Aanvallig = bekoorlijk, lief.
Abdiceren = troonsafstand doen.
Ablutie = wassing, reiniging.
Absent = absint; likeur van kruiden, in bijzonder alsem, getrokken op brandewijn.
Accompagnement = begeleiding.
Accompagneren = begeleiden.
Acheveeren = voltooien.
Adelbrief = bewijs van adeldom, (overdreven) eretitel.
Adspireeren = streven naar iets.
Afdingertje = reden om minder te betalen c.q. bieden.
Afgetrokken = in gedachten verzonken.
Aflegger = ontkleder van lijken.
Afschrijven = overschrijven, copiëren.
Afzitten = afstijgen, op een afstand van iets zitten.
Alkoof = afgesloten deel van een kamer.
Allengs = langzamerhand, in toenemender mate.
Allonge-paruik = pruik voor het verlengen van het haar.
Altoos = altijd.
Anachronisme = fout in de tijdmelding bij vermelding van historische feiten.
Annotatiën = aantekeningen.
Anomalie = afwijking.
Appendix = aanhang.
Arduin = hardsteen.
Autocraat = alleenheerser.

Baarschap = onervarenheid.
Baauwen = geluid maken.
Bakeren (zich) = koesteren (zich).
Bakermat = wieg (figuurlijk).
Bakkes = gezicht.
Balsturig = koppig, halsstarrig, hardnekkig..
Banier = vierkant vaandel.
Bankbreuk = fallisement.
Banknoot = bankbiljet.
Barbier = kapper.
Bare = open, blote.
Barouche = een soort rijtuig.
Bede = verzoek.
Beemd = vlak, waterrijk land.
Beiden = wachten.
Beoefening = studie.
Beknorren = iemand bestraffen.
Bekreunen = bekommeren, zorgen maken.
Bellettristisch = gewijd aan geschriften, die niet van praktische, technische, godsdienstige of wetenschappelijke aard zijn.
Bengel = kleine luidklok.
Bent = genootschap, vereeniging, partij, bende.
Bentgenoot = clubgenoot, lid van een genootschap.
Bescheid = antwoord, verklaring.
Beschroomdheid = verlegenheid.
Besteden = verhuren van dienstboden.
Bestieren = besturen, besteden.
Bete = hap.
Beurtschip = schip dat een geregelde dienst tussen bepaalde plaatsen onderhoud.
Beurtzang = wisselzang.
Beuzelaar = iemand die zich met onbeduidendheden, onbelangrijke dingen bezig houd.
Bewilligen = toestemmen.
Bezending = gezantschap.
Beziën = bessen.
Bezwijmen = flauwvallen.hier: ondergaan.
Bidden = smeken.
Bijwijlen = soms.
Billet = briefje.
Blaken = gloeien.
Blaker = kaarsenstandaard.
Bleekveld = veld waarop linnengoed uitgespreid om, aan de zon wordt blootgesteld, wit te worden..
Blikslager = bewerker van blik (vertind plaatijzer).
Blinkert = hoge duintop.
Blooden = lafaards.
Boert = humor.
Bolster = buitenste groene bast of schil van een noot.(hier betekent het vlies).
Boordevolletje = een glas, dat tot de rand is volgeschonken.
Borst = knaap, jongen.
Borst uit = onvoltooid verleden tijd van uitbarsten.
Boschdwinger = veroverraar van ’s Hertogenbosch (Prins Frederik Hendrik).
Botanie = plantkunde.
Brandbrief = brief waarin  men dringend zijn nood klaagt.
Braveeren = trotseren.
Brik = vaartuig met twee masten.
Brommer = Amsterdams rijtuig. Later vervangen door vigilanten.
Bruidstranen = een likeur, welke gedurende de bruidsdagen aan de bruiloftsgasten gegeven wordt (bestaande uit hippocras, wijn, enz.)
Buis = kledingstuk, kiel.
Buis = schip.
Buitendien = daarenboven.

Cabriolet = licht tweewielig rijtuig voor één paard en voorzien van een voorzitbankje.
Calèche = open rijtuig.
Camaraderie = broederschap.
Carga = handelswaar.
Casuaris = soort struisvogel.
Casuïst = gewetensleraar, beslisser van gewetenszaken.
Ceel = lijst.
Chicanes = rechtsverdraaiing, haarkloverij, spitsvondigheid.
Christus’ Stedehouder = de paus, de plaatsvervanger van Christus op aarde.
Ciceroneeren = gidsen, begeleiden, wegwijzen.
Cicerones = gidsen.
Cijns = belasting, tol.
Collatie = recht om een predikantsplaats te vergeven.
Collation = maaltijd van koud vlees, fruit, gebak en andere dingen.
Comparitie = verschijning voor de rechtbank, bijeenkomst.
Competeeren = berekenen.
Conducteur = persoon, die voor het gemak en de veiligheid van personen en goederen op omnibussen, diligences, stoomboten en spoorwagons zorgt.
Consulaat = de regering van de drie consuls in Frankrijk waarvan Napoleon Bonaparte de eerste was.
Coupé = voorste afdeling van een diligence.
Crayonneeren = met potlood schrijven.

Daar hangt de schaar in = het is daar duur, men wordt er opgelicht.
Dagmeisje = dienstmeisje voor overdag, is niet inwonend.
Dartel = speels.
Dartelen = spelen.
Débauche = losbandigheid, zwelgerij.
Declaratoir = verklaring.
Deerne = meisje.
Deernis = medelijden.
Deks (Zij heeft deks genoeg voor twee) = zij heeft geld genoeg om er met een man getrouwd van te kunnen leven.
Delireeren = ijlen, onsamenhangend spreken.
Depêche = bericht.
Député = afgevaardigde.
Derven = missen, ontberen.
Devolveeren = toevallen, overgaan, versterven op ....
Dewijl = omdat.
Diaken = armenverzorger.
Diatribe = uitval hevige kritiek, geleerde verhandeling.
Dictie = voordracht, uitspraak.
Dier = van die, aan die.
Diets = wijs.
Digestie = spijsvertering.
Dijzige = mistig, nevelig.
Dikwerf  =  vaak.
Dilettant = amateur.
Diligence = postwagen, postkoets.
Directoire = staatsbewind van vijf leden in Frankrijk (1795-1799).
Dispositie = beschikking.
Dissertatie = proefschrift.
Distractie = verstrooidheid.
Dogge = grote hond.
Doldijnen = zacht wiegen en in slaap zingen.
Dolen = zwerven, dwalen.
Dolhuis = gekkenhuis.
Doodverw = grondverf, hier: eerste aanleg.
Doodverwen = bestemd zijn voor.
Doorluchtig = aanzienlijk, achtbaar.
Doppen = schaalvormig.
Dorschen = graankorrels uit aren slaan.
Dos = kleding.
Dreumel, Dreumis = klein kind.
Drie kruisen = dertig jaar oud.
Driewerf = drie keer, drie maal, drievoudig.
Drift = kudde.
Droes = duivel.
Drom = menigte.
Drommel = verduiveld.
Drossaard = drost, baljuw, schout.
Ducdalf = Duce d’Alva, de hertog van Alva, landvoogd van Nederland tijdens de 80-jarige oorlog.
Dulder = iemand die in stilte veel lijdt of verdraagt.
Duodecinootje = zeer klein boekformaat: het drukvel is hierbij in twaalven gevouwen.
Dweepziek = vol overspannen denkbeelden.

Ebben = afnemen, verminderen.
Eerlang = weldra, binnenkort, spoedig.
Eiber = ooievaar.
Edik = azijn.
Eilieve = och!, kom!, wees zoo goed!
Elegie = treurgedicht, klaagzang.
Elft = haringachtige zeevis.
Elshoogte = de hoogte van een el d.w.z 69 centimeter hoog.
Emeritaat = ambtsrust, zijn ambt wegens leeftijd neerleggen (geestelijken en hoogleraren).
Emolument = extra inkomst.
Engagement = verloving.
Epicurisch = wellustig, genotzuchtig.
Epicurist = wellusteling, genotzuchtig persoon.
Epigram = puntdicht, kort hekeldicht.
Etablisseeren, zich = zich vestigen.
Etablissement = vestiging, grondlegging.
Eunjerwijf = heks.
Eeuwig Edict = Willem III, prins van Oranje, werd uitgesloten van de waardigheden van zijn voorouders.
Egade = echtgenoot, echtgenote.
Euvel = kwalijk.
Expliceeren = uitleggen.

Factor = zakenwaarnemer, handelsgematigde, postbode.
Factory = kantoor, handelskantoor, magazijn.
Factotum = algemene zakenwaarnemer, vertegenwoordiger, iemand die alles in alles is, manusje-van-alles (Latijns: fac totum = doe alles).
Faëton = hoge lichte wagen op vier wielen. Het is genoemdt naar Phaëton, de zoon van de god Apollo, de zonnegod. De eerste had toestemming om de zonnewagen, die door Apollo normaal werd bestuurd, zelf te mennen. Hierbij verbrandde hij de Aarde bijna, waarop de oppergod Zeus Phaëton doodde met een bliksemstraal.
Fashionable = naar de mode, naar de laatste smaak.
Feil = tekortkoming, gebrek.
Fier = trots.
Figaro = kapper.(Naar het figuur Figaro uit de opera ’De Barbier van Sevilla’ van Wolfgang Amadeus Mozart (1756 - 1791)).
Fijmelaar = schijnheilige, kwezel.
Fijn(e) = vroom, vrome.
Floers = een uit ongekookte (ruwe) zijde gemaakte stof voor dames- en   rouwkleding.
Fluks = vlug, snel.
Flusjes = straks, zoëven, zo dadelijk.
Foliant = boek van het grootste formaat.
Fortuin = lot, toeval, geluk.
Frak = korte jas.
Fy = foei.

Gaarde = tuin.
Gade = echtgenote.
Galant = vrijer, verliefde, man die het hof maakt aan een meisje.
Galanterie = uiterst beleefd gedrag tegen vrouwen.
Gallicisme = woord, indrukking, gezegde gevormd naar het Frans of er letterlijk uitvertaald.
Gallomanie = overdreven liefde voor alles wat Frans is.
Gansch = geheel.
Garstig = bedorven.
Garven = bossen afgemaaide en samengebonden graanhalmen.
Gastmaal = feestdis, maaltijd, banket.
Gefatigueerd = vermoeid.
Gefichud = met een driekantige halsdoekje om.
Geheimschrijver = secretaris.
Gehijlikt = getrouwd.
Geknipt = precies geschikt zijn.
Geldsnoeijer = iemand die de rand van een muntstuk afsnijd om zich te verrijken.
Gemalin = echtgenote, vrouw.
Gemeenzaamheid = welwillendheid.
Genet = vurig paard.
Gepelerind = met een damessjaaltje (pelerine) om.
Geraakte = door een beroerte verlamd iemand.
Gespelen = speelmakker, speelgenoot.
Getabbaard = gekleed in een lang statiegewaad.
Gewagen = melding maken.
Gijzeling = gevangenis voor mensen met schulden.
Gisping = berisping, hekeling.
Gispen = laken, hekelen, berispen.
Glacé = geglansd leer.
Glazen = ruiten, ramen.
Goedrondheid = openhartigheid.
Gramschap = boosheid.
Grande = edelman van de hoogste rang.
Grauwtje = ezel.
Grenadier = keursoldaat van de infanterie (eigenlijk: een soldaat die granaten werpt).
Grijnen = huilen, pruilen, verdrietig zijn.
Grimlach = gemene lach, grijns.
Grombaard = oudgediende, veteraan.
Grompot = sacherijn.
Grootmediaan = papierformaat 47 x 62 cm..
Gueridon = hoektafeltje.
Guit = grappenmaker, deugniet.

Haken = verlangen.
Harpagon = vrek (de naam van de griegaard in Molières l’Avare).
Have = bezit.
Heffe = laagste.
Heir = leger.
Heloot = onderdrukte.(eigenlijk lijfeigene van Sparta (Griekenland)).
Hermitage = kluizenaarshut.
Hemorrhoïides = aambeien.
Herwaarts en derwaarts = hier en daar.
Heugenis = herinnering.
Heusch = beleefd.(bijvoegelijk naamwoord en bijwoord).
Heuschelijk = beleefd.(bijwoord).
Hielen ligten, de = er vandoor gaan.
Hippocras = met suiker, kaneel en andere kruiden gemengde wijn, en daarom soms ook kruidenwijn wordt genoemd.
Hit = dienstmeid.
Hoovaardij = hoogmoed.
Hopman, hoplieden = kaptein, hoofdman.
Hospes = waard, herbergier.
Ho(r)tje = ogenblikje.
Huisbraker = inbreker.
Huisheer = eigenaar, verhuurder.
Huizinge = huis, verblijf, woning.
Hulk = schip.
Hupsch = mooi, knap.
Hutselen = dooreenschudden.
Hylik = huwelijk.
Hymne = lofzang.
Hypochondrisch = zwaarmoedig.

Ichtyoloog = visdeskundige.
Illuminatie = feestverlichting.
Indigo = blauwe kleurstof.
Intrigueren = een heimelijke invloed aanwenden tot het bereiken van  zijn doel, met slinkse streken te werk gaan.

Jammermare = droevig bericht.
Janmaat = een algemene naam voor matroos.
Jansalie = een dromerig persoon.
Jegens = ten aanzien van, tegenover.
Jok = scherts, grap.
Joken = jeuken.
Jonkman = vrijgezel.

Kaai = havendam.
Kabinetstuk = pronkstuk.
|Kalefateren = breeuwen, teren, herstellen, in orde maken.
Kalotje = priestermuts.
Kamenier = vrouwelijke persoonlijke bediende van een vrouw.
Kandeel = warme drank, gemaakt van melk of wijn met eierdooiers, suiker en kaneel.
Karigheid = zuinigheid, armoede.
Karikel = licht tweewielig rijtuig.
Karwats = zweep.
Kastijden = straffen, pijnigen, geselen.
Kennelijk = te herkennen.
Kiesch = beleefd, keurig, nauwgezet.
Kieskaauwer = langzaam, zonder trek eten.
Klaveren = klauteren, klimmen.
Klepper = draver.
Koddig = komisch.
Koeltje = windje.
Koen = dapper, moedig.
Koeteren = praten.
Kof = een rondgebouwd zeeschip met brede achtersteven, grote mast en bezaanmast.
Komenijsman = kruidenier.
Kommensaal = kostganger.
Konstantinopel = Istanbul.
Kornet = vaandrig.
Kouten = praten, kletsen.
Kraamkoets = kraambed.
Krank = ziek.
Krankbezoeker = ziekentrooster.
Kranke = zieke, patiënt.
Krankte  = ziekte.
Krap = boekslot
Kregel = knorrig, verdrietig.
Krenken = kwetsen.
Krijg = oorlog.
Krijten (kreet, gekreten) = klagelijk huilen.
Kruisdrager = iemand die veel lijdt.
Kuiperij = omkoping, geheime komplot.
Kuitendekker = lange jas.
Kurassier = cavalerist voorzien van helm en borstharnas.
Kwak = leerling van de Latijnse school (scheldnaam).
Kweekeling = jong iemand, die opgevoed wordt of wordt opgeleid voor een beroep (b.v. onderwijzer).
Kwinkslag = geestig gezegde.

Landzaat = inwoner van een land.
Last = opdracht.
Ledeman = pop met verstelbare ledematen ten dienste van schilders.
Leêglooper = nietsdoener, baliekluiver.
Leep = slim.
Leerreden = preek, predikatie.
Leest = middel.
Leger = liggende toestand van iemand.
Legitimist = staatspartij (aanhangers der leer, dat de vorstelijke waardigheid een erfelijk recht is, onafhankelijk van ’s volks wil); in Frankrijk de aanhangers van den oudere, in 1830 uit Frankrijk verdreven tak van de Bourbons.
Leiband = leidsel.
Leppen = met teugjes drinken.
Leste = laatste.
Lichtmis = losbol, lichtzinnig persoon.
Lierzang = een gedicht, dat onder begeleiding van het spelen op een lier wordt voorgedragen.
Lierzanger = iemand, die een gedicht, onder begeleiding van een lier, voordraagd.
Ligtekooij = prostitué.
Likkebroêr = smuller, gulzigaard.
Links = nauwelijks.
Linksch = onhandig, lomp.
Liverei = bijzondere kleding van een bediende of lakei.
Lion = toongever, salonheld.
Loenen = behagen, aanstaan.
Logeren = huisvesten.
Lommer = schaduw.
Loor gaan, te = vergaan.
Loosheid = slimheid, sluwheid; slimme, sluwe daad.
Loover = gebladerte.
Lorgnet, lorgnon = bril met een verende brug, die op de neus vastknijpt, knijpbril, monocle.
Louter = zuiver, slechts.
Louteren = zuiveren.
Luiken = sluiten, dicht doen.
Luim = humeur.
Luister = glans, schittering.
Luren = luiers.
Luttel = weinig.

Maatje = een inhoudsmaat (0,001 mud = 0,1 liter).
Mantille = manteltje.
Mare = bericht, boodschap.
Marokijn = leer van bokken en geiten huid (eigenlijk leer uit Marokko).
Mastbosch = veel zeilschepen bij elkaar.
Matres = ondelwijzeres, schoolhoudster.
Matrone = deftige, bedaarde vrouw.
Meesmuilen = grimlachen, kwaadaardig lachen.
Meeteelt = het verbouwen van meekrap (Rubia tinctorum), een plant, welke als grondstof dient voor maken van een rode kleurstof.
Meir = meer.
Middelbaar = gemiddeld.
Mijterdrager = bisschop.
Minauderen = behaagziek doen, preuts koketteren.
Misère = ellende.
Misnoegdheid = ontevredenheid.
Mobilair = roerend goed, huisraad.
Modiste = modeontwerpster.
Mom = masker.
Monarch = allenheerser.
Monomaan = een soort waanzinnigheid.
Montering = uniform.
Morel = grote bruine kers.
Morgenland = (dichterlijk) het oostelijk gelegen land.
Morgenster = knots met stekels (wapen voor matrozen).
Muizenest = gepeins.
Musqueeren = iets lekker laten ruiken met muskus.
Mutsaard, ruiken naar de = een ketter zijn, verdacht zijn.

Nabaauwen = iemands woorden herhalen.
Nabob = onderkoning, prins, regent.
Najade = een soort nimf, de de beschermgodin en bewoonster van de bronnen en kleine rivieren was.
Nankingbroek = broek gemaakt van katoen, dat roodgeel geverfd is. Het is genoemd naar de stad Nanking in China.
Natuurstaat = naakt.
Neep = plooi.
Neepjesmuts = plooimuts.
Neering = klandizie, handel.
Neêrzijgen = langzaam omlaag zakken, flauwvallen.
Negotie = handel.
Negotieren = verhandelen.
Negus = warme wijn met suiker en specerijen. Genoemd naar de samensteller, kolonel Francis Negus (overleden 1732).
Nepotismus = onrechtmatige begunstiging van familie en vrienden bij het vergeven van posten.
Nicotiaansche kruid = tabak.
Nimf = naam van de onder- of halfgodinnen bij de Grieken en Romeinen, in de gedaante van mooie meisjes, die niet onsterfelijk waren, maar duizenden jaren leefden.De bezielden en beheersten de voorwerpen der natuur en daaraan hun bijzondere namen aan ontleenden.
Notificatie = kennisgeving.
Nufje = ingebeeld meisje.
Nulliteit = zonder kennis, zonder waarde.
Numismatiek = munt- en penningkunde.
Nymph = vrouwelijk  mythologisch wezen, dat bossen, rivieren bewoonde. Zij wordt voorgesteld als een mooi meisje..

Obstructica = verstoppingen.
Oligarchie = regering ,die uit weinig personen bestaat.
Olm = (zachte) iep.
Omslag = drukte.
Omvâmen = omarmen.
Omzien = ogenblik.
Onder de roos mededelen = in het geheim vertellen.
Onderschragen = ondersteunen.
Ondervinding = ervaring.
Onderzaat = onderdaan.
Ongesteld(heid) = ziek(te).
Ongevergd = ongevraagd.
Onheusch = onbeleefd.
Onkiesch = niet fijngevoelig.
Ontschaken = wegroven, door schaking ontvoeren.
Opwemelen = omhoog kringelen.
Ooft = fruit.
Ootmoed = nederig van gemoed.
Opdischen = voorschotelen.
Opwassen = opgroeien.
Overspringen = overslaan.

Paai = oude man.
Paap = katholiek.
Paapsch = katholiek, pausgezind.
Pair de France = 1. edelman die beschouwd werd als in stand met de vorst op één lijn te staan; hoge vazal van de oude Franse koninigen; 2. lid van het opperste wetgevende lichaam in het Frankrijk van 1818-1848 (gekozen uit de hoge adel).
Palfrenier =  tweede koetsier, koetsbediende (staat achterop de koets).
Paradox = tegenstrijdig.
Pardonneren = vergeven, vergiffenis schenken.
Particuliere = bijzondere.
Paruik = pruik.
Patent = vergunning tot -, bewijs van beroepsuioefening.
Patriciër = 1. iemand, die behoort tot de regentenfamilies van een stad.2. niet-adelijke persoon uit de aanzienlijke voorname stand.
Patroon = baas.
Pedant = schoolmeesterlijk.
Pelmolen = windmolen voor het ontvliezen van o.a. gerst en rijst.
Pendant = tegenhanger.
Perpetuëlen = (Spaanse) aandelen.
Personaadjes = personen.
Phraseologie = verzameling van spreekwijzen.
Physiognomie = gelaastrek, uiterlijk.
Phlegama = traagheid, gebrek aan levendigheid.
Pikbroek = matroos, zeeman.
Pilaarbijter = schijnheilige.
Piquet = kaartspel gespeeeld door twee personen met 32 kaarten.
Plebeier = burger(man).
Plebs = gepeupel.
Pleisteren = verzachten.
Pleitzak = zak waarin stukken voor een rechtzaak in zitten; iemand die langdurig procedeert.
Pleonasmus = overtolligheid.
Pluimgraaf = opzichter van pluimvee.
Plukharen = vechten.
Podagreus = lijdend aan jicht.
Poezelen = mollige.
Polsen = uithoren, de mening vragen.
Ponjaard = dolk.
Postillion = postkoetsier.
Praktizijn = rechtsbeoefenaar, zakenwaarnemer, procureur.
Praesidium = voorzitterschap.
Predestinatie = voorbestemming
Predilectie = voorkeur, vooliefde tot.
Presenteren = voorstellen.
Pretentieus = aanmatigend.
Prevelen = mompelen, onaandachtig bidden.
Principaal = voornaam, hoofdzakelijk.
Procureur = ambtenaar, die in een burgerlijke rechtszaak den geschilvoerende partijen vertegenwoordigd.
Proponent = kandidaat-dominee.
Provisionele = voorlopige.
Punch = drank gemaakt van vijf artikelen n.l. thee, arak, suiker, citroen en water. Het woord punch is afgeleid van het Hindoestaanse woord voor vijf.

Raadpensionaris = belangrijke staatsambtenaar van Holland en West-Friesland.
Reces = overeenkomst, schriftelijke vergelijk.
Recipe = recept.
Recommandeeren = aanprijzen, aanbevelen.
Refactie = korting voor beschadigde goederen.
Regter = juiste
Reizang = koor bij vroegere tooneelopvoeingen, die de gedachten van de toeschouwer vertolkte.
Rellen = babbelen, kakelen.
Rembourseeren = terugbetalen,  vergoeden, dekken (van een wissel).
Reminiscentie = overblijfsel uit een vroegere toestand.
Reppen, (zich) = haasten, (zich).
Reverentie = eerbetuiging, buiging.
Ridicuul = belachelijk.
Roef = overdekte plaats in een trek- of postschuit..
Ros = paard.
Roset = roosvormige sierraad.
Rotting = wandelstok.
Roulade = toonladder.
Ruwaard = landvoogd (uit het Frans afgeleid van regard = opzichter)..

Saletrekel = scheldnaam voor een pronker.
Sanguin = temparmentvol, driftig.
Satyr = naam van Peloponneische bosgoden.
Schaar = menigte.
Schalien = leien.
Schalk = knecht.
Schalke = grappige, guitige, leuke.
Schalksheid = guitigheid, het grappig zijn.
Schellen = bellen.
Scherts = grap.
Schertsen = grappen maken
Schier = bijna.
Schimpen = schelden.
Schoon = mooi.
Schoon = hoewel.
Schootsvel = leren voorschoot van werklieden.
Schorten = mankeren.
Schotschrift = libel, pamflet dan iemand op smadelijke wijze aanvalt.
Schragen = steunen.
Schrapje = streepje.
Schreijen = schreeuwen, roepen, huilen.
Sergie = schuin geweefde wollen stof.
Sijfelen = sluipen.
Sinecurisme = het bekleden van zeer gemakkelijk en voordelige ambten.
Slempmaal = smulpartij.
Slinke = linker zijde.
Sluik = afhangend, plat op het hoofd liggend.
Smeerkaars = kaars, die van vet is gemaakt i.p.v. was.
Smokkelig = de smokkel betreffende.
Snaak = knul, knaap..
Snapster = kletstante, babbelaarster.
Snoeshaan = opschepper.
Soigneren = verzorgen.
Spa = laat.
Speelnoot = speelkameraad, vriend van de bruidegom, vriendin van de bruid.
Speelwagen = plezierrijtuig.
Spelemeien = zich in het voorjaar vermaken (op het land of op het water).
Spenen = van de speen of de borst nemen.
Spitsbroeder = boosdoener.
Souffreeren = lijden.
Spijt = ondanks.
St. Jutmes = nooit, nimmer (Sint Jutte is een niet bestaande heilige).
Staatzucht = buitensporige heerszucht.
Statelijk = deftig, groots.
Stede = plaats.
Steelsgewijs = stiekem, in het geheim.
Sterrenbosch = stervormig plantsoen.
Stichting = bemoediging.
Stijfhoofdig = koppig.
Stoffen = pralen, snoeven, opscheppen.
Stokpaardje = geliefkoosd onderwerp, bezigheid
Stond = uur, tijd.
Stoof = voetenbankje (’s winters verwarmd met gloeiende kolen of warme stenen)
Store = jaloezie, zonnegordijn.
Stout(er) = dapper(der).
Stoutheid = dapperheid.
Strijdakst = strijdbijl.
Strooken = overeenkomen, overeenstemmen; aaien, strelen.
Strophe = couplet, versdeel.
Suizelen = ruisen, suizen.
Sylbe = lettergreep.

Tantalisatie = onbevredigbare opgewekte begeerte, kwelling.
Tantaliseeren = begeerte opwekken, die niet te bevredigen is.
Tauxeren = (de leeftijd) schatten.
Te loor gaan = verloren gaan.
Te onzent = bij ons; bij ons te huis.
Te stade = van pas.
Teemerig = zeurderig.
Teerpenning = geld om er op reis van te eten.
Tenteeren = ondervragen.
Ter sluik = in het geheim, stiekum.
Tering = tuberculose, t.b.c.
Testatrice = erflater.
Theologant = godgeleerde.
Tiendaagsche = soldaat uit de Tiendaagsche Veldtocht  van Nederland in België (1831).
Tijdkring = tijdvak, een zeker tijdsverloop.
Tilbury = licht tweewielig rijtuig.
Tirade = enkele verbonden stijgende en dalende muzieknoten, scherpe uitval, reeks volzinnen of verzen, onafgebroken door iemand voorgedragen.
Tittel = punt.
Toom =  teugel, leidsel, riem.
Toornig = kwaad, boos.
Traittes = wissels.
Trans = rand.
Transigeeren = een vergelijk treffen, tot een schikking komen.
Trawant = handlanger.
Trekschuit = een schip voor het binnenwater, welke met een touw wordt voortgetrokken door paarden of mensen.
Tresse = haarvlecht (ook: goud-, zilverboordsel).
Tronie = gezicht, gelaat.
Trots = ondanks.
Trumeau = penantspiegel; langwerpige smalle spiegel tussen twee vensters.
Tuinkamer = kamer die uitkomt of uitziet op de tuin.

Uit joks = voor de grap.
Uitbazuinen = met veel ophef bekend maken.
Uitdrager = handelaar in 2e-hands goederen.
Uitkrijten (krijtte uit, uitgekreten) = bekendmaken (in kwade zin), uitschreeuwen.
Uitvorschen = onderzoeken.
Uitwinnen = sparen, voordeel verwerven.
Urbaniteit = stadse beschaving, gepaste deftigheid, minzaamheid.

Vaandel = vlag met een stok.
Vaderliefje = soort slaapmuts.
Valkenier = verzorger en trainer van jachtvalken.
Vanen = gelederen.
Vapeur = oprispingen, maagkrampen.
Veelligt = misschien (germanisme van vielleicht).
Veelverwig = veelkleurig.
Veil = te koop.
Vellen = horizontaal richten.
Verbeiden = wachten.
Verbidden = smeken.
Verdrieten (verdroot, verdroten) = leed doen, weerzin veroorzaken.
Verfoeliesel = kwik of folie voor het maken van spiegelglas.
Verhelen = verbergen, verzwijgen.
Verkeeren = veranderen.
Verknocht = gehecht, gebonden, verplicht.
Verkwijnen = lusteloos zijn tijd slijten..
Vermaken = nalaten, erven.
Vermaardheid = beroemdheid.
Vermeien in, zich = zich in de open lucht vermaken.
Vermetel(e) = dapper(e).
Vermeten, zich = de moed hebben om, veroorloven.
Veroesterd = gesloten.
Verschalken = misleiden, foppen.
Verschiet = toekomst.
Verstaan = begrijpen.
Verwaten = verwaand.
Verwatenheid = verwaandheid.
Verwen = verfen, schilderen.
Verwijlen = verblijven.
Verwittigen = waarschuwen.
Verzoeking = verleiding.
Veil = te koop.
Viezevazen = grillen, kuren (hebben).
Vigilante = kleine huurkoets.
Vilder = iemand, die het afstropen van dierenhuid, als beroep heeft. Ook wel koudslager genoemd.
Viseeren = goedkeuren.
Vlasbaard = jonge knaap.
Vlaskop = iemand met blond haar.
Vlegel = lomperd, boerenkinkel.
Vlieten = stromen.
Vlijmen = openen, doorsteken.
Volle vier zesjes = 24 jaar oud.
Volontair = vrijwilliger, onbetaalde kantoorbediende, leerling.
Voor goede munt kan doen aannemen = kan vertrouwen.
Voorslaan = voorstellen.
Voorslag = enkele slag vóór  het spelen of slaan van de (toren)klok.
Voorspook = voorteken van een naderend ongeluk.
Voortvaren = doorgaan.
Voorzaat = voorvader, stamvader, -moeder.
Voorzanger = iemand die in een kerk de gemeente voorgaat in de zang.
Vrederijck = een andere bijnaam van Prins Fredrik Hendrik (de Stededwinger).
Vreempje = vreemdeling, vreemd, zonderling persoon.
Vrijgeest = iemand, die zonder vooroordeel en zonder zich door voorgeschreven grenzen te laten beperken, denkt en handelt.
Vroed = wijs.
Vrouwentimmer = vrouwspersoon.

Waardgelder = huursoldaat.
Walg = hekel.
Want = scheepstouwwerk.
Waratje = verzachtend voor waarachtig.
Wassen = groeien.
Wawelziek = graag langduring en vervelend praten.
Weêrspoed = tegenslag.
Wegdassen = met een zachte schilderskwast de kwaststrepen wegwerken.
Wetten = slijpen.
Weidsch(e) = prachtig(e), luisterrijk(e), uitbundig(e).
Wel = (water)bron.
Werwaarts = waarheen.
Wezelwinnaar = veroveraar van Wezel (Prins Frederik Hendrik)
Whiskers = snorharen.
Wichtje = klein kind.
Wigt = gewicht.
Wigtig = belangrijk.
Wikken = langdurig over iets nadenken..
Wijl = poos, tijdje.
Wijze = melodie.
Wildzang = onbesuisd kind, mens zonder ernst.
Wimpelpronk = siervlag.
Winkelkast = etalage.
Wispelturig = onrustig, wild.
Wit = doel.
Woelgeest  = oproerkraaier.
Woelwater = onrustig persoon.
Wulp = onbezonnen jongeling.
Wulpsch = speels, dartel, brooddronken.

IJlings = haastig.

Zengen = schroeien, licht branden.
Zijdewee = pleuritis.
Zoel = benauwd, loom.
Zwang = mode, gebruik, gewoonte.
Zwarigheid = moeilijkheid, bezwaar, tegenwerping.
Zwartrok = bijnaam voor katholiek geestelijke, in het bijzonder voor priester.
Zwerk = hemel.


Cats = Jacob Cats (1577-1660)

Feith = Rhynvis Feith (1753 - 1824).

van Hall = redacteur van „De Gids”.
Helmers = Jan Fredrik Helmers (1767-1813).
Hooft = Pieter Cornelis Hooft (1581 - 1647).
Huygens = Constantijn Huygens (1596 - 1687).

Kempen = Thomas van Kempen (Thomas à Kempis).

Solon = wetgever der Atheners (659 - 559 v. Chr.) Voerde de timocratie in, d.i. een staatsinrichting waarin de rechten en verplichtingen van een burger niet wordt geregeld naar geboorte, maar naar het vermogen.

Tollens = Hendrik Tollens (1780-1856).

Vondel = Joost van den Vondel (1587 - 1679).


1) Wij jagen niet naar woordspelingen; maar kunt gij uwen grimlach weêrhouden, wanneer wij u zeggen, dat mevrouw N. C. van Streeek ons van dit blijspel eene vertaling schonk? Welk een tijd!

2) Comédie en cinq actes et en prose. Paris, J.N. Barba, libraire, au Palais-Royal etc 1837.

3) Het is overdwaas, het teekent zwakheid, het mag schandelijk heeten, zich aldus voor vermaardheid in het stof te buigen, aldus de zuiverste en heiligste welvoegelijkheden des lezens aan de zegekar eens afgods prijs te geven, om die naar lust te vertrappen en te verguizen.

4) Neen, laat der zegevierende genie geofferd worden, wat zij in hare stoutste droomen wenschenswaard achtte; doch de aanbidding gelde hare hoogste en edelste hoedanigheden, en men bedrijve geene lage afgoderij, door hare gemeenste en slechtste te huldigen!

5) Weg met den listigen drom! – ik zoude liever een der boerenkinkels zijn, die hier om mij heen drentelen en niet meer verstand hebben, dan om zich in de warmte der middagzon te koesteren, die boven mijn hoofd staat; dan als zij, ten vloek met de hoogste soort van genie bedeeld, die in hun hart geenen wederklank vindt, te gelijk alles te wezen, wat er in de gansche schepping schitterendst en verachtelijkst, verhevenst en laagst is!