten whisten; hij had er mede gedineerd en gesoupeerd; hij had er vooral mede gepraat als een onderhoud met de verveling praten heeten mag! Wat was het een noodlottig besluit geweest, dat hem in overijling zijne studeercel ruimen deed, zoodra de grevreesd hem in zijne bibliotheek aangrijnsde, zoodra auteur bij auteur, dien hij vergezellen wilde bij waarnemingen. Welker toetsing op de werkelijkheid hem ontzegd scheen, bij het beproeven van middelen, die hij zich niet vleijen mogt ooit geroepen te zullen zijn kranken voor te schrijven, hem de geeuwzucht op het lijf joeg. Stond hij minder voor aanvallen van deze bloot, sinds hij der wetenschap, taai als ze zijn mogt bij gebreke van toepassing op het leven, den rug had gekeerd? – Het was er verre van! Of viel het hem niet zwaarder dan ooit, die te weÍrstaan in deze gezellige vereeniging voor, en gene gezellige vereeniging na, welke alle slechts daarin overeenkwamen, volstrekt niet gezellig te zijn? Hij walgde er weldra van. – Eene verdubbelde inspanning van geest, vleide hij zich, zou hem met zijn vak verzoenen, – vraagt gij hoe het ging? Al sloot hij zich, der uitspanningen moede, weder in zijne kleine kamer op, al ontstak hij andermaal zijn lamp, de engheid der eerste had het huiselijke niet meer, dat hij vroeger waardeerde, en bij den stillen schijn der laatste wilde het hem toch maar niet helder worden, waarom hij zoo lang wachten moest! De avond scheen niet om te zullen gaan; eene seconde werd een minuut; eene minuut een uur. Eensklaps – maar hoe drommel kwam de dwaasheid bij hem op? – eensklaps – doch het kon niet zijn, want hij was alleen, met zijne oude auteurs alleen, – eensklaps suisde hem de klank van enkele woorden langs de ooren, door hem in de velerlei wereld, welke hij bezocht had, opgevangen; – hoe zij herinneringen verlevendigden uit een tijdvak, dat hij voor hem gesloten had gewaand, – beelden uit den studententijd, die hem op nieuw aanlokten, op nieuw meÍtroonden...

Henry was zulk een vrolijk, zulk een volmaakt gastheer; en zoo hij de vinding van Kepler in de toebereiding der schotels wist te waarderen, hij had evenzeer zin voor het vernuft, waarmeÍ Gus den disch kruidde, – het laatste had voor West al het piquante der nieuwheid, die de eerste al vast begon te verliezen.

Er was iets streelends voor de ijdelheid van Gus, dus niet enkel door den gastheer, dus ook door de overige dischgenooten te worden gevierd; en echter, op iedere orgie kwamen oogenblikken, waarin hij er geen vrede meer meÍ had, waarin zijn val hem wee deed, waarin hij wenschte op te kunnen staan, – waarom bleef het slechts bij den wensch? Bťranger en Burns, zij waren daar in ťťnen adem genoemd; zij schenen onder het inschenken van een ander glas – een nieuwe fijnen flesch ging rond – door de mede aanzittenden vast te zijn vergeten; maar het was hem, of de liefde, zoo als de eene en de andere dichter zich die dacht, voor zijn starenden blik verrees en zij met elkander om den voorrang dongen.

Wilt gij een oogenblik met hem mijmeren; met hem toezien?

Een schalk ding, die bevallige brunette! jammer dat zij weet dat zij mooi is! Beminnelijk, dat blijkt ze, – maar behaagziek tevens; iedere harer gebaren is berekend. En echter, ge zoudt het haar, om den wille van den geest, die, voortdurend en toch steeds verrassend, uit hare oogen vonkelt, ten goede houden, dat deze zoo zelden een zweem van gevoel verraden, dat ze nooit drijven in zoeten droom, als er maar niet bij wijle, als er vooral niet zoo dikwijls louter lust uit hare oogen lonkte! Het maakt haar leelijk, het lokt de vraag op de lippen: zou dat liefde zijn! Zij moge de hoogste vreugd geven, voor de hoogste deugd vormt zij niet! – Anders ziet het blonde kind, er uit, dat we thans eerst aan hare zijde gewaar worden. Neen, noem haar niet boersch; die beschroomdheid maakt haar te bekoorlijker; het blaauw des hemels moge helder zijn, ons boeit het blaauw harer kijkers nog meer. Daar zweeft zij luchtig voor u uit, en laat den halsdoek golven op den adem van het windje, en de bloote blanke beentjes uwen blikken prijs, maar bewaart toch den gordel, die der eerste onder al hare tooisels ontbrak, den gordel der schaamte!

Ze zouden u uitnoodigen tusschen de beide meisjes, tusschen de stad en het veld te kiezen, als me niet geloofden dat onze opmerkingen al vonnis hebben geveld. Intusschen, de tweeŽrlei liefde weet niets van den indruk, dien de eene en de andere op ons hebben gemaakt; zij zetten haren wedstrijd voor Gus voort. Hoe de Fransche, de telg eener ziekelijke, zondige beschaving, laag neÍrsiet op de Schotsche, die dochter eener forsche, frissche natuur; – er is sprake van wie van beide den palm weg zal dragen, en de laatste staart schuchter voor zich, wel wetende, dat zij verre is van vlekkeloos rein te wezen; – de eerste daarentegen treedt toe, de eerste roept: „mij die krans!” Hoe zij hare aanspraken gelden doet! Weet gij eenig middel om te slagen, waarvan zij den greep niet meesterlijk heeft gevat? zijn er treken om te behagen en te boeijen, die zij niet kent? noem al de prikkels der zinnen op; geen van deze of zij heeft ze gescherpt! En te loochenen valt het niet, genot belooft ze, en genot geeft ze, weelderig, verfijnd genot, – maar gendt Van een oogenblik, – de andere zaligt een leven lang! Arme minne van Bťranger! terwijl gij u te goed doet op de aanvalligheden uwer gestalte, uwe ronde armen, uw kleinen voet, uwe volle schouders, uw frisschen mond, bekent de liefde, door Burns bezongen, dat ook zij hare zwakke oogenblikken van begeerte had, in scha‚uw der dennen, en tusschen de schoven gerstegraan; – maar als de laatste uit hare bedwelming ontwaakt, en weder de wieken der verheffing aanschiet, als zij den bloei eens volks waarborgt, door hare hymnen een echt te heiligen, om rang noch om goud, louter uit neiging des harten gesloten, – als zij dien gelukkig prijst, gelukkig, tot in uw schrikbeeld, tot in de grijsheid toe, – hoe verre blijven dan uwe akkoorden bij de hare achter, hoe sterven zij weg in het stof, waaraan gij gekluisterd schijnt, – de hemel, dien zij geopend ziet, is voor u slechts een voorwerp van spotternij, van de aarde blijkt gij aardsch!

Gedachten als deze gingen Gus door het hoofd, want de losbol was ook medicus, was ook mensch, – maar zijn regter-buurman stiet hem aan, of hij zijn beker niet vullen, of hij de flesch niet verder reiken wilde. En Bťranger en Burns weken op den achtergrond; hij zat weder op het feest.

„Een glas ? vroeg hij den jonkman aan zijne slinke, – „ een glas – ?” en zag naar het etiquette om, welke wijn er rondging.

„Dankje,” zuchtte deze.

Gus schonk ook zich zelven niet in; Gus liet passeren.

„Hoe ? riep de gastheer, wien weinig ontging, „geen beide een glas hermitage? wat schort er te avond aan; droomt.... ?”

„Het is uw eigen schuld,” mompelde de linkerbuurman van Gus, de gast, die gezworen had, dat bij niet zou trouwen op St. Jutmes, „ik herinner mij –”

„Mine eerste, neen, mijne een’ge liefde,” declameerde de jonkman, door wien die heilige in den kalender zoek was verklaard.

„Steek den draak met wat ge wilt, Albert!” hernam de melancholicus, met zoo wigtig een gezigt, als bij zoo log eene metaphora paste, „maar niet....”

„Maar niet met mooi-Geertje, die Brechtus bij den neus had,” plaagde Albert den suffer, „welnu dan – hare gezondheid!” en de hermitage dreigde over de tafel te stroomen, maar bepaalde zich tot een rouge-bord.

„Laat staan dat glas,” borst Brechtus uit, „of het is met onze vriendschap –”

„Gedaan? Viel Albert in, „neen, maat! dat om geen tien mooije Geertjes, – dan liever op uwe beterschap!”

„Maar ik ben niet ziek...”

„Niet ziek ? schaterde Dirk, „en ge hebt een schepenkennis op het gezigt, wat ben je me.”

„O hadt gij ooit lief gehad zoo als ik; ooit gedacht zoo gelukkig te wordenl – doch ge hebt gelijk, jongens! mij uit te lagchea, – ook had ik mij voorgenomen er mij nooit weÍr in te verdiepen...”

„En u op de trouwlooze te wreken.”

„iIn haar gansche geslacht, – reik mij de flesch,” bad Brechtus.

O dwaasheid, o gruwel! – mooi-Geertje, die vier of vijf jongelui beurtelings hoop en vrees had ingeboezemd, beurtelings voet gaf en terugwees, mooi-Geertje coquetteerde met Brechtus, toen hij haar eene betere partij scheen dan een van die allen; mooi-Geertje liet Brechtus loopen, zoodra zij een vogel met nog zeldzamer veeren in haar net had gelokt; mooi-Geertje, thans vrouwe, mevrouw et ce qui s’en suit! En Brechtus had den hemel niet gedankt, den strik te zijn ontsnapt der verachtelijke, die veiler was geweest dan menige gevallene, –, maar onder voorwaarde van inzegening! En Brechtus meende zich het regt te hebben verworven, uit de hoogte neÍr te zien op eene kunne, die tegen de enkele, welke zich zoo duur mogelijk verkocht, honderden van de onze zou kunnen aanwijzen, die, zonder eenig gewetensbezwaar, het droevig overschot hunner jeugd in ruil geven voor het vermogen eener erfgename, – die de onschuld haars harten, die de reinheid van haar gemoed slechts op den koop toe nemen, – wien geene huivering door het verdord gebeente rilt, bij de gedachte, hoe zij al hare verwachtingen van het leven zullen te leur stellen! En Brechtus had zich geroepen geloofd, had gedroomd, wrake te nemen in de omarming dier beklagenswaardigen, de prooi der ontucht geworden uit vergeeflijker oorzaken dan de zijne: – dewijl zij van kindsbeen af, in de armzalige verblijven harer ouders, gemeenzaam waren geweest met de zonde, of dewijl de schoonheid te gevaarlijk eene gave was gebleken, waar geenerlei opvoeding de ranken der ijdelheid had gesnoeid, geenerlei godsdienst de handen had leeren vouwen, of dewijl een onbedacht, dweepziek, toewijdend vertrouwen niet had weten te weigeren, neen, slechts een blijk had meenen te geven, met hoe weinig zelfzucht het beminde, toen het der begeerte ten offer werd of dewijl, schrikkelijkst van al! dewijl gebrek haar ten val had gebragt, zoo niet gedwongen!

Leg toch den Brechtussen, als zij van hunne ongelukke liefde spreken, het zwijgen op; wat andere hebben zij gezocht dan zich zelven?

Hij klinkt met Albert.

„Gastheer!” roept de laatste, „een paar vragen.”

„Ik luister al,” herneemt Henry.

„Paul zit een toast zaam te flikten, – wat schudt gij neen, zoudt ge andere zoo stil zijn? – mij vallen de voorwaarden in, waaronder men uit dezen kring ontslagen wordt. „Ieder onzer staat het vrij in de fuik te gaan, wanneer hij wil,” heette het bij mijne inwijding, „mits zijne keuze van dien aard zij, dat ze tot glorie van het gezelschap strekke.” Losse jongens was het met andere woorden, moeten de beste partijen doen; het heugt u, zie ik, uwe aanstaande...”

„Maar ik ben nog niet verloofd,” valt Henry in.

„Geene uitvlugten,” beweert Albert, „de naam blijve uw geheim, maar haar signalement moeten wij hebben, – is de dulcinea jong?”

„Twijfelt ge er aan?

„Mooi ?

„Daar is mijn smaak borg voor..”

„Rijk?”

Henry knikte ja.

„Van goeden huize?”

„Overoud,” roept de gastheer.

„Uw toast, Paul! Uw toast, – al zullen wij er alles bij verliezen, zulk een meester te missen.”

Of Albert de eenige ware, die onder de losbollen blijkt gegaan, om zich te vormen; – om voor het verkeer met vrouwen dat vrije te verwerven, vaak op hooger prijs gesteld dan kieschheid, achting, eerbied; – om dien gemeenzamen toon aan te leeren slaan, die zoo gezellig heet, en echter slechts gemeen verdient te worden genoemd, dewijl de versmading hem ingeeft: familiarity breeds contempt. Er moet toch iets aan de opvoeding onzer meisjes haperen, anders kon ligtmisserij geen aanbevelingsbrief bij haar zijn. De voorstelling, den vlugtige te boeijen, heeft voor den hoogmoed veel aanlokkends, al heet het lieve kind er alleen op uit te zijn om den verdoolde teregt te brengen. En echter, het ware te wensehen, dat zij wel wist wat zij beproefd, – want naauwelijks een enkele maal van de tien gelukt het laatste; maar tien tegen ťťn dat zij het eerste boet, bitter boet.

„Uw toast, uw toast!” klont het door de zaal.

„Geen toast,” riep Paul, „ik blijf nog met Moore zingen,” en hij hief de melodie aan, waarin de regels voorkomen:

„O Women! your heart is s pitiful treasure,
„And Mohammed’s doctrine was not too severe,
„When he taught you were only materials of plessare.
„And heaven and virtue were out of your sphere.”

„Hoe wilt gij dan, Henry! dat ik u voor een dwaze besluit een toast brenge? Zoo als wij hier zitten, waren wij beide tot nog toe in dezen kring de eenige losbollen van den echten stempel, die het genot wisten te waarderen, die het epicuristisch lief hadden, die er studie van maakten; – gij moogt toezien,” voegde hij er tot de overige gasten bij, „hoe gij afkomt, mijneheeren! nu ge mij gedwongen hebt te spreken,” – en hij vulde zijn glas en dronk het met een spotziek gezigt leeg. „U noch mij was het louter dierlijke drift, Henry!” hernam hij, „er school voor ons soms meer geneugt in de ja dan in de zege!” – Dirk was niet zoo dom of hij boog zich; – „U noch mij was het een school van manieren meer; waren passť maÓtre, en men mogt van ons getuigen, zoo als Leporello van Don Juan:

„ „Tausende drei,
„ „Sie, sie sind auch dabei!”

En terwijl hij zich weder ch‚teau d’yquiem inschonk en het glas nu langzamer leegde, betuigde Albert zijn dank voor het lesje hem gegeven; maar zonder er acht op te slaan, voer Paul met spotziek gezigt voort: „Gij noch ik, Henry! geen van ons beide heeft ooit geloofd, dat de vrouwen zich aan ons hebben bezondigd; het omgekeerde had wat meer schijns,” – Brechtus moest wel lagchen, – „en waar wij ooit aan geleden hebben, een ilias van plagen, Henry! nooit toch aan verveling; – had het daaraan bij ons geschort, wij zouden baat hebben gezocht bij de middelen van het oude rijmpje:

„Zoo ge zoekt naar tijdverdrijf
Reed een schip of neem een wijf”

Gus mogt zich den laatsten zet aantrekken.

„Ik ben rond geweest, geloof ik,” voer Paul voort, zich nog eens inschenkende, om in vele togen het vocht te genieten; „thans is de beurt aan u, Henry! maar de drommel weet hoe ik het met u hebbe. Gij, die al de geneugten der afwisseling kent, verpligt u tot een eeuwig eenerlei; de weelde der vrijheid moe, legt gij u gewillig boeijen aan, en daar zou ik een toast op instellen! Blaauwe oogen, die zoo lieflijk zien; bruine oogen, die zoo vurig vonkelen; zwarte oogen, die een turkschen hemel beloven en dien geven; oogjes zonder besliste kleur, welke er toch niet minder welsprekend om waren, gij hebt ze bij beurten geprezen, ze bij beurten gevierd; gij hebt in alle gelezen en telkens wat nieuws! – Voortaan wacht u maar ťťn verschiet meer, – arme Henry! wat zult gij er gaauw alle hoeken en hoekjes tot vervelens toe van kennen! Altijd dezelfde hand op uwen arm; altijd dezelfde stem in uw oor; altijd hetzelfde als gij insluimert, en als gij wakker wordt, oef! maar ťťn kus!...”

Het was of het vierde glas den afschuw, waarmeÍ hij de laatste woorden had uitgebragt, moest wegwisschen; opgewondener voer hij voort:

„Er is nog iets, Henry! er zullen heugenissen bij u opkomen, heugenissen aan gestolen wateren, die zoet waren; heugenissen als Vondel er zoo warm heeft bezongen, wanneer hij van verlaten prinsessen en koninginnen spreekt:

„Wier poezelachtigh vleesch door ’t lang ontbeeren weeligh,
„De wellust kiest voor schaemte, en draeght zich overspeeligh
„En heelt zijn kitteling, en lonckt, en streelt, en kust,
„En ouderlingen brant met zoet omhelzen bluscht,
„Versmaet der mannen trou, om ’t puick der jongelingen.

„Henry! Henry! zoo als ze in Friesland zeggen:

„Dy Reyn kin dy eaek bedrippe.” ”

„Houd op,” riep Gus, die zich niet als de nog maar half bekeerde gastheer in die lofrede van het vleesch verlustigde, „houd op,” riep hij, voor wien ten minste Vondel de phiool der wrake over het weelderig overspel niet te vergeefs had uitgestort, die, in zich zelven, de verzen opzegde, welke de aangehaalde volgen:

„En Venus stroit ’er zaet,
„Om neerslagh, bloet, en moort, en allerhande quaet,
„Om traenen, en gehuil te maeien, en te oeghsten;      
„Om vorst, en vorstendom, en rycken te verwoesten.”

„Houd op,” riep Gus.

„Wilt ge liever Henry zien,” voer de onverbiddelijke Paul voort, „Henry, zoo als hij over een paar jaar in het doophek zal staan,

„The tenth transmittor of a foolish face?” ”

„Thans is de beurt van buigen aan mij!” beweerde de gastheer, en hij boog zich, als hij zeide, zoowel voor zich zelven als voor zijne vaderen.

Champagne!” riep Paul.

Over ging de schel, Jan kwam binnen.

En de wijn, frappť ŗ la glace, dreigde over den rand der fijne glazen te schuimen, maar Paul had zijn toast klaar.

„Het beste weeuwtje ter wereld, la Veuve Cliquot.”

Doch wie dien meÍdronk, Henry niet; – rondschenkende, had Jan zijn heer een woord ingefluisterd, en met eene verwensching opgesprongen, was deze de kamer uitgewipt; – wij volgen hem op den voet.

Er brandt eene lamp in het voorvertrek, dat hij binnenstuift; wie mag de vrouw zijn, welke er hem verbeidt? Hagelwit uitgedost, in de maand van Maart, met stemmige muts en breed voorschoot, waant gij eene baker te zien.

„Och, heertje!” fleemt zij.

Het schijnt de stem van Chrisje Bruze; zou het mogelijk zijn, dat wij haar hier aantroffen?

 „Wat drijft je zoo laat?” spreekt de gastheer zacht.

„Ik was een omzien naar ArendbroÍr geweest,” – het is Chrisje Bruze; – „toen ik weÍrkwam –”

„Welnu? valt Henry ongeduldig in.

„Was het vogeltje gevlogen.”

„Zoo!”

Henry is er verre van zooveel wijn te hebben gedronken als Paul; maar men kan het hem toch aanzien, dat hij den dubbelen invloed van Kepler en zijne keldergeesten ten doel stond. En daarom treft het koele „zoo!” waar zij eene uitbarsting van hartstogt verwachtte, onze oude kennis dubbel.

„Zoo!” herhaalt Chrisje Bruze verbaasd, „zoo! – en is dat alles?

„Goede reis! als zoo niet genoeg is.”

En Henry frommelt in zijne porte-monnaie; maar wij hebben geen lust te bespiÍn, of er een muntbillet of een bankbriefje uit zijne hand de hare overgaat.

„Een raad, Chrisje! laat haar voortvliegen.”

„O voor mijn deel van harte, mijnheer! – maar ik had het moeten vermoeden van dien mistigen morgen af, toen...”

„St! st! – ik heb achter gasten.”

„Ik ben gesloten als het graf, wees daar gerust op; – doch ArendbroÍr zit alleen; goeden nacht, mijnheer!”

Er is toch maar ťťn Chrisje Bruze in de wereld, om een half woord te verstaan, – en echter, eer zij den drempel overschrijdt, nog een poging te wagen, om de oorzaak eener koelheid te vernemen, die haar verbijstert.

„U weet waar ik woon, als u soms –”

„Dankje, vrouwtje!” – herneemt Henry West, die Jan op zijn schellen al aan de deur hoort; „ik geloof dat ik op reis ga; ge zult ten minste in lang van mij niet hooren.”

Chrisje Bruze behaalt eene voorbeeldelooze zege over hare nieuwsgierigheid, over haren achterdocht door hare tong te bedwingen; maar haar blik stelt haar schadeloos.

„Goede reis dan, mijnheer!”

„Dank je,” lacht Henry, en wipt weÍr naar de zaal, die wij echter niet andermaal met hem zullen binnentreden. Er zijn manilla- en er zijn havannah-cigaren opgestoken; – in de wemeling dier veelkleurige wolkjes door den champagne-dampkring zouden wij slechts een legio van kwalen zien ronddwarrelen, een legio van kwalen, de hoofden der gasten bedreigende, een legio van kwalen, dier jongeheeren verschiet! Alexander Verhuell zou ze geestig weten voor te stellen, zou ze aardig afrigten, die wrekers zulker uitspattingen: de jicht bij voorbeeld, niet enkel in de gedaante van podagra en chiragra, maar ook in die...... waar zouden wij ons aan wagen, bij gemis van zijne potloodpen, die zoo gelukkig aanduidt, en wat niet geschetst mag worden gissen laat!

Les suites d’une orgie, een dag of tien jaren na de uitspatting, wie zou verlangen ze te zien? – maar zoo wij in de zaal waren teruggekeerd, misschien zou aan Henry West de naam zijn ontsnapt van haar, om wier wille bij heette zich te bekeeren?”

Heb dank voor uwe belangstelling, wie ge ook zijn moogt, die dus spreekt; mais tout chemin mťne ŗ Rome; houd het ons ten goede, dat wij u liever bij de schoone zelve inleiden, den volgenden ochtend natuurlijk, maar iets vroeger dan men visites pleegt af te leggen, „omstreeks de elfde ure.”

Prťserve nous de voir la ruche sans abeilles,
La maison sans enfants!

Victor Hugo heeft het gezongen, en echter is het zulk een woning, waarin wij u thans voorgaan; er heerscht stilte in breeden marmeren gang, stilte in de vertrekken ter regter en ter slinke hand; geen deur gaat open; maar al deedt gij ook alle op hare hengsels kraken, uit niet ťťne dier kamers zou u gedruisch, gesnap, gelach tegenklinken; uit niet ťťne een groep aardige kleinen te moet huppelen; in niet ťťne u dit blonde of dat bruine kopje der vrouw des huizes om haar kroost doen benijden: – we zijn in de woning eener weduwe, eener sints jaren kinderlooze oude vrouw. Orde, rijkdom, smaak, zij vallen hier bij beurte onder het voortgaan op te merken, maar ofschoon zonder de eerste geen lief tehuis denkbaar is, en hoe veel de laatsten in beschaafden kring ook mogen bijdragen, om er het genot van te verhoogen, hier blijkt het, dat drietal maakt evenmin het geluk zelf uit, als het volstaat om het te geven. Er is iets verlatens in die reeks van onbewoonde vertrekken, dat een pijnlijken indruk maakt, dat wee doet; we mogen ons met het verleden bezig houden, de toekomst schijnt te niet gedaan. O, dat ten minste enkele smetten op de carrarische vloersteenen, hier, waar der stralen der voorjaarszon door de gordijnen voor de glazen van de tuindeur naauwelijks den toegang wordt gegund, enkele smetten den vluggen stap verrieden van een paar lieve voetjes, den hof overijld in- en uitgewipt; dat ons langs de blinkend glad gewrevene leuning des wenteltraps een vrolijke kinderkreet te moet klonk!

Stil! – laat de douairiŤre ons niet hooren, – haar hart heeft denzelfden indruk hier honderdmaal ontvangen, en is er nog niet voor vereelt!

Open gaat eindelijk de toegang tot een der vertrekken aan den hof gelegen, en wij glijden van achter de groene togtgordijn onbemerkt binnen; maar in plaats van de ontbijtkamer, die gij meendet te zijn ingetreÍn, en voor de gestalte der eerbiedwaardige matrone, die gij dacht aan te treffen, verrassen u eene ouderwetsche studiecel, en in deze... een sluitteeken geve hier gelegenheid eerst het eene te zien en dan het aÍr. Immers, hoe nieuwsgierig ge zijn moogt, eene lange wijle hebt gij slechts oogen, eene lange wijle staat ge stil voor een levensgroot afbeeldsel van prins Willem III, vlak tegenover u de eentoonige kleur der donkerbruine eikenhouten wanden heerlijk afbrekende. Wat zou het weinig zijn, als het slechts dat deed; het lijdt maar luttele oogenblikken, en de held, die naar u schijnt toe te komen, beheerscht niet enkel de bibliotheek, waarin gij u bevindt, beheerscht ook uw gemoed. Gij leeft in zijnen tijd; gij doet het geheel, als gij, eindelijk om u heenziende, hier en ginds gedachtenissen gewaar wordt uit den dubbelen strijd, dien hij streed voor de onafhankelijkheid van ons vaderland, voor de vrijheid van Europa, eene telkens zwaardere taak ter handhaving van de regten des gewetens, hem als jongeling en als man toevertrouwd!

En nu eindelijk een blik werpende naar den vrolijk brandenden haard, tegenover de vensters, die op den tuin uitzien wordt gij, weggedoken in een der gemakkelijke, hoogruggige breedarmige stoelen, waarvan de celle er vier of vijf biedt, het blozende hoofd en de bevallige leest gewaar van Amelie, Amelie van Braams, een boekske ter hand.

„Een oud-hollandsch minnedichter?”

Vergeef het haar, – het capitorium, groen met goud, ziet er te frisch voor uit, – en al is het een lied der liefde dat zij leest, de naam van de heldin der historie heeft niets hollandsch; oordeel zelf: Evangeline!

En toch het boekske boeit haar, boeit haar zoo zeer, dat zij het eene blaadje voor, het andere blaadje na, voortleest, neen geniet, zonder een oogenblik op te zien.

Laat ons meÍ lezen.

Eene eenvoudige geschiedenis, die al hare waarde ontleent aan de wijze, waarop zij wordt voorgedragen, en daardoor dubbel moeijelijk valt over te vertellen; – niet ieder heeft er talent toe. Eene eenvoudige geschiedenis: Evangeline leefde, het is lang geleÍn, – Evangeline leed – het is verre van hier geschied – omstreeks het midden der vorige eeuw, in dat noordelijk landschap der nieuwe wereld, ’t welk toen AcadiŽ heette, – een oord, dat ge gevaar loopt, niet enkel om de overeenstemming van klanken, met ArcadiŽ te verwarren, zoo eenvoudig waren er de zeden, zoo groot was er de zin voor de natuur. Evangeline – de naam geeft hare afkomst aan – was de nakomelinge van een dier Normandische volkplanters, welke veertig jaren vroeger, toen Frankrijk die kolonie, of het eene kudde schapen had gegolden, aan Engeland, afstond, verzochten nooit verpligt te zullen worden, de wapenen tegen hun voormalig moederland te moeten voeren, en verschoond te mogen blijven, den eed van verknochtheid aan hunnen nieuwen heer af te leggen; zůů groot was in den vreemde, met hunne trouw aan hunne taal, hunne genegenheid voor den grond hunner vaderen gebleven.

En Engeland willigde veertig jaren lang stilzwijgende die bede in, tot het vreesde dat deze „onzijdige Franschen”, als de Britten ze noemden, de partij zouden kiezen der inwoners van Canada, – onderdanen van Lodewijk XV, – met welke het in oorlog gewikkeld was; – tot het den gruwel bedreef, waaraan het nageslacht Evangeline dank mag wijten.

Amelie heeft het landleven in den volsten zin des woords lief; wat wonder dat haar de schets verlustigt waarmeÍ het dichtstuk aanvangt, de schets van het kleine dorp Grand-Prť, schilderachtig als het, in eene vruchtbare vallei, aan de baai van Minas plag te liggen! Oostwaarts breidde zich het lage doch grasrijke land uit, waaraan het niet enkel zijne naam, waaraan het ook de talrijke kudde was verpligt, die er de klaver scheerden, het ingedijkte land, welks sluizen op gezette tijden openstonden, ten einde de slib der zee het dubbel vruchtbaar maken mogt. West- en zuidwaarts wiegelde het vlas zijne blaauwe bloemen of de boomgaard zijne vruchten, en werd het oog verrast door die wondere kleurschakering van het bouwland, welke het rijkste palet beschaamt. Slechts aan de noordzijde zag het verschiet zich eene vrije enge grens aangewezen, waarbij echter het landschap won; hoog op het gebergte, boven de dennenbosschen uit, rees de top van den Blomidon, rees zijne naakte kruin, waarop de zeemist zijn tent spreidde, waarvan hij afzag naar het dal, maar er nimmer in nederstreek. Amelie heeft het landleven in den volsten zin des woords lief; doch hoe hoog gij op moogt hebben met de geneugten aan eene groote stad verknocht, zou Grand-Prť ook u hebben aangelagchen in zomeravondstond, het dorpje met zijn hechte huizen, aan het NormandijŽ der Hendriks herinnerde de gebindten van eiken- of kastanjehout, een vallicht in rieten dak, een luifel voor de deur? Ons ten minste, ons zou het hebben uitgelokt, als de ondergaande zon er den weÍrhaan van schoorsteen bij schoorsteen glinsteren deed, het oor te leenen aan het gesnor van spinnewielen zonder tal, heel de dorpsstraat langs, onder de luifels aan het licht gebragt, er te luisteren naar het gekout en gezang der matronen en meisjes, die, terwijl het draadje vlug door de vingers gleed, vlugger (nog schertsten en zongen, niet enkel in kleeding, niet enkel door hagelwitte muts en blaauw, groen of rood jakje, de herinnering aan la belle France bewarende, heur afkomst vooral in den opgeruimden geest getrouw! la belle France! – la France de jadis; want terwijl wij ons verbeelden, dat gij er u met ons in vermeidt, daagt daar aan de kromming des wegs met statelijken schred, de dorpspastoor op, en zie, de kleinen staken hun spel om de hand te kussen, die hij hun zegenend toesteekt; – de eerwaardige komt nader, en op rijzen vrouwen en meisjes, en zenden hem een vriendelijk woord, eene hartelijke groete te moet! Allengs keeren de landbouwers van het veld huiswaarts; de zon is in vollen luister verscheiden; de schemering valt in, en zoodra het Angelus zich van den kerktoren vriendelijk en verheffend hooren doet, blaauwen uit alle schouwen bleeke wolkjes op, of het wierookwalmen waren van honderde haarden tegelijk opgestegen, uit huis bij huis, waarin vrede en vergenoegdheid woont!

Hoe wij ons in u zouden hebben bedrogen, als ge niet meer wildet weten van die gelukkigen, die tegelijk vrij waren, zegt hun zanger onzes tijds, vrij van de vreeze, die met den dwingeland ten troon zit, en van den nijd, die gemeenebesten teistert; de gelukkigen, wier deuren van geen sloten en wier vensters van geen grendels wisten, wier woningen open waren als de dag, open als hun harte; de gelukkigen, van welke de rijkste arm mogt heeten, en toch de armste in overvloed leefde.

Eenige weinige trekken, en de hoeve van Benedict Bellefontaine zal u voor oogen staan, op eene heuvelhelling gelegen en uitzigt hebbende over de zee; een wilde vijg voor de deur, waarom zich een bloeijende heester slingert, een bank onder de luifel, en in het verschiet van deze een boomgaard, die zich in de weide verliest. De bijenkorven onder een afdak, dat er door zijne verweerdheid te schilderachtiger uitziet; – de wel, met weinige steenen ommuurd, en waarbij de aker ligt, van ijzeren banden voorzien en op enkele plekken met mos begroeid; – de ouderwetsche harken en ploegen en breedwielige karren; – de schaapskooi, de harem van koekeloer, en het duiventil, gij hebt die alreeds in gedachte geschetst. Maar hoe u nu, zoowel zonder de hulp des penseels, als zonder den bijstand van het rijm, hoe u nu niet enkel Benedict Bellefontaine, den stevigen zeventigjarigen grijsaard veraanschouwelijkt, wiens wangen in bruinen tint den eikenbl‚ren niet toegaven, wiens lokken het in witheid wonnen van sneeuw, maar ook, maar vooral de aanvallige, die naauw zeventien zomers telde, zijn lief, zijn eenig kind, Evangeline? Geen nood, – hoe nuchter onze proza zij, als wij u mededeelen dat menig flinke borst, met opengeslagen misboekje in de kerk knielende, de oogen vestte op haar, de hoogste heilige zijns harten; als wij er bijvoegen, dat ieder van deze zich gelukkig achtte, wanneer hij den zoom haars kleeds, wanneer hij hare hand aan mogt raken, dan vat niet uwe verbeelding vlam, maar uw gemoed heeft geheel den indruk ontvangen eener even beminnelijke als bekoorlijke onschuld, den indruk, dien zij het zekerst op u zou hebben gemaakt. Hoe zich des avonds de vrijers om hare deur verdrongen; hoe hun harte bij de gedachte aan hare donkere oogen, in de schemering sneller plag te slaan, als zij zich voorstelden, hoe zacht die schitterden onder de schaduw harer bruine lokken; – als zij luisterden, of haar voetstap zich nog niet hooren deed, en zij slechts een gebons vernamen, dat niet het geluid was des kloppers, dat binnen hunne eigene borst zijn rusteloosen gang ging. Och, kiezen – zij kon het te kust en keur; op het feest van den dorpspatroon had deze haar onder het dansen de hand gedrukt, en gene haar een woordje minne toegefluisterd, of het bij de muzijk hoorde; maar een enkele slechts was welkom: GabriŽl La Jeunesse, de zoon van Basile den smid, een der eerste mannen schier van het dorp, want waar ter wereld en bij welk volk werd hij, die zich dat zware, nuttige, onontbeerlijke beroep wijdde, niet hoog in eere gehouden? Niemand anders dan GabriŽl was haar speelmakkertje geweest; – Basile en Benedict waren vrienden; – had zij niet met hem aan de knieŽn van Pater Felicianus uit hetzelfde boek leeren lezen en zingen? O zoete heugenis dier dagen, waarin zij, als de hymne gezongen en de les was geleerd, zamen naar de smidse huppelden, en groote oogen opzetten, zoo vaak de baas den poot van een paard in zijn schootsvel legde, of het speelgoed waar, en het hoefijzer aannagelde, terwijl zich de ijzeren band van een karwiel, als een vurige slang op het aambeeld kronkelde en kromde; – of als zij, bij invallenden herfstavond, wanneer het, van buiten gezien, daar binnen zoo licht bij de schouw de groote blaasbalgen g‚sloegen, en als deze ophielden te hijgen en de vonken uitdoofden in de asch, vrolijk lachten, en elkaÍr het tal van nonnekens wezen, die de eene vůůr de andere nŠ, als zij zeiden, verdwenen in de kapel. O zoete heugenis dier dagen, waarin zij des winters, met adelaarsvlugt, in de sleÍ de heuvelhelling afgleden en voortstoven over de wei, of in het voorjaar in de schuren tot op de daksparren klommen, niet om de nesten te storen, neen, om dien wondersteen te vinden, dien de zwaluw van het zeestrand meÍbrengt, om het gezigt harer jongen te scherpen; hij of zij, die ze vond, zou zoo gelukkig zijn! Beide hadden zij het gedaan, en of beide gelukkig waren, wie twijfelt er aan, die hem nu aan hare zijde zag? – hij, wiens gelaat, als het aangezigt van den morgen, den gezelligen kring vervrolijkte, – zij, die zich door de huisliÍn den zoeten bijnaam van „Sint Eulalias zonneschijn” geven hoorde, de zonneschijn, die den boomgaard met appelen belaadt, die blijdschap en overvloed brengt.

Amelie van Braams weet niet, dat wij het zuchtje vernemen, dat bij dit tafereel uit haren boezem opwelt; – wat harer jeugd ook moge zijn ten deel gevallen, eene liefde als deze smaakte zij niet!

Er volgt een binnenhuisje, schilderachtig gestoffeerd, maar tevens met muzijkalen zin opgevat. Benedict Bellefontaine zit in zijn grooten leuningstoel bij den haard, zit het geworstel van vlam en rook aan te zien, terwijl zijn eigen schaduw grillige gedaanten langs den wand spelen doet, en de tinnen schotels voor den schoorsteen en op de schapra den glans vangen en weÍrkaatsen, als de schilden van een heir den zonneschijn. Hoe het hart van den ouden man te moede is, hoe het overvloeit van vreugd, gij hoort het den liederen, die hij neuriet, die hij zingt, aan; heugenissen der Kerszangen, door zijne voorzaten gekweeld, als de Normandische boomgaard en de Bourgondische wingert hunne kelders had gevuld. Vlas spinnende voor het weefgetouw, dat in den hoek achter haar staat, zit Evangeline digt bij hem; zij liet den draad eene wijle rusen, en stil stond de vlijtige spoel, terwijl het eentoonig gesnor van het wiel, als de dreun van een doedelzak, met den zang des ouden mans maat houdt en de pauze aanvult tusschen het eene liedje en het aÍr. Het wiel doet het niet alleen, want even als men in de kerk, bij de tusschenpoozen van den koorzang voetgeschuifel uit de zijgewelven hoort, of klanken verneemt van de woorden des priesters voor het altaar, zoo doet ook hier, bij iedere tusschenpoozing, het geregeld getik der huisklok zich hooren.

Een gedruisch van voetstappen breekt het gezang af; de houten klink wordt opgehaald; de deur draait op hare hengsels, en als Benedict in de met spijkers beslagen hielen der schoenen Basile’s voetstappen verneemt, – Evangeline voelt aan haar harte, wie hem vergezelt. „Schuif aan, in dit hoekje, maar steek eerst uwe pijp op,” is het hartelijk welkom voor den ouden vriend, die er zich niet aan ergert, als Benedict hem plaagt met zijn vollemaansgezigt; die den grappenmaker gelukkig prijst, als had hij iederen dag een hoefijzer gevonden, hij die lagchen en schertsen kan, als het anderen slechts bang te moede is! Vragende ziet Benedict hem aan, maar eerst als Basile zijn pijp heeft aangestoken, komt de jobsmare over zijne lippen: „Vier dagen lang liggen de schepen der Engelschen al aan den mond van den Gaspareau voor anker, hun kanon op ons gerigt. Wat zij in het schild voeren, weet niemand; maar morgen zijn wij allen zaamgeroepen in de kerk, ten einde de bevelen Zijner Majesteit te hooren afkondigen. Ik ben de eenige niet, die er zich over onrust.” – „Hoe kunt gij het?” zegt Benedict; „waarom zouden die schepen ons oevels doen? De oogst in Engeland kan slecht zijn uitgevallen, onze schuren zijn overvol; zoo zij eens kwamen om in hunnen nood te voorzien?” – „Er is niemand die het gelooft,” luidt het antwoord; „het leed, dat die roodrokken over ons gebragt hebben, is nog niet vergeten! Beausejour en Port Royal heugen ons nog even goed als Louisbourg; – vele van onze kennissen zijn al in de bosschen gevlugt, of houden zich aan hunnen ingang op, vreezende wat de dag van morgen brengen zal. Weet gij dan niet, dat alle wapenen, alle middelen om ons te weren, ons ontnomen zijn; slechts de zeis van den maaijer, slechts mijn hamer zijn niet opgevraagd!” Maar welk een donker gezigt hij zette, Benedict’s voorhoofd rimpelt zich niet. „Alsof wij ons niet veiliger mogen achten,” herneemt deze, „tusschen onze kudden en op onze graanvelden en achter de dijken, alleen door de zee belaagd, dan onze vaderen het in hunne forten waren, van het hoofd tot de voeten gewapend, maar door het geschut des vijands bedreigd! Zet die zorg toch uit uwe zinnen, vriend!” vaart hij voort en laat er vrolijker op volgen: „te avond mag geen scha‚uw van smart op dit huis en dezen haard vallen; of is het uur niet gekomen, waarin onze kinderen bruid en bruigom zullen worden? Hunne hoeve is gereed, hunne schuur is gevuld, de vrolijke jongeluÓ van het dorp hebben het huisje hecht gebouwd, hebben het land voor hen omgeploegd, hebben hunnen stal van hooi en hunne woning van spijze voor het eerste jaar voorzien; Renť Leblanc zal spoedig met zijne papieren en zijn inktkoker hier zijn; wat, zouden wij dan zuur kijken, en ons niet in het heil onzer kinderen verheugen?

Hoe die woorden haars vaders weÍrklank vinden in het harte can Evangeline, blozende als zij daar in de schemering des vensters staat, hare hand in die van haren minnaar!

Amelie slaat een blaadje vier vijf om; – als er een dichter onder onze lezers schuilt, hij houde het zich voor gezegd, dat menige schoone op die zelfde wijze de onbarmhartigste maar regtvaardigste kritiek ter wereld ook wel eens over zijne verzen uitoefent, – Renť Leblanc moge tachtig jaren tellen, moge vader van twintig kinderen zijn, en notaris bovendien, burgerlijke betrekking wil, ondanks hare nuttigheid, niet dichterlijk worden! Of boezemt hij u een belang in, dat halen mag bij ’t geen gij voor het paartje gevoelt, dat wij in de schaduw lieten staan, dat wij met haar, over wier schouder wij in het boekske gluren, gaarne nog een oogenblik g‚slaan, nu het contract geteekend is, nu de oude heeren zich aan het dambord hebben geplaatst; dat ons vooral bezig houdt als Evangeline in hare slaapkamer den bruidschat beschouwt, door haar eigen vingeren geweven, en ze niet weet, dat GabriŽl van onder het venster den blik naar haar opheft en hare schaduw bespiedt!

Renť Leblanc heeft zich zoo min als Benedict Bellefontaine ontrust over de schepen, wier verschijning aan den mond van den Gaspareau Basile schrik aanjagen; – de volgende ochtend noodt ons op het feest, het bruiloftsfeest van GabriŽl en Evangeline. Maar hoe gul de jeugdige gastvrouw zij, nu ze zich voor het laatst in het huis haars vaders van die taak kwijt, en hoe vrolijk de vedel van den ouden speelman fransche deuntjes spele, de tijd staat stil om dronk noch om dans; de middag is gekomen, en „op, naar de kerk”, waar ze bescheiden zijn, roept de klok van den toren, en „op, naar de kerk”, zegt de roffel van de trom door de streek. Slechts den mannen is het vergund haar binnen te gaan; de vrouwen staan buiten, buiten op het kerkhof, een krans van wintergroen, de immortelles van hun vaderland, om de zerken windende. Maar de wacht, van de schepen aan land gezet, trekt op, en stapt den heilgen voorhof binnen; voor de eerstemaal weÍrgalmen de gewijde gewelven van het geklank der koperen trommen, doch doen dit echter slechts een oogenblik, want de zware deuren van den voorhof worden gesloten, en in angstig zwijgen verbeidt de schare den wil der krijgslieden, neen, des monarchen. Den koninklijken lastbrief in de hand, dien hoog houdende van de trappen des altaars, zoodat de menigte de zegels kan zien, er aan gehangen, neemt hun bevelhebber het woord: „Ge zijt hier heden zaamgeroepen,” zegt hij, „op bevel Zijner Majesteit; genadig en goed is Hoogstdezelve voor u geweest; maar hoe gij die welwillendheid beantwoord hebt, moge uw eigen hart getuigen! Pijnlijk is voor mij, ik beken het, de taak, waaraan ik mij kwijte, de rampmare, die ik u melden moet; maar het is mijn pligt te buigen en te gehoorzamen, mijn pligt u den wil van onzen monarch te verkondigen, die dus luidt: Uwe landgoederen, uwe hoeven, uw vee, van allerlei slag, wordt aan de kroon verbeurd verklaard, gij zelven zult uit dit gewest in andere landen worden overgebragt. God, geve, dat ge daar als getrouwe onderdanen moogt verkeeren, als een gelukkig en vreedzaam volk! Ge zijt allen mijne gevangenen, – het is de wil Zijner Majesteit! –”

Een storm in den zomer, een hagelbui in den oogst... maar neen, de natuur heeft geene beelden voor gruwelen van zoo veelzijdigen aard, als waarmeÍ de eene mensch den andere teistert; – een oogenblik stilte, de stilte der verbazing, die verstommen doet, en toen een kreet, een gehuil van smart en van toorn, en in hetzelfde oogenblik een stuiven, een rennen naar den uitgang, van allen te gelijk, volgt die verklaring op. Helaas! niets was ijdeler dan de hoop, door allen opgevat, de wensch, wat zeggen we? de werktuigelijke beweging, om het gevaar te ontviugten, – de deuren weken niet! Verwenschingen gaan op in het huis des gebeds; de wanden huiveren bij de kreten, en hoog, boven allen, heft Basile de gespierde armen ten hemel, even als de gramme zee een mast opbeurt en heen en weÍrslingert. Gloeijende van drift, afzigtelijk van hartstogt zelfs, galmt hij het uit: „Weg met Engelands dwingelandij; wij hebben haar nooit trouw gezworen! sla dood, die vreemde krijgsliÍn, die zich aan onze hoeve en have vergrijpen?” Er dreigt eene worsteling te volgen, die slechts noodlottig zijn voor de ongewapende landlieden; – maar vader Felicianus staat op de trappen des altaars.

Uit het koor toegesneld, heft hij het eerwaardige hoofd omhoog, en legt door een enkel handgebaar heel die woeden schare eensklaps het zwijgen op. „Wat doet ge, kinderen!” vraagt hij ernstig en droevig, „wat dolheid heeft u aangegrepen? Veertig jaren van mijn leven heb ik onder u gearbeid en u geleerd niet alleen in woorden, maar ook in daden elkander lief te hebben! En zijn deze de vruchten van mijn werken en waken, van mijn vasten en mijne verzuchtingen? Hebt ge zoo spoedig alle lessen van liefde en lijdzaambeid verleerd? Dit is het huis van den Vorst des Vredes, en zoudt gij het door geweld en gruwelen ontheiligen, met harten overvloeijende van haat? Zie, zoudt ge dat doen, waar de lijdende Heiland u van zijn kruis gadeslaat? Spreekt Hij dan niet langer tot u van onderwerping aan den wil des Vaders? Hoor, nog rijst die bede van Zijne lippen: „Vader! vergeef het hun!” Laat ons dat bidden zoo als Hij, in de ure wanneer de boozen ons geweld aandoen; laat ons het Hem nazeggen: „Vader! vergeef het hun!” ”

Hij had weinige woorden gebezigd, maar zij zonken diep in het gemoed der schare, en snikken des berouws volgden op de hartstogtelijke uitbarsting, en zij zeiden hunnen voorganger na „Vader! vergeef het hun!”

De avonddienst ving aan; – op het altaar waren de kaarsen ontstoken. Er was aandoening, er was innigheid in den toon des priesters, en de menigte antwoordde niet alleen met de lippen, maar ook met het harte; dŠŠr galmde het Ave Maria; daar zonken zij op de knieŽn neder; doch hunne zielen, door vroomheid verteederd, verhieven zich op de vleugelen des gebeds, als Elia die ten hemel voer.

Helaas! zij waren nog slechts op aarde.

Het gedruisch in de kerk, het lang digt blijven der deuren, dat onverklaarbaar voorgevoel, ’t geen soms eene bevolking het haar dreigend lot gissen doet, hadden intusschen de onrust in het dorp verspreid, en weenende en klagende gingen vrouwen en kinderen van huis tot huis. We vinden Evangeline weder voor de deur van haars vaders woning, met de regte hand hare oogen voor de stralen der ondergaande zon beschuttende, die, als dreigden geene donkere wolken den huisliÍn, andermaal de straat schitteren deed, tot het riet der daken goud geleek, en ieder venster van tal van kleuren blonk. Het was haar in het huis zelf te eng geworden, als zij er op het hagelwitte tafellaken staarde, of het gereed gezette maal gewaar werd, het blanke tarwebrood en de keurige kaas, de kruiken met schuimend bier gevuld, en de honig, waaruit wild gebloemte haar toerook; het was er haar te eng geworden, toen haar blik op den ledigen armstoel haars vaders, aan het hoofd van den disch, wijlen bleef. Daarom stond zij buiten, toen de wijkende zonne het geboomte lange schaduwen deed werpen over de weiden, – ach, een droeviger duister bedreigde haar binnenste! – maar droeg het avondwindje weldra de weinige geuren van het welkende landschap op zijn wieken, uit haar gemoed rees een welgevalliger offer naar omhoog: onderwerping, liefde, hoop; vergevensgezindheid en geduld! Geheel zich zelve verloochenende, ging zij het dorp in, en trachtte met blikken en woorden de harten der verslagene vrouwen te troosten, toen deze met tragen schred huiswaarts keerden, waar zij waanden, dat heur arbeid haar nog wachtte, waar het wiegje heurer kleinen stond. En toen de zonne zich het gelaat met nevelen omsluijerd had, als de propheet zich zijn aangezigt deed, hij het neerdalen van den top van den SinaÔ; toen de Angelus zich andermaal over het veld had doen hooren, toen leende zij, ja, een luisterend oor aan de zwijgende wanden dier zwijgende kerk, toen borst zij met bevende stemme, overstelpt van aandoening: „GabriŽl! GabriŽl,” uit! Maar toen de graven der dooden evenmin antwoord gaven als het gruwzamer graf dier levenden, toen keerde zij hare schreden huiswaarts, toen doofde zij het vuur aan den vreugdeloozen, huisselijken haard, en hare slaapkamer ingegaan, hoorde zij de regendroppelen vallen op de verwelkte bladeren van den wilgenboom voor haar venster, zag zij de bliksemstralen het zwangere zwerk klieven, en verkondigde de donder, die er ijlings op volgde, dat haar God in den hemel was, en Hij de wereld, die Hij schiep, regeerde; en – het vrouwelijk vroom gemoed is ťťn in alle eeuwen en bij alle volken

Toen keerde zij zich in gebeden
Tot ’s hemels goedertierenheden
En hare slaap was ook gerust.

De vijfde dag verrees ten leste, maar gaf den gevangenen het genot der vrije lucht niet weder, dan om in den vreemde te gaan omdolen!

Welk een uittogt, slechts door de vrouwen bezorgd, die door het hanengekraai werden gewekt, neen, al wakker waren eer dat zich hooren deed. Wagen bij wagen rolde door het 1andschap aan, met de tilbare have beladen, rolde voort naar het strand, al hielden zij, die haar menden, bij iederen keer des wegs, eene wijle op, om een laatsten blik over het lieve 1andschap te werpen, dat zij nooit, nooit weder zouden zien; – al schoten haar de oogen vol tranen, de kinderen gewaar wordende, die, onwetende werwaarts zij gingen, de ossen aanprikkelden om voort te spoÍn, en, het speelgoed in de handjes, zoo blijde waren, of het eene feestreize gold.

En de eene wagen voor, de andere na, bereikte den oever aan den Gaspareau, waar het wemelde van drukte, die droef te moÍ deed worden; huishouden bij huishouden, in verwarring op het strand afgepakt en neergehurkt. Den ganschen dag voeren de booten tusschen den oever en de schepen heen en weÍr; den ganschen dag bragten zij de have aan boord; vast dreigde de avond in te vallen; nog waren de gevangenen niet vervoerd. Hoor! hoor! daar rijst de trommelslag over de graven des kerkhofs op de lucht, en de vrouwen en kinderen zij stroomen er heen; – eensklaps gaan de kerkdeuren open, en uit komt de wacht, en met deze, hoe somber van schred, de lang geboeide, maar geduldige Acadische huisliÍn. En een weeklagt van vrouwen en kinderen, waant ge, gaat op, hun te gemoet? maar ge bedriegt u, want even als beÍvaartgangers, verre van hun vaderland, soms samen zingen, en zingende vergeten hoe moede en mat ze zijn, zoo heffen die zwaar beproefden op weg van de kerk naar de kust een lied, een vertroostend lied aan, in het midden hunner vrouwen en dochteren. Het zijn de jongelingen, welke den trein aanvoeren, die hunne stemmen paren, die het eerst van hunne bevende lippen een zang der Catholijke MissiŽn doen opgaan:

O heilig hart des Verlossers! O onuitput’lijke heilstroom!
Geef gij ons sterkte en geduld!

En de hoogen van moed en de ouden van dagen en de zwakken van krachten, mannen, grijsaards en vrouwen, zij stemmen in den gewijden psalm, en de vogelen boven hunne hoofden; de vogelen, in den zonneschijn voortvliegende, mengelden er hunne klanken in, of het de geestenstemmen van verscheidenen waren geweest.

Halverwege het strand verbeidde Evangeline in stilte, verbeidde zij, niet verslagen, neen, in de ure der beproeving gesterkt, verbeidde zij bedroefd maar bedaard, tot de optogt haar naderde, tot zij GabriŽl gewaar werd, GabriŽl, van gemoedsaandoening verbleekt! Toen schoten de tranen haar in de oogen; toen snelde zij hem te gemoet, en zijne handen in de hare nemende, en haar hoofd vlijende aan zijne borst, fluisterde ze: „GabriŽl! wees goeds moeds! als wij elkander liefhebben, wat ons ook gebeure, niets zal ons deren!” En een glimlach vergezelde bemoedigende woorden, maar eensklaps week deze, eensklaps zweeg ze stil, want zij zag haren vader naderen, helaas! hoe verouderd! Weg was de blos van zijne wangen en weg was het vuur van zijn blik; zwaarder schenen hem de schreden te vallen, want zwaar was zijn harte gedrukt; – maar met een lach en een zucht viel zij hem om den hals, en had ten minste woorden der genegenheid, waar toch geen troost zou hebben gebaat!

Verbaast het u, dat Amelie een oogenblik poost, dat hare slinke over de vochte wimpers glijdt?

Er heerschte wanorde bij de inscheping aan den mond van den Gaspareau, zoo groote wanorde, dat vrouwen van hare mannen werden gescheiden, en moeders te laat gewaar werden, dat hare kinderen in eene andere boot waren gebragt dan die haar zou overvoeren, of deze op het strand zagen achterblijven, in weÍrwil van heur hartbrekend gebed, en ondanks de uitgestoken armpjes der kleenen. Ook onzen kennissen ging het niet beter; Basile werd aan boord van het eene, GabriŽl aan dat van het andere schip opgenomen, terwijl Evangeline met haren vader in wanhoop op de kust verbeiden moest. De helft der taak was nog niet volbragt, toen de zonne onderging, toen schemering zich verzwaarde en de eb de zandbank aan den oever blootgaf toen de droefste nacht voor de achtergeblevenen inviel. Aan deze zijde door de zee, aan gene door de schildwachten ingesloten, geleek de schare, welk eene week vroeger in den schoot der welvaart een droom van geluk verwezenlijkte, thans een leger van heidenen, of eene bende krijgsvolk, wacht houdende na een gevecht. Er heerschte eene sombere stilte, slechts door geluiden, nog droever dan deze, afgebroken; de streek was ledig en stil, en stil de klepel der kerkklok, die ten Angelus plag te roepen; er blaauwde geen wolkje meer uit de schoorsteenen op; er flikkerde geen licht aan de vensters; maar het vee, dat van de weide huiswaarts keerde en vergeefs de melkmeid verbeidde, vergeefs de ooren ophief naar de stem en de hand, waardoor het gewoon was te worden gemolken, loeide uit de verte, en digtebij wisselden klagten en zuchten af, zuchten en klagten, slechts eene wijle gesmoord, om zich straks luider te verheffen.

Intusschen waren de wachtvuren op de kust ontstoken; het oprapen van het drijfhout, door de zee in storm bij storm aan land geworpen, volstond om die te voÍn, en bij hunne grillige flikkering zag men eene zelfde gestalte van groep tot groep gaan, zoo als zij het weleer van haard tot haard in het, dorpje plag te doen. Wie gist niet reeds, dat het de getrouwe herder dezer verslagene zielen was, die troostte en zegende en opbeurde, zoo als Paulus het op de verlaten kust van Melita zijne medeschipbreukelingen deed. Allengs naderde hij de plek, waarop Evangeline zich aan de zijde haars vaders had neÍrgezet; en tot hen gekomen, werd hij bij het flikkerende licht het gelaat, het schier wezenlooze gelaat des ouden mans gewaar; een uurwerk gelijk, waarvan de wijzers zijn zoek geraakt, drukte het aandoening noch gewaarwording meer uit. Evangeline had vergeefs beproefd hem door hare liefkozingen uit zijne verbijstering op te wekken, had hem vergeefs voedsel aangeboŰn; roerloos zag hij noch sprak hij, den starenden blik slechts schijnbaar aandachtig op de vlammen van het wachtvuur gerigt. „Benedicite!” fluisterde de priester op meewarigen toon, en zou gaarne meer hebben gezegd, maar zijn hart was vol, en zijne woorden haperden en bezwemen op zijne lippen, als de schreden van een kind het doen op den drempel eens vertreks, waarin de smarte, de eerbiedwekkende smarte, bij den verscheidende staat. Al wat hij vermogt, was zijne hand zwijgende op het hoofd van het meisje te leggen, en met zijne oogen, die vol tranen stonden, naar de starren op te zien, die boven hun hoofd zoo rustig haren weg gingen; toen zette bij zich naast haar neÍr en zij schreiden zamen in stilte.

Eensklaps echter, eensklaps steeg er uit het zuiden een licht op, niet ongelijk aan het verrijzen der bloedroode maan van den herfst, die titanisch honderde handen over bergen en bosschen uitstrekt, en ze met rotsen en rivieren tot donkere schaduwen zaamtast; maar breeder en breeder gloorde de gloed over de daken van het dorp, en wierp zijne glansen langs den hemel en over de zee, tot op de schepen, die voor anker lagen, toe; alles werd trots de duisternis zigtbaar. Doch wie derwaarts de blikken wendde, de jammerende menigte niet; op het zuiden hield zij het oog gerigt, op het zuiden, dat zuilen rooks zag oprijzen, waaruit zich van tijd tot tijd vlammen verhieven, of het de bevende, biddende handen eens martelaars aan den gruwelstaak waren geweest. Daar voer de wind, in die wolken, en op stoof het brandende riet van de daken, en uit honderd huizen rees eensklaps de verterende vlam, en een kreet van smarte vond weÍrgalm van de schare op de kust, en bij de schare, die aan boord was gebragt: „Ons dorpje brandt; we zullen Grand-Prť nooit weÍrzien!”

Wat zijn bij zulk een geschrei het gekraai der hanen, het geloei van de kudde, en het gebriesch der paarden, die den dag waanden aangebroken, die door het vuur in den stal werden verrast, die in het wilde voortrenden, of hunne vaart de vertering ontvlieden mogt?

„Nooit weÍrzien!” jammerde men nog, toen zoo min gekraai als geloei of gebriesch meer werden gehoord.

Sprakeloos van ontzetting hadden de priester en het meisje den gruwel aangestaard, en toen zij zich in het einde tot den zwijgenden grijsaard keerden, zie, toen was hij van zijnen stoel gevallen en roerloos lag zijn lijk op het zand der zeekust uitstrekt. Langzaam beurde de herder het hoofd des gestorvenen op, en naast hem knielde Evangeline neÍr en weÍklaagde, weÍklaagde, tot zij bezweem, haar hoofd op zijne borst. Er was eene menigte van vrienden om haar been, toen zij met den morgen uit de vergetelheid ontwaakte, eene menigte van meewarigen, die zij wel behoefde; de oordeelsdag scheen haar gekomen, onder dien gloeijenden hemel, nog altijd door het brandende landschap geblaakt, en het lijk haars vaders aan hare voeten. Ernstig sprak eene bekende stem: „Laat ons hier bij de zee zijn graf delven; als betere tijden ons uit de ballingschap weÍrbrengen, zullen wij hem leggen in gewijde aarde;” en aan handen faalde het niet, noch aan toortsen; er waren nog zoo velen, die op de booten beidden, en de vlammen hadden nog alles niet verteerd. Plegtiger dan de grootste gemeente antwoordde de zee op de lijkdienst des priesters, en geen koorschel mogt klinken, geen misboek mee zijn gebragt, de grond werd door tranen gewijd, en de gebeden stegen uit het gemoed ten hemel; – toen weÍr de avond daalde, waren de schepen gezeild, was er op de kust niets achter, dan de bouwval van het dorp, en de begravene in het zand.

„Ik de Heere uw Godt ben een ijverig Godt, die de misdaad der vaderen bezoeke aen de kinderen, aen het derde en aen het vierde lid.” – Is het u niet, of gij die woorden hoort, een oogenblik overpeinzende, waarom dien weÍrloozen zoo groot een gruwel werd aangedaan? Ons ten minste schieten zij te binnen bij de voorstelling, hoe hunne vaderen het roode menschenras uit dit oord verdreven, het roode menschenras, dat de dichter bij den schijn dier vlammen had mogen aanschouwen, dat hij op die rookwolken had mogen zien aanschouwen een oogenblik den gedroomden hemel ontsneld, waarin

By midnight moons, o’er moistening dews,
In vestments for the chase arrayed,
The hunter still the deer pursues, –
The hunter and the deer a shade!

Zijn ondergang werd door den broedertwist der blanken gewroken!

En echter, we zijn geneigd dien wensch terug te nemen; zou zijne vervulling den indruk, van het geheel erlangd, niet hebben geschaad? Deernis op te wekken met die geteisterde bevolking, belangstelling in te boezemen voor Evangeline, dat was het doel; – en zie Amelie aan, als ge weten wilt, of het ten volle is bereikt! De deur der bibliotheek is open, de gordijn ter zijde gegaan, en de jonkvrouw heeft voor de binnengetreden douairiŤre de kussens geschikt in eenen leuningstoel tegen den haren, heeft dien zorgvuldig digter bij het vuur geschoven maar naauwelijks zijn eenige weinige woorden des dagelijkschen verkeers tusschen beide gewisseld, of Amelie verzinkt in eene mijmering...

„WeÍr dat werkje ter hand!” – zegt de eerbiedwaardige matrone; – „Amelie, Amelie! het is de gever, die hier de waarde der gave verhoogt!”

„U mag er mij mee plagen, mevrouw! maar u vergist zich, – al had de onbeduidendste mijner aanbidders het mij gezonden, ik zou er meÍ ophebben; slechts is het niet waarschijnlijk, dat het dien zou ingevallen zijn.”

En zij lachte, – en bloosde toch bijna.

„Ik ken het nog maar ten halve, kind!” hernam de douairiŤre.

„Beoordeel het toch niet,” – riep Amelie, – „naar hetgeen ik u gister van het gestoorde bruiloftsfeest heb verteld; wat mij het diepste getroffen heeft, zijn de latere zangen, zijn de omzwervingen van Evangeline. Ach! u daarvan ook maar maar een flaauw begrip te geven –”

„Gij hebt het mij beloofd, beste!”

„En niets zal mij liever zijn dan het te mogen beproeven, „mevrouw! – ik heb zoo zelden gelegenheid mijn hart eens uit te storten; – Evangeline maakt het mij zoo duidelijk, dat liefde –”

„Amelie, we zijn bij de begrafenis gebleven,” sprak de kiesche bejaarde, die geene verklaring uitlokten wilde.

„En als ik wist,” hernam de jonkvrouw, zich herstellende, „dat eenig schilder den dichter volkomen weer kon geven, ik zou niet rusten, voor hij mij het meisje geschetst had, na jaren lang omzwervens nog altijd den geliefde harer jeugd zoekende, telkens teleurgesteld en toch hopende eens gelukkiger te zullen zijn! Ik zou haar voor mij willen zien, niet in die oogenblikken van moedeloosheid, als zij hem, dien zij in deze of gene vreemde stad onder de levenden niet vinden mogt, op het kerkhof bij de dooden zocht; als zij geloofde, dat hij reeds gestorven was, en ze wenschte te rusten als hij! Neen, wat ik van hem eischen zou, mogt moeijelijker te geven zijn, het zou ook schooner wezen dan die smarte. Hij moest mij Evangeline schilderen, als men haar had verteld, dat GabriŽl Lajeunesse, ja, was gezien, maar met Basile naar de prairiŽn vertrokken, en courreurs des bois geworden, en een ander hernam, dat deze zich vergiste, dat GabriŽl, zoo als hij had gehoord, voyageur moet wezen in de laaglanden van Louisiana, en

een derde haar vroeg, waarom zij GabriŽl zoo lang, zoo vruchteloos verbeidde, waarom zij geen ander koos, zij, die te schoon was om ongehuwd te blijven? „Ik kan het niet doen,” hernam Evangeline dan, – en al zag Amelie het boekske eens in, zij had het niet behoeven te doen; die woorden kende zij van buiten: „ – ik kan het niet, mijne hand gaat met mijn harte; zij volgt maar, – waar het harte voorgaat, en als eene lamp den weg verlicht, daar worden vele dingen helder die anders in het duister verborgen blijven!”

Amelie hield een oogenblik op, – de douairiŤre knikte haar getroffen toe.

„Maar een schilder, die dat gevoelt, vindt men alle dagen niet,” voer de jonkvrouw voort; „de dichter zelf heeft die woorden toegelicht in den lof, dien hij er haar door den priester voor bedeelt: „Dochter!” zegt de eerwaardige, „dochter! het is God, die dus uit uw binnenste spreekt: – wat klagen wij over vergeefsche genegenheid? Niemand heeft ooit vergeefs lief gehad! – indien die genegenheid het hart van een ander niet zaligt, de wateren, tot hunnen oorsprong terugkeerende, verkwikken er dezen niet minder om, als versch gevallen regen; volvoer gij uwe taak, wees geduldig! Er is iets sterks in stille smarte en iets goddelijks in lijdzaam te verdragen; het bereidt ons ten hemel voor.” ”

„Waar, zeer waar,” schreide de douairiŤre schier.

Een oogenblik stilte.

Toen zag Amelie het boekske weder in, en schudde het blozende hoofd.

„Och, wat zou ik het wagen,” zeide zij, „u van het tweede tafereeltje ook maar van verre een denkbeeld te geven, eene vaart op den Mississipi, bij nacht, een droom van eene andere wereld. Evangeline is aan boord van de boot, die voort wordt geroeid door Acadische ballingen; als de middagzoelte dezen te zwaar valt, als de wake zich wreekt, dan leggen zij het vaartuig vast in den lommer van een ceder. En allen sluimeren in, en niemand hunner, die hoort, dat eene andere boot in tegenovergestelde rigting hen voorbijroeit; ze zijn zoo zeer in de schaduw schuil gegaan, dat de jonkman, die in gene aan het roer zit, hunne nabijheid niet eens vermoedt.”

„Het was GabriŽl!”

„Evangeline alleen is er in hare sluimering iets van gewaar geworden; „hij is nabij,” heeft haar harte getuigd; och, dat het mij mogelijk ware u te doen gevoelen, hoe gelukkig de onvolkomen gemeenschap van geesten er in is uitgedrukt, hoe volkomen de dichter het zalige van een toekomstig verkeer van zielen voorgevoelt. U weet, wie het gezegd heeft; u glimlacht al; maar waarlijk, Rievens heeft gelijk; er is in dezen zang al het zwevende, dat men zoo dikwijle der muzijk verwijt; maar voor wie er zin voor heeft, ook al hare diepte, door de schare zoo zelden gepeild!”

„Dweepstertje,” lachte de douairiŤre,” – het was niet de eerste maal, dat Amelie’s geestdrift het woord op hare lippen bragt.

„U dwingt mij een paar slangen over te slaan,” hervatte de jonkvrouw, „die de volgende teleurstellingen der arme Evangeline schetsen; ik zou buitendien niet in staat zijn dat vreemde natuurschoon regt te doen, hoe zeer ik de schildering ook bewonder. De eerste beproeving wacht haar als zij GabriŽl bij zijnen vader meent weÍr te vinden, en daar verneemt, dat bij, haar in de boot langs moet zijn geroeid, dat hij, verslagen haar te hebben verloren, een nieuwen zwerftogt door die onmetelijke wereld begonnen is. De tweede treft haar, als zij den verren weg heeft afgelegd naar de Missie der Jezuiten onder de Shawnees, als bij ook daar is geweest, maar ook vandaar is vertrokken, en haar hart vermoeider is geworden dan hare voeten, en zij tot de vaders zegt: „laat me hier mogen blijven, want mijne ziel is ter dood toe bedroef.” ”

„En er zeker toch niet altijd verwijlt ?

„Waar zou voor haar ruste wezen zonder hem? We vinden haar in Philadelphia weÍr, als de plage der pest de stad teistert; zij is liefdezuster geworden, grijs van haren, maar nog groen van harte, GabriŽl’s gedachtenis bewarende, al hoopt zij niet langer hem weer te zullen zien. Hij leefde in hare ziel zoo als zij hem het laatste had aanschouwd, ongedeerd door de jaren, die zij sedert in lijden had doorgebragt; wat had de tijd gemeens met hare herinneringen van zijne liefde? Hij was voor haar niet veranderd, hij was voor haar verklaard.”

De blik der douairiŤre rigtte zich bij die woorden onwillekeurig naar omhoog, terwijl een diepe zucht hare borst verruimde.

„Op een zondag-ochtend,” voer Amelie voort, „trad Evangeline naar gewoonte de poort van het gasthuis binnen; op de plaats, die zij over moest gaan, streelde haar de geur van het gebloemte des hofs; zij plukte er eenige; misschien zouden zij de stervenden nog verkwikken. Toen steeg zij de trappen naar de bovengangen op, en haar oor ving de klanken van een psalm, in eene naburige kerk gezongen, en het was haar, of stem in haar gemoed zeide: „Uwe beproevingen spoeden ten einde!” Een glans van verwachting op het bleeke gelaat, zweefde zij de ziekenzalen rond en verkwikte de brandende lippen en verkoelde de gloeijende slapen, en sloot de oogen der gestorvenen toe. Menig kwijnend, hoofd rigtte zich, als zij het voorbij gleed, op; hare tegenwoordigheid was hun eene zonnestraal in de gevangenis. En voortgaande, zag zij, dat de groote vertrooster, de dood, in den afgeloopen nacht zijne stillende hand op menig onrustig harte had gelegd en het voor altijd geheeld; plaatse bij plaatse was ledig geworden en alreeds door nieuwe kranken weÍr ingenomen. Eensklaps....”

Amelies zoete stem trilde van aandoening, –

„Eensklaps stond zij, door vrees of verrassing aangegrepen, eensklaps stond zij, de bleeke lippen niet langer op elkaÍr, plotseling stil; eene huivering voer haar door de magere leÍn, terwijl de bloemen uit hare hand vielen en de glans uit hare oogen week. Een kreet ontsnapte haar, een zoo angstige kreet, dat de stervenden het hoorden en van hunne peluw opsprongen. Op de rustbank, tot welke zij genaderd was, lag de gestalte eens ouden mans uitgestrekt; de dunne lokken, de lange zijne slapen zwierden, waren grijs, maar in het ochtendlicht, dat hem bescheen, was het of zijn gelaat nog eens de uitdrukking van vroegere dagen aannam; – het moet bij stervenden niets ongewoons zijn! Op zijne lippen brandde de gloed der koortse, maar gevoelloos voor wat buiten hem omging, scheen zijn geest vast in de schaduwen des doods weg te zinken, en toch hoorde hij uit de diepten van dat dal dien angstkreet, en in de stilte, die er op volgde, fluisterde eene zachte stem op schier hemelschen toon: „GabriŽl! o mijn geliefde!” En al zweeg zij nu, al werd het om hem weÍr stil, het was hem, of het oord zijner kindsheid nog eens voor hem opdaagde, de Acadische wouden en bosschen en stroomen, het dorp zijner jeugd en het gebergte in het verschiet; onder den lommer van den wilden vijg wandelde Evangeline in den bloei harer schoonheid! Er kwamen tranen in zijne oogen, en toen hij ten leste hunne vermoeide leden langzaam opsloeg, toen verdween wel het visioen, maar Evangeline knielde bij zijne legersteÍ. Te vergeefs trachtte hij haren naam te fluisteren, want de klanken bestierven hem op de lippen, en slechts hunne beweging verried, wat zijn harte zoo gaarne zou hebben gezegd. Te vergeefs trachtte hij zich op te rigten, maar Evangeline, die naast hem geknield bleef, kuste zijne stervende lippen, en vlijde zijn hoofd aan haren boezem. O hoe zoet was het licht zijner oogen, tot het eensklaps bezweem, als eene lamp aan het venster, door den wind verrast.

Uit had nu alles, uit de hoop, en de vrees en de smart, al de beklemming des harten, al het rusteloos onvoldaan verlangen, al het onbeschrijfelijke leed eens zoo lang gerekten gedulds! Eens nog het hoofd, het dierbare hoofd des verscheidenen aan haren boezem drukkende, boog zij het hare gedwee en stamelde: Vader! ik dank u!”

En onze beide vrouwen zwegen eene lange wijle; eindelijk vroeg de douairiŤre bewogen:

„Amelie! schrei zoo niet, – hebt gij Thoossens lief gehad?”

„Neen,” was het antwoord, „neen, maar hij heeft een schaduw over mijn leven geworpen, die niet wijken wil; als ik maar aan mannentrouw mogt gelooven...”

Opgestaan onder hare voordragt van de herkenning der gelieven, lag zij nu bij den leuningstoel der douairiŤre geknield en verborg bij de laatste woorden het bloeijend hoofd aan haar borst.

„Gij bemint!” sprak de moederlijke vriendin.

Amelie snikte, – maar antwoordde niet.

„Stort uw harte uit, kind!”

„Mijn arme vader!” klaagde de schreijende, – „hij vleide zich in Thoossens een beschermer voor mijne jeugd te hebben gevonden, – de ondankbare heeft er zijn sterfbed door verzwaard. Jong als ik toen was – wat wist ik van liefde? – zou ik ongelukkig genoeg geweest zijn hem te huwen, als hij zijn woord gestand had gedaan; – ik zou het hem niet maar vergeven, dat hij het brak, ik zou hem dankbaar zijn, dat hij mij verschoonde, als de laatste ure mijns vaders gerust ware geweest, als ik sedert iedere betuiging van genegenheid niet wantrouwen moest! Hoe vaak klinkt nog de vraag, die iedere morgen over de veege lippen kwam: „Een brief, kind! een brief!” mij in de ooren! Thoossens was toen in dienst, als u weet; Thoossens zou na zijne terugkomst uit de West-IndiŽn worden bevorderd, „en dan, Amelie!” verheugde zich mijn vader, „dan wordt gij een paar!” ”

De douairiŤre voelde, dat der jonkvrouw eene huivering door de leden voer.

„Een brief, kind! een brief?” en als ik dan neen moeat zeggen, – Thoossens scheen ons te vergeten, Thoossens vergat ons – dag aan dag neen, dan school dat bleeke gezigt in de kussens weg, dan zuchtte de zieke, verdrietig ondanks al de geriefelijkheden des levens om hem heen, bekommerd over mij in den schoot der dubbele weelde van rijkdom en natuur. Het moet u beugen, dat vader zijn vermogen waard was, door den voet waarop geheel zijn huis was ingerigt, door den smaak waarvan zelfs zijn slaapvertrek getuigde, en toch trok het uitzigt op de duinpartij, dat het verleende, meer mijne aandacht, dan de vorstelijke overdaad, waarmede er voor alle gemakken was gezorgd. „ „Een brief, kind! een brief?” de man, die het vroeg, werd door de halve wereld benijd; de zomerzon scheen zoo vrolijk in het liefelijk landschap, dat zich van zijne legerstede voor hem uitbreidde; zijn eenig kind – och, u mag ik het wel zeggen – had hem nooit een traan gekost, – „een brief! een brief!” het uitblijven van dezen verbitterde zijn sterfuur, „een brief!” het was zijn laatste woord.”

„Al vergat Thoossens u, God zou u niet vergeten, lief kind!” sprak de oude vrouw bewogen.

„Vader vreesde, dat mijn vermogen mij aan allerlei aanzoeken zou blootstellen; dat ik, onervarene, misschien eene dwaze keuze zou doen. In het eerste bedroog hij zich niet; er waren die mij van liefde spraken, eer ik het rouwkleed had afgelegd!”

„Gij beschouwdet u aan Thoossens verloofd?

„Ik was een jaar ouder geworden – ik wist niet, of ik hem wel liefhad – ik verbeidde...”

„Eene aanleiding om hem te bedanken!” vroeg de douairiŤre zacht glimlagchende.

„U weet wie mijne drie voogden waren: – Mijnheer Hudde, – de Generaal van den Helm – en de man van zaken mijnheer Vervoort; – op eene der vele conferentiŽn van deze, waar mijn gevoelen werd gevraagd over dingen, van welke ik geen zier wist, deelde Vervoort, tout comme si rien n’ťtait aan den Generaal het nieuws mede, dat Thoossens met een mooi Creooltje getrouwd was. „Onmogelijk,” beweerde deze; „de dienst –” maar mijnheer Hudde had gezien dat ik verbleekte; hij bragt een regtskwestie op het tapijt, over hypotheek, geloof ik, – genoeg, hij leidde het gesprek af, – hij gunde mij den tijd mij te herstellen. Eenige oogenblik later – ik had maar om madera voor de heeren gescheld, en om een glas water voor mij – een omzien, en ik sprak meÍ over de hypotheek; ik beloofde aan Vervoort doperwten en snijboonen uit de kast, voor den verjaardag zijner vrouw; ik sloeg den Generaal een toertje te paard voor; – zou gekrenkte trots, zou fierheid alleen daartoe in staat zijn geweest!’ Ik had Thoossens nooit lief gehad.”

„Nooit!” klonk het haar na.

„Hij heeft er niet minder mijn leven door vergald; – de tijd is voorbij, waarin het verkeer op het land mij niet maar vernoegde, waarin ik gelukkig was met mijne boomen en mijne bloemen; – waarin ik wat meer zie dan u, – met de beproefden en behoeftigen van het dorp, – waarvoor u beter moeder zou zijn dan ik, – ik vrees soms....”

Amelie bloosde.

„Lief te hebben?” vroeg de douairiŤre, „waarom zoudt het u schamen, kind! het is de besteniming der vrouw, lief hebben, tot zelfverloochenens toe. Niet dat het laatste ooit van mij gevergd is geworden, Amelie! – de laster kome allerminst over mijne lippen, hier, waar ik dagelijks de gedachtenis aan al wat ik verloor vernieuw, en dagelijks dankbaarder gestemd worde voor het geluk, dat mijn deel is geweest; – maar als Aelbrecht offers geŽischt had, het zou genot zijn geweest hem die te brengen. De eerste jaren van onzen echt, wij sleten die buiten in betrekkelijke behoefte; de trouw van zijn geslacht aan het huis van Oranje wankelde nooit;” – er was liefde in den blik, waarmeÍ de grijze vrouw naar de beeldtenis van Willem III opstaarde; – „al had ze mijn leven lang moeten duren, ik zou er niet, als gij, mijne jengd in verlaten overvloed voor hebben willen slijten, ik zou er met geen ander vorstelijke weelde voor hebben gedeeld. Och, Huygens, – de lievelingsdichter van mijn Aelbrecht, – Huygens heeft gelijk, als hij zingt, dat er tot echtgeluk niets anders vereischt wordt dan

gesonde leden
„Daar in een heldre ziel, gelyck een blinckent zwaerd,
„In een fluweelen schee,” ”                                             

„Eene heldre ziel,” zei Amelie der douairiŤre na.

„Eene ziel, die gelooft, dat de knoop voor langer dan dit leven gelegd wordt, kind!” sprak de matrone, „een godvruchtig gemoed, – ook het huwelijk, ook de ouderweelde heeft hare beproevingen, en wee hem of haar, die bij de scheiding slechts in het graf blijft staren, die er niet uit op durft zien. Hoe heugt mij de ure nog, waarin ik met Aelbrecht hier in diepen rouw nederzat; hij had onzen laatst overgebleven lieveling ter groeve gebragt, onzen Willem, die de hoopvolle erfgenaam van zijn beroemden naam scheen te zullen zijn. Daar brak hij de stilte af, daar zuchtte hij, opziende als ik nu doe, daar sprak hij:” – en weder wendde haar blik zich naar de schilderij, naar de gedachtenissen van den slag bij Senef en den slag aan de Boyne, waarin Aelbrecht’s vaderen vermaard waren geworden:

„Maer sien wy niet verdwijnen.
„Al wat de wereld draeght? en kroonen en gebied    
„En sulcke schaduwen, vergaen s’ in ’t ende niet?” ”

„Maar, „heb dank!” was zijn wederwoord, toen ik hem op het weÍrzien gewezen had! Amelie! gij gelooft! – onwaardig lief hebben, dat kunt ge met, – het overige is in Gods hand en wat dit zij, lief of leed, gedenk er der kinderlooze weeŻw bij:

„ „God volgen doet seer suer gedyen tot zeer soet!” ”

Amelie omhelsde hare moederlijke vriendin.

Maar er werd aan de deur der bibliotheek getikt, maar knecht des huizes kwam binnen.

„Mijnheer van West is in de zijkamer, – bij vraagt of jufvrouw van Braams geen belet heeft!”

Wij mogen voor ditmaal zoo min ruimte voor hun onderhoud vergen, als voor de verontschuldiging, die ons op het hart ligt, zoo vrij met Longfellow, zoo vrij met de hexameters, waarin hij zijne Evangaline schreef, te hebben omgesprongen. Vreemd als die vorm het engelsch blijven zal, is de proeve te opmerkenswaardig, om haar den liefhebbers niet aan te bevelen; er schuilen tal van regels in het stuk, die het te bejammeren zou zijn dat niet waren geschreven, – immers, wanneer men, zonder zoverre te gaan als Bilderdijk, die van versen sprak meer waard dan koningrijken, het er met den armen Keats voor houdt, dat:

A thing of beauty is a joy for ever!