E.J. POTGIETER (1808 – 1875)

DE ZUSTERS

I.

De lage wielen van een doctorskoetsje hadden eene wijl rust voor een aardige woning eene der hoofdgrachten van Amsterdam; het kan naauwlijks langer dan zes of zeven jaren geleden zijn, daar het een van de eerste dier rijtuigen was, aan welke de verkleiningsuitgang paste; – vroeger zag de wetenschap slechts uit de hoogte neêr! Onwetenschappelijk als de koetsier was, had hij het nog kunnen doen, maar, in spijt van het schoone stadgezigt, dat voor hem lag: – eene bogt van huizen, den naam van paleizen waardig, omkransd als zij schenen door wuivend iepengroen, dat al de frischheid had van den voorzomer, – in het verschiet eene sluis, waarop het gewoel van het volksleven sprekend uitkwam, terwijl een turfschip, achter deze, zijne zeilen in de ochtendzon droogen liet; – maar in spijt van dat schouwspel, de lust der lorgnet eens liefhebbers, mits het op doek teeken, dat het bezoek van den den arts bij dien kranke langer plagt te duren dan vijf minuten – anders tijd genoeg om te beslissen over leven en dood – had hij eenen roman van Aug. Lafontaine opgeslagen, uit de leesbibliotheek in zijne achterstraat gehuurd, en als niet enkel met de oogen, maar ook met de mond. Wij zouden, voortgaande, vertellen, wat de paarden deden, welker neêrgebogen koppen naar de straat waren gerigt, zoo een ruk aan de teugels, als eene beweging der zweep, hen niet uit hunnen sluimer had opgeschrikte – de deur der woning was opengegaan, – de geneesheer sloeg de hand aan het portier.

Den knecht, die hem uitliet, stond het huilen nader dan het lagchen.

„Naar de ....straat.,” zei de doctor.

En voort rolde het koetsje, en schrap kraste het potlood; want de arts had zijn zakboekje uitgehaald, zoodra hij zich in de kussens nedervlijde, en teekende de visite op de naamlijst zijner patiënten aan. Niets natuurlijker, hoor ik zeggen, – niets onnatuurlijker, beweer ik. Dagen lang was een dergelijk schrapje het eerste gevolg zijner bezoeken in dat huis geweest; dagen lang viel het te vergoelijken, dewijl wetenschap winstgevende zijn kan, ook zonder dat de kunst louter de koe wordt; – maar op dien ochtend! Het is waar, onze aandoenlijkheid neemt af in dezelfde mate, als onze gemeenzaamheid toeneemt; doch is het ook menschelijk open oor te blijven voor de stem des belangs, al werd men doof voor de inspraak der natuur? Ware die geneesheer eerst onlangs van de hoogeschool gekomen, we zouden hem dat trofeetjen eener veelal lang vruchtelooze patientenjagt niet hebben misduid. Indien hij zich vreemdeling had gevoeld in de maatschappij, indien hij haar vijandig tegenover hem had gezien, ieder gulden ware er één geweest: zucht voor zelfbehoud is een ingeschapen trek. Doch die doctor was vermogend, die doctor was bejaard; hij was niet enkel arts, hij was echtgenoot, hij was vader. Waarom dat schrapje ons zoo zeer ergert? het blijke u, wanneer gij, terwijl wij hem voor een poos uit het oog verliezen, nog eens naar de woning omziet, waaruit hij ons te gemoet kwam.

Plotseling was haar uiterlijk van aardig somber geworden, schoon iepenloof en zonneglans het nog even wisselziek beschaduwden en verlichtten; niet langer weerspiegelden de vensterschijven der bovenverdieping: hare gordijnen waren neergelaten; geene stralen luisterden de schemering der zijkamer meer op; men had de luiken gesloten. Het was een ommekeer, die zelfs den onverschilligste trof. „Ach God!” zuchtte een arm vrouwtje haar bedelkind toe, op de stoep van het naaste huis gezeten, „daarin zijn we ten minste gelijk,” en voegde er een fragment van een volksliedje bij, dat dikwijls, maar vruchteloos, onzen wensch verlevendigde, ook het overige te kennen: „konden rijken ’t afkoopen, – konden armen ’t ontloopen, – dan stierf er een mensch!” Streelend was de sympathie niet – maar hoeverre overtrof zij toch het schrapje! – Daar deed zich een kloeke stap hooren, en de deerne in lompen sprong op, een jongen heer te gemoet, die haar voorbijschreed, zonder haar aan te zien; wiens blik op de woning rustte, tot hij van de waterzijde naar de huizenzijde ging, en den naam aan de deur las, en de schouders ophaalde – al kende hij de familie niet, de dood had indruk op hem gemaakt want zonder het wijf lang te laten meêloopen, zonder graauw zelfs, haalde hij eene beurs uit zijnen vestzak en wierp haar bij gebrek aan centen, een vijfje toe. Verlicht mogt de sympathie niet heeten, – maar ik had het toch liever gedaan dan het schrapje! – Een open rijtuig, voor hetwelk twee vurige schimmels waren gespannen, voerde eene jeugdige, beminnelijke, aanzienlijke vrouw het sterfhuis langs; onwillekeurig ontroerde zij, toen ze „alles digt” zag; velerlei herinneringen aan smartelijke verliezen kwamen haar voor den geest, en een oogenblik was het, als wilde zij oprijzen, om haren lijfknecht eenen wenk te geven – „maar we kenden elkander zoo weinig,” dacht zij. Als kon er sprake ziju van indringen voor wie met zulk een hart in een klaaghuis gaat; als zoude vertroosting van hare lippen der verlatenen niet welkom zijn geweest! – Wanneer zal de wereld zich toch leeren verheffen boven valsche schaamte voor de heiligste sympathie?

De verlatenen, zeide ik; de weezen voeg ik er bij, want de knecht kwam uit het onderhuis, den hoed met den livereiband op, den grijzen rok met blanke knoopen aan, „om der buurt,” luidde de spreekwijze van ouds, „de weet te doen,” van wege de jonge jufvrouwen Graevestein, „dat mijnheer het dezen morgen had afgelegd.”

Het leven en den last des levens, meenden onze vaderen.

Waarlijk, men mogt het van den verscheidene zeggen, rustig als hij thans lag in de ruime ledekant, die hem dikwijls te eng scheen, eer hij den stervenszucht slaakte. Gelatenheid was de uitdrukking zijns gezigts geworden, sedert de hand des geneesheers hem de oogen sloot, – die oogen, waaruit heimelijke onrust sprak, van de ure waarin hij zich neerlegde af, tot de ure, waarin hij den geest gaf, toe. Noch de ernstige aard zijner krankte – eene aanval van zijdewee – noch de toekomst zijner beide dochters – volwassene meisjes schoon nog minderjarige – hadden dien angst voldoende verklaard. Graevestein, Mr. Johannes Arnoldus Graevestein, praktiserend advokaat, was op middelbaren leeftijd niet gelukkig, niet beroemd genoeg, om hartstogtelijk aan een leven te hangen, dat door iemand van zijne strenge, schier overstrenge begrippen, veelal te weinig wordt gewaardeerd; dat voor hem ten minste, door het verlies zijner gade, al vroeg de hoogste aantrekkelijkheid dierf. Ook heb ik u in Anne, noch in Doortje, zoo heetten zijne kinderen, eene dier deerniswaardigen voor te stellen, op welke de blik eens vaders nooit zonder bekommering rust, en die eene moeder bij voorbaat troost, als de overige aankomelingen van vrijertjes spreken: „Maar jij blijft bij mij, beste!” – Geene van Graevesteins dochteren had eenen hoogen rug; geene ging mank; geene zag scheel, en hoe die ontzeggingen aller hoop op een huwelijk, in het harte der ouders altoos, meer luiden mogen. Echter was er, gedurende ’s mans krankte, echter was er iets in zijne oogen geweest, dat de meisjes bijwijlen schrikken deed; vooral wanneer zijn blik, bij iedere verademing van pijn doorgaans op eene beeldtenis zijner vrouw gerigt, eensklaps van deze op eene zijne kinderen viel. Beide hadden het opgemerkt; beide beurtelings en vergeefs gevraagd, of: „er iets was dat” – maar: „neen, lieve! neen!” – had hij elk van beide geantwoord, en de oudste als de jongste zou het slechts eene der vele vreemde verschijnselen zijner ziekte hebben geacht, ware het oogenblik van zijn sterven niet door eene herhaling van dat angstig aanstaren voorafgegaan.

Doortje, de jeugdigste, een lief kind van zestien zomers, had bij hem gewaakt, en Anne, die vier of vijf jaren meer telde, sloop de op eene kier gezette kamerdeur in, daar de opgeheven wijsvinger der zuster haar van verre te kennen gaf; dat de kranke sliep. De nacht moest redelijk geweest zijn, want Doortjes blaauwe oogen stonden helder – die sluimering beloofde beterschap, want Doortje knikte zoo blij goeden morgen – en de meisjes fluisterden, en de meisjes vleiden zich....

Daar tikte de kranke tegen de ledekant; beide schrikten, beide stoven op, en Anne zette zich op den stoel naastde hoofdpeluw neder, en greep de haar toegestokene hand, en Doortje viel aan het voeteneinde op de knieen, de groene gordijn achter het blonde hoofd ter zijde geslagen.

„Kinderen! – het is mij – zoo benaauwd.”

Doortje wipte op naar het tafeltje, dat de medicijnen droeg.

„Neen – Doortje! – dat – baat – niet!”

Weer was ze aan zijne voeten.

En de kranke zag beide beurtelings aan, of hij in hare zielen lezen wilde; – de vermagering zijner trekken kwam dubbel aan het licht, door het opsperren der holle oogen, waarin de laatste levenskracht gloeide – ondanks de liefkozingen van zijn kroost, kuiverde hij.

„Anne! – verwijt – mij – nooit! –”

Het was al wat hij uiten kon – er hingen droppelen zweets aan zijne vroeg vergrijsde haren – eene rilling voer hem door de leên – terwijl hij Anne’s vingeren met zijne linkerhand drukte, wees zijne regter haar op Doortje, die den blik biddende ten hemel hief.

„God – zij – met –”

„U!” wilde hij zuchten, en was niet meer, al weigerde Anne het te gelooven, schoon zijne hand koud werd in de hare, schoon de fluks geroepene arts haar verzekerd had, dat zijne kunst hier miets meer vermogt.

Het geheim scheen mede in het graf genomen, op het, oogenblik, dat ik u de kamer binnenleide. Van eene beschrijving der stomme smart, in welke de zusters langer dan een half uur verdiept bleven, verbijsterd, verplet als zij waren door den slag, verschoont ge mij.

„Zoo staan wij dan alleen in de wereld!” borst Anne eindelijk uit, zonder dat zij harer droefheid door schreijen lucht gaf, en nog altijd op den stoel naast de ledekant gezeten.

„Maar zamen,” snikte Doortje, over de armleuning gebogen; – haar gansche gemoed uitte zich in dat woord.

En het leed geen’ twijfel, dat de oudste dochter het waardeerde, daar hare donkerbruine wimpers glinsterden, of zij vocht werden toen zij antwoordde:

„Ge zijt edeler dan ik!”

Dat gij den zweem van eenen blos hadt gezien; die de wangen van Doortje tintte, schoon zij hoofdschuddend hernam:

„Gij hebt vader het leven veraangenaamd.”

„Maar ik ben niet voor u geweest, wat ik zijn moest,” zeide Anne’s geweten – in een sterfhuis heeft het stem!

De jongste kuste haar; hartelijker dan op dat oogenblik hadden zij elkander nooit omarmd.

En eene lange pooze stilzwijgens bevestigde, dat de waarheid school in die hulde en in die klagt. Anne had haren vader het leven veraangenaamd; Anne was voor Doortje niet geweest, wat zij zijn moest. Graevestein was eerlijk man, was het in den vollen zin des woords, was liet tot weigerens van verdedigbare, doch onbillijke gedingen toe. Het verbaast u niet langer, dat hem in den gezelligen omgang iets stroefs en iets steils eigen was, dat ge dulddet om den wille zijner deugden, schoon ge die gaarne in liefelijker licht hadt gezien. Ik schetste maar naar het 1even, en laat dus aan zielkundigen de verklaring van het verschijnsel over, hoe met die stellige strekking van zijnen geest, met dien ernst van zin, eene liefde voor de muzijk gepaard konde gaan, welke aan het hartstogtelijke grensde. Graevestein, de straffe Graevestein, had die kunst geafgodeerd in zijne vroeg gestorvene gade; het genot, dat haar spel hem verschafte, was de eenige uitspanning geweest, die hij zich zelven, na zijne studien, toestond; ook van dit meende hij afstand te moeten doen, toen hij haar ten grave droeg, daar hij zelf speelde noch zong. Vóór dertien jaren, luttel dagen na, dien, waarop zij hem ontviel, had hij het sleuteltje der piano op den schoorsteenmantel zóó hooggelegd, dat Aune, die naast hare moeder zittende, met deze te spelen, neen, te tikken plagt, het niet bereiken kon – al was voor Graevestein het huis dubbel uitgestorven, sedert de snaren sluimerden, welker ruischen hem meêvoerde, hij wilde niet, dat hem ten halve de weelde zou worden herinnerd; zelfs de volkomenste muzijk zou zijne smart vruchteloos hebben vernieuwd. En echter, eenige weken later, – na weinige dagen afwezigheid, te zijnent wedergekeerd – was het hem, als hoorde hij eenen flaauwen nagalm der klanken, die hem het leste van zijn studeervertrek hadden gelokt. Vierde zijne verbeelding triomf over zijn verstand? hij luisterde andermaal, hij stond op. Er werd gespeeld, gespeeld op de piano zijner gade – maar gebrekkig, maar onzeker; zoude de huishoudster reeds zoo te huis zijn! – doch was er dan ieta muzikaals in jufvrouwNalop? – hij opende de deur zijner celle – hij ging de trappen af, langzaam, zachtkens zelfs. En hij stond aan den ingang der tuinkamer, die zijner gade de liefste van alle vertrekken des huizes was geweest, waarin zij, aan de piano zittende, uitzigt had op hare bloemen; en hij luisterde vijf, tien, vijftien minuten – hij zou uren hebben voortgeluisterd, zoo de achtjarige Anne niet had omgezien van haar krukje! Schichtig sprong de stoutert op, die den hals had kunnen breken in het krijgen en bergen van het sleuteltje, als hij uit was; bloode en bevende sloop zij naar hem toe, vreezende voor de verdiende straf, daar ze zijn verbod had geschonden; – maar hij hief haar in zijne armen aan zijne borst; maar hij kuste haar, zeggende: „Kind! van morgen af zult gij een’ meester hebben.”

Anne leerde spelen; leerde het vlug, voorbeeldeloos vlug; Anne werd er de lieveling haars vaders door; helaas! indien het dezen al niet verleidde tot verzuim van zijn jonger kind, zóó vroeg geprikkeld gevoel, zoo onvoorzigtig aangeblazene eerzucht in de oudste dochter, droegen doornen voor dat wicht. De mindere in jaren, de mindere in gaven, naar het scheen, was Doortje bestemd om smartelijk .te ondervinden, wat zij verloren had in eene moeder, welker harte, sta mij de uitdrukking toe, vele woningen had voor allerlei aanleg, voor allerlei aard. Jufvrouw Nalop was huishoudster geworden van den advokaat Graevestein, en de werkmeid wist het, door den hagelwitten zakdoek, die over het huisraad, door den beproevenden adem, die over den spiegel ging of ook ergens stofje of smetje was nagebleven als de kamer gedaan heette; – en de keukenmeid wist het, door het rammelen van den sleutelbos, een geluid dat jufvrouw Nalop overtuigde, dat zij dien wel bij zich had, als zij op de provisiekamer of in den wijnkelder was geweest, schoon Geesje die teekenen van magt bij mevrouws leven, dadelijk binnendroeg, en maar stilletjes in het mandje legde, wanneer zij in het eene of andere der heiligdommen waren vergeten; – ea Anne wist het, door de orde, waarin zij, haars ondanks, gewend werd, hare muzijk te houden, dewijl geen cahier slingeren mogt op de étagère, dewijl geen Aria ezelsooren of frommels had, of zij hoorde voor de honderd en eende maal van „Mijn Jetje!” van mevrouw Bilderdijk; – en de man des huizes wist het door de stiptheid, waarmede jufvrouw Nalop hem iederen maandagavond rekening deed van elke uitgave der vorige week, het uitvoerigst kort begrip ooit van de behoeften eener huishouding geleverd; – en de weinige gasten van den advokaat Graevestein wisten het, door de afgemetenheid welke in de woning heerschte, en die hen hunne bezoeken bekorten deed, schoon zij alle regt lieten wedervaren aan de zes en dertig knoppen der drie kapstokken van de kast in den gang, waardoor hoed en jas, en kales, mantel en boa, er van stof en smet vrij bleven; – doch wist Doortje het wel? Helaas! zindelijkheid, – naauwlettendheid, – ordelijkheid – (en hoe ook de overige heiden heeten, die stof hebben opgeleverd tot zoo menige verhandeling) zij oefenen wel eenen heilzamen invloed op het lot des kinds uit, maar vergoeden daarom toch het gemis niet van eenen welwillenden blik, van eene streelende hand, van eene zoete stem, die driedubbele gaven eener moeder. Wat is jeugd zonder liefde, dan een lentelandechap zonder zon? In jufvrouw Nalop’s gemoed rees zelfs de gedachte niet, dat zij in dit opzigt te kort sehoot; Graevestein stond Doortje, toen ze opwies, dezelfde scholen – dezelfde meesters toe, wellk Anne had bezocht – die Anne hadden onderwezen [de lessen in de muzijk alleen uitgezonderd, dewijl slechts Anne er aanleg voor had], – en deze, hoe droeg zij zich?

Eerst was zij dubbel zoo oud als Doortje; allengs kromp die helft verschil in leeflijd tot maar een derde zamen. We zouden vreemdelingen moeten zijn in de kinderwereld; als wij Anne hard vielen, dewijl zij hare meerderheid tegenover zusje wigtig gevoelde, dewijl zij die wigtig gevoelen bleef, ook toen de kleine een aankomend meisje geworden was. Sprakeloos van den slag als wij Anne straks zitten zagen, met de hand des dooden in de hare, ging het verledene haren geest voorbij; doch geen enkel oogenblik dreven hare donkerbruine oogen, zoo als zij van genoegen zouden hebben gedaan, bij de herinnering van een blijk van liefde, door haar aan Doortje gegeven, bij de heugenis van een bewijs van teederheid, waarmede zij deze had verrast. Wel ligt was zij onbillijk jegens zich zelve; welligt overdreef zij, door niet ééne groene plek te onderscheiden in dat verre verschiet; maar het verledene was toch woestenij; en schamen mogt zich Anne voor hare tekortkomingen, – gevierde en geprezene die zij geweest was, – jegens het veronachtzaamde, het vergetene Doortje, dat onder alles louter liefde bleef. Op den zestienden verjaardag der oudste had vader aan deze een Weener staartstuk vereerd, en de jongste had er zich verheugd over betoond, als was het haar zelve ten deel gevallen; had belangstellend geluisterd naar de eerste toonen, een speeltuig ontlokt, dat het harte der zuster al verder van haar vervreemden zou. „Daartoe gaaft ge ’t mij niet,” zeide Anne in zich zelve, den verscheidene aanblikkende.

Immers, het was later niet beter geworden. Op eenen, het maakt niet uit welken morgen, had jufvrouw Nalop verklaard, dat zij geloofde voortaan in de woning van den advokaat ontbeerlijk te zijn, – zeker iemand had zijn oog op haar laten vallen, zeker iemand, wiens huishouden, dat van een weeûwenaar, deerlijk in de war liep; jufvrouw Nalop had schier geschreid: „En ik geloof, dat ik hem gelukkig zal maken, mijnheer, hoeveel moeite ’t mij ook kosten moge, me in dien meelboêl te schikken; het is een heet hangijzer, mijnheer, vijf kinders, en onder die vijf vier jongens!” Graevestein leende jufvrouw Nalop te zelden een luisterend oor, om dadelijk op de hoogte te zijn, wat er gaande was, eene andere huishoudstersplaats, of een huwelijk. Anne verbaasde zich, wie op haar verlieven kon – hoe Doortje medelijden had met dat ééne meisje! „Ik zeg echter altijd, mijnheer, wat een’ mensch opgelegd is, moet hij dragen. God geeft kracht naar kruis – hoezeer ik hoop, dat het huwelijk voor mij geen kruis wezen zal, mijnheer, ’t is maar zoo’n spreekwoord.” Er was geen twijfel meer aan, wat het gold. Inderdaad, de grutter uit de buurt was een man van orde: hij had van jufvrouw Nalop gehoord; hij had jufvrouw Nalop gezien; hij had jufvrouw Nalop gevrijd, en vóór het weder Mei was, moest er een besluit worden genomen, wie de tweede ver kozene heerscheresse des huizes wezen zou. „Niemand,” zei Anne, dat zeggen wilde: – „niemand dan ik,” – en Doortje dacht er over als zij, en Geesje geloofde, toen, Graevestein de oude zorg raadpleegde, dat het met de jonge jufvrouwen wel schikken zou. „De jongste had zoo veel van hare lieve mevrouw!”

Twee, drie, vier jaren had het thans reeds geschikt, maar waarlijk niet ten gevolge van Anne’s ijver! Een huisknecht te houden, had haar fatsoenlijker toegeschenen, dan een’ oppasser te hebben, en hun oppasser was aangenomen tot huisknecht in liverei – het was het merkwaardigste feit van haar bestuur geweest – voor het overige, ja, voor het overige, wist Geesje, immers, welken gang alles gaan moeet, en Doortje kwam zoo aardig aan! Anne herinnerde het zich; Anne herinnerde zich meer dan dat veelvuldige verzuim, en juist het nou onverklaarde wroegde haar innigs’t. Als ge meent, dat die kwelling des gewetens ontstond uit het vroeger geschetst en gelaakt verlangen, om door haar spel te schitteren, dan bedriegt gij u; – de lof der vaardigheid, haren stouten vingeren bedeeld; de verbazing over het moeijelijke der grepen, haar gelukt; het gedurige: „mooi!” en nog eens: „mooi!” hadden weldra haren weêrzin opgewekt; – we zeiden reeds, dat Graevenstein weinig gasten zag, en onder deze had niemand haar bijzonder geboeid. Wat was het dan, hetgeen haar den troost vergalde, dat zij sedert echter zoo gewillig, zoo gaarne, iederen avond de sluimerende snaren had gewekt, als haar vader zich neêrzette bij het staartstuk, het hoofd in de handpalm geleund; uren van weelde, waarin zij hem verdiept had aanschouwd in de scheppingen des toondichters, tot hij op de ruischende wieken van dezen de wereld der droomen was ingevoerd? Wat het was? Wereld der droomen, ontviel ons daar. Ach, de zeventien-, achttien-, negentienjarige speelde niet enkel voor haren vader, speelde gaarne voor zich zelve, speelde liefst alleen! En hoe dikwijls was onder het fantaiseren, waarin zij uitmuntte, niet de wensch bij haar opgerezen, dat, haar de magt bedeeld ware, dien vloed van melodij te genieten, zonder dat iemand anders haar hoorde; – dat velangen lucht te geven, zonder dat een oor dan het hare de zucht vernam; – alles wat in haar gemoed omging te uiten, zonder dat iemand er naar giste, iemaad het ried! Zie, de behaagzucht mogt, ten gevolge harer uitwendige omstandigheden, zijn geweken, de hartstogt was ontwaakt, en voor welken dier twee de kunst gevaarlijker prikkel is, dat beslisse de verdienstelijke, die de eene en den anderen bestreed; de gelukkige, die beide overwon!

Andermaal treden wij in gedachte het vertrek binnen, waarin wij de zusters opvoerden. De jongste schreide nog, hare blonde lokken tegen den schouder der oudste geleund, en het was in de kamer des doods zoo stil, dat beide opsprongen, toen er aan de huisschel getrokken werd, dat beide verschrikt naar de deur zagen, wie er komen zou.

„Het zal onze voogd zijn,” snikte Doortje.

Het was de voogd niet; – Geesje trad het vertrek binnen, met een schrikdrankje in de hand. „De dokter was zelf bij den apotheker geweest om het te bestellen.”

Die meêwarige man!

De oude dienstbode dacht er anders over. „Ware hij liever bij den dominé aangegaan,” zeide de sloof tot haar jonger kameraad; „maar hij zal van zelven wel komen, het wordt ook bij hem gebuurt.”

Geesje wist niet, dat dominé over zijne preek peinsde; Geesje vergat, dat hij er, bij den dood van mevrouw, ook niet was geweest.

Doortje had intusschen eenige droppelen van het vocht in een glas water gemengd, en zich eenen traan uit de oogen gewischt, bij de gedachte hoe vader dien eigen ochtend nog harer trouw in het ingeven recht deed. „Drink, Anne!” zeide ze, „het zou u goed doen, als ge schreidet.”

„Toch niet,” meende Anne, en beide zwegen weder eene wijle, Eene tweede stoornis had intusschen de zusters bedreigd; – er was aan het onderhuis getikt geworden, getikt, tot men open deed; maar de jongste der beide meiden had den man niet willen inlaten, om de jufvrouwen te spreken; instinktmatig had zij het tijds genoeg geacht, deze met die figuur te kwellen, als de voogd zou gekomen zijn.

„Breng dan ten minste dat kaartje boven” smeekte hij.

En zij deed het; zij reikte het Doortje over, – het was van grof, gemeen papier – het bleek vol gedrukt, een hoofd met kapitale, een vervolg met cursieve, een lang slot met ik weet niet welke letters; Doortje las alleen de bovenste.

ANDREAS PELGRIMS;

 

„Aanspreker en Rouwinkelier.”

En het viel haar uit de vingers.

Doch zij zag, dat het aan de keezijde met potlood was beschreven; zij nam het op; zij las half luide:

„Ik heb in der tijd d’ eer ge-hadt den Wel-Edel-Gestr. Heer veel genoegen te geeven, door de bediening van Mevrouw, uwee beminde Mama.”

„Die onmensch!” zeide de oudste zuster en verzonk weder in haar gepeins. Wie onzer zou het in haren toestand niet hebben gezegd? onregtvaardigen, als we zijn, die gehuurde lijkbidders nahouden en ons beklagen – dat zij huichelaars blijken!

Gij beweert welligt, dat er in den spoed der bezorging iets van den roofvogel was, die neerstrijkt als hij een prooi riekt, en ik beken u, dat de man aarzelde het dadelijk te brengen maar niet uit mededoogen!

Zijn oudste jongen was naar echool, en zonder de hulp van dezen, achtte hij het zeker, dat hij schrijffouten maken zou. Het buisje, dat er voor den knaap in het baantje zat, overwon echter de siegenbeekerij; – een ander mogt hem soms vóór zijn!

Waarom schiep; waarom schoort onze ijdelheid eene kostwinning. die aldus versteent? Er moeten uitkleeders en lijkdragers zijn, ja, ik geef u toe zelfs aansprekers; doch om den wille van hetgeen er waarlijk menschelijks, waarlijk heiligends is in de smart, gebruik er zoo weinige mogelijk – als uw hoogmoed zich bij de groeve verloochenen kan.

„Ik weet den weg, meisje!” zeide iemand op het bordes: het was de welbekende stem van den trouwsten vriend huns vaders, die hem nog den vorigen avond had bezocht – strompelend stiet hij de deur open:

„Condoleer je, kind! condoleer je van harte!” sprak de voogd – want hij was het – aangedaan, terwijl hij den drempel der kamer overschreed, en Doortje de haar toegereikte hand snikkende in beide de hare vatte. „’t Is nog onverwacht, schrikkelijk onverwacht!” En verder binnentredende, werd de vijftiger, wiens kleeding en houding den fatsoenlijken man teekenden, wiens gezigt door iets goedronds innam, Anne gewaar, naast de ledekant gezeten, en zag hij op hetzelfde oogenblik het lijk van den verscheidene. Het viel der kalmte.des gelaats dank te weten, dat de verrassing niets schrikwekkends had; een oogenblik stond de voogd stokstijf stil; toen trad hij den doode digter.

„Tot weerziens – brave vriend!” klonk het dof door de kamer, en Ten Have drukte Graevestein de hand.

Een omzien later wilde hij de gordijnen sluiten.

„Och, neen!” bad Anne, „het zal kort genoeg zijn.....”

„Jufvrouw Doortje!” zeide de voogd, „bedui je zuster, dat zij mede naar beneden moet gaan; er dienen schikkingen getroffen te worden.”

Doortje voldeed aan zijn verlangen. „We zullen fluks weder hier wezen,” fluisterde zij Anne in.

En deze vermande zich, ten einde op te rijzen, en bukte naar het lijk, om het te kussen.

De voogd trok aan de schellekoord, want de oudste zuster viel flaauw in de armen van de jongste; hij trok andermaal, eer iemand boven kon komen, daar hij tot de kloek gebouwde mannen behoorde, die bang zijn voor flaauw vallende vrouwen.

De werkmeid schoot toe; Geesje volgde haar.

„Help mij,” zei Doortje tot de eerste, „om mijne zuster naar onze kamer te brengen.”

En het geschiedde.

„Geesje!” sprak de voogd tot de sloof, „moet er iets beneden zijn van wat hier op de kamer is, zoo neem het mede.” Geesje begreep hem – eenige voorwerpen van waarde zamentastende, zuchtte ze: „Och, mijnheer! ik had gedacht dat ik vóór hem zou zijn heengegaan!”

„Vroeger of later, Geesje!” antwoordde Ten Have; „we moeten allemaal dien weg, maar weinigen hebben minder op hun geweten dan hij!”

En met die woorden liet hij de gordijn. voor de ledekant van Graevestein neêrvallen, ging de kamer achter Geesje uit, en sloot haar met eene zucht.

Eer hij beneden tien minuten alleen was geweest, kwam Doortje tot hem – Anne lag te bed. „In die secretaire,” sprak de jongste dochter, hem het meubel aanwijzende, „ligt een brief aan u; vader zei het, toen hij ziek werd.”

Ten Have nam den hem gereikten sleutel aan – haalde de lade, waarop Doortje wees, open, brak het zegel van den brief en las;... zijn voorhoofd fronsde zich; zijne hand beefde zelfs.

„Lief kind!” sprak hij, na een oogenblik aarzelens, „beter dat ik het u nu zegge dan later: je blijft niet rijk achter.”

„Vader te verliezen,” snikte Doortje, „was harder slag!”


[Inhoudsopgave] – [Hoofdstuk 2]