E.J. POTGIETER (1808 – 1875)

HOE HET WEEUWTJE UIT HET HOF VAN HOLLAND GEVRIJD WERD.

I

Eene aardige groep: voor de deur eener boerenwoning rookte een grijsaard zijn pijpje, met een’ jongen van een jaar vijf, zes op de linkerknie. Uitvoerig zou ik haar geschilderd hebben, ware zij maar langer te zien geweest. Het was bladstil, getuigde de linde, onder welke het paar zat, en het eene wolkje voor, het andere wolkje na, uit het bruine eind Goudenaar rondgeblazen, verzwaarde den damp tot nevel wordens toe. Echter had de hangende duisternis iets aantrekkelijks, vreemd als ze was, vergeleken met den luister der ochtendzon, die boven de groep in de verweerde ruiten van het vensterraam weêrkaatste. Soms ging er een luid gelach uit op; dan weder kwam een mollig armpje aan het licht; bijwijlen onderscheidde men de grijze lokken als zilver. Stel u des ondanks gerust, zoo ge vreest, dat ik u in den Amersfoordter zal doen stikken: het scheen den knaap in dien walm vast te benaauwd geworden. Van de knie gewipt, stoof hij naar de wel, digt bij de woning gelegen, en onder welker houten afdak ketting noch emmer ontbrak. Dáár rinkinkte de leate, bengelende over den muur; het huiswijf, dat straks water putte, had verzuimd hem op te winden.

„Voorzigtig, Jaepie!” riep de oude.

Het kind was de gevaarlijke plek al ontweken – het liep een’ vlinder na, die uit den boom voor de woning naar de haag van den moestuin fladderde, en er op den meidoorn neêrstreek, binnen, ja, binnen het bereik van het handje, dat hem grijpen wou .... Maar ziel... Daar vlogen de witte wiekjes, even vóór de vingertoppen die beet kregen, daar vlogen zij op, en zweefden hoog boven de berken, welke aan de andere zijde van het huisje de wacht hielden bij de hekdeur van het erf.

„Wat steken die doorns!’ zei het jongsken, weêr aan de knie van den grijsaard, en met een pijnlijk gezigt.

„Al naar men ze hanteert,” luidde het antwoord; doch, zoo er iets wijsgeerigs in school, de woelwater vroeg geene verklaring; reeds was hij den vlinder op nieuw nagesprongen, en plukte, toen de jagt andermaal ijdel bleek, eene handvol bloemen van het perkje voor de deur.

„Oome,” vroeg de knaap, er hem eene overreikende, „wat is dat?”

De oude vatte den stengel aan, voelde dien langs. tot hij den bodem des kelks raakte, streek toen met de vingers over de groote bladeren, die van buiten iets satijnigs, en van binnen iets fluweeligs hebben, en zeî:

„Eene lelie, Jaepie.” „Geraden, oome?” juichte het kind – de onnoozele verbaasde zich over de snuggerheid van een blinde.

„En dit?”

Maar de oude bevoelde de pionie niet; hij stond op van de bank, hij luisterde; waarlijk, hij had zich in den van verre vernomen’ voetstap niet bedrogen; de klink van het hekje werd opgehaald – en de jongeling, die het binnen-, die al nader kwam, drukte hartelijk de hem reeds toegestokene hand.

„Vader, hoe gaat het?” vroeg hij.
„Wel, Huib, zoo wel als ’t mij gaan kan, – en, op je stem af, gaat het jou ook goed,” antwoordde de grijsaard, en liet er fluks op volgen: „Jaepie! breng jij oom’s pijp eens naar binnen, in de vensterbank, weet je, en niet te breken,” en zette zich toen weêr op de bank neder, en hief, uit oude gewoonte, het hoofd naar Huibert op, die tegenover hem stond en zweeg. De jonkman had deernis met die vruchteloos starende oogen.

„Huib, mijn jongen, wat schort er aan?” begon de oude, zoodra de stilte van eenige oogenblikken hem te lang had geduurd.

„Vader, ik wou, dat ik rijk was!”

Ei! ei! zegt ge, dat heb ik ook weleens gewenscht – mag ik vragen: uit even edel een beginsel? Het gerucht had van artsen gewaagd, wier kunstbewerking aan hopelooze lijders het gezigt wedergaf: waarom ontbraken Huibert de middelen, het talent van deze op de proef te stellen voor zijn’ vader? Hij zag er in zijn blaauwlakensch buis, nankingbroek, zwart vest, met zijn helder linnen, met zijne paardenharen muts op het blonde hoofd, hij zag er welvarend uit, en echter was hij arm, armer dan ge vermoedt. Er zijn deugden, den landman eigen, welke, van geslacht tot geslacht overgeplant, het gelaat eene karakteristieke uitdrukking geven, en Huibert’s voorkomen, dat iets innemends, Huibert’s blos, die iets gezonde, Huibert’s blik, die iets opens had, Huib’s manieren, die zich door trouwhartigheid onderscheidden, zij bewezen, dat hij vau meer dan gemeene afkomst was; wat baatte het hem? Of hij ten minste zoo veel gelds had bezeten, dat hij zijn’ vader, al was het maar eenige weken, in de hoofdstad onderhouden kon, teneinde er – moest het zijn – om niet te worden geholpen! Al wat der sterkte, al wat der vlugheid zijner jeugd tot nog toe was gelukt, het bepaalde zich tot den kost te winnen, in het dorp altoos, voor hem en voor den grijsaard; ik vergat schier een jonger zusje, dat hij ook onderhield. Het scheen luttel in de oogen des zoons: laat ons zien, wat de dankbaarheid van den. blinden vader er in waardeerde.

„Huib, Huib!” hervatte de oude, „geen wonder, dat de weêrspoed, die mij hof en have verliezen deed, moeder ten grave bragt. Wis voorzag ze, dat het leed ons het zwaarste in onze kinderen drukken zou. De goede vrouw is bij God; of ik er ook ware!”

„Spreek zoo niet, vader,” viel de jongeling in, terwijl hij tranen biggelen zag langs de witte wimpers; „ik wenschte immers, maar rijk te worden om –”

„Om mij; maar ook dat is zonde, Huibert. De Heer weet het beste, wat goed is voor den mensch in dit leven.”

En beiden zwegen eene wijle.

„Ik wil wedden,” hernam de oude, „ik wil wedden, dat erin de: courant weêr eene kwakzalversadvertentie heeft gestaan. Zoo’n ding uit het Handelsblad, van den een’ of anderen vreemden wonderdoener. Of je onzen goeden doctor geloofde, als hij zegt, dat er krankten zijn, waar geen kruid voor gewassen is, en kwalen, waar geen kunstjes voor helpen.”

Huibert antwoordde niet.

„Wees gerust, jongen,” voegde de vader er bij, „dat je meer voor mij gedaan hebt, dan ik eischen mogt, dan ik verwachten: kon, al zei moeder, toen je in de wieg laagt: „Man, die dreumis zal eens onze staf en onze steun wezen!” Zelfs heb ik er soms in mijn gemoed geene rust bij, dat ik je die plaats in de herberg liet aannemen, schoon je er door in staat wierdt gesteld, mij te besteden, toen ik anders –”

„Aan de armen zou vervallen zijn,” – wilde de blinde zeggen: maar hoe ver hij het in de zelfverloochening mogt hebben gebragt, dat ging niet! Huibert was vaderlievend genoeg, hem te verzekeren, dat hij nog geen berouw gevoelde ever eene keuze die zijne toekomst hagchelijk maakte, al kon hij er thans beide, vader en zuster, door onderhouden. Een boerenknecht heeft eene hoeve, al is het maar in huur; heeft een huwelijk, zij het ook met eene overjarige huismansdochter, in het verschiet; doch Huib – reeds had de oude weder het woord gevat.

„Jongen,” zeî hij, „ik geloof, dat jij het in het Hof van Holland wel hebt – de baas was bar, maar hij is ter ziele – en al wat je leerde, komt der vrouw nu schoon te pas; doch mogt je willen veranderen –”

„Nooit!” riep Huibert driftig, „of,” en hij hield plotseling op.

„Laat mij geen beletsel wezen, als je hier of daar elders, al was het in stad, beter voort kondt komen; – je weet, ik zie, ik spreek je gaarne, om de dag of wat; ik verlangde te ochtend naar je komst, als een visch naar het water; – maar ik zou je zusje toch bij me houden, Huib, en. jij –” „Zoudt wel eens overkomen op St. Jutmes!” viel de zoon in.

„Waarom zou ik beter willen lijken dan ik ben, jongen? Ik heb ook nog mijn wenschen; ik bid God voor jou, om een gelukkig hijlik. Als ik eens bij jou kon inwonen.....”

Indien de oogen des blinden eensklaps ziende waren geworden, hij zou gevraagd hebben: „Huib, wat is je?” want de jongeling bloosde, bloosde tot over de ooren toe. Ware Jaepje, die terugkwam, een jaar drie vier ouder geweest, hij zou het hebben opgemerkt; thans gaf hij het gewenschte middel aan de hand, om het gesprek af te breken. Huib haalde wat lekkers uit zijnen zak, en verraste er het kind mede; – Huib liet den knaap over zijn’ schouder in de wel kijken, tot de. vlaskop rilde; – Huib spande voor het jongsken eene koord om een halven hoepel, en sneed pijlen voor den schalk, een half dozijn; – Huibert wist, dat zijn vader het er te beter door zou hebben. Hij won het harte van het huismanswijf, bij welke deze besteed was, in zijn spelen met Jaepje.

„Hoor!” riep de woelwater hem nog na; maar reeds had de jongeling den ouden man goeden morgen gewenscht; reeds bleek hij den weg naar het Hof van Holland weder te zijn opgegaan. Echter had zijn stap thans niet het veêrkrachtige, waaraan het gescherpt gehoor van den blinde dien had onderscheiden, toen hij het erf naderde; echter bleef hij somber, al schitterde de zon aan den wolkeloozen trans. Vergeefs dat het landschap, bij iederen keer des wegs, wisselde van veelkleurige pracht: hij stond er niet om stil, hij zag er niet naar rond. Hoe kwam het, dat hij heden geene oogen had voor het schier elshoogte opgeschoten graan, rijzende en ruischende in den vloed van stralen, verkwikt als het werd door den dauw van den zomernacht? Wat was hem, dat hij de hand niet uitstak naar het veulen der hem bekende merrie, toen het den ruigen kop over het hek zocht te beuren, als noodde het hem tot streelen uit; – dat hij zich niet verlustigde in de vaart, waarmede het der moeder op zijde sprong; de grasscheuten naauwelijks aanrakende, met hoeven, nog door geen ijzer verzwaard? Waarom daalde zijn blik ter aarde; waarom hing zijn hoofd neêr, toen hij in de schaduw van een boschje het gevogelte zingen hoorde, of leven lust was – waarom werd hij weemoedig, bij dien wildzang van het woud? Eene kronkeling des pads, en het Hof van Holland, – de aardige dorpsherberg, die in het zomersaizoen menig gezin uit de omliggende steden voor een paar maanden naar buiten lokt, viel in het verschiet te onderscheiden. Uit zijne mijmering opgeschrikt, verdubbelde Huibert zijne schreden; de kerkklok sloeg zeven ure! Niet ééne der zonneblinden, voor de vensters der eerste verdieping, was op een kiertje gezet; geen enkele der gasten bij de hand. Toch haastte hij zich. Welke bezigheden wachtten hem niet, eer het den zonen der weelde behagen zou, op te staan, geeuwende en grommende, dat men er zelfs op het land zijne rust niet van nemen kan, dat de zon zich ook nooit verslaapt? Schrijver – stalmeester – schurenopzigter, – wat niet al? was hij het factotum van het anderhalf jaar verweduwelijkt vrouwtje uit het Hof van Holland. Daar stond zij voor de deur. Frisch en schalk, nog niet aan de volle vier zesjes toe, scheen zij te kouten met den jongen schilder uit stad, die van zijne ochtendwandeling was teruggekeerd. Huibert werd eensklaps louter oog en oor. Machteld – zoo heette zijne meesteres – Machteld sloeg hare hand in die des kunstenaars. „Top!” zei ze. Waartoe die vertrouwelijkheid? wat drommel gold de weddingschap?

II

„Een heer uit de schuit!” riep de jager, drie uren later het Hof van Holland voorbijrijdende, en Huib sprong naar het steigertje, om den gast te ontvangen, en van twee tafeltjes, aan welke de logés van No. 5 – de douairière van een staatsraad, met hare gezelschapsjufvrouw – en die van No. 7 – een podagreuze papa, met zijne dochters – voor de deur ontbeten, rigtten aller blikken, rigtten, o schande voor het land! zelfs een paar lorgnetten zich op de vracht, welke de naderende trekschuit aan wal zetten zou.

„Hélène, ’t is een galant voor je,” zei een dartel meisje van No. 7, zoodra zij de figuur van den heer uit de roef gewaar werd. „Dan had ik den tweeden luitenant nog liever,” hernam haar zusje. „Veel eers!” schertste het zoete kind, en hield het handje voor den mond; want waarlijk, zij moest lagchen. De schippersknecht had den heer met de lange pijp, en een dopje er op, bij het aan wal stappen, zijnen hoed – in eenen bonten zakdoek gewikkeld – zijne parapluie – er was geen wolkje aan de lucht – en zijn pakje – in een schoon servet gespeld – overgereikt; Huibert bood aan den last te dragen. „Dankje, maat!” zei de burgerman, en met het pakje voor’ in den toegeknoopten rok gestoken, en met den hoed in de regterhand, en met de parapluie in de linker-, kwam de heer uit de schuit de tafeltjes langs, en groette, o zoo linksch! met den pet op het hoofd, en de pijp tusschen de leelijke tanden, eerst de familie van No. 5 en toen de familie van No. 7, welker leden voor zich zagen, of ginnegapten, naar ze boven of onder de drie kruisen waren.

Ik vergeef het der laatste van ganscher harte, want de man had al het droefgeestig-lachwekkende van eenen molenaar, die des zondags in een zwart pak. gestoken, zwarten rok, zwart vest, zwarten kuitendekker, op zijne fletse wangen de kleur van zijn meel meêdraagt, ziekelijk-bleek. Het was slechte de helft der naarheid. Oogen, drijvende donkere oogen, zoo als er ons, spijt wit bestoven buis en broek, soms achter het karrepaard, of voor de bakkerij verrassen; oogen, die de vertellingen van mooije molenaarsmeisjes waarschijnlijk maken; de heer uit de schuit had ze niet. Weg doken zijne graauwe knijpertjes; weg onder het beenderige voorhoofd, of ze wisten, dat de weinige lichtblonde haartjes der oogleden, door de kinderziekte gespaard, hun geene beschutting konden verleenen.

„Eene kamer, mijnheer?” vroeg Huib.

„Dank je, maat.”

En dus ging Huibert hem voor in het groote gelagvertrek, aan de regterhand, en vond het vreemd, dat de heer uit de schuit een, twee, drie nalen omzag naar den stoel, die bij het ouderwetsche buffet ledig stond, en ledig bleef staan.

„Wil mijnheer ook water om zich te wasschen?” vroeg een der dienstmeisjes, die den nieuwen gast had zien binnenkomen, en Huibert verving in de betrekking, die tot nog toe eene sinecure was geweest.

„Dank je, meisje,” zei de man, . en sloeg met een tip van zijnen zakdoek het stof van zijne schoenen, en veegde zich toen, voor den spiegel, die tegenover de schouw hing, met eenen anderen tip het gezigt af.

„Als die heer in dit logement niet verdwaald is, dan heet ik geen Geertje,” dacht de deerne, die in de kamer drentelen bleef, terwijl Huib was weggegaan. „’t Is hier een mooi gezigt, meisje,” zei de man uit de trekschuit, door de ramen ziende.

„Dat zeggen de lui,” hernam de meid droogjes.

„En jij niet, kind?”

„Als men ’t alle dagen, en jaar in en jaar uit ziet, dan is het rare er gaauw af.”

„Alles, dat waarlijk mooi is, blijft altijd mooi,” klonk het wigtig.

„Dan is geene vrouw ter wereld nog ooit waarlijk mooi geweest.”

„Zeg eens, kind, heb jij gecatechiseerd?” vroeg de man.

„Wat een vreempje!” dacht Geertje, en antwoordde: „Dat zou ik denken, zes jaren voordat ik aangenomen werd, en toen nog op de ledematen-catechisatie een jaar twee, drie.”

„Braaf, kind, braaf – doch wat ik je vragen wou, was je tegen doininé dan ook zoo dwars als tegen mij?”

„Wel, hij zou me – maar dat was ook een man, hoor – daar heeft onze nieuwe geene hand water bij. Bij dezen regent het bloempjes, of het altijd Mei was; bij den oude was het onweêr nooit van de lucht.”

„Ei – ei – en je jufvrouw, denkt die er over zoo als jij – ?

„Mijn jufvrouw? zie, mijnheer, als je weten wilt, wat mijn jufvrouw denkt, dan kun je niet beter doen, dan het haar zelf vragen; ze is genoeg bij de pinken, om haar eigen geloof te hebben, hoor! Ook iets te zeggen?”

„Dank je, meid.”

En de goede man, die zoo als Geertje juist had gezien, verdoold scheen in dit logement, zette den pet af en den hoed op – hij won er niet veel bij – liet regenscherm en linnen pakje in eenen hoek der gelagkamer liggen – het was wonder, dat hij er beide vertrouwde – en ging het vertrek uit – het scheen, dat de ledige stoel hem eenen zucht ontlokte. Eene minuut of tien stond hij in den gang te staren, waarlijk, even als verbeidde hij eene geestverschijning, en stapte toen naar de deur, de twee spotzieke tafeltjes weêr langs, niet zonder eene veêr te laten.

„De voorzangersplaats is zeker vacant,” zei het schalke zusje.

„’t Schijnt een makelaar, die een aanplakbillet moet stellen, niet waar, papa?” vroeg Hélène.

Hoeveel liever zou ik van de meisjes getuigd hebben, dat zij op het land in vollen zin de natuur genoten; dat zij wandelden, bloemen plukten, kruiden lazen, en, door afwisseling van geneugten, den kring harer kennis uitbreidden; – doch als ze, naar rijkelui gewoonte, voor de deur moesten zitten, en aangapen, wat er onder hare oogen voorviel, dan getuigden die opmerkingen ten minste van vernuft. Er was veel, dat voor de gissing der laatste pleitte. Den weg tien of twaalf schreden regts opgegaan, stond de man stil, en sloeg het Hof van Holland van die zijde gâ, – keerde daarop terug, schreed twaalf of tien stappen links, draaide weêr op zijne hielen, en prentte zich het Hof’ van Holland andermaal in het geheugen. En face had hij het van het derde, maar voornaamste standpunt, reeds gezien; doch er bleef een vierde over, het Hof van Holland van achteren, en stalling en schuur lokten hem aan; de deuren der schutting, welke er toe leidden, stonden open.
„Blijf hier, Hélène!” riep de podagreuze papa der ondeugd toe, die den man wilde volgen. Dewijl hij onze papa niet is, zullen wij het doen, als ge wilt.

Een aantal bestovene rijtuigen, deels onder een afdak geschoven” deels, bij het schoone weder, der opene lucht toevertrouwd, beperkten de ruimte, die de plaats anders zou hebben aangeboden. Welke wapens, welke letters er op de portieren prijkten; of barouche en calèche die al dan niet droegen, het bleek den heer uit de schuit geene zier aan te gaan. Er stonden paarden op stal; bij welke een liefhebber eenen halven morgen zou hebben verkeken, en vertikt; er werd een weêrgalooze schimmel voor eene tilbury gespannen, die ge den onbekenden eigenaar zoudt hebben benijd: de man slenterde verder. Daar werd hij, digt bij den hof, welke zich achter de huizinge uitbreidde, daar werd hij eenen jongeling gewaar, die teekende, teekende naar het leven, een jongsken en een’ jagthond; het viel moeijelijk te zeggen, wie er het trouwhartigste uitzag van de twee. Digterbij geslopen, gluurde hij over den schouder des schilders in zijn schetsboek, en zag meer dan hij ooit gedacht had, dat er in licht en schaduw – de spelenden scholen onder een olm – dat er in eenen halfnaaktem vlaskop en eenen bruinoorigen viervoet te zien viel. Zijne verbazing gaf zich eindelijk lucht in een deftig: „ ’t Is mooi!”

„Verpligt!” zei de jonkman, en draaide op zijn veldstoeltje. rond, en schoof den strooijen hoed uit de oogen, en nam het vreempjen uit de schuit op, of hij de karikatuur in zijn geheugen bewaren wilde.

„Mijnheer schijnt hier te huis?” merkte onze zwartrok aan,” toen de jongeling zijn stoeltje weêr naar den olm had gedraaid.

„Eene week twee, drie,” hervatte deze.

„O, dan zou mijnheer mij misschien wel kunnen inlichten –”

„Over het oord? Met pleizier; er is geen bosch, uren in het ronde, dat ik niet heb doorkruist, geene beek, die ik niet weet, geen –” maar hij hield op, want eene zonneblinde voor een der zijvensters van de huizinge kraakte op hare hengsels.

„Dat minder, mijnheer,’ dat minder!” hernam de zwartrok, wien het ontging, dat de oogen des jonkmans naar het venster opzagen, terwijl hij verlegen met eenen horologiesleutel met haar speelde. „Maar de jufvrouw uit dat logement is immers weduwe?”
„Een weeuwtje, man; een mooi weeuwtje,” antwoordde de schalk op zoo hoogen toon, dat Huib, die den schimmel voor den tilbury bij den teugel leidde, het hooren moest.

„Stil, mijnheer, stil, ik ben niet doof! En als ik wel onderrigt werd, dan heeft zij deks genoeg voor twee?”

„Man!”riep de jongeling schaterende, „denkt ge, dat ik –” en weder hield hij op, want een allerliefst handje strooide snippers papier uit het raam, welks zonneblinde straks werd opengeduwd.

„Symbolisch gesproken, mijnheer; symbolisch geld en goed heeft ze, niet waar?”

„Geene kost-, maar eene geldwinning, man!’ zei de schilder, luid genoeg, om het Huibert te doen verstaan, al trappelde de schimmel van ongeduld.

„St! – st! en mijnheer weet niet, of –”

„Er kapers op de kust zijn, man? maar was er dan ooit een jong, een mooi, een rijk weeuwtje, dat niet honderd vrijers had?”

„Breng de tilbury voor!” schreeuwde eene zware basstem; en de gestalte van een gezet heer, dien ge aan zijne kleur voor een’ Westindiër hadt gegroet, verscheen en verdween voor de geopende deuren der schutting. Huibert moest volgen.

„Och, dan vrees ik dat ik weinig kans zal hebben!” ontviel onzen heer uit de schuit, terwijl de schilder opsprong, en de snippers, die uit het raam waren gevallen, bijeenraapte, of het hem aan jusqu’icitjes faalde voor zijne lievelingsauteurs. „Als u mij de gelegenheid wilde verschaffen, de jufvrouw eens te spreken, ik ben maar krankbezoeker – ”

„Hoe jammer, dat zij niet de koorts heeft!” hernam de schalk, die gevonden had, wat hij zocht, en zijnen veldstoel zamensloeg, en zijn schetsboek onder den arm schoof. „Maar ik beloof u, ik zal mijn best doen,” en hij wipte de lage heining over, den tuin in, en stoof onzen stakker uit het gezigt, eer deze zeggen kon:

„Dank u, mijnheer.”

 III

Liefde op het eerste gezigt ia eene dichterlijke dweeperij, die in mijne nuchtere vertelling niet voegt; waarom zou ik dan aarzelen te zeggen, dat Huibert volle drie jaren met Machteld had omgegaan, eer wij hem aantreffen, verliefd als hij was, verliefd, schoon hij het u en mij in het gezicht zou hebben geloochend? Drie jaren, gedurende wier eerste helft de oude waard uit het Hof van Holland nog leefde, – het zou zeer romantisch,. maar ook zeer misdadig zijn geweest, als Huibert toen „door een’ nondlottigen hartetocht geblaakt was geworden” – de borst is er mij te liever om, dat hij er geen’ last van had. Drie jaren, gedurende wier laatste helft Machteld niet overbedroefd was geweest, wijl zij een’ zesenvijftiger had verloren, die gromde als een zevesenzeventiger; Machteld, die er in den rouw allerblankst had uitpzien; Machteld, die, na het afleggen van dezen, weder een meisje scheen. Hoe de arme Huib het opmerkte, tot vermagerens toe! Eer de bullebak een jaar dood was geweest, plaagden de jongens uit het dorp hem met de vraag: wie hunner hij tot speelnooten kiezen zou? Wèl wisten zij, dat de gedachtenis aan zijn’ ouden meester in zijn gemoed geen bezwaar achterliet;. ’s mans weldaden waren door zijne grofheden verre overtroffen. Doch wat bezat Huibert, die bij de scherts het hoofd achudde,, doch wie was Huib, die „niet waar” riep; – wat bezat, wat was hij, dat „het jonge, mooije, rijke weeuwtje,” hem nemen zou?

Och, dat geld!

Hij had niets, – hij was niets, – hem wachtte niets, – de wijde wereld stond hem open, het is waar, maar dat doet zij allen, en den meesten blijft ze eene leêgeruimte; kranke troost! Of toegestemd, dat hij elders fortuin hadde gemaakt, par miracle altoos, wie waarborgde hem, dat het weeuwtje wachten zou? Neen, leefde zijn arme, blinde vader niet! wat zou er worden van zijn zusje? Het waren zoovele voorwendsels, om te blijven, toen het nog tijd was geweest voor de vlugt; het werden zoovele valstrikken voor zijn hart. „Geen haar op mijn hoofd, dat er aan denkt, haar te vragen,” zocht hij zijner kennissen diets te maken, zoodra dezen de bruiloft te lang uitbleef, en zij wezen naar zijn’ scheen, – „geen haar op mijn hoofd, dat er aan denkt,” antwoordde hij den schilder, die in een oogenblik de verhouding tusschen Huibert en Machteld doorzag. En echter, . wie twijfelt er aan? echter besloot hij honderd malen bij zich zelven, de vreeselijke vraag te wagen, en kwam toch het woord uit het hart wel op, maar niet over de lippen; echter leed hij al de plagen, waarmeê de duivel der jaloerschheid slaat. Als een vermogend huisman uit de buurt een schalk praatje aan het buffet ondeugend rekte, dan was het hem, of de koorts zijn’ pols jagen deed. Weduwenaars, hij haatte er bij het dozijn! Hoe gaarne had hij het hoofd van het dorpsbestuur, trots burgemeestersbuik en ridderlintje, onlangs eene oorvijg gegeven, toen de snoeper Machteld in de wangen kneep, „louter uit joks,” zei de grinnikert.

Onze krankbezoeker – wij verloren den man onbarmhartig uit het oog – onze krankbezoeker was, na eene wijle vruchtelooze nasporingen, de gelagkamer maar weer ingesukkeld; Huibert stond achter het buffet; er moest iets worden besteld.

„Een sneeuwballetje, maat!”

En na de woorden, op de plaats door hem opgevangen, verwondert niemand er zich over, dat Huib het wolkje wel eens zoo gaarne had gezien, als er braakpoeder in het suikerpotje was geweest, al scheen het vreempjen nog vijf en veertig of vijftig jaar.

„Als ’t u belieft, mijnheer!” het kon den borst schier de keel niet uit.

De man roerde, en Huib staarde de eerste pauze.

„Hoe heet de heer, die daar voorbijrijdt, maat?” eindigde de krankbezoeker haar, hij erkende den schilder, die te paard denzelfden weg insloeg, door de tilbury – de tilbury met den schimmel had ik wel mogen zeggen, waarop de Westindiër zat en zijne nicht, het, handje, dat snippers wierp, – gekozen.

„’k Weet het niet, mijnheer!” loog Huib, en de leugen ging hem, tot zijnen lof zij het gezegd. maar stroef af.

Eene tweede pauze.

„De jufvrouw, maat,” haperde het vreempjen, „is ze uitgegaan?”

„Mogelijk, mijnheer,” zei Huib.

„Zou ze nog lang wegblijven, maat?”

„’k Weet het niet, mijnheer.”

De derde pauze.

„De jufvrouw, maat – ze is immers niet ongesteld?”

Huib deed, of hij het niet hoorde.

„Ik zou haar gaarne spreken.”

Huib werd beurtelings bleek en rood. Eene vlugge schrede kwam naar de gelagkamer toe. Zij was het. Verrassing, vreeze, vreugd, vielen om strijd op het gezigt des krankbezoekers te lezen, zoodra Machteld hem, half knikkende, half nijgende, groette; eindelijk zag hij de jufvrouw, vriendelijk sprak zij hem aan! Wat stond het mutsje haar lief, een weinig wereldsch als het was, door kwikjes en krullen. Wat sloot het eenvoudig, maar smetteloos kleedje volkomen om de dunne middel; een doekje, „een grendel van eerbaarheid,” dacht de man, verborg zediglijk haren poezelen hals, en toch viel de weelderige boezem – maar hij zette zijne opmerkingen voort, terwijl wij even naar Huibert omkijken. Onrust, gramschap, ijverzucht hadden hem beurtelings voor haar beeld aangezien. „Wat heeft zij den meelzak toe te lagchen?” zeide hij in zich zelven; „mooije tanden heeft ze, maar immers niet voor dien vent?” En toen zij daarop een praatje maakte over wind en weder, het onschuldigste ter wereld, en weldra nieuwsgierig werd, wat dat vreempjen buiten had gebragt – de man vertelde, dat hij geene ziel in het dorp kende, en wandelen, dat bleek, was zijne liefhebberij niet – en ze zich neêrzette op een stoel, om eene wijle te kouten, toen kostte het Huib moeite, zich in te houden, en niet te roepen:

„Machteld, die man komt om je geld en goed!”

Toch bleef Huib staan; toch beluisterde Huib hen. Het vreempjen vertelde, dat hij al zijn leven gewenscht had, op het land te wonen; dat hij zoo gaarne zou hebben gestudeerd; zoo gaarne –dorpspredikant zou zijn geworden, waren zijne brave ouders maar meer bemiddeld geweest. „Ik ben krankbezoeker,” zeide hij. Het maar bleef ditmaal uit; het zou op het gezigt van de jufvrouw te lezen zijn.

Machteld zag voor zich; Machteld keek eens uit; wat zou ze anders doen?

„ Als men op het land gelukkig getrouwd is,” hernam de man, een beetje stouter, „dan moet men een’ hemel op aarde hebben.”

De diepste aller zuchten bevestigde de innigheid der overtuiging, waarmede die woorden werden uitgebragt; – maar viel daar iets in het buffet? Huib bukte zich ten minste, om snel weder op te zien – het weeuwtje bloosde.

„Ik dacht, dat we alleen waren,” zei de krankbezoeker, verschrikt omziende; „maar waarom zou ik schroomen, het te zeggen? ik ben gelukkig getrouwd geweest; ik wou, dat ik het weêr was.”

„Waarlijk?” schertste Machteld.

Huibert stond op kolen.

„Huib, Huib!” riep een lief stemmetje uit den gang – het was dat van Hélène – „we zullen gaan roeijen, maar papa wil je eerst eens spreken over de boot, en hoe verre of Eindenhof van hier is; och, kom toch gaauw; al dat andere volk is zoo dom, zegt papa.”

O onwelkome lof! Huib drentelde, Huib draalde, maar al .apoelde hij glazen, en verschikte hij flesschen, die schoon waren en te regter plaatse stonden, eene seeonde vijf, zes, – hij moest wel gaan.

„Ha!” zuchtte de kraakbezoeker, als ware er een steen van zijn haft gewenteld, – „het togt hier, vrees ik,” – en hij sprong op, en deed de deur digt; „ha! – och jufvrouw!” en hij schoof zijn’ stoel bij dien, waarop Machteld plaats had genomen, „een oogenblik geduld!” Machteld zag vreemd op. „Den ganschen ochtend,” begon de man fluks weder, „den ganschen ochtend heb ik naar deze gelegenheid verlangd;” hij werd waarlijk bleeker dan bleek, als het mogelijk is, „en nu ben ik beteuterd; och dat was ik ook, toen ik mijn Pietje vroeg!” Machteld deinsde achteruit met haren stoel. „Schrik toch niet, lieve jufvrouw, ik meen het zoo goed,” en hij volgde intusschen met zijnen stoel dien van het weeuwtje, „och ik vlei mij, dat ge bij nadere kennismaking zien zult –”

„Mijnheer,” zei Machteld, opstaande, „wat beduidt –”

„Lieve jufvrouw, een oogenblik geduld!” bad de krankbezoeker; „het is waar, ik had zoo niet met de deur in het huis moeten vallen; maar och, als men eens zoo gelukkig getrouwd is geweest, als ik met mijn Pietje, – en als men dan weet, dat u ook niet ongeneigd is, weêr een wettig huwelijk aan te gaan –”

„De man is van zijne zinnen.” dacht Machteld, en hare wangen verschoten; – „och ware Huib maar hier!” wenschte ze in zich zelve, – en sloop al digter naar de deur, – en zocht de hand los te wringen, die het vreempjen in de zijne had gegrepen, toen zij opsprong.

„Ik had ook dat niet moeten zeggen; ik zie het wel; och, een oogenblik geduld, lieve jufvrouw! maar ik ben met mijn Pietje toch zoo gelukkig geweest, al kwam ze er, lang vóórons aanteekenen, al kwam ze er, toen we elkander eerst leerden kennen, rond voor uit, dat zij het eens was met de Schrift: „Het is niet goed, dat de mensch alleen zij.” U is wel verder gegaan; och, onze tijd gaat, ook in dat opzigt, hoe langer hoe verder, maar oneerbaars steekt er toch niets in –”

Machteld was de deur genaderd: „Laat los, man! of ik roep –”

„Een oogenblik geduld –” „Hola! he!” klok het uit den gang, ea de krankbezoeker zag het weeuivtje, hare hand loslatende, aan, als had hij vergiffenis af te bidden voor een’ moord. ~Beraad er u op!” fluisterde hij, „ik blijf tot van avond.” – „Hola! he!” klonk het andermaal, en een man van nog jeugdigen leeftijd, maar schraal van gezigt, en ploerterig van manieren, ligtte zijn’ hoed voor de vrouw des huizes, en vroeg, zonder den krankbezoeker op te merken, die onwillekeurig’ in den hoek dook:

„Als ik wel heb, dan ben ik hier te regt bij de weduwe W. –”

„Ik ben het zelve, mijnheer,” antwoordde Machteld.

„Het kon niet beter treffen, jufvrouw,” hernam de man, verbazend rad sprekende; „ik hoop, dat ik het pleizier heb, u wel te zien?” hij wachtte geen antwoord af, hij voer voort: „U heeft een stuk lands gekocht, digt bij het geesterboschje?” en op het knikken van het weeuwtje haalde hij een’ bundel papieren uit zijn’ rokzak te voorschijn. Een oogenblik snuffelens, en weêr ging het schier in denzelfdeu adem voort: „Als ik het wel heb, is het dit; ik ben zaakwaarnemer, en in dezen aangesteld door,” – en hij noemde den naam van den vorigen eigenaar der weide. „Als ik u een oogenblik alleen mogt spreken,” hij werd eindelijk den krankbezoeker gewaar. „Het zou, als ik het wel heb, een leelijk proces kunnen voorkomen –”

„Alleen?” vroeg Machteld, hem van het hoofd tot de voeten opnemende, onder den indruk der verrassing van zoo even.

„Ik ben praktizijn, jufvrouw.”

Het was eene aanmatiging – maar zij slaagde.

„Wees zoo goed mij te volgen, mijnheer,’ vroeg Machteld, „en in gindsche kamer te gaan, – een omzien, en ik ben bij u.”

„Breng het koopcontract mede, jufvrouw, als u het bij de hand heeft.”

IV

Wij leven in de eeuw der spoorwegen – dat wil zeggen, wij nakruipers zullen in ons landje. gelegenheid hebben over een paar kleine doodsbedaard te worden voortgestoomd, als men elders niet meer tevreden zal zijn, de grootste afstanden met driedubbele snelheid te vernietigen, als onze naburen vliegen zullen door de lucht. En toch, leve de diligence, – cabriolet of coupé – leve een gezelechap, dat niet onder het getal der gratiën blijft, hetgeen niet boven dat der muzen gaat – indien men u ten minste in geen bastaardrijtuig, in geen’ bijwagen duwt! Al deed men het, al maaktet ge met den voerman de onheilspellende dertien uit, ik wed, dat u uit de hossendste chars-à-bancs, uit de togtziekste speelwagens, gesprekken heugen, zoo als gij er nooit, neen. nooit hebt gevoerd, op dat hijgende – en welk een asthma! – op dat fluitende, – het is een duivelensein! – op dat schokkende, knarsende, trillende ding, hetgeen een trein heet, en waaraan ik de prettige kennis verschuldigd ben, wat duizeling in het hoofd en benaauwdheid om het hart zeggen wil. Gesprekken op sleepstang vaneen locomotief, wie denkt er aan? als hij den ganschen weg over vreesachtigen moet of hoort geruststellen, met de opmerking, dat er op spoorwegen stellig niet meer ongelukken gebeuren dan op chaussées! Voor mij, ik wantrouw de juistheid van deze, want alleen tal van malheurs en mishaps brengen zulk een onderwer aan de orde van den dag; even als wij bijvoorbeeld niet leerden, dat volksschuld volksrijkdom is, eer we bijster druk aan het leenen waren, bijster! Maar genoeg, maar te over, om mij te doodverwen voor een’ man van den achteruitgang. De diligence, die ik u wilde aankondigen, ziet ge toch al in het verschiet.

Ik mag de wolk van stof wel, waardoor zij de rust des landschaps afbreekt – van verre gezien altoos, en liefst bij zonneschijn; ik mag die rennende rossen, dat rollende rijtuig – in vrolijke vaart, eene studie voor een’ schilder; – ik mag ze om het leven, dat zij opwekken, in streek en in dorp. – Het was twee ure; de conducteur, die Wilhelmus blies, bleef er borg voor, en de boerenknapen uit de buurt sprongen en wipten over heining en hek, om een eindweegs ademloos mede te snellen, onder de hand over het hoofd tuimelende, of een der reizigers lust had, een vriendelijk gezigtje in een vrolijk te verkeeren – wat bedelhaters zeggen, ik grijp in mijn’ zak, als ik er zie – en de dames, aan de overzijde van den vloed in den koepel gezeten, legden den tapisserie-lap uit de hand, om de tooneelkijkers op te nemen, of ook iemand uit stad een middel tegen de verveling brengen zou – een enkele, de oudste, schelde om madera. – Het was twee ure; de conducteur stiet een paar malen in den hoorn, en in het dorp hadden spinnewiel en speelgoed een’ oogwenk rust; oud en jong keek de vensterruiten uit, of gluurde de gordijntjes langs; de smid zag op van zijn aanbeeld, de slager om uit zijn’ stal, de mooiste deerne, een uur in het ronde, lag over de onderdeur, een tableau vivant van het liedje van Beets. Het was twee ure, en tal van tafeltjes stond buiten voor het Hof van Holland, en allerlei logés zaten er om heen, wijn en water drinkende – Rijnsche en Fachinger voor mij, als ge wilt – likeuren leppende – maar als schrijven hielp, dan was het matigheidsgenootschap al lang overbodig, – en Huibert verbeidde de diligence aan de deur.

Op hield het rijtuig; neêr ging de trede, en twee heeren stapten af. De eerste valt spoedig te schetsen. Hij was een tiendaagsche in burgerkleeding – wat het kruis hem ook in de jaren, dat hij het droeg, gebragt had, een welvarend uiterlijk bragt hij niet mee. Zijn olijfkleurig jasje had zomer uit, zomer in, dienst gedaan. Zijn hoed was de uniform van een vorig saizoen; de sous-pieds had hij afgeschaft, sedert hij naar geene conquêtes meer streefde, door middel van een pantalon collant. Vlugheid, liever buigzaamheid van ledematen, een groet, die noch lomp, noch laag was, iets koens in den gang, ziet daar wat hij had overgehouden van den krijgsman – de ongezonde kleur zijner wangen, paarsheid en puisten willen wij op rekening stellen zijner individualiteit. Hij had in de gelagkamer zijn toilet gemaakt; hij zat aan een tafeltje; hij riep:

„Jan, een glas bitter!”

Daar zat hij; waar bleef zijn reisgenoot? Gij zoudt het niet gevraagd hebben, als ge tot de logés hadt behoord. Allen hadden zijn gebloemd vest, zijne lichtkleurige zomerbroek en zijnen groenen rok met fantasie-knoopen, allen hadden die van voren en van achteren, en aan beide zijden gezien, tot verzadigens toe.

Luister een oogenblik aan het tafeltje van No. 7. De podagreuze papa en de meisjes zijn te huis gekomen van de roeipartij. Welk eene pret! Papa verklaart, „dat hij lisch en kroos, en water en wind veel liever ziet op een schilderijtje in zijn kabinet, dan in natura!” En de meisjes? Ach, zie de arme Hélène eens aan! Hoog van kleur, al heette het zoo frisch op den stroom, slordig van kapsel, al krulde geen zuchtje de golven, is haar beau jour voorbij. En echter lacht ze, schalke als zij is, daar zij den nieuwaangekomene met den gewaanden voorzanger in, gedachten vergelijkt. Het stappen van den laatste was sluipen, in tegenstelling van het schrijden van den eerste:

„Een alias voor dat heer,” fluisterde zij haar zusje in; „wat dunkt u van mijnheer Paauw?”

Of de jonkman het hoorde, weet ik niet, maar Hélène zag voor zich bij den blik, dien hij toevallig op haar wierp.

„Heb je ooit vreemder oogen gezien?” vroeg haar zusje, dat we, zonder verdere navraag, maar geëngageerd achten met een tweeden luitenant. „Zij knipten, of het licht hun zeer deed.”

Hélène mogt kijken, het baatte haar niet. Mijnheer Paauw was naar binnen gegaan, om daar fluks eene oude kennis te ontmoeten.

Bonsoer, lamie! Kerkuil, als je bent, wat doe jij hier?”

De aangesprokene was niemand anders, dan – maar een krankbezoeker.

„Och, Tronkje!” antwoordde de man, „wat zou ik hier doen, dan een beetje vrije lucht seheppen?”

„Hooge goôn!” schaterde alias Paauw, „en dat in eene donkere gelagkamer? Het is of je zei, dat Tékéhli een luchtje schept, als hij in de meelton kruipt. Kom mee, naar buiten, vader, met mij aan een tafeltje, sSean qui pleurre en sJean quiri.”

En de man liet zich meetroonen; en, even of er sympathie was tusschen de reisgenooten, koos mijnheer Tronk een tafeltje, geene vijf voet af van dat, waar de tiendaagsche had plaats genomen. Het eene was het uiterste, het andere het alleruiterste aan de zijde van stalling en schuur. „Opgebiecht, zwarte ziel, opgebiecht!” zoo als Robbert zegt, in de Struikroovers,” begon de jonkman weder, – „en pesant, wat drinkje? een sneeuwballetje, goed! ik hou mij aan absent,” en hij bestelde Huibert beide. – „ „Opgebiecht!” Ben je niet hier om die annonse van het adres-kantoor? O bezondig je maar niet aan eene leugen – ik zie het al. Hooge goôn! hoe luidt uit den Huchelaar die regel ook? ik zou ’t wel weten, als ik maar eens Tartuffe had mogen spelen – maar jou olijkert! kijk, met dat vrome gezigt....”

„Och, Tronk, je weet, dat ik je wel lijden mag: je vader en ik, we hebben in één steeg gewoond, we waren zoo wat vogeltjes van één veeren –”

„En dat zijn we nog, man, op de kleur na, – allebei verbeteren we de lui; ik wat plesanter dan jij, dat is al het verschil –”

„Of je dat spotten laten woudt!” zei maar een krankbezoeker, het hoofd schuddende.

„Onder ééne voorwaarde, vader, éene voorwaarde sine kwa! Zeg eens, gezien? dat heb je haar – maar gesproken ook? – Wat zucht je zoo diep? zeg, zeg, is ze „blond als Phoebus goud?”’ Of heeft ze „oogen enkel vier?” Toe, ik heb je zoo menigmaal een vrijkaartje bezorgd, uit wat stuk lijkt ze zoo wat? Een boerinnetje, als uit „Kloris en Roosje? Vader, ik zou zoo’n groene bruigom zijn !”

„Jan!” riep de tiendaagsche zoo luid, dat maar een krankbezoeker verschrikt omzag.

Huib stond achter hem – en de man wachtte met zijne inlichtingen aan Tronkje, tot Huib zou zijn vertrokken.

„Jan, is hier table-d’hôte?” vroeg de tiendaagsche.

„Neen, mijnheer,” zei Huibert, „er wordt wel in de gelagkamer gedekt, maar dat is....”

„Ik begrijp je,” viel de tiendaagsche in. „Om vier uren zorg je, dat ik eten heb, op eene kamer aan den weg;” en op zachteren toon beet hij er Huibert bij in het oor, op Tronk en op den krankbezoeker ziende: „Ik ben je zegsman niet, maar houd een oog op dat paar, ’t is vreemd volkje.”

„Dat doe ik, mijnheer,” hernam Huib.

En weder lag dezelfde vraag, hoe het weeuwtje er toch uitzag ”weder lag zij den groenrok met fantasie-knoopen op de lippen. Doch de krankbezoeker ontstelde zigtbaar; het sneeuwballetje beefde hem in de hand.

„Dáár” zei hij, en wees met den vinger den weg op, „dáár, –”

„Wat deert je, man? wordt je kwalijk?” vroeg Tronkje.

„Daar komt ze, daar komt ze zelve!”

„O wat een engeltje!” borst de jonkman uit, en had het naauwelijks gezegd, of sprong van zijn stoeltje op, beende over den paalketting heen, vloog met arlequinen-wippers ons weeuwtje te gemoet, sprak haar onder de sierlijkste strijkaadjes aan, en gaf een omzien later den brui van buiging, beleefdheid en bewondering, ten einde zijn lijf te bergen. Eene drift ossen kwam achter Machteld den weg op; de voorste, de lakensche, was wild.

Geene seconde verliep, daar werden ook de logés het beurtelings kringrennend en voortschietend dier gewaar, en hals over hoofd stoven allen, glazen, flesschen, stoelen omverwerpende, het Hof van Holland in. Het was vreemd: geen enkel nufje viel flaauw, eer zij binnenskamers waren, maar toen ook hadt ge allerinteressantste-posities, meen ik Het was vreemder: èn tiendaagsche èn krankbezoeker hadden het weeuwtje zien aankomen – noch de moed, noch de min bekommerden. zich over haar. Beide waren naar binnen gevlugt. Den derden toekijker was het bloed naar het hoofd gestegen, bij de bespiede aanspraak des tooneelspelers, die nog nooit Tartufe gaf; een derde toekijker was, zoodra hij het gevaar gewaar werd, door den drom van huiswaarts vlugtende gasten heengestoven. Hij had den podagreuzen papa van Hélène op den regterteen getrapt, terwijl hij Pier douairière van den staatsraad van No. 7 den foulard van de schouders rukte; hij had verwensching geacht, noch verbazing gehoord; hij was toegesneld; en nu hield hij het geblinddoekte, maar achteruitslaande dier bij de horens. Wie vraagt, wie die derde was; wie noemt niet Huib?

De moedigste onder de heeren waagden zich weder aan de vensters; de dames vernamen in haar bad van geuren, dat het verschrikte beest gegrepen was. „Kom hier! – en zie toch!” riepen de eerste de laatste om strijd toe. En wat was er te zien? – Een schaterend gelach ging op, – waarover dan toch? – Mijnheer Tronk, die door den schrik niet opmerkte, dat zijne lichtkleurige zomerbroek in aanraking was geweest met het vochtige oevergras, zijne schuilplaats bij het soofe qui peu; mijnheer Tronk, wiens oogen, door het lamplicht des tooneels verzwakt, wel gasten voor de vensters zagen, maar de spotzucht van deze noch gewaar werden, noch vermoedden; Tronkje leidde onze vervaarde, verlegene Machteld szapo ba huiswaarts, als ware hij de held van het stuk geweest, als verwachtte hij, dat het lauwerkransen regenen zou.

 

V

„Mieke, Mieke!” fluisterde de tiendaagsche.

De deern zag niet om.

„Ik dacht waarachtig, dat ik nog in Noord-Braband was,” mompelde hij, en hernam zachtkens: „Truitje, Truitje!”

Maar zij gaf even weinig gehoor; zij bleef bessen plukken. „Hoe duivel zou zij heeten?” bromde de tiendaagsche in het boschje achter de huzinge van het Hof van Holland, en beproefde tour à tour: „Elze, – Maaike, – Leentje, – Doortje, – Grietje, – Coosje!”

Alles vergeefs.

Wat middel schoot er over, om de opmerkzaamheid van het meisje tot zich te trekken, zonder dat de tooneelspeler, die toilet maakte bij de pomp, het zag? Hij waagde een hagchelijk: hij wierp zijne sigaar in de bessenboomen, of het gemunt was op hare muts. Hij slaagde; de deerne zag op.

„Zoet kind! fluisterde hij.

„Daar hooren we allen naar,” was het antwoord, terwijl ze digter tot hem kwam, ophoudende met plukken, „ik heet Geerte, mijnheer!”

„Geerte-lief, luister eens!” zei de tiendaagache. „Pluk onder de hand maar voort,” voegde bij er bij. „Ga je nu weêr op het huis af?’ gromde de dappere, naar de pomp ziende. „Ik wil niet dat die malle zomerbroek ons merkt.” En beide deinsden achteruit.

„Hier is ’t van pas, lief kind!”

„Maar hier paat het mij niet,” zeide ze, en weerde zijne hand van hare wangen af.

„Mooije meisjes zijn altijd preutsch,” vleide de tiendaagsche

„Preutsche meisjes blijven langst mooi, – tot ziens, hoor!”

En plukkende kwam zij der pomp al digter.

Geertes goede geest was met haar „Geerte! Geerte!” werd er geroepen, van de plaats; „Geerte, daar is de heer van straks!”

„Ik kom al, ik kom,” en een omzien later stoof zij den gang in, en zette de mand ter zijde, om naar de kamer harer meesteres te gaan.

„Als zij niet om Huib heeft geschreid, dan had die tuindief wat goeds in ’t zin,” dacht de deerne, binnenkomende, maar wachtte zich wel Machteld te zeggen, dat hare oogen nog glinsterden van vocht. „Jufvrouw,” zei ze, „daar is die mijnheer.” –

„Als afgesproken is, Geerte. Jij gaat in de alkoof, en zoo ik het sein geef, dan weet je wien je te roepen hebt.”

„Huibje!” schertste de vertrouwelinge, en ging heen en kwam weêr, vergezeld door mijnheer van straks.

„O kom binnen,” zei Machteld. En indien gij, lezer, er u over verbaast, dat ik u eerst thans weder den zaakwaarnemer, voorstel, dan doet ge in beleid onder voor het weeuwtje uit het, Hof van Holland, dat slechts een oogenblik nadenkens behoefde om den eersten indringer den besten geen koopcontract te laten, zien. Boerinnetje als ze was, wantrouwde zij alle mannen van den pleitzak, haren notaris uitgezonderd, dien ze raad was wezen vragen, toen wij haar zoo even naar huis zagen terugkeeren. Of hij haar tegen den ongedoceerden practizijn waarschuwde:? Geerte, door de deur in den gang de alcove ingegaan, geve u het antwoord.

Intusschen had de man plaats genomen. Als ge weten wilt, hoe hij er uitzag, dan hebt ge maar les Animaux peints par eux-mêmes op te slaan. Liever verwees ik u naar een Hollandsch boek; maar schoon wij, schrijvers, schier allen nadoen, onze schilders en schetsers zijn zoo vlug niet. Sla daarom les Animaux op, en zoo ge er een konijn en frac in aantreft, dan hebt ge onzen zaakwaarnemer voor u, minus zijne ploertigheid. Die is inheemsch.

„U sprak van ochtend van een proces, mijnheer!” begon Machteld, vrouwelijk voortvarende.

„En van een contract, jufvrouw,” antwoordde hij, wonderwel van den tongriem gesneden, dat hij boven konijnen vooruit had. „Het schikte je straks niet mij te spreken, ik was mij zelven te leep af geweest, als ik het wêl heb – ”

„Wat belieft u, mijnheer?” vroeg het weeuwtje.

„Beschouw die zaak als ware ze van de rol geschrapt, jufvrouw!” – en hij lachte zijner toehoorderes toe, of ook zij den technieken term begreep. „Je bent thans zoo goed mij binnen te laten, – vergeef mij het voorwendsel, dat ik gebruikte –”

„Hoe, mijnheer,” zei Machteld, „het proces?”

„Er is tusschen ons geene sprake van proces, jufvrouw!”

„Het contract”? voer het weeuwtje, vragende, voort.

„Daar zal sprake van zijn, hoop ik, en meer dan sprake –”

„Maar wat wil u dan toch? De wei bij het – geesterboschje?”

„Was louter een à propostje, jufvrouw! Liefde zoekt list, zegt het spreekwoord.”

Machteld’s verbazing was sprekender dan alle spreekwoorden, en een oogenblik stuitte zij des zaakwaarnemera radden ratel – een oogenblik maar.

„Het huwelijk, jufvrouw –”

„Liefde, – huwelijk – voor wie? – met wie?”

„We zullen er van zelfs aan toekomen, als je me laat uitspreken, jufvrouw! –” wat zou Machteld anders doen dan luisteren? – „Het huwelijk is het gewigtigste van alle verdragen, het gevaarlijkste in de gevolgen.” – Machteld aarzelde het sein te geven; Huib was de gekste getuige, dien zij roepen kon. – „Het veruitziendste, want het beslist over het tegenwoordig en het toekomend geslacht” – en hij haalde een boeksken te voorschijn, dat op snede de kleuren van den regenboog droeg. – „Daarom hedt de wetgever wijsselijk bepaald” – Machteld vleide zich, dat Geerte, indien zij al luisterde, er geen woord van begrijpen zoude – „dat de verstandigste in alle opzigten de baas zou zijn. Artikel....” – en hii snuffelde in het Burgerlijk Wetboek, als was hij er niet in tehuis – „Art. 158, – neen, dat doet minder ter zake, Art. 159 – dat is van later zorg, Art. 160 – daar hebben wij het: „De man ie het hoofd der echtvereeniging.”

„Sarah noemde haren man Heere,” zuchtte Machteld onwille keurig het formulier over, dat zij gedurende haar huwelijk zoo dikwijls had herlezen.

„De bijbel en de wet, twee autoriteiten, die het op dit punt eens zijn, jufvrouw! Maar de wetgever gaat nog verder: Art. 179 luidt: De man alleen beheert de goederen der gemeenschap. Het is veel, maar het blijft er niet bij: Hij kan dezelve verkoopen, vervreemden en bezwaren, zonder tusschenkomst van de vrouw – tot zoo verre. En daarom is niets natuurlijker, dan dat vader of voogd, of vrouw zelve, vóór het aangaan van zulk een verdrag verlangend zijn te onderzoeken, wie hij is, wat hij heeft, wat hij doet, wien ze, in meergemelde eigenschap van vader, voogd of vrouw, dus hunne zuster, hunne pupil of haren eigen’ persoon zullen toevertrouwen. Een groot vertrouwen, als ik het wel heb; maar laat mij voortgaan. Aangezien er nu, voor zoo verre ik weet, geene zwarigheden tegen deze echtverbindtenis zijn, Art. 86, inhoudende: Een jong man, den vollen ouderdom van achttien,en eene jonge dochter, den vollen ouderdom van zestien jaren niet bereikt hebbende, mogen geen huwelijk aangaan, Art. 86, zeg ik, is in het onderhavige geval niet te vreezen; partijen hebben den vollen leeftijd bereikt, als ik het wel heb; – men mag anders eene vrouw niet tauxeren, – maar van ’s konings dispensatie kan dus hier geene sprake zijn, terwijl ik van mijne zijde gaarne borg blijf, dat Art. 84: De man kan te gelijker tijd slechts met ééne vrouw –”

Stom – als een visch hield hij op – en waarom? dewijl Machteld hem in de rede viel? dewijl Machteld het afgesproken sein gaf? Neen en nogmaals neen; het eerste zou haar onmogelijk geweest zijn; er was geene speld tusschen te krijgen. Verbaasd had ze zitten luisteren naar den woordenregen, waarvan ge u kwalijk een denkbeeld hadt kunnen vormen, ware ik voortgegaan dien vlaagswijze te onderscheppen; verbaasd was ze blijven toezien naar het omslaan der veelkleurige blaadjes van Noman’s uitgave onxer wetten, voor welke het beeld der Iris mij bevalt, om haren wisselzin – tot de deuren der alcove kraakten, tot ze opensprongen en Geerte binnenkwam, om uit te roepen:

„Luistervinken deugen niet!”

Om het uit te roepen, zeg ik, terwijl Machteld en de zaakwaarnemer opsprongen van hunne stoelen. „Wat is er?” vroeg het weeuwtje. „Heb ik ooit!” zei de konijn en frac, maar de deerne was de kamer al uit; maar de deerne was den gang al in, mijnheer Tronk na, die haar tot in de duisternisse had vervolgd – om te weten, wat de tiendaagsche van haar verlangd had.

Een oogenblik van wederzijdsche verrassing – het was voor een beeldhouwer goud waardig geweest.

„Die meid loopt met molentjes,” verontschuldigde Machteld zich.

„Een huishouden zonder hoofd,” zeî de zaakwaarnemer.

„Mijnheer,” hervatte het weeuwtje, geraakt; „u heeft zich onder een voorwendsel bij mij ingedrongen; u heeft mij eene verhandeling over de wet gehouden (of er een Nut was op het dorp?): – als ik er iets van begrepen heb, dan sprak u over een huwelijk; mag ik vragen van wie?”

„Van wie, jufvrouw? van u en mij, als ik het wèl heb. Ik zou u gezegd hebben, dat ik bereid ben u in de gelegenheid te stellen, onderzoek te doen, als ik niet eerst afgedwaald en toen gestoord ware, als –”

„Dwaal niet meer af, mijnheer; u mogt weêr worden gestoord. Mijne toestemming wordt tot dat huwelijk vereischt, geloof ik f?”

„Voorzeker, jufvrouw, voorzeker; art. 85 zegt het uitdrukkelijk: Tot het wezen van het huwelijk wordt de vrije toestemming –”

„Al genoeg, mijnheer. Ik geef de mijne niet.”

„En waarom niet? als ik vragen mag. Schulden heb ik niet, zaken in overvloed; mijne familie kan navraag velen; mijn persoon is volstrekt niet onbillijk, als ik het wèl heb. We zijn in alle opzigten passende porturen – waarom niet” –

„Als ik weêr trouw,” zei Machteld, „dan zal ’t geen koopcontract wezen, dat beloof ik.”

„Het spijt me, dat ik de zaak voort in het licht heb gesteld, waarin ik haar zie,” zei de zaakwaarnemer; „opregtheid is toch nergens nut toe. Het zij verre, dat ik daarom zou wanhopen, je te overtuigen, dat de wet het gewigtigste, het gevaarlijkste, het veruitziendste aller verdragen –”

Afdwalen mogt de man – gestoord zou hij worden. Voetstappen en vloeken deden zich om strijd in den gang hooren; de heer uit de tilbury met den mooijen schimmel kwam de kamer in. „Om – Godswil – een glas – water,” stiet hij uit, terwijl hij op den eersten stoel den besten neêrviel. Hij beefde als een geraakte.

Machteld zelve reikte het hem; in éénen teug dronk hij het leêg. „Hadde ik mijne slaven, hadde ik mijne zweep maar hier!” wenschte de Westindiër.

„Mijnheer?” vroeg Machteld.

„Migne nicht, jufvrouw, mijne nicht – is geschaakt, – laat de policie, laat een praktizijn roepen!” –

„Het hoeft niet, hier is er een, als ik het wèl heb,” viel de zaakwaarnemer in.

„Naar mijne kamer dan,” zei de heer uit de tilbury; „Hadde, ik mijne slaven, hadde ik mijne zweep maar hier!”

VI

Het Hof van Holland, dien dag aan allerlei verwarring ter prooi, het Hof van Holland zoude èn bij Hélène’s podagreuzen papa op No. 7, èn bij de douairière van den staatsraad op No. 6, in ongenade gevallen zijn, ware Machteld er niet voor behoed – door haren kok. Jong als ik was, oud als ik worde, heb ik allerlei miskende geniën gezien: knapen, wien een prijs was ontgaan; – studenten, wien een examen te zwaar viel; – mannen.... doch de werkelijke wereld vloeit er van over: knappe kooplieden, zonder crediet; knappe doctoren, zonder praktijk; knappe knipruggen, zonder ambt; verhandelaars, die geen publiek hadden; uitvinders, wien het octrooi niet baatte; dichters, die geen ridderorde kregen; en zonder een greintje verbeelding, voegt ge uwe tienduizenden bij mijne duizend. Maar is er onder die allen een enkele, welke in miskenning, welke in verdiensten halen mag bij uw’ Vate1, of zijne remplaçante? Viel het u in, hem of haar regt te doen? Waart ge er getuige van, dat uw gastheer het deed? Of hebt ge ooit gehoord – een voorbeeld uit de groote wereld – of hebt gij ooit gehoord, dat eenig inspecteur, eenig president, eenig minister – het toongevend Frankrijk geeft ook de titels, – dat een van deze aan zijne gasten den toovenaar voorstelde, die hen allen in gedienstige geesten herschiep, smerige Jan met zijn’ vaderlief en zijn evatje? Of hebt gij – een voorbeeld uit het dagelijksche leven – of hebt gij – maar waartoe vraag ik het? – Onze krankbezoeker en onze tooneelspeler zitten in de gelagkamer aan tafel, „vive la chère, vive le vin!” Waar bleef de verslagenheid van den eenen, waar bleef de verstoordheid van den anderen, geboren uit dezelfde oorzaak, dewijl het weeuwtje geweigerd had, beide weder te zien? Waar zijn ze gevaren? In de leêgte van dien langhals, welke op ’t lest loopt; in de holten van die hoenders; in.... Och, lezer, plaats de ziel waar ge wilt, in de ruggegraat, of in de hersenkas, maar stem toe, dat zij bij wijlen uitstapjes doet naar de maag.

Het was hunne tweede of hunne derde flesch; genoeg, de zooveelste, dat het oude in vino veritas werd bewaarheid. Maar een krankbezoeker verviel in het gemoedelijke, terwijl mijnheer Tronk tot het opgewondene oversloeg.

„Vadertje,” zei de leste, „vadertje, al houdt mijne Dulcinea zich vandaag schuil, ik zal voor Don Quisjot in het aanhouden niet onderdoen; maar kom nu eens bloot, man! Hoe kwam jij er toe? Pénélopé had wel honderd vrijers, doch een figuur als de jouwe was er onder de honderd niet..... Alles in het welnemen, vadertje; ik heb geen konkurrensie te schromen; ik verschijn nooit op de planken, of ik zie, dat ik in de logies pleizier doe; al de lorgnetten vliegen naar mijn’ kant. Maar jij .....”

„Och, Tronkje, wat zal ik je zeggen? Verkeerd was het van mij; maar ook altoos aan sterfbedden te staan; maar geene.versnapering te hebben, dan de giften en gaven van weeuw en wees.”

En de waterlanders waren op weg.

„Drink eene, vader,” zei de tooneelspeler, terwijl hij hem een boordevolletje inschonk; „drink eens, en zet die viezevazen uit het hoofd. Je leert de jonge lui immers ook hun belijdenis? Je hebt ze mij wel geleerd.”

„En ’t is wonder, dat je er door bent gekomen, Tronk; wonder. Er zijn me laatst nog twee jongens en een meid weeromgestuurd, die er meer van wisten dan jij. Zie, als ik verkeerd heb gedaan, om hier te komen, als ik in de verzoeking van een jong vrouwtje en een goed leven bezweken ben, dat verdrietige leeren heeft er mij meê in geleid. Eerst pomp ik het den stommelingen in, wat ben je me; en dan krijg ik nog eene schrobbering van dominé, als ’t er bezijden is geloopen.”

„Stoor jij je daar aan, vader? Drink eens, man!” zei de tooneelspeler; „dat doe ik altijd, als ik er in den Spèktator heb langs gehad; iedere geeseling kost me een glaasje absent, maar mijn maag is ook nooit zoo goed geweest. Jongen, ik verlang zoo naar het dissert.”

„Och, het is bij jou: jong hartje treur niet,” zei maar een krankbezoeker; „zoo was het ook met mij, in de dagen, toen ik mijn Pietje had; ons mesje sneed dubbel, weet je, zij was besteedster.”

„En menig knappe besteedster ziet nog naar jou uit, vader, al is ’t weeuwtje uit het Hof van Holland eene partij voor mijns gelijken, – klink er eens met mij op! Alle zomers zul je hier een maand vrij logiee hebben. Wie weet of je met der tijd mijn kinderen nog niet leert? A fous! Grooten dorst!”

De glazen werden opgeheven – maar van het klinken kwamniet. En echter zou Huib geen beletsel geweest zijn, schoon hij binnentrad, om voor nog eenen gast te dekken. Het was de vierde en geenszins de derde man, die den tooneelspeler den doodsangst op het lijf joeg; het was de konijn en frac. Hij had, sedert wij hem het laatst zagen, den Westindiër naar zijne kamer vergezeld; hij had ’s mans jammerklagt over de onverklaarbare verdwijning zijner nicht ten einde aangehoord; welk gesprek was er gevoerd! „Hadde ik mijne slaven; hadde ik mijne zweep maar hier!” Nichtje was bloemen gaan plukken, nichtje was oom te lang weggebleven, nichtje was zoek geweest, „hadde ik mijne zweep, hadde ik mijne slaven maar!” – „ „Wacht wat, mijnheer!” hadden de lui uit het naburige dorp gezegd, werwaarts zij gereden waren, werwaarts de schilder hen was gevolgd; „ „wacht wat, het sterrenbosch is zoo groot; de juffer kan ligt verdwaald zijn.” ” En hij had gewacht vijf minuten, tien minuten, vijftien minuten, een half uur, een uur, neen, geen uur, dat had hij zijn leven nog niet gewacht, in de West altoos. En toen daarop de zaakwaarnemer, als ik het wèl heb, had toegegeven hoe weinig twijfel het leed, dat de schilder het nichtje had geschaakt – er lag een minnebriefje in haar trumeau; er lag een portret in hare toilet-doos – maar tevens van de noodzakelijkheid had gesproken, om de schuldigen te grijpen, eer men die straffen kon, en van het moeijelijke van het leste, toen waren er variatiën gevolgd, waaruit het thema telkens te hooren was. Eene wareld als die der plantaadjes, dat was de ware! Geen buurman zou de vlugtelingen geherbergd hebben; nergens waren ze veilig geweest; de slaven en zweep, o Suriname! „God zij gedankt,” was de oude geëindigd, „dat we daar nog verschoond bleven van alle vervloekte verlichting; mijn leven lang zullen de negers wel slaven blijven; hadde ik mijn nichtje maar weer, binnen acht dagen was ze met mij ingescheept.” En boden waren uitgezonden en brieven geschreven, en de zaakwaarnemer had eenen wenk gegeven, dat oom misschien beter had gedaan nog een beetje te wachten. „Hadde ik mijne slaven, hadde ik mijne zweep maar hier!” bulderde hij, „wachten, mijnheer? wel wist zij, dat ik niet wachten kon; dat de post brieven brengen zou, die ik beantwoorden moet; daar leggen zij, en ik ga schrijven; zaken wachten niet.”

Op reces gescheiden, was het konijn en frac de gelagkamer ingekomen. Tronk schrikte, zeide ik; Tronk zag, dat het te laat was, om ongezien de deur te winnen; Tronk sprong naar het raam en zag de glazen uit.

Ach, zijn groene rok met fantasieknoopen; ach, zijne lichtkleurige zomerbroek, dat ze in de stemmige plunje van maar een krankbezoeker waren verkeerd! Huib dekte, Huib stortte het zoutvat om, Huib zag niet, wat hij deed, – want de zaakwaataemer sloop naar het raam, als kon zijne prooi hem door de glazen ontsnappen. Eerst eene schrede, en een blik regts; toen eene schrede, en een blik links, – als ik het wèl heb, had het ditmaal wel. Hij stapte toe, terwijl de tooneelspeler het raam zocht op te schuiven; – hij wilde hem in de kraag vatten; hij tikte hem op den schouder.

„Hoor eens, Tronk!”

„Wel, amiee?” zei deze, omziende met eene mimiek, eener betere zaak waardig.

„Kort en goed,” sprak de zaakwaarnemer, „je vertrekt op staanden voet, of je gaat morgen naar de gijzeling. Er is geen, gekscheren met me.”

Maar een krankbezoeker sprong op uit zijne mijmering; Huib wist niet, of hij waakte of droomde.

„Jan, mijne rekening!” riep Tronk. Hij had gekozen. „Wanneerkomt de eerste schuit voorbij?” „Over vijf minuten, mijnheer.”

„Aanleggen voor mij, Jan.” – Tot den zaakwaarnemer: Smakelijk eten, amice.” Tot den krankbezoeker: „Al’avantasie, vader.” En exit. Eene stilte, slechts door vork en mes van het konijntje en frac gestoord.

„Geen nageregt voor mij, maat,” zei de eenzaam overgeblevene vriend van Tronk; „ik ben ’t niet gewend.”

Vijf minuten verliepen, en de tooneelspeler stapte de schuit in: en de weeuwenaar van Pietje greep moed, om opheldering te vragen. Doch daar werd ook hij naar het venster gelokt; daar stond ook hij aan het raam. Een jongeling leidde eenen vurigen klepper bij den teugel, een schoon jongeling, die op-, die omzag naar den lieven last, door het dier gedragen: eene dartele bruinoogige, „louter leven en lust!” Sjr! zei de karwats in hare kleine hand, en het ros wilde steigeren, maar kromde slechts den manenrijken hals, maar stond op de stem des jongelings stil. Wist zij dan niet, de wilde met den wuivenden hoed, wist zij dan niet, dat de heerenzadel geene rugleuning had, die zij, zijdelings zittende, hij den minsten schok behoeven zou; wist zij dan niet.... maar Creole als ze scheen, Westindische als ze was, bleken inval en uitvoeren voor haar hetzelfde, was gevaar haar genot! Stil stond de klepper, schreef ik, en als in den riddertijd boog de jongeling de knie; de schoone wipte af. Maar een krankbezoeker had fluks in den eersten den schilder herkend. Oom had zijn nichtje weêrom.

VII

„Huib!” riep de schilder, „Huib!” Een der knechts was toeschoten om het rijpaard naar stal te brengen. „Huibert!” riep hij, „Huib!” – de Westindiër had hem de deur voor den neus. digtgeslagen, had hem met de zweep gedreigd! Opheldering wilde hij en „Huib!” riep hij, riep het in den gang en in de gelagkamer, eerst beneden en toen boven in het huis, tot Hélène’s podagreuze papa en de douairière van den staatsraad er in beider siësta door werden gestoord, tot Huib het op de kamer van den tiendaagsche ook wel hooren moest, en des ondanks niet kwam; waarom vraagt ge, waarom? Stokstijf, als aan deu grond vastgenageld, stond Huibert den tiendaagsche aan te zien. Het bekende vertrek, door den ouden waard onder den eersten indruk der gebeurtenissen van 1830 en 1831 „voor officieren gestoffeerd,” dat vertrek draaide met al zijne sieraden om hem heen. Chasé, Koopman, de platen, naar Eeckhout’s schilderijen gegraveerd, Antwerpen en Bautersem, smartelijke herinneringen voor den tiendaagsche, die sedert dien tijd twaalf ambachten en dertien ongelukken leerde kennen, tot koopmannetje spelen in steenkolen en in sigaren toe – Bautersem, Antwerpen, alles zwirrelde en zwarrelde Huib voor de oogen. Slechts de tiendaagsche bleef zitten, waar hij zat, zeggende: „Het is zoo.” Er scheen iets duivelsch in die woorden te schuilen. Huib schaterde, Huib schreide, Huib stoof de kamer uit, arme Huib!

„Jufvrouw!”

Machteld zat alleen, toen hij binnentrad; Machteld mijmerde, indien een boerinnetje mijmeren mag.

Verschrikt ten minste sloeg zij de oogen op, maar verschrikte wel anders, toen zij den jongeling gewaar werd.

„God! wat deert je?” zei haar hart.

„Mij niets, maar vertrekken moet ik,” hernam hij, dof, atroef, krampachtig.

„Vertrekken? waarom? wie zegt dat?” borat zij uit.

„Wie het zegt?” vroeg Huibert, „wie het zegt? – het gansche huis, – de heeren, die hier aten, – de heer, die eene fijne flesch eischte, en ik zeg het als zij.”

„Huibert,” hernam Machteld – de beide dwazen, maar een krankbezoeker en de zaakwaarnemer als ik het wèl heb, kwamen haar voor den geest – „Huibert, je bent van je zinnen, bedaar – en zeg mij waarom?”

„Waarom?” en zigtbaar worstelden in Huib wantrouwen en weemoed. „Waarom?” en hij schaterde en hij schreide weer.

„Waarom?” herhaalde Machteld, dringend.

„Och, ik kan ’t je niet zeggen,” antwoordde hij; „ik heb er je te lief voor gehad,” voer hij innig voort, „er is toch niet meer aan verbeurd, dat je ’t weet.”

„Huibert,” zei Machteld, „wij kenaen elkaâr drie jaren; ik had nooit over je te klagen; ik weet niet, dat ik er je ooit reden toe gaf, maar zoo waar als ik meesteresse ben in dit huis, ik wil weten waarom?”

Huibert waagde het op te zien. Sedert zijne onwillekeurige bekentenis, was zijn blik ter aarde gevest geweest; Machtelds wangen,. Machtelda lippen waren wit. „Waarom?” vroeg hij op zijne beurt. Neen, hij kon haar niet blijven aanzien, als hij ’t haar zeggen zou. „Waarom? om een advertentie in de courant –”

„Voor jou?” viel Machteld in.

„Voor mij?” antwoordde Huibert, schier schamper, „voor mij? stonden er alle dagen honderd in, ik zou er geen briefje op hebben geschreven. De tijd, dat ik gaan kon, is voorbij; de tijd, dat ik gaan moet, is gekomen. Er staat eene advertentie in, dat een jong – dat ben je – een mooi – dat ben je ook – een rijk – och, dat je ’t niet was – dat een jong – een mooi – een rijk weeuwtje –”

„Wat?” vroeg Machteld, verbaasd, verstomd van verbazing.

„O!” zuchtte Huibert, en zag haar aan, zoo als hij haar slechts in zijne droomen had aangezien. Ze was niet rood geworden van schaamte, ze kleurde niet eens. „O gave God!” –

„Huibert,” zei Machteld, die in de oogen van den braven borst las, wat zijnen woorden ontbrak – „Huibert, ik wil niet weten, wat die advertentie zoekt – van mij is ze niet!”

Er biggelden tranen langs de wimpers des trouwhartigen. Hij wilde hare hand grijpen; hij bedwong zich.

„Maar als ik een man zocht,” voer Machteld liefhalig voort, „dan zou ik hem zoeken hier in het dorp, hier in huis, hier in de kamer –”

„Machteld! wil je mij?” vroeg Huib, en sprong naar haar toe, en sloot haar in zijne armen. Zij liet hem begaan!

En de Westindiër mogt aan de schel trekken, tot de koorde brak; wachten moest hij, wachten een vierde uurs; Noch Huibert spande zijn schimmel voor de in reisrijtuig omgepakte tilbury, – noch Machteld neeg, toen hij nichtje op de bank duwde,– en de zweep over het dier legde, of de schilder, of de duivel hem op de hielen zat. En de tiendaagsche mogt keuvelen met den krankbezoeker over de verdwijning van den tooneelspeler, en de zaakwaarnemer mogt zijne biezen pakken van spijt, dat het proces over de schaking evenzeer verijdeld was, als het contract voor de echtvereeniging onwaarschijnlijk werd; Huibert, noch Machteld bekreunden er zich aan.

De schemering viel in – en of Geerte geklapt had, wie weet het? maar Hélènes podagreuze papa en de douairière van den staatsraad, beide met appendix, voor het eerst aan een tafeltje tout en famille gezeten, vonden het „eene geschikte partij.”

„Zij was lang te voorzien,” zeide het zusje van Hélène. En de schalk zelve?

„Het spijt me, dat ik er mijne origineeltjes door verlies; ik heb er mij koetelijk meê geamuseerd, vooral toen straks „geloof” en „gevecht” zamen in de diligence gingen, als zeiden ze: „broeder! geef mij de handt” ”

De historie van het nichtje kwam op het tapijt. „St!” wenkte Hélène; een oogenblik later gluurde zusje rond; de schilder stond in de deur zijne sigaar te rooken.

„Gewonnen of verloren?” vroeg Machteld den schalk; zij kwam met Huibert den gang uit.

„Beide,” zei hij, met een allerkoddigst gezigt. „Gewonnen, want je bent verloofd; God zegene je, Huib! God zegene je, Machteld! En verloren, want mijn eerste gesprek, och, zoo onschuldig, en maar een oogenblik te laag gerekt, boet ik duur t!”

Hij staarde naar de zijde des wegs, dien de tilbury was ingeslagen.

„Ik zal eene advertentie voor je in de courant zetten,” zei Huib.

„Als ze slaagde als die van den onbekende,” antwoordde de schilder, „ik noodde je op mijne bruiloft.”

„Kom op de onze,” zei Machteld schalk. En als ik nu nog een blaadje vulde met eene beschrijving van de avondwandeling der verloofden, het zoude zijn, als kende ik lezers noch lezeressen verbeelding genoeg toe, om zich prettig voor te stellen, wat zoo vaak dweepziek beschreven werd: een gelukkig maneschijntje. Eer Huibert en Machteld het wisten; eer zij het wilden welligt, stonden zij voor de woning des grijsaards, dien ge, hoop ik, nog niet vergeten hebt. Hij wenschte ziende te worden, om de bruid zijns zoons. Wie weet, wat aan het oude of aan het nieuwe licht, aan Mensert of Hendriksz, nog gelukt?

1843.