Aamborstige = kortademig persoon.
Aanblazing = inspiratie, bezieling.
Aanminnig = bevallig, lief, innemend.
Aanspraak = redevoering.
Aanvallig = bevallig, liefelijk, bekoorlijk.
Abel = kundig, bekwaam.
Abdis(se) = kloostervoogdes.
Abelheid = kundigheid, bekwaamheid.
Accompagnement = begeleiding.
Achterhoudendheid = welberekende stilzwijgendheid, geheimhouding.
Aesthetiek = leer der schoonheid.
Affectatie = gemaaktheid.
Afgetrokken = abstract.
Afreize = vertrek.
Afzijns = afwezigheid.
Albast = zuiver blank.
Aldus = op deze manier.
Allengs = langzaam, van lieverlede.
Allerheiligsten Vader = de titel van de Paus.
Altoos = altijd.
Ambra = amber, kostbare, welriekende vettige stof uit de darmen van de potvis.
Amoureusheid = verliefdheid.
Anker = wijn maat, 45 flessen groot.
Antichambre = voor-, zijkamer.
Asagoden, Asen= Het van Odin afstamende goden geslacht.

Baaitje = hemd.
Baar = zonder enige vermomming.
Bacchus = een andere naam voor Dionysus, de god van de wijnbouw.
Balder = Germaanse god van het licht.
Banier = vaandel.
Banvonnis = banvloek, banbliksem.
Bard = Gallische zanger en dichter.
Barnen = branden.
Bassen = blaffen.
Bataille = gevecht.
Bede = verzoek.
Beemd = vlak, waterrijk land.
Behaagzieke = iemand die overdreven tracht aangenaam te zijn.
Beiden = wachten.
Bekollen = beheksen, betoveren.
Bekommering = angst, ongerustheid.
Bekoorlijk = verleidelijk.
Ben = mand.
Benedictijn = monnnik in de orde van Benedictus in 424 gesticht.
Benevelden = mistige.
Bent = genootschap, vereeniging, partij, bende.
Bescheid doen = beantwoorden.
Bescheiden = berichten.
Beschonkenheid = dronkenschap.
Besteken = aanbieden, omkopen.
BestevaÍr = oud mannetje.
Beuzelaar = iemand die zich met onbelangrijke zaken bezig houdt.
Bewassen = begroeid.
Bewilligen = toestemmen.
Bidden = verzoeken, smeken.
Bijlo = waarachtig.
Bijster = erg, zeer.
Bijtebauw = bullebak, boos mens.
Bijwijlen = soms.
Bleek = grasveld waarop men linnengoed wit laat worden in de zon.
Blikken = kijken.
Bloed = onnozel, arm.
Blood = beschaamd.
Blooheid = erge beschroomdheid, grote bedeesdheid.
Blus = leeg.
Boelhuis = veiling.
Boeltje = geliefde.
Boert = humor.
Boeten = voldoen, bevredigen.
Borst = knaap, jongen.
Borst uit = onvoltooid verleden tijd van uitbarsten.
Borstkuras = borstharnas.
Boter aan de galg gesmeerd, het = het is vergeefs.
Brassen = schransen, vreten.
Braven = dapperen.
Braveren = trotseren.
Brekebeen = klungel, onhandig persoon.
Bruijen = schelen.
Brutaliseren = op groffe wijze behandelen.
Buffel = onbeschofte kerel, lomperd, vlegel.
Buitendien = daarenboven, behalve het vorige.
Bus = geschut.

Calumet = vredespijp.
Cavalcade = optocht te paard, plezierrit in gezelschap.
Chits = bedrukt katoen.
Christus’ Stedehouder = de paus, de plaatsvervanger van Christus op aarde.
Cijns = belasting, tol, schatting.
Cijnsbaar = belastbaar.

Daalder = Hollandse munt ter waarde van f 1,50. (afgeleid van het Duitse woord Thaler)
Dartel = loszinnig, baldadig, wulps.
Dartelen = spelen.
Dauwen = het vallen van de dauw, druppelen.
De(e)moedig = nederig.
Deern(e) = meisje.
Deernis = medelijden.
Derwaarts = daarheen.
Desolate-Boedelkamer = kantoor van onbeheerde nalatenschappen (te Amsterdam).
Deun = melodie.
Dewijl = omdat.
Diaken = armenverzorger.
Diatribe = geleerde verhandeling, hevige kritiek, spotschrift.
Dichting = verzinsel, fantasie.
Dier = dierbaar.
Dijn = jouw, uw.
Dikmaals = vaak.
Dikwerf = vaak.
Discipel = leerling, volgeling.
Dissel = boom tussen de paarden van een tweespan voor een wagen.
Dolheid = gekte.
Dommelen = gonzen.
DoodŽter = nietsnut, leegloper.
Doolen = zwerven.
Dorpel = drempel.
Dos = kleding.
Dra = spoedig.
Draperie = omkleding.
Dreef = laan.
Drift = kudde.
Drijven = vormen, uitkloppen.
Drijvende = dwingende.
Drillen = zwaaien.
Droes = duivel.
Drom = menigte.
Druiloorig = talmend, slaperig, lusteloos.
Dryade = bosnimf.
Dweeper = fanaticus, overspanne aanhanger van een idee of godsdienst.
Dwingelandij = onderdrukking, tirannie.

Eenparig = algemeen.
Eensklaps = plotseling.
Eigen = zelfde.
Eilieve = och!, kom!, wees zoo goed!
Egelantier = soort wilde roos.
Elegie = treurgedicht, klaagzang.
Elpen = ivoorkleurig.
Epicurist = wellusteling, genotzuchtig persoon.
Erbarmen = medelijden hebben.
Erin = oude naam voor Ierland.
Eunjer = spook.
Euvel duiden = kwalijk nemen.
Evel = evenwel.

Faam = roem.
Falie = (regen)mantel.
Feeks = kwade, driftige vrouw.
Fier = trots.
Flerecyn = jicht.
Floddermoer = vuile, slordige vrouw.
Floers = sluier.
Floerslint = lint van ongekookte, ruwe zijde.
Fluit = smal, lang, taps toelopend drinkglas.
Fluks = snel.
Freule = adelijke ongetrouwde juffrouw.
Freya = Germaanse godin van de liefde en vruchtbaarheid.
Fy = foei.

Gaarne = graag.
Gade = echtgenoot, echtgenote.
Garnizoen  = legerafdeling die een vaste standplaats heeft in en stad of vesting; bezetting in vredestijd.
Gebom = luiden.
GeŽngageerde = verloofde.
Gekskaproen = narrenmuts, zotskap.
Gene = andere.
Genius = beschermer.
Getijdeboek = boek waarin de rooms-katholieke gebeden staan en het tijdstip waarop zij gebeden moeten worden.
Gewiekt = gevleugeld.
Gewigt = belang.
Gewis = zeker.
Gindsch(e) = (wat) daar (staat/ligt).
Gramschap = woede
Gramstorig = woedend.
Grande = Spaanse edelman van de hoogste rang.
Grandiose = enorme, grootse.
Grenadier = keursoldaat van de infanterie (eigenlijk: een soldaat die granaten werpt).
Grieven = kwetsen, beledigen.
Grimlach = grijns.
Grimlachen = gemeen lachen, grijnzen.
Grombaard = oudgediende, veteraan.
Gudsen, gutsen = overvloedig stromen.
Guinje = gouden munt ter waarde van 21 Engelse shilling (105 hedendaagse Engelse pennies).
Gul = rul.

Hand slaan aan, de = vermoorden.
Have = bezit.
Heerenknecht = lakei, butler.
Heeten = noemen.
Hellebaard = een speer met bijl op een lange steel waarmee gestoken en gehouwen kan worden.
Heimelijks = stiekum, in het geheim.
Heisa = moedig, lustig.
Helmet = helm.
Hermitage = verblijfplaatskluizernaarshut.
Herwaarts = hierheen.
Heugen = herinneren.
Heusch = beleefd.(bijvoegelijk naamwoord en bijwoord).
Hofjonker = adelijke hofbeambte.
Hofman = opwekkend en krampstillend geneesmiddel, gebruikt tegen zenuwen en flauwgevallenen bij te brengen. Het middel is genoemd naar de Duitse arts Friedrich Hoffman (1660-1742).
Hoofsch = vormelijk, beleefd.
Hopman = hoofdman, kapitein.
Hoveling = persoon aan het hof van een edelman, spottend: onoprecht mens, iemand die doet alsof.
Huiden = heden.
Huiven = bedekken.
Huisman = landman, boer, dorpeling.
Huizing(e) = huis.
Hupsch = knap, mooi.

Inblazing = ophitsing.
Insluimeren = in slaap vallen.
Inzitten = verblijven.

Jammer = leed.
Jegens = ten aanzien van, tegenover.
Jobsbode = brenger van een onheilstijding.
Jokkernij = scherts, grappenmakerij.
Joks = grap, scherts.
Jolyselijk = vrolijk.
Jolijt = vreugde, vrolijkheid.
Jonnen = gunnen.

Kabinet = fraai kunstwerk.
Kabinetstuk = groot schilderij.
Kamizool = vest.
Kapiteel = bovenkant.
Kaproen = hoofddeksel.
Kenau = manwijf (genoemd naar Kenau Simonsdochter Hasselaar, die bij het beleg van Haarlem in 1572-73 erg moedig vocht).
Kerfstaf = hout waarme met insnijdingen de geconsumeerde hoeveelheden drank en eten werden bijgehouden.
Kerven (korf/kerfde, gekorven) = snijden.
Keurvorst = Koning, die gerechtigd was om de Duitse keizer te helpen kiezen.
Kimme = horizon.
Kitsen = afschieten.
Klepper = draver (paard).
Kloek = dapper, moedig.
Kloekhartig = moedig, onversaagd.
Kloekheid = dapperheid.
Kloekken = dapperen, moedigen.
Kloekmoedigheid = dapperheid.
Kluchtig = grappig.
Knevel(baard) = snor.
Knorren = ontevredenheid tonen.
Koddig = grappig, leuk.
Koelt(j)e = briesje, windje.
Koloriet = kleurtoon, tint, gloed.
Konterfeiten = portreteren.
Koorbisschop = titel van de bisschoppelijke plaatsvervanger tot in de 16e eeuw.
Korf = mand.
Kornel = kolonel.
Kostkooper = iemand die zich ergens in de kost koopt of gekocht heeft.
Krankte = ziekte.
Krebbe = voerbak.
Krieken = aanbreken.
Krijg = oorlog.
Krijten (kreet, gekreten) = schreeuwen.
Kroost = kinderen.
Kwant = vrolijk iemand.
Kweelen = zingen.

Laaije = kolkende.
Lacy = helaas.
Laaken = afkeuren.
Lagerhand, aan de = links.
Lasteren = zwaar beledigen, honen.
Lauwer = onderscheiding, bekroning.
Lebbig = spijtig, smadelijk, beleedigend, overmoedig.
Leep = doortrapt.
Leest = middel.
Leger = bed.
Lemmer = het scherp van een mes.
Lies = een soort vlotgras.
Ligt(er) = eenvoudig(er), gemakkelijk(er).
LikkebroÍr = pimpelaar, zuiplap.
Lispelen = ruisen.
Lommer(rijk) = schaduw(rijk).
Lont ruiken = onraad bemerken.
Loosheid = slimheid, sluwheid.
Loover = bladeren.
Loshoofd = losbol.
Louter = zuiver, slechts.
Lubben(tuig) = halskraag.
Luiken (look, geloken) = sluiten, dicht doen.
Luimen = humeur.
Luiphoed = hoed met een brede rondom neergeslagen randen gelijkend op de Spaanse sombrero.
Lust = zin, trek, plezier.
Lusthof = pleiziertuin.
Lustig = vrolijk.
Lustigheid = vrolijkheid.

Madera = wijn van het eiland Madeira.
Malen = schilderen.
Mallen = zich gek aanstellen, zich als een dwaas gedragen.
Malvezy = zoete wijn uit de stad Napoli di Mavasia; gedestileerde wijn uit de Provence.
Mank gaan = gebrek hebben aan.
Mare = bericht, nieuws.
Marokijn = geitenleer (eigenlijk Marokkaans leer).
Marren = aarzelen.
Mastik = welriekende hars.
MeÍ, mede = bier.
Meeren = merries, paarden.
Meir = meer, plas.
Min = liefde.
Minnenijd = jaloezie in de liefde.
Minnezanger = minstreel, troubadour
Moei = tante.
Monarch = vorst, koning.
Muscadijn = fat, modegek.
Musceliaat = muskus.
Muts hebben, de = verliefd zijn

Najade = beschermgodin en bewoonster van een bron of rivier.
Naturelletje = pruik.
Nering = handel.
Nikker = duivel, boze geest.
Nimf = naam van de onder- of halfgodinnen bij de Grieken en Romeinen, in de gedaante van mooie meisjes, die niet onsterfelijk waren, maar duizenden jaren leefden.De bezielden en beheersten de voorwerpen der natuur en daaraan hun bijzondere namen aan ontleenden.
Nimrod = groot liefhebber van de jacht. Kleinzoon van van Cham; een fantatische jager.
Noen = middag.
Noppen = kleren.
Norsch = bars, knorrig, stuurs.
Novelle = klein romantisch verhaal.

Odin = Germaanse oppergod, hoofd van de goden geslacht der Asen.
Offerande = elke gift, welke men als een zichtbaar teken van dankbaarheid, verering, onderwerping, enz. aan een godheid opdraagt.
Officie = ambt, betrekking, dienst, ambtsvervulling.
Olijk = vrolijk.
Omhuiven = omhullen.
Omzonst = te vergeefs.
Onderscheid = verschil.
Onderscheiden = verschillend.
Onderstelling = stelling die men aanneemt ter verklaring van waarheden, verschijnselen en feiten, waarop men een theorie wil gronden; hypothese.
Ondieft = buitengewoon.
Ontdekken = openbaren, mededelen.
Ondervinding. = ervaring.
Ongezengd = niet geschroeid.
Ontvijnzen = iets verborgen houden, niet uitkomen voor iets.
Ontvlieden = onvluchten.
Onzijdigheid = neutraliteit, onpartijdigheid.
Oorsmeekerij = vleierij.
Ootmoed(ig) = nederig(heid).
Op een droogje = zonder (te) drinken.
Op zijde = naast.
Opgeruimd = goed gehumeurd.
Opkamer = kamer boven een kelder en dus iets hoger gelegen als de andere kamers.
Opluiken = er beter uit gaan zien.
Opvijzelen = erg prijzen, ophemelen.
Ordonnantie = opvatting, schikking.
Outer = altaar.

Page = vlinder.
Pardoes = waarachtig.
Partij van trekken = voordeel van hebben.
Passedijsen = (passer le dix) dobbelspel, waarbij met drie stenen boven de tien en daarbij op twee stenen het zelfde aantal oogen moet gooien.
Pelgrim = bedevaartganger, iemand die naar een andere plaats reist om daar godsdienstige handeling te verrichten.
Philippica = straf-, boeterede.
Physiognomist = gelaatkenner, gelaatkundige.
Pijpenmandje = mand waarin men lange Goudse pijpen verzond.
Pionies = pioenroos.
Pittoresk = schilderijk.
Plakkaat = bevelschrift (vanwege de regering).
Pluimstrijken = vleien.
PoŽet = dichter.
Ponjaard = korte degen, dolk.
Pralen = schitteren.
Prik = stok met een scherpe punt.
Provisie = voorraad.

Rapier = lange degen.
Rector = geestelijk leider van een klooster of gesticht; kapelaan.
Reet = kier, spleet.
Regent = bestuurder.
Regt = werkelijk, gelijk.
Rekel = deugniet.
Reppen, zich = zich haasten.
Residentie = verblijf of woning van een vorst; de bijnaam van ’s-Gravenhage.
Restauratie = herstelling van een oud vorstengeslacht op de troon.
Rijknecht = stalknecht.
Rijm = bevroren dauw, tot ijskristallen bevroren waterdamp.
Rinkelrooijer = prostituť.
Rinkinken = veel lawaai maken.
Rival = medeminnaar.
Roer = Vuurwapen.
Romanesk = dweeperig.
Ros = paard.
Rosennobel = Oud engelse gouden munt, welke Eduard III van 1343-1377 liet slaan Op de voorzijde ziet men een schip met een roos op de zijde. Daarin staat of zit de koning, die in de rechterhand een zwaard en in de linker een wapenschild houdt. Omschrift: Edward. D. Gr. R. Angl. Z. Franc. Dns ib. Aan de keerzijde ziet men een achtbladige roos, waarin vier gekroonde leeuwen in in het midden een ster; omschrift: J. H. S. (Jezus) Aut Fransiens per Medium, Illorum Ibat. .
Ruchtbaar = algemeen bekend, wereldkundig.
Rusting = wapentuig.

Sacristy = vertrek, waarin gewijde boeken, vaatwerk en ander soortgelijke zaken bewaard worden. Hier worden ook door de geestelijke, die handelingen verricht, welke niet in het openbaar plaats hebben.  .
Samaar = deftig vrouwenkleed.
Satyr, sater = bosgod.
Scapulier = mantel.
Schaal = onzekerheid.
Schaar, schare = menigte.
Schaars = sporadisch, zelden.
Schalk = pretmaker.
Schalksch = ondeugd.
Schalm = schakel van een ketting.
Schellen = bellen.
Schendig = schandelijk, eerrovend.
Schepen = wethouder.
Schepenkennis = pandbrief, hypotheek.
Schier = bijna. (schiereiland = bijna een eiland).
Schildmaagd = dienares.
Schimmel = wit paard.
Schoffeeren = verkrachten, onteren.
Schoon = hoewel.
Schoone = mooie.
Schoren = steunen.
Schout = gerechtelijke beambte (’commisaris der politie’).
Schraal = mager, slank.
Schraalhans is keukenmeester = hier krijgt men weinig te eten.
Schreien = huilen.
Schromen = aarzelen, nauwlijks durven.
Schroom = aarzeling, bedaasdheid.
Sidderen = beven, bibberen.
Silenus = trouw gezel van Dionysus (Bacchus); voorgesteld als een grappige, zware, oude man met een baard.
Sinjeur = mijnheer.
Skald = noordse dichter, die door zang en gedicht de geheimen van de godsdienst, de daden van de helden van vorige geslachten onder zijn tijdgenoten probeerde te roemen.
Smart(e) = verdriet.
Smous = scheldnaam voor jood.
Snaak = knaap, kerel.
Snebbe = voorpunt van een schip.
Sneven = sterven, sneuvelen.
Snorren = snel bewegen met een suizend geluid.
Soigneeren = verzorgen.
Somwijlen = nu en dan.
Span = twee of meer voorgespannen dieren.
Spie = spion.
Spinde = provisiekast, voorraadkamer voor voedsel.
Spinrok = garenklos.
Spiritus = alcoholische drank.
Spitsbroeder = boosdoener.
Spoorslag = prikkel, aanmoediging.
Stanza = couplet.
Statelijk = deftig, groots.
Statig = stemmig, deftig.
Steken onder water = onaangename dingen zeggen welke niet rechtstreeks worden uitgesproken.
Sterkte = kasteel.
Stoeterij = fokkerij.
Stoffaadje = stoffering.
Stokebrand = onrustoker, oproerling.
Stokpaardje = geliefkoosd onderwerp, bezigheid, hobby.
Stond(e) = uur, tijd.
Stooten, stootte/stiet, gestooten = stoten.
Stoutheid = dapperheid.
Strooken = overeenstemmen.
Stroomnimf = najade.
Struif = uitgestorte inhoud van eieren.
Stuipekop = slecht gehumeurd persoon, sacherijn.
Stulp = hut, boerenwoning.
Sylbe = lettergreep.

Tabbaard = lang statiegewaad, toga.
Tarten = trotsteren, uitdagen, tergen.
Tave(e)rne = herberg.
Telg = afstammeling.
Te loor gaan = verloren gaan.
Te(n) zijnent = ten zijne huize, bij hem, in zijn huis.
Te(n) uwent =  ten uwen huize, bij u, in uw huis.
Temperen = verminderen.
Tempermes = mes met een lang dun blad, ovaal van vorm om de verven op een palet te roeren, schrapen en fijn te wrijven.
Thor =Noordse god van de donder. (Bij de West-Germanen hij hij Donar.)
Tigchelsteen = tegel.
Tijding = bericht, nieuws.
Tiktak = triktrak, een bordspel gelijkend op backgammon.
Toets = proef.
Toeven = wachten.
Togen = trekken.
Tonteldoos = aansteker.
Toornig = boos, kwaad.
Trajectum = de oude naam van de stad Utrecht.
Trant = manier.
Trantelen = wandelen, drentelen, langzaam lopen.
Treek = list.
Trein = stoet.
Trek = keer.
Trocenten = dobbelspel waarbij 300 punten behaald moet worden.
Troefspul = kaarten.
Trompet steken, op = op de trompet blazen.
Tronk = stam.
Trony = gezicht.
Tuchtiger = bestraffer.
Twistenden = vechters, ruziemakers.

Uchtendstond = morgenuur.
UED = uwe edele.
Uitdrager, uitdraagster = handelaar in gebruikte goederen.
Uitspansel = dampkring, firmament.

Vaandel = een vlag, welke op een stok gedragen wordt met de hulp van een gordel om de heup van de drager.
Valhalla, Walhalla = paradijs, hemel waarin de de Germaanse krijgers kwamen, als zij in de oorlog vielen.
Valkyrier, Walkure = Noordse strijdgodinnen, die de gesneuvelde strijder naar het Valhalla voerden.
Vedel = viool.
Veege = in een netelige, hachelijke situatie verkerend.
Veelligt = misschien.
Veelverwig = veelkleurig.
Veil = bereid.
Veil = onkuis.
Veil hebben = bereid te offeren.
Veinzen = doen alsof.
Vellen = horizontaal richten.
Vendel = een afdeling soldaten.
Verbeiden = verwachten.
Verdoolde = afgedwaalde van de leer.
Verdrieten = spijten.
Verduft = verstikt.
Verheelen = verbergen.
Verhoovaardigen, zich = trots zijn op.
Verkeerbord = triktrak, een bordspel gelijkend op backgammon.
Verkonden = mededelen.
Verlof = toestemming, vergunning.
Verlustigen, zich = zich vermaken, genoegen scheppen.
Vermeesteren = veroveren, overmeesteren.
Vermeiden, zich = zich vermaken (als in de maand mei).
Vermetel = dapper, moedig.
Vermeten, zich = de moed hebben om, veroorloven.
Vernuften, vernuftigen = geleerden.
Verschiet = verte, horizon, toekomst.
Verscheiden = overleden.
Verschonen = vergeven.
Verschoonbare = vergevelijke.
Versmoren = verstikken.
Verspieder = verkenner, spion.
Verstalen = hard worden als staal.
Versteken = verstoppen, verbergen.
Verstramd = verstijfd.
Vervaarlijk = angstwekkend, schrikaanjagend.
Verweend = weelderig, kostbaar.
Verwen = kleuren.
Verwerven = verkrijgen.
Verwijlen = verblijven.
Verwijls = verblijf.
Verzengen = schroeien.
Vesper = namiddag- en avondgodsdienstoefening.
Vlaggendoek = linnen.
Vlassen op = verlangen naar.
Vlerken = vleugels.
Vlieden (vlood, gevloden) = vluchten.
Vlieten (vloot, gevloten) = stromen.
Voetangel = drie of vier scherpe punten, die zo aanelkaar zitten, dat er altijd ťťn naar bovensteekt. Wordt gebruikt om dieven te weren.
Voldingend = afdoend, overtuigend, beslissend.
Vond = vondst.
Vonder, vlonder, vondel = losse brug of plank over een sloot.
Voorzeker = inderdaad.
Vos = paard met bruinrode, bruingele maan- en staartharen.
Vroed = wijs.
Vroom = gelovig.

Waarlijk = stellig, zeker, naar waarheid.
Waggelen = wankelen, niet vast staan.
Wakker = dapper.
Wambuis = kledingstuk dat behalve de borst ook een deel van het onderlichaam bedekt.
Wankelmoedig = besluiteloos, aarzelend.
Wapenbord = naamschild.
Waslicht = kaars van (bijen)was gemaakt.
Wassen = groeien.
Waterlanders = tranen.
Weder = weer.
Wee = verdriet, ongeluk.
Weenen = huilen.
WeÍrhaan = windwijzer in de vorm van een haan op een gebouw; (figuurlijk) iemand die met alle winden meewaait.
Weiden = rondgaan.
Welligt = misschien.
Wen = wanneer.
Werpspiets = speer.
Werwaarts = waarheen.
Wicht(je) = meisje.
Wiegelen = onophoudelijk in beweging zijn.
Wierde = werd.
Wigt = zwaarte, gewicht.
Wijl(e) = poos, tijdje.
Wildzang = losbol, onbesuisd mens.
Wimpelpronk = siervlag.
Wit = doel.
Woelwater = onrustig persoon.
Wulp = onbedachtzame jongeman.

 

Zaagt = zag.
Zevendelei = allerlei.
Zicht = handzeis, sikkel (voor het maaien van koren en gras).
Zinkroer = pistool.
Zoeken = proberen.
Zoetertje = liefje.
Zuurmuilen = zuur kijken.
Zweren = vloeken.


1) I Sam. I: 27 cn 28. (Overzetting van 1589.)

Vertaling Statenbijbel (1951).

I Sam. I: 27   Ik bad om dit kind, en de HEERE heeft mij mijn bede gegeven, die ik van Hem gebeden heb.
I Sam. I: 28   Daarom heb ik hem ook den HEERE overgegeven al de dagen, die hij wezen zal; hij is van den HEERE gebeden. En hij bad aldaar den HEERE aan.

 

Job 1:14  Dat een bode tot Job kwam, en zeide: De runderen waren ploegende, en de ezelinnen weidende aan hun zijden.
Job 1:15   Doch de SabeŽrs deden een inval, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.

1SamuŽl 23:1 En men boodschapte David, zeggende: Zie, de Filistijnen strijden tegen Kehila, en zij beroven de schuren.
1SamuŽl 23:2 En David vraagde den HEERE, zeggende: Zal ik heengaan en deze Filistijnen slaan? En de HEERE zeide tot David: Ga heen, en gij zult de Filistijnen slaan en Kehila verlossen.

Genesis 10:8 En Cusch gewon Nimrod; deze begon geweldig te zijn op de aarde.
Genesis 10:9 Hij was een geweldig jager voor het aangezicht des HEEREN; daarom wordt gezegd: Gelijk Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht des HEEREN.

Richteren 4:21 Daarna nam JaŽl, de huisvrouw van Heber, een nagel der tent, en greep een hamer in haar hand, en ging stilletjes tot hem in, en dreef den nagel in den slaap zijns hoofds, dat hij in de aarde vast werd; hij nu was met een diepen slaap bevangen en vermoeid, en stierf.
Richteren 4:22 En ziet, Barak vervolgde Sisera; en JaŽl ging uit hem tegemoet, en zeide tot hem: Kom, en ik zal u den man wijzen, dien gij zoekt. Zo kwam hij tot haar in, en ziet, Sisera lag dood, en de nagel was in den slaap zijns hoofds.

HaggaÔ 1:4 Is het voor ulieden wel de tijd, dat gij woont in uw gewelfde huizen, en zal dit huis woest zijn?
Genesis 3:24 En Hij dreef den mens uit; en stelde cherubim tegen het oosten des hofs van Eden, en een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde, om te bewaren den weg van den boom des levens.