Aanvallig = bevallig, liefelijk, bekoorlijk.
Aanwassen = groeien.
Abbé = wereldlijk geestelijke.
Abigaïl = kamermeisje.
Acheveeren = voltooien.
Adreskantoor = verhuurkantoor.
Aeloudheid = ’pre-historie’.
Aflegger = iets dat als onbruikbaar is weggelegd, afdankertje.
Akkermaalshout = langs de rand van de akkers groeiende kreupelhout van eiken.
Alexandrijn = vers met rijmregels van 12 à 13 lettergrepen. Doorgaans uit 6 jambische (een lange en een korte lettergreep)voeten (versmaat) bestaande
Allegorie = zinnebeeld.
Allengs = langzamerhand, in toenemender mate.
Altoos = altijd.
Amice = vriend.
Arabesk = ornament, versiering.
Argeloos = te goeder trouw.
Ascetisch = zeer vroom en strenge levenswandel hebbende.
Azuur = lichtblauw, hemelsblauw.

Baar = lijkbaar, draagbaar.
Bajert = bonte stoet.
Banier = vierkante vlag met een stok
Bede = verzoek.
Bedstede = bed in een kast.
Beemd = vlak, waterrijk land; veld.
Bef = afhangend halslapje.
Beiden = wachten.
Bekoorlijk = verleidelijk.
Belgen = boos maken.
Bescheid = antwoord.
Bescheid doen = beantwoorden.
Beuren = tillen.
Bewassen = begroeid, begroeien.
Bewierooker = bovenmatige vleier.
Bijwijle = soms, een enkele keer.
Blaken = gloeien.
Blood = beschaamd.
Bonne = dienstmeisje.
Borst = knaap, jongen.
Botvangen = teleurgesteld worden.
Botvieren = de ruimte geven (eigenlijk: een touw de ruimte geven).
Braambeziën = bramen.
Brak = zilt, zoutachtig.

Calèche = open rijtuig.
Catalpas = boomsoort afkomstig uit China, Japan en Noord-Amerika, heeft lange ovale bladeren, geurende klokvormige bloemen, en lange slanke zaaddozen.
Chagrijn (segrijn) = hard maar fijn bereid ezelleer met een korrelig oppervlak.
Chais = draagstoel.
Cherub = hemeling, engel van de tweede rang.
Consistorie = kerkenraad.
Coquette = behaagziek meisje.
Crioline = hoepelrok.
Cupidootje = voorstelling van Cupido (de Romeinse god van de liefde).

Dartel = loszinnig, baldadig, wulps.
Dartelen = spelen, loszinnig zijn.
Declaratie = verklaring.
Deernis = medelijden.
Deerniswaardig = beklagenswaardig.
Deren = hinderen, schade doen.
Derwaarts = daarheen.
Dewijl = omdat.
Dier = van die, aan die.
Dies = dus.
Dikwerf = vaak.
Dilettant = kunstliefhebber.
Diligence = postwagen, postkoets.
Disch = tafel.
Doch = echter, maar.
Dommeling = vaagheid, wazigheid.
Doodsverf = grondverf.
Doolen = zwerven.
Dra = spoedig.
Dras = moerassig.
Dralen = aarzelen, treuzelen.
Dreef = laan.
Dreumes = klein kind.
Drillen = africhten.
Drom = menigte.
Duchtig = flink.

Edelaardig = grootmoedig.
Eerlang = weldra, binnenkort, spoedig.
Echtheil = huwlijksgeluk.
Epistel = brief.
Essai = verhandeling, opstel.
Établissement = vestiging, inrichting.
Euvel duiden = kwalijk nemen.

Feuilletonist = schrijver van vervolgverhalen.
Fierheid = trots.
Flikkertje slaan = een luchtsprong maken waarbij de kuiten tegen elkaar worden geslagen.
Fluks = snel.

Gaarne = graag.
Gade = echtgenoot, echtgenote.
Garen = verzamelen.
Garve = schoof, bundel.
Gâslaan = gadeslaan.
Gastmaal = feestdis, banket.
Gedistingueerd = onderscheiden, aanzienlijk, voornaam.
Gelagkamer = vertrek waar de gasten in een herberg bediend worden.
Gemme = edelsteen waarin een figuur of letter verheven of verdiept gesneden is.
Gene = die.
Genegen = gunstig gezind.
Gevallen = gebeuren.
Gewag = melding.
Ginder = daar in de verte.
Ginnegappen = spottend lachen.
Gispen = laken, hekelen, berispen.
Gloor = glans.
Goedertierenheit = lankmoedigheid, barmhartigheid.
Gram = boos.
Grammaire = spraakkunstboek.
Graveur = (ets)plaatsnijder.
Gril = plotseling opkomende, onberedeneerde gedachte.
Guit = grappenmaker, deugniet.
Gul = vrijgevig.

Hagedoorn = meidoorn.
Haken = verlangen.
Handspanne = handbreedte, een kleine stukje.
Hartig = hartelijk.
Haveloos = slordig (letterlijk: zonder bezit).
Heil = geluk.
Heinde = dichtbij.
Heir = leger.
Herwaarts = hierheen.
Heugen = herinneren.
Heugenis = herinnering.
Heusch = beleefd.(bijvoegelijk naamwoord en bijwoord).
Heuschelijk = beleefd.(bijwoord).
Heuschheid = beleefdheid.
Hombre (Ombre) = Spaans kaartspel dat door drie personen wordt gespeeld. Men speelt zonder de achten, negens en tienen, zodat er met 40 kaarten wordt gespeeld. waarvan ieder negen kaarten krijgt, in drieën gedeeld. Het werd vooral in beschaafde kringen gespeeld.
Hooger = rechter.
Hospita = waardin, kamerverhuurster.
Huizinge = huis, verblijf, woning.
Huisman = landman, boer, dorpeling.
Hupsch = mooi, knap.

Intrigueren = een heimelijke invloed aanwenden tot het bereiken van  zijn doel, met slinkse streken te werk gaan.

Jammer = leed.
Jan bij Jan = langzamerhand.
Jan Salie = dromerige jongen.
Joklust = gevoel voor humor.
Jolig = grappig, lollig.
Jonkman = ongehuwde jongeman.

Kattebelletje = kleine, haastig geschreven brief.
Keel = rood.
Kermen = steunen, huilend klagen.
Keur = keus, verkiezing.
Keurs = om het bovenlijf sluitend kledingstuk voor vrouwen.
Kiesch = beleefd.
Kieschheid = beleefdheid.
Kimme = horizon.
Kinvlok = klein baardje tussen de onderlip en de punt van de kin.
Kitteloorig = licht geraakt, opvliegend.
Klappen = praten.
Kloekhartig = moedig, onversaagd.
Knevel(baard) = snor.
Koeltje = fris windje.
Koetshuis = stalling voor rijtuigen.
Koornair = korenaar.
Kort eindje = pijpje.
Koten = hakken, ’voeten’.
Kout = gepraat, geklets, geroddel.
Kouter = ploegschaar.
Kozen = vrijen.
Kranke = zieke, patiënt.
Krankte = ziekte.
Krieuwen = ruzie maken.
Kruisweg = snijpunt van twee wegen, kruizing.
Kweelen = zingen.
Kwijning = verzwakking.
Kwistig = mild, ruim.

Lafenis = verfrissing, verkwikking.
Lamzalig = ellendig.
Landouw = veld dat voor zover het bewaterd en daardoor geschikt voor de landbouw is.
Landzaat = inwoner van een land.
Langwijlig(e) = saai(e).
Laven = verkwikken, stillen.
Leest = middel.
Léman (Lac de) = het meer van Genève.
Leppen = met teugjes drinken.
Lier = een eentonig muziekinstrument waarvan de snaren door een rad met een kruk worden aangestreken.
Ligt = gemakkelijk.
Liverei = bijzondere kleding van een bediende of lakei.
Logen = leugen.
Lommer = schaduw.
Loover = gebladerte.
Louter = zuiver, slechts.
Luister = glans, schittering.
Lubbe = halskraag.
Luttel = weinig.

Madllee (afkorting) = Mademoiselle = mejuffrouw.
Maecenas = beschermer van kunstenaars en geleerden.
Major-domo = hofmeier, opzichter van een hofhouding.
Malice = kwaadaardigheid.
Mantille = manteltje.
Marren = aarzelen.
Matelotje = ronde hoed van stro in een lage cilindervorm en met een platte rand.
Meerschuim = geelachtig witte kleiaarde. Als het gedolven is het nog week. Als aan de lucht wordt bloot gesteld, wordt het spoedig hard. Het wordt in fabrieken, die hier voorwerpen van maken eerst in kalk en later in was gedoopt, waarna deze gepolijst worden.
Meêwarig = medelijdend, barmhartig.
Meir = meer.
Memorie = herinnering.
Mephisto = duivel.
Mésiallieeren = beneden zijn stand trouwen.
Middelding = iets wat niet het ene noch het andere is.
Middending = tussenkomst, bemiddeling.
Moei = tante.
Monographie = verhandeling over één onderwerp.
Moor = wollen stof.
Morren = klagen.

Neep = kneep.
Neigen = dalen.
Nijgen = het hoofd licht buigen.
Nopen = aanmoedigen, prikkelen.
Novelle = klein romantisch verhaal.
Nufje = ingebeeld meisje.

Octavo = langwerpig rechthoekig formaat, de vorm van een in achten gevouwen vel papier, waardoor het vel 16 bladzijden krijgt.
Ofschoon = hoewel.
Olm = (zachte) iep.
Omdo(o)len = rondzwerven.
Omhuiven = omhullen.
Omlommeren = beschaduwen.
Onbekrompen = vrijgevig.
Ontluiken = vertonen, opengaan.
Ootmoedig = nederig.
Opkamer = kamer boven een kelder en dus iets hoger gelegen als de andere kamers.
Opontbod = bevel om te verschijen.
Opwassen = opgroeien.
Opwellen = opborrelen.
Overijling = overhaasting.
Overspringen = overslaan.
Overzetten = vertaler (Germanisme).

Paai = oude man.
Pakkaadje = bagage.
Panache = verenbos.
Parenteeren = familie zijn van.
Patriach = eerwaardige grijsaard.
Peluw = bed.
Pleitrede = pleidooi, verdediging (in geschrifte).
Plunje = kleding.
Pompon = pluim op een hoed.
Poozen = blijven, zich ophouden.
Popel = populier.
Portuur = partij.
Postscriptum = naschrift.
Postillon = koetsier van een postkoets.
Predicatie = preek.
Profetesse = vrouwelijke profeet.
Pronkertje = pronkboon, siererwt.
Pruikerig =(al)oud.

Rabraken = radbraken, slecht (uit)spreken.
Rag = weefsel van spinnen.
Recenseeren = beoordelen, een oordeel vellen.
Reminiscentie = herinnering.
Reppen van = praten over.
Rinkinken = veel lawaai maken.
Roemer = groot wijnglas.
Romanesk = dweeperig.
Ros = paard.
Rosinante = paard (eigenlijk de naam van het paard van Don Quichotte).

Samaar = deftig vrouwenkleed.
Scepticus = twijfelaar.
Schaal = toonladder.
Schaars = sporadisch, zelden.
Schabrak = (paarden)dekkleed.
Schalk = grappig, guitig, leuk.
Schalk = deugniet, pretmaker, lolbroek.
Schalkheid = grappigheid.
Schalm = schakel van een ketting.
Schampscheut = steek onder water.
Schare, schaar = menigte.
Scharlaken = helder rood.
Schel = (deur)bel.
Schier = bijna.
Schommel = dikke vrouw.
Schoon = hoewel.
Schoon = mooi(e).
Schorten = haperen, deren, hinderen.
Schout = gerechtelijke beambte (’commisaris der politie’).
Schouw = schoorsteen.
Schreien = huilen, janken.
Schuchter = verlegen.
Serafijnen = engelachtig.
Sinecure = kleinigheid.
Siesta = middagslaapje.
Skald = noordse dichter, die door zang en gedicht de geheimen van de godsdienst, de daden van de helden van vorige geslachten onder zijn tijdgenoten probeerde te roemen.
Slinke(r) = linker (zijde).
Sluik = afhangend, plat op het hoofd liggend.
Snapster = kletstante, babbelaarster.
Sollen = plagen, foppen.
Speelnoot = speelkameraad, vriend van de bruidegom, vriendin van de bruid.
Spit = braadspit.
Sponde = bed.
Sport = trede.
Statelijk = deftig, groots.
Statue = standbeeld.
Stearine = gezuiverde talk waarvan kaarsen worden gemaakt.
Steenen = steunen, kreunen.
Stift =  klooster, abdij, gesticht.
Stoffaadje = stoffering.
Stout = dapper, driest, overmoedig.
Stoutweg = ronduit, onbeschroomd.
Stram = stijf.
Stroef = onvriendelijk.
Stucco = pleisterkalk, gips.
Suizelen = ruisen, suizen.
Sullen = (baantje) glijden.

Taan = roodachtig.
Tabbaard = lang statiegewaad, toga.
Te loor = verloren.
Te stade = van pas.
Ten onzent = bij ons (thuis).
Ten uwent = bij u (thuis).
Ten zijnent = bij hem (thuis).
Tevens = ook.
Thans = nu, heden.
Tieren = weelderig groeien.
Toeven = blijven wachten.
Toeouwelen = verzegelen.
Toog = teug.
Traktaat = verdrag, vergelijk, contract.
Transcendentalist = iemand die geloofd dat God boven en buiten de wereld bestaat.
Trawant = handlanger.
Trots = ondanks.
Tuinkamer = kamer die uitkomt of uitziet op de tuin.
Twist = ruzie.

Vast = bijna.
Veil = te koop.
Veelverwigheid = veelkleurigheid.
Veer = ver.
Verbeiden = wachten.
Verdichting = verzinsel.
Verdolen = verdwalen.
Vergen = vorderen, eisen, verlangen.
Vergramd = erg boos.
Verlustigen, zich = zich vermaken, genoegen scheppen.
Vermei(d)en in, zich = genieten van.
Vernuffende = knappe.
Vernuft = verstand.
Vernuften = geleerden.
Verscheiden = verschillend.
Verschiet = horizon, toekomst.
Verwe = kleur.
Verwen = kleuren.
Verwig = kleurig.
Verzaken = niet deelnemen aan.
Vestibule = voorportaal.
Vigilante = kleine huurkoets, rolkoetsje.
Vista = uitzichtspunt.
Vlossig = vlokkig.
Voên = voeden.
Voilette = wieltje.
Voldingend = afdoend, overtuigend, beslissend.
Voorzaat = voorvader, stamvader, -moeder.
Vreempje = vreemdeling.

Walenpleintje = plaats waar de jongeren bijeenkomen.
Walgens = misselijk makend.
Wanen = menen, zich verbeelden.
Warande = wandellaan.
Warsch = afkerig.
Wassen = groeien.
Weispel = jacht.
Wel = (water)bron.
Welgevallig = aangenaam.
Welligt = misschien.
Werwaarts = waarheen.
Wigt = gewicht.
Wigtig = belangrijk, gewichig.
Wijd en zijd = overal
Wijken = vluchten.
Wijle = poos, tijdje.
Wijlen = wachten.
Wis = zeker.
Wit = doel.
Wrochten = werken.
Wulp = onbedachtzame jongeman.

IJlings = haastig.

Zaagt  = zag.
Ziertje = uiterst weinig.
Zoom = rand.
Zwarigheid = moeilijkheid, bezwaar, tegenwerping.
Zwatelen = doorelkaar zingen/praten, gonzen.
Zweem = zeer geringe hoeveelheid.
Zweemen = enige gelijkheid hebben.
Zwerk = hemel.
Zwoel = zeer heet.