WOORDENLIJST BIJ LANDVERHUIZING NAAR DE VEREENIGDE STATEN – E.J. POTGIETER (1808-1875)

Acre = 4047 m2.
AÍmechtig = kortademig.
Afgemat = vermoeid.
Albion = Engeland.
Allengs = langzamerhand, in toenemender mate.
Altoos = altijd.
Arminiaan = remonstrant, aanhanger van de leer van Arminius, die de leer van Calvijn over de voorbestemming en de genade verwierp.

Bakermat = wieg (figuurlijk).
Banier = vierkante vlag met een stok.
Behelzen = bevatten.
Beproeven = proberen.
Bescheid = bericht.
Beterkoop = goedkoper (vergrotende trap van goedkoop).
Bevorens = voordat.
Bij wijlen = soms.
Bijgevolg = daarom.
Bijster = verldwaald, verloren.
Bijwezen = bijzijn, tegenwoordigheid.
Billijk = redelijk, rechtvaardig.
Blijk = bewijs, kenteken.
Boekske(s) = boekje(s).
Botvieren = vrij spel laten.
Braveeren = trotseren.
Brievenmaal = postbezorging.
Broeder Jonathan = spotnaam voor de inwoners van de Verenigde Staten.
Bruien = er om geven.
Buiten = buitenhuis.

Catheder = spreekgestoelte.
Chartepartij = vrachtcontract.
Chiffoniere = ladekast, hoge ladetafel.
Cordaat = oprecht, flink.
Courant = dagblad, krant.

Deerne = meisje.
Derwaarts = daarheen.
Dewijl = omdat.
Diaken = armenverzorger.
Die andere wolle = katoen.
Dier = van die, aan die.
Diets = wijs.
Dikwerf = vaak.
Doll. = dollar.
Dommelig = slapend, saai.
Dossen = kleden.
Dras = moerassig.
Drom = menigte.
Drommel = duivel.
Droogerijen = gedroogde kruiden.

Edelaardig = grootmoedig.
El = lengtemaat van 69 cm.
Epistel = brief.
Erin = Ierland.

Fijntje = kwezel, zeer streng gelovig persoon.

Gade = echtgenoot, echtgenote.
Gansch = geheel, totaal.
Gasthuis = huis voor verpleging van oude mensen en zieken.
Gene = andere.
GermaniŽ = Duitsland.
Gezetene = bemiddeld.
Graauw = gepeupel, tuig
Gruwel = afgrijzen, hoogste afkeer (van iets).
Gul = zonder omwegen, ronduit.

Haken = verlangen.
Hanzestad = stad die lid was van het Duitse handelsverbond (enkele Nederlands en Vlaamse steden behoorden hier ook toe).
Have = bezit.
Heir = leger.
Herwaarts = hierheen.
Heugenis = herinnering.
Heuschelijk = beleefd.
Hofstad = ’s-Gravenhage, Den Haag.
Huiskruis = aanhoudend huiselijk verdriet.
Huisman = landman, boer, dorpeling.
Huizing(e) = huis.

Iegelijk = ieder, wie ook.
Illuminatie = (feest)verlichting.
Intendant = bestuurder.
Inzonderheid = voornaamlijk, vooral.

Jammer = leed.
Jegens = ten aanzien van, tegenover.
John Bull = de verpersoonlijking van Engeland.
Jonkman = ongehuwde, jonge man.

Kampvechter = voorvechter, verdediger.
Karavaan = troep reizigers.
Kerspel = kerkdorp, parochie.
Kim = horizon.
Knevelarij = afpersing.
Koelt(j)e = briesje, windje.
Koen = dapper, moedig.
KoereiŽn = gekir.
Kouter = ploegschaar.

Lafenis = verfrissing, verkwikking.
Lanterfanten = luilakken, niets doen.
Last = 2 scheepston of 3 kubieke el (1 m3) .
Leger(steÍ) = bed.
Lezing = oogst.
Linie = equator, evenaar.
Logenstraffen = tot een leugenenaar maken.
Logenstraffing = het uitkomen van de leugen.
Lommer = schaduw.
Louter = zuiver, slechts.
Luchtstreek = klimaat.
Luttel = weinig.
Luwte = plaats waar men tegen de wind beschermd is.

Maan aan geven, de = de brui er aan geven.
Magen = familie.
Mangelen = ontbreken.
Mare = bericht, nieuws.
Mededinging = concurrentie.
Meir = meer.
Middelbaar = gemiddeld.
Monarch = allenheerser.
Morgen = oppervlakte maat (8515 m2).
Mud = inhoudsmaat voor droge waren (thans  1 hectoliter).
Mutsaard = takkenbos voor een brandstapel

Nemesis = wrekende gerechtigheid (Naar de Griekse godin van de wraak).
Nering = handel.
Noen = middag.
Noeste = vlijtige, ijverige.
Nooddruft = toestand van gebrek.
Noode = onwillig.
Nopen = aanmoedigen, prikkelen.
Novelle = klein romantisch verhaal.

Ofschoon = hoewel.
Omdolen = rondzwerven.
Oogmerk = doel.
Opluiken = openen.
Opwassen = opgroeien.

Palen = grenzen.
Pauperismus = toestand van de armen.
Paddy = bijnaam van de Ieren.
Patronaat = beschermheerschap.
Pelgrim = bedevaartganger.
Peluwe = kussen.
Philantroop = mensenlievend persoon.
Philanthropie = menslievendheid.
Philanthropisch = menslievend.
Pistool = Spaanse gouden munt.
Pittoresk = schilderachtig.
Protectionist = beschermer.
Puritein = strenge protestant, die de regeling van godsdienstige zaken overdrijft en het hele kerkelijk wezen van al het menselijke wil ontdoen, en daarin de ware reinheid (putitas) van de kerk gelegen acht.

 

Ras = snel.
Rellen = babbelen, kakelen.
Reppen van = spreken over.
Rinkel = metalen plaatje of ringetje dat gebruik wordt voor het maken van lawaai.

Schalm = schakel van een ketting.
Schare = menigte.
Schiedammertje = glaasje jenever.
Schier = bijna.
Schoon = hoewel.
Schoon = mooi.
Schred = schrede, stap, pas.
Schrijnwerker = meubelmaker.
Schromelijk = vreeselijk.
Secondante = onderwijzeres.
Secretaire = bureau.
Seminarium = opleidingsinstituut voor godsdienstbedieners.
Separatist = iemand die streeft naar afzondering van een staat (of kerk).
Slinke = linker zijde.
Spaander = langwerpig stukje hout dat bij het hakken hiervan ontstaat.
Spinrokken = op klossen rollen van garen.
Staf over iemand breken, de = een afkeurend oordeel over iemand uitspreken.
Steigeren = klimmen.
Stoppel = de nog in de grond staande deel van een korenhalm, na de oogst.
Stout = zelfbewust, driest, brutaal, dapper.
Stoutmoedig = dapper, onverschrokken.
Strafheid = gestrengheid.
Sylbe = lettergreep.

Tal = aantal.
Te loor = verloren.
Teerling is geworpen, de = het is beslist.
Ten onzent = bij ons (thuis).
Ten uwent = bij u (thuis).
Ten zijnent = bij hem (thuis).
Tering = tuberculose, T.B.C.
Togen = vertrekken.
Tomahawk = Indiaanse strijdbijl.
Tractement = bezoldiging, loon.
Tres = haarlok.
Trots = ondanks.
Twist = ruzie.

Uitweiding = uitleg.

Vast = bijna.
Veil = te koop.
Verbeiden = wachten.
Verbeuren = verliezen.
Vergen = vorderen, eisen, verlangen.
Verhoovaardigen, zich = trots zijn op.
Verknocht = gehecht, gebonden, verplicht.
Vermeien in, zich = zich in de open lucht vermaken.
Verschiet = toekomst.
Verschiet = horizon.
Verschoond = gespaard.
Verwijl = verblijf.
Viseeren = goedkeuren door er gezien (visa, vu) onder te plaatsen.
Vlotten = gemakkelijk gaan.
Voorslaan = voorstellen.
Voorttogen = doortrekken.
Vreemde, den = het buitenland.
Vrome = streng gelovige.
Vroomheid = streng gelovigheid.

Warmoes = oude benaming voor bladgroente, erwten, bonen kool en wortelen te samen.
Wassen = groeien.
Wedervaren = gebeuen, overkomen.
Wel = goed.
Welligt = misschien.
Werwaarts = waarheen.
Wijle = poos, tijdje.
Wijlen = verblijven.
Wit = doel.
Woonstede = woonplaats.

 

IJlings = haastig.

Zulten = inleggen.
Zweemen = enige gelijkheid hebben.