E. J. POTGIETER (1808-1875)

WENSCHEN EN DROOMEN.

Les Émaux de Petitot du Musée Imperial du Louvre. Portraits de Personnages Historiques et de Femmes Célèbres du Siècle de Louis XIV. Gravés au Burin par M. L. Ceroni. Paris. B. Blaisot, Libraire Éditeur etc. 1862.

Wie wil handlen met verstand,
Hou zijn wenschen wel in band;
Wie te ras hen uit laat vliegen,
Zal te deerlijk zich bedriegen,
Want zij kennen lucht noch land.

TOLLENS.

Als een onzer zoetste droomen ooit mag worden verwezenlijkt, een onzer liefste wenschen ooit worden vervuld, – als ons volk het tweetal boeken zal bezitten, waarvoor de stoffe zich sinds eeuwen ophoopt, en naar welke zijn verlangen de hand echter nog vergeefs uitstrekt, – als wij ons zoowel in eene geschiedenis onzer schilderkunst, als in eene geschiedenis onzer letterkunde zullen verlustigen, wat zal dan, – wie ook uit dat tal van biographiscbe fragmenten zijn geheel verzamele en ordene, – wat zal dan de eerste boven de laatste onloochenbaar vooruit hebben? Voorzeker niet dat zij ons uit dieper duister licht zal doen opgaan; dat zij ons in vroeger verleden verplaatsen zal. Wie het meenen mogt, hij zou blijk geven nooit een blik te hebben geslagen in Jonckbloet’s verdienstelijke Geschiedenis der Midden-Nederlandsche Dichtkunst. Zoo eerst eene herhaalde lezing van dat werk het regt geeft te betreuren dat de belofte, aan het einde gedaan, nog niet werd vervuld, eene vlugtige inzage volstaat om van de aeloudheid onzer letteren te vergewissen. Even weinig zal de historie van het inheemsche palet boven de historie der inheemsche veder de verrassingen, die wij bedoelen, aan grootere veelzijdigheid van onderwerpen hebben dank te weten. De grenzen des gebieds, door Jan van Eyck voor Vlaamsche en Hollandsche scholen ontsloten, mogen naauwelijks zijn af te zien, beide aarde en hemel omvattende; toch reikt de wereld der gedachte verder dan die des gezigts, toch reikt slechts zij tot in het eeuwige toe! Wat mag het dan zijn dat, na de lezing dier twee werken, welke wij gaarne in hope begroeten, na de studie van, vat in maar een boek misschien nog beter zon zijn te veraanschouwelijken: de ontwikkeling van geest en gemoed ten onzent door Poësis en Pictura, den schilders uit de lage landen een belang waarborgt buiten het bereik van welken schrijver in. zuid of noord dat ge kiest? Eeuwen door in onze gewesten de schreden der beschaving op den voet volgend; onder het gâslaan van wat zij ontluiken deed de verklaring beproevend waarom het aldus opwies; al de eischen vervullend, die onze tijd doen mag aan een boeijend, een bezield tafereel, als ge vast in gedachte geniet, welk zal het voorregt blijken der k1eurenschepping van Rubbens bedeeld, den hoogeren sfeeren van Vondel ontzegd.? Indien het ons gelukken mogt de omtrekken van een paar toestanden, onder het lezen van het werk aan het hoofd van dit opstel vermeld, onzen oogen voorbijgegaan, niet al te schemerig weêr te geven, dan zou niet enkel die vraag zijn beantwoord, dan zou ook wat ons begin zonderlings heeft zijn geregtvaardigd.


Een weinig goeden wil uwerzijds en luttel lijnen zijn voldoende om ons in een vertrek te verplaatsen, ’t welk, als wij kaptafel en kleedspiegel mogen gelooven, het heiligdom is eener jonge vrouw. Een blik op de allengs duidelijker wordende vormen van het huisraad, overtuigt u, dat wij in de zeventiende eeuw zijn; schoon wat zwaar, alles blijkt bruikbaar en sierlijk tevens. Slechts wenscht ge dat het daglicht helderder door dat hooge venster inviel; maar al wemelt het Londen van Zestien Honderd Veertig nog niet in wolken rooks, wanneer was zijn hemel van nevelen vrij? Echter is het, hoe digt die zijn mogen, niet zoo duister of ge wordt de slanke gestalte der blonde gewaar, der schoone blonde, verbetert ge te regt, die een snoer paarlen uit dat gebeeldhouwd juweelkistje bij den robijn van het slot opvat. Die benijde! Hoe jong ze nog zij, reeds is zij rijk genoeg om zoo kostbaren tooi te dragen. En wat haar meer streelt, zij is bovendien zoo blank, dat haar hals het melkwit dier gevaarlijke mededingsters om den prijs voor kleur beschaamt en overtreft. Scheldt er ons niet onbescheiden om, dat wij dit alles bespieden; de twintigarige is niet alleen. Buiten haar abigaïl, die eene bloem verschikt in de lange, weelderige, blonde krullen harer meesteresse, is er nog iemand in het vertrek: de gemaal en heer van deze. Het is vergefelijk dat gij hem voorbijzaagt, – weggedoken als hij zich daar in den zwaren leuningstoel schuil houdt, een boek ter hand, dat hem toch maar half boeit, in gepeins verdiept. „Onhoffelijk als een echtgenoot,” zou eene fransche vrouw van hem getuigen, om haar oordeel te herroepen, wanneer zij er, als wij, getuige van was, hoe hij oprijst, nu zijne jeugdige gade naar hem toewipt, hoe een glimlach dat bleeke gelaat tint! Heb er dank voor dat gij, om harentwille heusch genoeg waart, het woord dat u op de lippen kwam, het zoo ware en zoo grievende: „wat moet hij schoon zijn geweest!” te weêrhouden. Geweest? hij is het nog, nu niet slechts de achteloosheid van zoo even blijkt geweken, maar het hooge voorhoofd, aan ’t welk de kastanjebruine haren zoo fier ontspringen, geen zweem van rimpel meer heeft, maar het grijs der oogen schitterend gloort.

„Mary!” zegt hij, en er is liefde in den toon, waarop hij, dat woord uit, terwijl de blanke, slanke vingers der schoonste, hand ter wereld, nnergens niet genoeg gevuld en ook nergens overgeaderd” haren poezelen arm grijpen, en de ietwat roode knevels en kinvlok haren hals naderen en er iets klinkt dat: zweemt naar een kus.

„Foei, sir Anthony! foei!” hoort de abigaïl zeggen, en hoort er, terwijl zij bescheiden een oogenblik het vertrek verlaat, hoort er slechts de bestraffing in, waarmede iedere aanzienlijke britsche vrouw dier dagen dergelijk vergrijp tegen de kieschheid zou zijn te keer gegaan; maar de nadruk door Mary Ruthven op het „Sir Anthony” gelegd, is voor van Dijck niet minder een wenk, dat zijne waardigheid hem voor zulke dwaasheden behoeden moest.

Toch fronst zich het hooge voorhoofd niet; toch blijft de vreugde uit die diepliggende kijkers stralen.

En als vreest Mary te verre te zijn gegaan, staart zij er bloode naar op, zich digt aan zijne borst dringende; de gouden lokken komen heerlijk uit tegen het donkergroene fluweel, tegen de kanten kraag, terwijl hare vingeren met zijn halsketen spelen.

„Ik blijf een Vlaming,” zegt hij goêlijk, als raadt hij wat er in haar gemoed omgaat, de schilder des gevoels, sentiment pij wijle in sentimentaliteit ontaardende; schortte het aan den tijd, die zoo tragisch eene toekomst had?

„Gij zult het hoofd worden van...” fluistert Mary, en stamelt, en bloost, – daar buigt zij het hoofdje of zij het wilde verbergen.

„Mary!” vorscht van Dijck; maar de abigaïl is weder binnen gegleden en de jonge vrouw zijnen arm ontsnapt; zij werpt een blik in den spiegel, en als zij verplooid en verstrikt heeft naar lust, wendt zij zich bevallig om en buigt voor Sir Anthony of hij koning Karel ware, doch met eene schalkheid in den blik, die zij zich bij de sombere majesteit niet zou veroorloven.

Of hij haar tooi toetst aan zijnen smaak, ontgaat hem geen lijn, die hare leest aangeeft, geen siersel waarvan ze schittert: daar bemerkt ze dat de linten op hare schouders, die het smalle strookje keurs heeten vast te strikken, hem mishagen.

„Te bont,” is zijn antwoord op haren vragenden blik.

„Mijne weldoenster mag die het liefst.”

En de bevallige nijgt ten afscheid – „een oogenblik, Mary!” moge van Dijck zeggen, de abigaïl verzekert den heer des huizes dat er aan de deur van het voorvertrek werd getikt, dat James – des meesters gunsteling in zijn heir van gedienstige geesten – „Monsieur Petitot!” heeft aangediend; – hoe zij den naam rabraakt!

„Eene onbekende grootheid!” lacht Mary, de hand nemend haar door haren echtgenoot geboden.

„Ge zijt meer profetesse dan ge vermoedt,” antwoordt haar Antonie, „die naam zal gevierd worden, als ik -”

En hij houdt op, ter prooi aan een voorgevoel dat hem met elken dag meer kwelt; maar wie in die stemming deele, niet de schalke aan zijne zijde, die de trappen der huizinge afzweeft, schertsende: „Als gij tot hoofd zult zijn,” en de trede van hei rijtuig is opgewipt.

„Van wat?” moge van Dijck vragen, Mary noemt hem, voor antwoord, den naam der Lady, naar welke zij wenscht te worden gebragt; als wij zeggen dat het die van de schoonste vrouw, dier dagen was, dan komt hij al onze lezers op de lippen.


Zoo er onder deze zijn die gelooven, dat de vlugtige omtrek laat doorschemeren wat der historie onzer schilderkunst een belang zal bijzetten, der historie onzer letteren niet bedeeld, dan mogen zij onze gedachte niet hebben geraden, de hunne heeft er niet minder hare waarde om. Het blijft schier louter den gedenkboeken der kunst voorbehouden ons te doen zien, hoe laaggeborenen maar grootsch begaafden, in de hoogste krin’gen van hunnen tijd, op vertrouwelijken voet met vorsten en vorstinnen verkeerden; op haar gebied weegt het genie rang, goud, adel op, is het zoo goed eene majesteit als die bij Gods gratie. Van Dijck aan het hof van Karei I, levert hij er niet het voldingend bewijs van, al brengt zooveel schittering hare schaduw mede? Een eerste togt van den kunstenaar naar Engeland moge in teleurstelling geëindigd zijn, naauwelijks heeft de Koning in eene beeldtenis, die van Dijck er achterliet, – eene beeldtenis voor welke de geschilderde zeven dagen moest zitten, eer hij er een blik op werpen mogt, eer de arbeid den meester voldeed, – naauwelijks heeft Karel een blijk gezien der gaven dezen bedeeld, of met de uitnoodiging terug te komen begint die reeks van gunsten, waarvoor hem eere toekomt! Vele zijn ze en velerlei. Voor den zomer wordt hem, van wien de legende verhaalt dat zijne eerste liefde op het land, in den lommer van Saventhem ontlook, voor den zomer wordt hem, dien de hemel van Italië heugt, buiten, in het graafschap Kent, een oud kasteel, een schilderachtige bouwval geschonken. Eer de winter invalt blijkt eene van de vele woningen, welke het klooster der Blackfriars in de hoofdstad hebben vervangen, voor hem in gereedheid gebragt, tot Inigo Jones, Zijner majesteit architect, de prachtige huizinge zal hebben gebouwd, – als de schatkist het zal veroorloven. Het zijn de stoffelijke, de tastbare bewijzen van genegenheid; het blijft bij deze niet. Een glimlach van goedkeuring te voorschijn te roepen op dat van statelijkheid stroef gelaat, geprezen te worden door wie zich zoo koninklijk weet te dragen, zou het uwe ijdelheid niet, hebben gestreeld? Al had hoogmoed u voor dwaasheid behoed, de toejuiching van zoo keurig een kenner, zoo gelukkig een beoefenaar der kunst zou u zoet zijn geweest. Uit dankbaarheid voor eene voorbeeldelooze waardering: de verheffing in den ridderstand, een jaargeld, wat niet al! zijn naauwelijks de leden van het vorstelijk gezin op het doek gebragt, of heel die drom van edelliên en edelvrouwen, of dat hof zoo waard te worden geschilderd, wenscht zich te zien afgebeeld door de hand die benijdenswaardig slaagt, die het tegelijk dichterlijk en deftig weet weêr te geven, van Dijck’s tijd reikt niet toe. Wie vreeze, dat wij er ons over zullen beklagen hem portretten, louter maar portretten te zien schilderen, hij miskent ons; welk genre men beoefene, elk geeft regt op den lauwer, mits men er meester in blijke. Het was Antonie’s gave, ieder die voor hem zitten ging een oogenblik bezield te zien, zelden in den zonneschijn der vreugde, vaak door de wolk der zwaarmoedigheid heen. Maar zijne zwijgenden spreken: schilder en geschilderde verwierven te zaam de onsterfelijkheid. En toch, helaas! waar bleven de dagen toen die hand niet zoo vaardig was, toen palet en penseel wel eens een wijle rust hadden, daar hij, die deze hanteerde, peinsde; toen de meester maar zelden en altijd eerst laat was voldaan?

Geld, veel geld, steeds meer geld eischt van Dijck’s weelderige levenswijze; eischt zijn omgang niet de grooten des lands, niet als hun gunsteling maar als hun gelijke; eischen vooral die gastmalen, veraangenaamd door musici, voor welke hij in een maecenas verkeert, als zij de sombere stemming, die hem bijwijle aangrijpt, weten te doen wijken, tot na het feest zijn talent weêrkeert, en eenige toetsen volstaan om de aangelegde beeldtenissen te voltooijen. Geld, veel geld, steeds meer geld – er was in menig opzigt eene zonderlinge overeenkomst tusschen den koning en den kunstenaar, al gelooven wij gaarne dat deze bij het onderwerp, dat wij thans zullen aanroeren, ophield, – geld als geene der behoeften nog door ons vermeld, geld buiten zijn bereik werd er gevorderd voor die allerliefsten welke bij afwisseling aan den disch van Van Dijck voorzaten, hetzij een paar bruine of een paar blaauwe oogen hem hadden betooverd! Schoon het getal zijner schilderijen zich vermenigvuldigt in het ongelooflijke, – ongelooflijk vooral om de vele meesterstukken onder deze, – wat baat het hem, dat zijn genie, ’t geen zonder uitspanningen niet leven kan, zich ook onder uitspattingen handhaaft; dat hij de jicht bezweert, dat een late, ligt te late echt, rust, orde, geluk niet slechts belooft maar ook geeft? Eene lieve gunstelinge van koningin Henriëtte, eene kleindochter van den eersten graaf van Gowrie de echtgenoote van Meester Antonie! – zou de dochter van Schout Humprecht, zou zijne Magdalena het hebben geloofd? Waarom echter trachten wij de legende uit haren sluimer te wekken, als hoorden wij in de uitspraken der nakomelingschap geen weêrgalm der verscheiden oordeelvellingen, waartoe dat huwelijk bij zijne tijdgenooten aanleiding gaf? Er zullen onder de laatsten zijn geweest, die Horace Walpole geleken; honderd jaren geleden dreigde deze van ergernis uit zijn vel te springen, al was zijn moeder maar de dochter van een houtkooper, dewijl zijn neef de zuster eener tooneelspeelster dorst huwen; moest eene gunst als Van Eijck weêrvoer den aristocratischen dilettant niet te groot schijnen? Hoor zijn sarcasme: „als die echt voor hem eene uitstekende eere heeten mogt, de verbindtenis was welligt tevens berekend, het in ongenade gevallen geslacht door die vermenging met het bloed eens schilders nog dieper te doen dalen.”! Het lijdt geen twijfel dat de zeventiende eeuw ook mannen van hooge geboorte heeft opgeleverd, in onbekrompen menschenwaardering den hertog van Manchester onzer dagen gelijk, die in zijn veel verklappend boek: Court and Society from Elisabeth to Anne, een tegenovergestelde beschouwing is toegedaan. Als hij ons over het geslacht Gowrie, in ’t welk zamenzwering tot de erfenis schijnt te hebben behoord, als hij ons over Mary’s vader, Patrick Ruthven, eene aardige bijzonderheid heeft meegedeeld, dan besluit hij met: „Anthony Vandyke zoo goed een edelman” te prijzen „als een hunner”. Onze uitweiding vinde hare verschooning in onzen wensch, uwe opmerkzaamheid op dat even vaak verrassend als toelichtend werk te vestigen; de eenige vraag, welker beantwoording ons belangstelling mag inboezemen, is deze: werd de schilder door zijn hoogen echt gelukkig, woog een zoet te huis, woog vadervreugde in het verschiet, de zorgen die eene meer geregelde ja, maar toch altijd glansrijke hofhouding met zich voerden, op? Helaas! er waren uren des avonds, des nachts, waarin Sir Anthony niet gaarne door Lady Mary in zijne vertrekken zou zijn verrast, waarin hij geen teekenstift ter hand had, waarin hij stond tusschen smeltkroezen en overhaalglazen, bestoven van asch en die blanke handen zwart; beurtelings blozende van blijdschap en bleek als een geest, naar hij meende de kunst goud te maken te hebben gevonden, of hij zich voor de honderdste maal teleurgesteld zag!

Genoeg, zoo niet reeds te veel, over de betrekking eens kunstenaars tot eenen koning; vol gevaars, al is ook de bescherming, door den laatste den eerste verleend, voor beide eervol als die welke wij beschouwen, al offert deze om den wille van gene er zijn onafhankelijkheid zoo weinig voor op, als Antonie Van Dijck dit voor Karel den Iste deed. Of zouden wij er nog behoeven bij te voegen, dat in geen band als hier grootheid en genie omvlocht, uit rozen geweven, maar dus ook van doornen niet vrij, het voorregt schuilt, dat in het toekomstige boek de eene stoffe van de andere zal doen verschillen? We gelooven het niet; wij scheiden van het onderwerp met de opmerking, dat in een dergelijk bondgenootschap de duurzame voordeden aan de zijde des beschermers zijn. Het bewijs valt aanschouwelijk bij te brengen; gij zaagt den kunstenaar worstelen, ge zult zien wat de koning won. Verbeeldt u dat ginds, in het verre verschiet, de hooge heuvel zich uwen blikken vertoont, op wiens top het kasteel van Windsor statelijk rijst, statelijk rust. De ronde toren, van welke Groot-Brittanjes banier pleegt te wapperen, laat de overige, vele, vierkante mededingers verre beneden zich. Gij behoeft schilder noch dichter te zijn om onder het opstijgen ligging en landschap te bewonderen. Bij het beklimmen der trappen, bij het betreden van den voorhof, geraakt ge allengs in eene stemming voor het alledaagsche te hoog. Engeland heeft in de nieuwere geschiedenis zoo grootsch eene roeping vervuld, dat gij, verre vreemdeling als ge zijn moogt, van Windsor hebt gemijmerd, hebt gedroomd, voor gij er thans het eerst den voet zet. Allerlei heugenissen overstelpen u; binnengaande gevoelt gij u getroffen, En toch zij het verre van ons, misbruik te willen maken van die toovermagt der overlevering: toch verlangen wij zelfs geen partij te trekken van de poëzij des verledens. Laat in de kille lucht dier gewelven eene huivering u door de leden varen, reed ze binnen onder den minst gunstigen indruk voor wat gij in de zalen aanschouwen zult. Doe het onder dien van een bezoek gister aan de nieuwe parlementsgebouwen te Londen gebragt. Gij hebt er, het genot was te groot om aan den snelvervliegenden tijd te denken, gij hebt er eene lange wijle stilgestaan in St. Stephens-Hall, tusschen de dubbele reeks van standbeelden der grootste staatsliên, op welke Brittanje boogt, de twaalve in wier lot niemand eene lofrede op het koningschap leest! Wij droomen u ons natuurlijk Nederlander, niet enkel om u te doen getuigen dat de vraag bij u oprees, manneer toch Oldenbarneveldt en Jan de Witt ten onzent eene eere weêrvaren zal naar deze zweemende, wij doen het om te mogen onderstellen, dat gij u in den kring dier mannen bij vrienden bevondt, met welke gij de kennis maar vernieuwdet, weinig geïdealiseerd, haast realistisch als de Engelsche beitel die weêrgaf. Ge gingt er van Burke naar Grattan, om straks beurtelings Pitt en Fox nog eenmaal ga te slaan, om toch telkens terug te keeren tot hem, die u van den beginne had geboeid, tot hem, die „bedeeld was met een geest om alles uit te vinden, een tong om allen te overreden, een arm om alles te volvoeren,” tot John Hampden. Gij stondt er voor hem, ge zaagt zijne regterhand aan het zwaard raken, terwijl zijne slinke de rolle van ’s lands beschreven regten vasthoudt, en het werd u wel en warm om het harte bij den edele, dien in den bloei des levens huiselijke ruste, huiselijk heil minder gold dan vaderland en vrijheid!... Daar gaan de dubbele deuren van „the Van Dijck room” voor u open; daar treedt gij de wereld van dien rampzaligen Stuart in, en het is u eensklaps wonderlijk te moede. Wat gaat u aan, dat uw haat voor dien dubbelzinnigen monarch allengs wijkt, allengs in deernis verkeert? dat gij den echtgenoot, zoo als bij u daar te gemoet treedt in den schoot van zijn gezin, dat gij den vader dier onnoozelen beklaagt? dat u in die stilte het: „remember!” van den koninklijken martelaar slaat met schrik? Geene pleitrede haalt bij die van zulk een penseel! Uw hoofd weet het dat die majesteit geen man was in den edelsten zin, geen man van haar woord, en echter beheerscht de kunst uw harte zoozeer, dat ge mededoogen met haar hebben zoudt, stond de beslissing van haar lot aan u! En als ware die zeldzame zege op staatkundigen hartstogt behaald. nog niet genoeg, ginds heeft de meester zich een anderen triomf gewaarborgd: daar hangt de beeldtenis van haar, het geheim van wier gemoed Schimmel beloofd heeft ons te ontsluijeren. Lucy zelve, de bevallige die daar voortzweeft, zij doet het niet; – maar al noemt gij haar met de eene helft van ons geslacht de onverklaarbare, en al scheldt gij haar als de andere de onvrouwelijke, Mylady Carlisle blijkt ook op het doek de Circe, zij boeit u langst en zoetst!


We zijn weder in Van Dyck’s woning, doch thans is het zijne werkplaats, die ons ontvangt; erger u niet aan het hollandsche woord; ook schilderen is arbeid, schoon de genoegelijkste ter wereld; hij houdt beide hoofd en hand bezig. Aan het waarschuwen, zouden wij willen voortvaren: klaag niet over de verwarring hier heerschende; maar als gij het deedt, welken indruk zoudt gij ons van uwe verbeelding geven? De minst bedeelde vindt in deze onorde iets behagelijks, dewijl ze boeit; de vurige lokt zij tot droomen en dichten uit: er daagt wat zij wil. Of schuilt ginds niet een standbeeld uit den bloeitijd van Hellas, eene eeuwige jeugd, eene eeuwige schoonheid, weg, achter dat wapentuig aan het werelddwingend Rome herinnerende? Daar waant gij u in de middeneeuwen verplaatst; kerk en keizer dingen om den staf en deelen de heerschappij. Wat blijft ge dien bidkrans beschouwen! zie liever hoe Titaans gulden glans de veelverwigheid van den vorst der Vlaamsche schilders dof straalt; maar ge zijt al uit de schemering het volle licht getreden; voor het heden geeft gij het verleden prijs. Ge wordt er weinig voor beloond; ondanks al de moeite die gij u geeft, blijkt het niet mogelijk te zien welk stuk op den ezel des meesters staat; de man die er zich voor heeft geplaatst, belemmert het gezigt geheel. Van Dijck schijnt er vrede meê te hebben, dat deze zwijgend voort blijft staren; hij slaat zijn stemmigen gast belangstellend . Het moet het innerlijke van dezen zijn, dat hem aantrekt; zijn uiterlijk heeft niets opmerkelijks. Immers, nu eindelijk eene beweging ons een paar kanten slippen van zijn kraag toekeert, gesteven of het een bef ware, nu weten wij nog niet met wien wij te doen hebben; iets burgerlijks geeft, iets ouds aan ons vreempjen tegenover een gastheer, die het in de kunst zich te kleeden zoo ver heeft gebragt.

C’est beau, c’est brillant,” zegt de gast, en hapert.

Hoe goed Van Dijck hem begrijpt! „Mais, Petitot! Mais?” vraagt de meester, met al de vertrouwelijkheid die onder kunstenaars de kennismaking op den voet volgt.

Petitot treedt achteruit en geeft ons gelegenheid zijn ernstig gelaat te zien: de breede neus, de groote oogen, in diepe kassen wegduikende en waarover zich zware wenkbraauwen welven; er speelt een lachje om de fijne lippen.

„Maar, ik sprak van geen maar.”

„Doch gij dacht het, en uwe meening moet ge zeggen, als ge wilt dat ik u den weg wijze.”

Petitot zoekt nogmaals het licht waarin zich de schilderij, waarin zich de gestalte dier aanzienlijke, zittende vrouw het gelukkigst voordoet; Petitot prijst „de onschuld. in die zachte oogen te lezen,” Petitot waardeert om strijd „de slinke hand” die allerschilderachtigst een paar duiven streelt, en „de voorste vingeren” der regte, die eene adder weêrhouden; Petitot roemt haar hoog voorhoofd.

„Compris,” lacht van Dijck, „Lady Digby vindt genade maar de allegorie, maar de laster, die daar in het verschiet gekromd ligt, maar de cherubs, die haar kroonen, maar de cupidootjes, die aan hare voeten spelen, vous les avez en horreur.”

En simplesse, er is te veel op te zien,” merkt Petitot aan, „de Lady alleen zou mij liever zijn, doch wie ben ik, die maar in émail werke...”

„Wie gij zijt, dat moogt gij den Koning vragen, vriend de eerstemaal dat Zijne Majesteit weder uw St. George draagt,” antwoordt Van Dijck, zijn gast het meesterstukje herinnerend door dezen tot opluistering van den halsketen der Orde van den Kousenband voor Karel I vervaardigd en waaraan hij de gunst van dezen te danken heeft.

„Merci,” zegt Petitot getroffen.

En van Dijck beurt de schets zijner Lady Digby van den ezel en stelt er een zijner bevallige beeldtenissen van Koningin Henriëtte voor in de plaats en vermeidt zich in den bewonderende.

„Op mijne beurt eene vraag,” schertst de schalke meester, „Petitot! zijt gij verliefd?”

„Mijnheer!” herneemt deze, verbazing op het ernstig gelaat, maar nog ondeugender laat van Dijck er op volgen:

„Voor de hoeveelste maal?”

En er is al het jonge, al het jolige van den Vlaming, die veertig jaren telt, die er wel vijftig teekent, in de vraag; maar ook is de mannelijke ernst van den Zwitser in het antwoord:

„Voor de eerste en voor de laatste maal.”

Prudence,” valt Van Dijck in, „verzeg niets, – doch het, is als ik dacht, du sérieux jusque dans 1’amour. Al zeî ik u de verzen van Waller op, gij zoudt de stemming niet begrijpen in welke ik Lady Digby schilderde, hoe de hartstogt met haar zijn spel dreef, hoe zij van den laster leed!” En de gebelgde eigenliefde des meesters is bevredigd, en de ziekelijke zinnelijkheid des mans komt boven. „Voor de eerste maal,” zegt ge, en gij zijt dertig jaar, en ge hebt Italië gezien!”

Petitot laat hem voortpraten; Petitot staart koningin Henriëtte aan, koningin Henriëtte met de „heldere en vonkelende oogen”, zoo als Waller zong; koningin Henriëtte uit een wolk van kant aanlichtend, te stouter greep, daar hare blankheid deze niet beschaamde.

„Wie dat weêr kon geven!” zucht hij.

„Gij zult het leeren,” verzekert Van Dijck hem, „gij zult het bij navolgen niet laten, gij hebt veel bij mij voor.”

Petitot ziet hem hoofdschuddende aan. „Ik, die opgeleid werd tot juwelier!”

„Als Benvenuto Cellini tot goudsmid.,” herneemt Van Dijck, en glimlacht onwillekeurig bij de tegenstelling, welke die woorden voor zijn levendigen geest roepen, in dien Florentijn en dezen Genevees, dien doldriftige en dezen bedachtzame, dien langbaardige en deze gladde kin. „Tegenvoeters,” mompelt Van Dijck in zich zelven, „voor de eerste maal,” en lacht hartelijk en besluit toch:

„Gij hebt den ernst bij mij voor, man! al het geduld dat émail vereischt, bij een gevoel voor kleur, dat menig meester u benijden mag.”

En terwijl hij, uit een boek vol teekeningen, die zijner schilderij van Rachel de Rouvigny, gravinne van Southampton, een afbeelding ten voeten uit, te voorschijn haalt, en Petitot’s opmerkzaamheid bepaalt bij schikking van plooijen en spel van toetsen, en wat al geheimen meer, kan de schalk zich niet weêrhouden de eerste les den toekomstigen miniatuur-schilder op de bede des konings gegeven, de kroone op te zetten door den raad: „Blijf hier, vriend! blijf aan het hof; maar werwaarts ge ook gaan moogt, wacht u voor Holland! „Voor de eerste en de laatste maal!” ge zoudt, er louter huiselijkheid schilderen degelijke burgemeesters en eerzame burgemeestersvrouwen! Petitot! blijf hier!”


Omgang met de meesters in hunne kunst onder hunne tijdgenooten in den vreemde, – invloed op de jongeren van deze, ten gevolge dat de gaven ook den kinderen van ons kleine land bedeeld werden erkend, – een wederkeerige en daardoor allerwerkzaamste, allerweldadigste prikkel, ziedaar een zegen, dien de geschiedrollen der kunst hebben in beeld te brengen, ziedaar een genot, waarvan in de gedenkboeken der letteren schier geen sprake zal zijn. De zangster van Belgen, en Bataven moge zich in den kring harer zusteren hebben gehandhaafd zoo lang ook zij de ausonische lier bespeelde; sedert die muzen verbleekten tot schimmen welke zuchtende haren verdwenen Olympus zoeken, sedert de moedertaal de tolk werd van hoofd en van harte, wat geldt het nederlandsch buiten zijne grenzen? Verkneukel er u in dat Martin Opitz onze dichtkunst de moeder noemde der duitsche poëzij, maar vergeet niet er bij op te merken, dat de dankbare dochter ons sedert bejegende als gingen wij nog altijd bij Daniel Heins ter school! Doe er u op te goed, dat Corneille zijne navolging van la Verdad sospechosa, dat hij zijn Menteur met te meer vertrouwen het publiek aanbood, dewijl Constantijn Huyghens zoo hoog met het spaansche stuk liep; doch laat het u tevens niet ontgaan, dat „ce M. de Zuylichem, qui non-seulement est le protecteur des savantes muses dans la Hollande, mais fait voir encore par son propre exemple que les grâces de la poésie ne sont pas incompatibles avec les plus hauts emplois de la politique, et les plus nobles fonctions d’un homme d’État,” dat hij den vertolker van den Logenaar lofzong – in een latijnsch vers! – Schaars als ten onzent dergelijke aanraking van inheemsche vernuften met uitheemsche heeten mag, herinnert elk zich de hulde door Voltaire aan Willem van Haren gebragt; maar wie is er die gelooft, dat de Franschman den Fries waarderen, dat is, lezen kon? wat mogen den laatste al de vleijende woorden van den eerste hebben gegolden? – Southey – de witte raven vallen van zelve in het oog, – Southey genoot de gastvrijheid van Bilderdijk, doch het britsche publiek nam van den beleefden briefwissel tusschen beide geen notitie: wie waarborgde het, dat de bewierooker den bewierookte begreep! Al wie ten onzent verdient de pen te voeren, ontvangt indrukken van velerlei litteratuur: – uit het hooge Noorden klinkt hem een weêrgalm toe van de harp der Skalden, en gaarne leent hij in het weelderig Zuid het gekweel der minnezangers het oor; – geen wijsgeerige bespiegeling van het zich in de wolken verliezend Germanië, die hier niet ijlings wordt nagedroomd; – GrootBrittanje is heusch genoeg ons opmerkzaam te maken, dat slechts die naald te vertrouwen valt, welke wijst naar het gezond verstand; – Frankrijk blijkt er op uit, ons, als de gansche wereld, logisch denken en prettig praten te leeren; – maar wie dezer buren, ons om strijd beoordeelend en veroordeelend, doet het ook met maar een beetje kennis; bij wie van deze verrast u een bewijs dat een enkele hunner vermoedt of vertrouwt, dat ook uit Nazareth iets goeds voortkomen kan? Invloed, werkelijk wenschenswaardigen invloed, waaronder wel niemand ons verdenken zal het laf genot te verstaan lamzalig te worden nagevolgd; invloed als onze Vlaming op onzen Genevees had, de waardige hulde des wedijvers; invloed als toch enkele onzer vernuften verdiend hadden uit te oefenen, waar vindt gij er in den vreemde schijn of schaduw van? In de wereldkunst golden wij wat we waard waren, gelden wij nog wat we zijn; in de wereldlitteratuur vroegen en vragen wij vergeefs gehoor. Schortte het aan ons, die ons vast verheugden als wij, hoe dan ook, werden vertaald; las Staring ons te regt de les in den raad; dus te schrijven dat men ons onvertaald mogt willen genieten? We blijven het antwoord schuldig, en brengen, liever dan er ons aan te wagen, een enkel blijk van invloed als wij bedoelden bij; het streelt ons, dat de uitzondering onze lievelingsschrijfsters weêrvoer. Sara Burgerhart zag het licht, Sara Burgerhart was in aller handen en harte, de zoetste zege dien Betje Wolf, en Aagje Deken zich wenschten; maar één exemplaar kwam de grenzen over, kwam naar Zwitserland, kwam Isabella van Tuyll van Serooskerken onder de oogen. Volslagen vreemdelinge mogt ons vaderland haar niet noemen, al leefde zij in den vreemde, en toch hadden wij ook geen regt haar meer geheel landgenoote te heeten, zij, die ten onzent schier fransch opgevoed, fransch gevoelde, fransch dacht, zij, die beurtelings Rousseau en Richardson bestudeerde, die Le Sage en Voltaire genoot. En echter, Sara Burgerhart beviel, boeide haar; het was die roman, welke haar opwekte, haar uitlokte de Lettres neuchâteloises te schrijven; en wie honderd jaren later Sainte-Beuve en Sayous over deze hoort, het is hem te moede of het niet altijd nacht ware in de nevelen, uit welke zij dus werd aangeblazen, dus werd bezield!

Jean Petitot bleek een meester als Van Dyck waardig. Hij zag dezen niet maar de geheimcn van het penseel af, hij bestudeerde zijne keuze van standen, hij leerde van hem karakter weêrgeven. Stouter grepen dan men geloofd had dat in émail vielen te wagen, zag hij met den schoonsten uitslag bekroond; zijne kleuren verrukten, de waarheid zijner voorstelling trof. Weleer mogt het vak door hem beoefend, slechts een middel te meer zijn geweest om metaal te doen uitkomen, om verscheidenheid van verwen te geven aan goud en glinsterend gesteente, hij schiep het tot een kunstgenre om. Sir Theodore Turquet de Mayerne, de eerste geneesheer des konings, de grootste chemicus van Londen, stond hem, dewijl Zijne Majesteit het wenschte, met den schat zijner studie ten dienst; zoodra Petitot zeker kon zijn van zijne kleuren, tot in de fijnste toonen en tinten toe, luisterde zijne hand niet langer juweelen op, leverde zij portretten, nagevolgde en oorspronkelijke. Eene studie in olieverf, door een schilder voor hem vervaardigd, diende meestal tot grondslag zijner schets; als het aanging waren een paar zittingen ter voltooijing hem lief. De vriend zijner jeugd, die met hem in Engeland was gekomen, de trouwe kunstbroeder Bordier, nam het bijwerk, nam draperie en achtergrond, nam zelfs de echte of valsche lokken voor zijne rekening; Petitot schilderde het hoofd en de handen. Onze eeuw, die met photographien dweept, die de binnen elks hereik gebragte weelde viert of zij waarachtige kunst ware, zij kan zich levendiger dan eene harer voorgangsters het genoegen voorstellen, dat die alom meê te dragen, altijd het geheugen te hulp komende afbeeldingen in den beginne gaven. Miniaturen mogen sedert in minachting zijn geraakt, welke vorm van kunst zou een strafvonnis ontgaan, als het misbruik, door de middelmatigheid er van gemaakt, regt gaf dit te stellen? Eene gemme eischt zoo goed genie als eene groep: een steentje of een blok marmer, het komt in de kunst, klein of groot, op den kunstenaar aan. Horace Walpole wordt niet warm voor ons onderwerp, het gebeurde hem zelden bij eenig, – maar zijn wigtige woorden over Petitot zijn waar tevens, – dat ook niet vaak zamen gaat. „Het is dwaasheid,” zegt hij, „eene lofrede te schrijven op wie de grootste man in zijn vak is geweest; wie zoo hoog steeg staat boven hulde, waaraan slechts het betwijfelbaar talent behoefte heeft.” Gij wenscht niet dat wij in dien stijl voortvaren, we zouden dan van eersteschreden op den weg der vermaardheid hebben te spreken, welke Van Dijck toejuichte; eenvoudiger uitdrukking schetst beider betrekking juister. Voorzeker, Van Dijck verheugde zich in Petitot’s vooruitgang, maar hij mogt geen getuige wezen van zijn volkomen ontwikkeling; het leed niet lang of de leerling stond bij de baar van den meester, die hem lief was geworden. Of hij dezen misschien niet minder beklaagde dan benijdde, toen weinige jaren later de burgeroorlog zoowel den koning als de kunst op de vlugt dreef? Het is ons als zien wij Petitot voor ons, zijn schetsboek zwaarmoedig sluitende; geen portret dat niet eene pijnlijke herinnering wekt; velen roepen de klagt over verraad op zijne lippen, bij de meesten zucht hij: dood! Eer koning Karel I zijn dubbelzinnig gedrag met het leven boet, heeft hij Engeland verlaten. Bordier moge gebleven zijn om beurtelings het Huis der Gemeenten of den slag van Naseby op een horlogekast of een borstsieraad af te beelden, Petitot had zijn talent niet veil voor wie zijn beschermer den bijl prijs gaven. Om den wille van zijn karakter zou het ons deren als zijn besluit anders ware geweest: om den wille der kunst mogen wij wenschen, dat hij ons het gelaat van Oliver Cromwell, met de bekende vratten, hadde vermaakt. Realist! hooren wij roepen: en we bekennen het, de meester had aanvanlliger stoffe voor zijne schetsen aan het hof van Lodewijk XIV gevonden; den man zou de vervulling onzer bede misschien op gemis van het huiselijk heil dat hij in Frankrijk smaken mogt, zijn te staan gekomen. Was inderdaad de liefste zijner jeugd zijne gade geworden? had Van Dijck te vergeefs: „Prudence!” aanbevolen bij de betuiging: „Voor de eerste en voor de laatste maal”? Stellig niet, – de vier en veertig voorbij, huwde Jean Petitot met Marguerite Cuper, en drie en twintig jaren later werd beider zeventiende kind geboren; – waar zulke cijfers spreken, is geene verdichting van gerekte verloving mogelijk, legt de stoutste fantasie het af. Maar schijnt er geen stof voor een roman in zijne jeugd te schuilen; maar dreigt zijn echtgeluk door het eenzelvige wat taai te blijken, de avond van zijn leven was donker genoeg om een dichter uit te lokken het liefelijk licht dat hem toch ten leste bescheen, dubbel te doen waarderen. Eene vermaardheid, weldra in Parijs even groot geworden als die weleer in Londen was geweest, – eene betrekkelijke onafhankelijkheid, trots een zoo talrijk gezin, voor welks opvoeding hij alles over had, – een beroep dat in klimmenden leeftijd geene bekommering met zich bragt, daar een neef van den straks vermelden Bordier zijn zwager werd en hem als juwelier ter zijde stond, – de heugenis van een leven in eerlijkheid en ernst doorgebragt, met de hoop des hemels in het harte, – eene degelijke echtgenoote en brave kinderen, alles beloofde den gelukkigsten ouden dag; – wat verijdelde die verwachting, wat verbitterde dien? De herroeping van het Edict van Nantes. Haast tachtig jaren oud, smeekte de hervormde Petitot, ter kwader ure burger van Parijs geworden, en in dienst van het hof, den koning om verlof met zijn gezin naar Genève te mogen wijken. Voor hem, als voor allen die dergelijke bede tot Lodewijk den Groote rigtten, was eene weigering het antwoord. Eene herhaling des verzoeks had een bevel tot inhechtenisneming ten gevolge. Daar sloot de gevangenis du For-1’Évêque voor den armen grijsaard de wereld buiten, maar de beproevingen waren met hem binnengegaan. De eerste, de pogingen tot zijne bekeering door Bossuet aangewend, kwam hij te boven, de welsprekendheid schoot te kort; – maar de volgende, maar het verschiet, waarin hij den ondergang der zijnen aanschouwde, waarin galeistraf, pijnbank en dood opdoemde, overtuigen deden zij niet, maar wel bezwijken. Petitot verwierf zich de vrijheid door wat hij levenslang verafschuwd had, door een logen! In het volgende jaar gelukte hem en den zijnen de vlugt naar Genève: hoe kenschetst het den tijd dat het strenge Consistorie aldaar hem onder den mildsten vorm zijner bestraffngen weêr aannam, omdat hij ten minste niet ter misse was geweest! Waar blijft, vraagt gij verhalen van vervolgingen om des geloofswille uit waarachtige verdraagzaamheid moede – waar blijft de laatste zonneschijn ons aan het einde van zijn leven beloofd? Aanschouw hem te Vevey, werwaarts hij de wijk nam, in het protestantsche Rome geen rust vindende van aanzoeken om portretten, tot van de poolsche Majesteiten toe; zie hem aan den oever van den Léman met zijn laatste werk bezig, de beeldtenis zijner trouwe gade, een arbeid der liefde, aan welken de dood hem in zijn vier en tachtigste jaar verraste.

De nakomelingschap heeft haar zegel gehecht aan het oordeel van Petitot’s tijdgenooten over zijne kunst; wist de zeldzaam begaafde in het hagchelijke zevende levensperk van kindsch worden noch kwalen, twee eeuwen, sedert verloopen, zagen de schatting van zijn werk voortdurend stijgen. Die meesterlijke miniaturen werden het sieraad van koninklijke kabinetten; het keizerlijk museum in den Louvre, bevoorregt boven alle, boogt op een honderdtal hem toegeschreven. Toegeschreven, herhalen wij; want die portretten en émail dragen zoo min den naam des schilders als dien des geschilderden. Geen merk, dat ze als zijn werk stempelt; geen cijfer, dat het jaartal aangeeft waarin zij werden verwaardigd. Er zal, zoo meent men, een geestig opstel te schrijven zijn over de vergissingen en verwarringen, tot welke dit verzuim des kunstenaars, – uit hoogmoed of uit, zedigheid, wat kiest ge? – aanleiding gaf; een geestig opstel over dweepende liefhebbers en dwalende beoordeelaars. Hoe jammer, voor wie er zich uitgelokt toe gevoelen mogt, dat het reeis is geschied.! F. Feuillet de Conches leverde vast voor vele jaren, in de Revue des Deuz Mondes, naar aanleiding van een dezer miniaturen een alleraardigst essai: les apocryphes de la Peinture; de min of meer opgewipte punt der neus van madame de Maintenon gaf hem aan eene zee van twijfelingen ter prooi. Er zijn, die, uit, ergernis dat het vaderschap van menig kunstwerk betwistbaar blijkt, dat men zoo schaars zeker, volkomen zeker kan zijn dat de ons voorgestelde persoon er stellig dus uitzag, eindigen met historische portretten geloof te ontzeggen; weigerende een genot te smaken, ’t geen, als zoo menig ander ter wereld, blijken kan maar eene begoocheling te zijn geweest. Er zijn ook, die in de dubbele studie van dezen aard behagen scheppen, wier fantasie door geen onderzoek verflaauwt, die zich enkele teleurstellingen om den wil van het grooter getal verrassingen getroosten, die dankbaar den dieperen blik waarderen, welken eene beeldtenis bijwijle op een karakter doet slaan; de halve kennis moge er geene heele door worden, winnen doet zij er bij. Tot wie van beide zij behooren? Onze aankondiging dezer vijftig Émaux de Petitot, geeft het antwoord. Van de haast honderd miniaturen, welke de Notice des Dessins etc. (1820) als het werk des meesters in den Louvre vermeldt, beloofde de „Libraire-Éditeur” er ons in zijne prospectus aanvankelijk maar zestig. Onder de overige veertig, zeide hij, waren er vele, die in zijn plan, beroemde mannen en vrouwen te geven uit de eeuw van Lodewijk XIV, kwalijk pasten. Een blik op de 1ange lijst overtuigde bovendien, dat Petitot verscheiden personen tweemalen had geschilderd; de aard des werks gebood zich tot het kenschetsendste der beide portretten te bepalen. Eenige onbekenden traden van zelf in de schaduw. En Ceroni nam de graveerstift ter hand, en twee deelen, ieder twintig afbeeldingen bevattende, waren in den aanvang des verleden jaars voltooid; het derde zou voor zijn einde het licht zien, zou een zelfde getal beeldtenissen aanbieden. Het ligt voor ons, maar het geeft niet meer dan tien miniaturen weêr; waarom maar tien? Dewijl, – juich het toe of betreur het, maar zie er een nieuw bewijs in van het feit, – dewijl we, in de eeuw der kritiek leven, dewijl er uitgevers zijn die, al leenen zij hare stem wat laat het oor, toch naar deze luisteren eer het te laat is. Liefhebbers van drie even dikke banden ten spijt, gold de waarheid, gold de waardigheid van het werk meer dan die verlustiging der oogen in het verschiet eener bibliotheek. Om het tot tien te brengen volstond, na grondiger studie dan zich de steller van den officiëelen catalogus voor veertig jaren getroostte – slechts in Frankrijk loopt men er zoo los overheen! – voor het doel van dit werk heel de verzameling in den Louvre niet; er moest bij de keizerin der Franschen, er moest bij aanzienlijke particulieren in dat rijk, er moest tot bij gelukkige bezitters in den vreemde toe worden verzocht, uit hare of hunne verzamelingen ter aanvulling te mogen kiezen. „Suivez donc 1’exemple de votre reine,” zou de „Libraire-Editeur” ons toeroepen, als wij met meer dan dit enkele woord, de onvoorzigtigheid, de overijling gispten, die het plan dezer onderneming ontwierp, die hare uitvoering begon. Eer wij ons aan dien wenk blootstellen, brengen wij onzer geëerbiedigde Koningin hulde voor de welwillende wijze waarop Hare Majesteit de beeldtenis van La Rochefoucauld uit haar kabinet voor dit werk afstond; al heeft dergelijk blijk van liefde voor de kunst in haar die studie en smaak vereenigt, voor ons niets verrassends meer! Een gelukkig toeval, meent ge, doet ons, van al de merkwaardige mannen in deze verzameling vertegenwoordigd, daar het eerst den schrijver der Maximes noemen; hij, gelooft ge, zal in de galerij die ons toeft, gids zijn? Mis geraden; wij mogen u grooter genot beloven dan eene louter zedekundige beschouwing dier eeuw: eene voorstelling van deze in aanschouwelijkheid met Petitot’s portretten wedijverend. Er is door fransche letterkundigen bij ieder miniatuur een opstel van zes, acht, twaalf, of meer bladzijden druks gevoegd, toelichtende en ophelderende, sierlijk van stijl, vonkelend van vernuft, altijd van geest getuigende, dikwijls ook van gevoel, schoon maar door een enkelen trek of toets. Esquisse of etude, critique of causerie, „tous les genres,” gij weet het, „sont bons, hors legenre ennuyeux”, en van het laatste treft ge in de vijftig geen enkel voorbeeld aan. Schuilt het geheim van dat geluk misschien juist daarin dat La Rochefoucauld – bij wiens beeldtenis Sainte-Beuve, door het vorstelijk voorbeeld tot vorstelijke vrijgevigheid uitgelokt, zijn meesterlijk monographietje van dezen ten beste gaf, – dat niet aan La Rochefoucauld de toetssteen voor zijne tijdgenooten werd toevertrouwd? Gij vindt ons ondeugend; maar in ernst, zoo strenge weegschaal paste waarlijk noch voor Louis XIV jeune, noch voor Louis XIV vieux; en al mogt haar evenaar voor Turenne en Catinat, voor Colbert en Tourville, goed en kwaad, wegende, misschien schier stille staan, wat zou er van de overige heeren uit dezen kring, wat van zoo menig markies en zoo menig abbé, wat van Villarceaux, wat van Gaston d’Orleans zijn teregtgekomen! Om ons te moede te doen zijn, als verkeerden wij voor eene wijle mede in die dagen, werd iets anders vereischt dan ook den voortreffelijksten moralist is gegeven; en de zoo mild bedeelde fransche letterkunde liet ons ook in dit opzigt niet in gebreke. Wij willen niets afdingen op de veelzijdige gaven van de meer dan dertig auteurs, welke tot deze schetsen bijdroegen, eene mededeeling van wier namen u maar vervelen zou, – schoon wij in het voorbijgaan Emile Chasles niet enkel als den vruchtbaarste, ook als een der verdienstelijkste onderscheiden; – maar hoe zouden zij er in geslaagd zijn de waardigheid., door Petitot, op het voorbeeld van Van Dijck, aan ieder dien hij schilderde gegeven, in hare wijzigingen te doen waarderen, als zij niet zekere gedenkschriften hadden kunnen ter hand nemen, honderdmaal gelezen, en toch nooit genoeg? Er zijn weinige onder deze studies, waarin hij niet schittert, die fiere edelman, – die fijne opmerker, – de zwijger, die de ergernissen, hem des daags aangedaan, des nachts onverbiddelijk boekte, de teleurstelling, de trots, de trouw in persoon, – Saint Simon! Scheldt het niet onhoffelijk van ons, dat wij tot nog toe slechts van de mannen dier eeuw spraken: „wat het lest komt is het best.” Veertig vrouwen rijk, gunt deze galerij een veelzijdigen blik op den veelvormigsten aller hartstogten; gij weet hoe bevallig en beminnelijk de schoonheden dier dagen waren, hoe zinnelijk, hoe zwak tevens! Het was de eeuw „du règne du grand roi,” het was ook die „du regne de Ninon de 1’Enclos.” Er schuilen zeker onder de miniaturen van den meester, voor ons in de schaduw gebleven, eenige dier aanvalligen, welke, volgens den fraaijen regel van Hugo, door den jeugdigen koning aan eene kleine deur in een der parken ontvangen, „disaient Sire en entrant et Louis en partant;” de vermaardste maîtresses daarentegen verschijnen hier beurtelings ten tooneele. Hoe kenschetsend voor Lodewijk XIV’s karakter -, is de opvolging: Madlle de la Valliere, Mad. de Montespan, Mad. de Maintenon; hier bovendien eerst nog als Mad. Scarron voorgesteld. Gij ziet, wij zijn niet strenger dan de arme koningin Marie-Thérèse d’Autriche mogt zijn, met welke wij u weder in beter gezelschap brengen. Of de grillige Christine de Suède daartoe in vollen zin behoorde, wie weet? Genoeg, Potitots’s palet geeft de schare zoo bekoorlijk als bloeijend weêr; en de schrijvers? Voor elke vleijerij van het penseel, voor wat, de leerling den vlaamschen meester maar te goed heeft afgezien, verhelen en veredelen, voor elke overdrijving is er eene stemme die hen waarschuwt. Als zij maar de moeite nemen over den schouder eener schoone vrouw te leunen, die brieven schrijft, – eene onbescheidenheid., welke de schalke snapster hen van harte ten goede houdt, mits men haar vergunne moeder te zijn, mits men belangstelle als zij in het wel en het wee „de sa chere Comtesse, de sa chere enfant”, – als zij luisteren, elk geheim der zeden van die dagen, elk geheim van haar eigen gemoed. komt aan het licht! Mad. de Sevigne, wel waardig dat ons van haar in deze galerij twee beeldtenissen werden gegeven, zoolang het pleit tusschen beide nog niet ten volle is beslist; – Mad. de Sevigne, welk eene beschamende zege behaalt die vrouw op onze gewaande meerderheid, niet enkel waar het natuurlijk vernuft en ongekunsteld gevoel, ook waar het intuïtie voor schilderachtigen stijl geldt. Immers verlustigt ook gij u in de jongste, haast volledige uitgave harer Lettres op nieuw, en bevelen wij u dns niet te vergeefs deze Émaux aan, de voorstelling eener eeuw voltooijende, wier monarchalen luister ge niet loochent, al zijt ge democraat – die u aarzelen doet wie gij het eerste den lauwer zult toekennen, of hem dien Napoleon prins had willen maken, of hem die Phedra’s onzaligen hartstogt medvoelde, al gelooft gij aan den verouderden vorm des treurspels niet meer – de eeuw die u in Lafontaine den bij uitnemendheid. franschen dichter te genieten gaf, – die in Molière der menschheid voor alle volgende den spiegel voorhield!


Penseel en pen, letterkundigen en kunstenaars, zij hebben in onze dagen beteren beschermer gevonden, dan ooit de koningen van het verleden zijn gebleken; – vermogender dan vorsten, dankbaarder dan deze, laat het publiek beide bovendien volkomen vrij in de keuze des onderwerps, in de wijze op welke zij hunne gedachten wenschen te ontwikkelen. Er moge menige eigenaardige schaduw vallen op het grooter gebied, dat leerlingen en meesters zich zien ontsloten, onloochenbaar toch geeft die frissche lucht gelegenheid tot ontluiken en opbloeijen van velerlei wat vroeger uit de broeikast zou zijn geweêrd of in deze was verstikt. Een paar trekken nog, en onze lofrede heeft uit: gezag wordt getoetst, en geene overlevering belemmert langer de vleugelen der verbeelding. Thans een drietal vragen. Heeft u bij het gaslaan der grooter verscheidenheid van voortbrengselen in die dubbele wereld nooit de gedachte gestreeld, hoeveel meer genots deze thans binnen het bereik van hoofd en harte brengt? Is het bij beider herschepping van het verleden u niet te moede geweest, als verkeerde die bij beurte in een balsem en in een prikkel voor het heden? we waren maar vooruitgegaan, om het nog verder te brengen! Eindelijk, hebt ge dan nimmer gewenscht, dat ook wij ijveriger deel mogten nemen aan die algemeene beweging, dat ook Nederland zijn scherfje tot dien dagelijks aanwassenden schat der natiën bijdragen mogt? Ons ging het dikwijls dus: we juichten, we wenschten, we droomden. En we waren in gedachte een uitgever rijk, genoeg op de hoogte zijns tijds om veelzijdige betrekkingen met den vreemde te hebben aangeknoopt, om in Berlijn en Parijs en Londen voor het groote werk, aan ’t welk hij al zijne krachten wijdde, die bondgenooten te vinden, zonder welke de zege hem zou zijn ontzegd. En wij zagen onze graveurs geblaakt door de heugenis welken roem zich de inheemsche stift weleer in het buitenland verwierf, geduldig en toch geniaal, louter door lijnen de groote mannen en vrouwen uit onze glorieeeuw, uit de schemering onzer musea, uit de vergetelheid onzer kabinetten aan het licht brengen, eene ware wedergeboorte! En geen onzer jongere letterkundigen, die den dag niet zegende, op welken zich, ter studie van wie hij schetsen zou, de celle der pamflettenverzameling voor hem ontsloot, de deuren van het rijks-archief voor hem opengingen. Wist hij, beurtelings in de eene en in het andere arbeidende, wist hij te zeggen waar de welwillendheid het grootst, waar de kennis die hem ter dienste stond de veelzijdigste was? Door dat dubbel licht bestraald, had het leven van het voorgeslacht weldra voor geen hunner eenig geheim meer, bleek het zoo goed en zoo groot tevens, dat een getrouw weêrgeven van het gevondene hunne voortbrengselen waard maakte in alle nieuwe talen te worden vertolkt. Er was geene ijdelheid in den blos die het gelaat der gelukkigst-geslaagden onder deze, der gevoeligsten tintte, bij het doorloopen der bladen uit den verren vreemde hun ter laatste herziening toegezonden, – zoo vele veranderingen zij er in opmerkten, zoo vele wenken waren het, hoe talent wijzigt naar de schare waartoe het zich rigt, hoe tact hier en ginds hetzelfde anders uitdrukt, – de voldoening die hun harte hooger kloppen deed, gold niet louter hunnen arbeid gold meest, gold bovenal hun vaderland en hun volk! Ten langen leste was de burgerlijke gemeente, welke in zoo velerlei rigting den waren weg wees, ten langen leste was ze wijd en zijd erkend en geschat!

Als er onder onze lezers mogten zijn, die zich van de gevolgen van zulk een boek, die zich van zucht naar dergelijken invloed geen begrip kunnen vormen, hoe wij wenschten dat zij met ons hadden omgedoold in de onafzienbare zalen van schilderijen op de jongste wereldtentoonstelling te Londen. Uit alle rijken was de hedendaagsche kunst vertegenwoordigd, geene school die niet schitterde, – desondanks verdrong de wemelende schare zich, opgetogen en bewonderend, voor de stukken van Gallait en Bosboom en Israëls! Dat ziende, zouden wij meê hebben gedroomd!

1864.