E.J. POTGIETER (1808 – 1875)

ALS EEN VISCH OP HET DROOGE.

AERT, SICCO, ERNST.

Aspettare, o non venire,
Star a leto, e non dormire
Servire, e non gradire
Son tre cose da morire.

Proponenten zonder plaats – de dolende ridderschap onzes tijds – de jonge lui in mijn opschrift geschetst, in mijn motto bezongen – waar treft men ze niet aan?

Immers, zoo ge u nog herinnert, hoe ge in het vroege voorjaar verpligt waart de ongenade der Zeeuwsche stroomen te tarten, dan heugt u ook de bleeke, bescheiden, bedaarde jonkman wel, die met u aan boord was, – die niet weten wilde van waar hij kwam, – dien gij verbaasd hadt aangestaard, zoo hij u een dorpje had genoemd, dat slechts hij en de redacteur van zeker tijdschrift en de aardrijkskundige beschrijvers van ons vaderland kennen – maar waarvan hij, beter dan iemand hunner, het aantal zielen, tot op n halve na, had kunnen bepalen. Verlangt ge den omtrek volkomener? Hij droeg het Kruis van den Tiendaagschen Veldtogt nog – en hij had echter niets krijgshaftigs. Gij schreeft hem op verre na geene acht en twintig jaren toe – die grenspaal tusschen het joolige en het ernstige – maar hem faalde des ondanks den ganschen dag alle zweem van opgeruimdheid. Hij wist minder van den akkerbouw, dan gij, die meendet iets van de meeteelt te weten, maar schoon gij uw beetje kennis schuil hieldt, trachtte hij boer te zijn met de boeren aan boord. Hij gaf u op twee handelsvragen een antwoord, dat, u de lust voor de derde benam. De politiek scheen hem een gruwel te zijn. En toch zaagt ge hem meermalen dan iemand andere van uw gezelschap aan, want gij hoordet hem van tijd tot tijd kugchen – een kuch, die in geene’ pathologie beschreven wordt: de kuch der moedeloosheid. Hij toonde zich over die onwillekeurige belangstelling gergerd; hij werd er, zoo mogelijk, nog schichtiger, nog afgetrokkener door. Slechts het flikkeren van de torenspits eener dorpskerk, aan den gezigteinder, deed hem bij wijle zijn stilzwijgen afbreken. Zoo vaak er eene op doemde vroeg hij: „Schipper! is dat Engelboutsweel,” of „Oostkinkel,” of „Poppenkinderendam niet?” En een zucht volgde zoo zeker de beaming van den veerman, als tweemaal twee vier is; een’ zucht, die den noodlottigen kuch voorafging.

Laat me er een’ uit mijne eigene ondervinding tegenoverstellen. Het geviel – ik wenschte dat ik dien verouderden vorm weder verjongen konde – het geviel op een uitstapje naar de liefelijke dreven van Velp en Beek. Zie, daar zat hij naast mij in de diligence, ook een jong mensch, ook een kruisdrager, ook een stille in den Lande. Dat wil zeggen: hij werd het laatste allengs. Bij het opstappen der trede, had hij nog eene aardigheid ten beste gegeven; maar hoe verder op den dag, hoe meer de hemel betrok, en nu, de streek wordt eensklaps somber. Want het steken van den hoorn en een sneller draf der paarden, en de onrust van den conducteur, kondigden aan, dat wij een gehucht naderden, waar men pleisteren zou. De metamorphose van mijn’ buurman greep plaats. Hij zette zijn bril af, hij stak dien in een rood marokijnen foudraal, hij bergde het in zijn vestzak weg. Welke Haauwe oogen! Het bleef er niet bij. Op poging I volgde poging II: hij beproefde zijne kroeze haren sluik te strijken. Helaas, vruchteloos! Eindelijk kwam hij aan poging III, en deze gelukte, want de mode valt ligter te beheerschen dan de natuur – ik bedoel hij bleef bijziende, hij bleef een kroeskop – ach, een bijziende proponent, die leest! – acH, een proponent met kroes haar, en dus ook met kroeze zinnen (?)! hij moffelde zijne glac handschoenen in het pand van zijn rok. Intusschen stond de diligence stil en werd het portier geopend. O, dat gij gezien hadt hoe eene groep boerenjongens, in het verschiet, hem kwelde; waarschijnlijk zag hij ze voor ouderlingen aan. Uit de koets te wippen als een flinke borst, dat scheen hij te weten, dat mogt niet; maar moest hij er uitstappen als een paauw, of uitkruipen als een wezel:

Ay, there’s the rub.

Hij was er uit; – en de condueteur deed over het gansche spel een karakteristiek licht opgaan, door zijn onbarmhartig: „Dat is nommer zeven; zeg nog, dat zij geene keus hebben van hemeldragonders!”

Eene andere nuance, Onlangs zag een mijner vrienden zich verpligt, een paar uren in een dorpje op de Noord-Brabandsche heide te vertoeven, er was een wiel van zijn rijtuig gebroken. Welk een dorp! Hij verklaarde, dat hij er zijnen doodvijand niet gebannen zou wenschen, „tenzij,” voegde hij er bij, „dat die ongelukkige een dagbladschrijver van den achteruitgang ware; hij zou er van goden en menschen zijn vergeten!” Luister verder: de dood was er eene onaanzienlijke pastorij ingetreden, en de begeerte volgde hem, hoe paradox het klinke, op de hielen. Zij kwam ditmaal in eene mannelijke gedaante; zij was niet gekruist, maar ieder kon op het gezigt van den jonkman, die haar vertegenwoordigde, lezen:

„Het is toch waarlijk een goed huis!” –

In de stad zijner geboorte zou hij het niet hebben aangezien.

„Die hof is toch zoo heel klein niet!” –

Geene lommer en veel moesgrond.

„Ik wou dat ik er in woonde en er in zat!” –

Wie dit echter op het gelaat van den inspecterenden jongeling geschreven zag, mijn vriend niet, – hij heeft soms zonderlinge distracties. De proeven moede, met zijne waardin een gesprek aan te knoopen, waarbij hij niet geeuwen moest – de proeven moede, van haar eenig ander boek ter leen te krijgen, dan De hemelsche Lusthof, vol lavendels en madelieven, – de proeven moede, iets anders uit de vier hoeken van het gansche dorp te zien, dan bruinen grond en blaauwe lucht, trad hij toe op den jonkman, die zich informeerde, en zich orinteerde, en zich recommandeerde.

„Wel verduiveld, mijnheer,” zei hij tot hem, „wat is het hier vervelend; – zoo ik nog n uur moest blijven, ik leerde tooveren!”

„En het spijt me nog,” zegt mijn vriend, „dat ik geen papier en potlood bij mij had; want in plaats dat de jonkman mij antwoordde: „H, mijnheer, daar zou ik drie dagen om blijven!” – gaapte hij mij aan, met eene verbazing, waarbij Poussin’s tonnement een alledaagsch bakkes is.”

Slechts mijn vriend begreep niet, dat er proponenten zijn, die eene plaats bij het Ultima Thule zouden aannemen, louter om maar geplaatst te zijn.

Om de saizoenen voltallig te maken, om te bewijzen, dat men ze overal aantreft, deel ik nog eene ontmoeting mede. Zij wervoer mij zelven; wilt ge van de partij zijn? Wij hebben pret in eene Friesche trekschuit, met ijsbrekers er voor; pret, ondanks den togt, die er in vlijmt; pret, ondanks het doppen vuurpotje, dat onze onhandigheid doet uitgaan; pret, ondanks de walmende smeerkaarsen. „Oef!” zegt ge ten onregte. Wij hebben pret, herhalen we, want we zitten niet te luisteren naar het gedruisch der stukgestotene ijsschotsen; een anti-muzikaal geluid, als alle onvrijwillige bewegingen der natuur. We leenen onzen Gil Blas van, eenen schipper het oor. Welk eene historie! Hij is weesjongen, hij is kweekeling, hij is voorzanger geweest, ook het laatste in het Weeshuis: – toen heeft hij aan- toen is hij uitgetrokken, – sedert werd hij schippersknecht, en is onlangs tot veerschipper bevorderd: eene driedubbele opvoeding; eene half wetenschappelijke, eene krijgshaftige, eene maatschappelijke eindelijk, van wier veelzijdigheid hij ons proeven begint te geven. – Waarlijk, wanneer ge als ik, naar den snaak hadt geluisterd, ge waart met mij in verzoeking gebragt, te gelooven, dat ge in de zeventiende en niet in de negentiende eeuw bij de vrije Friezen reisdet; een anachronisme, waartoe wegen en vaarten, in die provincie, slechts te veel aanleiding geven. – Thans echter heeft de illusie niets stootends of stuitends; zij is even pleizierig als piquant; die zwartoogige verteller vereenigt het aanschouwelijke van Bredero’s schetsen met het weelderige der liedekens van Starter. Aardig heeft hij den knoop van zijn verhaal gelegd. Als die liefde-historie goed afloopt, dn – maar daar houdt het gedruisch allengs op, daar schommelen wij zachter, daar liggen wij stil.

Ik verklap u niet aan welk da of kum wij waren, in eenig arteradeel, van eenig elf en dertigste. Ik verklap u slechts.

„Bonk!”

Daar kwam een reiszak de schuit inrollen.

„Pof! Pof!” Daar hoorden wij eene parapluie – op mijn woord eene parapluie, schoon het vroor dat het knapte.

„Stamp! stamp! stamp!” daar volgde haar een jonkman” van wien ik u, deels om het flaauwe schemerlicht, deels om zijn’ toegeknoopten overjas, niet weet te zeggen, of hij al dan niet een kruis droeg, dat ik echter vast geloof, daar de dapperheid der Friezen boven bedenking is. Helaas, tot ongeluk van het verhaal, waarop wij ons spitsten, was het ook boven bedenking, waarnaar de jonkman met reiszak en parapluie, die accessoires van den proponent, adspireerde. De Gil Blas bleef boven; „de vertelling gaf geen’ pas, in tegenwoordigheid van een aanataande,” beweerde hij, toen ik hem bij het scheiden er aan herinnerde.

Wellicht heb ik te flaauw omgetrokken; of merktet gij al de ellenden van zulk’ reizen op? Verpligt te zijn, n de zeden van den stand, waarin men geboren is, n de natuurlijke gebreken, die alleen de botste onbeschaafdheid den lijder verwijt, te verloochenen – ondanks den levenslust der jeugd, naar de vergetelheid der ballingschap te moeten smachten, om niet te vergeefs te hebben geleefd – eene wankelende gezondheid aan den invloed der zeelucht te gaan prijs geven, ten einde een eerlijk stuk dagelijksch brood te verdienen – verdacht te worden, na de vrije ontwikkeling aller driften op de Academie eensklaps, als met een’ tooverstaf, den zin voor het menschelijke in den mensch te hebben uitgedoofd – ik wenschte die jammeren aanschouwelijk te maken. Ik mogt het niet uitvoeriger doen, dewijl mijn onderwerp schier onuitputtelijk is.

Maar mijne lezeressen reizen zelden: voor haar eene schets aan het huiselijk leven ontleend. Onderstel dat wij prettig zitten thee te drinken – gij vergunt mij immers naar de natuur te schetsen? – tegenover een’ warmen haard, waarin echter noch mijne vrienden, noch ik zelf, mannetjes in het vuur maken, dewijl er rondom de tafel vrij wat aardigers te zien valt. Men moet monnik zijn om niet te raden wie – drie, vier, vijf jonge meisjes, zeg ik. Onderstel die, bid ik, niet preutsch of flaauw genoeg, om van tijd tot tijd geen woord me in het kapittel te willen of te durven spreken. Geef aan de vijf blozende kopjes – blonde of bruine, naar ze u liefst zijn, ik houde van schakering – geef ze de uitdrukking, die u het meest behaagt. Zoo gij ietwat verbeelding hebt, ziet gij eene peinzende, eene schalke, – eene verstoorde, – eene lagchende, – eene mooije om u, want het is aardig, een paar groote kijkers onder de lange wimpers te zien wegschuilen, – want een blank handje speelt allerliefst met eene haarlok, die niet werbarstig is, – want ook de gramschap heeft hare aantrekkelijkheid, – want frissche lippen tantaliseeren gaarne, – want eene mooije heeft niet te doen dan mooi te zijn. Onderstel – het is mijne laatste, bede, en die; waarop ik het meest aandring – onderstel de vrouw des huizes, burgerlijk, Hollandsch genoeg, had ik er schier bijgevoegd, als ware het dan geen pleonasmus geweest, om ons te vergunnen eene pijp te rooken, of eene cigaar aan te steken, spijt Bilderdijk en den bon ton:

Deux mots bien tonns de se trouver ensemble!

Het deert me, dat mijn onderwerp, mij, die zoo galant begon, naauwelijks vergunt te zeggen: we zitten prettig thee te drinken; wij amuseren ons, of een wolkje drijft voor de zon; of de schaduw verbreidt zieh over het gansche landschap. Hij treedt binnen.

En wie is hij?

Ik hou niet van overdrijving, en ik kies hem daarom jeugdig, welgemaakt, fatsoenlijk; drie gaven, waarme menigeen zijne fortuin zou maken, en hij het toch niet doet, stakker als hij is! Want hij derft het voordeel van zijne jeugd, om den ernst, dien hij, ik zeg niet huichelt, maar die hem staat zoo als hem de paruik van zijn’ overgrootvader zou doen, meer koddig dan deftig; – want hij derft het voordeel van zijne figuur, door het, statelijk zwart pak, waarin hij steekt; door het overzedig strikje van zijn’ witten das; – want zijn fatsoen zelf.... maar ik mag mijne schets niet vooruitloopen.

„Een kopje thee, mijnheer?”

Elk ander zou om de aarzeling, bij die vraag in de stem van mevrouw hoorbaar, begrijpen, dat wij reeds eene wijle theedronken, en dus bedanken; maar zijn antwoord is het karakteristieke, het voldoende, het dankbare:

„Als ik u verzoeken mag, mevrouw.”

„Suiker en melk, mijnheer?”

De dosis liefheid wordt andermaal toegediend.

Mijne vrienden, of ik, wij stooten de asch onzer cigaar op den rand van bet tabakskomfoortje af; we zijn niet onbeleefd genoeg om koker noch matje te voorschijn te halen, om er hem geene aan te bieden:

„Liever eene pijp, als ik u verzoeken mag,” zegt hij buigende.

Geloof niet, dat hij tot die bede werd uitgelokt door het opspringen van eene der jongste lieven, die hem nu een Goudenaar aanreikt. Zijn doel lag dieper.

„Ik dank u,” zegt hij, en voegt er stoppende bij: „in mijne betrekking is het eene vereischte eene pijp te kunnen rooken – de boeren willen geen’ Domin, die ’t niet kan.”

Daar hoort gij het Schibboleth!

En nu zweeft u het verwijt van onwellevendheid voor hem op de lippen, dewijl hij geene tien minuten in ons gezelschap kan zijn, zonder te verkondigen, zonder uit te bazuinen, tot welken stand hij behoort, neen, wenschte te behooren; hij is slechts vervuld van zich zelven. En nu komt in de stilte, gedurende wier pijnlijkheid wij, in de volgende tien minuten, zijn versleten aardigheden over vuile en schoone pijpen slikken, het geheim aan den dag, dat hij zoo min bij ons te huis is, als hij het in ander gezelschap op de Zeeuwsche boot of in de Geldersche diligence scheen te zijn; dat hij even begeerig is, als de dolende ridder in Noord-Braband, een even groot spelbreker, als de martelaar in de Friesche trekschuit. En nu ergert gij u aan hem, die niet jong is met de jeugdigen, en niet vrolijk met de blijden; nu ergert gij er u aan, dat hij den opgeslagen kaatsbal gaarne in zijn zak zou wegmoffelen, dewijl hij te linksch is, om dien terug te doen vliegen – niet te haastig, lieve vrienden! Zie, ik zou het der meisjes vergeven, zoo zij hem in haar vuistje uitlachten, zoo zij; hem verloochenden; of is er eene vrouw, die weet, welk eene kwelling, welk een looden last, welk een ondragelijk juk afhankelijkheid voor den man is! Maar zelfs zij lagchen niet, zij zien vr zich, zij zwijgen. En waarom? Ach, de aardigheden kwamen zoo stroef over zijne lippen, dat het fijner, het vrouwelijk gevoel er eene klagelijke klagt in hoorde, die hij zijns ondanks lucht gaf. In de taa des Bijbels zoudt gij haar mogelijk vertolken:

„Als een overtollig wierookvat, ben ik het Huis des Heeren uitgeworpen!

In de taal der wereld, is het een morrend:

„Ik heb mijne bestemming gemist!” –

Verbaasd, liever nog, verontwaardigd, ben ik er soms bij tegenwoordig geweest, dat deze of gene wijze zulk een’ lijder afscheepte, met de koele ik weet niet wat: „Het leven is rijk aan teleurstellingen.’ Ei lieve, zeg mij, wat het heeten moest: eene algemeene waarheid of een bijzondere troost? Als de eene noch als de andere was de opmerking juist, dunkt mij. Het is u en mij, het is ons allen gegaan als die wijzen; de nederlaag verbeidde ons soms, waar wij ons zeker waanden van de zege; maar wat zegt dit, bij het lot dier misdeelden? Ons buiten het worstelperk te zien sluiten, nadat wij ons tot den kamp hadden toegerust: er in te berusten, dat wij mogen noch kunnen worstelen, dewijl bet niet zeker is, dat wij zouden overwinnen: dit behoort zoo min tot de alledaagsche verschijnselen van het leven, als het te vergen is van het gemoed des bloeijenden, krachtigen, overmoedigen jongelings. Het is galle met edik – ziet om u! Wie laat zich door mogelijke teleurstellingen werhouden van zijne keuze, – belemmeren in zijnen arbeid, – afschrikken van het klimmen? Het is of ik u bewijzen moet, dat de zon bij helder weder op den middag schijnt. Twee voorbeelden volstaan. Er is geene grievender smart, zegt men, dan die, welke het ouderhart verscheurt, bij het lijk van hun kind; maar hebt gij ooit jeugdige echtelingen ontmoet, welke aarzelen, den Heere om huwelijkszegen te bidden, dewijl, vergun mij de aanhaling van Vondels schoone regels:

De felle doot, die nu geen wit magh zien,
Verschoont de grijze lin,
– – – – En mikt met haren schicht
Op het onnozel wicht,
En lacht, wanneer in ’t scheien
De droeve moeders schreien?

In geenen tijd misschien was de loopbaan des staatsmans glibberiger, dan in den onzen. Terwijl hem, evenmin als vroeger, iets voor der vorsten wisselzin waarborgt, heeft hij alles te duchten van der volken bewegelijkheid. En echter, wemelt het te onzent niet van kandidaten in de politiek? of heeft iemand uwer ooit hooren klagen over legte in de anti-chambres van den Haag? Gelukkig, zou ik willen uitroepen – schoon ik het minst gaarne op het laatste voorbeeld zou zien toegepast, – gelukkig, dat we nog niet zoo flaauw zijn geworden, dat wij er in slagen den ijver der jeugd, op het land als op de zee, in den handel, in de wetenschap, in de kunst, zoowel de drift naar genot, als de zucht naar roem, uit te blusschen door eene voorspiegeling der ijdelheid van het ondermaansche! „Weinig ende quaet zyn de dagen der jaren mijns levens geweest,” klinkt ons reeds uit der aartsvaderlijken tijd toe; – maar het blijve een woord op de stervenssponde na te zuchten, en niet eer. Ik zou dankbaarder levensbeschouwing kunnen eischen. Ik zou durven beweren, dat uwe eigene ondervinding mij niet zal werspreken, zoo ik mij op haar beroep: of het leven ook niet rijk is aan verrassingen; of het geene keten gelijkt, beurtelings, zoowel van gouden als van ijzeren schalmen gesmeed? Ik wil het niet eens. Ik tel ze liever voor u op de bedrogen verwachtingen, ook aan den geestelijken stand verknocht:

De vergetelheid op een dorp, – het afnemen des gehoors iu eene groote stad, – eene schrale bezoldiging, dubbel schraal door een talrijk kroost, – een steenachtigen akker, drievierde onkruid en een vierde tarwe, – een liefdeloos beoordeelen elker leerrede. Welk eene schaduwzijde van de toekomst des jeugdigen Godsgezant! Zij is donker genoeg, voorwaar! Maar, heb ik niet gezegd des jeugdigen, dat is van den gelukkige, die nog op de wieken der hoop drijft, voor wien de vergeefsche arbeid van gisteren een spoorslag is, heden dubbel de hand aan het werk te slaan; van den Godsgezant, die weet, dat er geschreven staat: „Over weinig zyt gy getrouw geweest, over vele sal ick u setten?” Spreekt hem van geduld, gij andere troosters, die dit te vergeefs den niet geplaatsten proponent predikt – bij dezen doet gij het pitje der uitgaande lamp slechts een oogenblik hooger flikkeren. Maar als gij wist, hoe nabij de olie verteerd is, zoudt gij er moed toe hebben? Spreekt hem van geduld, wien het hopen, het beiden, het dulden verligt wordt, door de afleiding, die hem zijn arbeid verschaft; wien zijne roeping andere gedachten, en wel telkens hoogere voor den geest brengt, dan die van zijn eigen lot – maar den arbeiders zonder arbeid! Uitgestelde hoop krenkt het hart, en hoe dikwijls is het hunne al op die proef gesteld!

Rver c’est le bonheur, attendre c’est la vie!

Het is eene fraaije uitdrukking des dichters, welke de jeugd bewondert, welke de ouderdom beschreit. Maar het is niet zoet te mijmeren over ons toekomstig geluk, dan aan den avond van den dag, dien wij sleten, met de grondslagen van dat gebouw op te trekken. Er nooit den eersten steen van te mogen leggen, is een vonnis, welks onregtvaardigheid slechts wordt opgewogen door zijne ondragelijkheid. Dit is het lot der proponenten zonder beroep! Hunne kwelling is dikwijls, te dikwijls eene dubbele: onbevredigde behoefte des gemoeds, gepaard met en bevredigde eischen der natuur. Laat mij beproeven er in de mededeeling eeniger fragmenten van levensgeschiedenissen u het bewijs van te leveren. Als ik slagen mogt, zal het u niet zwaar vallen den eene te vergeven, dat hij zijn stokpaardje heeft gemaakt van wat hij dacht, dat zijn wagen en zijn ploeg zou zijn; zal de andere misschien achting bij u opwekken, als een talent, dat van pligt en roeping droomde, en deze nu slechts schroomvallig zijn wensch en zijne bede mag heeten; zal welligt een stille, maar verteerende hartstogt in den derde, door den mantel der statelijkheid omsluijerd, u.... Doch ik verzwaar vermetel mijne taak.

En echter mag ik niet verhelen, dat ik verre beneden mijn doel zou blijven, als die schetsen u niet deden huiveren voor de onmedoogende onverschilligheid, welke beweert, dat zulk een overaantal proponenten een verschijnsel is, „dat zich van tijd tot tijd in de Hervormde Kerk vernieuwt, en van zelf wer te regt komt.”

Aert was een aardige krullebol, die aardig van buiten leerde, die nog aardiger versjes wist op te zeggen, die alleraardigst, op een’ stoel staande, over’ de leuning van deze, Domintje speelde. En Aert’s moeder zei tot den vader Aert’s: „Manlief, wij moesten den jongen laten studeren.” Hoe soms n enkel woord schildert! Mij dunkt, gij ziet bij dat studeren de lu vr u. Als in de middeleeuwen is bij hen geleerde en geestelijke nog synonym. Hij is een eerzame kaarsenmaker en zij eene jufvrouw met eene kornet; de man, ik behoef het er schier niet bij te voegen, diaken, de nepen van de muts zijner wederhelft stemmig, overstemmig. Aert’s vader is er de man niet naar, op zulk een’ voorslag zoo dadelijk „ja,” of „neen” te zeggen. Hij besliep er zich eens op. Als hij er opregt genoeg toe was, zou hij u bekennen, dat hij er dienzelfden nacht van droomde. Hoe? vraagt ge. Hij verbeeldde zich, dat hij in de Vergadering kwam, dat hij broeder Dikkert vroeg: „Collega, hoe maakt het uw zoon, de Domin? en dat broeder Dikkert hem antwoordde: „Dankje, collega! – is uw zoon, de Domin, ook wl?” En hij wist zelf niet, of hij er meer van verbaasd geweest of meer door gestreeld was geworden, want tot nog toe had zijne geslachtlijst bestaan uit Aert, den eersten kaarsenmaker, die Fop Aertsz, den tweeden kaarsenmaker gewan, Fop Aertsz., dat hij zelf waa, hij, die op zijne beurt Aert Fopsz., den derden kaarsenmaker, meende te hebben gewonnen, van wien broeder Dikkert had gesproken, als van: „uw’ zoon, den Domin.” O hoogmoed, waar kruipt ge al niet in? „Ik heb nog meer jongens, en het is mij naar den vleesche gegaan,” mompelde Aert’s vader. Hij peinsde er een’ dag of drie over, en verraste toen zijne vrouw, zoo hij meende, met de verzekering:

„Wijfje, Aert zal studeren!”

„Dat heb ik lang geweten, manlief; in drie dagen heb je geene eer gedaan aan mijne ossenrib – maar waar is mijn eerste, dat ik het hem vertelle?” Aert kwam, Aert werd gekust, Aert werd getroeteld, Aert was geen aardige krullebol geweest, indien hij het niet aardiger had gevonden op de Latijnsche school te gaan, als kwak, kattenkwaad met de kwakken uit te voeren, – met de kwakken (biggen, heeten zij in Aert’s geboortestad) te anticiperen op de vrijheid van den studentenstand, – dan kaarsen te gieten, of kaarsen te stippen. een fidei-commissair genoegen in het geslachte Aert’s, dat nu van den eerstgeborene op den tweeden zoon, op Fopje, devolveerde. Het spreekt van zelf, dat Aert op de Latijnsche school eenige prijzen behaalde, dat behoort zoo; – dat zijne moeder hem menige les, zijn vader hem menigen raad naar de studie me gaf, die de jongen ook bij den besten wil niet had kunnen nakomen, niet had kunnen volgen, zoo onoordeelkundig waren ze, zoo luttel voor zijne jaren, voor den kring, die hem wachtte, berekend – dat behoort ook zoo. Aert zou geen aardige krullebol zijn geweest, zoo hij zich hieraan had bekreund, zoo hij op de studie niet meer geld had verteerd, dan vader toe wou staan, dan moeder uit kon sparen. Aert werd een aflegger, zie Klikspaan in voce. Een, twee, drie malen neigde de goede vrouw de ooren, naar zijne brandbrieven, hoe hardhoorend hij ook voor hare vermaningen was; de vierde maal had Aert buiten den waard gerekend. De moeder had eene gemoedelijke bui. „Het is toch verkeerd,” dacht zij, „dat ik mijn’ man bedrieg, om mijn kind in de boosheid te stijven,” en zij schreef Aert eene predikatie van vier bladzijden, waarvoor hij nog verstokt zou zijn geweest, als hem de verwachte banknoot uit den epistel had toegelagchen, maar die hij, bij gebreke van deze, las, overlas en nog niet verscheurde. Ten laatste studeerde Aert – geen kopbreken, maar preekmaken – en de jongen, van wien elk, behalve vader en moeder, eer had geloofd dat er een kurassier dan een eerwaarde uit zou groeijen, hij werd getenteerd, geexamineerd en tot den Heiligen Dienst toegelaten.

„Manlief,” zei Aert’s moeder; „hij is proponent!” een brief uit. Zeeland, in welken hij haar de heugelijke tijding mededeelde, in de hand.

„Dan kan hij te huis komen, – een man meer aan tafel is geen bezwaar.”

Collega Dikkert’s zoon was geplaatst; – zou de zijne het ooit worden? Zoo veel honderd proponenten!

Ik beken, dat ik weinig op had met Aert, die naar de Hoogeschool werd gezonden, dewijl hij deed wat alle kinderen doen: napen; dewijl zijne ouders, zoo als een mijner vrienden het noemt, zich door zijne studie uit den burgerstand wilden emanciperen. En gij zult niet zeggen, dat ik hem op de Academie en beau heb geschilderd, waar gij hem, zoo mijne schets niet mislukte, tusschen de losbollen en de lichten in zaagt zweven, geene blinkende dwaalstar, geen vast gestarnte, iets entre deux, dat geen’ naam heeft; waar hij eigenlijk niets anders leerde, dan dat zijne ouders niet rijk genoeg waren, om hem een leven van plezier te verzekeren, en dat de natuur hem geen’ aanleg had geschonken, om in een leven van studie zijn geluk te vinden. Maar nu hij wer te huis is, nu heb ik medelijden met den jongen. Hij is vervreemd van den kaarsenmakerswinkel; op mijn woord, de lucht is niet lekker. Hij is vervreemd van zijn’ vader – wat wonder, dat deze meer met Fopje op heeft, die hem het werk uit de hand neemt? Hij is vervreemd van zijne zusters – die, intusschen huwbaar geworden zijnde, nu al op de vingers natellen hoeveel grooter haar uitzet zou zijn geweest, als Aert niet zooveel geld had verkwist, zeggen de meisjes. Hij is vervreemd van zijne moeder – Aert is nog niet dwaas genoeg, om zich, zoo als zij hem doet, knapper te achten dan al de Domin’s uit de stad. Hij is vervreemd van zijn’ ganschen kring – zijn dat lui om theevisites bij te maken? En echter hij heeft geene kast meer, – hij moet er wel uit, als hij zich te huis niet dood wil kniezen. Waarschijnlijk komt hij bij u en bij mij zijne aardigheden over vuile en schoone pijpen venten – duid het hem euvel, ik heb er geen’ moed toe. Hij heeft drie preken op beroep gedaan, en hij is driemaal met de kous op den kop werom gekomen; ei, laak het eens, dat hij driemaal ondragelijker wordt, nu men hem te huis dagelijks driemaal meer doet gevoelen, dat hij een ballast is? Deed, had ik moeten zeggen, in den verledenen tijd; want wij zullen Aert straks wederzien, minder aardig, helaas!

Ik wenschte, dat ik gelooven mogt, in de historie van Aert een’ exceptionneelen toestand te hebben geschilderd.

Het zal slechts billijk zijn voor Sicco een’ hooger toon aan te slaan. Sicco had ijverig gewerkt en grondig gestudeerd,: hij was – zoo als zijne tijdgenooten zeiden – knap voor zes; – en toch stond hij vier, vijf, zes malen naar eene Plaats, en toch is het hem even zoo vele malen misgeslagen. Waar haperde het aan? De eerste maal was Sicco niet regtziunig – de tweede maal had Sicco zijn’ halsboord laten zien – de derde maal had Sicco gelezen. Ik geloof niet, dat de jongen het ooit zou hebben opgemerkt, vol ijvers als hij was voor alle wetenschap, en dus louter vergetelheid voor kleinigheden, die over ons leven beslissen. Maar Sicco had eene moeder, zooals ik er gaarne teeken; eene vrouw, die vroeg weduwe werd, en van dat oogenblik af, slechts voor haar nig kind leefde. Eene verstandige vrouw, moet ik er bijvoegen, die aan Sicco, toen hij vijftien jaren was geworden, zeide, dat zij niet rijk waren, en daarom op de keuze van een winstgevend beroep aandrong; eene uitmuntende vrouw, die zich zelve verloochende, die het dorp, waarin zij eens gelukkig was, waarin haar echtgenoot rustte, waarin men haar op de handen droeg, verliet, om met Sicco te Leyden te gaan wonen, toen hij een jaar klerk was geweest in een eerst Rotterdamse handelshuis, en haar bij zijne tehuiskomst betuigde:

„ – Liever dood, moeder, dan wer op ’t kantoor!”

Het was eene vreemde groep, in dat studeervertrek van haren overledenen echtgenoot, in die kleine bibliotheek: de bleeke vrouw, verschrikt door de ongewone hartstogtelijkheid van haar kind; tranen in de oogen van Sicco, die zoo zelden weende, zelfs als hij haar verliet. School er eene tooverkraeht in die folianten, in die handschriften van haren gade, waarover de knaap plagt te kruipen, waarin de knaap plagt te turen, eer hij de letters kende, eer hij haren zin begreep? De verstandige vrouw vroeg het niet; zij herinnerde zich den jongen, op de knie zijns vaders, spelende onderrigt; haar heugde zijne vroege ontwikkeling, onder den opvolger van dezen; de uitspanningsuren met lezen doorgebragt; den nacht ter sluik der studie gewijd, en zij kuste Sicco en zij sprak:

„Het zij zoo, jongen!”

„Wie weet, of er geen professor in mij steekt?” vleide hij. Een lachje verhelderde haar bleek gelaat. Het was vergeeflijke vermetelheid, het was wettige trots. Zoo er gelukkige moeders zijn, die van Sicco mogt het heeten, zoo lang hij studeerde. Vermeerdering van kennis was voor hem vermeerdering van weelde. Aan het einde van iederen strijd behaalde hij de zege. Er school vrijheidszucht genoeg in zijnen aard, om aan alle uitspanningen van het onafhankelijke jongelingsleven deel te nemen; maar hij bezat ook kracht van geest te over, om zich voor lage uitspattingen te wachten. Of ik in staat ware regt te doen aan de edele betrekking eener moeder, welke trotsch mogt zijn op haren zoon en die slechts dankbaar was; de liefde eener vrouw, welke zich verlustigde in den roem van haar kind; een gevoel, dat zoo min iets baatzuchtigs, als iets zinnelijks had, en haar echter verjongde! Waarom moest haar lijden van zijn candidaatschap dagteekenen? De eerste maal – de tweede maal – de derde: maal – zij had alles gehoord – alles geizen – alles opgemerkt; en het bewaren van die dingen in haar harte waren de bitterste droppelen in haren levenskelk. Want toen ze bij het lijk van haren gade stond en schreide, toen schreiden allen, die er omstonden, met haar: hier was miskenning, liefdeloosheid, aanmatiging. Ge moet zeer weinig in lijden ervaren zijn, zoo ge niet weet, dat het beter is te vallen in de handen van God dan in die der menschen.

„Moeder,” zei Sicco, „ik zal uwen raad volgen.”

En Sicco heeft zich bij de vierde, de vijfde, de zesde proeve gewacht voor de klippen, waarop hij bij de drie vorige gelegenheden stiet, schoon het hem twee malen strijd kostte,” bitteren strijd. Het viel hem ligt zijn’ halsboord ter zijde te leggen of ner te duwen; hij ergerde er zich niet aan, dat zijne glad geschoren kin roodkwabbig op den witten halsdoek draaide; al had men eene driedubbele bef gevergd, hij zou zich die hebben getroost. Maar zich in te houden, om de bekrompenheid zijner hoorders te eerbiedigen; maar der wetenschap geweld aan te doen, om der bevooroordeelde domheid te believen; maar zijne overtuiging te verloochenen, voor lieden, die naauwelijks eene overtuiging hebben, dt is een lijden, waarbij geen ander haalt. Ik drukte mij te sterk uit. Hij legde de pen neder. Hij duwde het papier weg. Hij ging met groote schreden de kamer op en af. Hij zag het vr zich, het spook aller tijden, bij welks verschijning de banvloek aller kerken dondert, dat de rust aller edelen stoort, die de waarheid twintig, vijftig, honderd jaren te vroeg huldigen, de onregtzinnigheid, het groote beest! De gewaande onregtzinnigheid, had ik moeten zeggen, die bij de Hervorming met ieder tijdvak van gedaante wisselt zoodra de wetenschap er in slaagt, de stilstaanders, de nietsdoeners, de achteruitgangpredikers van het vorige ondanks hen zelve mede te slepen, en de onregtzinnigheid van gisteren de regtzinnigheid van heden wordt. Hij zag het spook in het gelaat – en, voorregt van een’ wl ontwikkelden geest! – hij schreef voort, hij schreef weder, hij schreef af: Fais ce que dois, advienne que pourra! Hij had naauwelijks besloten tot geen’ prijs afstand te doen van het regt, zich zelven te eerbiedigen, of eene nieuwe zwarigheid deed zich op. Hij moest veinzen, hij moest huichelen, hij moest van buiten leeren, zoo hij bevallen zou. De moeite ware luttel geweest; maar hij was verpligt den schijn aan te nemen als sprak hij voor de vuist. En het stiet hem, wiens ernst naar waarheid streefde, het stiet hem tegen de borst, dat hij de houding zou hebben, als achtte hij zich z verre boven zijn gehoor verheven, dat er geene voorbereidende studie meer werd vereischt, om dit te vermanen of te bestraffen, dit te verlichten of te verzoenen. Hij verachtte zich zelven, dewijl hij den waan voedsel ging geven, als blies de Heilige Geest den dienaren der Kerke nog onmiddellijk aan; – een voorregt, zweemende naar dat, waarop slechts die dichters stoffen, welke geen ander thema weten te bezingen, dan de inspiratie. En nu het verband tusschen oratorie en declamatie, het vermeende verband, als ware welsprekendheid niet eene deugd, als ware zij louter kunst! Zie, hij gruwde weg, toen hij zich betrapte op het zien in den spiegel hoe hij voordroeg – alsof de verkondiging van Gods woord, voor Hervormde leeken, een bondgenootschap sluiten moest met tooneelgebaren en tooeelgrepen, om indruk te maken.

„Moeder,” zei Sieco eindelijk, bleek, koortsig, afgemat, – „moeder, ik geloof niet, dat ik er wl aan doe.”

Het scheen neen! want drie malen was het weder nederlaag. De vierde maal – ik schaam mij bijna dat ik het schrijve – werd een zijner mededingers vrgetrokken, dewijl de broeder van dezen, schipper – van ik zeg niet welk veer – beloofde, de dorpelingen voor half vracht naar stad te zullen brengen, mits men hem koos. De vijfde maal moest men Galm hebben, en niemand anders, – daar Galm, een slagerszoon, het wigt van eenen vetgeweiden os op het eerste gezigt had geraden, tot verbazing van den Kerkeraad. De zesde maal werd er een ander gekozen, dewijl Sicco zich bij den Heer der Collatie onvoorzigtig had uitgelaten, – hij had durven beweren, dat onze Grondwet ons volk in liberale beginselen eene eeuw vooruit is.

Wie had gedacht, dat onze kerk op zulke pijlers rustte; dat het denzulken gegeven zou zijn, over het lot van een’ medemensch, over de toekomst eener gemeente te beschikken!

Wilt gij eindelijk met mij een’ blik op Ernst werpen? den blonden Ernst, een’ romanheld, zooals zijne vijanden zeggen, die hem zijne zedelijkheid, huns ondanks, benijden; een’ apostel, zoo als zijne vrienden van hem getuigen, die zich om de harmonie tusschen zijn hoofd en zijn hart, niet aan den tint van dweeperij ergeren, welke hem onderscheidt? Ernst is geen proponent bij toeval, zoo als Aert; Ernst is geen theoloog in den strengen zin des woords, zooals Sicco; op Ernst zoudt gij de heerlijke beschrijving van Voss mogen toepassen:

Ueb’ er denn seinen Beruf mit Freudigkeit, stets wie Johannes
Lehrend das grosse Gebot: „Liebt, Kinderlein, liebt euch einander!”
Nicht durch eitelen Zank um Geheimniss, oder um Sazung,
Nahen wir Gott; nur Liebe, des Endlossliebenden Ausfluss
Schafft uns Vertrauen und Glauben zum Heil des geseudeten Helfers
Der Sein Wort mit dem Tode versiegelte! Religion sei
Uns zum Gedeihn, und nicht unthatiger Religion wir!
Solches aus Schrift und Vernunft einpredigend, Selber ein Beispiel!
Leucht’ er zu irdischem Wohl und himmlischeu!

Liefde had Ernst aan de voeten van het kruis gebragt, – Ernst zou liefde willen verkondigen, – het beeld van Ernst mogt onvolkomen heeten, zoo ik hem u niet liefhebbende schetste. Indien de tijd der idyllen niet voorbij ware – als ik mij dichter mogt wanen, zooals ik zijn moest, om dit onderwerp regt te doen, dat is: rein genoeg voelde, kiesch genoeg dacht, om in den mensch slechts den toekomstigen engel te zien, dan zoude ik mijne luite aan Ernst en Anne wijden; het lieve kind, wier beeldtenis hij naar de Academie mede droeg. Het lieve kind, waarvoor hij de oogen niet behoefde ner te slaan, toen hij voor de eerste maal weder te huis kwam; het lieve kind, dat hij niet onbeschaamd in het gezigt staarde, toen hij candidaat was geworden. Het is mij om het even, of gij u Anne liefst met goudene of kastanje lokken voorstelt, mits ge haar gelaat slechts eene uitdrukking leent, die „sja!” zeide, schoon Ernst niet met woorden om hare hand vroeg, Er heerschte tusschen het jeugdige paar eene sympathie, die ontstond als eene beek, – bij verrassing, eer in schaduwrijk lommer dan in helderen zonneschijn; – die voortkabbelde als eene beek, – doorschijnend kristal en spiegel des hemels; – die heel hun leven lang – zoo als een beek het op een’ zomerschen avond minnenden doet, die haar in een bootje afwiegelen – die heel hun leven lang hun geluk zou hebben gedragen en gewaarborgd, indien –

Ernst streefde te ijverig naar het bereiken van zijn hoofddoel: proponent worden, om aan de Academie naar de gevaarlijke onderscheiding te dingen, Student-Auteur te zijn. Maar schoon hij geene verzen uitgaf, hij schreef er voor, hij schreef er aan Anne; het zijn de individueelst-erotische, welke ik in onze taal ken. Nooit heb ik hem kunnen overhalen, die te doen drukken, – luttel aanhalingen zouden u anders overtuigen, hoe zijne luit telken jare somberder werd, naarmate er meer proponenten aankwamen, en ongeplaatst bleven. Het ideaal zijns levens: eene pastorij op het land, hij de herder der gemeente, hij de gelukkige echtgenoot en vader, het deinsde allengs op den achtergrond, – tot er uit zijnen zang eene smarte sprak, waarmede de liefde slechts een hart als het zijne folteren kon.

Bij gebreke van die, geve een gesprek, dat hij mij in eene verslagen bui mededeelde, er u een denkbeeld van.

„Anne, hebt ge nog hoop?’ had hij haar gevraagd. Gij gist de aanleiding.

„Zoo de teleurstelling van laatst u niet zoo bitter gekrenkt had,” begon zij.

„Allerliefste!” – viel hij in – „die slechts aan mij denkt.”

„We zijn nog zoo jong, Ernst!” Een blik op haar – vergeef hem die ijdelheid! – stelde hem gerust. „Maar,” – begon hij weder – „zoo ook dit missloeg, gij hebt om mij het aanzoek afgeslagen van –”

„Foei!” – zei Anne – „liever ellende met u, dan weelde met hem!”

En nu verbeeldt gij u, hoe Ernst mij dat vertelde – gij verbeeldt u hoe, zeg ik, als gij geweten hebt. Het was niet langer alleen zijne toekomst, die van zijn beroep afhing, het gold de hare tevens! Vindt ge het kinderachtig dat zijne hand langs zijne oogleden streek, als hij er aan dacht, hoe hij haar uit het paradijs der jeugd aan zijne borst had getroond? Helaas, hoe vroeg en hoe snel is het lachje der zorgeloosheid harer lippen ontvloden, bij den blik op de heide des levens, door hem haar verschiet! Neen, zij zucht niet in zijne tegenwoordigheid; neen, zij toont geen ongeduld, als zijne oogen haar gadeslaan. „We zijn nog zoo jong, Ernst!” – maar wie der kennissen harer jeugd is langer ongehuwd? Waren het tranen van louter vreugde, tranen van louter vriendschappelijke deelneming, die in hare schoone oogen dreven, toen zij ten derden male speelgenoote was van vriendinnen, jonger dan zij? Het waren vragen, die Ernst slechts fluisterende deed; die hij slechts zich zelven, slechts bij wijle afvroeg; maar haar overwegen gaf dubbelen nadruk aan zijne bede:

„Och, of ik eindelijk waardig wierd geacht den Heer te verkondigen!”

Eisch nu nog, dat Ernst in gezelschap eene aardige figuur make!

Mijn onderwerp duldt de vergelijking niet, en echter denk ik, als ik u vraag: „Wie dezer drie gelooft gij, dat het in de twee of drie jaren, welke er sedert hun’ straks geschilderden toestand verliepen, het verste bragt?” onwillekeurig aan de wedrennen, aan de races, die onuitputtelijke bron van weddingschappen aan de overzijde des Kanaals. Versta mij echter wl. De gedachte aan den wedloop kwam minder bij mij op, dewijl er iets gelijkends is tusschen de mededinging der jongelingen naar wat wij levensgeluk noemen, en het wedijveren van eenige vurige rossen, om het eerst aan het einde der baan te zijn; dan dewijl de uitslag van den eenen strijd schier eene volslagen tegenstelling van die des anderen mag heeten. Daar worden zij het renperk ingeleid, – de kinderen der woestenij, – de telgen van onverbasterden bloede, – trotsch van weelde, brieschend van drift, trappelend van ongeduld. En ik zet, zoo als gij honderd tegen tien op het laatste, het rapste, het moedigste van allen. Men geeft het teeken,’ en zij snellen, het stof wolkt, de lucht davert; – wat heeft de zege beslist? Eene kunstgreep, – een laagheid, – een trek, – list of laster? Neen, de sterkte, de snelheid, de verdienste. Hier geldt: eere wien eere toekomt!

In onze verstandelijke, in onze zedelijke, in onze godsdienstige wereld zal juist het tegenovergestelde plaats grijpen. Waarom zien wij het geduldig aan? waarom zijn we zelve medepligtig aan den gruwel?

Ik was vroeg op (ik logeerde buiten), ik stond aan het geopend raam; de stilte van het landschap verkondigde den dag der rust. En ik vermeide mij in de geuren der winde, om het venster geslingerd, waaruit zich het liefelijk oord voor mij ontrolde, – in den wildzang, dien het koeltje beluisterde en verklapte, uit de boekweit zoo als uit het olmenloover, waar de vogels werden verjaagd noch verschrikt, – in de spelen van de merrie met het veulen, binnen de grenzen der haag, door het nieuwsgierig jong spijtig aangestaard en gretig overgeblikt, een wedijver van liefde en schalkheid, – in het allerverscheidenst verschiet, stil, maar niet doodsch, dewijl er bij wijle een wolkje voor de zon dreef, en de wisseling van licht en schaduw het tooneel schooner verlevendigde, dan ploegers of maaiers het hadden kunnen doen, – in de torenspitsen der stad, die mij uit een’ doorzigtigen nevel toeflikkerden. Ik genoot het, – ik zou het nog langer hebben genoten, was de dag der ruste niet de dag des Heeren geweest. Verre van mij de aanmatiging mij zelven ten voorbeeld te willen stellen; maar het is laakbaar, dat wij stedelingen, op het land, zoo dikwijls blijken geven van onverschilligheid voor den openbaren eeredienst. Wij storen er de harmonie van een tooneel door, dat in aandoenlijkheid geene wedergade heeft. Wie zes dagen lang den Heere uit het boek der Natuur leerden danken, gaan den zevenden op naar het Huis, waarin hun nog grotere wonderen dan de zigtbare worden geopenbaard! Schaamt u, nieuwsgierigen, die komt toekijken, waar gij de knie moest buigen; die den leeken het hoofd doet omdraaijen, als hunne aandacht aan de lippen des leeraars hangen moest; die den herder, hij, die slechts aan zijne kudde moest denken, de wereld, hare ijdelheid, hare begeerlijkheden voor den geest roept!

Mijn gastheer verbeidde mij aan het ontbijt; zijne landhuizing ziet – als zoo menig onbuitenachtig buiten te onzent – op den straatweg uit. Deze wemelde van kerkgangers, op fatons, op karren, op wagens en meer nog te voet. Onwillekeurig borst ik uit, nadat ik hen eene wijle had gadegeslagen: 

„Ik wist niet, dat uwe gemeente zoo vele vogelverschrikkers in levenden lijve had.”

„Het zijn fijnen uit de buurt,” antwoordde hij.

Wij gingen, of wilt gij het naauwkeuriger uitgedrukt, wij reden ter kerk, en het onderscheid van stand hield – zoo als gij zeker meermalen hebt opgemerkt – ook na het overschrijden van den drempel der huizinge Gods nog niet op. Uw onadellijke verteller nam plaats in eene bank, waarboven een wapenbord prijkte, op een kussen met borduursel versierd, voor een’ bijbel, wiens band van teekenen der ijdelheid niet was verschoond. Maar, zoo ik weldra wenschte onder den hoop en niet in het verheven gestoelte te zitten, het verlangen rees ditmaal niet uit deemoed op. Welk een schouwspel vr ons! Drie vierde der gemeente had aangezigten, welke slechts een Hogarth regt zou doen. Ik spreek niet van het zwaarmoedige, dat klermakers onderscheidt, noch van het wigtige, waaraan gij schoolmeesters herkent; ik rep van de bogchels, noch van de manken, die er in aanzienlijken getale tegenwoordig waren. Ik was, ik ben, zoo dikwijls ik mij de groepen herinner, nog verbaasd over de eindelooze verscheidenheid van tinten en toonen der teleurstelling op het gelaat dier fijnen te lezen; ik merkte, bij wergaloos bekrompen voorhoofden, een groot aantal scheelziende physiognomien op. De knipper zat naast den loensche; op ne rij troft gij den 1/16 en den 7/8 uit het kruis aan. Welligt ben ik onbillijk; maar mijne ondervinding heeft mij tot het liefdeloos vermoeden geleid, dat er een innig verband is tusschen uit hunne plaats geraakte oogen en verstandelijk, en zedelijk, en godsdienstig scheelzien. Oordeel over mijne gewaarwordingen!

De leeraar kwam op stoel.

Een galm, die het gewelf daveren deed, heette een vrgebed – daar werd een psalm aangeheven en gezongen, als in de dagen mijner lievelings-schrijfsters, dat is z dat het

U schier door hoofd en hersens dringt
Wanneer men Davids psalmen zingt!

En onder het wangeluid hief ik mijne oogen naar den predikstoel op. Het was Aert, maar niet langer de aardige krullebol. Gij kondt, naar het u lustte, bij den eersten blik van hem getuigen, dat hij gloeide van verterenden ijver, of dat hij glinsterde van goddeloozen dauw. Ik geloof inderdaad, dat het grootste deel der scheelzieners de opgeblazenheid zijner kleur aan den eersten toeschreef; ik beken u openhartig, dat ik aan den laatsten dacht, onder de leerrede, welke hij beurtelings opdreunde en uitgalmde Arons bloeijende staf was zijn tekst; maar hoe veel verbeelding gij bezitten moogt, ik tart u, dat ge mij een tiende opnoemt van alles, waarmede hij dien in verband zocht te brengen, neen, dat hij in zijne preek ordeloos doorn hutste Oud en Nieuw Testament werden om strijd geplunderd; heilbegeerte twistte met verstoktheid; de koperen slang en het houten kruis rezen beurtelings voor ons omhoog; verdoemenis ging hand aan hand met bekeering; engelen en duivelen dwarrelden doorn, onder het refrein van wedergeboorte. Gij hadt van ganscher harte toegestemd, dat de spreker die, evenzeer als zijne hoorders, behoefde. En echter, hoe onvolkomen is nog de indruk, dien ik u van dat gewaauwel over genade geve! Het schemerde mij voor de oogen, het suisde mij in de ooren, mijn hoofd ijlde, werktuigelijk sloeg ik den Bijbel op. Ik weet nog niet, hoe ik mij, onder dat gebalk en gemor, in de lezing van eene der gelijkenissen zoo heb kunnen verdiepen; maar het was of het blad mij eene andere wereld invoerde, die des lichts, die der harmonie tusschen verstand en gevoel, die van het Woord, dat onder ons gewoond heeft, en dat, voor allen begrijpelijk, de verhevenste waarheden, den opbeurendsten troost, het groote levensdoel: streven naar volmaaktheid, eenvoudig verkondigde. Eindelijk zeide de man: „Amen!” – half gillende, half snikkende, baauwden eenigen uit de schare de verzuchting na.

Wanneer de herder dwaelt, wat padt, wat rechte gangen
Kan de arme kudde gaen?

Wij reden huiswaarts, mijn gastheer gaf zijn hart lucht.

Hij zal het ver brengen,” klaagde hij, en nu volgde eene schets van Aert, die ik u in vlugtige omtrekken wil mededeelen, Of ge er uit zaagt welke beklagenswaardige gevolgen het missen hunner bestemming, liever de vertraging van een beroep, op eenige der dolende ridders onzes tijds heeft; welke lage kunstgrepen teleurgestelde verwachting, ijzeren dwang zijn dagelijksch brood te verdienen, niet beneden zich acht! Aert had vernomen, dat het dorpje, in de buurt van het buiten mijns vriends, den naam had fijn te wezen. Eene preek, die overvloeide van tale Canans, werd door hem uitgebazuind. En, wie zou het in de negentiende eeuw van ons vaderland gelooven? de Bonerges werd beroepen. Van die ure af maakten de kleren den man. Hij scheen te gevoelen, dat hij voortaan tot hen behooren moest:

                Wier hoeden, breed van randen
        Gebogen van ter zij’, voor spits en achter spits
        Beschaduwen ’t gelaet, daer ’t liefelijk en bits
Zich in het staetigh mengt, tot stijving van geboden
En tucht van zielen.

En hij was zoo min te kort geschoten in de aanmatiging, als in de verwaandheid, welke het dom gemeen voor waardigheid groet, die het een blijk van groote geleerdheid acht. De eerste onverstaanbare preek moest de vruchtbare moeder aller volgende zijn – zoo hij zijn gehoor niet wilde verliezen; en de eerzucht nestelt zoowel in het booze als in het brave hart. Aert had zich in zijne gemeente, in de bewoners der omstreken van het dorp, niet bedrogen; hij verwierf zich eene soort van vermaardheid. Er ontbrak echter nog iets aan zijn geluk, zoo zijn toestand dien naam verdient; de bezoldiging was schraal, en Aert had nooit aanleg een heilige te worden, door ontbering en onthouding; dus koos hij eene vrouw, ge moogt gissen welke, nadat hij den vrede zijns gemoeds aan het verkrijgen eener plaats had geofferd, Ook in het huichelen, il n’y a que le premier pas qui cote. Er was onder Aert’s vrouwelijke kennissen eene, die een’ aardigen stuiver gelds had; zij was weduwe, – ik laat het bij dien enkelen trek.

Een woord nog, het ia geene potische geregtigheid: zoo Aert zijn gehoor beheerscht, hij staat onder de pantoffel.

Dat ik er even zeker van ware, dat Aert in de schaduw van den kerktoren van zijn dorpje zal worden begraven, als ik gereed ben te erkennen, dat werhanen als Aert uitzonderingen zijn van hunne klasse. Helaas, zijn naam is reeds op menige beroepingslijst gedrukt! Helaas, zijne stem heeft galms genoeg voor de ongeschiktste aller domkerken, waarin wij opgaan. Helaas, zijn rug kan buigen, waar het pas geeft, hoe voldoende het hoofd op den wlgemesten romp sta! Hij bestraft allengs met meer oordeel – de rijken het minst, de vromen het laauwst. Hij houdt van onschuldig vermaak, een’ keurigen disch, een lekkere flesch. Hij verruimt het bezwaard gemoed; eene plaats in den hemel voor eene plaats in het testament.

Maar uitzondering of geene uitzondering, en hetzij Aert, bij zijne verplaatsing in eene stad, zijn’ overdreven’ schiklust naar zijn gehoor al of niet tempere, n geslacht doet hij stilstaan, zoo niet achteruitgaan, in dien geest van hervorming, waarvoor onze vaderen het pligt achtten goed en bloed veil te hebben; n geslacht verzwaart hij het leven: want er is geen geluk zonder licht in hoofd en in hart.

Anders zag ik Sicco wer.

„Vriend,” – zeide hij – „het is om dol te worden!” Zoo men slechts naar het uiterlijke had geoordeeld, men zou hem, om dien kreet, van ondankbaarheid hebben verdacht. Hij zat niet langer in de bekrompen kamer, welke hij te Leyden in het huisje zijner moeder zoo overstoffeerde met folianten, dat zijn stoel, bij iedere beweging, een’ geleerde voor het hoofd stiet. Hij ontving mij in een vertrek, welks ameublement van fijnen smaak getuigde, welks spiegelglazen het uitzigt verleenden op een park, dat van de pracht onzer herfstzon schitterde. Er heerschte orde om hem heen, en rust scheen zijn deel. Maar een enkel woord zal genoeg zijn, om de illusie te verdrijven, dat hem de dubbele zegen was bedeeld, beurtelings een’ blik te slaan, dien beurtelings te laten weiden over de schoone, dagelijks afwisselende bladzijde uit het boek der natuur, voor hem opgeslagen, en over de werken zijner lievelingsschrijvers in eene sierlijke boekenkast, ter regterzijde van zijnen leuningstoel ge laatst. Sicco was gouverneur.

Er moest veel gebeurd zijn, eer hij zich in die vergulde kooi had laten opsluiten; en waarlijk, allerlei jammers was zijn deel geweest. Op het onverwachtst had zijne moeder meer dan de helft van haar vermogen, bij de bankbreuk van een handelshuis, verloren. Helaas, het is geene ongewone, geene romannen-ellende, den teerpenning der weduwe, den lijftogt van het weesje, bij den val van een’ vroom, deftig, door een’ ganschen kerkeraad solide geachten koopman te zien inboeten. Sicco, die de onrust, aan welke dit verlies de bejaarde vrouw ter prooi gaf, meer had bespied dan gedeeld, meer had vermoed dan opgemerkt, – liefdevol, zelfverloochenend, gewillig ontberende, als zij was; – Sicco werd er door aangespoord, om zich te beijveren, partij van zijne studie te trekken.

Partij van wat? Van zijne geleerdheid, hij, die, door al zijn weten slechts te inniger overtuigd werd, hoe weinig hij wist? Partij van zijn onderzoek dan? voor het publiek, dat geen onderzoek wil! Neen, – het moest iets anders, iets algemeen aanlokkends, iets bellettristisch zijn, en hij beproefde het, tant bien que mal. Hij was er de jongeling niet naar, hooge verwachtingen van zijn talent te koesteren; hij had er zich geen oogenblik mede gevleid, dat de opgang van zijn werk den nameloozen schrijver der vergetelheid zou ontrukken; en echter krenkte de uitslag zijner pogingen hem diep. Hij vond geen drukker, meent ge? Ge vergist u, eene aanbeveling van den hoogleeraar, die hem het meest onderscheidde, had hem dezen bezorgd; zijn boek zag al veertien dagen lang het licht. Daar kwam zijn uitgever, die lotbeschikker van een’ arm auteur – en betuigde hem koeltjes, dat hij te hoog schreef, dat men hem onduidelijk vond, dat slechts enkelen hem begrepen, – ieder woord een afdingertje op het honorarium, waarmede hij zich had gevleid. Het was iets nog ergers. Een oogenblik mogt zich Sicco’s eigenliefde streelen, dat in die laatste afkeuring eene lofspraak school; hoe spoedig deed zijn gezond verstand dien waan wijken! „Als uwe voorstelling klaarheid mist, is uwe voorstelling onvolkomen,” herinnerde hij zich, en in zijn binnenste was zijn vonnis gewezen. Hij besloot, zich in het vervolg voor die klip te wachten. Maar het was of zijn uitgever zijne alleenspraak had beluisterd; stouter liet deze er op volgen:

„Ons lezend publiek is zoo klein; voor wie schrijft men toch als men niet voor Jan en alleman schrijft?”

Ik wenschte om den wil des mans, en om dien van Sicco, dat hij het daarbij had gelaten. Des jongelings eerbied voor de wetenschap, des jongelings liefde voor de kunst (bij hem in beelden gebragte aanschouwelijke wetenschap) ergerde zich reeds aan die popularisatie, tot voor den kruijer op den hoek toe; nu volgden de voorbeelden:

„Zoo ge schreeft als mijnheer – die voor alle standen zoo bevattelijk is; – of als mijnheer – die zoo veel lezers heeft, omdat hij zoo stichtelijk schrijft; – of als mijnheer – die zoo grappig is –

„Dat mag ik niet, mijnheer!” zeide Sicco. Het was le coup de 1’ne.

En hier zou hunne kennis zijn afgebroken, indien Sicco’s moeder niet krank geworden, indien de winter niet ingevallen ware. De winter? vraagt ge; – maar weet ge dan niet, dat hij twee aangezigten heeft, die hemelsbreed verschillen? Ik wed, dat gij hem kent als een’ vrolijken grijze. De frissche lucht, die zijn naderen verkondigt, verstaalt uwe verslapte zenuwen. De geneugten die hem vergezellen, de vlugge schaats, de vlugger arreslede, verlevendigen voor u het in den laten herfst zoo sombere landschap. Hoe zou de avond u lang vallen, als de punch vonkelt, als de piano klinkt, als de gezelligheid plaats neemt aan den haard, zes of acht vouwstoeltjes, om de gemakkelijke chaise-longue? Wie zou niet van den levenslustigen grijsaard houden, die twee jeugdige, aardige gespelen medebrengt? Vergt ge, dat ik ze schets? Hoort ge dan al van verre de muziek niet, die afgodes onzer eeuw, voor welke hoog en laag nederknielt, en die wij den moed niet hebben hard te vallen, al schijnt zij er ons nog verre van het weldadige van haren invloed te staven door eeue veredeling harer outertolken? Of hebt ge geene welkomst over voor de Muze van het drama? Ik eerbiedig uw’ kieschen smaak; maar ik durf geen’ banvloek uitspreken over hen die haar voor lief nemen, nu Melpomene te onzent schier geene priesters meer heeft, en Thalia toch niet iederen avond de Neven kan opvoeren. Er is eene derde gezellin des winters, die ik hoop dat u de liefste der drie is, eene edeler vreugde dan waarvan ik nog gewaagde, de vreugde der beweldadigden, die u uit tranen toeschittert.

Het is zaliger te geven dan te ontvangen!

Het aangezigt des winters is den arme eene grimmige plage; hij wet den prikkel des gebreks; hij scherpt de klaauwen van den nood, hij verhonderdvoudt de behoeften. Hoe veel wreeder is hij in het laatste geval voor den fatsoenlijken verarmde, dan voor den letterlijken bedelaar! De beeldtenis die ik voor u van Sicco ontwierp, is mislukt, indien er niet iets uit zijne trekken spreekt, dat u doet uitroepen: „Hij zou een waardig leeraar der Stosche school zijn geweest!” Maar de wijsbegeerte moge ook ons nog in onze dagen over velerlei gemis kunnen troosten, – zij moge haar voorhoofd niet rimpelen, bij het gluren naar een’ kouden haard, – bij het aantrekken van een’ versleten’ jas – bij het knijpen van eene voor drie vierde ledige flesch, wanneer een vriend te onzent een bezoek a6egt; – ik zou meenen uw gevoel te beleedigen, wanneer ik verontschuldiging of verklaring voegde bij Sicco’s woorden:

„Het was koud, mijne moeder kwijnde, ik vatte de pen weder op.”

O gelukkige, dat wil zeggen: vermogende schrijvers! die voortbrengt uit behoefte des gemoeds, die uitgeeft om anderen te vermaken; weet ge welk een kwelling het is te schrijven om den broode? Hoe zoudt gij het weten? Ge zaagt u nooit verpligt tot het nemen der hagchelijke proeve, hoe digt gij het peil der alledaagschheid naderen kondt, zonder dat ge ophieldt talent te blijven; zonder dat gij den eerbied voor u zelven verloort, die in dit opzigt, als in ieder ander, slechts de weerspiegeling van een onbevlekt geweten is. Sicco moest er naar streven la porte de toutes les intelligences te zijn, dat ongeveer zeggen wil, beneden bijna iedere intelligence.

Sedert kwam de beurt aan het vertalen, – niet tot stijloefening – niet van een’ auteur uit liefde vertolkt – niet van een boek, dat, in verband met de behoeften des tijds en zijne eigen stemming, sympathie bij hem opwekte – neen, het eerste het beste, dat eene winst belovende speculatie scheen.

Sicco’s moeder stierf. „Er is eene plaats in Job,’ zeide hij, „die ik herhaal, zoo dikwijls ik haar gedenk.”

„Daar rusten de vermoeiden van krachten?” vroeg ik.

Hij knikte en hij schreide.

Er waren maanden verloopen, hij ontving mij zoo als ik het u beschreef: hij was gouverneur geworden van drie telgen van adellijken huize. En waarom dan borst hij zoo hevig uit? Viel zijne betrekking ook hem zwaar? Weeklaagde hij mede over miskenning? Was hij de honderd en eende, die de grieven opsomde, welke eene ziekelijke eerzucht tegen geldtrots of adelhoogmoed heeft in te brengen; grieven, die zij beter zoude doen, door onderwerping te verligten, door geduld te beschamen, uit den weg te ruimen door verstand? Ge zoudt onregtvaardig jegens Sicco zijn, zoo gij vreesdet, dat ook hij ons den penning al weder van die zijde zou laten zien; eene zijde, van welke hij zoo dikwerf beschouwd werd, dat ik grooten lust gevoel hem eens van den anderen kant toe te lichten. Hij was wijs genoeg om te glimlagchen, toen een zijner kweekelingen hem vroeg: „of onadellijken net menschen waren als hooggeborenen?” (Een feit). – Sicco ergerde er zich niet aan, dat de vrouwe des kasteels hem slechts te duidelijk blijken liet, hoe weinig zij met een’ onderwijzer ophad, die haren kinderen noch houding, noch buiging, die geen schermen en geen dansen leerde. Sicco werd door zijne minderen geerbiedigd, dewijl hij zich nooit iets over hen aanmatigde. En wat was er dan, dat hem dreigde dol te maken?

Het vergeefsche van zijnen arbeid, het vruchtelooze van zijn onderrigt.

„Eergister wandelden wij,” vertelde hij mij. „Ik weet niet meer wat wijsheid ik uitkraamde; maar, of ik les gaf in de botanie, of dat ik eene beschrijving uit Virgilius opze, ik weet wel, dat de jongens niet luisterden; er ging een gejuich in de verte op. Wat was er aan de hand? Een slanke boerenknaap had een’ meestersprong gedaan over eene sloot. Een, twee, drie moest de middelste het zoo goed kunnen als hij; en zie, ofschoon niet zoo lang als Jan Harmsz, de polsstok droeg hem over, als had hij hem nog wel eens zoo ver kunnen dragen. „Dat zal de jonker wel uit zijn lijf laten,” mompelden de slungels, terwijl zij den oudste aangaapten; maar meent ge dat hij het zich tweemaal liet zeggen? Hij probeerde het kunstje eer ik hem kon waarschuwen, en al plofte hij midden in het riet aan den anderen kant ner, heden ochtend was bij vr dag en dauw al op, om het beter te doen; en ik hoorde hem na den middag tot zijn’ broeder zeggen: „Cornelis, nu over eene eens zoo breede sloot, als je pleizier hebt!” ”

Ik vertrouw, dat mijn lezer begrijpt, dat Sicco zich over het gemis van allen geest van wedijver onder zijne leerlingen beklaagde, de kwaal, waaraan elk afzonderlijk opvoedingstelsel lijdt.

„Ik sprak er onder het dessert den baron over,” voer Sicco voort; „ik zeide hem, dat vooral de jonker” – de oudste scheen bij uitnemendheid dus te worden genoemd – „een’ gedurigen prikkel behoefde; ik sloeg hem vr, den zoon des predikants in de leseen te laten deelen. En wat was zijn antwoord? „Die knaap moet wel leeren, mijnheer, dewijl hij er van leven moet!” En daar bleef het bij. Valt dus van No. 1 geen pleizier te wachten, wat zal ik van No. 2 zeggen? Hij is een snaak, die de oude auteurs het spoedigst beet heeft, waar zij het minst stichtelijk zijn: hem zou de tucht goed doen; maar ik ben hier om te onderwijzen, en niet om te kastijden.”

„En de derde?”

„Hij is nog een kind, dat lessen opzegt. – Waartoe verslijt ik mijne jeugd dus? Mijn hoofd werdt er stomp van, mijn hart leert wrok voeden. Ik zie dagelijks duidelijker, dat slechts wrijving licht en warmte geeft. Ondanks al mijne moeite zullen zij met valsche begrippen over menschen en zaken aan de Academie, in de wereld optreden. Want de eerste indrukken van gelijkheid, van verstandelijke verdienste, van humaniteit, welke wij allen op de school ontvingen, die onuitwischbaar zijn, worden in lateren leeftijd door niets vergoed. Lieve vriend, tot welk eene andere bestemming achtte ik mij geroepen!...”

Arme Sicco, die, in zijne nieuwe betrekking, aan het allen moed, allen lust uitdoovend besef der nutteloosheid van zijn streven ter prooi is; hij, die zoo vele gaven bezat, om als hervormer op te treden!

Laat ons naar Ernst omzien. Bij gebrek van een beroep, had hij zich in eene der hoofdsteden den ondankbaren last van hulpprediker getroost, voor een’ kranken grijsaard, geloof ik, die niet rijk genoeg was om van een emeritaat te kunnen leven; die voor de helft van hetgeen hij daarbij verliezen zou, de diensten van Ernst konde hebben. Ik zou gaarne in het voorbijgaan opmerken, hoe hard de dwang is, dien men door deze korting ouden van dagen oplegt; hoe wreed het is, dat men eene welverdiende rust slechts voor een getemperd gebrek veil heeft? We zijn van het eene uiterste tot het andere vervallen: de bezoldiging onzer geestelijken reikt naauwelijks toe, om hunne onafhankelijkheid te waarborgen. Wij hebben geene bisschoppeljke vorsten der Kerke meer; ik geloof, dat de godsdienst er aan zedelijken invloed bij wint; maar wij hebben overjaarde priesters, die blijven offeren, dewijl zij van het altaar leven: zou de zedelijke waardigheid van den stand er niet onder lijden? Ook is er ieta anti-hervormds in dien dwang, in die karigheid. Hoe durft gij verwachten, dat de man, die zich zelven overleeft, langer tot verstandelijke ontwikkeling zal opwekken en aanvuren? – De hulppredikers? – ik aarzel tusschen het middel en de kwaal. Er is wijsheid in de verordening, die den jeugdigen godsgezant het eerst van allen een’ werkkring op het land, in den schoot der natuur aanwijst. Eensklaps van de Academie onder huislieden te worden verplaatst, het gaat zeker niet zonder een grooten, een geduchten schok, die zijne eigenaardige gevaren heeft. En echter, het is de beste school voor het herderlijk werk, dat dorp, waarin de menigte ten achter is bij haren leeftijd, maar waarin hij overvloedig gelegenheid vindt te leeren, wat hem nog ontbreekt: kennis der menschen, kennis der maatschappij. Die laatste, die leerzaamste aller scholen onthoudt gij hem, gij, die hem voor u laat optreden, voor eene schare, wier behoeften de twintigjarige naauwelijks begrijpt, voor een gehoor, dat – – –

Ernst preekte voor stoelen en banken, zoo als het volk kort en krachtig zegt. Hij dacht te nederig van zich zelven, om er door gekrenkt te zijn. De weinigen, die in het eerst waren opgekomen om hem te hooren, uit louter nieuwsgierigheid, zij kwamen, zoo dikwijls hij optrad, weder uit belangstelling; de jongeling vleide’ zich allengs het vooroordeel te zullen overwinnen, dat een huurpaard aankleeft. IJdele waan! Er is iets hardnekkigs in den trots eener groote gemeente. De aanmatiging harer beschaafdste leden eischt meesterstukken; de bekrompenheid der onbeschaafde laat zich overbluffen – door gezag. De morgen, kwam, die er hem van overtuigen zou. Door ik weet niet welke onzalige misgreep eens letterzetters, was in de rij der beurten op het Domin’s-briefje de naam eens gevierden redenaars in plaats van den zijnen gesteld, en door nog onverklaarbaarder verzuim des correctors niet verbeterd, De menigte stroomde ter kerke – sleden, brommers, vigilantes, koetsen lieten in de belendende straten den kerkgangers schier geene ruimte over; een aanzienlijk gehoor zat neder in het Huis des Heeren – en zag Ernst opkomen.

Ik heb geene woorden voor het tooneel, dat toen volgde.

Een gemompel, – een gedruisch, – een gestommel, – het opensluiten van banken, – het wegschuiven van stoelen, de helft der gemeente, – laat het een vierde geweest zijn – ging liever naar huis, dan van hem het Woord Gods te hooren. – Waar, waarom, waartoe waren zij opgekomen?

Ik geloof niet, dat er iemand onder de leeraren dier stad was, welke zich gestreeld voelde door die voorkeur, den beroepene boven den ingeschovene bewezen; maar ik wenschte dat ik getuigen kon, dat het feit zoo levendige verontwaardiging had opgewekt, dat geen toekomstige Ernst meer voor die verguizing bloot staat. Hoe zij hem trof? – laat mij voortvertellen. Eenige weken later las ik in de Haarlemmer Courant eene huwelijksaankondiging, die mij pijnlijk aandeed. Het was geen mariage de raison, het was geen mariage d’argent, in onze dagen, te onzent niets vreemds meer; het was nog minder een echt, die mijne jaloezij opwekte. Het paar was niemand anders dan Ernst en Anne. En waarom trof het berigt mij dus? Dewijl ik onder de vermelding van zijnen naam het toevoegsel vond: „Predikant te Passaroeang, of Kanoeghurdie, of Tjitlatap,” of hoe de plaats in de Oost-Indin heeten mag!

Zie de advertentie vr u, gedagteekend uit eene der liefstgelegen Geldersche steden. Verbeeldt ge u niet onwillekeurig de bruidedagen van het lieve paar, in het kamperfoelie prieel des kleinen hofs, in de huiskamer, waarin zij geboren werd, waaraan al hare herinneringen verknocht zijn? welt een tooneel van geluk! En doe nu, met een’ tooverslag, vrienden, – verwanten, – oudere, – te huis, – vaderland verdwijnen; verdwijnen voor dat andere werelddeel, waarin hij bekeeren, waarin zij verkwijnen zal. Welk een verschil! – Bekeeren, zeg ik. Of zal hij der zucht zielen toe te brengen werstand kunnen bieden; zal hij het mogen, waar de gelegenheid zich te over aanbiedt? Onverschilligheid tegenover afgoderij, van wien zij te vreezen zij, niet van een gemoed als het zijne. – Verkwijnen, herhaal ik. Het heugt mij ergens de fraaije uitdrukking te hebben gelezen, dat de liefde in onze luchtstreek een mantel is, welke de vrouw voor menigen storm beschut; het zou laster zijn haar in het Oosten geen beveiligend scherm te achten, dat de hitte des middags afkeert; maar wie uwer aarzelt mij toe te stemmen. dat het harde wittebroodsweken moeten zijn, die men aan boord – tusschendeks, – op de verraderlijke zee doorbrengt? Beklagenswaardige Ernst! beklagenswaardiger Anne! Waar ie de pastorij, welke gij u droomdet? de dorpskerk, wier vergulde torenspits boven de eeuwen heugende eiken uitflikkerde; de eenvoudige, hartelijke gemeente, die u lief zou hebben, als gij haar, jong en vroom, beminnende en bemind, een ander Eden, een hemel op aarde!

O het is grootsch – het is meer, er is geene verhevener roeping denkbaar, dan Christus te prediken, waar de Heiden nog voor zijne afgoden nederknielt; het is den dienaar des Heilands waardig, de blijde boodschap te verkondigen aan alle volken, dienstbaren vrij te maken, verlorenen tot de zaligheid te brengen. Ik heb eerbied voor onze Catholijke geloofsbroeders, die het kruis zoo den Heere nadragen; ik geloof, dat hunne leer er geschikter toe is dan de onze. Maar, hoe dit zij, wie zal Ernst tot deze taak in staat stellen, als hij een blik werpt op zijne Anne, die, met de handen in den schoot, moedeloos op de blaauwe golven staart, als de duinen onzer kust welligt voor altoos uit hare oogen zijn verdwenen; Anne die hij beluistert onder het zuchten:

„Lieve moeder! –”

Maar wie zal Ernst tot die taak in staat stellen; Ernst, die haar de ontberingen van het scheepsleven, ja, geduldig ziet dragen, maar niet minder smartelijk gevoelen; en echter weet, dat haar nog bitterder plagen verbeiden; die al een’ anderen hemel, die al eene andere aarde, die al een afzigtelijk menschenras in het verschiet aanschouwt, den vreemden tongslag al hoort, waarvan zij vruchteloos beproeven zal de klanken op te vangen.

Inderdaad, haar verbeiden Europeanen, Landgenooten zelfs, op dat verre Java; maar welke gezelligheid, – die van lieden, zon buiten roept, of de digte lommer schaduw geeft; buijen en vlagen moet de landman trotseren, om de korrels uit te werpen; hij denkt aan den oogst, en hagel noch windruk, die hem deert.” „Lieve enthusiast!” lag mij op de lippen; doch ik zeide: „Maar uw geest, die van plooijen noch schikken weet; maar de menigte, die de weegschaal in handen, en het vonnis op de lippen heeft –”

„Acht ge mij dan zoo zwak van geest,” vroeg hij, „dat de schimp der onwetendheid mij deren zou; acht ge mij dan zulk een bedelaar van menschenlof, dat het bewustzijn, mijn’ pligt te hebben gedaan, mij niet voldoen, mij niet troosten zou? Of ben ik zoo arm aan liefde, dat ik den Heiland niet zou kunnen nabidden: „Heere! vergeef het hun –” ”

Ik drukte hem de hand en ik zweeg een wijle.

„Leer me berusten!” zeide hij vriendelijk.

Hij was me verre op den weg vooruit.

„En toch heeft Borger gezegd: de jeugd mag niet rusten!” – begon hij zelf weder. „O wie voort mogt werken in zijnen geest! Een volgend geslacht moet bereiken wat het zijne niet vergund werd.”

Bij vele verschijnselen onzer dagen, – bij den weer ontwakenden sektegeest – bij de opwekking tot weerstand van en wedijver met andersdenkenden, in plaats van tot streven naar ontwikkeling en volmaking in onze Kerk, aarzel ik er over te klagen, dat hij spoedig na dit gesprek stierf.

Vrede zij met zijne assche!

        1841.