Aanblazing = inspiratie, ingeving, bezieling.
Aanleggen = beginnen.
Aanvallig = bevallig, liefelijk, bekoorlijk.
Aanwrijven = toerekenen, aantijgen.
Adelbrief = bewijs van adeldom.
Adie = goedendag.
Aeoolsche harp = windharp.
Afrabbelen = afraffelen.
Afvergen = vorderen, eisen.
Afzijgen = naar beneden vloeien.
Airen = korenaren
Aldermen = overheidspersonen in Engeland, vergelijkbaar met onze wethouders.
Allengs = langzaam, van lieverlede.
Allongepruik = pruik voor het verlengen van het haar.
Altemaal = alles tezamen.
Altoos = altijd.
Anachronisme = fout in de tijdmelding bij vermelding van historische feiten.
Anathema = banvloek.
Apanage = toelage uit de schatkist aan leden van een koninklijk huis.
Apocryfe = niet officiŽle bijbeldelen.
Ar = arreslee.
Arabesk = ornament, versiering.
Aristocratie = heerschappij door de adel.
Armblaaker = kandelaar met armen.
AtheÔst = godloochenaar.

Baar = golf, woeling.
Bakeren = op een kraamvrouw en haar babies passen en verzorgen; figuurlijk koesteren, warmen.
Balsemen = doen geuren.
Bandeloosheid = wild, onordelijk.
Banier = vierkante vlag met een stok
Bar = ruw.
Bare = open, blote.
Baroque = grillige, zonderlinge.
Bede = verzoek.
Beemd = vlak, waterrijk land.
Behagen = genoegen scheppen aan, bevallen.
Beschimpen = beledigen.
Beschimper = belediger.
Bestemoer = overgrootmoeder.
BestevaÍr = overgrootvader.
Bestieren = besturen, besteden.
Betweterij = het beter weten als anderen.
Bezwangeren = doortrekken.
Bidden = verzoeken, smeken.
Bij wijlen = soms.
Billet = kaartje voor een toneelvoorstelling.
Billijk = rechtmatig, redelijk.
Billijkheid = rechtmatigheid, redelijkheid.
Blaam = berisping
Blaken = sterk aanwezig zijn.
Blanketsel = wit gezichtspoeder.
Blazoen = wapen.
Bloedje = stakker, ongelukkige.
Blood, bloŰ = beschaamd.
Boetsermoen = boetegebed.
Bolderwagen = overdekte boerenwagen zonder enige vering.
Bondel = bundel (nevenvorm).
Borgen = lenen.
Botvieren = de ruimte geven (eigenlijk: een touw de ruimte geven).
Broeijerij = plaats waar eieren door broedkippen of een broedmachine worden uitgebroed.
Brouille = onenigheid.
Buiten kijf = onbetwist.
Buitendien = daarenboven, bovendien.

CalÍche = vierwielig open rijtuig.
Cantatrice = zangeres.
Caprice = voorbijgaande liefde, gril.
Carmagnole = een patriottisch lied tijdens de eerste Franse revolutie.
Cerebellum = de kleine hersenen
Chartist = aanhanger van een arbeidersbeweging in Engeland (1830-1848) tot het verwerven van staatkundige rechten.
Cijnsbaar = belastbaar.
Comparitie = vergadering, bijeenkomst.
Confu(u)s = verbluft, verward.
Coquetterie = behaagzucht met name tegenover het andere geslacht.

Dartel = loszinnig, baldadig, wulps.
Dartele = dartel persoon.
Dartelen = spelen, loszinnig zijn.
Declamatie = voordracht.
Deernis = medelijden.
Delirium = waanzinnigheid, ijlende koorts.
Demoedig = nederig.
Derven, dierf, gedorven = missen, ontberen.
Derwaarts = daarheen.
Despotismus = heerszucht.
Dewijl = omdat.
Diadeem = koningskroon.
Dier = van die, aan die.
Diets = wijs.
Dikwerf = vaak, vele keren.
Dissertatie = proefschrift.
Dito = ook zo een.
Doffer = mannetje (van een duif).
Dolen = zwerven.
Doodverw = grondverf.
Dooreenhaspelen = alles verward behandelen c.q. voordragen.
Dra = spoedig.
Dreef = laan.
Dreumel = klein kind.
Driest = onbesuisd, blind.
Drom = menigte.
Drommel = duivel.
Dut = dwaling.

Eilieve = och!, kom!, wees zoo goed!
El = lengtemaat voor stof van 69 centimeter.
Elegie = treurgedicht, klaagzang.
Engagement = verloving.
Engelenbak = goedkoopste rang in een theater. Het bevindt zich in het hoogste deel het theater.
Epigram = puntdicht, kort hekeldicht.
Euvel = kwaad, gebrek.
Euvel duiden = kwalijk nemen.
Evel = evenwel.
Exactitude = nauwkeurigheid, stiptheid.
Explicatie = uitlegging, opheldering.

Factie = partij.
Fade = laf, flauw, smakeloos.
Feston = versiering.
Fidibus = papier dat geknipt of gevouwen is  om een pijp of sigaar aan te steken.
Fier(s) = hooghartig, trots.
Fierheid = hooghartigheid.
Fiscaliteit = geheel van wetten betreffende de belastingheffing; het onderworpen zijn aan belastingheffing.
Flatteus = vleiend.
Fluks = snel.
Frac = korte jas.
Fries = bovenstuk van een decoratie.

Gaaike = wijfje.
Gaarne = graag.
Gedommel = gefluister.
Gedruisch = lawaai, geluid.
Gekscheren = voor de gek houden.
Geleigeest = beschermengel.
Gemaal = echtgenoot.
Gemalin(ne) = echtgenote.
Gemeen = lage volksklasse.
Gene = andere.
Genius = beschermer.
Gereedelijk = bereidwillig.
Getabbaard = gekleed in een lang statiegewaad.
Gindsch = zich daar bevindend.
Gispen = afkeuren.
Gisping = afkeuring.
Gloor = glans.
Glyphographie = het nabootsen van houtsneefiguren door middel van galvanische techniek.
Gramschap = boosheid, woede.
Graauw = gepeupel.
Greep = behendigheid, vaardigheid.
Grijnen = pruilen, verdrietig zijn.
Gros = grootste deel.
Gudsen, gutsen = overvloedig stromen.
Guinje = gouden munt ter waarde van 21 Engelse shilling (105 hedendaagse Engelse pennies).
Guirlande = bloemenslinger.

Habituť = stamgast.
Hachje = ondeugend kind.
Hansworst = harlekijn, potsenmaker, clown.
Have = bezit.
Heffe = laagste.
Heilig boontje, een = iemand die zich buitengewoon braaf voordoet en dit ook laat blijken.
Heir = leger.
Hellas = Griekenland.
Herwaarts = hierheen.
Heugen = Herinneren.
Heugenis = herinnering.
Heur = haar.
Heuschheid = beleefdheid, oprechtheid, wellevendheid.
Hooger hand = rechter zijde.
Horreurs = afschrik.
Huisgouverneur = huisonderwijzer.
Huive = mantel.
Huizing(e) = huis.
Hymne = lofzang.

Impost = accijns.
Inboezemen = inprenten, ingeven.
Inkarnaat = vleeskleurig helderrood.
Inmengsel = menging.
Intermezzo = tussenspel.
Intrigue = verwikkeling.

Jammer = diepe ellende, weeklacht, medelijden, droefenis.
Janitsaar = Turkse soldaat uit de in 1826 opgeheven bevoorrechte klasse der soldaten. Zij waren het keurkorps van de infanterie.
Jobsbode = brenger van een onheilstijding.

Kales = kap om het haar van vrouwen te beschermen.
Kallen = babbelen, kletsen.
Kanteel = getand metselwerk op een burcht- of stadsmuur.
Kapitool = versterkt raadhuis en tempel van het oude Rome.
Karwats = zweep.
Kastelein = beheerder van een kasteel.
Kastijding = bestraffing.
Kimme = horizon.
Kippen = de eierschaal doorpikken om uit het ei te komen.
Kladde = smet.
Klepper = draver.
Kloek = flink.
Kluisters = boeien.
Knorren = bestraft worden.
Koddig = grappig.
Koelt(j)e = briesje, windje.
Koen = dapper.
Koenheid = dapperheid.
Koontje = wangetje.
Kopijist = overschrijver, nabootser.
Kouten = praten, kletsen, babbelen.
Krank = ziek.
Krankbed = ziekbed.
Kranke = zieke, patiŽnt.
Krankte = ziekte.
Kras = sterk.
Kreeftengang = achteruitgaan.
Kregel = knorrig, onbuigzaam, niet toegevend, verdrietig.
Kreits = kring.
Kribbig = ruzieachtig.
Krijg = oorlog.
Krijten (kreet, gekreten) = schreeuwen, huilen.
Kruisifiks = kruisbeeld.
Kwakzalver = verkoper van valse geneesmiddelen.
Kwalijk = met moeite.
Kwelen = treuren.
Kwijnen = verflauwen.
Kwisten = opmaken, verteren, verkwisten.

Laagheid = gemene handelswijze.
Laken = afkeuren.
Lamzaligheid = futloosheid, sloomheid.
Langwijlig = vervelend, langdradig.
Leest = middel.
Leger = bed.
Lenigen = verzachten, verlichten.
Lezen = sorteren, uitzoeken.
Liberaliteit = onbevoordeeld denken.
Lierdicht = lied dat met een lier begeleid wordt.
Lierdichter = componist van liederen welke met een lier begeleid worden.
Links(ch) = onvriendelijk.
Liverei = bijzondere kleding van een bediende of lakei.
Lombard = lommerd, bank van lening.
Lommer = schaduw.
Lommerluwte = koele plek in de schaduw.
Loochenen = ontkennen, niet erkennen.
Loor gaan, te = verloren gaan.
Loos = listig, geslepen.
Lorres = papagaaien.
Losbol = lichtzinnig persoon, feestvierder.
Louter = zuiver, alleen maar.
Loutering = zuivering.
Luchtstreek = klimaat.
Luiken (look, geloken) = sluiten, dichtdoen.
Luim = humeur.
Luister = eer, roem.
Luister = glans, schittering.
Lummel = lomperd, onbeschaafd iemand.
Luren = luier.
Lustprieel = tuinhuisje.
Lustrid = pleziertocht.
Luttel = weinig.

Mantille = vrouwenmanteltje.
Mare = bericht, nieuws.
Mark = grens.
Marren = aarzelen.
Matrone = deftige vrouw.
Meir = meer.
Meistreel = minstreel.
Menagerie = verzameling wilde dieren.
Meter = peetmoeder, dooptante.
Mijmeraar = dromer.
Minne = liefde.
Moei = tante.
Monarch = vorst, koning.
Moorenkop = zwart paard.
Morgengave = cadeau dat door de bruid na de huwelijknacht aan de bruidegom wordt gegeven.
Mouringh = Prins Maurits, zoon van Willem van Oranje.
Mostapeet = mostapijt.
Myriade = tienduizend, figuurlijk tallloos.

Naklappen = napraten.
Natura Artis Magistra = de volledig naam van de dierentuin Artis te Amsterdam.
Nebbe = lange spitse snavel.
Nijpen, neep, genepen = knijpen, klemmen.
Nikker = duivel.
Noen = middag.
Noode = onwillig.
Nooden = uitnodigen.
Nopen = aanmoedigen, prikkelen.
Nopens = aangaande, betreffende.
Norsch = bars, knorrig, stuurs.

Ofschoon = hoewel.
Oft = vaak.
Oir = nageslacht.
Omkringen = omcirkelen.
Omlommeren = beschaduwen.
Onderscheiden = verschillend.
Ongehuicheld = ongeveinsd, oprecht.
Ongezocht = ongedwongen, natuurlijk.
Onkiesch = niet fijngevoelig.
Onledig = bezig.
Ontmomming = ontmaskering.
Ontvlieden ontvlood, ontvloden = ontvluchten.
Ontwellen = ontspringen.
Oor leenen, het = luisteren.
Op het tapijt brengen = ter sprake brengen.
Ophakkerig = blufferig, opschepperig.
Op prijs stellen = een beloning uitloven.
Opgeld doen = meer waard zijn dan het vastgestelde bedrag.
Opmaning = aanmaning.
Oprijsen = opstaan.
Opsnijden = opscheppen, snoeven.
Opvaart = opstijging.
Onverbasterden = niet ontaarde.
Orgelen = helder zingen.
Ornithologist = vogelkenner.
Orthodoxie = rechtzinnigheid.
Overgegaloneerd = te veel versierselen hebbende.

Pantoffelen = wandelen op een bepaalde plaats en bepaalde tijd door de hogere stand.
Paradox = schijnbare tegenstrijdigheid.
Pathetisch = aandoenlijk, roerend.
PatriciŽr = adelijk persoon.
Patriot = iemand die uit liefde voor zijn vaderland er alles voor over heeft.
Peripatetisch = de wijsbegeerte van Aristoteles betreffend.
Phlegmatisch = ongevoelig, onverschillig, koel.
Phrenologisch = volgens de schedel-, hersenleer.
Pietjebedroefds = diepbedroefd.
Pijn = pijnboom, naaldboom.
Piquant = zinnenprikkelend.
Piqueeren, zich = er in uitmunten.
Piqueur = ruiter.
Plassen = door of in het water ploeteren.
Plebejer = burger(man).
Plechtanker = uiterst middel.
Pleisterplaats = plek waar mensen de reis onderbreken om uit te rusten en te eten en de paarden te voederen.
Plukharen = vechten.
Podagra = jicht.
Poezele = mollige.
Praalzucht = zucht tot uiterlijk vertoon.
Presentie = tegenwoordigheid.
Pretendent = man die een vrouw ten huwlijk vraagt, of haar met dit doet het hof maakt.
Pronk = sier.
Pruikerig = oud, aloud.

Rancune = wrok, ingewortelde haat.
Rank = tenger.
Rarekiek = iets heel vreemds.
Regte = ware, juiste.
Rei = koordans.
Rekkelijk = toegevend.
Revanche = genoegdoenig, wraak, vergelding.
Rhetoriek = redekunst.
Rijm = rijp, bevroren dauw.
Rijsje = takje
Roe(de) = Amsterdamse roede (lengtemaat 3,76 meter).
Roer = geweer.
Ros = paard.

Schaar, schare = menigte.
Schalk = grappig, guitig.
Schalkheid = grappigheid.
Schalm = schakel.
Schamper = bits, honend, scherp.
Schelp = soort arreslee.
Schier = bijna.
Schimmel = wit paard.
Schoon = hoewel.
Schoon = mooi, knap.
Schoren = steunen.
Schragen = steunen.
Schreijen = huilen.
Schrikkelijk = verschrikkelijk.
Seclusie = uitsluiting, afzondering.
Sinjeur = mijnheer.
Slechten = slopen.
Slofzucht = grote nalatigheid.
Smalen = geringschattend spreken.
Snugger = bij de hand, slim.
Solutie = oplossing.
Somwijlen = soms, af en toe.
Spiegelgevecht
Spicht = slank, tenger, dun, smal.
Spijt = ondanks.
Sponde = bed.
Staartstuk = vleugel(piano).
Staf (de) over iemand/iets breken = een oordeel over iemand/iets uitspreken.
Statelijk = deftig, groots.
Straf = streng.
Stede = plaats.
Stulp = hut, boerenwoning.
Stokpaardje = geliefkoosd onderwerp, bezigheid, hobby.
Stout = dapper, moedig, gedurfd.
Sybille = verkondigster van de goddelijke wil.
Sylbe = lettergreep.

Tantaliseeren = enorm kwellen.
Tartan = Schotse mantel van geruite wollen stof.
Tave(e)rne = herberg.
Ten leste = op het laatst, ten slotte.
Ten onzent = bij ons (thuis).
Tiara = drievoudige kroon.
Tienen = decimeren.
Tilbury = licht tweewielig rijtuig.
Tinne = omheining  op de bovenkant van een muur.
Toets = tint, nuance.
Toetssteen = criterium.
Toeven = wachten.
Tooi = versiering.
Toom = leidsel.
Torschen = met moeite dragen.
Tractaat = verhandeling.
Trans = het hoogste.
Trawant = lijfwacht, begeleider.
Tres = haarlok.
Trits = drietal.
Tronk = stam.
Trots = ondanks.
Tuigen = getuigen

Uit de school klappen = geheimen verraden.
Uitbarsten, borst uit uitgeborsten.
Uitlegging = uitbreiding.
Uitleiden = naar buiten leiden.
Uittarten = tergend uitdagen.
Uitval = hevige uitbarsting van woorden.
Uitwijding = uitleg.
Utiliseeren = gebruiken.

Vaag = jeugdige kracht, bloei.
Vast = bijna.
Vaudeville = volks- of straatliedje.
Veil hebben = bereid te offeren.
Vendel = een afdeling soldaten.
Verbeiden = verwachten.
Verbeuzelen = verprutsen, verknoeien.
Verbruid = erg.
Verdrieten, verdroot, verdroten = kwellen, onaangenaam zijn.
Verenkelen = alles wat dubbel is in zijn enkele delen splitsen.
Vergen = verlangen, eisen.
Verguizen = met verachting behandelen.
Verhelen = verbergen, verzwijgen.
Verhoovaardigen, zich = trots zijn op.
Verkonden = mededelen.
Vermetel = dapper, moedig.
Vermeten, zich = wagen, durven.
Vernuft = scherpzinnigheid, intelligentie.
Vernuften = scherpzinnige, intelligente personen.
Verschiet = toekomst.
Verschiet = verte, horizon.
Verstouten = moed vatten, durven.
Vervaardheid = angst, bevreesdheid.
Vervallen verklaren = afgezet worden.
Vervaren = bang maken, angst aanjagen.
Verweilen = verblijven.
Verwijls = verblijf.
Verwen = kleuren.
Verzeilen = al zeilende verongelukken.
Veste = vesting, verdedigingswerk.
Vigilante = kleine huurkoets, rolkoetsje.
Vlasbaard = jonge knaap.
Vlieten = stromen.
Vlijmen = priemen.
Voet geven = gelegenheid geven.
Voorslaan = voorstellen.
Voorspan = paarden voor een rijtuig gespannen.
Voortvaren = doorgaan.
Voorzaat = voorvader, stamvader, -moeder.
Vreempje = vreemdeling, vreemd persoon.
Vroed = wijs.

Waardij = waarde, prijs.
Wade = lijkkleed.
Wademen = wasemen.
Waggelen = wankelen, niet vast staan.
Walgen = ergens zo’n afkeer van hebben, dat men op het punt staat om te braken.
Wambuis = kledingstuk dat behalve de borst ook een deel van het onderlichaam bedekt.
Warande = wandellaan.
War‚tje = waarachtig.
Wassen = groeien, stijgen.
Weder = weer.
Weeuwenaar = weduwnaar.
Wel = bron, put.
Weldig = gewelddadig.
Welligt = misschien.
Werwaarts = waarheen.
Wichtje = klein kind, meisje.
Wien = van wie.
Wierd(e) = werd.
Wigt = belangrijkheid.
Wijl(e) = poos(je).
Wijlen = verblijven.
Wildzang = losbol, onbesuisd mens.
Wis = zeker.
Wit = doel.
Wrang = zuur.

IJdel = vergeefs.

Zengen = schroeien, licht branden.
Zessen klaar, van = goed voorbereid.
Zetten, zich = gaan zitten.
Zier(tje) = zeer kleine hoeveelheid.
Zog = spoor (in het water).
Zuija zuija = slaapliedje.
Zuurdesem = gist.
Zwang = mode.
Zwarigheid = moeilijkheid, bezwaar, tegenwerping.
Zwavelstok = lucifer.
Zweem = gelijkenis, betrekking.
Zwerk = hemel.