WOORDENLIJST BIJ SALMAGUNDI – E.J. POTGIETER (1808-1875)

Aanschieten = (aan)komen.
Aanstaan = half`geopend zijn.
Aanvallig = bevallig, liefelijk, bekoorlijk.
Aasje = greintje, geringe hoeveelheid.
Aêr = ander.
Afrabbelen = afraffelen.
Afrid = vertrek.
Agraffe = sierspeld, broche.
Air = uiterlijk, houding.
Aker = putemmer.
Allegorisch = zinnebeeldig.
Allengs = langzamerhand, in toenemender mate.
Alma Mater = erenaam voor de universiteiten (Eerwaarde Moeder).
Alom = overal.
Altoos = altijd, immer.
Anachronisme = fout in de tijdrekening in het vermelden van een historisch feit.
Angelus = kerkklokje dat oproept tot het uit drie delen bestaande Angelusgebed (om 6.00, 12.00 en 18.00 uur).
Anglicisme = woord, uitdrukking of zinsconstructie letterlijk uit het Engels vertaald en dat tegen het eigen taalgebruik indruist.
Anglomanie = overdreven voorliefde voor alles wat Engels is of in Engeland bestaat.
Antithese = tegenstelling.
Apert = duidelijk onmiskenbaar.
Arcadisch = landelijk.
Aspunt = middelpunt.
Associatie = vereeniging.
Ataghan, jataghan = Turkse dolk.

Badine = rijzweepje.
Baker = kraamverpleegster.
Banaal = afgezaagd.
Baten = helpen.|
Bede = verzoek.
Bediening = ambt, post.
Begeesteren = inspireren, bezielen (eigenlijk een Germanisme.)
Beiden = wachten.
Behaagziek = overdreven trachten aangenaam zijn.
Bekoorlijk = verleidelijk.
Bekreunen, zich = zich bekommeren.
Belendende = aangrenzende.
Bel étage = eerst bovenverdieping aan de straatkant.
Belet = verhindering.
Belet vragen = vragen of met ontvangen kan worden.
Berthe = damessjaaltje van kant.
Beschroomdheid = bedeesdheid.
Bestedeling = iemand die ten koste van de gemeente of van een liefdadigheidsinstelling ergens in de kost gedaan wordt.
Bestek = ruimte.
Bete = hap.
Betichten = beschuldigen.
Beuren = tillen.
Beurtman = schipper van een vaartuig dat een vaste route vaart.
Beuzelarij = kleinigheid.
Bezestein = markthal.
Bezien = bessen, vruchten.
Bezweem = onmacht, flauwte.
Bidden = smeken.
Bij de neus hebben = gefopt worden.
Bij wijle = soms, een enkele keer.
Blaauwtje lopen, een = vergeefs een aanzoek aan een meisje doen.
Bloode = verlegen persoon.
Bluf slaan = grootspreken, grote vertoning maken.
Boeijer = zeilschip met een hoge achtersteven.
Boucle = krul, lok.
Bougie = kaars.
Bourgeois(e) = burgerlijk(e).
Bouwheer = stichter.
Bracelet = armband.
Breidel = toom.
Bres = gat in een muur.
Buis = mans- of jongensrok zonder panden.

Cachet = zegel(ring).
Candelabre = kandelaar.
Chaperonneeren = een jonge dame begeleiden en beschermen.
Charade = lettergreepraadsel (’Hints’).
Chinasappel = sinasappel.
Citatie = aanhaling.
Cocarde = band, lint of roos van een bepaalde kleur, als veld- of partijteken of als nationale leus.
Coiffure = kapsel.
Collation = maaltijd van koud vlees, fruit, gebak en andere dingen.
Compteren = berekenen.
Conciliëeren = verzoenen, bemiddelen.
Console = spiegeltafeltje.
Coquetteren = het andere geslacht behagen.
Cotillon = een bal afsluitende figuurdans, waarbij door het lot of wedstrijd wordt bepaald wie met wie danst.
Courant = krant.
Courantier = dagbladschrijver; uitgever van een dagblad.

Dagge = korte degen, dolk.
Daguerreotype = foto.
Daguerrotypeeren = fotograferen.
Dakspar = balk die dient voor het dakgeraamte..
Damast = glanzend, eenkleurig, zijden, katoenen of wollen geweven stof met ingeweven figuren (oorspronkelijk afkomstig uit Damascus, Syrië).
Dartelen = spelen, loszinnig zijn.
Declameeren = voordragen.
Declaratie = verklaring.
Derdendaagsche koorts = koorts die om de derde dag terugkeert.
Deelnemen = medelijden hebben.
Deerne = meisje.
Deernis = medelijden.
Derven = ontberen, missen.
Derwaarts = daarheen.
Descriptie = beschrijving.
Dewijl = omdat.
Diaken = armenverzorger.
Diaphoretisch = verdroogd.
Dier = van die, aan die.
Diets = wijs.
Differentie = verschil.
Digestie-visite = beleefdheidsvisite.
Dikwerf = vaak.
Dilettant = amateur.
Dingen = er naar streven.
Disch = tafel.
Doldijnen = wiegen.
Dolen = dwalen, zwerven.
Doodverw = grondverf.
Dorpel = drempel.
Douairière = adelijke weduwe.
Dra = spoedig, weldra.
Dragonder = cavalerist.
Drenken = drinken geven aan.
Driestweg = onbesuisd.
Drom = menigte.
Drommel = verduiveld.
Droogerijen = gedroogde kruiden.
Drukfeil = drukfout.
Dommelen = gonzen, zoemen; dutten.
Douceur = heerlijkheid, mildheid.
Duiventil = hok waarin me wilde duiven houdt.
Dulcinea = geliefde (van Don Quichotte).
Dundoek = vlaggendoek.
Dupe = bedrogene, gefopte.

Eens = van een.
Eer = voordat.
Echt = huwelijk.
Eigenbatig = zelfzuchtig.
Eilieve = och!, kom!, wees zoo goed!.
Elegie = treurgedicht, klaagzang.
En gros = ruim genomen.
Engagement = verloving.
Entrepotdok = haven waarin een geheel schip met zijn lading bewaard kan worden, zonder dat er invoerbelasting over de goederen wordt geheven, wanneer deze weer verder vervoerd zullen worden of als de bestemming nog niet vaststaat.
Epicuristisch = wellustig, genotzuchtig.
Epistel = brief.
Erentfeste = grootachtbare (eretitel letterlijk: eervast)
Étagère = rekje (aan de muur) om voorwerpen op te plaatsen.
Exquise = voortreffelijke.

Faculteiten = verstandelijke vermogens.
Fier = trots.
Fleemen = vleien.
Floers = sluier.
Fluks = vlug, snel.
Foliant = boek van het grootste formaat.
Fries = bovenstuk van een decoratie.

Gade = echtgenote.
Galanterie = uiterst beleefd gedrag tegen vrouwen.
Galoppade = Engelse dans.
Gansch = geheel.
Gebindt = blakwerk (van het dak).
Gemaal = echtgenoot.
Gemeen = algemeen.
Gemeenebest = republiek.
Geraaktheid = boosheid.
Gerel = aanhoudend babbelen; snateren.
Gesnap = geklets, gebabbel.
Getabbaard = gekleed in een lang statiegewaad.
Gevallen = gebeuren.
Gewagen = melding maken van.
Gewiekt = gevleugeld.
Gispen = laken, hekelen, berispen.
Gloor = glans.
Goedetierenheid = barmhartigheid.
Gracieus = sierlijk.
Gram = boos.
Gramme = woeste.
Grenadier = keursoldaat van de infanterie.
Grif = vlug, vlot.
Guéridon = rond pronktafeltje op één of drie poten.

Haken = verlangen.
Halfheid = besluiteloosheid.
Hallel = Halleluja, lof.
Hamel = gecatreerde ram.
Hansworst = harlekijn, potsenmaker, clown.
Have = bezit.
Heintje Pik = de duivel.
Heir = leger.
Hekelen = berispen, kwaadspreken van.
Herwaarts = hierheen.
Heugen, zich = herinneren, zich.
Heugenis = herinnering.
Heur = haar.
Heurer = van haar.
Heusch = beleefd (bijvoegelijk naamwoord en bijwoord).
Hexameter = zesvoetig vers.
Hidalgo = Spaanse edelman van lage rang.
Hit = een paard dat het midden houdt tussen een pony en een ’gewoon’ paard.
Hoeve = boerderij.
Hoog = fel, helder.
Hospes = waard, herbergier.
Hôtel-garni = hotel waar wel kamers verhuurd worden, maar geen maaltijden verstrekt worden.
Huik = zijden of stoffen kapmantel.
Huishen = iemand die altijd thuis zit.
Huivering = rilling.
Huizinge = woning.
Hupsch = mooi, knap.
Huzaar = soldaat van de lichte ruiterij gewapen met een gekromde sabel, pistolen en een karabijn.
Hymne = lofzang.

Idiosyncrasie = eigenaardige vatbaarheid voor zekere indrukken (bv flauw vallen bij het zien van bloed).
Immortelles = samengesteld bloemigen (deze hebben schutbladen rondom de bloemen. Deze blijven nadat de bloem zelf uitgebloeid is).
Inboezemen = inprenten, ingeven.
Indoolen = inzwerven.
Invitatiën = uitnodigingen.

Jegens = ten aanzien van, tegenover.
Jobsmare = zeer slecht nieuws.
Jok = grap, scherts.
Jonkman = ongehuwde, jonge man.
Jonkvrouw = ongehuwde, jonge vrouw

Kandeel = warme drank, gemaakt van melk of wijn met eierdooiers, suiker en kaneel (voor jonge kraamvrouwen).
Kandeelstok geroerd wordt, als de = wanneer de baby geboren is.
Kapittel = hoofdstuk.
Karmozijn = paars rood, purper.
Kerfstok = plat stuk hout waarop met kerven de schuld van een persoon werd bijgehouden.
Kiesch = beleefd.
Kieschheid = beleefdheid.
Kijkers = ogen.
Kim = horizon.
Kitteloorig = licht geraakt, opvliegend.
Kloek = flink.
Kluft = koppel.
Kluisters = boeien.
Kneukel = knokkel.
Koekeloer = het werkloos zitten en kijken.
Koen = dapper, moedig.
Koenheid = dapperheid, moed.
Komenijsman = kruidenier.
Kornet = vrouwenmuts.
Kornetje = dienstmeisje.
Kout = gebabbel, geklets.
Kouten = babbelen, kletsen.
Kozen = vrijen.
Kranke = patiënt, zieke.
Krankte = ziekte.
Kras = sterk, overdreven.
Krassen = met rauwe stem spreken.
Krek = precies.
Kruien = met een kruiwagen vervoeren.
Kunne = geslacht.
Kwade debiteur =schuldenaar die niet betalen kan of wil.
Kweelen = zingen.
Kwijnen = verminderen van krachten ten gevolge van ziekte.
Kwijning = vermindering van krachten door ziekte.
Kwijting = betaling, aflossing.
Kwistziek = verspillend.

Laaije = laaiende, kolkende.
Langhals = fles met een lange hals, fles wijn van de beste kwaliteit.
Lastbrief = schriftelijke opdracht
Lauwer = prijs, onderscheiding.
Leest = middel.
Legaat = schenking bij testament.
Legeren, zich = een kamp opslaan.
Legerstede = bed.
Legio = zeer grote hoeveelheid.
Liberaliteit = onbevooroordeelde denk- en handelswijze.
Liedertafel = zangvereeninging.
Ligt = gemakkelijk, eenvoudig.
Lange lijs =  een lang persoon.
Ligtmisserij
Lijfstaffier = lijfwacht.
Linksch = onhandig, lomp.
Lionne = gevierde vrouw in de grote wereld.
Liverei = bijzondere uniform voor mannelijke bedienden.
Locutie = uitdrukking, spreekwijze.
Lommer = schaduw.
Looijerij = werkplaats waar leer gelooid wordt.
Losbol = lichtzinnig persoon, feestvierder.
Loover = gebladerte.
Loovers = bladeren.
Louter = zuiver, alleen maar.
Loyaal = getrouw, eerlijk.
Lubbe = halskraag.
Luchtstreek = klimaat.
Luim = humeur.
Luister = glans, schittering.
Lustre = armblaker (kandelaar met armen) van een kroon.
Lustrum = periode van vijf jaar.
Luttel = gering, weinig.

Madera = dessertwijn van het eiland Madeira.
Mammon = geldgod.
Mare = nieuws, bericht.
Marokijn = geitenleer (eigenlijk Marokkaans leer).
Marren = aarzelen.
Matrone = deftige vrouw.
Mazurka = nationale Poolse dans.
Meewarig = medelijdend, barmhartig.
Mei = bloei.
Meir = meer.
Melancholicus = zwaarmoedig, droefgeestig.
Memoriseren = in herinnering brengen.
Mengelen = vermengen.
Merk = Engelse voet (30,48 cm)
Methaphysica = leer van het bovennatuurlijke.
Middeling = compromis.
Minne = liefde.
Modeheer = fat, modegek.
Modiste = vrouw die modeartiekelen voor dames, met name hoeden maakt en verkoopt.
Monarch = vorst, koning.
Morren = ontevreden zijn.
Moustaches = snor.
Myriade = tienduizend, figuurlijk tallloos.

Naauw = bijna niet.
Nabob = Europeaan die in Indië schatrijk is geworden.
Nazaat = nakomeling, afstammeling.
Neb(be) = lange spitse snavel.
Nepotisme = onrechtmatige begunstiging van familie en vrienden bij het vergeven van posten.
Nering = handel.
Noen = middag.
Nomadisch = rondtrekkend, zonder vast verblijf.
Nominatief = naamval.
Nommer = nummer.
Nonsensicaal = onzinning, geen betekenis hebbend.
Noode = ongaarne, onwillig, met moeite.
Nooden = uitnodigen.
Nopen = aanmoedigen, prikkelen.
Notabiliteit = aanzienlijk, voornaam persoon.
Nulliteit = nietigheid, kleinigheid.
Nurksch = knorrig, onaangenaam.

Ofschoon = hoewel.
Oligarchie = regering door weinigen.
Ombre = Spaans kaartspel dat door drie personen wordt gespeeld. Men speelt zonder de achten, negens en tienen, zodat er met 40 kaarten wordt gespeeld. waarvan ieder negen kaarten krijgt, in drieën gedeeld. Het werd vooral in beschaafde kringen gespeeld.
Omdoling = zwerftocht.
Ondermaansche = aardse zaken.
Ongevergd = ongevraagd, vrijwillig.
Oorvijg = draai om de oren.
Ophebben = veel van iemand houden.
Opgaren, opgaderen = bijeenbrengen, verzamelen.
Optoetsen = afwerken.
Opwassen = opgroeien.
Oratoor = spreker.
Ottoman = Turk.

Paillet = reepje goud, zilver of parelmoer ter versiering van kleding.
Panacee = algemeen geneesmiddel, wondermiddel.
Pantoffelparade = het wandelen op een bepaalde plaats en tijd om te zien en gezien te worden.
Paraphraseeren = breed omschrijven.
Paroxisme = de hoogste graad van ellende.
Patriciër = 1. iemand, die behoort tot de regentenfamilies van een stad. 2. niet-adelijke persoon uit de aanzienlijke, voorname stand.
Patroon = baas; beschermheilige
Pauperisme = chronische armoede in land of streek.
Pedanterie = verwaandheid.
Peluw = bed.
Phlegma = rust, traagheid.
Phlegmaticus = koelbloedig, onverschillig persoon.
Philanthropie = menslievendheid.
Pinker = wimper.
Platzak = zonder buit.
Plebejer = burger(man).
Plegen = gewoon zijn.
Pleegzuster = ziekenverzorgster.
Pliseeren = vouwen.
Podagra = jicht.
Polyglotte = veel talen sprekend.
Popel = populier.
Poppig = popachtig.
Portraitteur = portretschilder.
Poseuse = aanstelster.
Pousseeren = aanbieden, deponeren.
Practizijn = rechtsbeoefenaar, procureur, zaakwaarnemer.
Pretendent = man die een vrouw ten huwlijk vraagt, of haar met dit doet het hof maakt.
Propositie = voorstel.
Proseliet = bekeerling tot een geloof.
Purist = overdreven taalzuiveraar.
Puriteinsch = streng protestants.

Quadrille = ombrespel voor vier personen.
Quotatie = citaat, aanhaling
Quinine = extract van de kinabast, middel tegen koorts, kninine.

Rapper = sneller.
Rederijker = beoefenaar van de welsprekendheid.
Reet = kier, kleine opening.
Rekel = ondeugd (eigenlijk mannetjesvos).
Remplaçant = plaatsvervanger (tegen betaling) voor de militaire dienst.
Rhetorica = redekunst, leer van de welsprekendheid.
Rinkelbel = rammelaar.
Romancière = romanschrijfster.
Ros = paard.
Run = fijngemaken eikenschors voor het looien van leer.

Salmagundi = mengelmoes, zooitje, ratjetoe (een salade van vlees, vis ei ui e.a.).
Satyre = geschrift dat een persoon of toestand in een bespottelijk of kwaad daglicht stelt.
Satyrycus = hekeldichter, spotter.
Savant = geleerd.
Schaars = zelden.
Schalk(e) = ondeugend(e).
Schapra(ai) = voorraadkast.
Schare = menigte.
Schel = bel.
Schellen = (aan)bellen.
Schicht = pijl.
Schier = bijna.
Schimp = beledigende spot.
Schoof = een (op het land staande) bundel korenaren.
Schoon = hoewel.
Schoon(e)=  mooi(e).
Schootsvel = leren voorschoot van van een werkman.
Schred = schrede, stap, pas.
Schrijfjeukte = zin om te schrijven.
Schrijverbent = genootschap van schrijvers.
Schromen = aarzelen, nauwlijks durven.
Schroomvallig = aarzelend, bedeesd.
Schuchter = bedeesd, schuw.
Sherbet = sorbet.
Sjouwerman = iemand die voor weinig geld allerlei werk doet.
Sleep = stoet.
Slinke = linker zijde.
Smidse = werkplaats van de smid.
Smijdig = lenig, buigzaam, week.
Snappen, kletsen, babbelen.
Snuif nemen = een beetje snuiftabak onder de neus houden en opsnuiven.
Sommiteit = hooggeplaatste, eerste in rang.
Souper = avondeten.
Spade = schep.
Spadille = schoppenaas.
Spanne = handgrootte.
Speculatie = transactie met veel risico.
Speelman = reizende muzikant.
Spikspelder = splinternieuwe.
Spinde = provisiekast, voorraadkamer voor voedsel.
Spoorslag = prikkel, aanmoediging.
St. Jutmes = nooit, nimmer (Sint Jutte is een niet bestaande heilige).
Stance = couplet.
Statelijk = deftig, groots.
Statuair = marmer.
Statuette = standbeeldje.
Stede = plaats.
Stem in het kapittel, een = durven meespreken.
Stichting = bemoediging.
Stoffaadje = stoffering.
Stumper = sukkelaar, iemand die medelijde verdient.
Suprematie = opperheerschappij.
Sybariet = slappeling, wellusteling.
Sylbe = lettergreep.

Tabouret = stoel zonder leunig, kruk.
Te loor gaan = verloren gaan.
Teint = (gezichts)kleur.
Ten harent = bij haar thuis.
Ten onzent = bij ons (thuis).
Tergend = uitdagend.
Tevens = ook.
Tinten = kleuren.
Toets = tint, nuance.
Toetsen = kleuren, schilderen.
Toeven = blijven wachten.
Togen = teugen, slokken.
Toilet = sieraad aan de kleding.
Toeven = wachten.
Totebel = vuile, slordige vrouw.
Trans = rand.
Treek = list.
Trein = stoet.
Trekken = gezichtkenmerken.
Tronie = gezicht, gelaat.
Trots = ondanks.
Trotsen = troseren.
Tucht = orde, regel, bestraffing.
Tuchtigen = straffen.
Tuigen = getuigen.

Uitbarsten = uitschreeuwen
Uitdossen = feestelijk kleden.
Uittarting = tergende uitdaging.

Vallicht = dakraam.
Varen met den bezem op den mast = de heerschappij over de zee hebben.
Vast = bijna.
Vedel = viool.
Veege = de dood nabij zijnd.
Veelverwig = veelkleurig.
Veil = bereid.
Veil hebben = bereid te offeren.
Veile = verdorven.
Verbeiden = wachten.
Verdoolde = ver-, afgedwaalde
Verdrieten (verdroot, verdroten) = leed doen, weerzin veroorzaken.
Vergen = vorderen, eisen, verlangen.
Vergewissen, zich = zich zekerheid verschaffen.
Verhoovaardigen, zich = trots zijn op.
Verklaren = getuigen.
Verknocht = innig gebonden, verplicht.
Verknochtheid = innig gebonden zijn, verplicht zijn aan.
Verkwikken = verfrissen.
Verloochening = ontkenning.
Vertolken = vertalen.
Vermeiden, zich = zich vermaken.
Vermetel = dapper, moedig.
Vernuft = geleerdheid.
Vernuften = geleerden.
Verpimpelen = verdrinken.
Verplooijen = anders vouwen.
Verschalken = misleiden, foppen.
Verscheiden = voorbij(e), overleden(e).
Verschiet = toekomst.
Verschonen = vergeven.
Verschoond = gespaard.
Verspieder = spion.
Verstompen = ongevoelig maken.
Vestibule = voorportaal.
Vervaarlijk = angstwekkend, schrikaanjagend.
Vigilante = kleine huurkoets.
Voegen = passen.
Voet geven = gelegenheid geven.
Voetvallen, te = neerknielen om om genade te smeken.
Vokaal = klinker.
Volkplanting = kolonie.
Voortleppen = doorlikken.
Voortvaren = doorgaan.
Voorzaat = voorvader, stamvader, -moeder.
Vreempje = vreemdeling.
Vroom = streng gelovig.

Waagdrager = arbeider in een gebouw waar van overheidswege goederen gewogen worden.
Warsch = afkerig.
Waslicht = kaarslicht.
Wassen = groeien.
Waterlanders = tranen.
Wee = pijn.
Weispel = jacht.
Wel = drinkwaterbron.
Welken = verflensen, verwelken.
Welligt = misschien.
Wemeling = krioeling.
Werwaarts = waarheen.
Weeuw(tje) = weduwe.
Whist = Engels kaartspel voor vier personen gespeeld met 52 kaarten.
Wicht = klein kind.
Wierden = werden.
Wigt = gewicht.
Wigtig = belangrijk.
Wijkmeester = opzichter van een wijk.
Wijle = poos, tijdje.
Wijlen = blijven.
Wijze = manier.
Winkelnering = klandizie.
Wipbrug = ophaalbrug.
Wit papier = onbeschreven.
Wrochten = werken.
Wrong = vlecht.

IJlings = haastig.

Zelfzucht = egoïsme.
Zengen = schroeien, licht branden.
Zenuwzinkingkoorts = buiktyfus.
Zier(tje) = zeer kleine hoeveelheid.
Zoelte = benauwende hitte.
Zuurdesem = partijhaat.
Zwalken = zwerven.
Zwatelen = doorelkaar zingen/praten, gonzen.
Zweemen = enige gelijkheid hebben.
Zwerk = hemel.