Voetnoten:

   1) A. Stakenburg, Potgieter’s familie, TNTL LXI, p. 25 vlg. Over Potgieters leven en werk schreven J.H. Groenewegen, E.J. Potgieter, Haarlem 1894, en Albert Verwey, Het Leven van Potgieter, Haarlem 1903.

   2) W. de Vreese, Drie brieven van Potgieter aan J.F. Willems, De Gids 1931, I, 199; M. Sabbe, Potgieter, Bakhuizen van den Brink en de wedergeboorte der Vlaamsche letterkunde na 1880, V. M. V. A. 1931, 693

   3) Het relaas van zijn belevenissen en gemoedsgesteltenissen heeft Potgieter uitvoerig verhaald in zijn Leven van R.C. Bakhuizen van den Brink.

   4) Vgl. Albert Verwey, Het Leven van Potgieter, 110; 110; J.A. Rusell, Dutch poetry and the romantic revival, V, Potgieter and Wordtworth, De Nieuwe Gids 1937, I, 501; D.G. v.d. Vat, E.J. Potgieter en zijn vertaling van Ch. Lambs’s essays, TTL XXVII, 219 vlg.; Ni Tlg. XX, 191.

   5) K.H. de Raaf, De Nieuwe Gids, 1910, I, 569; Albert Verwey, De Beweging 1910, herdrukt in Proza, V, 156–182.

   6) Vgl. Anton van Duinkerken, Het coelibaat als lyrisch motief, n.a.v. De jonge priester, De Gids, 1936, I, 373 vlg.

   7) Ni Tlg XXVIII, 198.

   8) S.A. Krijn, Potgieter en zijn bewerkingen naar het Zweeds, TNTL LVIII, 691.

   9) Uitvoeriger behandeling van de inhoud van dit eerste nummer o.a. bij G. Stuiveling, Een Eeuw Nederlandse Letteren, 57 vlg.

 10) J.te Winkel, Ontwikkelingsgang VI2, 585.

 11) J.te Winkel, Ontwikkelingsgang VI2, 585.

 12) R. C. Bakhuizen van den Brink, Studien en Schetsen over Vaderlandsche Geschiedenis en letteren, uit vroegere opstellen bijeenverzameld en herzien I, Amsterdam 1860 1863, II ’s-Gravenhage 1869, uitg. door E. J. Potgieter, III–IV ’s-Gravenhage 1876 1S77, uitg. door P. A. Tiele (in deel 1I o.a. Vondel met roskam en rommelpot, en F. Hemsterhuis, in III de novellen en critieken.) Een bloemlezing uit zijn historische opstellen bezorgde in 1942 Abel Eppcns onder de titel Van Hollandsche Potaard, Amsterdam. Over hem: Briefwieseling van Bakhuizen van den Brink met zijne vrienden gedurende zijne ballingschap (1844–51), uitg. door S. Muller Fz., Haarlem, 1906, met Nalezing, Haarlem, 1907; E. J. Potgieter, Leven van R. C. Bakhuizen van den Brink (tot 1834), Haarlem, 1890; Cd. Busken Huet, Litt. Fant. en Krit. III, 154 vlg.; J. van, Vloten, Levensbode 1866; R, Fruin, De Gids, 1886, IV, 421 vlg.; H. T. Colenbrander, De Gids, 1910, I, 409 vlg.; C. en M. Scharten-Antink, Julie Simon, De Levensroman van R. C. Bakhuizen van den Brink, Amsterdam, 1914; C. G. N. de Vooys, Niet-herdrukte letterkundige kritieken van R. C. Bakhuixen van den Brink, Ni Tlg, 1946, 1 vlg,

 13) Het werk is het laatst uitgegeven door C.G.N. de Vooys, Amsterdam, z.j. (ca. 1911). Voor de voorgaande uitgaven zie J. te Winkel, Ontwikkelingsgang VI2,  577 noot – Het werd beoordeeld door J.R. Thorbecke, Konst- en Letterbode, 5 Jan. 1838; R.C. Bakhuizen van den Brink, De Gids II (1838), herdrukt in StudiŽn en Schetsen III, Cd. Busken Huet, Litt. Fant. en Krit. X, 1.

 14) Brief aan Bakhuizen van den Brink dd, 18 September 1845.

 15)  Uit deze jaren vooral ook dateert de, overigens toch maar spaarzame, medewerking van Thorbecke aan het tijdschrift, nadat hij vanaf Aug. ’4Z nu en dan wat had ingezonden. In 1848 echter eindigt Thorbecke’s medewerking. Over Thorbecke, Potgieter en De Gids Mej. E. Veikade, De Gids, Nov. 1948, 137 161, met een boeiende karakteristiek van Potgieter en Thorbecke.

 16) J. te Winkel, Ontwikkelingsgang VP, 578 593.

 17) G. Stuiveling, Een Eeuw Nederlandse Letteren, 61.

 18) Brieven van A. L. G. Bosboom-Toussaint aan E. J. Potgieter, uitg. J. Bosboom Nz., p. 104.

 19) Reeds zijn vrienden verweten Potgieter deze eigenschappen; zie J. te Winkel, Ontwikkelingsgang VII2, 5 noot.

 20)  Potgieter geeft het beeld van dit verleden aan de hand van de schilderijen in het Trippenhuis; Potgieter’s dilettantische kijk op de schilderkunst ligt in de lijn van de opvattingen zijner tijdgenoten; vlg. G. Brom: Hollandsche schilders en schrijvers in de vorige eeuw, 1927, p. 6.

 21) Over deze tijdzangen C. G. N, Vooys, Letterkundige Studieen, Groningen, 1910: Potgieter en het liberalisme, p. 108 vlg.

 22) Ibidem, p. 115 vlg.

 23) Herdrukt in Kritische Studien II4, Haarlem 1898, 227–389.

 24) J. te Winkel, Ontwikkelingsgang VI2, 5, 11–13.

 25) C. G. N. de Vooys, Gesch, Lett. Ned. VII, 162–3.

 26) G. Kalff, Gesch. Ned. Lett. VII, 444.

 27) Voorzover niet in voorgaande noten genoemd, volge hier een nadere bibliografie van Potgieter: G. Busken Huet, De Brieven van Potgieter aan Huet, Haarlem, 1901, en de tegenhanger ervan: Albert Verwey, Cd. Busken Huet, Brieven aan E. J. Potgieter, Haarlem, 1925; Cd, Busken Huet, Potgieter, Litt. Fant. en Krit. III 25, XIII 1, XV 1, XVI 152 en XXII 21; J. Zimmerman, E.J. Potgieter, De Gids 1875, I, 457, 1886, IV, 309; Nic. Beets, E. J. Potgieter, persoonlijke herinneringen, Haarlem, 1892; M. A. P. C. Poelhekke, Potgieter gehuldigd, De Katholiek CXXIV, 82; W. H. de Beaufort, Potgieter en Busken Huet, Onze Eeuw, 1902, I, 62; Albert Verwey, Droom en Tucht, Amsterdam, 1908; dez., Potgieteriana, De Beweging, 1908, II, 392; A. Lansberg, De religieuze gedachte in Potgieter’s poezie, Stemmen des Tijds, XII, I 374; G. Schlimme, E. J. Potgieter, een strijder tegen Holland’s Jan Saliegeest, Haagsch Maandblad, 1940, II, 257; B. H. Peteri, E. J. Potgieter als reizanger, Ni Tlg 1940, 289; H. E. Verschoor van Sleeuwijk, E. J. Potgieter, Haagsch Maandblad, 1941, II, 288; F, W. van Heerikhuizen, E. J. Potgieter, een poging tot eerherstel, Groot-Nederland, 1942, I, 191; W. H. Staverman, Potgieter en zijn „Eene Revue in het Bois de Boulogne”, Ni Tlg XXXVII, De Vooys-nummer, 112; J. Smit, Dromen en visioenen in Potgieter’s werk, Ni Tlg XXXVII, 158; R. Pennink, Potgieter en de Amerikaanse letterkunde, Ni Tlg XXIII, 273.

 28) Vgl. C. G. N. de Vooys, Potgieter en het liberalisme, Letterkundige StudieŽn, Groningen, 1910, 160.

 29) Taine, Pholosophie de l’Art.

 30) Saint Beuve, Portraits contemp., I, 83.

 31) E. J. Potgieter, StudiŽn en Schetsen, III 366.

 32) J. E. v. d. Laan, Potgieter, Sainte-Beuve, Taine, Ni Tlg XXVI (1932), 225 – 240; C. G. N. de Vooys, Potgieter en Busken Huet als critici, Letterkundige StudieŽn, Groningen 1910, 224 – 257.

 33)  H. J. Polak, TweeŽrlei Letterkundige Kritiek, De Gids, 1891, II, 275; vgl. het hele hoofdstuk IV van deze studie t.a.p. 273 – 293.

 34) Voor de crisis in De Gids, J.H. Groenewegen, E. J. Potgieter. Voor de omgang tussen beide vrienden raadplege men voor alles hun correspondentie, Huet’s Persoonlijke Herinneringen, Litt. Fant. en Krit. XIII, 1 – 98, en de Brieven van Mevr. Anne Busken Huet aan Mejuffrouw Sophie Potgieter, uitg. door J. Berg, De Nieuwe Gids, 1926, 1927.

 35) De laatste uitgave van het gedicht is: E. J. Potgieter’s Florence, ingeleid en toegelicht door G. M. J. Duyfhuizen (Utrects proefschrift)  –  Santpoort, 1942, waarin alle vroegere litteratuur over het gedicht verwerkt is.

 36) E. J. Potgieter, Levenvan R. C. Bakhuizen van den Brink2, Haarlem, 1890 11 – 12.

 37) De Witt staat deze vorm met grote overtuiging voor als de echt-Nederlandse: de staten der provinciŽn bezitten, ieder op eigen terrein, „de volle ende absolute souveraineteyt”. Ten gunste van de statenregering betoogt De Witt: „De principaelste effecten ende voornaemste vruchten van een rechte vrijheyt ende onbevlekte liberteyt bestaen daerinne, dat de hoogste digniteyten voor de deucht openstaen ende noyt aen rijckdommen, geslachten, qualiteiten van voorouderen, ofte andere bijwerpselen van de fortuyne sooveel werde gedefereerd als aen de vromigheyt, capaciteyt ende meriten van de personen selfs” (Brugmans, Gesch. van Nederland V, 134) Vergelijk de woorden die Potgieter De Witt in de mond legt:

„Een burgerlijk bewind den vroedsten toevertrouwd
Verheven uit wat nacht ook hun talenten blonken”.

(Gedroomd Paardrijden, str. 361)

 38) Albert Verwey op pag. 123 van Gedroomd Paardrijden, met inleiding en aantekeningen uitgegeven door Albert Verwey, Haarlem, 1912.

 39) J. te Winkel, Ontwikkelingsgang VII2, 204.

 40) Cd. Busken Huet, Litt. Fant. en Krit. III, 43.

 41) Potgieters stijl is bestudeerd door Jac. Smit, Bijdrage tot de kennis van Potgieters stijl, Groningen, 1937. Vgl. G. S. Overdiep, Over Potgieter litteraire vormen, Onze Taaltuin IV (1935), 33, 113, 145, 180, 211, en, speciaal voor Florence, de uitgave van dit gedicht door G. M J. Duyfhuizen, p. 93 – 109.

 42) Albert, in Schetsen en Verhalen II4, Haarlem, 1896,71

 43) Albert Verwey, Proza VII, 111.