E. J. POTGIETER (1808-1875)

TEHUISKOMST.

TAFEREEL UIT DEN WINTER VAN 1813.

I.

Er zijn menschen, die den winter haten, dewijl hij hun het beeld, van den ouderdom schijnt; – Swift zou gezegd hebben, dat die vergelijking te vleijend was voor den mensch; hij beweerde, nimmer een schoon grijsaard te hebben gezien.

Ik begrijp den weemoed, dien de herfst opwekt: wien de winter om die gelijkenis afkeer inboezemt, beklaag ik. Als de sikkels het veld hebben afgemaaid, en de najaarswind de laatste bladeren van de kroon der eiken schudt, en de regenvlagen elkander kletterend opvolgen, dan is het, of de hemel een treurzang klaagt over het verwelken der sarde. Hoe ongezocht rijst bij hem, die van de middaghoogte des levens afdaalt, dan de gedachte op: „Er is geen nalezer gekomen, om gindsche vergeten halmen op te rapen; wie weet, of eene late herfstzon het onrijpe ooft aan dezen tak zal doen zwellen!”

En hij verdiept zich in mijmeringen over de weinige vruchten, die zijn leven droeg, over zijne verdorde airen en groene druiven, de droomen van geluk dat hij smaken, van goeds dat hij stichten zou. En met een smartelijken blik ziet hij het zonlicht aan, dat ter kimme neigt, – staart hij op de bloem des velds, die haar kwijnend hoofd heden nog voor zijne voeten opheft, – die hij morgen zoeken zal, zonder hare plaats weder te vinden. Tot boete en berouw gestemd, wil hij dan den ijver zijner jeugd herroepen; – vergeefs! het is herfst ook voor hem. Zie, dien weemoed begrijp ik.

Zoodra echter een frissche dampkring de bewolkte lucht, heeft vervangen, moge de natuur, in het witte kleed gehuld, een ernstig voorkomen hebben, somber mag men het niet noemen. Wat lijdt zij? het is sluimering en geen dood! Een zachte zonneglans schittert aan het niet langer benevelde uitspansel: er zweeft een lach om de trekken der slapende, als wist de schepping dat de lente nadert, En de ouderdom, die haar gelijkt, zoude afzigtelijk, of beklagenswaardig zijn? Deernis wekt de grijsaard op, wanneer hij zich, gelijk een schipbreukeling aan de hem ontglippende plank, nog krampachtig aan de geneugten des levens vastklemt, met verstijfden voet nakruipt wat hem met vlugge wieken ontzweeft, een bouwval in zijne nieuvre woning, het gebrek in den schoot des overvloeds, de onbereide voor het eenige dat voor hem bereid is. Maar eerbied boezemt hij ons in, wanneer, na een welbesteed. leven, het zinnebeeld der vergankelijkheid de hoop der opstanding koestert, de hemelsche stralenkroon om zijn naakten schedel, blinkt, wanneer zijne rust zaligheid is door zijn geloof! Zoude Swift slechts grijsaards hebben gezien uit de hoogere kringen, aan den rand, des grafs nog der driften ten prooi, slaven der eerzucht tot in hun sterven, – dan begrijp ik zijnen afkeer van de grijsheid.

En nu mijne lange inleiding ten einde is, wenschte ik, dat gij u in een eenvoudig gestoffeerd, maar ruim huisvertrek eener heerenhoeve, in de omstreken van D... in ons vaderland, een klein gezin voorsteldet, op een December-avond, van 1813, weinige dagen voor Kerstijd. Dat jaar was de gezegende bode der Europeesche omwenteling, maar geene staatkundige gesprekken werden in het hoekje van den haard, dier kamer gevoerd; de stoel des huisvaders stond ledig ter zijde van het vrolijk knappend vuur. De hoofdpersonen van het rustig tooneel, dat ik er u in schilderen wil, waren twee vrouwen; welligt zoude ook tusschen deze een woord gewisseld zijn over het dof gedreun, dat zich bijwijlen hooren deed, indien zij er niet sedert verscheidene avonden aan gewoon waren geworden. Het geluid, werd veroorzaakt door het geschut eener vesting, die zich nog in de magt der Franschen bevond, en op twee uren afstands van de hoeve lag; de bevelhebber scheen door dien ijdelen oorlogspraal den opstand der bevolking van het gansche landschap te willen braveren. En heden als gisteren droeg de avondstilte de doffe klanken door het luchtruim voort; maar bij de leden van den kleinen kring, gezellig om de tafel geschaard, wekten zij geene zoo diepe bezorgdheid, dat zij hen in de aandachtige beschouwing eener meesterlijke kunstprent, welke voor hen lag, zou hebben gestoord.

Een jeugdig meisje, dat de beide kandelaars, waarop de kaarsen ontstoken waren, digter tot elkander schoof, opdat hare grijze grootmoeder – een winter zoo als ik dien wensche – gemakkelijker zou kunnen zien, en zich toen aan hare regterzijde plaatste, de stramme band der oude vrouw in hare kleine en zachte vingeren nemende; een bruine kroeskop, die van de andere zijde der zevenjarige op de leuning van haren stoel klauterde, en wiens blosende koonen – hij was naauwelijks vijf jaren oud, – bevallig afstaken bij hare bleeke, gerimpelde wangen, – ziedaar de groep, welke zich vermeide in het bezien eener Italiaansche plaat, die de geboorte des Heilands voorstelde. Terwijl de blik der oude vrouw hooge vroomheid teekende, sprak naïve bewondering uit de oogen van het veertienjarige meisje; de knaap vertegenwoordigde argelooze nieuwsgierigheid; – het was eene schoone groep.

„Lees mijne dochter!” zeide de grijze vrouw tot de gade van haren zoon, die tegen haar over zat, en mevrouw Hertloo las op die bede een der meesterlijkste verzen van Vondel voor, dat in geene bloemlezing ontbreken moest;

KERSTLIEDT.

„O wat zon is komen dalen
In den Maeghdelijken schoot!
Ziet hoe schijnt ze met heur stralen
Alle glansen doof en doot.
Ay, hoe schijnt dit hemelsch kint,
Aller zielen licht en hoeder,
Zon en maen en starren blint,
Uit den schoot der zuiv’re moeder!
Eng’len, daelt van ’t Paradijs:
Zingt den hemel eer en prijs,
En met vrê de harten kroont,
Daer een goede wil in woont.”

„Eere zij God in de hoogste hemelen en vrede op aarde, in den menschen een welbehagen!” zeide grootmoeder Martha,” bij zichzelve.

Hare aanminnige kleindochter Doortje staarde beurtelings den zuiveren omtrek van het aangezigt der gezegendste aller vrouwen en het bekommering verradend gelaat harer moeder aan. Het was zigtbaar, dat deze door onrust gekweld werd, schoon zij dat lijden geen lucht gaf. Een oogenblik scheen zij te luisteren; het was slechts de echo van het gebulder des kanons; toen ging mevrouw Hertloo voort:

„Ziet hoe starooght daer een Oude
Achter deze maeght, op ’t pant,
Dat de hemel hem betroude,
Dat de kroon van ootmoedt spant.”

En de kroeskop Albert wees met zijnen vinger den grijsaard op de prent aan.

„Salomon, vol majesteit,
Rijk vau diamante straelen,
Magh het in zijn heerlikheit
Bij Gods ned’righeit niet haelen.
Eng’len, daelt van ’t Paradijs:
Zingt den hemel eer en prijs,
En met vrê de harten kroont;
Daer een goede wil in woont.”

 

„Zie, kinderen!” zeide grootmoeder Martha, gij begrijpt dat wonder niet; gij zult het nooit begrijpen, al werd gij zoo oud als ik. Maar, Doortje!” voer zij voort; zich tot deze wendende, „wanneer gij ooit boozen mogt ontmoeten, die er u aan zouden willen doen twijfelen, herinner u dan, dat grootmoeder Martha in zeventig jaren rijken arm en armen rijk heeft zien worden, maar dat zij de goeden in dit geloof nooit wankelen zag, en geen oogenblik verlenging haars levens verlangde, dewijl het sterven haar daardoor gewin zoude zijn! Zult ge, mijn kind?”

Albert zag ernstig voor zich; Doortje kuste de bedaagde: Na eene pauze vervolgde mevrouw Hertloo met bewogene stem:

„Komt, gij Koningen en heeren,
    U hier spieg’len in dit licht:
Jesus zal u ootmoedt leeren,
    Die zijn hof in stallen sticht.
    Ziet de Moeder: ziet den Zoon.
Kust de windsels: kust de doeken.
    Buight uw hoofden: buight uw kroon.
Zwijght, vernuftigen, en kloekken:
    Eng’len, daelt van ’t Paradijs:
    Zingt len hemel eer en prijs,
    En met vrê de harten kroont,
Daer een goede wil in woont.”

Onder het voordragen der laatste regels hoorde men den hoefslag van een paard op den hard bevrozen grond rinkinken. Toen mevrouw Hertloo geëindigd had, legde zij Vondels Poëzij ter zijde, en hield haren blik op de deur gevestigd.

„Vader!” juichte Doortje en bedroog zich niet: weinig oogenblikken later trad de heer des huizes binnen; ge moogt hem voor den herfst houden, dien ik u schilderde.

„Welkom!” zeide zijne gade, en voegde er zachter bij: „Gij komt alleen!”

 „Wees gerust, goede Sara!” hernam hare echtgenoot: „mijne reize was niet te vergeefs. Maar hoe, Albert! zoo laat nog op? dat is de weg niet om groot te worden.”

„En officier, vader!” viel de knaap in, die op zijne knieën sprong, om hem goeden nacht te wenschen; mevrouw Hertloo had Doortje gewenkt het jongske bij de hand te nemen, daar zij het verlangen van haren gade, om de kinderen te verwijderen, begreep.

„Vergeet niet, te bidden, François!” sprak grootmoeder Martha, toen de vijfjarige knaap haren zegen vroeg.

„Noem den jongen toch Albert, moeder! Gij weet, naar, wien vrij hem doopten.”

„Ik kende slechts twee Alberts in mijn leven,” zeide de oude vrouw, „en die zijn dood! Tot den eenen zal ik spoedig henengaan; waar de andere rust, weet de Heere; moge Hij hem nabij zijn geweest in zijne laatste ure!”

Er schitterde een traan in de oogen van Hertloo, schoon zijn gelaat geene droefheid verried.

„Gij vreet, dat ik daarom het knaapje geen kwaad hart toedraag,” voer zij voort: „maar hoe kunt gij eischen, dat ik den vondeling zal beminnen, zoo als ik mijn kleinzoon lief had? Zie, gij hebt er wel aan gedaan, hem op te nemen, Sara! toen gij hem des morgens onder uw venater op het bloemperk vondt liggen:

Geen armer Wees op aerde zwerft,
Dan die der Weezen Vader derft;
Der Weezen Vader derft hy niet,
Die Weezen troost in haer verdriet
;

leerde mijn vader mij uit Vondel. Maar, Willem! toen gij hem den naam van uwen eenigen zoon gaaft, gingt gij te ver. Hij is zeker een kind van den een of anderen goddeloozen Franschman; – er stak immers een Fransche brief in zijn goed? Helaas! de ware Albert is dood!”

Eer grootmoeder Martha die rede eindigde, was het jongske met Doortje vertrokken. Het was niet de eerste maal, dat zij zich dus uitte; maar haar zoon nam ditmaal niet, als naar gewoonte, den vondeling in zijne bescherming. In levendige verwachting zag Sara haren gade aan; eer ik echter zijn antwoord mededeel, heeft de lezer regt op eenige inlichting over zijn vroeger leven.

Willem Hertloo had de jongelingsjaren bereikt in den tijd, die de edelste menschen in het westelijk Europa met eene hersenschim dweepen deed; telg van een burgerlijk geslacht, leefde hij ten onzent op het land, omringd van eenen even trotschen , als dommen adel, – den landadel van vóór 1795; – hoe moesten hem Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap verrukken! Dat het slechts het omhelzen eener wolk geweest ware! Hij behoorde tot hen, die de vreemdelingen inhaalden, gastvrij ontvingen, en er bitter door bedrogen werden. De dag kwam, waarop hij, bij het lijk zijner gade, niet wist, of hij haar moest beklagen of verachten, en nog troostte hij zich met een ijdelen waan, toen hij bij hare groeve geloofde de wrangste teug uit zijnen levensbeker te hebben geledigd.

Wel ontloken in eenen tweeden echt de rozen der liefde opnieuw voor hem; maar al het hartstogtelijke, dat de eerste ontvlamming dier drift pleegt te kenschetsen, had hij overgedragen op zijne genegenheid voor het eenig kind, hem uit het huwelijk zijner jeugd geboren,– den knaap, die het leve licht zag eer een vreemdeling den drempel zijner woning overschreed. Het jaar 1810 stelde al de verwachtingen, waartoe deze hem regt gaf, te leur. Albert Hertloo ras uit de Universiteit, waaraan hij studeerde, vertrokken, om eenigeen weken bij zijne ouderen door te brengen; reeds gisteren zou hij gekomen zijn, doch werd waarschijnlijk opgehouden; heden was er geen twijfel aan zijne komst, en toch vond de avond den geliefde niet in de ouderlijke woning; morgen... De morgenschemering brak aan, en de vader zag ongerust uit; de avondschemering viel in, en de vader was wanhopend. Het was te lang vergeefs verbeid; bode bij bode werd uitgezonden; alle nasporingen waren vruchteloos. Indien hij het offer van, noodlottig toeval of plotselinge ziekte was geworden, de droeve mare had hen bereikt; – aan eene heimelijke opligting tot de krijgsdienst viel toen nog niet te denken; er was een vervanger voor den jongeling aangenomen; – de vader veertien dagen door, die alle beschrijving tarten.

En de herfst rigtte zich aan den winter op; Martha schreide, maar geloofde. In de school des lijdens leerde haar zoon Christen worden, niet met de lippen, maar met het hart. Drie maanden later vond, Sara het tweejarig jongske. Toen zij het Willem bragt, werd, deze den brief gewaar; het opschrift luidde aan hem. „Sara!” zeide Willem, toen hij hem driemaal gelezen had: „aan de opvoeding van dat kind, hangt het geluk mijns levens; vertrouwt gij mij zonder verdere opheldering ? Geheimhouding is er de voorwaarde van.” Sara was geene alledaagsche vrouw; zij had evenveel eerbied als liefde voor haren echtgenoot; – die brief had meer uitgewerkt dan hare tranen en haar troost; Willems gelaat had voor de eerste maal sedert Alberts verlies eene uitdrukking van blijdschap. Zij vroeg hoe noch waarom, maar zorgde voor het wicht, als ware het haar eigen geweest; en toen later het gerucht mompelde, dat Albert Hertloo zich in een twist met een Franschen officier onvoorzigtig over het toenmalig bestuur had uitgelaten, en in een tweegevecht met dezen gevallen was, verzweeg zij dit, op Willems bede, voor moeder Martha, maar onderzocht, noch giste verder. Het Was een tijd, waarin de duizendoogige dwingelandij zelfs tusschen echtgenooten de vertrouwelijkheid gevaarlijk maakte.

Eindelijk waggelde de reusachtige stichting des veroveraars op hare tallooze zuilen, en viel in door hare grootheid, zelve. Willem werd met elken dag opgeruimder, en dien morgen had hij Sara medegedeeld... doch wij mogen ons verhaal niet vooruitloopen.

„De ware Albert is dood!” had grootmoeder Martha gezegd, en eerbiedig boog de oude vrouw het hoofd, en legde de handen in haren schoot zamen: Christelijke berusting in de schrikkelijke beproevings-ure!

„Wij gelooven het, moeder! doch wij weten het niet zeker...”

„Hoe, Willem! hoopt gij nog ? Drie jaren zijn verstreken sedert ik hoopte; er moest een wonder gebeurd zijn.”

„En is er geen wonder gebeurd, moeder! in onze verlossing van het juk des tirans! En zoude er geen berigt kunnen zijn gekomen...”

„O, Willem! zeg het mij in eens!” riep Martha met al vuur der jeugd: „leeft hij nog? leeft mijn lieve Albert nog?” En hare handen beefden, en hare oogen stonden vol tranen.

„Hij leeft, moeder!” zeide Willem; want schoon hij vreesde dat de vreugde dooden zou, hij wist bij ervaring hoe de onzekerheid foltert.

De grijze vrouw viel achterover op haren stoel; toen Sara haar te hulp kwam, drukte zij deze de hand. „Het was de verrassing,” zeide zij: „het is over, kind! Maar, Willem! „vleit gij u met geene ijdele hoop?

’k Leerde reizen, met gepeizen
Naer paleizen, uit het slik
Dezer werrelt –

Nu roept gij mij in haar terug; eene tweede teleurstelling...,”

„Vrees haar niet, moeder! ik heb hem gezien en gesproken.

„Gezien en gesproken, en hij is niet hier!”

„Ik ben slechts zijne tweede moeder,” zuchtte Sara.

„Foei, vrouw!” viel Willem in: „waart gij niet de verezorgster zijner kindsheid? Hij gedacht moeder en u bij den eersten handslag: zijn uiterlijk is veranderd, zijn harte niet. Gij zoudt hem naauwelijks weder kennen; hij heeft niets van den tengeren jongeling meer. De worsteling met het lijden heeft hem vroeg ontwikkeld, en hem reeds nu die mannelijke vasthad van wil gegeven, welke ik eerst veel later verwierf. Ik wilde hem overhalen om dadelijk herwaarts te komen. „Zie, vader, zeide hij, „drie jaren heb ik den dwingeland gediend, mijn leven den Vorst onzer keuze! Eerst wanneer ik onder de vrijwilligers ben opgeschreven, kom ik.” Wildet gij, dat ik hem weêrhouden hadde? Er liepen te W..., waar ik hem ontmoette, allerlei geruchten van een uitval der Franschen uit de vesting.”

„Albert leeft!” zeide de oude vrouw: „hoe zal mijne lieve Maria opluiken, indien hij haar niet vergeten heeft! Doch hoe zoude hij? de man, naar wien hij genoemd is, vergat mij in zeven jaren niet. Maar zeg mij, Willem! – want in de verwarring der vreugde is het mij, alsof ik droomde – waar was hij zoo lang? Gij weet, ik stel anders geen belang meer in de voorvallen dezer wereld, wier wisselingen ik moede ben; om zijnentwil heb ik echter de Franscben te meer gehaat; waren zij er schuld aan?”

„Zeker, moeder, doch het hoe is mij onbewust.”

„Wat deed Albert dan al dien tijd?”

Eene korte vraag, die een lang antwoord uitlokte, dat iets had van een vlugtig inzien der donkerste bladzijden van Napoleons bloedig heldendicht. De jongeling was zijnen adelaar gevolgd van de oevers der Bidoassa tot die der Berezina; wij zouden als Willem Hertloo over dezen togt uitweiden, indien wij zeker waren op het geduld onzer lezers te mogen rekenen, zoo als hij het op dat van zijne hoorders mogt doen. Veelligt hadden wij gewaagd er de proef van te nemen, indien onze jeugdige vriend, de driekleurige vanen in Italië’s lagchende dalen of in de onbegrensde woestijn van Eypte had zien wapperen. Dáár omzweefden roem en zege haar; dáár zag de verrukte wereld de eerste stralen der zon van den held onzer eeuw over de Alpen aanlichten; dáár bewonderde zij haren schitterenden glans, door de eeuwige pyramiden weêrkaatst. Toen zij later hare middaghoogte bereikt had, verzengde haar vuurgloed het wegkrimpend Europa Alleen voor hen, wier taak het is, ook haren ondergang op Waterloo te schilderen, is er niets hartverscheurends in het schouwspel van een gansch menschengeslacht, haar vuur prijsgegeven; doch de ballingschap op St. Helena – een gerigte Gods! – ligt buiten onze grenzen.

Nog verhaalde Willem Hertloo, hoe hij slechts zeldzaam, en soms eerst na verloop van vele maanden, in onrust doorgebragt, uit de onderscheiden legerplaatsen berigt had ontvangen, dat zijn zoon nog leefde; hoe deze spoedig bevorderd werd, ja nog geen jaar het krijgmansgewaad had gedragen, toen hij tot officier was benoemd. Daar hoorde men buiten een gedruisch van wapenen; Sara, sprong verschrikt op.

„Van waar die angst, kind!” riep moeder Martha: „zii iemand, wij hebben ondervonden:

Heiligh, heiligh, noch eens heiligh,
Driemael heilig: eer zy Godt.
Buiten Godt is ’t nergens veiligh.

Was Hij niet met onzen lieveling in vuur en ijs, onder vreemden en onder vijanden? Was Hij niet met ons in Albert?”

Willem had de gordijn van een der vensters ter zijde geschoven, en stiet het luik open – de gansche streek, door eene heldere maan verlicht, was roerloos-rustig; de scherpe vorst had de twijgen van het geboomte verstijfd; geen spel van licht en schaduw gaf een zweem van leven aan eenig gedeelte van het landschap; de wind, blies over een reusachtig graf, Vergeefs zocht zijn bespiedende blik nu hier, dan daar, naar teekenen van de aanwezigheid, des vijands; moeder Martha sloeg hare oogen open niet nederwaarts.

„De hemelen vertellen Gods eere,” zeide zij bij zichzelve, „en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.”

En er was geene bezorgdheid voor het geweld der Franschen op haar gelaat te lezen. Zeventig jaren lang had de hand, op wier wenk telken avond dat vonkelend gestarnte ter bepaalder ure verschenen was, haar voorgeleid, bewaard en gezegend; de dood had niets verschrikkelijks voor haar meer; – en reikte de magt dier boozen verder dan tot den doed?

Willem was gereed om aan de andere zijde der hoeve zijn onderzoek voort te zetten; daar hoorde men den plof van geweerkolven op den hardbevrozen grond; er werd luide aan de voordeur geklopt.

„Ga niet!” kermde Sara.

„Dan zal ik gaan,” zeide Martha; maar reeds had Willem de kamer verlaten, en men hoorde hem de deur ontgrendelen: het waren Franschen, die eenen uitval deden om levenbehoeften.

Hij is heer over ons leven, die het zijne veil heeft; maar hoe zouden wij heer zijn over alle omstandigheden, indien wij, de wereld. niet hooger waardeerden dan zij verdient, indien, het altijd vrede in onzen boezem was, indien wij in den dood, slechts een gids naar den hemel zagen! Martha hoorde de luide woordenwisseling van haren zoon met het krijgsvolk; zij kwam in tijds, om zich voor hem te plaatsen; de gevelde bajonet van een der grombaarden verschrikte haar niet.

 

„Fi donc! Un soldat de l’Empereur attaquent une vielle femme!”

„Si elle était jeune et belle, capitaine de Mossy!” en het ontbrekende zeide de spotzieke grimlach, welke deze woorden vergezelde.

Silence!” hernam de jeugdige officier.

De grenadier trok zijn wapen terug; Willem rigtte het woord tot den bevelhebber.

Oogenbklikkelijk volgde deze hem in de huiskamer. Zoodra, hij gezeten was, vezocht Willem aan zijne gade Albert te wekken; Sara haalde den knaap.


II.

Op den morgen van den volgenden dag wemelde het op den breeden stroom – dien gij, indien ik eene kaart bij dit tafereel moest voegen, een uur ten noorden van Hertloo’s hoeve zoudt zien voortkronkelen – van lustige schaatsenrijders; met gewiekten voet, zou een dichter gezegd. Hebben, dartelden scherts en liefde over de spiegelgladde baan. En waarlijk, het was niet enkel de oostenwind, die de wangen dezer boerendeerne zoo rood had gekust; niet enkel verlangen naar het genot der vlugge beweging, wat dien blooden knaap zoo stout deed aandringen om de banden aan den voet zijner liefste te mogen vaststrikken: ge hadt er de schalksche hoffelijkheid en trouwhartige gemeenzaamheid opgemerkt, welke in andere landen den oogsttijd of de wijnlezing tot een feest maken, En welligt was u, als mij, in dat volksvermaak een trek van ons volkskarakter in het oog gevallen, die stof geeft tot twee lezingen, uit welke ik u wil laten kienen: wij worden eerst vrolijk, wanneer de natuur ernstig is, als deden wij het uit liefde tot tegenstelling; of zoo lang de arbeid ons roept, hebben wij geen oor voor de stem der vreugde: wij zijn te vlijtig om dartel te zijn.

Er ontbrak ditmaal niets aan het eigenaardige dier uitspanning ten onzent: op kramen en tenten, waarin ververschingen geveild werden, wapperde weder de Hollandsche vlag. Met een daverend hoezee werd zij door elken voorbijzwierenden rei begroet; wanneer de drom een oogenblik bij die luchtige woningen verwijlde, hoorde men de flinkste jongens elkander gelukwenschen, dat zij ook op het ijs van de Franschen waren ontslagen; de galanterie dier sinjeurs had hen meer verdroten dan hunne kluchtige figuren hen hadden vermaakt. Deze trok met de punt zijner schaats „Oranje boven!” op het marmer gelijkende vlak; gene verhaalde een heuschen trek van den Erfprins met de vrijwilligers te velde; de hartelijkste geestdrift schitterde uit aller oogen, bij het drinken der gezondheid van het Vorstelijk huis, en jubelend, ging het verder, den hen nastarenden ouderdom uit het oog, den wind op zijde.

Toch spoedde zich midden door dat vrolijk gewoel een meisje voort, dat geen deel nam aan de algemeene vreugde: zij waa te jong, om door hare leest de aandacht tot zich te trekken; zij deed het bijwijlen door de drift, waarmede zij reed. In bedaarder gemoedsstemming zoude de schoonheid van den morgen, de zonnestralen flikkerende op de sneeuw, het afwisselende groen en bruin van dennen en eiken, eene wolk duiven zich in den gouden glans verlustigende, hare opmerkzaamheid hebben geboeid; thans dacht zij slechts aan de bede harer grootmoeder, den angst haars vaders, het behoud van haren broeder. Het was Doortje, wie het gelukt pas den wachthoudenden grenadier te verschalken; het was Doortje, die op zich genomen had den jongen Hertloo te waarschuwen om niet alleen te komen.

Helaas! zij had. meer met hare liefde dan met hare kracht geraadpleegd! Op meer dan drie uren afstands van de woning harer ouderen hielden de vrijwilligers hun bivouac; anderhalf uur had zij op den stroom afgelegd; zij kon niet verder. Zoo zij hare taak vroeger aan een ander had. Overgedragen! Doch was die knaap geen harer bekenden? Wanneer zij bij hem konde opleggen? Hij bood het aan; nogmaals vermande zij zich, en het was of de hemel hare krachten schoorde; – mogt zij het middel van Alberts redding zijn!

Hoe meerder zij voortreden, hoe eenzamer het op het ijs werd. Haar makker merkte het op. „Voort!” bad Doortje. „En toch is ginder eene vlag uitgestoken!” Doortje gaf geen antwoord, maar vertraagde niet in vaart. „Zie, hoe weinigenl” Wat was dat? Zij waren dien toren voorbij, maar hoorden een knal als van een geweerschot. Doortje zag om; de vlag was aan flarden geschoten, de hoop volks uiteengesprongen. „De Franschen!” klonk het, „de Franschen!” Thans was de beurt aan Doortje, om haren geleider terug te houden: die toren stond, op het landgoed van den vader van Maria ’s Gravenesse; daar zag zij eenige vrijwillige ruiters; konde haar broeder er niet bij zijn?

Naar hem te vragen, haars vaders brief aan hem te laten zien, de riemen der schaatsen, in weerwil harer van koude bevroren vingeren, te ontknoopen, en den ruiter te volgen, die haar beloofde haar bij den luitenant Hertloo te zullen brengen, was het werk van het volgende oogenblik. Zij kende Albert weder, zoodra zij dezen in eene der woningen van het gehucht ter zijde van den kolonel aanschouwde; naauwelijks wist hij, wie hem te gelijk zoo koud en zoo vurig omarmde.

„Dank, Doortje!” zeide de jongeling: „gij ziet, dat ik niet alleen zou zijn gekomen; maar warm u, kind...”

De nieuwe luitenant was geheel gehoor voor het verslag des ruiters; de vijand. was dus aan de overzijde; zijne baldadigheid boezemde groote gedachten van zijne sterkte in.

Erst essen, meine Herren!” zeide de aanvoerder; het was een grijze Duitscher, die honderd, veldslagen had. bijgewoond, en geen belang stelde in deze kleine gevechten.

„Albert!” zeide Doortje, „de Franschen zijn op het goed van Maria.”

Heilige onschuld, in wie de gedachte niet opkwam, dat haars broeders hart in drie jaren – en hoe vele schoonen kond hij, in drie jaren, in half Europa niet hebben gezien en bemind – een meisje had vergeten, waarmede hij toen gaarne werd geplaagd. Alberts antwoord bevestigde haar vertrouwen.

„Zes man, kolonel! en ik neem op mij, het gespuis van dat landgoed te verjagen; ik ken bosch en hof sedert mijne kindsheid.”

Erst essen, meine Herren!

Gesegnete Mahlzeit, Kolonel!” antwoordde Albert, en zes zijner spitsbroeders volgden hem het gehucht uit, den stroom over, naar den toren toe.

De kolonel liet hen gaan. „Die Jugend, die thörische Jugend”zeide hij tot de achterblijvenden, terwijl hij zich aan tafel zette: „man soll kein Rindfleisch wegwerfen, wen man nicht auf Rehbraten gebeten ist.” Wij willen den jongen Hertloo volgen.”

Hij kende dien toren. Hoe dikwijls was hij met de jonge Maria zijn smallen trap opgehuppeld! hoe dikwijls had hij zich wanneer zij, arm in arm, over de ijzeren traliën zijner schietgaten leunden, verbeeld de ridder te zijn, die er, volgens het verbaal der overlevering, zijn leven lang in was opgesloten. Wanneer hij in zulk een oogenblik, moede van op het landschap te staren, zijn blik naar het blonde meisje wendde, dat hem vergezelde, en Maria het bleek gelaat in beid handen verbergen zag, duizelig van de hoogte, – hoe waande hij dan, dat zij de liefste des ridders was, die in het oude verdichtsel beschreven werd, met „gele haren en blake armen,” schreijende dag en nacht om de gevangenis van haren edelman. Dan zeide hij:

„Volghde my, schoon nonnekyn!”

droeg haar den donkeren trap af, en juichte van vreugde zoodra zij beneden waren; want het poortje was open, en er stond niet, als in het oude liedeke, in de gestalnisse eens priesters, de onverbiddelijke dood op hen te beiden. Neen! van verre schitterde hun het zonlicht, op het breede bed van rozen aan het einde der lindendreven, die den toren omringden, toe. Hij bragt er Maria, Ach! als zij zich dan uit zijne omarming loswikkelde, half schaamrood over zijne drift, half toornig over haren angst, hoe speet het hem, dat de torentrap niet eens zoo hoog, de weg naar het perk niet eens zoo lang was! De laatste maal – hij herinnerde het zich nog in dit uur – de laatste maal, dat bij haar dus gedragen had, was hen de oude heer ’s Gravenesse ontmoet; waarom had deze ook tusschen de oude torens eene woning doen opslaan, en die voor zijnen jager bestemd? – de beide bouwvallen hadden er al het statelijke door verloren, dat hun vroeger eigen was. Het was echter minder het verlies van schoonheid dan het verlies van vrijheid, dat Albert in die verandering betreurde, Vroeger plagt de oude heer hier nooit den voet te zetten, en nu had hij er de adelijke telg in de armen des burgerlijken knaaps gezien. Hij greep zwijgend de hand zijner dochter en wees haar den weg naar de kinderkamer; tot Hertloo, zeide hij niets, maar een blik van minachting trof den jongen Albert meer dan, de ruwste bestraffing zou hebben gedaan. Welk een scherpe spoorslag was deze hem tot ijverige studiën! zelfs aan de hoogeschool vergat hij dien niet. En toen de bekroonde student drie jaren later bij den Baron ’s Gravenesse een bezoek aflegde, was niet alleen Maria voor hem altijd dezelfde beminnelijke Maria, maar onthield, de oude heer zich ook van de hoogen toon, dien hij tegen alle niet-adellijken pleegde te voeren. Albert vleide zich; maar hij wist niet, wat het lot voor hem in den schoot droeg.

„Herwaarts, makkers! Niet in dat oude nest zullen wij den wolf vinden!” riep Hertloo, en ging hen voor langs een zijpad op de deftige huizing toe. „Twee man dienen hier te blijven men kan ons uit den toren gezien hebben,” voer hij voort, toen zij door de opengelaten deur den gang hadden bereikt; de beide jongste ruiters drongen er op aan, dien gevaarlijken post te mogen bewaren; zij mogten naauwelijks jongelingen heeten; Napoleon had ’s lands jeugd in de groene airen afgemaaid. Albert wilde er een derde, die als hij gediend had, bijvoegen; daar klonk een gil uit de zaal, waarin hij nooit luider toonen had gehoord, dan die der guitarre van Maria, gehuwd, aan hare betooverende stem. Hij vloog de trappen op, die naar deze geleidden; hij stiet de dubbele deur open: – welk een schouwspel!

Maria, door twee soldaten bij haar gewaad vastgehouden, lag op hare knieën, aan de voeten van haren vader; de krijgsknechten schenen gereed, haar weg te slepen; – de baron ’s Gravenesse stond bij een geopend venster; een duivelsche lach speelde om de lippen eens Franschen stafofficiers, die op zijn antwoord, beidde. Ziehier de aanleiding tot dit tooneel.

De Franschman – hij was adjudant en vertrouweling van den bevelhebber der vesting – had met denzelfden aandrang van Maria’s vader de opgave geëischt, waar hij zijn vermogen verborgen had. – dit was voor zijne soldaten bestemd; – en de overgave van eenige papieren, voor zijnen generaal van het grootste gewigt; deze verlangde hij. Op ’s Gravenesse’s kloekhartig: „Cherchez les, monsieur!” had de vreemdeling den baron met zijn wapen gedreigd; vruchteloos! Met verwonderlijke koelbloedigheid. had deze geantwoord:

Que votre sabre est luisant! En verité, votre domestique l’entretient bien!

Dat was te veel voor den krijgsman geweest. „Maudit phlegme!” had hij uitgeroepen, en zijnen soldaten bevolen Maria op te nemen:

Parlez, ou...

En de wenk, die op deze woorden volgde, had overgelaten, dat hij haar uit het venster zou doen werpen; een val van deze hoogte op het ijs van de gracht was een zekere dood.

Je la suiverai,” had ten wederwoord van den baron den adjudant in de ooren geklo’ken, terwijl hij, het woord met de daad bezegelende, een raam openschoof.

De krijgsman, knarstandende van woede, voelde zich voor een oogenblik door verbazing overmeesterd; doch hij was grijs geworden in het veld; het ontbrak hem aan geene menschenkennis; gruwzaam paste hij die toe.

Je l’emmènerai; mon régiment n’eut jamai aussi belle vivandière.

De vader sidderde; hij had, onbewogen drie der soldaten, welke den officier vergezelden, zijne meubelen zien stukslaan, en zijne kasten openbreken;” hij zag het zilverwerk, waarop het wapen van zijn geslacht stond., zonder aandoening in hunne roofklaauwen inkrimpen en verdwijnen; een zucht was hem ontsnapt, toen de twee overige krijgsknechten hunne handen aan het gewaad zijner dochter sloegen, de engelachtig-reine, die gewoon was zich met huiverenden eerbied te zien bejegenen. Doch thans! Vlammende rustte de blik des ouden wellustelings op den half ontblooten boezem zijner Maria; een der soldaten was gereed zijnen schendigen arm om haar midden te slaan; ’s Gravenesse zag op naar een der schilderijen, aan den wand opgehangen; het was de beeldtenis van zijnen grooten voorvader, die tegen de Franschen streed onder Willem III, dien tuchtiger van Lodewijks overmoed. Neen, hij mogt, hij wilde zijnen vorst niet verraden; maar moest hij zijn kind prijsgeven? Eene romeinsche gedachte kwam bij hem op; doch hoorde de hemel zijne bede niet! Welk gedruisch naderde op de trappen? Waren het zijne dienstboden? Helaas! wat vermogten deze? De vader sidderde in den man, die nooit gesidderd had.

Partons!

De deuren sprongen open; Albert Hertloo trad met zijne makkers binnen; zijne pistool ging af; de adjudant zeeg ruggelings tegen het behangsel neder.

Ook ditmaal verloochende de tot een spreekwoord geworden Fransche dapperheid zich niet; maar geen mijner lezers eischt eene beschrijving der worsteling tusschen de vrijwilligers en de soldaten. Oogenblikkelijk hunnen buit verlatende bleven de laatste hunnen aanvoerder getrouw; een drietal was het tot den dood; de twee anderen, die zich niet wilden overgeven, vonden op de gracht het hardste bed, waarop zij nog ooit hadden gerust. Albert werd, evenals twee zijner gezellen, gewond; het was de eerste wonde, die hij voor zijn land, voor zijn vorst, voor zijne liefde ontving; al had zij hem tienmaal heviger pijn gekost, zij zoude hem liever zijn geweest, dan de talrijke, die hem door den keizer hadden doen bevorderen.

Maria lag aan zijne zijde geknield; zij bemerkte niet, dat het bloed uit zijnen arm haar kleed bevlekte; indien zij het bemerkt had, zij zoude er trotsch op zijn geweest; had het niet voor haar gevloten?

„Het is Albert Hertloo, vader!” zeide zij, toen de blik van dezen, verwonderd over de voorkeur jegens den eenen ruiter getoond, haar die gemeenzaamheid scheen te verwijten.

„Hertloo!” schertste de stervende adjudant: „ma foi! les bonnes fortunes portent malheur en ce marais! En 1795 votre mère met fit un accueil plus flatteur, Mr. Hertloo! Mais tout est fini; vive l’Empereur

De slaaf stierf zoo als hij geleefd had!

Eer ’s Gravenesse genoegzame bedaardheid van geest had herwonnen, om hun, die zijn leven en dat van zijn dierbaar kind gered hadden, zijnen dank te betuigen, trad de kolonel der vrijwilligers de zaal binnen. Geheel in zijn karakter behoorde de huishoudster des barons tot zijn gevolg en sloten jager en kok, beiden nog bleek van schrik, den zonderlingen trein. „Der Sieg ist errungen, wie ich draussen gesehen habe,” zeide hij: „aber sie sollten erst gegessen –” Hij ging niet voort; er waren gewonden; er was een lijk.

„Gij kwaamt ter regter uxe, mijnheer Hertloo!” sprak de baron met waardigheid: „een oogenblik later, en ik weet niet waar ik in mijne wanhoop toe gekomen zou zijn. Jufvrouw Hansen! linnen, windsels, wat gij hebt, bid, ik u, voor deze brave jongelieden, die om mijnentwille gekwetst zijn, – ik dank u, Maria! gij gaat zelve.”

Maar de huishoudster, die in hare ontsteltenis het oranjelint, dat zij op hare borst droeg, er in allerijl afrukte, – zij had vergeten dit te doen bij de komst der Franschen – en het met overhaasting er weêr voor speldde, toen zij een der ruiters op die ontijdige vergissing zag lagchen, ging, en ging niet, en deed drie schreden, en keerde terug, en jammerde over de verbrijzelde vazen, en schreide toen zij de zilverkast zag openstaan.

Höret sie nicht?” riep de kolonel, die de wonden zijner ruiters beschouwd en slechts bij die van Albert knorrig het hoofd geschud had: „Höret sie nicht? Sie bringe Rheinwein. Wir müssen überlegen, wie das Pack weiter zu jagen. Ich überlege aber nie ohne Wein! Wenn sie nicht gleich Rheinwein bringet, werde ich sie auf das Pferd eines Franzosen binden lassen, die schöne Hochzeit! Rheinwein! Rheinwein!


III.

Honderdmalen had grootmoeder Martha, in de dag van Alberts verdwijning, die voorwerpen aangestaard, welke hem, dierbaar waren geweest, of die hij gedragen had; en met innige liefde, dan ooit Ruben voor Joseph gevoelde, in stilte en schreijende die regels herhaald, door onzen grooten dichter den eersten in den mond gelegd:

O pluim, waerin het duifken stack,
’t Welck wrede havicken vervoerden.

Wanneer zij dan voortging:

„O rock, o vaderlijk geschenck,
„U zal ik nacht en dagh omarmen,”

behoefde zij geheel haar christelijk geloof, om niet,

 

afgezucht door al ’t geklagh,

er al mijmerende mede te spreken, als ware Albert zelf bij haar geweest; iets dat zij strijdig hield met de onderwerping, welke zij haren pligt rekende. Thans echter – het was dezelfde morgen, dien wij straks op het landgoed van ’s Gravenesee schetsten – thans echter was zij Doortje een oogenblik te voren in hare vlugt behulpzaam geweest, en hield zich nu met al de teederheid eener moeder bezig, om die kleinigheden gereed te zetten, aan welke zij wist dat Albert gehecht was: zijn glas, zijn schrijfgereedschap, zijn wat niet al, waaraan de gever waarde deed hechten, de huisgoden onzer dagen, de zigtbare teekenen der poëzij onzes levens. En haar harte was louter dankbaarheid: want haar geliefde zoon was dood geweest, en hij was weder levend geworden, en geene tranen des berouws zouden den welkomstbeker verbitteren.

Een geheel ander tooneel, dan deze vrolijke bedrijvigheid der oude vrouw, bood, het plein van Hertloo’s hoeve aan. Het vriendelijk zonnelicht straalde er op bedrukte aangezigten: jammerende landlieden trachtten door hunne beden en klachten de runderen terug te bekomen, door de krijgsknechten hunnen stal ontvreemd; het geloei der dieren betreurde den warmen stal, eensklaps voor een leger van versch gevallen sneeuw verlaten. De Fransche soldaten vervloekten eene luchtstreek, die hen aan de steppen van Rusland herinnerde, en waren er te ongevoeliger door voor den armen boer, die zijn eenig rund of zijn laatste lam wilde behouden. Vroeg in den morgen was reeds een wagen met levensbehoeften van Hertloo’s boeve naar de vesting vertrokken; thans werd een tweede geladen, die door eene drift ossen zou worden voorafgegaan, Doch het oog van den aanvoerder hield niet bij deze, als bij de vroegere werkzaamheden, de wacht; voor de eerste maal zijns levens verzuimde kapitein de Mossy zijnen pligt.

Hij zat – en dit was het derde tooneel in de huizing van Hertloo – hij zat op de eenvoudige rustbank, die in de kamer stond., waarin wij grootmoeder Martha aantroffen. De jeugdige Albert lag naast hem; het knaapje sliep. Gelukkige leeftijd! De jongen, midden in den nacht gewekt, had niet begrepen waarom de vreemde officier hem zoo vurig kuste; hij had beurtelings gesehreid en gelagchen om de verandering in zijn lot, hem ter helfte verkondigd, door hem voor geen vierde verstaan, en was rustig ingesluimerd; hij wist nog niet, wat het zeggen wil, geene moeder meer te hebben, wanneer onze vader een krijgsman is.

Er was liefde en teederheid in den blik, dien de Mossy bijwijlen op het slapend knaapje wierp, terwijl hij met ongeduld. Willem en Sara verbeidde. Later dan gewoonlijk verschenen deze aan het ontbijt, en de kapitein zette het verhaal voort, dat hij den vorigen nacht begonnen had. Wij zullen dit den lezer vertaald mededeelen. Moge hij ons ten goede houden, dat het er veel van het eigenaardig Fransche door verliest.

„Zoo als ik u zeide,” begon hij, zich tot dena heer des huises wendende; „wij waren in het geheim gehuwd, en ik was gelukkig. Wie zoude het niet geweest zijn met een engel als Helena? Zijvas geene Hollandsche vrouw in den echten zin des woords: eene voortreffelijke huishoudster, een vervelend gezelschap, – vergeef mij, mevrouw Hertloo! J’excepte les exceptions; – zij hield het leven niet voor eenen pligt; liefde maakte het haar ten lust, Verdenk haar daarom evenmin van de dwaasheden onzer Françaises, wier hoogste doel is te blinken, te schitteren en te schijnen; zoo zij die zwakheden had bezeten, zoude zij mij, den toenmaligen luitenant, hare hand hebben gegeven? Wel was ik de oudste zoon uit een adellijk huis; maar zelfs de priester, die onzen echt inzegende, wist niets van mijn grafelijken rang, In de cercles van Parijs zou mijne gade met achting zijn bejegend; maar zij zelve stemde mij toe, dat ik er niet aan denken kon, haar, die eenmaal ten uwent het tooneel had betreden, aan mijnen vader voor te stellen. Zij was eene zeldzame zuidelijke plant, onder dezen noordschen hemel ontloken; haar vader behoorde tot onze uitgewekenen; zij had al dien afkeer van dwang, waaidoor zich Italiaansche vrouwen onderscheiden. Welk eene schitterende loopbaan sloot mijn echt voor haar! Dat zij uw leven, mijn zoontje! met den dood geboet had, zij zoude gelukkig gestorven zijn!”

En de hand des krijgsmans speelde met de krullende lokken van den knaap, terwijl zijn gelaat de smart verried, welke het herdenken aan vervlogen geluk in bittere rampen opwekt.

„Wij, vreemdelingen, zijn gewoon uw vaderland een moeras te noemen; maar welke zalige dagen sleet ik met haar in uw Geldersch paradijs! Ik heb de bekoorlijkste streken van Europa gezien; ik heb vele schoonen lief gehad, op de wijze, waarop een krijgsman bemint, heden aanbiddende, morgen vergetende; waarachtige liefde leerde ik eerst door Helena kennen; Arnhems boschaadjes zagen nooit gelukkiger paar. Ik was der zeventienjarige alles. Om mij had zij de glorie vaarwel gezegd, en het berouwde haar niet; om mij sleet zij hare dagen in eenzaamheid, en had deze dagelijks liever. Zij werd, moeder God zegende ons, zoo als Helena zeide; want zij had godsdienst; zij was niet, als ik, het kind der omwenteling.”

Sara huiverde. Gelooft gij dan aan geene Voorzienigheid?” riep Hertloo.

„Waarom werd mijn geluk verstoord? Waarom op zulk eene vreeselijke wijze? Helaas! toen mijne betrekking mij dwong, ons in die stad te vestigen, in welke uw zoon studeerde, was de Helena, die ik daar bij het wiegje van ons kind verraste, schreijende over den knaap gebogen, niet langer de Helena, welke mij onder den hoogen kastanjeboom met haren zuigeling plagt te verbeiden, bloeijende als de kamperfoelie, die zich om de pijlers van het prieel slingerde, vrolijk als het lam, dat aan bare voeten sprong en speelde, verliefd als de nachtegaal, wiens minnezang in de donkere twijgen de echo van ons harte scheen. Maar ik doe haar onregt; slechts uit liefde tot mij verborg zij mij de oorzaak van haar lijden. Wat moet ik haar wreed geschenen hebben, toen ik haar aanbood mij haar gemis te getroosten, toen ik haar van de palmen sprak, die zij in het perk der kunst konde behalen, wanende dat de rozen der liefde voor haar waren verdord. Zij wees mij hare boeken; het waren Frankrijk’s onsterfelijke dichters. Zij wees mij ons kind. „Ik weet niet, of huwelijksliefde verflaauwt,” zeide zij: „maar moederliefde duurt tot in eeuwigheidl” ”

Mevrouw Hertloo streek met hare blanke hand langs haar gelaat.

„Het ergste is voorbij,” hervatte de Mossy: „het verhaal van mijn lijden zal mij minder aandoen dan dat van mijn geluk; het laatste is voor altijd vervlogen, het eerste duurt nog. Een toeval deed mij uwen zoon ontmoeten, – hetzij dat ik het volk lief had, waaronder mijne vrouw geboren werd, hetzij dat ik, zacht van gemoed, minder van dien trots des overheerschers bezat, mijnen landgenooten eigen, de studenten beschouwden mij niet als eenen vijand; in eenen kring van deze zagen wij elkander, uw Albert en ik. Er werd champagne gedronken; hem ontglipte eene vinnige toespelling op onzen volksaard; de geestigheid vond bijval; vergeefs wilde ik haar niet gehoord hebben. Mijn glas werd mij ingeschonken met eene herhaling van zijn gezegde. Het kleed, dat ik droeg, – mijne eer, meer nog dan mijn rang, – (gijlieden deelt niet in onze begrippen op dit punt; beklaag die; gij zoudt ze vruchteloos bestrijden) – mijne eer verpligtte mij de bron op te sporen. Uw zoon was slechts te gewillig er eene spottetnij bij te voegen, die mij in elk opzigt onverklaarbaar was, behalve dat zij de eer mijner Helena aanrandde. Hij weigerde eene opheldering. „Vraag die uwen vader,” zeide hij. Ik daagde hem uit; hij bepaalde plaats en uur.”

Hertloo schudde het hoofd!

Toen ik den volgenden morgen wilde uitgaan, reikte een ordonnans van den generaal mij het nog in dien nacht uitgevaardigd arrest over. Ik wilde mijn woord geven, om binnen een uur dood of levend, terug te zijn; ik zeide dat eene affaire d’honneur geen uitstel leed; ik poogde de schildwacht te verschalken; – alles vruchteloos. En ik moest, toen mijn gedruisch Helena wekte, haar de oorzaak mijner woede verzwijgen; ik loochende haar zelfs. Schriftelijk beklaagde ik mij bij mijnen vader, die in dezelfde stad in garnizoen lag; hij antwoordde mij, dat deze maatregel geen ander doel had dan het duël te voorkomen, dat op de jegud. slechts een gevaarlijken indruk zoude maken. Hij gebood mij bedaard te zijn, het monster!”

„Uw vader!” viel Sara in. „De natuur vergeve het mij! maar wanneer mijn jongeke mij vloekte, indien ik hem, zoo als hij mij, van heil en eer beroofde, ik zoude hem geene ondankbaarheid verwijten. Het leven is een twijfelachtig geschenk, – doch ik spreek tot gelukkigen; hoe zoudt gij den ongelukkige verstaan? Toen de dagen van mijn arrest verstreken waren, zeide men mij, dat uw zoon naar uw landgoed gereisd was; ik verdacht hem van lafhartigheid.. Zoodra echter de studenten terugkeerden, wekte het algemeen gemompel over zijn verdwijnen andere vermoedens bij mij op. Helaas! hoe snel werden zij zekerheid! Helena’s gezondheid, kwijnde, totdat eene vreeeselijke koorts haar leven in onmiddellijk gevaar bragt. In drie dagen en drie nachten week ik niet van haar leger. Zij ijlde onophoudelijk. Hoe schoon was zij, wanneer zij fragmenten uit Pierre Corneille opzeide, of eene elegie van André Chénier voordroeg Als in de eerste dagen onzer liefde, hoorde ik hare zilveren stem die zoete klanken herhalen: „Ik ben op mijne schoone reize nog zoo ver van haar einde; ik vertrek eerst, en ging van de olmen, die den weg overschaduwen, naauwelijks eenige voorbij; aan het feestmaal des levens heb ik den vollen beker nog slechts één oogenblik aan mijne lippen gezet; ik ben in den bloeitijd; ik wil getuige zijn van den oogst!” Vraag mij, niet wat akeliger was, die droomen van het verleden, door het heden zoo scherp wedersproken, of de ontzettende angst, dien deze schoone herinneringen pleegden op te volgen; ik weet dat ik wenschte” krankzinnig te zijn, toen zij mij in de laatste, de bron haars verdriets, het akelig geheim kennen deed. „Louis! Louis!” riep;:” zij mij toe, en zag mij niet, schoon ik naast haar stond: „bescherm mij; uw vader vervolgt mij; hij zweert, dat hij mij bemint en mij bezitten zal!” En met verontwaardiging weigerde zij elk aanbod, dat zij zich verbeeldde hem te hooren doen; er vonkelde een edele trots uit hare oogen, bij haar antwoord: „Ik ben de gade van uwen zoon!” Een krampachtige lach vergezelde de herhaling van zijnen smaad: „Eene tooneelspeelster gemalin van eenen graaf!” Toen waande zij weder alleen te zijn, en weende bittere tranen. O, ik begreep dat, schreijen te wèl! Wanneer zij zich door de komst eene eervolle onafhankelijkheid, had verworven, zij zou den wellustigen edelman de deur hebben doen wijzen; het had aan haar gestaan, haren naam te doen eerbiedigen; zoude zij mij dit vergen, een zoon zijnen vader in dat licht doen kennen, het onmogelijke eischen in haat openlijk optreden als mijne echtgenoote? „De rust van ’t klooster, de rust van ’t graf,” zong zij, en begon toen het verhaal van Theramene, uit de Phèdre van Racine, met luider stemme op te zeggen, tot zij, aan den regel gekomen: „De Hemel beneemt mij, onschuldige, het leven!” den volgenden veranderde in: „Zorg na mijnen dood voor ons arm kind, Louis!” en mij smeekende aanzag. De moeder had mij herkend; – het was haar laatste woord!

Geen mijner lezers, die niet, als Willem en Sara, begrijpt, dat de Mossy bij zijnen vader in bedaarder oogenblikken onderzoek naar het lot van Albert deed. Hij trok zich zijner, als het slagtoffer van den hartstogt des ouden graafs, ernstig aan. Om gekochte verspieders hadden den twist slechts te gemakkelijk eene staatkundige kleur weten te geven: al ware de zaak voor den keizer gebragt, hij zoude in die jaren zijner regering den jongen ideoloog in dienst hebben gehouden. Men kent zijnen haat tegen deze; Albert Hertloo was bovendien Hollander. Indien ooit welwillende vriendschap zulk een gedrag kon vergoelijken, de jonge de Mossy had geene poging onbeproefd gelaten. Het lag in zijnen romanesken aard, hierin de afleiding te zoeken, welke hij bij het verlies van Helena behoefde. Hij streed op elk slagveld dier dagen aan de zijde van Albert, en redde tweemaal zijn leven. Het was dezelfde gemoedsstemming, welke er hem toe bragt, de opvoeding van zijn kind tot den pligt van den ouden Hertloo te maken; hij had zich in zijne keuze niet bedrogen.

De Mossy zweeg bescheiden over hetgeen hij ter verzachting aan Alberts lot, tot behoud van zijn leven, had bijgedragen; jj betreurde den tijd, waarin zulk een gruwel kon worden gepleegd, waarin die moest worden geduld. Hertloo overtrof hem in edelmoedigheid; het morgenrood der vrijheid zegevierde over den nacht der slavernij; zijn Albert had zijne vrijheid weder. Hij bood den Franschman aan het knaapje bij zich te houden tot het einde van den oorlog; de Mossy nam het aanbod dankbaar aan, maar voegde er met eenen bitteren glimlach bij:

La fin de du guerre! l’Empereur ne cèdra jamais.

Si Dieu ne l’y force,” hernam Hertloo.

L’ememi! l’eneemi!” klonk het op het voorplein, en inderdaad, een drom vrijwillige ruiters had den hoop Fransche soldaten omsingeld. Vergeefs vloog de Mossy met uitgetrokken legen naar buiten.

Het was eene korte worsteling; doch niet deze trok de aanlacht van Willem en Sara. Het rijtuig van den baron ’s Gravenesse was de ruiters op zekeren afstand gevolgd, en hield aan eene andere zijde der hoeve stil. Wat beduidde dit bezoek? Zie! de eerste, die uit de koets sprong, was hun Doortje.

„Albert! Vader! hij is gekwetst, maar niet gevaarlijk. Zijne komst heeft den baron en Maria gered; zij zijn allen hier.”

Er zijn oogenblikken, die zich niet laten beschrijven. Hoe zoude ik het wagen durven, in dit oogenblik grootmoeder Martha te schetsen, met waggelenden tred, binnengekomen, voor Sara naar haren leuningstoel geleid! Haar kleinkind, het verjongde evenbeeld van Albert, van den vriend harer jeugd lag aan hare borst, en naast hem boog zich het blonde hoofd van Maria, die voortaan de zijne wilde wezen.

„Dat ik nu sterve, nadat ik uw aangezigt gezien hebbe, dat gij nog leeft?’ zeide de vrome vrouw met de woorden des aartsvaders.

En een der vrijwillige ruiters trad de kamer in; maar het verslag der gevangenneming van de Mosey bestierf op zijne lippen, even als de tijding, dat eene witte vlag van den toren der vesting wapperde, tengevolge van den afgesneden terugtogt.

„Gij waandet mij dood?” snikte Albert.

„En waart gij het niet levend, mijn zoon?” zeide Hertloo: „mogt ik uwe grootmoeder aan de tallooze schokken blootstellen, die brief bij brief mij deed ondergaaan?”

„Gij hebt welgedaan,” zeide grootmoeder Martha; „mijn hart zou bezweken zijn, als het harte Jacobs; ik zou u niet geloofd hebben. De Heere zij geprezen, dat ik niet rouwbedrijvende in het graf heb moeten nederdalen! Indien de booze, die ons scheidde, wist hoe ik u beweende...”

„Hij is niet meer!” zeide Albert: „hij viel dezen morgen door mijne hand.”

„De vader van de Mossy!”’ riep Hertloo.

Albert knikte toestemmend; de baron ’s Gravenesse was te kiesch om aan te merken, dat de adjudant des bevelhebbers, volgens zijne eigene bekentenis, niemand anders was dan de vrijheidsheld, die gedurende Hertloo’s eerste huwelijk te zijnent de regten der gastvrijheid had. geschonden.

„Gij moogt er des Heeren regtvaardigheid in zien,” zeide grootmoeder Martha met zwakker stem: „ik verheug mij heden meest in Zijne genade. Geloof altijd aan de eene, twijfel nooit aan de andere, kinderen! en gij zult acht geven op uwen voet, maar niet wanhopen, zoo gij struikeldet. Gij hebt elkander lief, zoo als ik mijnen Albert lief had.

„Die liefde is stercker dan de doot;
„Geen liefde komt Gods liefde nader...”

Sara meende eene sterke verandering in de trekkea der oude vrouw te bespeuren; bezorgd verzocht zij Doortje haar eenig geestrijk vocht te reiken; het was te laat. Met moeite legde grootmoeder Martha de stramme handen op het hoofd van Albert en Maria, en zeide toen, stervende nog haren lievelingsdichter gedachtig:

„Vaartwel!

„Eeuwigh – gaet – voor – oogen – blik!”

 

Tesselschade, 1836.