E. J. POTGIETER (1808-1875)

WINTERBLOEMEN.

Eene bloemen-tentoonstelling te Haarlem, wie zou verzuimen die te gaan zien? Als ooit iets een harmonisch geheel beloofde, dr mogt men er zich me vleijen; het was de zaak voor plaats en de plaats voor de zaak. Haarlem, – het Haarlem onzer dagen, dat vergeten zou wezen als het niet zijn bekoorlijke omstreken had, dewijl men toch niet altijd van „de gedenkwaardige uitvinding der boekdrukkunst” en „het niet minder gedenkwaardig beleg” spreken kan, – Haarlem leeft half van bloemisten, Haarlem heeft, wat meer zegt, bloemen lief, – dat zal een genot zijn!

Zoo droomden wij een schoonen wintermorgen van het vededen jaar, op den spoorweg, en vreesden nog naauwelijks voor eene teleurstelling, toen wij naar „de Doelen” werden gewezen. Het is waar, die bestemming wekte juist geene gedachte aan een groot getal even hooge als breede vensters op, – slechts bij toortslicht op den binnenhof, of bij vlammende armblakers op den disch, plagten die schutterszalen er schilderachtig te zien; – maar het luchtruim ging van geen maartsche buijen zwaar, – integendeel, Februarij scheen van December het frissche’ blaauw eens ouderwetschen winterdag te hebben geborgd. Alleen verbaasde het ons, op de spits van den St. Jans kerktoren, die weerschitterde van den glans der middagzon, ’s lands vlag niet te zien wapperen. Haarlem had het immers heinde en verre moeten aankondigen, dat de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Aanmoediging van den Tuinbouw het feest, harer vierde tentoonstelling aan het Sparen zou houden?

„Uit de duisternis tot het licht,” had aan het hoofd van het programma mogen prijken, want de achterafstraat in- en de poort doorgegaan, toefde ons een gangetje zoo donker, of het tot een onderaardsch hol leiden zou. Alle gedachte aan genot verdween bij dat verschiet!

„Twee trapjes op, mevrouw!” zei een dienaar der policie, in den doorgang, tot het gezelschap, dat voor ons uitging.

„Twee trapjes af zou erger wezen,” sprak de heer, die de schommelende dame geleidde, – hij was een optimist zonder werga, zelfs bij ons, waar het er van wemelt.

Maar ge zoudt hem nog overtreffen, zoo gij er ons pessimist om scholdt, dewijl we er ons aan ergerden, dat wij, de duisternis doorgeworsteld, in het voorvertrek verrast werden – door een paar gebrekkigen; – een diakenmannetje en een diakenwijfje, naar het scheen, – die de „naamlijst der planten en voorwerpen” verkochten, gelooven we: immers de overtollige rottingen mogten mee binnengaan.

„Een paar leelijke exemplaartjes!”

„Op deze wijze geutiliseerd?”

Och, mijneheeren van wie weet welk bestuur! belooft ons toch geene verrassingen van het schoone, als ge den nuttigheidsgeest zelfs in den voorhof van zijnen tempel medebrengt, – als gij tot van uwe beweldadigden toe partij wilt trekken, door hen in wachters te herscheppen. In uwe zwarte rokken zaagt ook gij er al somber genoeg uit voor geleigeesten op eene bloemententoonstelling!

Onze aanhef is ten einde – de deuren gaan open, en wij zien ons in eene langwerpig-vierkante zaal verplaatst, wier witte muren den vollen dag vangen, door de wel kleine, maar toch talrijke ruiten der vensters aan eenen binnenhof, en wij genieten – waarom zouden wij ondankbaar zijn? – de geuren eener luchtstreek, milder dan de onze bedeeld. Echter, geen zintuig is zoo dra voldaan, dreigt zoo spoedig overvezadigd te zijn, als dat des reuks! In welk eene bescheidene verhouding staat het tot het gezigt, schier onbevredigbaar in zijne eischen, dewijl het de afwisseling naauwelijks ooit moede wordt, dewijl het zoo vurig naar iets nieuws verlangt. We rieken dan ook niet meer, we staren vast weder rond; – wat beduiden toch in de hoeken der zaal die vlaggen en die wapenschilden, door hunne kleuren het gebloemte overschreeuwende, hoe bont dit zij? Hier hebt gij in den eenen de Nederlandsche en de Wurtembergsche, zoo banieren als blazoenen; mogt gij er aan twijfelen, lees in den catalogus: „Aan Zijne Majesteit den Koning, haren Beschermheer, en Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, hulde van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Aanmoediging van den Tuinbouw, een groep van verschillende bloeijende Orchideen,” zonderlinge keuze, voorwaar! door die vendel- en schildenpraal beschut. – Daar in den anderen hoek, wordt ge, „ter eere van de stad Haarlem en hare regering,” het bekende Vicit vim virtus gewaar, omgolfd van de kleuren, der veste, wapperende over een drietal Yucca-planten „de pendula, de draconis en de alofolia”, zegt de lijst. En nu, van boven naar beneden gedaald, glijdt onze blik het geheel eens over, – is er meer smaak in de schikking der gewassen zelve, dan in de wijze, waarop den overheden hulde werd gebon? Wie den moed hebbe ja te zeggen, wij niet. ’t Is de afstand, geeft een groot dichter gezongen, die het verschiet betooverend maakt, maar neem er hier, ook op de kleinste schaal ter wereld, de proef eens van, hier, waar schier het begrip van ruimte ontbreekt. nzelfde licht bestraalt het heir van winterbloemen, waardoor ge u in Turkije of Griekenland moest wanen overgebracht, allen ongeveer op dezelfde hoogte geplaatst...

Linea recta brevissima est, blijkt ook hier maar bedrog,” lacht een spotvogel uit den hoop, die de expositie verlaten wil, een oogenblik nadat wij zijn binnengetreden, maar zich aan de deur teruggewezen ziet met het verzoek, de tegenovergelegene uit te gaan.

„Om den wille der orde, mijnheer!”

Eene onwededegbare reden – schoon het moeijelijk te begrijpen valt, hoe men, bij de goedkeuring van het plan, om de ten toon gestelde gewassen een kleiner langwerpig vierkant te doen vormen, dan waaruit de zaal zelve bestaat, voorbij kon zien, dat de bezoeker terug zou komen op de plek, vanwaar hij zijn togt begon.

„Volgaarne, mannetje! als ik maar zeggen mag, dat jullie stijfheid even leelijk als langwijlig is.”

Inderdaad, een slingerpad had tegelijk de eischen der schoonheid bevredigd, door aan de golvende lijn de voorkeur te geven, en den wensch der commissie, waar zij het publiek gaarne de zaal verlaten zag, zigtbaar aangeduid.

„St!” klinkt het den spotvogel, dien ge gaarne voor een studeut moogt houden, toe, op de hatelijkheid boot portant, daar even door hem tegen Haarlem gerigt, – want de opmerking, die mij inlaschten, hielden wij voor ons zelven, – „St, Willem! wat zou je van die luidjes nog kunnen leeren, als ik je eens statistiek... ”

„Al weer dat toovermiddeltje van onzen tijd, – maar je weet wel, Steven! ik ben geen genie van dien stempel, schoon ons land er van overvloeit; mij liggen de oorzaken nog niet bloot, al toon je mij de gevolgen...”

„Als ik je eens statistiek aantoonde, hoe men hier stijfjes en stilletjes de vermogens...”

„De fortuintjes, wil je zeggen, bijeenspaart, een pruikerig plezier...”

Spijt het u dat de beide vrienden verdwenen zijn? ons niet; – hier, midden in een groep dames, loope onze blik gevaar, bij wijle van de bloemen af te dwalen, une oreille en campagne zou peine perdue wezen; – welk eene conversatie! Houd ons, om den wille der waarheid, wat er onbeleefds in schuilt, ten goede. „Lief”, – „aardig”, – „mooi”, – „keurig”, „fraai”, „zie toch eens”, – „neen, maar kijk”, – „vindt u niet”, – „en dan die!” – moge welluidend van frissche lippen rollen, het is eene bewondering, die niets boeijends heeft, dewijl zij zelfs op geen zweem van kennis rust, dewijl echte schoonheidszin ook onder bloemenliefhebbers veel zeldzamer is dan men gelooft. Geen tien van de honderd uit het groote publiek geniet die verzameling tulpen of hyacinthen, – een oog voor kleur, heeft niet ieder die wil! Of het ons ten deel viel? ge zoudt er vonnis over kunnen vellen, wanneer wij ons aan eene uitvoerige beschrijving waagden; maar liever dan gruwelijk vervelend te worden gevonden, smaken wij in stilte, wat het penseel beter wedergeeft dan de pen. Mogen wij, om de teleurstelling te vergoeden, nog eene gedachte op de medegedeelde laten volgen? zij zal niet vleijender zijn dan de eerste, maar zij kan opwekken; de hemel geve dat zij vruchtbaar zij! Wie stilzwijgt stem toe, heet het; hier hebt gij haar. En toch is dat oog voor kleur, – die gave der natuur, welke als alle overige valt ontwikkelen, schoon niemand haar schenken kan waar zij ontbreekt, – toch is zij nog algemeen te noemen, in vergelijking met de kennis van planten en gewassen, waarvoor elk, die zien kan, aanleg bezit, waarbij ieder, wiens leven niet in eene stad verkwijnt, belang heeft, en die de wetenschap binnen het bereik van ons allen brengen konde, brengen moest, brengen zou, als de slag om me te deelen, – het is ons ten minste meermalen dus verzekerd, – niet afnam in dezelfde mate als de schat van geleerdheid toeneemt!

Bezit gij nu nog geduld voor een paar toepassingen, aanschouwelijk gemaakt dewijl zij in beeld zijn gebragt? Wij hebben opgemerkt, dat zij schsarsch zijn, de gelukkigen, wier blik den overvloed van schakeringen, de weelde van toonen en tinten te waarderen weet, in elk dezer voortbrengselen des velds gade te slaan. Och, zie om u, – staar die groep dames eens rond, – zouden zij dus zijn uitgedost als zij er zin voor hadden? Waar zijn bij haar de zachte overgangen, wat vragen wij, heeft hier het grillige grens, is ergens de wansmaak geweerd? Wij meenden te mogen beweren, dat studie algemeener kon zijn dan smaak, dat er althans eene harmonie van vormen viel aan te bevelen, zoo als de natuur tusschen blad en bloem heeft gewild... doch, waren wij onregtvaardig, toen wij zoo even den staf braken over damesgesprekken?

„Och, lieve! ik zou zoo dolgraag wat meer van die bloemen weten, dan haar gekke namen,” fluistert men daar naast ons, „je papa heeft zoo’n bibliotheek...”

„Maar geen boekje om ons een beetje op de hoogte te brengen, Suze! waarlijk geen n”, is het antwoord, „ik heb er al twee professoren om gevraagd, de Vriese en Miquel, weet je.”

„Heele lieve menschen!”

„O ja, – maar ik vrees, dat ze, om het mij te sturen, het boekje eerst zouden moeten schrijven, – en dan begrijp je, Suze! allez voir s’ils viennent...”

„Daar heb je Jenny Lind!” roept Suze een ziertje te luide, en: „waar? waar?” klinkt het om haar heen, als ware de Zweedsche nachtegaal in dezen bloemengaard’ nergestreken, – hoe de dartele wenschte zich in te hebben gehouden, om niet zoo veler opmerkzaamheid tot zich te trekken.

„Hier, dames! hier!”

„He!”

En de witte hyacinth wordt aangestaard, als trachtte men het verband tusschen den naam van het Noordsche orgelkeeltje en Krelage’s nieuwste verovering te ontdekken. IJdele poging, begrijpt gij – wie toch dan de mode is meter bij een doop van dien aard? Er schuilt maar eene fragmentarische historie in dezen catalogus – de satyre op de vermaardheid is vollediger. Jason – Phaton – Hecuba – Ulysses in de tulpenwereld, Antiochus en Orondates in die der hyacinthen – voil de l’histoire ancienne, als gij er Nimroth en Samson uit de eene en de andere nog bij neemt. – Rome is slechts vertegenwoordigd door Julius Caesar – het keerpunt in zijne geschiedenis? –, de midden-eeuwen zijn het, vreezen wij, in het geheel niet. – Eerst met Thomas Morus herleeft Europa, – doch we zijn in Haarlem, houdt ons het anachronisme ten goede, er zijn Laurens Kosters bij de vleet. Onze vergissing is des ondanks vergefelijk – koningin Elisabeth blijkt nog nieuw! Eene eeuw later echter wordt het beter, – Le Grand Monarque de France treedt, op, – de monarchie is gevallen, de bloern bloeit nog! Het regent vermaardheden en daaronder van den eersten rang, Milton – Voltaire – Gthe – maar ook twijfelachtige als Le Franck van Berthey – Monsieur de Faesch, – en Lord Cas tlereagh, – en wie waren in ’s hemels naam, wie waren la Vicomtesse de Rohaoult en 1’Abb de Veiracq? Sommige namen schijnen een tooverstaf; immers herleft het koningrijk Holland niet voor u in le Chevalier Gogel, zoo als onze vereeniging met Belgi – misschien maar alleen door klankverwantschap – in le Comte de la Coste? – Arme vrienden van den vrede, wat vindt ge weinig sympathie tot bij bloemisten toe! – wees gegroet, een, twee, driemalen, maar altijd smetteloos wit, La Tour d’Auvergne, premier grenadier de l’Empire, mort au champ d’honneur! – wees gegroet, beurtelings wit en rood, Lord Wellington, prins van Waterloo; al uwe overige titels doen voor dezen onder! – wees gegroet, Diebitsch Sabalkansky, dien wij liever zwart-blaauw dan hoog-rood hadden gezien, die het betreuren moogt, dat gij niet op het tooneel dier zege zijt verscheiden! – weest gegroet, in nieuwen, bonten krans, Abdel Kader, Bugeaud en Cavaignac, schier hadden wij geschreven: den val der restauratie, der julij-regering en der republiek in nen am voor den geest roepende! Het is echter al te dwaas aan bloemen namen te geven, die het aardrijk daveren doen, – zouden er niet geschikter te vinden zijn? Wat dunkt u, bloeijen er geene bevalligheden onder die tulpen, geene zanggodinnen in hyacinth bij hyacinth? Ons volk doet zich te goed op zijne liefde voor die wintergewassen, – waarom blijken wij het ondichterlijkste ter wereld, door er zoo schaars herinneringen aan de voortreffelijkste vrouwen uit ons verleden mee te verbinden? Willem de IIde zal zich weinig gevleid hebben gevoeld, toen hem op een mooijen morgen eene bloem toegeurde, die zijnen naam droeg; maar als gij hem verrast hadt met een fraai geschakeerde tulpengroep, de gedachtenis vernieuwende van de namen, de deugden en de aanvalligheden van Louise de Coligny, Amalia von Solms, Mary of England, – voeg er aan toe wie u onder onze voortreffelijkste vorstinnen de liefste zijn! – als gij er, zouden wij willen zeggen, in eenvoud, waardigheid en onschuld, zijne moeder, zijne gade en zijne dochter bij hadt vertegenwoordigd, de kunstlievende koning zou uw offer hebben toegejuicht; voor ieder salon van den Haag ware u het zestal gevraagd geworden! Gedurende de jongste vijf en twintig jaren is onzen ouden zeehelden eene hulde gebragt geheel in hunnen geest, – de oceaan strekt hun andermaal tot faam – hoe de wateren van den Indischen Archipel, door kiel bij kiel hunne namen voerende, op nieuw van onze wereldontdekkers gewagen! Waarom blijken wij in den engeren kring van het lief tehuis minder nationaal; wat belet u onzer schoonste weelde getuigenis te doen afleggen van uwen zedelijken zin? Zie, waar ten onzent een tafeltje een twintigtal hyacinthen draagt, daar wenschen wij Semiramis noch Cleopatra aan te treffen, daar verlangen wij de gedachtenis dier vrouwen verlevendigd te zien, waaraan ons volk zijne eigenaardigste trekken heeft dank weten! – een krans van deugden en gaven, die ons gemeenebest hebben geschoord en versierd, – onze bloemenwereld een lofzang op onze burgerij!

Immers minder in eene zaal als deze hier, waar n stand n schikking dier gewassen, waar vooral naamhartjes en prijsstrikjes, ons onwillekeurig aan eene veiling doen denken, dan bij u en bij mij aan het venster, half door de gordijnen beschut, maar toch de bleeke winterzon vangende, behooren en bekooren zij! Een wolk van geuren waassemt er u elken morgen uit te gemoet; een leven vol zachten zin voor alles wat loffelijk en liefelijk is, wordt er door gewaarborgd. En echter nog schooner dan ze daar staan, zoudt ge ze met ons vinden, wanneer ze u verrassen mogten, niet op de velden der Tartary, – dat zou te bar een togt zijn om te bewonderen, – niet in een landschap van het herboren Griekenland, – ge zoudt er slechts oogen hebben voor het verscheidene, – maar in een der parken van de lusthoven onzer vorstelijke familie – eene vol weelde, dewijl zij voor allen openstaan, – in de vrije lucht op het Loo, Soestdijk of het Huis ten Bosch. Anders dan de omstreken van Haarlem, veld bij veld van ne kleur, door geen geboomte omgeven, zouden zij dr in de vroege voorjaarszon, aan den voet van het schemerachtig beukengroen, tusschen de donkere sparrenhagen, op het glooijend terras, verbazen door hunne bonte pracht, bij wier verscheidenheid zelfs onze onuitputtelijke taal te kort schiet, – verrukken door haren hier bedwelmenden geur, op den adem des winds u in morgenlandsche mildheid aangeboden, en – vervangen door frischheid.

– Welk eene drukte daar ginds, waar eene verzameling coniferae het witte des muurs sangenaam afwisselt, en de lagere bolgewassen overschaawt. Oef, wat een gezigt, geel en gerimpeld, als perkament verschrompeld door de vlam. Wat toch mag het zijn dat het kromme mannetje dus verbaast, dus ergert, dus in toorn ontsteken doet?

„No. 148,” krijscht hij schel.

„Ja,” knikt de boonenstaak met gouden bril, tot wien hij het woord rigt.

„No. 148,” herhaalt het mannetje, „een nieuwe, dubbele blaauwe Hyacinth, (conquest) als er staat,” en hij beurt den catalogus den gouden bril onder den neus.

„Niet noodig, dankje; ik zie heel goed, dat het dezelfde bloem is, als die ik heb.”

„Onmogelijk,” zou het kromme mannetje willen zweren, maar vergenoegt zich met: eer is meer gelijk dan eigen, – „bovendien, zoo als ik straks zeide, u heeft alles wat zeldzaam is, de vreemdste cacteae, de schoonste epacrissen, u heeft een chincho-na-ca-li…”

De afgunst doet hem iedere sylbe rekken.

„Kom op Wildhof en zie,” breekt de boonenstaak af, o, zoo gelukkig, dat hij zijn mededinger gebluft heeft.

En ook deze heeten bewonderaars van bloemen, die hebbers en niet hebbers, – voor wie het bezit alles is, en die, wat zij niet bezitten, verachten of benijden! In plaats van verlustiging in het schoone, verheffing van hun eigen ik, op hun vermogen! Zou er geen schilder onder deze menigte zijn, in staat een omtrek te leveren van dat kromme mannetje en dien boonenstaak? Wij zullen hem eene situatie aangeven, waardoor hij beide scherp kan doen uittomen. Tot tooneel verlangen wij eene veiling van zeldzame bloemgewassen, tot hoofdfiguren die twee, met den afslager in hun midden. Hoe wedijveren zij in het bieden en overbieden op een schier eenig, op een bijna wergaloos bloembolletje! – de boonenstaak, als een millionair, bedaard maar beraden, – het kromme mannetje hartstogtelijk, als hing zijn leven er aan, wien de hamerslag het toewijzen zal. Vraag een van beide, hoe de bloem er uit zal zien, in dat bolletje besloten, ge krijgt geen antwoord! Geel of blaauw? wat maakt het hun uit, „schaars, schier eenig,” zegt de catalogus, op het hebben komt het aan! Pof! daar valt de hamer, hier, schilder! hier, ons dat korte mannetje geschetst, zoo als hij daar dat zeldzame bolgewas, ten prijs van zoo veel hartklopping verkregen, in zijne vingers stuk wrijft, en de schillen over de tafel strooit, onder den triomfanten uitroep:

„Zie zoo, – nu is het mijne het eenige!”

Wij hebben slechts eene vraag in het midden te brengen, om u schadeloos te stellen voor den omtrek, waarnaar wij u vergeefs deden watertanden, – als de boonenstaak hem eens beet had genomen, als ook hij nog zulk een bolletje over had?

Tien menschen van dien aard kunnen een zegen zijn voor de bloemisterij; zij prikkelen, zij vuren aan, zij betalen grof; heb er honderd in de hoofdstad, en ge loopt gevaar een ander windhandel in tulpen te beleven; want er zijn duizenden, die niets liever verlangen dan hen tot hunne dupes te maken: „Admiraal van Enkhuizen” werd te Alkmaar „voor vijfduizend guldens verkocht!” De dwaasheid was tot dolheid gesteigerd – een draaikolk van onzedelijkheid, waarin zelfs de Staten Holland werden megesleept, toen zij het „ter Vergadering” reeds in overweging hadden genomen, „een impost te leggen op die bloemen:” – wat de fiscaliteit al niet productief maken wil! –

Ah! voila des perceneiges!” welt dr uit het harte op, en waarlijk, de bruine kijkers dier arme, oude gouvernante worden vochtig; in de witte tijdeloozen begroet zij basr vaderland wer!

Schoon het meisje, dat naast haar staat, hare hand vat, schoon het vraagt en wdr vraagt; wat zij hoore, dat kind hoort zij niet.

Och, laat haar eene wijle mijmeren!

Voor haar schuilt er in die weinig opgemerkte bloemen meer pozy, dan voor het grootste gedeelte des publieks in heel den overvloed van vreemdsoortige gewassen, uit wereldstreek bij wereldstreek zaamgebragt. Om deze groep cacteae, om de zeldzaamste uit die verzameling coniferae te genieten, heeft de verbeelding hare wieken uit te slaan tot waar het verre Westen den schoot der wateren ontstijgt, of het hooge Noorden eerbied inboezemt door zijnen ernst, – er wordt kennis des klimaats vereischt, om zich de verscheidenheid dier voortbrengselen te verklaren, – wie haar waarderen wil, ga bij de wetenschap ter school. Voor haar daarentegen, voor haar, die nog den blik op de tijdeloozen geslagen houdt, schoon zij de bloemen zelve naauwelijks meer bemerkt, schoon zij beide tentoonstelling en publiek vergeten is, voor haar was er geen sprake van inspanning des geestes, haar gemoed vloeide over van weemoedig, van weldadig genot!

Hoe wij u beklagen zouden, als gij nimmer iets, dat er naar zweemdet, hadt gesmaakt; als gij u in de gedachte dier weelde ten minste niet gaarne vermeiddet. Uw vaderland moge nooit voor u aan de kimme verdwenen zijn, toch gleden die dagen voorbij, waarin de bloemen tot uwe gespelen behoorden; uwe jeugd is geweest! En al heeft het gewas van uwen geboortegrond u zelven niet in den vreemde verrast, gij hebt er kennissen, gij hebt er vrienden, voor wie tulpen en hyacinthen in noord en zuid, in oost en west, Haarlem en Holland vertegenwoordigen, – iedere bloemen-tentoonstelling verlevendigt voor ons hun beeld.

Het is er verre van, dat ons genoegen zich daartoe bepale zou! Onder het rondiwerven, onder het bewonderen groeperen er zich soms onwillekeurig eenige der fraaiste gewassen voor onzen blik tot eene verjarings-verrassing in een gelukkig gezin, – wie vindt ge schooner, de bonte, kleurrijke kinderen des velds, of die frissche meisjes en knapen, stoeijende om moeders schoot? – Het is maar een droom van de honderd, want gindsche bleeke camellia’s hebben ons overgebragt in de ziekekamer eener pas herstellende kranke, die met vermagerde vingeren der drooge aarde water geeft; was er dan niemand om haar, die gedurende hare ongesteldheid voor hare lievelingsbloem zorgde, als de geneesheer eens wreed genoeg ware om haar dat eenig gezelschap te ontzeggen? – Trotsche tulpen, statelijk schoon, schitterend tot verblindens toe, geene geuren om u verspreidende, wie als gij door het leven gaat, moge verbazen, moge bewondering wekken, wie is er die u bemint? – Schik die alpenroos in de blonde lokken der zestienjarige, en staar het lieve kind na, voortwiegelende op de melodische golven van den dans, u ontzwevende en tot u keerende, louter leven, louter lust!... Wat gedachten een rhododendron wekten kan! – Hier hebben wij naauwelijks blik over voor die stijve crocussen – maar als zij ons in eene achterbuurt voor een laag venstertje verrasten, zoudt ge niet zeker zijn, dat er een vriendelijk gezigtje zich buigen zou over haar werk; dat het er beter in die woning zou uitzien, dan waar de heele glasruiten hoorn gelijken, en het gordijn door de gebrokene wuift? – Sierlijke hangplanten! hoe ge, in uwe schilderachtige afwisseling van loten en bladen en bloemen, den stijven opschik onzer pronkkamer beschaamt, – hoe ge dezen weldra zult doen wijken, als het oog geleerd heeft zich in u te verlustigen! – Wat hebben wij de bedaagde lief, die, onder het bewonderen van die heesters der heide, de woorden nafluistert, dat Salomo in al zijne heerlijkheid niet bekleed was als deze, en zich harer grijsheid niet beklaagt en zonder huivering baren weg gast – naar het graf, waarover dezelfde Voorzienigheid de wacht houdt! – Spoedig, spoedig een geestigen ruiker geplukt, mejonkvrouw! en palet en penseel ter hand genomen, – bloemen schilderen is een hollandsch talent; maar onze winter heeft nog geen Rachel Ruysch!

Waarom zouden wij niet eindigen? uwe verbeelding is de onze vooruitgesneld! – Slechts een enkel genot der tentoonstelling dient nog aangestipt; zij vervroegt de lente, zij toovert in het verschiet: den ontluikenden beemd en het bosch, wer in groen gedost, ons voor oogen, zij belooft ons het herleven onzer inheemsche natuur – als de kennismaking binnen Haarlem u niet heeft afgeschrikt, dan zullen wij elkander in zijne omstreken wederzien!

1851.